Filosofie en Metafysica.

   

01. de schaduwen van kwaad en lijden - 02. de oorlog en de wereld - 03. God bestaat - 04. Karma - 05. Geheime leer - 06. Overpeinzingen van Marcus Aurelius -


 

Paul Brunton

(1898-1981)

 

Werd geboren te Londen in 1898. hij reisde na zijn studiejaren door Europa om meer kennis te verwerven in religie, mysticisme en filosofie.

Zijn grote belangstelling voor Oosterse godsdiensten en wijsbegeerte bracht hem in India, Ceylon, Siam, China, Egypte en andere Oosterse landen. Hij sprak met Yogi's en heilige mannen, leefde in hun kloosters, en deelde met velen hun afzondering en eenzaamheid.

Paul Brunton wordt beschouwd als een van de leidende vertolkers van de Yoga-filosofie in de Westerse wereld. Deze positie heeft hij verworven door diep inzicht in de ware betekenis van Yoga, zoals de verschenen boeken tonen.

Zijn belangrijke prestatie is het wetenschappelijk onderzoeken van oude Oosterse mystieke oefeningen en filosofische leerstellingen, deze te ontdoen van bijgeloof en onbelangrijke bijkomstigheden en het weergeven van het overblijvende in een rationele moderne vorm voor praktisch gebruik door Westerse mensen. Hij heeft de Westerse wereld ervan overtuigd dat de Yoga-filosofie diepgaande studie voor hen die inzicht zoeken waard is.

 

'De heiligste dingen in het leven worden niet in het openbaar langs de weg verkondigd. Het is een zeker instinct van de menselijke ziel om ze terug te houden in de binnenste verblijfplaatsen die voor weinigen toegankelijk zijn - misschien voor niemand. Zeker alleen voor hen die voor spirituele dingen belangstelling hebben. Veel zoeken is nodig om de verborgen dingen te vinden. Zij die met hun gehele hart zoeken en met de werkelijke vastbeslotenheid om te vinden, zullen tenslotte het verborgene ontdekken. Paul Brunton had die vastbeslotenheid en hij heeft tenslotte gevonden.'

(Sir Francis Younghusband)

 

De schaduwen van kwaad en lijden.

 uit: Het Super-Ego door Paul Brunton.

 

Waarom laat het Super-ego toe dat de zonde van het zedelijk kwaad in zijn afstammeling, de mens, bestaat? Waarom gedoogt de Wereld-Geest dat het fysieke lijden zijn heelal ontsiert? Dit zijn vragen die steeds worden gesteld. De meeste schepselen worden geboren door de weeën van hun moeder; verscheurende angst in de een of andere vorm wordt ten slotte telkens hun deel; en tenslotte gaat hun uitvaart van het wereldtoneel meestal ook weer met pijn gepaard!

 

Dergelijke trieste tonelen en droeve ervaringen doen soms bij godsdienstige mensen twijfel opkomen omtrent de goddelijke welwillendheid, indien zij niet te laf zijn om de woorden van priester en bijbel in twijfel te trekken; ze kunnen zelfs de kalme extatische stemming van de beschouwende mysticus verstoren, indien hij niet te verdiept is in zijn eigen spirituele genietingen om zich te bekommeren om dat wat om hem heen gebeurt; zij zullen zeker de gedachten van de rationele metafysicus verstoren indien hij van de echte soort is en niet louter als een papegaai napraat wat hij heeft gehoord en gelezen.

 

Als een nadenkend mens de vernieling en misère ziet die de gewone vrolijkheid en goedheid uit het tegenwoordige leven der mensen heeft gebannen, vervalt het sterkste hart tot zwaarmoedigheid, ja zelfs tot wanhoop. Dan komt de oude klaagzang van Job op de lippen van de twintigste eeuw. “Wat is de bedoeling, wat is de betekenis van al dit lijden? Waarom lijden de deugdzamen onverdiende smart? Waarom gedijen de slechten?” De schijnbare vernietiging en het verbluffend onrecht van zoveel menselijk lijden stemmen ons wel kritisch tegenover de goddelijke wijsheid. Hun die de aanwezigheid van een welwillende en vredige God niet in overeenstemming kunnen brengen met de aanwezigheid van kwaad en lijden, kan men geen verwijten maken. De meesten van ons voelen dat, indien welke god ook ons had geraadpleegd toen hij het heelal schiep, wij deze twee schrikbeelden van het menselijk ras geëlimineerd en een beter resultaat bereikt zouden hebben. Het is niet teveel gezegd dat deze twee problemen van kwaad en lijden misschien de oudste zijn waarmee de mensheid te kampen heeft gehad. Ze zijn zo moeilijk en omvangrijk dat de meeste oplossingen blijkbaar niet afdoende zijn geweest, anders zou de mensheid ze niet nu nog evenals vijf duizend jaar geleden stellen.

 

 

Gemakshalve zullen we deze twee als één onderwerp behandelen. De tegenstellingen die dit meebrengt zullen slechts door een zuiverder gedachtegang verdwijnen. Laten we een paar voorbeelden nemen om de betekenis beter te begrijpen. Laten we ons indenken dat we het menselijk lichaam verwisselen voor dat van een vliegje en dat we genoeglijk tegen een wit bepleisterde muur zitten. Dan is ons grappige snuitje druk in de weer. Plotseling een bliksemsnelle ren, de groteske en kwaadaardige kop van een hagedis komt tevoorschijn, hij hapt ons op en daarmee verliezen we ons bewustzijn. Nu is voor ons – de vliegen – de hagedis niet slechts de oorzaak van ons lijden, maar ook het element van het kwade in het heelal, Satan, als we hem zo willen noemen.

 

Laten we ons nu voorstellen dat we weer een menselijk wezen zijn, dus een veel groter lichaam dan dat van de vlieg bezitten en dat we in een tropisch land leven. Dag en nacht moeten we vechten tegen de muskieten – de zogenaamde plaag van hete landen. Zij kwellen ons als wij werken en vallen ons aan terwijl wij spelen; zij laten ons zelfs ’s nachts niet met rust, tenzij wij achter een versperring van gaas kruipen. Dat is nog niet alles. Sommige van deze muskieten zijn dragers van malariakoorts en een enkele steek kan voldoende zijn om ons weken lang hulpeloos neer te doen liggen of zelfs met tussenpozen gedurende ons gehele leven.

 

Dezelfde soort hagedis die vliegen in het Westen aanvalt en opeet, zal in het Oosten muskieten aanvallen en opeten. Daarom is voor de muskiet een hagedis bepaald een kwaad ding, een bron van lijden en slechtheid. Maar voor ons, menselijke wezens, is de hagedis zeer nuttig, inderdaad een werkelijke zegen, want hij helpt de malariadragers uit onze omgeving te verwijderen. De vraag komt dan bij ons op: welk standpunt is het juiste – dat van de vlieg, van de muskiet, van de hagedis of van de mens? De bewering dat iets absoluut waar is blijkt een rationeel onhoudbare, hoewel emotioneel verdedigbare, stelling. Wat een bron van genoegen is voor het ene schepsel is een bron van ellende voor een ander. De onpartijdige onderzoeker moet in zijn conclusie wel het principe van de relativiteit aannemen en zeggen dat tenslotte zowel kwaad als goed volkomen afhankelijk zijn van het standpunt dat wordt ingenomen en dat dit laatste niet anders dan veranderlijk kan zijn. Dat betekent dat zowel goed als kwaad slechts relatieve mentale constructies zijn en dat van het standpunt van het heelal zelf, wat noodzakelijkerwijze het standpunt van de Wereld-Geest is, er niets is wat nutteloos of onnodig is.

 

Laat ons daarom trachten het algemene en conventionele standpunt enige tijd te verlaten om te zien wat een universeel standpunt ons oplevert. Laat ons in de eerste plaats erkennen dat er veel in deze gevarieerde kosmos is waar wij, mensen, dankbaar voor kunnen zijn, veel dat werkelijk goed, schoon en nuttig is in de natuur, het leven en de mens. De bewering dat het hele leven lijden is, is overdreven. We kunnen ons immers slechts een voorstelling van lijden maken in verhouding tot het tegenovergestelde, d.w.z. het geluk; vandaar dat deze twee tegelijkertijd moeten bestaan. En ervaring bevestigt dat beide samen in de wereld worden aangetroffen. Het bestaan van de levensvreugden zelf brengt onvermijdelijk met zich mee het bestaan van het tegenovergestelde, zoals het bestaan van het licht dat van de duisternis meebrengt. Het ongeboren kind dat drijft in de vloeistof van zijn moeders schoot, leeft met longen die niet werken, hoewel deze toestand voor een volwassen mens de dood zou betekenen. Als het kind wordt geboren, haalt het voor het eerst adem en kondigt deze gebeurtenis aan door een kreet van pijn. Van nu af aan zal het ritme van in- en uitademen het symbool zijn van het ondervinden van vreugde en smart dat tot het einde de gehele levensloop zal kenmerken. Alle opvattingen van geluk zijn betrekkelijk. Ieder zou graag in de schoenen van een ander staan. Inderdaad zei de Arabier: “ik had geen schoenen en klaagde, totdat ik een man ontmoette die geen voeten had”.

 

In de tweede plaats, hoewel we zeker de mens de schuld geven voor een gedeelte van het kwaad en het lijden in de wereld, blijft er duidelijk nog een groot gedeelte over waarvan wij hem de schuld niet kunnen geven. Waaraan anders kunnen wij dan de uiteindelijke verantwoordelijkheid toeschrijven dan aan de Wereld-Geest zelf? Als wij begrijpen dat deze gehele wereld en niet slechts een gedeelte daarvan – het deel dat ons behaagt – een goddelijke manifestatie is, begrijpen wij dat God ook in de misdadiger moet zijn. Het is mogelijk dat de misdadiger door onwetendheid zijn wil verkeerd heeft geleid, zijn kansen heeft voorbij laten gaan door zelfbedrog en door hebzucht het leven verkeerd heeft geïnterpreteerd, maar dat maakt zijn innerlijke stuwkracht niet minder goddelijk. We moeten de feiten dapper onder ogen zien en beseffen dat de goddelijke wil tenslotte de achtergrond van het gehele heelal  vormt en dus ook van de ellende, smart en slechtheid.

 

Niet dat deze dingen opzettelijk geschapen zijn, zij zijn gevormd door de innerlijke noodzaak, de karmische continuïteit van het heelal, waardoor het oneindige Super-ego zich verdeelde in een opeenvolging van eindige geïncarneerde levens. De “val van de mens” was de val in afzonderlijkheid, veelvuldigheid en beperking. Strijd en het daaruit volgende lijden waren inherent en latent aanwezig in een dergelijke verdeling van “zijn”. Het heelal, zijnde een poging om de oneindige Geest te manifesteren in eindige geestelijke centra, de daaruit voortkomende beperking van “zijn”, leidt onontkoombaar tot beperking van het morele standpunt en dit leidt weer tot het ontstaan en bestaan van dat wat wij zonde noemen. Dit weer brengt lijden zowel aan anderen als aan de zondaar.

 

Strijd bestaat in de wereld door de verscheidenheid van de wereld, omdat het leven gebroken is in ontelbare schepselen die allen blindelings worstelen in hun poging een begeerte te bevredigen. Vanaf het eerste moment van hun geboorte beginnen zij zich iets toe te eigenen en nemen zij een hebzuchtige houding aan. Op het ogenblik dat miljoenen afzonderlijke sterfelijke wezens ontstonden, kon men hun toekomst vol strijd voorspellen. Hun worsteling is de geweldige prijs die voor hun geboorte moet worden betaald. Want toen in de loop van zijn natuurlijke ontwikkeling het bewuste wezen zich van anderen ging onderscheiden en zijn afzonderlijkheid zag, ontwaakte zijn kracht van vrije keuze en werd de mogelijkheid van onenigheid met anderen geschapen. Immers een dergelijk ogenblik was een geweldig keerpunt in zijn bewustzijn. Zijn karma als individu begon zich te ontwikkelen. Vandaar dat wij in Genesis lezen: “En de Heere God zei: Ziet, de mens is … om kwaad en goed te kennen”. Want ieder eindig wezen moest binnen het wereldschema een zekere hoeveelheid vrijheid hebben. Niemand kon onveranderlijk worden begrensd tot een volledig voorbeschikt plan van beweging. Het Super-ego moest ons vrijlaten om de wegen van het kwaad te volgen, meer dan de wegen van het goede. Het eerste kon door lijden worden veranderd in blijvende en innige goedheid, terwijl het tweede slechts een waardeloze oppervlakkige en tijdelijke goedheid kon opleveren. Een heelal van ontelbare schepselen, niet slechts marionetten, maar wezens vrij om zich te ontwikkelen, moest onvermijdelijk een heelal worden van strijdende schepselen. De kosmische evolutie kon niet zo worden vastgesteld en voorbeschikt dat er geen plaats zou zijn voor individueel initiatief.

 

Het ego is eerst niet in staat om verder te zien dan zijn rechtstreekse egoïstische belangen. Deze onbekwaamheid leidt tot een situatie waarin tussen het ego en andere individuen van beperkte visie onvermijdelijk een droeve onenigheid ontstaat. Uit dit gevoel van afzonderlijkheid groeit geleidelijk een conflict, dat culmineert in zonde en smart. Het ego jaagt blindelings zijn geluk na ten koste van anderen en brengt aldus lijden in hun leven en later door de karmische vergelding in zijn eigen leven. Kwaaddoen is de prijs van zijn vrijheid. Het is een deel van de goddelijke manifestatie en omdat het in zekere mate vrij is, is het eveneens vrij om deze manifestatie te misvormen, hetgeen wij allen op het een of andere ogenblik hebben gedaan. Bovendien wordt de spanning tussen de onvolmaaktheid van nu van het individu en de aangeboren mogelijkheid en het onbewust en dwingend verlangen deze goddelijkheid te realiseren, tot een worsteling waaruit dus weer zowel geluk als pijn voortkomt; zijn leven wordt verscheurd door de spanning, tussen wat hij nu is en voelt en wat hij behoort te zijn. Een dergelijke spanning is het onvermijdelijke gevolg van zijn dubbele wezen. Want het is persoonlijk en eindig aan de ene kant en universeel en oneindig aan de andere. In zijn onbestemd trachten zichzelf te vervolmaken, beproeft het individuele ego honderd verschillende wegen, waarvan de meeste in het begin antisociaal en egoïstisch zijn.

Maar tussen de scherpe doornen zijn tedere rozen. We kunnen schurken, maar ook deugdzame mensen worden. Want het verblijf van het ego in de wereld zal in de loop van de graduele evolutie alle latente mogelijkheden naar buiten lokken. Door wat uiterlijk is zal het dus kunnen openbaren wat innerlijk is. Wanneer het ego tot zelfkennis komt en zijn oorspronkelijke vreedzame eenheid met anderen voelt, is de strijd geëindigd. Het staat vast dat in zoverre lijden ontstaat door de slechte daden der mensen, de kosmische evolutie door voortdurende wedergeboorte en karmische lering ten slotte de gehele mensheid zal zuiveren en veredelen, zelfs al vraagt dit proces miljoenen jaren. Want het ego schaadt anderen en zichzelf alleen omdat zijn zelfkennis zeer beperkt is en zijn wereldinzicht ellendig onvolledig. Zijn  zonde bestaat daarin dat het zijn macht verkeerd toepast, zijn gevoelens verkeerd leidt en zijn wil bederft door onwetendheid. Het menselijke hart heeft volkomen gelijk als het gehoorzaamt aan het instinct dat tot veroveren van geluk aanspoort.

 

Het kan echter niet in uiterlijke bevredigingen alleen berusten. Het zal door hun onvolledigheden en onvolkomenheden achtereenvolgens door de religieuze, mystische en filosofische onderzoekingen g#heen geleid worden. Vandaar dat hij niet in het bezit van zijn erfdeel komt voor hij tot de erkenning geraakt is van dat wat de grondslag vormt van zijn eigen ego.

 

Indien het waar is, dat op het ogenblik dat de mens zich los maakt van het Super-ego, het kwaad wordt geboren, dan zal het enige geneesmiddel zijn hem weer met de eeuwig wachtende bron te herenigen. De goddelijke honger om deze scheiding weer ongedaan te maken doet zich gelden in de begeerten van lager niveau, die soms een bleke of onwaardige weerkaatsing van dit verlangen zijn. In ieder najagen van vermaak waarin de mens tracht zijn zorgen en ellenden te vergeten, tracht hij zichzelf te vergeten en aldus boven zichzelf uit te stijgen. Hij loopt in zijn zoeken onrustig heen en weer van de ene stoffelijke genieting naar de andere omdat hij de innerlijke leegte voelt en deze tracht te vullen. Voor iedere begeerte die hem her en derwaarts zendt, zoekt hij de bevrediging die hij tenslotte slechts in het Super-ego zal vinden. In iedere poging om zijn vergankelijke bezittingen vast te houden, zoekt hij de uiteindelijke en onvergankelijke realiteit. In iedere incarnatie toont hij in zijn daden, of verbergt hij in zijn gedachten, de vreselijke waarheid dat hij in droeve disharmonie leeft met zijn ware levensdoeleinden, dat hij op pathetische wijze van zichzelf is vervreemd. Hij jaagt naar weelde, zoekt naar liefde en tracht de tijdelijke grootheid van de roem te bereiken. Terwijl hij al die tijd eigenlijk het wezenlijke zoekt. Immers het bereiken daarvan verschaft een weelde, die nooit verloren kan gaan en een liefde die eeuwig duurt.

 

Als we begrijpen dat we allen kinderen van een oneindige Vader zijn, dat onze liefde voor Hem een even natuurlijke affectie is als die van kinderen voor hun aardse ouders, dan beginnen we te begrijpen dat liefde een groot mysterie in zich bergt. Er bestaat geen twijfel of op zekere zeldzame ogenblikken – vooral in de aanvang – wordt de sterfelijke liefde ontdaan van het grove vlees en raakt zij iets wat uitstijgt boven haar aardse niveau. Gedurende korte tijd is zij een werktuig van de geest, een geheiligd zoeken van twee eenzame stervelingen, die ieder het Super-ego in de ander trachten te ontdekken, een omarming van God in minder verheven vermomming. Vele dichters hebben dit waargenomen. Stephen Phillips heeft dit op schone wijze onder woorden gebracht:

 

Ik min u niet alleen om dit; maar

Omdat oneindigheid over U hangt.

 

Maar helaas! wat de man zoekt en in een vrouw tracht te vinden, wat de vrouw verwacht en in de man verlangt, kan op aarde slechts onderhevig aan beperkingen van plaats en tijd worden gevonden, d.w.z. onderhevig aan verlies van vrijheid en vernietiging door de dood, aan bederf door verval en ziekte en aan de boosheden die de schaduw zijn van emotionele stemmingen. Immers deze opvatting van de liefde is droevig beperkt. Als men zijn liefde slechts aan vrouw of kind, een beminde of zuster schenkt, is dit in de verwachting dat wederliefde zal worden geschonken. De mens heeft in de loop der tijden ontdekt, dat zulk geven in de hoop op wedergave niet voldoende is. Liefde kan daar niet eindigen. Zij wil meer dan de beperkte kring van enkele vrienden en verwanten. Het leven zelf laat haar daarboven uitstijgen. In de eerste plaats stijgt de mens boven de verleiding van het zwakke, vergankelijke vlees en in de tweede plaats verandert hij de liefde in iets edelers en zeldzamers – in mededogen. In de goddelijke zelfovergave van deze wonderlijke hoedanigheid en omdat zij zich uitbreidt tot dat de gehele mensheid wordt omvat, brengt de liefde ten slotte zichzelf in vervulling.

 

Een dergelijke verheven toren wordt echter niet snel beklommen. Eerst als hij zijn dierbaarste verwachtingen heeft zien verwelken en de ontstellende vergankelijkheid van het uiterlijk bestaan levendig heeft gevoeld, wordt hij zich beschouwend zelfbewust. Dan bemerkt hij op welke verkeerde wijze hij zijn krachten heeft ingespannen en dan zal zijn  leven op het keerpunt staan en dan zal weer een ziel te meer zijn onderzoek naar het Super-ego zijn begonnen. Hoe verder hij dit onderzoek voortzet, des te groter vrede zal over zijn geplaagde ziel komen als dauw over de uitgedroogde aarde. Als ten lange laatste het ego zijn kennis uitbreidt en zijn begrip vervolmaakt, dan verandert ditzelfde schepsel, dat vroeger een centrum was van eenzijdig kwaad, in een centrum van welwillendheid. Er bestaat geen groter of grootser ogenblik in zijn leven dan wanneer zulk een zelferkenning begint te ontwaken. Dan brengt hij aan anderen niet minder dan aan zichzelf geluk en geen smart. De twee strijdende machten in het heelal, de z.g. goede en kwade machten zijn niet, zoals dikwijls wordt geloofd, die welke de mens aantrekken tot en afstoten van de materie, maar die welke een egoïstische persoonlijke houding en die welke een niet-egoïstische onpersoonlijke houding verwekken en stimuleren.

 

 

In het onbewuste zoeken naar zijn verborgen eenheid met alle anderen tracht ieder ego door een wervingsproces zich te vervolmaken en te verbreden. Vandaar dat het een evolutie volgt die tenslotte gedurende zijn lange weg zich ontwikkelt in een drievoudige stroom; een beweging die zich manifesteert als de fysieke, de intellectuele en wat we voor het ogenblik de spirituele stroom kunnen noemen. In de fysieke treedt het naar buiten en geraakt in de lagere donkere diepten van onwetendheid en kwaad, zich tijdelijk verliezend in het zinsbedrog van de zogenaamde materie. Dit is de afdeling van de Geest in de materie. Ten slotte echter is alle materie, of het de wortel-materie is van de Hindoes of de elektrische materie van de geleerde, slechts het verschijnen van een bepaalde gedachte aan een bepaalde denker of van de kosmische gedachte aan de kosmische denker. Het is de Gedachte die zichzelf als het ware beschouwt onder een vermomming of door een gekleurd glas. Het is niet een tweede en aparte substantie.

 

Op deze weg worden de begeerten heftig, doch op de derde verzwakken zij. De intellectuele evolutie brengt de langste weg en de grootste moeilijkheden. In het eerste stadium is het ego louter hebzuchtig, in het tweede echter wordt het ook nog nieuwsgierig. Van louter begerig naar het leven, wordt het nieuwsgierig ernaar. Uit de combinatie van deze twee hoedanigheden wordt een nog groter kwaad geboren, het arglistige kwaad dat door de sluwheid van de mens kan worden bedreven. Maar hieruit komt ook na veel pijn en lijden de eerste ontevredenheid met zichzelf en met het leven, de eerste ontdekking dat de weg om hem te overwinnen is zichzelf te overwinnen.

 

Zo bereikt het het keerpunt van zijn lange evolutie, het punt waarop het door ontplooiing en gebruik van zijn eigen verstand zich omwendt en de weg naar huis aanvangt. In de spirituele evolutie keert het proces binnenwaarts en bewerkstelligt eindelijk de gezochte eenheid als het in volledig bewustzijn terugkeert tot het Super-ego.

Indien er geen  grenzen waren gesteld aan de bewegingen van het ego, indien zijn wil volkomen vrij was, dan zou het alles in verwarring brengen en eindigen met zelfvernietiging. Indien het echter geheel door het noodlot was beheerst, indien het niet de gedeeltelijke vrije wil had die het bezit, dan zou het slechts een automaat, een marionet worden en zijn bestaan eindigen in een levende dood. Hierin nemen we waar de oneindige intelligentie die ons heelal maakt tot wat het is, d.w.z. een kosmos, een geordend systeem.

 

Alle afzonderlijkheid, alle kwaad, alle strijd, alle egoïsme en alle onwetendheid ontstaan gedurende deze, zich naar buiten tot lichaam vormende beweging van geest. Alle eenheid, alle goedheid, alle harmonie en alle wijsheid ontstaan gedurende zijn binnenwaartse, terugkerende beweging. Het conflict tussen deze twee machten, tussen de scheidende en de verenigende, is continu, maar in bepaalde, kritieke overgangsperioden van evolutionair karma wordt het duidelijk groter van omvang en historisch uiterst belangrijk. Een groot aantal mensen van onze generatie heeft een dergelijke kritieke periode meegemaakt. Feitelijk draagt de wereldoorlog het kenmerk van een enorm evolutionair keerpunt voor miljoenen mensen.

 

Deze feiten – hoe onbekend en veronachtzaamd zij ook vaak zijn – zeggen ons dat het oppervlakkige leven niet de echte waarheid toont. Als we het boek der ervaring volgens de instructies van deze feiten lezen, als we de alledaagse daden in het bestaan in verband brengen met dit verafgelegen goddelijke doel, dan zullen wij deze ervaringen en deze dagen ongetwijfeld een geheel andere waarde toekennen.

De oorlog en de wereld.

uit: Het Super-Ego door Paul Brunton.

 

 

De geschiedenis doet zich aan ons voor als een bont verhaal van tranen en kansspel, maar in haar diepten toont zij evolutionaire ontplooiing naast karmische ordening. Er is een logisch verband in de opeenvolging der historische gebeurtenissen, maar dit zien wij eerst na een onderzoek in het licht van de karmische leer. We moeten erkennen, dat er een gemeenschappelijk nationaal karma is, waaraan geen prins of pauper ontkomt. Het ligt buiten het terrein der metafysica om de historische werkingen van het karma door het ingewikkelde web van wereldgebeurtenissen heen na te gaan, van tegenwoordige oorzaak tot toekomstig effect en van zichtbaar gevolg tot onzichtbare oorsprong; om de algemene richting waarin de maatschappij en haar systemen zich bewust of onbewust gedurende een zekere periode bewegen, te begrijpen en aan te tonen en te oordelen of deze richting tegengewerkt of geholpen, vertraagd of versneld moet worden.  Op deze wijze kan de filosofie – waarvan de metafysica slechts een onderdeel vormt – haar bruikbaarheid aantonen, omdat zij niet slechts een duidelijke verklaring van het leven geeft, maar ook een praktische levenswijze biedt.

 

De behoefte aan een metafysisch begrip van het maatschappelijke bestaan wordt door de meeste mensen niet gevoeld en zelfs door velen veracht. Toch hebben zij dit begrip. Alleen omdat zij er niet doelbewust naar gezocht en over gedacht hebben, is het niet klaar tot hun bewustzijn doorgedrongen. En daardoor is het primitief, onrijp, onevenwichtig en onvolmaakt. Het is een weinig troostrijk maar onweerlegbaar feit, dat de gevolgen van een foutieve en materialistische wereldbeschouwing berusten op onzekere metafysische fundamenten, die in hoge mate verkeerd waren en overal kunnen worden waargenomen in de vreselijke verwoesting en persoonlijke ellende die zij over onze eeuw hebben gebracht, in de alom verspreide smarten en het weergaloos lijden, waardoor de mensheid langzaam begint te leren hoe misleidend haar vertrouwen was, dat zij het leven begreep en beheerste. Deze zelfmisleiding hebben we in de meest aanmatigende en overdreven vorm meegemaakt in het geval van Hitler.

 

Hitler is slechts een monsterachtig symbool van de uitwas der materialistische neigingen van onze tijd. Zijn val is een teken, dat het materialisme als bruikbare mogelijkheid heeft afgedaan. Zijn belediging van de menselijke waardigheid heeft de wereld in een verschrikkelijke toestand gebracht, maar de ernstige crisis en het uiterste lijden, waar dit toe heeft geleid, zijn tekenen van de vernietigende krachten die in het materialisme zijn ontstaan en die, als zij volgroeid zijn, veel daarvan zullen vernietigen. Door toedoen van Hitler is het ergste latente kwaad in de menselijke aard als schuim naar de oppervlakte gekomen, waardoor wij het dus beter hebben leren zien als iets afschuwelijks. Want indien een wereldbeschouwing niet meer aan de mensheid voldoet, leidt zij tot eigen vernietiging door de karmische ellende die zij kweekt. Zij, die niet vrijwillig de weg naar ethische en morele verlichting willen volgen, worden hiertoe gedwongen door eigen verdiende smarten. Het feit dat de materialistische opvatting heeft gefaald, de les van haar ervaring, smeekt de mensheid om haar te wantrouwen en te loochenen. Op deze wijze wordt het materialisme vernietigd niet alleen van buiten af door de verheven giften van mystiek of filosofie, maar ook van binnen uit door de kanker en het ellendige falen van haar eigen ethiek.

 

De mensen moeten een andere weg inslaan en verlossing zoeken van hun vroegere denkwijze. Indien zij zich de juiste principes kunnen eigen maken, kunnen zij in praktische details niet ver afdwalen. De daad is slechts een weerkaatsing van de zienswijze. De oplossingen van al onze sociologische en economische problemen bijv. liggen uiteindelijk niet alleen in sociologie en economie, maar veel meer in psychologie. We kunnen zelfs vaststellen, dat zonder heropvoeding van de mensheid in de oefeningen van meditatie en filosofische waarheid – hetgeen psychologie insluit – alle hervormende arbeid grotendeels vergeefs is. De basis van onze moeilijkheden ligt in de onvolmaaktheid van de menselijke aard en in de feilbaarheid van het menselijke weten. De filosofie is geen nutteloze, doelloze studie: zij leidt juist tot denken, hetgeen een der essentiële voorwaarden is voor juist leven. Zij kan niet alleen een diepgaande analyse van het verleden bieden, maar eveneens gezonde voorstellen voor de toekomst doen.

 

Als het dus een dwingende noodzaak van vandaag is om de volledige overwinning te behalen over de verdwaasde materialisten die deze planeet hebben verwoest en de oude mystieke emblemen van de Swastika en de Opkomende Zon voor hun eigen zelfzuchtige doeleinden hebben misbruikt en als het de dwingende noodzaak van morgen zal zijn de stoffelijke middelen en sociale bouwwerken na de verwoesting door een oorlog, zoals de geschiedenis nog niet kende, weer op te bouwen, is het werkelijk geen verspilling van tijd, energie en hersenen om aan te tonen, dat de diepzinnige stellingen van een onbekende leer moeten worden toegepast om ons te helpen deze zware taak verstandiger uit te voeren. Zelfs uit de zelfbeheersing en het medelijden der dolende filosofen en mediterende mystici kunnen de sombere tijdgenoten iets vinden, dat hen in deze verwarde tijden van nu kan zijn. Het is dus geen weelde om hun ideeën in beschouwing te nemen. Want de verlichtingen die tijdens meditatieve of metafysische retraite worden verkregen, kunnen in verband worden gebracht met de huidige vraagstukken.

 

Onze generatie heeft de rook van de strijd gezien, de verbreiding van roofzuchtige vernietiging en wrede troosteloosheid; zij heeft geluisterd naar het uitstrooien van haat in alle werelddelen en heeft gezien hoe terreur en tragedie de menigte ruw hebben vertrapt. Zij, die tevreden waren met hun omgeving, huis, eigendom, gezin, maatschappelijke rang, politiek en economisch geloof, zijn door het plotseling verlies van hun bezit tot de ontdekking gekomen dat er nog iets anders nodig is om het leven dragelijk te maken. Een proces is aangevangen, aanvankelijk eerst onder de drempel van het bewustzijn, maar geleidelijk daarboven uitstijgend, dat eerst hun de ogen opende voor het feit van de vergankelijkheid der dingen en ten slotte het gevoel in hen opwekte, dat hun inzicht in geestelijk opzicht tekort schoot. Zij beginnen de behoefte aan innerlijke hulp te gevoelen om de spanningen van al deze catastrofen te kunnen dragen. Eerst nu zijn zij bereid zich af te vragen of het leven een hoger doel heeft dan het zuiver materialistische. Waar woorden hebben gefaald om het verdoofde geestelijke leven op te wekken en de les van het ‘los-van-de-dingen-staan’ te leren, daar heeft nu de donderende stroom van gebeurtenissen dit wel gedaan. Tot nu toe struikelden velen in de duisternis of volgden zelfs het verkeerde licht. Het geweldige gebied, de indrukwekkende omvang van de tragedie en de kolossale onmeedogendheid van de meest vernietigende van alle oorlogen, heeft overal mannen en vrouwen gewekt uit hun ethische en geestelijke verdoving. Juist de uitzonderlijkheid van de historische omstandigheden die er mee samengingen heeft de algemene aandacht erop gevestigd en tot nadenken gedwongen. Het heeft hen losgemaakt van aardse banden in die zin, dat zij gedwongen worden getuige te zijn van de vergankelijkheid, de volkomen onstandvastigheid van aardse dingen, evenals zij gedwongen worden de verschrikkelijke onzekerheid van hun eigen leven te ervaren. Zij worden zich bewust van de volslagen hopeloosheid van een materialistische levensopvatting, welke tot nu toe, zoals zo dikwijls gebeurt, schuilging achter hartstocht, genoegen en weelde. Daarom heeft de oorlog het gehele ras op hardhandige wijze geleerd om de behoefte te gevoelen aan innerlijke steun en dieper begrip.

 

 

Tenslotte is de mens slechts een pelgrim op deze duistere planeet en als deze harde prikkel van smart er niet was, zou hij dikwijls terugvallen in de zachte armen der zinnenbevredigende onwetendheid en de hoge plaats, waarheen zijn weg hem voert, geheel uit het oog verliezen. Natuurlijk betreuren wij het lijden en de tegenspoed die de mensheid hebben vastgegrepen als een meedogenloze tijger. De verrotte moraal van de Nazi-leiders is misschien de onmiddellijke oorzaak geweest van deze ellende, maar toch moeten wij niet blind zijn voor het feit, dat de mensheid in het algemeen voor een groot deel heeft bijgedragen aan deze gruwelen. Hitler meende, dat hij slechts voor zichzelf of ten hoogste voor Duitsland zwoegde en streed en bedroog en intrigeerde, maar hij werkte ook als werktuig van het collectieve Karma. De toestand van de wereld is altijd en vooral in dergelijke tijd, een aanwijzing voor de gedachten der mensen en een reflex van hun hartstochten. Van dit standpunt gezien is de oorlog een uiterlijke belichaming van de hebzucht, zelfzucht en verdierlijking, die in hun hart loert en de gedachten van miljoenen beheerst.

 

Laat ons het blote feit onder ogen zien dat dit altijd aanwezig is geweest, maar dan binnen in ons. Wij hebben altijd te kampen gehad met onze kwade eigenschappen en onredelijke instincten. Wat wij eerst verdroegen en later bevochten in de Nazi’s is slechts het aan de dag treden op vergrote schaal, van de ondeugden die we reeds op kleinere schaal in onszelf bevochten. De tijger en het reptiel liggen nog steeds op de loer, hoewel de meesten van ons hebben getracht hen aan banden te leggen. Anderen echter probeerden hen los te laten. De agressieve en hebzuchtige mensen, de zelfzuchtige en materialistische zienswijze beperken zich niet tot Duitsland maar zijn in de meeste andere landen, zij het dan ook minder sterk, vertegenwoordigd. Want de meeste andere landen bezitten mannen die anderen haten, omdat zij tot een ander ras of andere klasse behoren en zij bezitten hebzuchtige agressieve individuen die de ethische standaard verachten en hun doel trachten te bereiken door alles wat hun in de weg staat te vertrappen.

 

Overal waar fanatieke overdrijving is en grove misvorming van het geestelijk perspectief, overal waar de mensen het kleine ‘ik’ tot hun afgod hebben gemaakt, overal waar fanatieke rassen- of godsdiensthaat is, overal waar geloofd wordt in zuiver militaristisch geweld, overal waar zelfzuchtige verering bestaat van industriële prestaties met brute veronachtzaming van de daarin betrokken menselijke factoren, overal waar uiterste nationalistische begeerlijkheid is, overal waar een volslagen dierlijk gebrek aan geweten is – daar vindt men de Nazi! In Duitsland echter stonden de geestelijk zieke Nazi’s aan de top, infecteerden de ongelukkige bevolking in haar geheel en maakten van hun land een nest van misdadige krankzinnigen.

 

Daarom kwam in de uren van afrekening der wereld de vergelding door het Karma niet alleen neer op de Duitsers, maar ook op vele andere volkeren. Het is een oude waarheid, dat de mensheid door lijden moet leren, wat zij door nadenken weigert aan te nemen. Geen verlosser, geen Messias is nog verschenen, die zijn volk kan brengen tot volmaakt en permanent geluk. Want zij moeten het verkeerde van hun wegen leren en uit bittere tegenslag wordt het meeste geleerd. De kroniek van een volk verschilt niet van die van het individu. Ieder mens moet zowel smart als vreugde, zowel zorgen als genoegen ervaren. Dus moet ook elke natie dergelijke perioden doormaken. In dit overweldigende werelddrama is door het lot een speciale rol toebedeeld aan ieder land. Deze rol is echter grotendeels van eigen maaksel en ontstaat uit de aard van het volk en het collectieve karma, dat het heeft verdiend, hetzij goed of slecht.

 

Wij moeten dus het schrikkelijke feit erkennen, dat de worsteling tegen Hitler, eveneens een strijd was tegen kwaadaardige bewoners van de onderwereld, die hem als werktuig hebben gebruikt in een poging om het universele ontwaken te voorkomen dat, naar zij maar al te goed weten, in onze eeuw verwacht kon worden. De horde van harde Nazi-leiders, geboren met alle ervaringen uit de hel, stelde vertrouwen in de macht van geweld en bloedvergieten en bracht een van bloeddruipende oogst aan zijn misleide volgelingen. Vandaar de uitlating van veldmaarschalk Smuts, die in de oorlog zoveel invloed had op Churchill: ‘Vroeger geloofde ik niet in de Antichrist, nu weet ik dat deze bestaat. Ik zie wat geïncarneerd kwaad in de wereld betekent’. Om dit te begrijpen, moeten we eerst begrijpen dat elke oorlog in werkelijkheid op drie verschillende niveaus wordt uitgevochten.

 

In de eerste plaats het technische, dat wapengekletter inhoudt.

Ten tweede het geestelijke, de tegenstelling van ideologieën.

Ten derde het morele dat de botsing van karmische krachten inhoudt.

Deze oorlog echter was uitzonderlijk en is niet alleen op deze drie niveaus uitgevochten, maar ook nog op een vierde. Het was een strijd tegen onzichtbare kwade geesten voor de ziel en het lot van hen, die deze planeet bewonen.

 

Uit oude bronnen hebben wij het wonderlijke verhaal van een groot continent dat vernietigd zou liggen onder de golven van de Atlantische oceaan. De moderne wetenschap verzamelt geduldig gegevens, die aantonen dat de theorie van het bestaan van Atlantis, zoals Plato het noemde, meer dan waarschijnlijk is. De filosoof uit Athene beweerde dat het was bevolkt door een ras dat zeer beschaafd was. Hoe dit ook zij, de traditie van de verborgen leer is positief op dit punt en spreekt ook van een uitgebreide transcontinentale oorlog, die de Atlantiers in twee partijen splitste. Herinneringen aan dezelfde strijd zijn in mythologische vorm bewaard gebleven in het Indische verhaal van de Ramayana. Wie weet of de wereldoorlog, die aan de vernietiging van Atlantis vooraf ging niet in wezen en betekenis gelijk was aan de oorlog die wij meemaakten? Beide vertegenwoordigen de strijd tussen goede en kwade krachten, geweldige conflicten om de heerschappij van het innerlijke en uiterlijke leven der mensheid.

 

In de loop van de lange geschiedenis van onze planeet stijgt en daalt de zedelijke evolutie als een reeks van spitsbogen, waarbij de top van elke boog op een hoger niveau ligt dan die van de vorige. Bij gevolg toont de massa altijd eerst haar slechtste kenmerken voordat zij haar beste laat zien. Zo’n hoogtepunt van het slechte hebben wij nu achter de rug, nu is het maar kwestie, dat van kwade machten het beste wordt gemaakt. Zij die door egoïstisch vooroordeel, door wensgedachten, onontwikkelde intelligentie of onontwaakte intuïtie de diepere betekenis van de huidige oorlog niet kunnen begrijpen, kunnen evenmin begrijpen, dat de essentiële krachten, die aan beide kanten aan het werk zijn, meer betekenis hebben dan louter op nationalistisch, politiek of militair gebied. Het is veel meer een climaxoorlog van begrippen en idealen, van onzichtbare machten van Licht en Duisternis. Van zijn resultaten hangt voor de volgende eeuwen een wending ten goed of ten kwade af van het culturele, religieuze, ethische en materiele lot der mensheid.

 

In onze studie over de dood hebben we gezegd hoe om deze planeet een gordel ligt die het schuim van de geestenwereld bevat, de meest ontaarde schepselen, de kwaadaardigste en onwaarachtigste van zijn bewoners. Dit is de werkelijke bron waar Hitler en zijn bende hun inspiratie hebben ontleend, dit is het geestelijke niveau waarheen de Führer een onnatuurlijke en gevaarlijke bres heeft geslagen en waarmee hij herhaaldelijk in verbinding heeft gestaan gedurende zijn geheime semi-trances. In de onheilspellende pogingen van deze krachten der duisternis die zich van hem als werktuig bedienden en die getracht hebben door louter geweld de geesten van alle mensen te persen in een enkele afschuwelijke vorm, vinden wij een illustratie van hun diep sinistere aard. Want de uiteindelijke basis van de mens is vrijheid, is de onbeperkte oneindigheid van het Superego.

 

En we kunnen zien uit de boosaardige pogingen van dezelfde machten om het leven te verminken en de bezittingen te vernietigen van zovele klassen en rassen, door middel van willige agenten, die door agressie of haat zijn opgezweept om langs de ellende van anderen onhoog te klimmen, hoe volkomen zelfzuchtig hun aard is. Want het is nu aan een ieder duidelijk dat de gehele mensheid zich beweegt, hoe langzaam dan ook, naar de tijd, dat zij ten slotte één grote familie van volkeren zal vormen, nl. een verenigd gemenebest. Deze waarheid is echter uiterst weerzinwekkend voor deze werktuigen van het materialisme. Vandaar dat hun poging om aardse heerschappij te verwerven als doel heeft de stoffelijke, intellectuele en morele evolutie van de mensheid te verhinderen.

 

Deze titanenstrijd van de machten van duisternis en vernietiging om de lichamen en de geesten te overheersen en het gehele menselijk ras te knechten, heeft nog een heel andere betekenis. Deze is meer verborgen en belangrijker dan de vorige, hoewel zij er in zekere mate mee samenhangt en er afhankelijk van is. Deze machten hebben zich schrap gezet tegen het verrijzen van groter, algemeen intellectueel licht en van goddelijke begrippen aan onze spirituele horizon, een dagen dat historisch en karmisch komen moet. Zij hebben daarin hun eigen onvermijdelijke verzwakking gezien en weten, dat zij verslagen zullen worden. Daarom hebben zij getracht elk mans te elimineren die ook maar een schijn van dergelijke ideeën vertoonde, de geest van alle anderen neerknuppelend. Bovendien hebben zij de eenvoudigen van geest op een dwaalspoor gebracht door juist het idee van eenheid, waarheen de mensheid langzaam doch onweerstaanbaar wordt heengevoerd, te misbruiken voor hun karikatuur van dat ideaal: slavernij!

De totalitaire regeringen hebben listig getracht gezonde spirituele instincten te degraderen tot materialisme. De diepgaande, onbewuste neiging om innerlijke eenheid te bereiken met alle mensen door de verwezenlijking van het Superego is verdraaid tot de verplichting om individualiteit te laten verzinken in de groteske massavorm, door de Nazi’s zelf gefatsoeneerd. M.a.w. het ideaal van spirituele eenheid is vervangen door dat van materialistische eenvormigheid.

 

Zij, die niet kunnen inzien, dat het verloop en de gevolgen van deze oorlog volkomen verschillend zijn van die van alle vorige oorlogen, kunnen evenmin zijn essentiële aard begrijpen. Het werelddrama, dat zich heeft afgespeeld en na de oorlog wordt voortgezet, is uniek. Zijn hoogste betekenis is dat de machten die leiden naar duisternis, onwetendheid, kwaad en de machten die ons brengen naar licht, wijsheid en goedheid, hun eeuwenoude strijd opnieuw uitvechten. Iedereen moet in deze geheiligde strijd partij kiezen. Niemand kan neutraal blijven zonder zichzelf te misleiden. Er is geen plaats voor toeschouwers. Dit is een strijd in de hemelen en op aarde.

 

 

 Bron: Het Super-Ego. Paul Brunton

ISBN 90-6458 009-X

uitgeverij Parsifal - Antwerpen - 1984

Het Godsbestaan.

 Uit: Een Heremiet in de Himalaya.

 

Elk intelligent mens - ik bedoel hem, die geleerd heeft uit den foliant der ervaring, niet uit de schoolboekjes  - zal eens moeten uitroepen, wat Napoleon uitriep, toen deze op een nacht uit een paleisvenster naar de met sterren bezaaide hemel keek: ,,Verlang niet van mij, dat ik geloven zal, dat deze schepping geen Maker bezit."

 

Als hij, de intelligente mens, vervolgens de waarschijn­lijkheid van den dezen Maker, het Godsbestaan dus, erkent, dan zal hij ook hét probleem onder de ogen moeten zien van lijden en boosheid, hij zal zich moeten afvragen waarom God toelaat, dat deze machten in ons midden vertoeven. Hij zal moeten eindigen met te erkennen, dat God hen welover­wogen in Zijn schepping heeft binnengeleid of te geloven, dat zij eigener beweging verrezen zijn, zonder de Goddelijke wil.

 

Dit geschilpunt zal alleen kunnen verdwijnen, wanneer men - lettende op het tweeslachtige karakter dezer wereld en op de gelijktijdige aanwezigheid van jammerlijke ellenden en verfijnde genoegens - aanneemt, dat God Zijn Heelal in een roes heeft geschapen.

 

Dit probleem is het oudste, het meest vergrijsde, en de denkers van alle eeuwen hebben ermede te worstelen gehad. Allen hebben gefaald in de oplossing. Men neme het mij niet kwalijk, maar ik ben niet voornemens mij met deze kwestie te kwellen.

 

Doch de enkele boodschappen van God aan de mensheid zijn belichaamd in de grote godsdiensten, welke van tijd tot tijd hun glans over de aarde geworpen hebben. Goed, wij aanvaarden hen niet in hun ganse omvang, maar het zou dwaas zijn vol te houden, dat zij louter rook zonder vuur waren! Het is niet zoo gek te veronderstellen, dat sommige vermetele zielen zich in hogere regionen hebben gewaagd ­regionen, die het rijk der mensheid te boven gaan - en terug zijn gekeerd met openbaringen van den verheven Schep­per zelf. Al deze godsdiensten gewagen van een God, die in elk geval welwillend is - en óók spreken zij over een lief­hebbende en vergevende God.

 

Wanneer elke geestelijke voorganger, elke wijze en elke profeet, uit het verleden en heden, die het bovenstaande voor waar heeft verklaard, de mensen begeert te misleiden of zèlf misleid is, ja wáárlijk, dan eist het gezonde verstand, dat men alles verwerpt wat behoorlijk is in het leven, dat men de zelftucht als het beste aanvaardt en afstand doet van alle hoop voor de toekomst van deze troebele en benevelde mensheid. Dan blijft ons niets anders over dan met den apostel van Pessimisme en Kracht te erkennen, dat de mens een beest is, zichzelf ten prooi.

 

Het is echter een geluk, dat de verstandige mensen niet aldus denken. Zij aanbidden het verstand niet met volkomen uitsluiting van alle gevoel, zoals onze moderne pedante intellectuele warhoofden dit doen. Wanneer zij zich van een godsdienst als de Christelijke afkerig betonen, wil dit nog niet zeggen, dat zij zich geheel van Christus afwenden. Ver­laten zij het vervallende Hindoeïsme, toch blijven zij een zekeren eerbied behouden voor de eerste Hindoese Heiligen. En zo blijft de gedachte aan Gods welwillendheid toch voor velen een hoop en een geloof.

 

Al deze mensen echter aanvaarden het wetenschappelijke verhaal van de barbaarsheid, die beschaving werd. Het gaat hier echter niet om een volledige roman, doch slechts om een... ... vervolgverhaal. De geleerden hebben, zoals ik reeds zei, tot nu toe slechts de laatste afleveringen kunnen bemach­tigen. Wanneer zij de vroegere feuilletons in handen krijgen, zullen zij hun uitspraken moeten herzien.

 

De opvatting, dat de Natuur Haar werkzaamheden aan­gevangen is "met rode tanden en klauwen", het eerst schep­pend de beestachtige mens en het wreedste dier, is bijna vijf en zeventig jaar lang zeer populair geweest. Mijn vraag is thans: wanneer men gelooft in een welwillende God, hoe kan dan aangenomen worden, dat Hij zijn werk op zulk een minderwaardige wijze begon?

 

Is het niet veel redelijker om het tegendeel te aanvaarden: dat God, in overeenstemming met Zichzelf, begon met het scheppen van den besten mens en het edelste dier? Is het niet redelijker te geloven, dat dit zijn eerste daad was en dat de ontaarding tot barbaarsheid aan mens en dier zelf te wijten is en niet aan den Goddelijke wil?

 

Het Bijbelverhaal van des mensen val is gedeeltelijk een allegorie - zeker  - maar het is niettemin wáár.

Wij moeten onderscheid maken tussen een val en een duw. God heeft Zijn schepping nooit neergestoten in een afgrond van slechtheid, en evenmin schiep hij een verzameling automaten, die willoos bewegen, als poppetjes aan een touw. Het feit, dat wij een gevoelsleven hebben, bewijst voldoende, dat ons de vrijheid gegeven is al dan niet te vallen.

 

Als alle godsdienstleraren der wereld en alle lichtgevende lichamen van het firmament der historie mij zouden komen vertellen, dat God slecht en barbaars is, ik zou hen niet geloven - al zou zelfs de ganse mensheid het mij komen verzekeren.

 

Het laatste bewijs, dat zij in dwaling verkeren, zal altijd blijven mijn eigen innerlijke ervaring. Een helderziende waar­neming van de vroegere stadia van het leven, zou zelfs niet mijn voornaamste repliek zijn, doch iets oneindig dieper, iets veel kostbaarder, dat voor mij onweerlegbaar is.

 

Langzaam en weifelend, nederig en met vaak uitglijdende voeten, nader ik de hoven van God. En hoe dichter ik in die Goddelijke Nabijheid kom, hoe méér ik mij omringd voel door een erbarmen, die alle grenzen te boven gaat, hoe méér ook ik mij bijgestaan weet door een liefde, die zonder einde is.

 

Doch ik vrees, dat al deze gedachten, vol licht en bewijs voor mij, de geleerde, veelwetende mannen van deze moderne tijd slechts als ijdel gebazel en als dwaze bespiege­lingen zullen voorkomen.

 

 

Wat is karma?<br>


Paul Brunton
Wat is karma?
Paul Brunton

 Citaten over Karma

 

1. Wat karma is

 

Het is absurd de idee van karma te behandelen als een of ander vreemd oosters denkbeeld. Het is ge­woon de wet die ieder van ons verantwoordelijk stelt voor onze eigen daden en die ons in de positie plaatst de gevolgen die daaruit voortvloeien te aan­vaarden. We kunnen het de 'wet van eigen verant­woording' noemen. Het feit dat zij verbonden is met de reïncarnatietheorie doet geen afbreuk aan deze wet, want ook binnen één enkel leven is zij werkzaam.

 

De letterlijke betekenis van karma is 'doen'; in de praktijk betekent dit gewoon dat iemands karma zijn of haar eigen handelen is. We hebben onszelf door onze daden gemaakt tot wat we nu zijn - de oorspronkelijke term karma omvat ook mentale da­den. Karma is een kracht van de Universele Geest om vereffening en compensatie teweeg te brengen, om evenwicht te herstellen. In de sfeer van mense­lijk gedrag leidt dat ertoe, dat op de een of andere manier dat wat we doen ooit ergens weer bij ons te­rugkomt. Geen enkele daad staat op zichzelf: de vruchten van iedere daad zullen uiteindelijk onverbiddelijk bij degene die de daad verrichtte terugke­ren. Karma is een zichzelf voortbewegende kracht. Niemand, menselijk of bovenmenselijk, hoeft het te besturen.

 

Deze leer maakt ons niet tot lethargische fatalisten, zo min als zij ons toestaat onszelf op te blazen tot waanwijze individualisten. Ook biedt zij geen ex­cuus voor een miserabele zwakheid, noch versterkt ze een denkbeeldige kracht. Maar ze bezielt ons met een evenwichtige kijk op onze mogelijkheden, een gezonde kijk op onze krachten.

 

Materialisten schilderen het universum af als een enorme gevangenis waarin ons lot, onze gedachten en onze daden geheel worden bepaald door onze fysieke omgeving. De onwetenden onder de ooster­se mensen leven in een afgesloten wereld waarin men hulpeloos loopt te ijsberen, gevangenen van de goddelijke voorbeschikking. Karma weerlegt beide trieste beweringen en voorziet ons van vol­doende vrijheid om onszelf en onze omgeving te vormen. Door onze eigen ontwikkeling verwezen­lijken of verrijken we onze omgeving, helpen of hinderen we de natuur, en het omgekeerde is ook waar. Karma zegt niet dat we aan de poort van het lot moeten staan wachten als haveloze bedelaars.

Onze vrije wil uit het verleden is de bron van ons huidige lot, zoals onze huidige vrije wil de bron is van ons toekomstig lot. Daaruit volgt dat de krach­tigste factor van beide onze eigen wil is. Daarom is er geen ruimte voor vaag fatalisme of buitensporig vertrouwen. Niemand van ons kan ontsnappen aan persoonlijke verantwoordelijkheid voor het vormen van onze innerlijke zienswijze en uiterlijke omge­ving door de schuld op iets of iemand anders te schuiven. Iedereen die met hindernissen te kampen heeft, zou iets van de inspiratie van Beethoven, de meestercomponist, moeten voelen. Hij die de en­gelachtige tonen van de muziek wilde horen, werd zelf stokdoof. Hij wiens leven geheel gewijd was aan de melodische compositie voor anderen, kon op een dag zijn eigen composities niet meer horen. Hij was teleurgesteld, maar niet ontmoedigd. In een moedige confrontatie met het probleem ver­klaarde hij: 'Ik zal worstelen met het lot; ik laat me er niet door uit het veld slaan!' Hij ging door met zijn werk en gaf de wereld steeds grotere geschen­ken, want wat hij door het lijden heen leerde, leer­de hij anderen met zijn muziek.

 

 

2. Hoe karma werkt

 

Er is geen bovennatuurlijk en extern wezen dat op willekeurige wijze karmische beloningen en straf­fen bijhoudt en uitdeelt. We produceren het zaad hiervoor onbewust zelf. Als het uur daar is, ont­kiemt het en brengt zijn eigen vruchten voort.

 

Het is niet zo dat een of andere mysterieuze, bo­venmenselijke engel of godheid zich persoonlijk met karma en de distributie ervan bezighoudt, zoals een poppenspeler aan de touwtjes van zijn mario­netten trekt. Karma maakt juist deel uit van het evenwicht van het universum door een terugkeer te bewerken, een druk aan te geven en iedere reactie zich te laten voltrekken door haar eigen stuw­kracht.

 

 

De werking van karma herleidt gecompliceerde ge­volgen tot gecompliceerde oorzaken.

 

Karma haalt je op den duur, of dit nu lang is of kort, in en dat hoeft niet perse pijnlijk te zijn. De term moet je niet vervullen van angstige voorge­voelens. Want het goede datje hebt gedacht en ge­daan komt ook bij je terug.

 

Geen enkel menselijk bestaan is ooit zonder pro­blemen of zonder spanningen - in geen enkele pe­riode. De eerste soort moeilijkheden komt voort uit het element van lot en bestemming dat rond de menselijke vrijheid speelt, de tweede soort uit het element van egoïsme dat gepaard gaat met mense­lijke relaties.

 

 

Door onbekendheid met de karmische werkingen veroorzaakt het ego veel van zijn eigen weerstan­den en veel van zijn eigen problemen.

 

Door dat wat we nastreven, nodigen we de toe­komst uit. We krijgen te maken met de gevolgen van ons denken, voelen en handelen. De natuur kent geen voorkeursbehandeling, maar geeft ons gewoon ons verdiende loon.

 

 

Hoewel karma wordt bepaald door wat iemand doet, bouwt het zich ook op door wat iemand denkt en sterk voelt

 

Als je uiteindelijk door karma ter verantwoording

zult worden geroepen, zul je niet worden beoor­deeld aan de hand van de labels waarmee anderen je karakter etiketteren (of die oordelen nu goed of slecht zijn), maar op grond van de motieven in je hart, de houding van je geest en de daden die uit je handen zijn gekomen.

 

De wet van compensatie meet haar beloningen en straffen niet af overeenkomstig de kleine schaal van kleingeestige mensen.

 

Ook al gebruiken we onze verstandelijke vermo­gens tot het uiterste, we kunnen niet iedere factor die in de situatie een rol speelt overzien. Er zijn si­tuaties die alleen door intuïtie kunnen worden ge­vat - zoals bijvoorbeeld de karmische invloed. Dit verklaart de misrekening van mensen die onmis­kenbaar rationeel hoog ontwikkeld zijn, maar wie het ontbreekt aan een tegenwicht in de vorm van intuïtie.

 

Gebeurtenissen en omgevingen trek je aan, gedeel­telijk in overeenstemming met wat je bent en doet (individueel karma) en gedeeltelijk in overeen­stemming met hetgeen de samenleving, het ras of het volk waartoe je behoort doet, nodig heeft en na­streeft (collectief karma).

 

 

3. Karma en genade

 

Het wonder van genade

Als onfeilbaar karma de enige kracht zou zijn ach­ter onze voor- en tegenspoed, zou het er voor de meeste van ons niet best uitzien. We hebben im­mers niet de kennis, noch de kracht of de deugd om veel verdiensten te cumuleren. Integendeel. We hebben alle onwetendheid, zwakheid en zondigheid om veel fouten te vergaren. Maar de goedheid ach­ter het universum is zo groot, dat we niet overgele­verd zijn aan de werking van karma alleen. Daar­naast bestaat een andere kracht, de kracht van genade. Beide werken samen, hoewel niemand kan voorspellen hoe veel of hoe weinig zich van het een of van het ander in een specifiek geval zal voordoen.

 

De mening dat de werking van karma is als die van een automatische machine is niet geheel en al waar, want zij is niet helemaal volledig. Het mis­sende element is genade.

 

Boeddha leefde in een land waar het gedegenereer­de priesterdom de massa er op sluwe wijze van had overtuigd dat men voor iedere zonde kon boeten en de huidige of toekomstige gevolgen ervan kon ont­lopen door een of ander betaald ritueel, offer of magische handeling. Boeddha trachtte het morele niveau van zijn volk te verheffen door vergeving van zonden te ontkennen en de strenge heerschap­pij van de wet van karma te bevestigen - de strikte onveranderlijkheid van onzichtbare gerechtigheid. Jezus, daarentegen, leefde in een land waar de godsdienst het wrede principe van 'oog om oog en tand om tand' proclameerde. Ook hij probeerde het morele niveau van zijn volk te verheffen, maar een wijsheid niet minder dan die van Boeddha maakte dat hij de situatie benaderde door de nadruk te leg­gen op vergeving en de genade van God. 'De wet van beloning en vergelding brengt ieder mens wat hem toekomt en geen enkele externe religieuze for­maliteit kan de werking ervan veranderen', is in feite de kern van veel Boeddhistische leringen. 'Klopt' , zou Jezus hebben gezegd, 'maar er bestaat ook de wet van liefde, Gods liefde, voor hen die daar in vertrouwen een beroep op doen en de wil hebben eraan te gehoorzamen.' Laat ons toegeven dat beide profeten het bij het rechte eind hadden als we bedenken tot welke verschillende groepen ze zich richtten en dat beiden de soort hulp boden die elke groep nodig had. Laat niemand goddelijkheid ontzeggen aan een menselijke deugd. Het antwoord van het Hogere Zelf op de boetvaardigheid van het ego staat vast. En dat antwoord kan zich zelfs uit­strekken tot volledige vergeving van zonden.

 

4. Werken met karma

 

Mensen klagen vaak over hun ongelukkige verle­den en lijden eronder dat ze het niet ongedaan kun­nen maken. Maar ze vergeten daarbij de ongelukki­ge toekomst, die ze nu aan het scheppen zijn, ongedaan te maken.

 

Bezien vanuit het karmische standpunt op de lange termijn creëert ieder van ons zijn eigen wereld en sfeer. Daarom zijn ons geluk en onze ellende aan niemand anders dan aan onszelf te danken of te wijten. Ook moeten wij niet vergeten dat ons huidi­ge juiste of onjuiste gebruik van de vrije wil de voorwaarden en omstandigheden van toekomstige levens bepaalt.

 

Als je een grief jegens iemand hebt of je bewust bent van gevoelens van woede, rancune of haat je­gens iemand, volg dan het advies van Jezus en laat de zon niet over je toom ondergaan. Dat betekent dat je de ander moet zien als iemand die uiting geeft aan al zijn ervaringen en gedachten over het leven en die daarom het slachtoffer is van zijn ei­gen verleden en dus niet beter kon handelen omdat hij niet beter wist. Bedenk vervolgens dat elk wil­lekeurig kwaad dat is geschied, door karma zal worden vergolden. Dientengevolge is het niet jouw zaak de ander te veroordelen of te straffen, maar wel om afzijdig te blijven en de wet van karma haar werk te laten doen. Het is jouw zaak om te be­grijpen en niet te oordelen. Je moet mensen leren aanvaarden zoals ze zijn, zonder te oordelen. Je zou juist moeten proberen geen emotionele wrok te voelen of uitdrukking te geven aan persoonlijke kwade wil jegens anderen. Blijf met je eigen be­wustzijn ver van het kwaad, de wandaden, de zwakheden of de fouten van de ander en laat ze niet je bewustzijn binnendringen, wat wél gebeurt als je ze toestaat negatieve reacties in je lagere zelf uit te lokken. Je zou direct en voortdurend moeten pogen dergelijk onkruid uit te roeien uit je emotio­nele leven. Maar dat betekent niet dat je blind moet zijn voor de fouten, tekortkomingen en wandaden van anderen. Je hoeft je echter ook niet perse in te laten met ongewenst gezelschap.

 

We hoeven niet bang te zijn anderen te helpen uit angst ons te bemoeien met hun karma. Onze sym­pathie moet weliswaar worden geleid door rede­lijkheid en als onze hulpvaardige daad de persoon in kwestie misschien eerder zal aansporen om het ongewenste gedrag of de dwaling voort te zetten, is het wijzer ervan af te zien. Het is niet edelmoedig zijn zonde door de vingers te zien en hem daarmee sterker te bevestigen in zijn dwaalweg. Maar de wet van karma kun je rustig aan haar eigen wer­king overlaten. Het is zelfs mogelijk dat die ons als kanaal heeft uitgekozen om een bepaald stuk lijden in de ander te verzachten of te beëindigen. Je be­grijpt de wet van karma niet goed wanneer je wei­gert het lijden te verlichten van mens of dier, om­dat je denkt dat je daarmee ingrijpt in je karma.

Noch Iets noch Niets bestond; gindsch' lichte lucht

Was niet, noch 's hemels breed dak boven uitgestrekt.

Wat dekte 't al? Wat schutte? Wat verborg?

Was het der wateren onpeilbaar diep?

Er was geen dood - toch was er niets onsterflijks,

Er was geen grens nog tusschen dag en nacht;

Het eenig Eene ademde ademloos alleen,

Behalve Het is sedert niets geweest.

Duisternis was, en 't al lag eerst gesluierd

In diepe somberheid - een lichtlooze oceaan.

De in den bolster nog omsloten kiem

Barstte, één van aard, uit vuurgloed open.

 

Wie kent 't geheim? Wie maakte 't hier bekend?

Vanwaar dit samenstel der schepping sproot?

De Goden zelve zijn van later wording ­

Wie is 't, die weet, vanwaar deze schepping sproot,

Dat, waarvan gansch deez' groote schepping kwam?

Of Zijn wil schiep of dat zij stom was?

De Hoogste Ziener in den hoogsten hemel,

Hij weet het - of wellicht weet Hij 't zelfs niet.

 

Starend in eeuwigheid

Vóór 's aardrijks grondslag werd gelegd,

Waart Gij. En als de onderaardsche gloed

Zijn kerker barsten doet, zijn vorm verteren zal

Zult Gij nog zijn, zooals Gij vroeger waart,

Dezelfde nog, als tijd zelfs niet meer is,

O! eindlooze gedachte, godlijke EEUWIGHEID.

 

Bron: De Geheime Leer – H. P. Blavatsky

 

 

Overpeinzingen van Marcus Aurelius

 

Zeg tot uzelf bij het aanbreken van de dag: Vandaag zal ik allerlei mensen ontmoeten, de bemoeial, de ondankbare, de onmatige, de bedrieger, de afgunstige, de eenzelvige. Ze werden zo omdat zij goed niet van kwaad kunnen onderscheiden. Maar ik heb de natuur van Goed en Kwaad doorgrond en gezien dat het ene vol schoonheid is en het andere afschuwwekkend. Bovendien heb ik de natuur van de zondaar doorgrond en ontdekt dat wij verwant zijn, niet omdat wij van hetzelfde bloed of hetzelfde zaad zijn, maar omdat wij deel hebben aan de geest en de goddelijke vonk. Ik kan door geen van hen gekwetst worden, want wat lelijk is, bindt mij niet. Ik kan niet boos worden op mijn naaste of hem haten, want wij zijn tot bestaan gekomen om samen te werken, zoals de voeten, de handen, de oogleden en de boven- en ondertanden. Daarom is het in strijd met de Natuur om elkaar tegen te werken, en dat doen wij door ons aan elkaar te ergeren en afkeer van elkaar te hebben.

 

Wanneer Theophrastus de verschillende zonden onderscheidt om deze op een wat begrijpelijker wijze te vergelijken, zegt hij als een echte filosoof dat zonden begaan uit begeerte ernstiger zijn dan zonden begaan in drift. Want hij die in drift is ontstoken, schijnt zich met een zekere pijn en onbewuste beperking te hebben afgewend van de rede, maar hij die, overmeesterd door genot, zondigt uit begeerte, schijnt op de een of andere manier in zijn zondigen nog onbeheerster en wankelmoediger te zijn. Terecht en waardig aan de filosofie zegt hij dat het zondigen dat met genot in verband staat ernstiger veroordeling verdient dan het zondigen dat van pijn vergezeld gaat; in het algemeen wordt de één woedend door de pijn van het onrecht dat hem is aangedaan, en de ander kwaad uit eigen beweging, omdat hij uit genot tot handelen wordt aangezet.

 

Hoe snel verdwijnt toch alles! De lichamen zelf verdwijnen in het Heelal en de herinnering eraan in de Eeuwigheid. Zo is het met alle zichtbare dingen en zeker met alles wat begeerlijk is of wat afschrikt door pijn of wat toegejuicht wordt uit verdwazing, hoe onbetekenend, verachtelijk, grof, vergankelijk en dood! Dit is iets om bij stil te staan voor wezens die het vermogen hebben om te denken. Wat voor mensen zijn zij, wier meningen en uitspraken van een juist oordeel getuigen? Wat is sterven voor iets en het feit, dat iemand die de dood op zich beschouwt en deze door het onderscheidingsvermogen los kan zien van verbeeldingen erover, niet langer meent dat het iets anders is dan een werking van de Natuur. Maar wanneer iemand bang is voor een werking van de Natuur, is hij als een kind; het is trouwens niet alleen een werking van de Natuur, maar dient ook tot haar nut. Hoe staat de mens in contact met God en met welk deel van zichzelf heeft hij deze verbinding; en wanneer hij dit contact heeft, in welke toestand bevindt zich dat deel van hem dan?

 

 

Niemand is ellendiger dan hij die elk ding van alle kanten bekijkt en die, zoals zij wel zeggen ‘het onderaardse’ uitvorst en gevolgtrekkingen maakt over wat er in het hart van zijn naasten omgaat, maar die niet bemerkt dat hij alleen maar dient te verblijven bij de goddelijke geest in zichzelf en deze waarachtig moet dienen. Deze wijze van ‘godsdienst’ houdt in dat men zich van hartstochten, van wispelturigheden en van ontevredenheid met wat de goden en de mensen ons aandoen, dient vrij te houden. Want wat van de goden komt, is het vereren waard omdat het goed is en wat van de mensen komt, is dierbaar omdat zij ons nastaan en dat is het zelfs indien het op enigerlei wijze meelijwekkend is door gebrek aan kennis van goed en kwaad; dit gebrek is niet minder dan het onderscheid tussen wit en zwart niet te kennen.

 

De duur van een mensenleven is slechts een stip, het bestaan stroomt weg, de waarnemingen zijn vaag, de samenstelling van het gehele lichaam komt licht tot verval, de ziel is als een wervelwind, het lot is duister en de roem onzeker. Kortom, alles wat betrekking heeft op het lichaam is als een rivier en alles wat de ziel betreft als een droom en een nevel; het leven is een strijd en de pleisterplaats van een vreemdeling; roem na de dood wordt vergeten. Wat nu is bij machte de mens aan al deze dingen voorbij te laten gaan? Louter en alleen één ding: liefde tot de waarheid. En dat houdt in dat we het goddelijke beginsel in ons, dat meester is over onze vreugde en pijn, onbesmeurd en ongeschonden bewaren, en voorts dat wij niets lukraak moeten doen of met de bedoeling te bedriegen of uit huichelarij, onafhankelijk van wat een ander doet of laat. Bovendien dat wij alles wat ons overkomt en te beurt valt, aanvaarden, omdat het komt uit dezelfde bron - welke dat ook is - als de mens zelf. En bij dit alles het verbeiden van de dood in zachtmoedige verwachting, omdat het niets anders is dan het vrijmaken van de elementen waaruit ieder levend wezen is samengesteld. En indien er voor de elementen zelf niets afschrikwekkends is aan het voortdurend veranderen van het ene ding in het andere, waarom zou iemand dan opzien tegen de verandering en oplossing van alles? Dat is immers volgens de Natuur en niets is kwaad dat met de Natuur overeenstemt.

 

 

 

 

 

 

                             

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL