Klassieke Gedichten.
uit Vlaanderen en Nederland

 

 

Vlaamse dichters

01. Alice Nahon - 02. Rene de Clercq - 03. Karel van de Woestijne - 04. Guido Gezelle - 05. Paul van Ostaijen - 06. Karel van den Oever - 07. R. Loveling - 08. Albrecht Rodenbach - 09. Felix Timmermans -  10. Willem Elsschot

***

Nederlandse dichters

21. Nicolaas Beets - 22. Louis Couperus - 23. Frederik van Eeden - 24. Vasalis - 25. Adriaan Roland Holst - 26. Jacqueline van der Waals - 27. Willem Kloos -  28. Potgieter - 29. Albert Verwey - 30. Tollens - 31. Jacques Perk - 32. Piet Paaltjes - 33. Cats - 34. Petrus Augustus de Genestet - 35. Bertus Aafjes - 36. Jacob Israel de Haan 37. Adema van Scheltema -

Vlaamse dichters

AVONDLIEDEKE III

 

Alice Nahon


't Is goed in 't eigen hert te kijken
Nog even vr het slapen gaan,
Of ik van dageraad tot avond
Geen enkel hert heb zeer gedaan

Of ik geen ogen heb doen schreien,
Geen weemoed op een wezen lei;
Of ik aan liefdeloze mensen
Een woordeke van liefde zei.

En vind ik in het huis mijns herten,
Dat ik n droefenis genas,
Dat ik mijn armen heb gewonden
Rondom n hoofd, dat eenzaam was...;

Dan voel ik op mijn jonge lippen,
Die goedheid lijk een avondzoen...
't Is goed in 't eigen hert te kijken
En z z'n ogen toe te doen.

 

***

EENVOUD

 

Alice Nahon

 

Ik voel mn ziel verwant met kleine simpele dingen,
Die op ons wegen staan als bloemen van het veld,
Verdoken in het gras, door weinigen geteld,
Al dragen zin hun kelk de zoetste zegeningen.

k Vind schoonheid overal; maar dat wat zachte perelt
Vanuit uw moe mond, die luttel woorden vindt:
Gonavond, lieveke, gonacht, mn zielekind.
Dat maakt me zaliger dan de weelde van de wereld.

Z groeit in mn gedacht een vrede, niet te noemen;
Mn ziel, in schoonheidshuis, niet n mysterie vindt;
Want l wat schoonheid is, met simpelheid begint
En k noem Liefde, t zaad van alle schoonheidsbloemen

Uit de bundel: Vondelingskens (1920)

 

Ik ben van den buiten

 

Ren De Clercq

 

Ik kreeg van mijn ouders,
Van ieder mijn part
Van vader mijn schouders
Van moeder mijn hart
Ik vocht om mijn stuiten*
Met zuster en broer.
Ik ben van den buiten
Ik ben van den boer!

Bij d'eigenste pachter,
Eerst koeier dan knecht*
Mijn klakke van achter,*
Mijn hoofd immer recht
Zoo dien 'k om duiten,
En teer op mijn toer;*
Ik ben van den buiten.
Ik ben van den boer!

Ik zout en ik zaaie
Ik eg en ik ploeg
Ik mest en ik maaie
Ik zweet en ik zwoeg,
Ik klets op de kluiten
En glets op de moer.*
Ik ben van den buiten
Ik ben van den boer!

En hebben de zeisens
Gezinderenzind
De mallende meisens
De wagens gepint
Dan zit ik te fluiten
Van boven op 't voer:
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer!

Uit 'Gedichten' - Sijthoff (Leiden)

*stuiten: boterhammen
*koeier: koejongen (hoeder van koeien)
*klakke: pet
*En teer op mijn toer: en vier op mijn beurt
*moer: moerassig land

 

***

Mijn vijand is mij lief


Rene De Clercq

 

 Mijn vijand is mij lief,
Omdat hij vijand is,
Dewijl hij mij uit laksheid hief
En haat geeft dien ik mis.

Mijn vijand is mij borg
Voor vasten moed en sterke daad.
Heb ik voor Vlaandren hart en zorg,
Ook voor mijn vijand en mijn haat.

Laat ruw zijn die mij tegen zijn,
Laat diep gaan, wat mij wondt.
Eerst als ik opbriesch van de pijn,
Voel ik mijn toorn gezond.

Eerst als het zwaard jeukt naar mijn hals,
Draag ik hem recht en hoog,
Vergend van al wat Walsch en valsch,
Tand voor tand, oog voor oog.

Oertrouw en dapper Dietsch,
Geslagen vaak, versagend nooit,
Zoolang nog iets
Den nek mij spant, dat liever springt dan plooit,

Voor Vlaandrens vlaggen wil ik staan,
Voetvast, vuisttoe,
Niet vragen wie, noch waar, noch hoe,
Maar ranselen die mij slaan.

 

WIJDING AAN MIJN VADER

 

Karel van de Woestijne

 

O Gij, die kommrend sterven moest, en Vder waart,
en mij liet leven, en me tder lerde leven
met uw zacht spreken, en met uw strelend hande-beven,
en, toen ge stierft, wat late zon op uwen baard ;

- ik, die thans ben als een die in den avond vaart,
en moe de riemen rusten laat, alleen gedreven
door zoele zomer-winden in de lage reven,
en die soms avond-zoete water-bloemen gart,

en zingt soms, onverschillig, en zijn zangen glijden
wijd-suizend over 't matte water, en de weiden
zijn luistrend, als naar eigen adem, naar zijn lied...

Z vaart mijn leve' in vrede en waan van dood begeren,
tot, wijlend in de spiegel-rust van dieper meren,
neigend, mijn aangezicht uw aangezichte ziet.

 

***

 'k Ben eenzaam droef

 
Karel van de Woestijne


'k Ben eenzaam-droef, in 't geel-teer avond-dalen...
Door 't open venster hoor 'k de donzen val
van klamme bloemen in kristallen schalen...

- En 'k weet niet of ik haar beminnen zal,
in 't stil en licht bewegen harer leden,
en hare goedheid in mijn vreemd bestaan...

'k Ben droef, en 'k hoor haar stille voeten gaan,
en haar zacht neuren, in de tuin, beneden.

Uit de bundel: het vaderhuis

 

***

 

Avond-zangen

 

Karel van de Woestijne  

 

I

Het huis mijns vaders, waar de dagen trager waren,

was stil, daar 't in de schaduwing der tuinen lag

en in de stilte van de rust-gewelfde blaren.

- Ik was een kind, en mat het leven aan den lach

van mijne moeder, die jong stierf, en aan het waren

der schemeringen om de boomen, en der jaren

om 't vredig leven van den roereloozen dag.

 

En 'k was gelukkig in de schaduw van dit leven

dat naast mijn droomen als een goede vader ging....

- De dagen hadden mij de vreemde vreugd gegeven

te weten, hoe een vlucht van groote vooglen hing,

iederen avond, in de teedre zomer-luchten

die zeegnend om de ziel der needre menschen gaan,

als de avond daalt, en maalt in avond-kleur de vruchten

die, rustig-zwaar, in 't loof der stille boomen staan.

 

... Ten kwaamt ge zacht in mij te leven, en we waren

als schaamle bloemen in den avond, o mijn kind.

En 'k mnde u. - En zoo 'k vle vrouwen heb bemind

sinds dien, met moeden geest of smeekende gebaren:

minde ik; want ik zag uw kinder-oogen klaren;

en schuine bloemen in de tuine'; en uw aanschijn

om mijn eenzelvig doen en denken trostend zijn,

in 't huis mijns vaders, waar de dagen trge waren...

 

II

Zegen deze' avond, God: ons handen rsten;

en kenden onze leden 't kleed der vreemdste lusten

en ons verlangen 't pad van de' ongewonsten waan,

thns zijn onze oogen moede als van wie sterven gaan....

- Stil-wegend staat Uw leve' op de onbewogen blan;

om iedren boomgaard gaat de vrede van Uw oogen;

en wij, die elke vrucht in onze handen wogen,

en lchten, zijn als vreemdelingen, die gebogen

onder Uw vrede en 't leven Uwer oogen staan...

 

Zegen deze' avond, God... In iedre voren

laat het gebaar van Uw medoogen rustig zaad;

uit Uwe liefde is kalm een rozen-meer geboren;

Uwe genade laat de zon meewarig gloren;

en in mijne oogen brandt de vre van Uw gelaat...

- En wij zijn trerig, God, al liet Ge dalen

om de oude plooien van ons wegend drift-gewaad,

zoeter dan ooit een liefde om ons haar teerheid laat,

de teere goedheid van Uw warende avond-stralen...

 

Zegen deze' avond; zgen, God. Wij zullen zwjgen.

- Gelaten en verzoend in de avond-zoete dood,

zal onze torve zin naar Uwen boezem zijgen

gelijk een slaap-zwaar kind ter zaalgen moeder-schoot.

Zgen... Uw rust zweeft, zeegnend, om gebogen twijgen,

die wiegen, naar de slaap der vogels aadmend gaat...

Zgen... De zuivre nacht zal om ons leven stijgen,

en Uwaarts de eenzaamheid van onze dagen neigen,

als naar een dag van weelde een rustge dageraad.

 

O 't ruischen van het ranke riet.

 

Guido Gezelle

 

O 't ruischen van het ranke riet!
o wist ik toch uw droevig lied!
wanneer de wind voorbij u voert
en buigend uwe halmen roert,
gij buigt, ootmoedig nijgend, neer,
staat op en buigt ootmoedig wer,
en zingt al buigen 't droevig lied,
dat ik beminne, o ranke riet!

 

O! 't ruischen van het ranke riet!
hoe dikwijls dikwijls zat ik niet
nabij den stillen waterboord,
alleen en van geen mensch gestoord,
en lonkte 't rimpelend water na,
en sloeg uw zwakke stafjes ga,
en luisterde op het lieve lied,
dat gij mij zongt, o ruischend riet!

 

O! 't ruischen van het ranke riet!
hoe menig mensch aanschouwt u niet
en hoort uw' zingend' harmonij,
doch luistert niet en gaat voorbij!
voorbij alwaar hem 't herte jaagt,
voorbij waar klinkend goud hem plaagt;
maar uw geluid verstaat hij niet,
o mijn beminde ruischend riet!

 

Nochtans, o ruischend ranke riet,
uw stem is zo verachtelijk niet!
God schiep den stroom, God schiep uw stam,
God zeide: "Waait!..." en 't windtje kwam,
en 't windtje woei, en wabberde om
uw stam, die op en neder klom!
God luisterde... en uw droevig lied
behaagde God, o ruischend riet!

 

O neen toch, ranke ruischend riet,
mijn ziel misacht uw tale niet;
mijn ziel, die van den zelven God
't gevoel ontving, op zijn gebod,
't gevoel, dat uw geruisch verstaat,
wanneer gij op en neder gaat:
o neen, o neen toch, ranke riet,
mijn ziel misacht uw tale niet!

 

O! 't ruischen van het ranke riet
weergalleme in mijn droevig lied,
en klagend kome 't voor uw voet,
Gij, die ons beiden leven doet!
o Gij, die zelf de kranke taal
bemint van enen rieten staal,
verwerp toch ook mijn klachte niet:
ik! arme, kranke, klagend riet!

 

Uit 'Dichtoefeningen'

wabberde: golfde lichtjes

 

 ***

WEET  GIJ?

 

Guido Gezelle (1830-1899)

 

"Numquid nosti semitas nubium?"

 

Weet gij waar de wind geboren,
waar de dauw geboren wordt?
Weet gij kunstig op te sporen
wat hierbij, hierboven is?


Weet gij wat de sterren zijn, en
wat de zon, de mane? Wat
in de bergen, in de mijnen
ligt, en in de zee bevat?


Weet gij iets klaar uit te leggen
van al t geen me u vragen kan?
Antwoordt dan en wilt mij zeggen:
Dichten... wat is dichten dan?

 

Numquid nosti semitas nubium? = Kent gij dan de wegen van de wolken?

WIEGELIEDJE VOOR DE GELIEFDE

 

Paul van Ostaijen

 

Dat trage zich toevouwen je oogleden,

te dragen het loom fluweel van onze nacht.

Onze dag is geweest als bange blanke vazen, die waren blij

de bloemen van ons liefdespel te scharen rei aan rei.

Nu zal je slapen, mijn teergeliefde kind,

want morgen moet je de ogen openen: 'n zeer fris blad dat beeft in morgenwind.

Nu zal je slapen, mijn zachte kind, in de kuil van je haren;

straks is het dag, dan moeten wij weer tuilen lezen gaan

Morgen zal er uit het Oosten 'n koning komen,

met nieuwe bruidskleren voor ons beiden;

hem zullen wij, arm in arm, als kinderen in het woud, verbeiden.

Knijp nu je ogen dicht, mijn luie luipaard

en strek je heupen naar je lust. Ach du... du.

 

29 april 1918

Uit Het Sienjaal

 

***

 Gedichtje van Sint Niklaas

Paul van Ostaijen


Sint Niklaas
appelbaas
uit het land van Waas

heilige Paus
die ging lopen
uit een deeg van spekulaas

kom ons toewaarts
heilige Klaas
wij die wachten op een heel
klein beetje honig

Zie ons lippen droog
niet van 't bidden is het
wel van heel veel kou

lieve Paus lieve Paus
Laad uw ezel laad uw neger laad uw knecht
- appelbaas uit het land van Waas -
wij staan bij de bakkerij
jou te wachten


Breng de kleinen in hun schoentje
marsepein en een citroentje
(voor jouw ezel ligt het brood reeds klaar)

Breng de groten - lieve Paus lieve Paus -
zonder dat zij 't gissen
laat het zachtjes glijden door de schouw -

een klein beetje moed
en
een zoen van jou

en vooral
geef nonkel Jan
nu zijn houten pijp
dan krijg jij een zoen
en jouw ezel ook
jouw Boudewijn

appelbaas
uit 't land
van Waas

 

Uit de bundel: verzameld werk 1-2

Dinska Bronska

 

Karel van den Oever  [Antwerpen 1879 1926]


Uit een oud dorp
- kameelbruin als de steppe -
uit Plocka
kwam Dinska Bronska.
Haar hoofddoek was pruisisch-blauw
en heur haar vlas-geel;
ook waren haar ogen blauw
als fjord-water.
Zij rook naar knoflook en spar,
zij droeg laarzen
en ging zeer zwaar en gauw.

In het 'Hotel Lapland' zat zij
bij een tafel aan het straat-raam:
zij schreef 'n brief.
Een haarlok viel laag op haar rode kaak
en zij stak haar tong uit,
want zij schreef moeilijk die brief
en daaronder 'Dinska Bronska', haar naam.
Ze stak ook de penstok in haar mond
en zocht met haar ogen langs het plafond.

Op het papier waren 'n inktvlek
en groot gestrompel van letters:
zij kocht het voor vijf centiem
in de kruidenierszaak
over het hotel.
Er was 'n beetje inkt aan haar kaak.

O, Dinska Bronska,
gij vertrekt naar Canada:
de verroeste stoomboot wacht langs de kaai.
Gij laast op een almanak
der 'Red Star Line'
dat Canada groter appels,
o, hoger en geler koren heeft dan Plocka.
Het moet in Canada veel beter zijn!

O, Dinska Bronska,
met je zeer dikke vingers:
je schrijft zo moeilijk die brief.
Je ogen zoeken vliegen op het plafond.
'Moj Boze!'
Er zit 'n tranen-veeg,
o zo verdrietig,
van je blauwe ogen naar je mond.

O, Dinska Bronska!


Uit de bundel: 'Een onbegrepen lied'

Het Geschenk

 

R. LOVELING

 

Hij trok het schuifken open,
Het knaapje stond aan zijn zij,
En zag bet uurwerk liggen:
Och, Grootvader, geef u het mij?

 

- Ik zal t u wel eens geven,
Toekomend jaar misschien,
Als gij wel leert en braaf zijt,
Zei de oude, wij zullen zien.

 

Toekomend jaar! sprak het knaapje,
O Grootvader, maar dan zoudt
Ge lang reeds kunnen dood zijn;
Ge zijt zoo ziek en zoo oud!

 

En de oude man stond te peinzen,
En hij dacht: Het is wel waar,
En zijn lange vingren streelden
Des knaapjes krullend haar.

 

Hij nam het zilvren uurwerk,
En de zware keten er bij

En lei ze in de gretige handjes,
t Komt nog van uw vader, sprak hij.

Daar was een grafje gedolven;
De scholieren stonden er rond,
En een oude man boog met moeite
Nog eene knie naar den grond.

 

Het koele morgenwindje

Speelde om zijn haren zacht;
Het gele kistje zonk neder:
Arm knaapje,  wie had dat gedacht!

 

Hij keerde terug naar zijn woning,
De oude vader, en weende zoo zeer,
En lei het zilvren uurwerk
In t oude schuifken weer.

De laatste storm

 

Albrecht Rodenbach

 

Buldrend speelt de zee met 't oude vaartuig.
Kalm, manhaftig kampt de grijze zeeman
met den storm. Maar splijtend te allen kante
vreeslijk kraken de oude brooze wanden.

Bleek en bevend staart alom de manschap
naar het krakend wantwerk en den zeeman.


"Sloepen af en vrouwen eerst!" gebiedt hij.
Wiegend wagglen sloepen in den storrem,
angstig ijlt de manschap in de sloepen.
Eenzaam staat op 't vaartuig de oude zeeman.

"Vol!" zucht hij, "vaartwel, matrozen, redt u."

Door den storm verdwijnen zijne sloepen.

Buldrend speelt de zee met 't splijtend vaartuig.
Kalm, manhaftig bidt de grijze zeeman
de armen rond een mast. Zoo lange reisden
schip en zeeman samen door de stormen;
grijs is 't hoofd geworden van den zeeman,
krakend en versleten 't machtig vaartuig...


O de wind, de zee, de laatste storrem!
Schuimend, bruischend, stijgen wilde baren
onder zijne voeten. Krakend, berstend,

in de diepe kolken draait het vaartuig...
Samen duiklen schip en man verzwolgen.
Machtig stormt de zeewe, grootsch en eenzaam.

SINT FRANCISCUS

 

Felix Timmermans

 

Het is gedaan met al die ijdle dingen!
De maan speelt op de zilvren avondfluit;
hij zingt nu niet meer mee, dat lied is uit,
een schooner stem kon in zijn ziele dringen.

 

Hij zal in d'afgrond van Gods liefde springen,
trekt zijn verleden en zijn kleren uit,
en in een pij, met zijne ziel als luit
gaat hij al beedlend langs de huizen zingen,

 

zingt voor den wolf, de vogels en de bloemen,
kan al wat leeft zijn broers en zusters noemen,
de Liefde zingt hem mager als een riet.

 

In zulke pure mensch wil God staand branden,
boort hem Zijn vuur door voeten, hart en handen.
Uit elke wonde juicht het zonnelied!

 

***

 

God rolt de zonnen door zijn handen

 

Felix Timmermans

 

God rolt de zonnen door zijn handen

zoals de boer het zaad.

De ruimte kent geen randen

en eindloos staat

de sterrentuin te branden.

 

Als dauwdrop aan der aarde bloeme

weerspiegel ik het al.

Ik hoor de sferen zoemen

Gans 't sterrendal

probeert Uw naam te noemen.

 

't Geheim blijft tot de nacht behoren,

waarin ik ben ontstaan,

tot, opgeslorpt, in schijn verloren

in 't licht vergaan

in U ik word herboren!

 

Uit: Adagio

 

***

De kern van alle dingen

 

 Felix Timmermans

 

De kern van alle dingen
is stil en eindeloos.
Alleen de dingen zingen.
Ons lied is kort en broos.

En donker zingt mijn bloed,
van heimwee zwaar doorwogen.
Ik zeil langs regenbogen
Gods stilte tegemoet.

Met U zijn er geen verten meer
en alles is nabij.


Des levens aanvang glinstert weer,
geen gisteren en geen morgen meer,
geen tijd meer en geen uren,
geen grenzen en geen muren;
en alle angst voorbij,
verlost van schaduw en van schijn,
wordt pijn en smart tot vreugd verheven!


Hoe kan het zoo eenvoudig zijn!
Hoe kan het leven Hemel zijn,
met U, o kern van alle leven!

Ik weet het niet, ik vind geen naam,
ik krijg het met geen woorden saam
wat er nu omgaat in mijn ziele.
Is het soms blijdschap? Is 't verdriet?
Of allebei? En ook weer niet ...
Ik kan slechts zwijgend knielen.

 

Het huwelijk

 

Willem Elsschot (1882-1960)

 

Toen hij bespeurde hoe de nevel van den tijd
in dogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

 

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij den baard
en mat haar met den blik, maar kon niet meer begeren,
hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.

 

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
het merg uit haar gebeente, dat haar toch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.

 

Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land.

 

Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid die niemand kan verklaren,
en die s avonds komt, wanneer men slapen gaat.

 

Zo gingen de jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man die zij hun vader heetten,
bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.

 

***

 

De Bult spreekt

 

Willem Elsschot

 

Hier is de bult, de rammelkast,
de knobbelvent, de leuke gast,
de dwerg die 't hoofd omhoog moet steken
als hij zijn zonen toe wil spreken.

De knotwilg met den gekken stam,
waar boven op een reuzenzwam
genesteld is voor al mijn dagen
en die geen mensch er af kan jagen.

Hij huist daar reeds zoo lang mij heugt,
hij was de duivel mijner jeugd,
die 't al verpest heeft en bedorven
en glorie tot mijn sch verworven.

Hij heeft mijn trouwdag meegevierd
 en alles naar zijn zin bestierd,
mijn rok ontsierd, mijn bruid doen blozen
en gal gespuwd op hare rozen.

Zoo deed en doet hij moord op moord,
al zit hij stil en spreekt geen woord
en ziet noch hoort, noch maakt gebaren:
hij vreet mij op met huid en haren.

Gij die reeds alles hebt misdaan
wat doembaar is in n bestaan;
gij kerels met uw zwart geweten,
die slapen kunt noch rustig eten

en schichtig door het donker waart:
komt op, geeft hier wat u bezwaart,
 ik zal het torsen zonder klagen
als gij zoo lang dat ding wilt dragen.

 

 Rotterdam, 25 Febr. 1910.

Nederlandse dichters

DE MOERBEITOPPEN RUISTEN

 

Nicolaas Beets


"De moerbeitoppen ruisten;"
 God ging voorbij;
Neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
En sprak tot mij;

Sprak tot mij in de stille,
 De stille nacht;
Gedachten die mij kwelden,
Vervolgden en ontstelden,
Verdreef hij zacht.

Hij liet zijn vrede dalen
 Op ziel en zin;
'k Voelde in zijn vaderarmen
Mij koestren en beschermen,
En sluimerde in.

De morgen die mij wekte
Begroette ik blij.
Ik had zo zacht geslapen,
En Gij, mijn Schild en Wapen,
 Waart nog nabij.

 

Uit 'Wierookgranen'

NARCIS

 

 Louis Couperus

 

Aan de boord ener beke

Zie ik lelin dromend staan,

Wijl golfjens om haar stengels

Schuimend gaan.

 

Een rei als van nymfen,

Die zich beuren uit de beek,

Een rei als van sneeuwwitte bruidjens

Zo kuis, zo bleek.

 

En in heur midden heft zich

Een enkele narcis,

die kwijnt op zijn stengelke

Van droevenis.

 

De lelin smachten van minne,

Voor die geluwe narcis;

Zij geuren haar zoetste geuren,

Zo zwoel...zo fris.

 

En de goedgele blomme nijgt zich

Steeds verder naar de vliet,

Tot hij in de zilvren spiegel

Zijn beeldtnis ziet.

 

Zo kou en zo kil in het water...

Zijn zoenen prangt

De bloem op het beeld, waar minnend

Hij over hangt.

 

En de lelin lispelen droeve,

Dat nog steeds met des jongelings lust

De bloeme zijne beeldtnis

Op 't water kust...

VOOR DE LIEFSTE.

 

 Frederik van Eeden.

 

Aan mijne Vrouw.

 

In zachte klanken saamgebracht

Heb ik uw zoeten naam gedacht,

O mijn Lief-uitverkoren!

Die 't liefst mij aller dingen zijt,

Die ik mijn hart heb ingeleid

En eeuwig zal behooren.

 

Dit lied is voor de Liefste mijn,

Dus zal 't als mijne liefde zijn,

Als een gesmede keten

Van rijm aan rijm aaneengehecht

En om twee harten heengelegd,

Die van geen scheiden weten.

Soms, als gij zwijgt.

 

M. Vasalis

 

Soms, als gij zwijgt en uit het venster schouwt,

grijpt mij uw schoonheid als een wanhoop aan,

een wanhoop door geen troost te blussen,

niet door te spreken, niet door te kussen,

even groot als mijn bestaan, en even oud.

 

Dat ik u zien moet en u niet kan zijn,

van u gescheiden door mijn eigen ogen,

dat gij daar zit, zo buiten mij geboren,

en doet als een geboren pijn.

 

Wanneer gij zwijgt en uit het venster ziet

komt soms de wind en hij beweegt uw haren,

die aan de boorden van uw voorhoofd staan

als aan een stilstaand water, oeverriet

soms komt een wolk de hemel langs gevaren,

ik zie de schaduwen over uw ogen gaan.

 

Dan is het mij alsof gij eeuwig zijt,

of ik maar even bij u leven mag,

alsof mijn tijdelijkheid mij van u scheidt,

dan wendt uw hoofd zich om, ik zie uw lach.

 

 ***

 Tijd

 

M. Vasalis (1909-1998)

 

Ik droomde, dat ik langzaam leefde
langzamer dan de oudste steen.
Het was verschriklijk, om mij heen
schoot alles op, schokte of beefde,
wat stil lijkt. k Zag de drang waarmee
de bomen zich uit de aarde wrongen
terwijl ze hees en hortend zongen;
terwijl de jaargetijden vlogen
verkleurende als regenbogen


Ik zag de tremor van de zee,
zijn zwellen en weer haastig slinken,
zoals een grote keel kan drinken.
En dag en nacht van korte duur
vlammen en doven: flakkrend vuur.
- De wanhoop en de welsprekendheid
in de gebaren van de dingen,
die anders star zijn, en hun dringen,
hun ademloze, wrede strijd


Hoe kon ik dat niet eerder weten,
niet beter zien in vroeger tijd?
Hoe moet ik het weer ooit vergeten?

Zwerversliefde.

 

 Adriaan Roland Holst

 

Laten wij zacht zijn voor elkander, kind

want, o de maatloze verlatenheden,

die over onze moegezworven leden

onder de sterren waaien in de oude wind.

 

O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet

het trotse hoge woord van liefde spreken,

want hoeveel harten moesten daarom breken

onder den wind in hulpeloos verdriet.

 

Wij zijn maar als de blaren in den wind,

ritselend langs de zoom van oude wouden,

en alles is onzeker, en hoe zouden

wij weten wat alleen de wind weet, kind

 

en laten wij omdat we eenzaam zijn

nu onze hoofden bij elkander neigen,

en wijl wij samen in t oude waaien zwijgen

binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.

 

Veel liefde ging verloren in de wind,

en wat de wind wil zullen wij nooit weten;

en daarom voor we elkander weer vergeten

laten wij zacht zijn voor elkander, kind.

Moeder

 

Jacqueline (Elisabeth) van der Waals 

[Den Haag 1868 - Amsterdam 1922]


Moeder naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zo straks ontvangen
Na de lange scheidingstijd?


Zult gij mij aanstonds als uw kind begroeten,
Als ik ontwaken zal uit mijn dood?
Zal ik nederknielen mogen voor uw voeten
Met mijn hoofd in uwe schoot?...


Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude, grijze haar?


Uit de bundel: laatste verzen

Ik ween om bloemen in de knop gebroken


Willem Johannes Theodorus Kloos 

[Amsterdam 1859 Den Haag 1928]

 

Ik ween om bloemen, in de knop gebroken
En vr de ochtend van haar bloei vergaan,
Ik ween om liefde, die niet is ontloken,
En om mijn harte dat niet werd verstaan:


Gij kwaamt, en 'k wist -- gij zijt weer heen-gegaan...
Ik heb het nauw gezien, geen woord gesproken:
Ik zat weer roerloos, n die korte waan
In de eeuwge schaduw van mijn smart gedoken:


Zo als een vogel in de stille nacht
Op ns ontwaakt, omdat de hemel gloeit,
En denkt, 't is dag, en heft het kopje en fluit,

 

Maar r 't zijn vaakrige oogjes gans ontsluit,
Is het weer donker, en slechts droevig vloeit
Door 't sluimerend geblaarte een zwakke klacht.

 

 ***

 

Elk kloppen van mijn bloed is een gebed

 Willem Kloos

 

Elk kloppen van mijn bloed is een gebed,
Wanneer 'k de handen samen-vouwend smeke
Om n, Onkenbaar Wezen! - n, n teken
Van U, mijn God, mijn Enge Heer, Die let


Op elke daad, gedachte of woord, o Het
Aller-aller-onkenbaarst Zijn, die 't weke
Bewegen mijner ziel hebt doorgekeken,
Hoe het zich-zelf in zich-zelf steeds verzet,


O God, mijn God, Gij zijt wel gans-almachtig,
Schoon 'k niet begrijp hoe 't slechte kan op de aard zijn,
Maar Gij zijt God, God-zelf, voor Wie ik, krachtig
Mens, door Uw Wil, deemoedig buig in prachtig
Vernederen mijns-zelfs in diep-vervaard zijn.
O! 't echte slechte nimmer kan iets waard zijn.

 

 ***


Zooals daar ginds

Willem Kloos

Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht,

Zilveren-zacht, de half-ontloken maan

Bloeit als een vreemde bloesem zonder vrucht,

Wier bleeke bladen aan de kim vergaan, ­


 

 Z zag ik eens, in wonder-zoet genucht,

Uw half-verhulde beelt'nis voor mij staan, ­

Dn, met een zachten glimlach en een zucht,

Voor mijn verwonderde oogen nder-gaan.


 

Ik heb u lief, als droomen in den nacht,

Die, na een eind'loos heil van nen stond,

Bij de eerste schemering voor immer vlon, ­


 

 Als morgen-rood en bleeke sterren-pracht,

Iets liefs, dat men verloor en niet meer vond,

Als alles, wat hl ver is en hl schoon.

 

 

HOLLAND

 

E. J. Potgieter


Grauw is uw hemel en stormig uw strand,
Naakt zijn uw duinen en effen uw velden,
U schiep natuur met een stiefmoeders hand,
Toch heb ik innig u lief, o mijn Land!


Al wat gij zijt, is der Vaderen werk;
Uit een moeras wrocht de vlijt van die helden,
Beide de zee en de dwingland te sterk
Vrijheid een tempel en Godsvrucht een kerk.


Blijf, wat gij waart, toen ge blonkt als een bloem:
Zorg, dat Europa de zetel der orde,
Dat de verdrukte zijn wijkplaats u noem,
Land mijner Vadren, mijn lust en mijn roem!


En wat de donkere toekomst bewaart,
Wat uit haar zwangere wolken ook worde,
Lauwren behoren aan t vlekloze zwaard,
Land, eens het vrijst en gezegendst der aard.

Bij de dood van een kind.

 

Albert Verwey [Amsterdam 1865 - Noordwijk 1937]

 

Zij kwam een poos en zag met open oog
De wereld aan.
Toen is zij heengegaan,
Wij wisten nooit wat haar het meest bewoog.

Soms is het of een kind
Verdwaald is naar het leven.
Het gaat alsof het zich bezint,
En denkt: waar is mijn vroegere huis gebleven?

Wie weet of ik het straks niet vind.
Soms schijnt het bij zijn komst alreeds volgroeid.
Gelijk een zoete vrucht
Beweegt het schommelend door de voorjaarslucht.


De huid is warm, die een rijp bloed doorvloeit.
Het sterft, zo weinig nog vermoeid
Maar 't raadsel dat het in zich sloot
Was de nabije dood.

Gevallen in de chaos als een vonk,
Heeft haar gestalte ons kort bekoord.
Een vonk- die weer verslonk.

Nu tasten wij naar verf en woord
En voeden onze herinnering
Met een gedicht of tekening.

Uit de bundel: de getilde last

Bij het lijkje van een kind

 

Henricus Franciscus (Caroluszoon) Tollens 

[Rotterdam 1780 - Rijswijk 1856]


't Kruipend rupsje, moe gekropen,
Afgetobd in de enge cel,
Brak zijn kluisje fladdrend open,
Klapwiekte uit zijn dorre schel.


Zie, daar wiegt het, zie, daar zweeft het,
Aardse damp en druk ontvlucht;
Hoger vliegt het, hoger leeft het,
Zat gespeeld in lager lucht.


Voedster, droog de natte wangen,
Tuur niet op de dode pop,
Blijf niet aan het webje hangen:
't Vlindertje is niet weer te vangen:
's Hemels englen vingen 't op.

Liefde

 

Jacques Perk [1859-1881]


Het vurig hart des jonglings, haast nog kind,
Gevoelt een rijke en ongekende weelde
Wanneer hij zachtheid, liefde, schoonheid vindt,
Zoals die nooit het jong gemoed nog streelde.


Hij ziet de jonkvrouw, de met schoon bedeelde...
En die geen zege wil, zij overwint.
Hij mint het Schone... en liefde is ingebeelde,
Als hij de 'liefde' van de vrouw bemint. -


Mathilde! ik vond de liefde in elke vrouw,
Ik heb van 't schone in allen haast gevonden,

En velen liefgehad te goeder trouw,


Maar die geliefden, allen saamverbonden,
Bezitten niet, wat ik in aanschouw,
Die meer bekoort, dan zij tezamen konden.


Uit de bundel: Mathilde

 

Zijn goudblonde lokken en knevel

 

Piet Paaltjens - Franois Haverschmidt

[Leeuwarden 1835 Schiedam 1894]


Zijn goudblonde lokken en knevel,
Zijn geestvolle neus en mond,
Zijn vergeetmijnietblik, zijn tenorstem
En zijn New-Foundlandse hond,


Ik moet er gedurig aan denken;
Zelfs adem ik soms nog flauw
De geur in van zijn sigaren.
Hij kocht ze gewoonlijk bij BLAAUW.


Ruik ik opnieuw die sigaren,
Dan word ik eensklaps zo raar.
Is 't, omdat hij ze rookte,
Of was de tabak mij te zwaar?

 

Uit de bundel: Snikken en Grimlachjes (Immortellen XVI)

 

***

De zelfmoordenaar

Piet Paaltjes

In het diepst van het woud
- 't Was al herfst en erg koud -
Liep een heer in zijn eentje te dwalen.
Och, zijn oog zag zoo dof!
En zijn goed zat zoo slof!
En hij tandknerste, als was hij aan 't malen.

"Harriot!" dus riep hij verwoed,
"'k Heb een adder gebroed,
Neen, erger, een draak aan mijn borst hier!"
En hij sloeg op zijn jas,
En hij trapte in een plas;
't Spattend slik had zijn boordjes bemorst schier.

En meteen zocht zijn blik
Naar een eiketak, dik
Genoeg om zijn lichaam te torschen.
Daarna haalde hij een strop
Uit zijn zak, hing zich op,
En toen kon hij zich niet meer bemorsen.

Het werd stil in het woud
En wel tienmaal zo koud,
Want de wintertijd kwam. En intusschen
Hing maar steeds aan zijn tak,
Op zijn doode gemak,
Die mijnheer, tot verbazing der musschen.

En de winter vlood heen,
Want de lente verscheen,
Om opnieuw voor den zomer te wijken.
Toen dan zwierf - 't was erg warm -
Er een paar arm in arm
Door het woud. Maar wat stond dt te kijken!

Want, terwijl het, zoo zacht
Koozend, voortliep en dacht:
Hier onder deez' eik is 't goed vrijen,
Kwam een laars van den man,
Die daar boven hing, van
Zijn reeds lang verteerd linkerbeen glijen.

"Al mijn leven! van waar
Komt die laars?" riep het paar,
En werktuigelijk keek het naar boven.
En daar zag het met schrik
Dien mijnheer, eens zo dik
En nu tot een geraamte afgekloven.

Op zijn grijzende kop
Stond zijn hoed nog rechtop,
Maar de rand was er af. Al zijn linnen
Was gerafeld en grauw.
Door een gat in zijn mouw
Blikten mieren en wurmen en spinnen.

Zijn horloge stond stil,
En n glas van zijn bril
Was kapot en het ander beslagen.
Op den rand van een zak
Van zijn vest zat een slak,
Een erg slijmrige slak, stil te knagen.

In een wip was de lust
Om te vrijen gebluscht
Bij het paar. Zelfs geen woord dorst het te spreken.
't Zag van schrik z spierwit
Als een laken, wen dit
Reeds een dag op het gras ligt te bleeken.

HET MINNEN IS EEN ZELDZAAM SPEL

 

Jacob Cats (1577-1660)


Het minnen is een zeldzaam spel,

Het brengt de mensen in gekwel,

het is een los en loze vond',

het is een wezen zonder grond.

 

Al wat men aan de vrijers raadt

dat dunkt de jonkers enkel kwaad,

doch wat hun afgeraden werd

daarhenen wil hun grillig hert.

 

En wat men zo een linker biedt,

dat wil hij toch zijn leven niet;

en wat hem niet gebeuren mag,

daar haakt hij naar de ganse dag.

 

Roept iemand zo'n verliefde kwant,

gewis die wijkt hem van de hand,

en schoon hem iemand henen zendt,

hij is straks weder daar omtrent.

 

In 't korte, 't is een vreemde pijn

in Venus' hof verdoold te zijn.

Boutade.

 

Petrus Augustus de Genestet (1829-1861)

 

 O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen,

Doorsijperd stukske grond, vol killen dauwen damp,

Vol vuns, onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen,

Vol jicht en parapluies, vol kiespijn en vol kramp!

 

O saaie brij-moeras, O erf van overschoenen,

Van kikkers, baggerlui, schoenlappers, moddergon,

Van eenden groot en klein, in allerlei fatsoenen,

Ontvang het najaarswee van uw verkouden zoon!

 

Uw kliemerig klimaat maakt mij het bloed in de aderen

Tot modder; 'k heb geen lied, geen honger, vreugd noch vre.

Trek overschoenen aan, gewijde grond der Vaderen,

Gij - niet op mijn verzoek - ontwoekerd aan de zee.

De laatste brief

 

Bertus Aafjes


De wereld scheen vol lichtere geluiden
en een soldaat sliep op zijn overjas.
Hij droomde lachend dat het vrede was
omdat er in zijn droom een klok ging luiden.

 

Er viel een vogel die geen vogel was
niet ver van hem tussen de warme kruiden.
En hij werd niet meer wakker want het gras
werd rood, een ieder weet wat dat beduidde.

 

Het regende en woei. Toen herbegon
achter de grijze lijn der horizon
het bulderen - goedmoedig - der kanonnen.

 

Maar uit zijn jas, terwijl hij liggen bleef,
bevrijdde zich het laatste wat hij schreef:
liefste, de oorlog is nog niet begonnen

 

Jacob Isral de Haan

 

BERUSTING.

In dit spel van wind en water

Schouw ik peinzend hl den dag.

'k Vraag niet meer naar toen en later.

Ik draag wat er komen mag.

 

LICHT EN LEVEN.

Al wat wij licht noemen is maar een schaduw

Van God, het Enig Schaduwloze Licht.

Al wat wij leven noemen is een waduw,*

Die wegwaait voor Gods aangezicht.

 

Kwatrijnen


* waas - schaduw

 

Carel Steven Adema van Scheltema

(Amsterdam, 26 februari 1877 Bergen, 6 mei 1924) 

 

De stilte

 

Daar komt een stilte aan mijn lijf

Een wezenloos gelaat -

't Is of het leven verder gaat

En 'k ergens achterblijf.

 

Nu drijf ik van het leven af

Naar eene waterkom,

Als eene witte waterblom

Naar haar verholen graf.

 

En 't leven gaat voorbij - voorbij,

Ik zie het zwijgend aan,

En ik - ik kan niet medegaan,

Want het is stil in mij.

 

En 't leven haalt mij wederom

En drijft mij weder mee,

En blaast mij als een waterblom

Door zijne wijde zee.

 

De stilte is van mijn gelaat

En van mijn lijf gewischt - -

Dat is de dood, die zich vergist'

En naar een ander gaat!

 

 

 

HET EDELE LEVEN

 

Mijn leven is een lichte boot,

Die over diepe waters vaart -

De kiel is klein, de blik is groot,

Die om den einder waart.

 

Door 't blijde en het bleeke licht

Van 's levens vreugd en 's levens leed,

Richt ik haar steven naar den plicht,

Dien de bewuste weet.

 

Schoon is de vreemde spiegel, die

Mij draagt en wiegt, waarin ik bei:

Den hemel en den bodem zie -

Ik zie in beide mij.

 

En door dien wijden spiegel ijlt

De schoonheid immer met mij mee,

Haar kring van blanke beelden zeilt

Nevens mij door de zee.

 

En als mijn hand te water gaat

En 'k spelend aan dien spiegel kom,

Is 't of zij parels achterlaat -

Ik zie niet naar hen om.

 

En telkens vliedt tot aan de kim

Uit mijne hand een levend lied -

Achter mij volgt de stille schim

Van 't leed, dat niemand ziet.

 

En beeld en leed en lach verdwijnt,

En dwerelt als het schuim mij na -

Tot in een glimlach aan het eind

Ik met hen onderga.

 

 

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL