Waarvan Leven wij?
(Frederik van Eeden)

 

Jahweh, wie zal verkeren in uwe Tent?
Wie zal wonen op de berg uwer heiligheid?
.......................................................................................
Die zijn geld niet geeft op woeker,
noch geen geschenk neemt tegen de onschuldigen;

Mijne hoorders!
Waarvan leeft gij?


ik vraag u dit in de zin die gewoonlijk als onbescheiden wordt beschouwd. Ik zal voor u antwoorden zoals ik verwacht, dat gij vermoedelijk zelf zoudt antwoorden.
Uw antwoord zal zijn: 'Wel, natuurlijk van 't geld dat ik bezit, krijg of verdien.'
Maar ik verzoek u op de zuivere, eenvoudige betekenis der woorden te letten.
Geld is metaal of papier. Een mens kan niet leven van metaal of papier.
Gij leeft van brood, vlees, groenten, aardappelen en nog wat, nietwaar? Bovendien zoudt gij niet kunnen leven zonder kleren, huizen en brandstof.
Houdt mij ten goede als ik u zulke bekende waarheden te binnen breng. Mijn bedoeling is niets anders dan bekende waarheden te herinneren. Waarheden als koeien, of als varkens, of als leeuwen.
Gij leeft dus van voedsel, kleren, huizen en brandstof.
Hoe komt gij daaraan?
Antwoord: 'Eerlijk gekocht en betaald'
Hier antwoordt gij teveel ineens. Over dat 'eerlijk' zullen wij het later hebben.
Gij hebt dus die zaken gekocht. Maar wat betekent dat 'kopen'?
Antwoord: 'Kopen is ruilen, ruilen voor geld.'
Ruilen voor geld? Maar wie is er zo dwaas iets waarvan hij kan leven, te ruilen voor papier en metaal waarvan hij niet leven kan?
O ja, zegt ge nu, men ruilt dat goed ook niet voor dat geld, maar voor ander goed dat men met dat geld weer kopen kan. Geld is een ruilmiddel.
Ik neem dit aan. Dus kopen is dan niet, zoals gij zei, ruilen voor geld, maar het is ruilen van goed voor goed, door middel van geld, is het niet zo? zo bedoelt gij.
Nu dan, dan vraag ik u, welk goed ruilt ge voor dat allernoodzakelijkste goed waarvan ge leeft?
Waarschijnlijk antwoordt gij: 'Dat goed ruil ik voor mijn werk, voor diensten die ik aan de maatschappij bewijs, of die mijn ouders of grootouders aan de maatschappij bewezen.'
Hier antwoordt ge weer teveel, en daardoor onjuist.
Ik wil nu eens onderstellen, dat gij allen die hier zit, werkt en diensten bewijst. Ik neem ook zelfs aan dat gij vrouwen allen voor uw mannen, voor uw broeders of ouders zodanig werkt, door voor hen te koken, te wassen, hun kleren en huishouding te verzorgen, dat gij hun diensten daardoor mogelijk en makkelijk maakt.
Dan nog vraag ik met welk recht gij zegt dat gij aan de maatschappij diensten bewijst?

Men werkt en bewijst diensten aan dezen en genen, aan mijnheer Die, en juffrouw Die, de dokter aan zijn patiënten, de advocaat aan zijn cliënten, de leraar aan zijn leerlingen, de klerk aan zijn patroon, de koopman, de winkelier, de tapper aan. we zullen aannemen aan hun klanten. We zullen ook aannemen dat al die diensten werkelijk nuttige diensten zijn en niet vóórgewende. Maar wie van u, al waart gij allen regeringsambtenaren, kan zeggen dat hij diensten bewijst aan meer dan een deel der maatschappij?

Maar ik vroeg u welk goed gij geeft voor uw allernodigst goed, uw eten en kleren en brandstof en woning. Ik vraag niet welke diensten gij deze of gene bewijst. Ik vraag u welke wederdiensten gij bewijst aan het voor u werkend deel der maatschappij, aan diegenen die u eten verschaffen, die uw kleren weven en maken, die uw huizen bouwen en versieren, die uw brandstof uit de grond graven?

Welke diensten bewijst gij aan de Hollandse dagloner, die uw aardappelen poot en rooit, of die de beetwortels plant waarvan ge uw suiker eet? Welke diensten aan de metselaar en timmerman van uw stad, die uw huis hebben gebouwd? Aan de Engelse fabrieksarbeider die uw kleren heeft geweven, aan de mijnwerker die de lange dag slijt onder de grond om uw steenkolen op te graven? Aan de Russische boer die, zelf steeds op de grens van de hongersnood, het graan zaait en oogst waarvan gij brood eet? Aan de nog armer Indische inboorling die uw rijst en koffie plant?

Ik spreek nog niet van weelde. Ik neem aan dat gij allen voortreffelijke christenen zijt, en met Paulus genoeg hebt aan voedsel en dekking. Ik neem aan dat gij allen hard werkt, zes dagen van de week en des zondags alleen een hoognodige rust geniet. Dat er geen leeglopers, dagdieven, of lanterfanters onder u zijn, niemand die de tijd zoekt te doden of om bezigheid verlegen is, man nog vrouw.

Dan nog vraag ik u, wat goed ruilt gij voor 't allernodigst goed? Waarmee koopt gij dat goed eerlijk, goed om goed? Wat diensten bewijst gij aan al die mensen, waartoe de armsten en ellendigsten der wereld behoren, die voor u zwoegen?


Als dit het enige resultaat was van mijn hele predikatie, dat gij over deze vraag ijverig en gestadig leert nadenken, bij alles wat gij doet en geniet, bij uw eten en kleden en slapen gaan en opstaan, dat ge steeds zo gedachtenloos deed - als gij dit alleen van mij dit leert hedenavond, deze vraag eerlijk en moedig, zonder uitvluchten en omwegen onder ogen te zien - dan mag ik tevreden zijn, dan heb ik mijn plicht goed gedaan.

Nietwaar? De vraag ligt voor de hand. Er wordt de hele dag voor u gezorgd, voor uw eten en uw behagen, meestal door doodarme mensen, altijd bijna door mensen armer en slechter bedeeld dan gij. Waarvoor doen die mensen dat toch, wat beweegt ze er in 's hemelsnaam toe? Wat reden heeft de arme Russische boer om voor u te ploegen? de mijnwerkers om voor u te graven?

En als het kopen is, eerlijk kopen, waar om waar, en goed om goed, door middel van geld, wat ruilt ge dan toch, welke nuttige en belangrijke zaken geeft ge terug voor dat nuttige voedsel en die kleding aan die mensen dichtbij en verre, die nauwelijks goed aan hun lijf hebben, en voor wie het weelde is wat gij gebrek zoudt noemen?

Hoe zit dat toch, lieve mensen, hebt gij er heus wel ééns ernstig over gedacht?

De vraag is zo eenvoudig. En toch weet ik zeker dat er geeneen onder u is, geenéén, die haar naar behoren kan beantwoorden.

Of gelooft gij bijgeval dat de boeren en dagloners u uit menslievendheid in leven willen houden, of uit louter plezier in uw steedse weelde en steedse beschaving waar ze nagenoeg niets van merken of kunnen waarderen?

Maar zoniet, waarom dan toch wèl? Dat zulk een groot algemeen bekend feit zo kalm wordt opgenomen, en door iedereen voor iets doodnatuurlijks gehouden, dat moet goede redenen hebben.

Als gij het feit had gezien zoals het waarlijk is - een grote massa schamele werkers onderhoudend een kleine menigte behaaglijk en gemakkelijk levenden, dan zoudt ge, om u niet zeer te schamen of zeer te verontrusten, óf wreed-zelfzuchtg óf dom-zorgeloos moeten zijn.

Maar zover ik weet schamen of verontrusten de meesten van u zich volstrekt niet.

En als ik niet zelf was geweest als een van u, dan zou ik het niet kunnen geloven.

Maar ik weet - bij ondervinding helaas - hoe ongelooflijk en verregaand gedachteloos bij kunnen voortleven, verdiept in kleinigheden, blind voorbijgaand aan wat reuzegroot en schrikwekkend voor onze ogen staat.

En bovendien weet ik hoe wij onszelf weten te paaien en ons verontrust geweten kunnen sussen met de bespottelijkste drogredenen. Wij denken eerlijk te redeneren en onze boze neigingen, de duivel in ons, zorgt voor vernuftige uitvluchten.

Ik zal eerst bespreken enkele der gewoonste drogredenen waarmee wij het feit bemantelen, dat wij en schandelijk en onhoudbaar woekerleven leiden ten koste van de armen.

Dan zal ik u trachten te zeggen hoe wij in onze onnozelheid dat lage en gevaarlijke feit volbrengen.

Dan wat er de vreselijke gevolgen van zijn.

En eindelijk wat de enige weg is hieraan te ontkomen.

Gewoonlijk begint men met het praatje dat er altijd moet zijn rijk en arm, hoog en laag, ledigganger en werker. Dat is niet alleen geheel zonder bewijs, maar het zegt bovendien niets. Is de ledigganger dan de arme, en de werker dan rijk? En hoe is het mogelijk dat de werker kan blijven werken zonder rijk te worden en de ledigganger ledig kan blijven zonder te verarmen?

Maar ik het het voorgesteld dat er onder u geen lediggangers zijn. Ik nam voor een ogenblik als waarheid aan de mooiste illusie die gij van de tegenwoordige samenleving maken kunt. De eenvoudige en tevreden landbouwer - de nijvere handwerksman -de bloeiende koopstad, waar door vernuft en beleid en arbeidzaamheid welvaart in 't land komt - schone kunsten en wetenschappen bevorderd door de rijke mensen en al deze belangrijke diensten: de bevorderde welvaart en de gesteunde kunst, beloond door het gezwoeg van boer en handwerksman.

Zelfs dan, als ik niet spreek van verkwisting, van verbrast en weggeworpen goed, van zwarte armoede in de grote steden, van werkloosheid - wat blijft er van uw voorstelling over?

Wat merkt de dagloner, wat merken die duizenden daggelders van de welvaart die die 't beleid der kooplieden in de bloeiende koopstad brengt, wat merkt de boer, de visser, de fabrieksarbeider van de schone kunsten en de wetenschappen? Wat krijgen de allerarmsten terug van de allergewichtigste diensten die zij u bewijzen?

Ze krijgen. 15 centen per uur of minder. Voor 't zwaarste werk, diep-spitten, werk dat gedaan moet worden, zonder 't welk gij noch ik leven kunt, zóveel dat een sterk man twee dagen van dageraad tot avond werken moet om drie gulden te verdienen.

Hebt ge wel eens diep-gespit? Na vijf minuten, de eerste maal, is men bekaf. Na een half uur, als men 't zolang uithoudt, snakt men om op te houden. Heeft men 't tot drie uur gebracht, dan voelt men niet meer. Men is een machine, men denkt noch voelt noch verlangt - men is een spit-dier, een aard-beest.

En dat werk wordt voor u, niet een paar uur - zoals gezond zou zijn voor ieder - maar tien, twaalf uur daags gedaan, dag in, dag uit, door mensen als gij. En als gij weer eens drie gulden weggooit aan een diner of een fles wijn, in één uur tijds verorberd, denkt dan dat gij, in de nuttigste arbeidsmaat gemeten, de opbrengst versmijt van twee lange, eentonige doorgezwoegde dagen.

Beproef ze eens te verdienen met spitten, en ge zult zuiniger worden met uw guldens.

En wat betekent het nu te zeggen dat die man zijn diensten, voor u onontbeerlijk, eerlijk ruilt voor evenwaardige diensten van u?

Wat heeft die daggelder aan uw beleid, aan uw beschaving, aan uw kunst, uw wetenschap, aan de door u bevorderde welvaart?

Niets, niets, niets, hij is blij als hij 't leven houdt. Hij geeft u alles, al uw goed, en houdt zelfs niet meer dan 't nodigste over en daarvoor offert hij niet zijn lijf, want dat kan 't meestal nog wel uithouden; maar 't beste wat hij heeft: zijn geest en gemoed en vernuft. Om uwentwil verstompt hij en verdierlijkt. Dacht gij dat arbeiders van andere makelij waren dan gij? Doe uw leven niets anders dan grof werk en ge wordt grof als de ergste.

En wat krijgt hij terug voor dat offer? Welke wederdienst wordt hem bewezen, welke eerlijke ruil heeft hij voor zijn waar, van uw vernuft en beschaving?

Voelt ge 't belachelijke en ijdele van zulke praatjes?



Als ik van ellende spreek, de ellende onzer medemensen, ten koste waarvan wij gegoeden leven, dan bedoel ik niet alleen stoffelijke, maar vooral geestelijke ellende. Onthoud dat goed. Nog onlangs werd mij toegevoegd door een rijk, niet bijzonder ongevoelig man: 'Maar is er heus wel zoveel ellende? Ik merk er niet veel van.' Dit klonk nogal erg onnozel en cynisch, maar de man bedoelde dat alle boeren, arbeiders, handwerkslieden in de omtrek van zijn buitenplaats geen gebrek leden en behoorlijk voedsel, kleding en woning hadden.

Hierbij beging hij twee geweldige vergissingen. Ten eerste noemde hij het geen ellende omdat die mensen niet direct verkleumden en verhongerden. Dat ze onbeschaafd, ongemanierd, onzindelijk, ongeletterd waren, dat achtte hij niet. Dit hoorde zo, dacht hij zeker. Een dagloner moet een grof wezen zijn en niets weten, niets verstaan dan grof werk, opdat ik, de rijke heer, mij kan verfijnen en ontwikkelen. Zo redeneert men, of, nog dommer, men denkt dat de dagloner dagloner is geworden uit een natuurlijke botheid en grofheid, in plaats van te begrijpen, zoals ieder toch wel weten kan, dat gebrek en eentonig, onafgebroken zwaar, geestdodend werk, door geslachten op geslachten, het fijnste en edelste mensenras moet verbeesten en vergroven.



Zijn tweede ergerlijke vergissing was deze, dat hij geen ellende aannam, omdat hij ze in zijn buurt niet zag. Neen, in die buurten om Arnhem en Haarlem en Utrecht, waar de grote buitenplaatsen zijn, daar zal men geen honger lijden. De hoeven op zulke plaatsen moeten er netjes uitzien, anders zou de heer zich ergeren. En als er arme boertjes in de buurt zijn, wel dan komen mevrouw en de freules met brood en spek en wollen dekens, want, nietwaar, men moet zijn naasten weldoen.

Maar intussen worden mijnheer en mevrouw en de freules niet alleen welgedaan, maar feitelijk geheel en al verzorgd en in 't leven gehouden, niet door hun naasten, maar door uitgehongerde Russische moejiks, door ellendige Maleise of Chinese koelies, door mijnwerkers en verstompte fabrieksarbeiders in Engeland - wat gij weet toch wel dat onze buitenplaatsen luxeterreinen zijn en geen gronden waar iemand van leven kan. Hoogstens een graanveldje of een weilandje voor 't mooi hier en daar, maar waar mijnheer, mevrouw en de freules 't van hebben moeten, dat zijn de fondsen, de kapitalen uitgeleend in Amerika, Rusland, Indië en elders

En wat gold van die heer en zijn buiten, dat geldt voor heel Holland. Het is hier in Holland erg genoeg. Niet alleen de geestelijke ellende, die is niet te noemen, maar die treft u niet omdat niemand beter weet of 't hoort zo, maar ook de stoffelijke ellende is erg, als men de moeite doet te onderzoeken. En toch, 't is waar, hongersnood is er niet. Kom! Kom! zeggen de mensen wat praten ze dan van ellende, als er eens eentje sterft van gebrek, dan staan alle kranten er vol van. Wel een bewijs dat 't niet alle dagen voorkomt. Lees dan eens hoe 't soms in Rusland toegaat, of in Engels Indië, dan heeft men hier heus geen klagen.

Juist, lieve mensen, Holland is een luxeplaats. Het is een klein land en de mensen zijn er weekhartig en mild. Ze kunnen niet verdragen dat de bedelaars van honger sterven voor hun deur.

Maar vraag nu eens waar Holland van leeft.

Vraag nu eens voor hoeveel miljarden - ik geloof dat het er vier zijn - de Hollanders hebben uitgeleend aan vreemden, en hoeveel miljoenen er dus, bij de sjacherpartij, van buitenaf in Holland worden gebracht, waar Holland niets voor teruggeeft.

En vraag dan eindelijk wie die miljoenen moeten opbrengen, en hoe die stumpers het hebben.

Dan zult ge gaan gewaarworden dat Multatuli nog niet zo ongelijk had, toen hij Holland een roofstaat noemde. Het is een luxeland, een roofstaat, nog op andere wijze dan Multatuli bedoelde.

Gij herinnert u zeker wel dat er vroeger ook zulke roofstaten waren. Rome bijvoorbeeld. De legioenen trokken de wereld door en hieven schatting van de onderworpen volken. De Romeinse burger die thuisbleef, deed niets als feestvieren, het volk kreeg brood cadeau en zat in 't circus.

In 't Holland van onze dagen gaat het gelukkig heel anders toe. Veel beschaafder, nietwaar? Veel netter en fatsoenlijker. Men leent zijn miljarden, vraagt 2 tot 5 percent en zit thuis couponnen te knippen van heb ik jou daar. Een geheel pijnloze en bloedloze operatie. Men laat nu en dan een veer erbij zitten, maar de miljoenen vloeien geregeld en de miljarden blijven intact. Welk een groot onderscheid met Rome!

Ja, er is onderscheid. En wel precies hetzelfde onderscheid als tussen Rinaldo Rinaldini de roverhoofdman en Shylock de woekeraar.

Ge meent misschien dat het heel wat braver en zedelijker en beschaafder is te leven zoals Holland leeft, dan zoals Rome leefde.

Maar ik vraag u, op uw geweten af, voor welk persoon voelt gemeer sympathie, voor Rinaldo of voor Shylock? Wie van de twee vindt ge zedelijk hoger staan, wiens rol vindt ge 't minst gemeen?

Waarlijk, wij zijn er niet op vooruitgegaan. De Rinaldo's weten wat zij doen. Ze leven van geweld en beweren niet aan mensenliefde en humaniteit te doen. Maar de Shylocks leven van bedrog, en schrijven in op liefdadigheidslijsten en hebben de mond vol van barmhartigheid en naastenliefde.

Ik zal nog eens herhalen. Vergeef me als ik tracht duidelijk te zijnj tot vervelens toe, en u de dingen vóórkauw als de meester van een bewaarschool. Ondanks al mijn moeite weet ik zeker dat het nog niet genoeg zal zijn. De mens heeft een verbazend vermogen tot niet-zien en niet-begrijpen waar hij niet gewend is en ook niet wenst te zien of te begrijpen.[1]

Wij gegoeden dus werken, áls we al werken, voor elkander en bewijzen elkander enige min of meer onnutte diensten. Voor ons leven, voor de voornaamste en onmisbare dingen van ons leven, werken de niet-gegoeden, de armen, en voor dat werk ontvangen ze van ons niets terug. Niet alleen omdat ze door teveel werk niet in staat zijn van onze beschaving en kunst te genieten, maar omdat ze behalve voor ons onderhoud, ook voor hun eigen onderhoud moeten werken. Dit is niet een min of meer bestrijdbare onderstelling, maar het is een volstrekt onbetwistbare waarheid. Wij kunnen in 't geheel niets opnoemen, wat zij van ons ontvangen, en wel omdat de meesten niets ontvangen dan wat zij zich zelf verschaffen. En zo de arbeiders in luxelanden er soms iets beter aan toe zijn, dan is dat omdat zij dichter staan bij de gegoede en iets delen van zijn buit, tenkoste van de allerellendigsten.

Want aangezien er ook voor hen gewerkt wordt, en wij 't zeer stellig niet doen,

moeten zij 't wel zelf doen.

Om ons heen is de ellende niet zo groot, omdat Holland leeft als een buitenplaats of een luxeterrein.

Er wonen hier armen en rijken, en de rijken laten de armen voor hen zorgen, zoals de heer van de buitenplaats zijn tuinlui en bedienden voor hem laat zorgen.

De armen worden hier bedeeld door liefdadigheid en mildheid, zoals de heer zorgt dat zijn bedienden geen gebrek lijden; maar om dat te kunnen doen moeten weer duizenden anderen, in verre landen, voor Holland werken, duizenden om wier honger, gebrek en ellende Holland zich niet in 't minst bekommert, en waaraan wij niets teruggeven. Wij allen, min of meer gegoeden, leven zoals de opwonenden in een buitenplaats en hebben 't beter naarmate wij de heer, dat is de zeer gegoede, de grote bezitter, aangenamer zijn.

Dit alles is reeds eeuwen zo geweest en zou volstrekt niet bestreden of misprezen kunnen worden wanneer het leven ten koste van anderen, door middel van roof en geweld, een algemeen erkend en goede en vrome zaak ware. Assyrië, Perzië, Rome leefden openlijk van roof en geweld en nog tot voor weinig eeuwen werd een ander volk niet beschouwd als gelijkwaardig met het eigen, en roof op vreemd gebied was wettig en zedelijk.

Maar in onze tijd is dat geheel veranderd en terwijl roof en openlijk geweld algemeen wordt afgekeurd, is het leven ten koste van anderen precies onveranderd gebleven, maar geschiedt steelsgewijs en bedrieglijk, door zwendelarij en woeker. En niet bij uitzondering maar geheel algemeen, door iedereen, met de regeringen aan 't hoofd.

En met huichelachtige of domme tegenstrijdigheid tracht men, door liefdadigheid, zo'n klein beetje te verhelpen van de ellende die deze leugenachtige levenswijze noodzakelijk na zich sleept.

Ik weet dat de grootste drogreden, en ook de bespottelijkste, waarmee wij geleerd hebben onze vuile manier van bestaan te bemantelen, sommigen van u, zeker de enkelen onder u die economie hebben gedaan, op de lippen zweeft. De kranten zorgen er trouwens voor dat ook het meest ongeletterde renteniertje een lapje van dit weefsel van bedrog in handen krijgt om zijn schaamte te bedekken.

Wij bewijzen, zegt gij, de arbeider kapitaaldiensten. Daarom werkt hij zo ijverig en tevreden voor ons. Daarom mogen wij er wezen, zelfs al doen wij letterlijk niets, als we maar wat kapitaal hebben.

Lieve mensen, de enormiteit van deze frase is zo, dat het mij haast lijkt of ik u beledig door u deze onzin in de mond te leggen. Maar ik weet, zulke dingen zegt gij onder elkaar, de heren aan de bittertafel, de huisvader aan zijn vrouw en kinderen, de leraar. ja, de hoogleraar aan zijn leerlingen.

Ik onderstel: een oom of tante laat u honderdduizend gulden na. Laat gij die in de brandkast liggen, of maakt gij ze op, dan zijt gij een slechte staatsburger. Maar gaat ge ermee naar een mijnheer die er u een papier voor geeft waar ge ieder half jaar een papiertje afknipt, dan wordt ge ineens verdienstelijk. Dan wordt ge zo enorm verdienstelijk, dat duizenden arbeiders en werkers voor u gaan zwoegen met lust en ijver, en zorgen dat ge alles hebt wat ge maar verlangt. Die arbeiders worden ineens allemaal zo geweldig dankbaar, om die wandeling van u naar dat effectenkantoor en dat knippen van dat papiertje elk halfjaar, dat ze zeggen: 'nou hoeft u, omdat u dat gedaan hebt, uw leven lang niets meer uit te voeren, elk jaar zult u vierduizend gulden van ons hebben, die wij van ons armoedje voor u zullen afzonderen, en al duurt dat nu nog zo lang, uw honderdduizend gulden krijgt u weer net zo voor uw papier terug, zodra u maar wilt.'
Ziedaar, nietwaar, uw begrip van kapitaaldienst. Voor dat eenmaal uitlenen van uw honderdduizend gulden wordt ge, als ge nog vijftig jaar leeft, met tweemaal honderdduizend gulden extra betaald. Goed betaald, die wandeling. Maar wat een vernuft komt daar dan ook bij te pas! Wat een beleid, wat een mate van beschaving en hoge ontwikkeling! Men moet toch weten of dat kantoor van Jansen & Co.solider is dan Pieterse & Co. En men moet op de hoogte blijven, en elke morgen de krant nazien. Dat alles mag wel terdege beloond worden en is wel wat ellende van anderen waard.
Dit noemt gij eerlijk kopen van het allernodigst goed. Eerlijk goed om goed, waar om waar, diens om gelijke dienst.
En die onzin wordt gepredikt en gedoceerd en geleraard en gehoogleraard door 't ganse land.
'Maar,' zegt ge, 'als ik iemand honderdduizend gulden leen, dan doe ik hem toch een dienst, als hij erom verlegen is.'
Zeker doet ge dat, wanneer ge weet dat hij u honderdduizend gulden zal terugbetalen.
Maar laat ge hem beloven dat hij u honderdenvijfduizend gulden terug zal betalen, dan doet ge hem een, grote ondienst en dan maakt ge uzelf schuldig aan een erkend lage en schandalige handelswijze, aan misbruik van uw machtiger positie, en aan afpersing.
'Maar de arbeider heeft ons kapitaal nodig,' zegt ge, 'hij kan niets doen zonder dat.'
Zeker, zo is het, en van die nooddruft maakt gij juist misbruik om hem af te zetten. Gij leent hem zijn gereedschap en dat zou goed van u zijn - hoewel niet bijzonder verdienstelijk, aangezien gij er zelf toch niets weet mee aan te vangen - als gij ook niets meer dan 't geleende van hem terugvorderde. Maar gij vordert rente, pacht, interest en hoe uw woekertermen meer luiden mogen. Dat vordert gij, omdat ge anders zelf ook zoudt moeten gaan werken en geen tijd zoudt hebben voor diners en visites. En gij neemt, als Shylock, het vlees en bloed uit zijn lijf als hij 't niet betalen kan. Maar niet zelf - o here neen, om van te sidderen - daar hebt ge uw mensen voor en ge merkt er niets van.
Ik zal u vertellen wat uw 'kapitaaldienst' betekent.
Er trok eens een troep herders door een door land om zich te vestigen, waar zij water vonden en gras voor hun vee. Ze waren zover getrokken dat ze niet meer vooruit of terug konden omdat al hun voorraad was verbruikt en hun water verdroogd.
Toen vond een van hen een bron. Maar hij was sterk en heerszuchtig, daarom belette hij de anderen de bron te naderen. Toen hij zelf gedronken had, zei hij tot de anderen dat ze nu mochten drinken, als ze beloofden hem hun vee te geven en voor hem te werken. En de anderen, versmachtend en zwak van dorst, deden wat hij vroeg. Toen stelde hij een verbond op, dat de bron zijn eigen zou blijven, en na hem aan zijn kinderen zou komen, want hij had ze gevonden. En zij moesten alles wel goedvinden wat hij vroeg, want hij was de sterkste en zonder water konden zij niet leven. En er was geen water op dagen reizen afstand. Ook ontving niemand zóveel water dat hij weg kon reizen. Zo bleef de eerste geweldenaar meester van de bron en daarmee van leven of door zijner lotgenoten. Hij deed niets en werd voorzien van al het goede. En zijn kinderen na hem deden niets, behalve onderling twisten en vechten om het bezit van de bron. En wie de bron had werd geëerd en gediend en leefde in overvloed. En wie de bezitter na bestond of aangenaam was, had het goed en de overigen leden dorst. En als men hem zijn ledig leven verweet, dan zei hij dat hij de verdienstelijkste onder zijn gezellen was, want als hij ze niet liet drinken, moesten ze allen versmachten, en as hij geen water gaf, was er geen gras en geen vee en geen melk en geen graan. Geen dienst was dus zo groot als die hij bewees.

Denkt aan deze parabel als men u wil voorpraten dat gij de armen diensten bewijst. Denkt er ook aan als gij u afvraagt hoe het mogelijk is dat de arme voor u werkt zonder wederverdienste. Denkt er ook eindelijk aan, als eenmaal, zoals wij willen hopen, uw geweten spreken gaat en uw ogen zich openen en gij verbijsterd vraagt: maar wat moet ik dan doen?

Uw kapitaaldienst is als de dienst van een dik man die met zijn ganse lijf de enige opening verspert van een benauwd vertrek vol mensen, en die van tijd tot tijd dezen en genen toestaat een teug lucht te halen, mits zij dan ook voor hem alles doen wat hij verlangt.
Want het is letterlijk waar, dat de bezitter de bronnen van het stoffelijke leven bezet houdt. En dat hij zich betalen laat voor zijn genade om anderen tot die bronnen te doen naderen.

'Hoe is dit mogelijk?' zegt gij. Kan ieder niet bezitter worden? Staat de weg tot rijkdom niet ieder vrij?'

Neen, mijn vrienden, aan een eerlijk man, die leven wil van zijn arbeid en van zijn arbeid alleen, niet van woeker of van gunst der bezitters, aan zo een staat de weg tot rijkdom niet vrij. Wie leven wilvan eerlijke arbeid kan geen bezitter, laat staan rijk worden. Hij blijft in de macht van de patroon, de grondeigenaar, de grootindustrieel. Wie werkt harder en nuttiger dan de dagloner, en welke dagloner kan rijk worden zolang hij dagloner blijft? Niet eer hij gaat meedoen in het zwendelsysteem, eer hij gaat lenen en uitlenen, komt hij tot bezit. Er zijn wel veel soorten van luxe-handwerk, zoals schilderijen maken of boeken schrijven, waarmee sommigen veel verdienen, maar dan verdienen ze door de gunst der bezitters, en de arme legt het loodje. - Sijmen betaalt.
'Maar is het dan niet mogelijk,' vraagt gij, 'dat men eerst een klein sommetje overspaart, door eerlijk werk en zuinigheid, en dan met dat sommetje als beginkapitaal tot rijkdom opklimt?'

Lieve vrienden, hier stuit ik op een der meest merkwaardige verschijnselen van onze tijd. Een vorm van bijgeloof, naïef, en ongehoord, bijna onuitroeibaar, en in zijn wezen zo goddeloos en afschuwelijk als bijgeloof ooit was.

Ik bedoel het bijgeloof dat twee rijksdaalders kunnen trouwen en in gezette tijd een jonkie krijgen in de vorm van een kwartje.

Het bijgeloof dat geld geld kan voortbrengen is zo algemeen, dat het als een ernstige zonde wordt beschouwd geld onvruchtbaar te laten liggen. Men moet het 'beleggen', dan plant het zich voort, door een of ander geheimzinnig biologisch proces.

Door uw laatste vraag toont gij te denken dat wat men met de hardste arbeid niet gedaan kan krijgen, rijk worden, vanzelf gaat als men rijksdaalders maar behoorlijk laat paren. Hebt gij er eenmaal een paar honderd, dan is 't harde werken niet meer zo nodig, dan groeien de fondsen, behoorlijk geplaatst, vanzelf.

Een cent, bij 't begin onzer jaartelling uitgezet met rente op rente, zou nu meer zijn dan alle menselijke schatten. Zo gaat het praatje. En het zou mij niet verwonderen als er werkelijk onder u waren, die menen dat die cent dat alleen klaargespeeld zou hebben, mits in een warm hoekje, een effectenhoekje b.v., geplaatst. Zoiets als een bacterie.

Dit idee vindt ge nu erg grappig en potsierlijk. Maar onderwijl handelt ge ernaar en leeft ge ernaar.

Die belachelijke nonsens is de richtsnoer van uw leven, uw catechismus, de drijfveer van uw handelingen.

Als ge 't niet dacht, hoe zoudt ge dan zo roekeloos kunnen blijven voortleven, zonder te vragen: als het geld zich niet zelf voortplant, waar komt rente dan vandaan?

Al het geld dat niet komt van uw eigen arbeid, komt van de arbeid van anderen, die niet genoeg hebben om hun geld te laten voortplanten. Geld regent niet uit de lucht, evenmin groeit het aan de bomen, maar anderen die gij, met uw kapitaaltje, in uw macht hebt gekregen, hebben ervoor gewerkt, voor u en zonder vergelding. Daarom hoeft gij nu minder te doen en zij des te meer.

Het feit is klaar als 't zonlicht en door de eenvoudigste ziel te begrijpen. Maar logen is op logen gestapeld om het te verbergen. Gij hebt zeker ook in uw Hollandse rechtschapenheid uw vuisten geschud om de schande van Frankrijk, waar onlangs logen op logen, bedrog op bedrog werd gestapeld om een rechterlijke dwaling te bemantelen. Maar het zou u beter gepast hebben te onderzoeken, door wat weefsel van onzin en bedrog gij de armen vlak naast u in hun ballingschap weet te houden. De Duivelseilanden of Duivelshoeken zijn dichterbij dan gij denkt, en gijzelf speelt volmaakt dezelfde rol als het verblinde Franse gepeupel.

Ik zou er veel avonden aan moeten besteden om alle drogredenen te bespreken. Zo zegt men dat de uitlener betaald moet worden voor zijn risico. Alsof iemand hem dwong om te lenen. Alsof er enige reden was iemand eten en kleren te geven, die onnodig zijn goed waagt door het uit te lenen!

'Wie leent heeft schade of schande,' zegt een mooi, wijs Oudhollands spreekwoord.

De schande is voor de uitlener, de schade voor hem die ter leen krijgt.

Nog zotter is de bewering - uitvoerig verdedigd door professor Pierson - dat de rente 't waardeverschil is tussen tegenwoordig en toekomstig goed.

Dat wil dus zeggen dat de rentenier de kunst verstaat toekomstig goed tot tegenwoordig goed te maken. Hij eet dus eigenlijk toekomstige diners, met een toekomstige jas aan, en rijdt in een toekomstig rijtuig met toekomstige paarden!

Zes planken, professor, is ons zekerste toekomstig goed, ik stel u vóór het waardeverschil met uw tegenwoordig goed te restitueren.



Ik heb couranten gelezen die spreken van de 'bevoorrechte klasse' der arbeiders. De bevoorrechte klasse!! Omdat, zoals er gemelijk zeiden, ieder tegenwoordig succes heeft die maar beloofd wat voor de arbeiders te doen.

't Is waar, het voorrecht om zulke eminente journalisten in 't leven te mogen houden is zó groot, dat pogingen tot verdere lotsverbetering aan zedeloze overdaad grenzen.

Graag spreekt men ook van de leiding, het initiatief, de matige ondernemingsgeest der bezitters, die alle beloond moeten worden;

'Wat zal 't zijn vrouw? Grootboek? of Russische sporen? Die Amerikanen zijn anders tegenwoordig beter te vertrouwen.'

Ziedaar de geweldige herseninspanning, de leiding, het initiatief, de heldhaftige ondernemingsgeest die nodig is om ten koste van de geestelijke en stoffelijke ellende van duizenden, met geld en goed betaald te worden.

Wij zijn niet allen renteniers, welneen! Er zijn ook handelaars en industriëlen.

Worden die dan niet eerlijk beloond voor hun arbeid, hun vernuft en ondernemingsgeest? Neen, zeer zeker niet. Het is niet de vraag of er niet somwijlen één werkelijk verdienstelijk en nuttig werkzaam is. Maar dit is waar 't op aankomt, dat hij 't niet hoeft te zijn om rijk te worden, en dat alleen door nut en verdienste niemand rijk worden kan.

Als een koopman door zijn geldmacht en zijn pakhuizen in staat is graag op te kopen en te bewaren tot de prijzen stijgen, dan handelt hij volgens koopmanszede plichtmatig en braaf, maar volgens algemene christelijke zede, de zede die hij in de kerk erkent of als gewoon burger volgt, handelt hij als een schoelje.

Bovendien onderneemt hij nooit iets ten algemene nutte, laat staan ten nutte van hen die hem in 't leven houden. Zijn doel is verrijking van eigen beurs en 't nut dat hij doet, is vaak denkbeeldig en altijd toevallig.

Eindelijk zijn de ondernemenden volstrekt niet altijd de best beloonden. Het best beloond worden de slimmen en gewetenlozen, zoals de Amerikaanse beursspeculanten. Onfeilbaar beloond wordt de voorzichtige nietsdoende rentenier. Die is nagenoeg zeker van zijn onderhoud. Onfeilbaar gestraft wordt echter de strikt eerlijke man. Wie niet van woeker, noch van spel, noch van gunst der rijken, maar van arbeid alleen wil leven, moet armoe lijden, daaraan helpt niets.

Zo is in volle ernst, en met letterlijke waarheid, de zegenrijke toestand van onze hedendaagse maatschappij.

En eindelijk schermt men met het grote woord: vrijheid. Vrije concurentie, vrij ruilverkeer, vrijheid in vraag en aanbod, dat heet het wachtwoord.

Herinnert ge u de man die de bron bezat in de woestijn? Ook die schreeuwde dat iedereen vrij moest zijn. Hij liet ieder vrij - vrij om te versmachten en te verhongeren namelijk - en iedereen moest hem in 't vrije bezit laten van zijn eigendom, de bron.

Ik heb gezegd dat ik u zou uitleggen hoe wij het lage en gevaarlijke feit volbrengen, te leven ten koste van de arbeider.

Nu zullen er wel zeggen, dat dit tot de economie behoort en dat dit hun en mijn zaak niet is. Zei Ds. Bronsvelt niet onlangs, dat de predikant zich op de kansel volstrekt niet met economische vraagstukken bemoeien mocht?

Maar! . maar ondertussen! - economie of niet, en verstand of niet, met obligaties, dividenden, percenten, hypotheken en wat dies meer zij, daarmee bemoeit zowel de ondeskundige dominee als zijn argeloze ondeskundige kudden zich dan maar wat goed, als ze er kans toe zien.

Aan de theoretische economie, och, daaraan zijn ze allen geheel en al vreemd, daar weten ze niets van af, en daar willen ze niets van weten, ze wassen hun handen in onschuld.

Maar als 't op praktische economie aankomt, op beleggen en belenen, verpachten en verhuren, dan zijn ze opeens wel deskundig genoeg.

De werkman en de dagloner wordt 't vel van over de oren gehaald, maar als men wil navragen hoe, dan kijkt ieder even onnozel en onwetend en verwijst u naar de professor.

Ik bepaal mij tot korte uitspraken, zonder uitvoerige toelichting. Voor een klaar verstand behoeven ze geen toelichting. Maar onze maatschappelijke sfeer is zo vol wanbegrip, dat het veel woorden en grote inspanning zou kosten, de waarheid zó te verdedigen, dat de moderne drogredenaar zich gewonnen gaf.

En toch zeg ik u geen twijfelachtige dingen, maar geheel zekere dingen. En geen uitvindingen van mijzelf, maar waarheid, wier grond en weten gekend is door de wijsten van alle tijden, en de slotsom waartoe zowel eeuwenoude als de allerjongste gedachte is gekomen.

Ik zei dan, dat de bezitter de bronnen van het stoffelijk leven bezet houdt en zich laat betalen voor zijn genade om anderen tot die bronnen toe te laten.

Wat is die bron van rijkdom, van het stoffelijk leven, die het mogelijk is bezet te houden, zoals die sterke herder de waterbron in de regenloze woestijn, daarmee zich heerser makend over leven en dood van zijn metgezellen?

Dat kan ieder beseffen, nietwaar? Dat is de aardbodem. Uit de grond komt alles wat wij voor ons leven nodig hebben. Zonder de grond kan niemand bestaan. De aarde is de eerste bron van stoffelijke rijkdom. De zee, hoe rijk ook, staat er niet mee gelijk, omdat geen mens iets uit de zee machtig kan worden zonder voortbrengselen van de droge aardbodem, zonder hout, ijzer, touw, zeildoek, steenkool enzovoort. De mens die dus geen land heeft, heeft ook niets aan de zee.

Nu is die bron van stoffelijke rijkdom uitgestrekt en onuitputtelijk. Zolang de aardbodem weinig bevolkt was, en het land vrij en zonder eigenaar, zoals de lucht en de oceaan, zolang ook was het even onmogelijk die bron bezet te houden, als het onmogelijk is de watertoevoer af te snijden in een land waar het veel regent.

Maar langzamerhand is de toestand van de aarde zodanig geworden, dat er in de beschaafde landen geen stukje grond is, zo groot als mijn hand, of iemand kan zeggen: dat is mijn en daar blijf je af.

En dit nu betekent, zoals waarlijk een kind kan inzien, dat de mensen die de grond bezitten, heersers zijn, heersers in volle zin, over leven en dood van hun medemensen. Precies zoals die herder in de woestijn heerser was over zijn metgezellen, heerser over hun leven en dood.

Er zijn misschien nog wel enkele plekjes in de wereld, waar de grond aan niemand toebehoort. Maar wie van u weet waar ze liggen? En wie van ons is in staat erheen te reizen? En hoelang blijven die plekjes nog onbezet? Begrijpt ge nu beter wat die stroom aan landverhuizers betekent, die hier week aan week uw havens verlaat? Er is hier nog plaats genoeg en eten genoeg. Ja, maar geen vrije grond meer. En om in de woestijn te reizen heeft men water, en om in de wereld te reizen heeft men geld nodig. En zo heeft de grondbezitter de meest behoeftige in zijn macht, geheel en al, als de kat de muis.

Nu zegt ge dadelijk: 'Maar wij gegoeden zijn toch niet allen grondbezitters?'

Ja, dat zijt ge wel, en als gij 't niet waart zoudt ge de arme niet naar willekeur kunnen uitknijpen.

Gij bezit geld. En geld, dat gij een ruilmiddel noemt, is volstrekt niet alleen een ruilmiddel, maar een teken van macht, een machtsbewijs.

Als het een zuiver ruilmiddel was, dan zoudt gij er alleen mee kunnen ruilen, zoals men eet met een lepel en een vork. Maar te leven van een ruilmiddel is even onmogelijk als zich te verzadigen met een lepel en een vork, zonder eten. En de voorstelling dat kapitaal en geldhandel rijkdom in de wereld brengt, is als de mening dat een hongerig gezelschap aan tafel verzadigd zou kunnen worden door ijverig hun lepels en vorken te ruilen.

Geld is geen zuiver ruilmiddel, en wel daarom niet, omdat men er de bron van alle rijkdom, de grond, voor ruilen kan.

Als gij honderdduizend gulden hebt, dan wil dat zeggen dat gij vijftig bunder goede, vruchtbare grond bezit, of bezitten kunt. Dat gij dus volstrekte beschikking hebt over de levensbron van ongeveer vijftig van uw medemensen.

Daardoor, en daardoor alléén zijt gij in staat die anderen voor u te laten arbeiden zonder zelf een hand uit te steken, tenzij om uw 4000 gulden rente op te strijken.

Omdat alle geld grond vertegenwoordigt, kan men met geld woeker bedrijven.

En het doet er niets toe of ge in plaats van grond te verpachten of te verhuren, uw geld uitleent aan sporen, fabrieken, schouwburgen, staatspapieren - het komt allemaal op grondbezit neer. Want ijzer, hout, steenkolen voor uw sporen, de grondstoffen voor uw fabrieken en het voedsel voor alle beambten, reizigers, publiek en arbeiders, allen die uw rente betalen, komt uit de grond. En feitelijk maakt gij u, met iedere geldbelegging, deelgenoot en medeplichtig aan de grondeigenaars. Al het door u geleende geld komt eenmaal in hun zakken terecht, en het u toevloeiende goed wordt voortgebracht door de werkers, die zij in hun macht hebben.

Geld is een machtsbewijs, recht gevende op grondbezit. Daaraan ontleent het zijn woekervermogen, die wonderlijke eigenschap van te paren en te jongen. En daarom is hij, wie dit machtsbewijs niet heeft, slaaf, volstrekte slaaf, met lijf en leden onderworpen aan hem die 't wel bezit.

Want waar, zoals nu, de hele bewoonde wereld verdeeld is in brokjes persoonlijk eigendom, waarvan de eigenaar de opbrengst kan vernietigen of besteden naar willekeur, welke keuze heeft dan de niet-eigenaar behalve verhongeren of zich onderwerpen aan de wil van de eigenaar?

Dezelfde Wetgever, wiens tien geboden gij nog beweert te willen houden, zegt (Leviticus 25 vers 23): 'Ook het land zal niet voor altijd verkocht worden, want het land is Mijn, dewijl gij vreemdelingen en bijwoners bij Mij zijt.'

In hetzelfde hoofdstuk, enige weinige regels verder, staat:

'En als uw broeder zal verarmd zijn, en zijn hand bij u wankelen zal, zo zult gij hem vasthouden, zelfs een vreemdeling en bijwoner, opdat hij bij u leve. Gij zult geen woeker noch overwinst van hem nemen, maar gij zult vrezen uw God, opdat uw broeder bij u leve.

Uw geld zult gij hem niet op woeker geven en gij zult uw spijs niet op overwinst geven.'

Mij dunkt dat dit duidelijk is. En als ge misschien antisemiet zijt en beweert dat deze joodse wet niet voor christenen geldt, dan herinner ik u eraan, dat de christelijke kerk tot in de middeleeuwen het uitlenen van geld tegen rente strengelijk verbood. En dat het daaraan alleen te danken is dat de joden het bedrijf en de schande van de woeker op zich genomen hebben. Omdat zij, als een verworpen ras buiten de wet levende, het vuile en verachte werk van geldschieter tegen rente, dat de vrome christen verafschuwde, heimelijk mochten uitoefenen.

En nu! - wat zijn wij vooruitgegaan, sinds die donkere en bekrompen middeleeuwen!

Het goddeloze werk, de woeker, door Mozes verboden, door de ongelukkige, vervolgde joden als een laag en verachtelijk bedrijf heimelijk volgehouden - thans een algemeen erkende, door de wet en zeden geheiligde instelling, steunsel der maatschappij, zonder welke, zoals de geleerde staatshuiskundige Bastiat plechtig verzekert: 'het mensenras reeds lang zou uitgestorven zijn.'



Ik ben er zeker van dat velen van u met verontwaardiging zitten denken: 'Woeker? - wat praat hij van woeker? Drie of vier percent is toch geen woeker?'

Dit is werkelijk allervermakelijkst. Er is dus volgens u een zeker percent-cijfer waarboven woeker pas begint. Welk is dat cijfer dan? Dat moest dan toch overal, en vooral in de scholen en in de kerken worden verkondigd. Er moest een commissie zijn van rekenvirtuozen, die het bepaalde en overal aanplakte: het woekercijfer is heden 4,17/18%. En dat moesten toch vooral de predikanten en de gelovige christenen goed weten, want hoe zijn ze anders gerust dat ze Gods heilig gebod niet overtreden?

Maar het moet wel een wonderlijk cijfer zijn, want ik heb wel eens gehord van dividenden van 10, van 20, ja van 100 en meer percent. En nooit heb ik gehoord van aandeelhouders die deze dividenden terugstuurden, omdat het woeker was.

Elke halve cent die gij meer terugontvangt dan het uitgeleende, is woeker. Nooit heeft het woord een andere betekenis gehad of kunnen hebben.

Waar onze Bijbel het woord 'overwinst' heeft, staat in 't Hebreeuws letterlijk 'vergroting', 'vermeerdering'. Elke 'vermeerdering' van het geleende goed, hoe gering ook, is woeker en door Mozes en door de christelijke kerk strengelijk verboden. Dit weten de dominees duivels goed. ik bedoel deze term niet retorisch maar precies. De duivel kent óók de christelijke leerstukken, maar lapt er zijn zool mee.

En moet ik u nu nog wijzen wat de vreselijke gevolgen zijn van deze toestand, en van deze onze levenswijze? Misschien zegt ge: 'wat raken ons die oud-israëlitische en oud-katholieke voorschriften? Iedere tijd heeft zijn eigen recht en zijn eigen zeden. Onze instellingen zijn gewettigd en gewijd door eeuwenoude gewoonte en traditie, en deugen voor ons leven en onze tijd.'

Dat is zeer modern en vrijzinnig geredeneerd? Maar ik hoop dat gij zult toegeven dat, al hebben wij offerande, besnijdenis en andere instellingen met een gerust hart laten varen, er toch sommige voorschriften zijn waaraan wij een blijvende, eeuwige en onveranderde waarde toekennen. Niet moorden, niet stelen, niet liegen, niet ontuchtig zijn, dat zijn geboden waarvan men toch niet zeggen kan dat ze nu eens mogen gelden en dan weer eens niet. Gij erkent, nietwaar, dat zolang een mens een mens is, hij dergelijke geboden niet zal kunnen overtreden zonder grote schade. Zoal niet voor zijn lichaam, dan toch voor zijn ziel, en gewoonlijk voor beide! Dat hij door die overtreding zal ten gronde gaan, dat wil zeggen, of ziek, of ongelukkig, of dom, of slecht worden. Toestanden die hij niet wil. Hij zal bederven of ontzedelijken, zoals 't heet. Hetzij als persoon, hetzij als gemeenscha^, naarmate de overtredingen meer uitzondering zijn, of meer algemeen gedoogd worden. En gij erkent ook dat zulk een soort bederf kan optreden in gehele volken en ze ten gronde kan richten.

Natuurlijk wilt gij, in uw moderne verlichtheid, niets meer weten van een God die zulke geboden uit louter willekeur heeft ingesteld en naar zijn goedvinden de overtreders bestraft, zonder rekenschap te geven. Gij gelooft tegenwoordig aan wat gij de 'natuurlijk samenhang' noemt. Moorden is niet goed, omdat men ook kans loopt vermoord te worden als ieder 't maar doen mag, stelen dito dito, losbandigheid maakt ziek en overspel brengt de burgerlijke stand in de war. Maar ik houd uw voorstelling van deze samenhang tussen straf en zonde toch voor iets kleiner, kinderachtiger en dus minder waar, dan die van Mozes en Job.

Onwrikbare samenhang is er, dat is zeker, zoals ook Jahwehs wraak onontkoombaar werd geacht, maar deze ligt zo diep in het allerdiepste van ons wezen, daar waar dit zich aan alle uiterlijke waarneming en overdenking onttrekt, daar waar het ontstroomt aan het goddelijke en tijdloze - dat wij meestal beter doen het grote Geweten der mensheid of Gods gebod te gehoorzamen dan te raisoneren[1], als het zonden betreft van zo oorspronkelijke aard.

En nu hoop ik dat gij zult willen herkennen dat gelddorst en woeker behoren tot die dingen die, zolang mensen mensen zijn, zonden genoemd worden en onvermijdelijk straf zullen vinden. Niet straf zonder samenhang, maar straf noodzakelijkerwijs voortkomend uit misdrijf. Want gelddorst is een afdwaling van de schone en goede menselijke neigingen, woeker is een enigszins bedekte, maar des te lelijker vorm van diefstal, verrijking ten koste van onze naaste.

En moet ik dat bewijzen, hoe die straf werkt, dan zou ik u dit kunnen demonstreren ad oculos, zoals de professoren zeggen, voor uw ogen. Dan moest ik u leiden door de achterbuurten der grote steden, door de Duivelshoeken en Zandstraten, door de krotten van vuilnis, liederlijkheid en ellende, vervolgens door de fabrieken, die grote inrichtingen waar mensen tot kadavers of tot beesten worden gemaakt - door de gast- en armhuizen, waar het vuil der zieke maatschappij bezinkt en men zich aftobt om die zelfgemaakte zwijnenstal zo goed als 't gaat te redderen - door de café-chantants en bordelen, waar men moderne vreugd in 't leven schept - door de overvolle gevangenissen, waar men de adders de kost moet geven die men zelf gebroed heeft - door de gekkenhuizen, waar geen plaats meer is - door de zenuwlijdersgestichten, waar de rijken genieten van hun welvaart en gemak, onder dokters handen, geknepen, bespoten, door elkaar geschud, geëlektriseerd en op velerlei wijzen vergiftigd.

Alles gevolg van gouddorst en woeker? Ja, alles, alles, het gevolg van gouddorst, dat is machtdorst, en woeker, dat is logenachtige roof. Er is niets anders nodig om het te verklaren.

 

Het bedreven kwaad werkt op twee wijzen, als een tweesnijdend zwaard. Het verstompt en bederft de slachtoffers, het ontzedelijkt en verderft de daders. De uitgezogen behoeftigen worden onwetend en ruw, de gemakkelijk levende uitzuigers worden vadsig, of brooddronken, of geldgierig, of bekrompen en trots, of zenuwziek, door een overprikkeld, onharmonisch leven.

En nu mogen de ergste typen van vadsige weelde en verdierlijkte armoede niet de meerderheid vormen, zij zijn er in overvloed. Maar de tussenvormen zijn overal, en niemand van ons is zonder smet van dit kwaad en zijn gevolgen. Wij allen, allen zijn medeplichtig, en wij allen dragen de straf.

En als men mij vraagt wie ik 't meest ellendig en beklagenswaard vind, dan twijfel ik. En hierin verschil ik waarschijnlijk van sociaal-democraten en vele teerhartige hervormers. Ik weet dat het werkend deel van ons volk schandelijk verongelijkt wordt, maar ik acht de verongelijkte minder beklagenswaard dan de blinde, domme of wrede mens, die het ongeluk bedrijft.

En bovendien, zij die in harde maar eerlijke strijd leven, al verliezen zij 't, door overmacht en laag bedrog, zij zijn meestal rustiger en blijmoediger van geest dan de overmachtigen.

En het is een feit, waarover mijn geneeskundige werkkring mij 't recht geeft om een oordeel te hebben, dat de arbeider die van zijn handwerk houdt en niet in allerdiepste ellende leeft, en vooral de arbeider buiten, dat die ondanks een moeilijk en vertrapt bestaan, meestal gezonder is, van ziel en lichaam, dan de bezitter.

Slechte voeding, slechte lucht en onreinheid brengen de arme in gevaar. In die drie gevaren blijft hij toch vaak verwonderlijk taai en gezond.

Maar duizendmaal gevaarlijker, ondank alle hygiënische voorwaarden, is het onharmonische leven van de rijke. Niet alleen voor 't lichaam, dat verzwakt door overvloed en verwendheid, maar de ziel is het eerst geschaad, en dat tussen beiden gelegene, wat ten onrechte het zenuwgestel wordt genoemd. Het onbestemde, onvervulde leven, het doelloze, lusteloze bestaan, de zorg om geld, het gemis aan uiterlijke weerstand, het ontbreken van fysieke strijd met de natuur, dat brengt de vreselijke kwalen: zwaarmoedigheid en zenuwzwakte, waarvan ik nu twaalf jaren lang de slachtoffers dagelijks voor ogen heb gehad.

Waarlijk, des Heren hand is zwaar op ons, en wij vragen ons nog in onze onnnozelheid af hoe dit toch komt.

Maar het is veel erger dan wij in onze kortzichtigheid bemerken. Zolang wij maar knus bij ons haardje zitten, nietwaar? En ons natje en ons droogje hebben en ons krantje, zolang lijkt alles zo erg niet. En die blindheid is ook een straf. Het is de blindheid waarmee Jahweh de Egyptische koning sloeg tegenover Mozes, en waarmee ook de Helleense goden sloegen wie zij verderven wilden.

Want de duivel is een meester in 't woekeren en alle kwaad groeit met rente op rente. Dat wij onze naasten beroven is erg genoeg, maar dat wij 't niet meer weten, dat wij erom liegen en om konkelen en onszelf voor brave broeders houden, dat is erger.

'Dieven? Rovers? Kom, kom, wat een malligheid! Wij zijn eerlijke, welmenende, liefdadige, oprechte, vrome, rechtschapen burgers van een vrij land. Nooit meer dan 5 of 6 percent, en 3,5 is ook goed!'

Maar dan: heilige verontwaardiging als men zijn streken thuis krijgt, als de aap uit de mouw, of liever de dolk uit de mouw komt.

Als er eindelijk hier en daar een dol wordt en erop lossteekt waar hij maar een koning of keizer ziet, omdat het een hoge is, dan rouwen alle brave renteniers diep, en dan gonzen de steden van heftige ontzetting en woede.

Laat maar na? - gij, gij en ik, wij zijn allen medeplichtig aan die keizerinnemoord. Op onze hoofden haar bloed. Niet op het hoofd van die éne verbijsterde.

En als een tot monsters geworden mensenpaar, door ellende en gebrek van geslacht op geslachten, hun onnozel kind opsluiten, bont en wond slaan en laten vervuilen - zoals ik dat onlangs gezien heb in IJselstein, dan zoudt ge in uw grote verbittering die onmensen wel eigenhandig willen hangen.

Bedaar maar - wij, wij, onze ouders en voorouders, en gij en ik, wij zijn evengoed schuldigen hierin. Dat ondier was dagloner, zijn vader was dagloner en zijn grootvader was dagloner - meer dan 5 of 6 gulden per week heeft hij nooit verdiend. Hij dronk niet. Toen ze hem arresteerden was er 7 cent in huis. Voor ons werkte dat wezen en kreeg niets dan ellende, door ons is hij uitgemergeld en verstompt, wij maakten een monster van hem en nu willen wij hem nog eigenhandig hangen, omdat hij, ondanks onze mishandeling, geen kinderlievend hart heeft weten te bewaren.

Juist is er een boekje uitgekomen, getiteld: 'Een vergeten hoofdstuk', aanvulling op het kroningsgedenkboek van 'Het Nieuws van den Dag' - en een nodige en vreselijke aanvulling. Daarin beveel ik u aan te lezen hoe het toegaat onder onze slachtoffers. Maar ik herhaal: het ergste ziet gij niet. Ellende is er in alle eeuwen geweest, en honger en nood, schrikkelijker soms dan nu, maar iets is er nooit geweest in die mate als nu. En dat is de verlaging en verlelijking en ontwijding van het ganse leven, van wieg tot graf. Het verdorren van de schoonheid, van de poëzie, van de heiligheid en wijding in ons daadwerkelijk bestaan.

Dit is zo algemeen en zo erg, dat bijna al wat schoon, poëtisch, verheven, en statig, ja, meestal ook wat heilig en gewijd is, belachelijk schijnt en bespot wordt onder ons. Ons burgerlijk leventje is zo klein, dat alles wat een beetje anders, een beetje groter of mooier is, mal wordt gevonden.

Er is geen kunst meer, er is geen vroomheid meer, tenzij verspreid en verborgen, er is geen schoon en gelukkig samenleven meer op de wereld.

Gij gelooft mij niet? Er zijn nog wel goede schilders en schrijvers en toondichters? Ei, en voor wie werken die? Hoeveel op duizend mensen hebben ogen en oren voor hun werk?

Uw bouwkunst is een gruwel op de mooie aarde, uw huisraad, uw stadsleven, uw kleding, het is alles afzichtelijk. Het is saai, benauwd, kleingeestig, zonder glans of zwier.

Maar dat ziet ge niet, ge zijt tevreden in uw stadshokken, gevel aan gevel, met balkonnetjes en bordesjes van gegoten steen, in uw salonnetjes met pendules en etagères en vergulde stoeltjes en Japanse waaiertjes. Gij weet niet beter en ziet uw ellende niet.

Als gij vergelijken kon met vroeger, toen de mensheid nog jong was, met Egypte, met Athene, met Rome, met Florence, met Venetië - dan zoudt ge huiveren van uw val. Die volken achten wij barbaars en we stellen onze beschaving hoger. Maar zij wisten wat schoonheid is, beter dan wij. In schoonheid en kunst, die zeker heilige en goddelijke dingen, zijn wij niet gestegen maar gedaald. En het gaat al dieper, en het zal nog dieper gaan, zolang dit dwaze en logenachtige leven niet ophoudt.

Hij schijnt mij een paskwil[1], als ik de dametjes en heertjes van Toonkunst hoor zingen, in een witgepleisterd reusachtig vertrek, dat lijkt op een koekenbakkerhemel of stukadoorsparadijs: 'Alles was Odem hat, lobe den Hernn!'

Ja, adem hebben ze, die tenoren en bassen - maar de Heer loven! - nu ja, als er in de tekst stond dat ze de duivel moesten loven, of de firma Van Gend en Loos, dan zongen ze 't net zo goed. En als er iets menens geloofd wordt, dan is 't de dirigent of de akoestiek.

Wat zijn de grote plechtigheden van onze tijd, waar alle wereldbewoners samenstromen? - tentoonstellingen, wereldkermissen waar meestal het meest wilde en onbeschaafde nog het enige mooie is, waar de vuilste reclame heerst, waar alles ontbreekt wat vroeger verheffing en schoonheid en glans bracht in grote volksbijeenkomsten.

Maar het baat niet wat ik nu zeg, want gij ziet het niet. Gij vindt uw opera's edele en verheffende vermaken, uw bazaars mooi, uw huizen riant in moderne stijl, uw romans en couranten leerrijk en aangenaam, uw toilet smaakvol, uw leventje nog zo gek niet - en carrière maken en een aardig fortuin nalaten veel belangrijker dan Gods geboden, en dergelijke ouderwetse idealistische, hoogdravende begrippen.

Het enige wat indruk zal maken, is wat ik u zei over uw gezondheid. Ik weet, als men daarover begint, dat pakt. Ik weet 't bij ondervinding.

Nu, onthoudt het dan, zenuwlijden en krankzinnigheid nemen toe in groter reden dan de bevolking. Ook worden uw huizen slecht en ondeugdelijk gebouwd, uw levensmiddelen vergiftigd en vervalst, bedrog heerst in alle handel - het aantal veroordelingen voor 't kantongerecht klom van 1896 tot 1897 van 60 000 tot 90 000 per jaar. Misschien verschrikt u dat. En ook dat is een gevolg van uw woekerbestaan.



Een erger cijfer vind ik, dat 35% van de schoolkinderen in Berlijn niet door aanschouwing wisten was een zonsondergang was. Dat tekent de hel waarin wij leven. U zegt dat misschien zoveel niet. Het sterftecijfer vermindert immers. Als ze toch te eten hebben en ze blijven in leven, wat hoeven ze dan de zon te zien ondergaan. Daar wordt men niet vet van, is 't wel?



Nu kon ik het laatste deel van mijn rede, wat de weg is ter ontkoming van dit kwaad, wel achterwege laten.

Niet zozeer omdat gij die weg toch niet gaan zult - dat zou mij niet weerhouden - maar omdat het reeds meer dan genoeg zou zijn als ik u door het reeds gezegde tot wat beter en dieper inzicht van uw leven had gebracht.

Is dat inzicht eens bereikt, dan volgt immers vanzelf, als een natuurlijke en noodwendige zaak, wat men doen en laten moet.

Zo ging het mij - zuiver en klaar begrip van ons kwaad te krijgen, midden in onze wereld van bedrog - dat duurt lang en is moeilijk. Maar dan is de uitweg noodwendig en licht te erkennen, en dan moet men ze gaan, als men bij zinnen is.

Wat zoudt gij die herder willen laten doen, die zijn gezellen voor zich werken liet, en de bron voor zich hield in de woestijn? Gij zoudt willen dat hij ieder vrij toeliet tot het water, nietwaar? En dat hij mee ging werken met de anderen, zolang hij krachten had.

Welnu, ziedaar de uitweg, en de enige. Een kind kan hem vinden.

Woeker niet meer, leen of beleen geen geld of goed op rente, laat de grond vrij en doe nuttig werk.

Ziedaar de zeer eenvoudige voorschriften voor een vroom en goed leven.

Zo eenvoudig niet, denkt ge. Niet lenen of belenen? Moet ik dan intéren? Of al mijn geld weggeven?

Weggeven zou weinig helpen. Gij gaaft daarmee uw macht aan anderen, die er zeker misbruik van zouden maken, en ge werd zelf de slaaf der bezitters.

Goed besteden is beter dan weggeven. En uitlenen is zeker geen goed besteden. Maar goed besteden is: uw macht vruchtdragend maken alleen voor de ijverigen, zodat hij alleen er de vrucht van trekt, die ze verdient door ervoor te werken.

Dat is nu maar op één wijze mogelijk, door van uw geld productiemiddelen te maken, door het om te zetten in land en vee en werktuigen en wat meer ten leven dienstig is. Wie honderdduizend zilveren guldens heeft liggen moet ze opmaken, intéren om ervan te leven, maar wie grond en werktuigen heeft, moet ze gebruiken, moet werken, anders verhongert hij.

Het zou goed zijn voor elke bezitter als men hem voor een stuk land zette, vertegenwoordigend zijn geldbezit, en zei: 'Ziedaar nu uw bezit, in vruchtbaarste vorm die vrucht afwerpt, zie nu maar hoe gij er uw bestaan mee vindt, zonder hulp van anderen.'

Dan zoudt ge pas leren dat bezit, behalve rechten, ook plichten geeft.

En als dan anderen moeten komen om u te helpen, dan zoudt ge voor uw ogen zien wat nu ver weg geschiedt, hoe anderen voor u zwoegen om u de kost te geven, en hoe gijzelf als een onnut, overtollig, onhandig parasiet erbij staat.

Het tweede voorschrift is dus: doe nuttig werk. En nuttig werk bedoel ik hier in gewone stoffelijke zin, werk dat dienstig is voor uw levensonderhoud. Verbeeldt u niet dat uw geestelijke werkzaamheid u ontheft van de plicht om voor uw stoffelijk bestaan te zorgen. Geen genie, laat staan een gewoon mens, is te goed om zijn handen uit te steken, zolang hij sterk en gezond is. En het is ook het enige middel om sterk en gezond te worden en te blijven. Ik spreek uit medische ervaring, bijna la mijn zenuwlijders kon ik aanraden, tot hun werkelijk voordeel: doe nuttig handenwerk, en liefst arbeid buiten.

"Wat!' zegt hier mijnheer Splint van Zwendelen, 'ik! - lid van de firma Splint & C°, ridder van verscheidene orden, lid van de Provinciale Staten, van de Kamer van Koophandel, president van talloze maatschappijen, directeur van nog tallozer vennootschappen, enz., enz., ik zou nuttig handwerk moeten leren! Wel, hoor zo'n onzin eens aan!'

Precies zo, mijnheer Splint, redeneerde de roofridder Eppe von Gaylingen op zijn roofburcht bij Neurenberg: 'Wat! Ik ridder met zoveel kwartieren, ik zou geen kramers meer mogen vangen! ik zou net moeten kwanselen als dat gespuis! ik zou een eerlijk bedrijf moeten leren!'

Ridder Eppe von Gaylingen is opgehangen door de kramers in de poort van hun stad. En de ridders van latere eeuwen leerden wel nog vuiler werk, op 't punt van kwanselen, dan de eerzame kramers van Neurenberg.

Ik zeg niet dat mijnheer van Splint gehangen zal worden. Misschien sterft hij in vrede en voorspoed, voldaan over zijn leven, beweend door zijn gezin, door zijn stadsgenoten gehuldigd door een zuil van graniet of een pomp van brons.

 

Maar de Hebreeën wisten 't reeds, de Here straft niet altoos de dader, maar zijn kinderen en kindskinderen. En zoals Rome gestraft is voor zijn gewettigde instellingen van roof, slavernij en bloedstorting tot vermaak, zo zullen wij of onze nakomelingen gestraft worden voor onze gewettigde instellingen van woeker en privaat grondbezit.

Maar zelfs als gij uw geld omzet in land, en eindelijk probeert zelf iets te doen voor uw onderhoud, ontkomt ge niet aan het privaat grondbezit, zult ge zeggen.?

Maar ook hier wijst de enige uitweg zich als vanzelf. Het land moet behoren aan wie erop woont en werkt, in gemeenschappelijke eigendom. En alléén het land, de bron van de rijkdom, opdat niemand afpersing zou kunnen plegen.

't Beginsel is klaar, zuiver en eenvoudig. Toch weet ik dat er duizend tegenwerpingen zullen komen. Er is een afdoend antwoord voor elk, maar ik wil nu niet meer dan het beginsel naakt en simpel voor u neerzetten. Duwt ertegen, schopt ertegen, rukt en trekt eraan, bespuwt en bevuilt het zo ge wilt, gij zult het standvastiger vinden dan uw pogen.

Ik zeg u dit in dezelfde geest als ik een alcoholist zou zeggen dat hij geheelonthouder worden moet. Ik zeg niet: 'gij moet', ik zeg alleen: 'als gij mijn raad niet wilt horen, dan moet gij maar weten wat er bijstaat.' Zegt gij dat het u niet schelen kan, dat het uw tijd wel zal uithouden, dat gij maling hebt aan uw kindskinderen of aan het heil van uw ziel - wel, dan heb ik daarop niets te antwoorden. Alleen moet ik dan opmerken, dat gij blijkbaar met veel overtuiging de zaak van Beëlzebub omhelst, maar dat ik het nu eenmaal met de andere zijde houd.

Evenmin stel ik mij als uw betere voor. Ik weet mij evengoed schuldig als gij. En ik weet dat ik mij niet dan heel langzaam en geleidelijk kan ontworstelen. Maar ik wéét mijn kwaad en ik wíl eruit, en ik zal niet rusten en niet aflaten zolang ik krachten heb.

Nu ken ik uw tactiek om u van een lastige zaak af te maken, door er een verkeerde draai aan te geven. Gij zult allerlei onzin over mij spreken, en mij dingen in de mond geven die ik nooit gezegd heb. Gij zult mij toedichten dat ik alle mensen gelijk wil maken, dat ik alles verdelen wil, dat ik het geld wil afschaffen, dat ik de maatschappij hervormen wil, dat ik mij wil afzonderen van de maatschappij - en al zulke dwaze praatjes meer. Ik ken ze.

Ik heb het niet over de gelijkheid of ongelijkheid van mensen gehad. Ik weet er niets van, hoe die zal zijn in de toekomst. Ik heb geen bedoelingen tot hervormen, ik zeg alleen: wie zijn ogen toehoudt, loopt in 't water, en wie niet horen wil moet voelen. Ik denk er niet over mij af te zonderen van de maatschappij. Evenmin zal ik mijn land verlaten zoals sommigen, al zou ik er nóg zo vaak lust toe voelen, al zou men het mij nóg zo moeilijk maken. Ik leef midden tussen twee grote steden, ik ga met vele mensen om, ik ontvang wie mij spreken wil, ik voldoe aan staatsburgerlijke plichten.

Maar is men dwaas genoeg te beweren, dat ik in die moderne, lelijke en afzichtelijke mensenhopen, die kankergezwellen op de schone aarde, verpest door rook en stank en ontaarde mensen, die men steden noemt, moet wonen, zolang nog één stukje frisse, groene natuur voor mij open is?

Als ik in een kamer zit met rokende, vloekende, drinkende, dobbelende mensen, mag ik dan niet gaan in de open lucht? En waarom blijft men in de steden? Omdat men er meer geld verdienen kan, of als men geld heeft en er meer vindt wat men zo terecht 'verstrooiing' noemt. Ieder die nu liever niet 'verstrooid' is, maar gesteld op sober leven, gezond en nuttig werken, zuivere en simpele genietingen, woont beter buiten dan in de stad. En ook armoede is minder vreselijk buiten dan in de stad.

Of meent ge dat ik hecht aan filantropische bemoeiingen, aan het moeizaam worstelen tegen de modderbandjir van armoe, ellende en zonde in de steden? Het getuigd van teerhartigheid en offervaardigheid, maar 't waardevolste ontbreekt eraan: het klaarschouwend doorzicht en verstand.

Die geprezen en geroemde filantropen, die rijk geworden, hun leven doorbrengen in weldoen - wat zijn zij anders dan dwazen, die hopeloos oproeien tegen de vloed die zij zelf hebben ontketend? De ene helft van hun leven besteden ze aan afpersen en uitzuigen, de andere helft aan het zo'n beetje voorlopig troosten van hun slachtoffers. De linkerhand deelt doekjes uit tegen het bloeden van de wonden die de rechter gelagen heeft. De linker bedeelt waar de rechter besteelt. Eerst wordt het kapitaal met rente op rente gestapeld, zeer in 't geniep, dan wordt met vochtige ogen de helft weer rondgedeeld aan tijdelijke hulp en dat heet een welbesteed leven! Wel doen is goed handelen. En leven van rente, dat is afpersing, en dan van het afgeperste goed weer aan de beroofden uit te delen met een schijn van goedheid, dat is niet wel doen, maar mis doen, glad mis!

Waarachtig, beter besteed is het leven van een Norse boer, hoog op zijn bergen, alleen met zijn schapen en zijn gras, zijn vloeden en zijn hemel - die leeft van wat aardappelen en haver; en niemand behoeft en niemand benadeelt.

Ook weet ik dat gij mij allerlei mooie namen geven zult, om te bewijzen dat ik ongelijk heb. Communist, anarchist, tolstoiaan, idealist, utopist, pessimist, optimist. Ge hebt er een hele voorraad, de een gekker dan de ander. Hij is dit, hij is dat, klaar! Afgedaan! In een hoek met hem en nu kunnen we weer gerust ons gangetje gaan.

Wat gij met die mooie namen bedoelt weet ik niet - omdat gij 't zelf ook niet best weet. Maar dit is zeker, dat ge niet moet hopen mijn woorden onder zo'n etiket te kunnen wegstoppen en begraven.



Een dromer heb ik mij horen noemen. Maar ik verzeker u, dat als een van ons beiden droomt, dat er meer waarschijnlijkheid is dat gij die dromer zijt dan ik. Want ik weet hoe gij denkt, ik heb gedroomd als gij, en ik ben wakker geworden, en ik zie hoe gij suffend verder droomt dat gij een braaf, rechtschapen leventje leidt en dat alles blijven zal zoals het is. Maar wakker worden is een gelukkig en wonderbaar ding, waarin men zich niet vergissen kan. En ik wens u toe dat gij eens moogt wakker worden als ik, dan zult ge bemerken welk een lelijke, benauwde droom gij droomt.

Dan zult gij ook weer geloven in de heerlijkheid van het leven, ondanks jammer en ellende. En niet alleen van een ander, hoger leven, maar ook al van het leven hier, als een groei en bloemvorming van lijf en ziel. Daar droomt gij nu nog niet van, maar als ge wakker wordt, zult ge 't zien, als een mogelijkheid, geen hersenschim, maar een tastbare mogelijkheid, een schoon en heerlijk leven met elkaar, bloeiend op een schone en verheerlijkte aarde.



Maar dit weet ik zeker, dat het leven alleen dán heerlijk is, als men moed heeft. De moed der rechtvaardigheid, de moed om trots alles en allen zo te leven als men weet, zo diep en innig als een mens het weten kan, dat God het van ons wil.


--------------------------------------------------------------------------------

[1] Deze rede heeft bij de Rotterdamse burgerij hevige verontwaardiging gewekt. Een poging om aan te tonen dat ik iets onwaars zou gezegd hebben, is echter naar mijn weten niet gedaan. Wel een teken dat men het hopeloze ervan inziet. En toch is men verontwaardigd!

 

[1] schotschrift, pamflet

 

  

 
     
 .

 

 

 

 

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL