Egyptische Mythes, Legenden
en Wijsheden.

 

01. Strijd tussen Licht en Duisternis (Ra en Set) – 02. Wijsheid uit het Oude Egypte - 03. De mythe van Osiris  - 04. DE SCHEPPINGSLEGENDE – 05. Het Lichaam  –  06. De Ziel –  07.  de Geest  - 08. Wegen van het hart  –  09. De afzonderlijke getallen in het Oude Egypte – 10. De symboliek van de sfinx -  11. Citaten -

  

01. OGEN VAN HORUS

Joan Grant

 

ISBN 90 202 5599 1  Ankh Hermes 1992

 

 

Egypte aan het einde van de elfde dynastie, 4000 jaar geleden; Ra-ab Hotep is de erfelijke opvolger van de Monarch van de Oryx, één van de achttien provincies van Egypte. Na een geluk­kige jeugd en inmiddels volwassen, komt hij erachter dat de Oryx verschilt van de rest van Egypte. Het gebied is nog steeds in contact met het Licht. De rest van Egypte wordt geregeerd en beheerst door de angst. De Farao is een slecht regeerder. De priesters hebben de aanbidding van Ptah vervangen door die van Set. Alleen de Oryx heeft deze boeien afgeworpen. Daar ontstaat een stille broederschap, 'Ogen van Horus', om te werken voor en te wachten op het ochtendgloren van een nieuw tijdperk in Egypte. Ra-ab Hotep wordt zijn rol hierin gewaar in een droom. Wanneer de tijd rijp is, zal hij de Oryx en zijn aanhangers naar de overwinning en een nieuw Egypte leiden.

 

Ogen van Horus is een schitterende en avontuurlijke klassieke roman met een diepzinnige achtergrond, die laat zien hoe de angst uiteindelijk door de grenzeloze macht van het Licht wordt gebroken.

 

Joan Grant (1907) geniet grote bekendheid als de schrijfster van vele boeken over het oude Egypte. Zo verschenen onder meer De gevleugelde pharao (De Driehoek), de sprookjes De scharlaken vis (Ankh-Hermes) en De witte hinde (uitverkocht). Samen met haar echtgenoot Denys Kelsey schreef zij Meer dan één leven (Ankh-Hermes), dat ervaringen uit vorige levens beschrijft.

 

 

 

                                                                                   Uittreksel

 

Ik koos deze tekst omdat hij past bij deze homepage – bij de thema’s over reïncarnatie, regressie, psychische problemen door ‘bezetenheid’, de overwinning van Liefde/Licht over Angst/Duisternis.

 

8. Het aanroepen van Ra

 

Tegen de tijd dat ik wakker was had Kiyas Sebek, die vlak na zonsop­gang was teruggekeerd, al gesproken. Hij regelde het dat we de krankzinnige vrouw onverwijld naar Nefer-ankh konden brengen. Sebek vertelde dat het water snel zakte en aangezien de tempel van Ra in het noordwesten lag, konden we daar komen zonder het deel van het land te hoeven doorkruisen dat het meest van de vloed te lij­den had gehad. Er was een koerier naar de eerstvolgende hoger gele­gen stad gezonden met de boodschap dat de opzichter draagstoelen, elk met vier dragers, gereed moest houden om ons naar de tempel te brengen. De weg naar die stad zouden Kiyas en ik lopen, terwijl twee soldaten de krankzinnige vrouw in een geïmproviseerde draagstoel meevoerden.

 

De reis was tamelijk gemakkelijk. De hemel was onbewolkt en het water was onder het toezicht van Ra tot rust gekomen. Even na zons­ondergang kwamen we bij de tempel aan, waar we door Nefer-ankh al werden opgewacht. We hadden namelijk van tevoren afgesproken dat we hem zouden opzoeken op de terugweg naar het huis van de gouwvorst. Hij had meer nieuws over de overstroming dan wij en hij vertelde dat een andere ernstig getroffen stad minder te lijden had gehad dan de onze.

 

In een van de woningen binnen de tempelmuren lagen nog altijd drie mannen die langzaam herstelden van de epidemie, maar een ander huis stond leeg. Daar werd de vrouw naartoe gebracht. Wij sliepen in een priesterverblijf achter de tempel.

Nefer-ankh zond een van de jongere ingewijden naar de vrouw om haar te laten inslapen en verzocht ons alles wat we over haar wisten aan hem te vertellen, voordat hij tot een bepaalde behandelmethode overging.

Nadat hij ons verhaal had aangehoord, zei Nefer-ankh dat hij haar nu ze rustig sliep, tijdens zijn slaap zou observeren. Op die manier kon hij ontdekken of haar waanzin veroorzaakt werd door angst, of dat ze bezeten werd door de geest van iemand die een slaaf van Set was ge­worden.

 

Ik probeerde me te herinneren of ik Nefer-ankh zag tijdens mijn slaap, maar ik was waarschijnlijk te moe om een waarachtig verslag mee terug te kunnen nemen. Het leek wel of ik maar een paar minuten had geslapen toen ik weer wakker werd en merkte dat er een tempel­leerling naast me stond. Het was een jongen van ongeveer mijn leef­tijd en hij droeg de witte tuniek met gele band van iemand die spoedig zijn eerste inwijding zou ondergaan.

Hij sprak: 'Nefer-ankh vraagt of u en uw zuster zich zodra u klaar bent bij hem willen voegen in het heiligdom.'

 

Ik woonde het ochtendritueel van de tempel bij. Na de drie gebeden tot de oostelijke horizon ging ik in het bad van de tempel zwemmen, waarvan het water aan Noet is gewijd. Toen trok ik een tuniek van wit linnen aan en de sandalen van iemand die het pad van de priester volgt. Met onbedekt hoofd liep ik naar het heiligdom van Ra en ging voor zijn beeld staan. Het baadde in een straal zonlicht dat er, door een heilige opening in het dak, vanuit de hemel op neerscheen. Hier voegde Kiyas zich bij me en nadat ook zij haar ochtendgroet had ge­bracht, wachtten we zwijgend op Nefer-ankh.

Hij kwam door de deur achter het standbeeld, gevolgd door twee jon­ge priesters met een draagbaar tussen zich in, waarop de vrouw lag. Ze zetten de baar voor het altaar neer en plaatsten bij haar hoofd en voeten canopen met olie, waarin pitten van paars linnen stonden te branden.

 

Nefer-ankh stond met opgeheven hoofd naar het licht gekeerd en riep Ra aan. 'Heer van het Middaguur, door wiens macht alle dingen tot leven komen. Leen uw kracht, die in de winden van de lucht is, en in de aarde, en in de zaden die in de aarde liggen; in de bron van alle rivieren, en in het uitbotten van de bladeren, en in de dieren met wie zij hun kracht delen; en in de gehele mensheid, die leeft door uw god­delijkheid. Verleen uw kracht aan deze zoon van uw zoon tot in de duizendste generatie, aan hem die van mannen afstamt die Nefer­ankh genoemd worden; opdat ik met behulp daarvan degene wier geest gij nog geen naam hebt gegeven naar het licht moge voeren. Laat uw levenskracht in mijn handen stromen, opdat ik uw teken le­vend moge maken op haar voorhoofd, opdat de schaduw worde opge­heven en angst een vreemde voor haar moge zijn. Laat uw zegel op haar mond rusten, opdat geen echo van de onderwereld voortkome van tussen haar lippen. Laat uw zegel op haar oren rusten, opdat de influisteringen van de onreine er niet kunnen binnendringen. Laat uw zegel op haar ogen rusten, opdat zij achter de schaduwen moge zien, daar waar het heilzame middaguur verwijlt. Laat uw zegel op haar neusgaten rusten, opdat mirre en nardus, koram en zevenvoudig reukwerk haar niet zo bekoren als de wierook van uw heiligdom. Laat uw zegel op haar hoofd en op haar handpalmen, op haar borsten en op haar navel, op de scheiding van haar lendenen, op haar knieën en op haar voetzolen rusten, opdat zij bij het gaan en bij het waken, in haar voeding en in haar ontvangenis, bij het reizen en bij haar thuiskomst, moge weten dat zij niet langer een naamloze is, maar het kind van een kind van de Heer van het Middaguur tot in de tienduizendste genera­tie.'

Het licht bundelde zich tot zo'n intensiteit samen tot het leek alsof Nefer-ankh zelf eruit geboren was. Toen tilden de priesters de baar op, waarop de vrouw nog altijd stil als de dood zelf neerlag. En Nefer­ankh raakte haar hoofd aan, haar ogen, haar oren, haar mond en haar neusgaten. Toen maakte hij het teken van Ra op haar borsten en na­vel, op haar knieën en de scheiding van haar lendenen en op haar voetzolen.

 

Toen sprak hij: 'Set, ik daag u uit om te voorschijn te komen uit uw onderaardse spelonken om strijd te leveren tegen de naam van Ra voor dit kind, Katani, dat nieuwgeboren is uit de schoot van de aarde onder de zon; niet langer naamloos maar in de naam van Ra plechtig opgenomen in onze gelederen.

Kom te voorschijn Set! Kom te voorschijn Sechmet en je leger van schaduwen! Of oordeel zelf dat deze ketenen zijn verbroken. Kom te voorschijn op mijn uitdaging in de naam van Ra!'

De vrouw bewoog zich en bracht haar hand naar haar voorhoofd als een slapend persoon die wakker wordt. Ze ging overeind zitten en deed langzaam haar ogen open. Deze staarden naar het enorme beeld van degene in wiens naam ze was opgedragen en er lag geen angst, noch waanzin, noch kwaad meer in.

 

Langzaam stond ze op. Ze was niet langer oud, hoewel haar gezicht nog altijd de tekening van vele jaren vertoonde. Langzaam hief ze haar handen op, de palmen uitgestrekt naar boven, naar de Heer van het Middaguur.

Toen sprak ze tot hem: 'Ik was in de krochten van de onderwereld en nu ben ik vrij... Ik heb een beeld voor de Heer van de Angst opge­richt, maar Ra heeft me in bescherming genomen. Ik was dood in de donkere nacht, maar nu ben ik herboren als een kind van het Middaguur.'

 

Nefer-ankh zei ons in zijn kamer achter het heiligdom op hem te wachten, omdat hij met de vrouw alleen wilde spreken. Ik merkte dat Kiyas diep ontroerd was. Ze zei: 'Ik heb nooit geweten dat Nefer­ankh zo'n groot magiër was. Ik wist wel dat hij erg wijs was, nog veel wijzer dan Nekht-Ra, maar niet dat een mens zoveel macht kon heb­ben. Zag jij wat ik zag, Ra-ab? In het begin was hij slechts een man in een stralenbundel voor een standbeeld, maar daarna scheen het licht door hem heen te stromen, als levend water dat de droge aarde door­drenkt. En het beeld was niet langer een brok steen dat gehouwen was naar de gelijkenis van een godheid - het was een onderdeel van Ra geworden, net als Nefer-ankh.'

 

Dit was de eerste keer dat ik ontzag in Kiyas' stem hoorde. Ze had altijd gezegd dat ze niets van magie wilde weten, dat het saai was en alleen iets voor geleerden en priesters. Toen ik haar daaraan herin­nerde, zei ze: 'Maar toen besefte ik nog niet wat het was, Ra-ab. Ik denk dat ik gewoon niet geloofde dat het iets uitmaakte, evenals de boekrollen van vader. Maar dit leefde, het leefde meer dan ikzelf. Waarschijnlijk geloofde ik ook niet dat wat Ptah-aroe deed veel uit­maakte bij het genezen van mensen. Ik zag wel dat ze sneller beter werden dan anderen, maar ik dacht dat het kwam doordat ze sterker waren, of niet zo bevreesd voor Set. Ik dacht dat ik veel nuttiger bezig was met mijn papaverdrankje, de hete lappen en al die dingen die ik probeerde. Maar wat had ik voor die vrouw kunnen doen? Haar han­den vastbinden, zodat ze geen zelfmoord pleegde! Ik had haar jaren­lang zo vastgebonden kunnen laten liggen, als een gevangene in het voorportaal van Set. Wat we ook hadden geprobeerd, we hadden niets kunnen uitrichten. Ik begrijp nog steeds niet helemaal hoe Nefer-ankh haar heeft gered, maar ik weet wel dat we iets grandioos hebben gezien - alsof ze dood was en hij haar weer tot leven heeft gebracht, want ze was veel verder heen dan de dood. Hoe doet hij dat, Ra-ab? Hoe wist hij dat?' Voordat ik iets kon antwoorden, kwam Nefer-ankh binnen.

 

Dit is wat hij vertelde:

'Ra-ab, jij hebt in je droomslaap andere personen gezien, eveneens vrij van hun lichaam, die doorgingen met de dingen die ze overdag ook doen. Een visser die zijn net uitgooit, hoewel zijn boot op de oe­ver ligt en zijn lichaam in de hut naast de rivier ligt te slapen; de land­arbeider die zijn ploeg aandrijft en zijn ossen toezingt, hoewel ze op stal staan te dommelen. Je hebt ook gezien hoe iedereen er datgene ontmoet wat hij liefheeft en ook hoe zijn angsten er vorm aannemen. De zingende boer ziet hoe zijn graan in één enkele nacht boven de aarde komt en hoe sterk de halmen zijn om de zware aren te dragen. Maar de netten van de zwaarmoedige visser breken als hij ze inhaalt en zijn grote vangst gaat verloren. Zo zien de jongen van geest in hun droomslaap die andere aarde net zo als de aarde die ze overdag in hun waakbewustzijn meemaken; vergelijk het maar met de verhouding van een papyrusplant tot zijn spiegelbeeld in het heldere water.

 

Geleidelijk aan worden ze zich ervan bewust dat de beperkingen van die andere aarde door hen zelf zijn gecreëerd. Ze merken dat ze, wan­neer ze in slaap zijn, niet langer hoeven te lopen van hun huis naar het volgende dorp, want naarmate hun gedachte kracht sterker wordt, zal deze hen gehoorzaam dragen, zoals de jonge vogel kan uitvliegen wanneer zijn vleugels sterk genoeg zijn.

Maar sommigen vinden het niet prettig dat ze vleugels krijgen; mis­schien smaakt het bier niet zo lekker als wanneer ze wakker zijn. Zij denken: "Dit is geen echt bier. Het smaakt, het ruikt en het ziet eruit als bier, maar als ik denk dat het water is, dan had ik mijn kruik even­goed bij de poel kunnen gaan vullen, waar ook het vee drinkt. Ach, was ik maar weer op aarde, waar bier bier is en niet kan veranderen door gedachten!" Men kan ook zeggen: "Ach, was ik maar weer op aarde bij mijn bejaarde vrouw, met wie ik al dertig jaar rustig samen­leef. Hier is ze een jonge vrouw die zegt dat ze het meisje is dat ik liefhad voordat onze eerste zoon werd geboren... en ze verwacht dat ik haar het hof maak. Ik wil gewoon in de schaduw zitten en mijn bier­tje drinken dat door niemand in water kan worden veranderd!"

 

Als zo iemand komt te overlijden, stapt hij, tenzij zijn oude lichaam hem veel pijn bezorgd heeft waardoor hij blij is dat hij een tijdje van ie narigheid is verlost, misschien naar Chnoem de pottenbakker om zo snel mogelijk een nieuw lichaam voor hem op de schijf te laten zet­ten. En als Chnoem dan antwoordt dat hij op zijn beurt moet wach­ten, klinkt de stem van een kind van Set zo zoet als honing in zijn oren: "Chnoem de pottenbakker wordt oud en zijn wiel draait langzaam. Wat jammer toch dat je zo lang moet wachten terwijl alle geneugten van de aarde aan je voorbijgaan! Ik ken een jonge vrouw, haar li­chaam is zo rijp als een vijg van vlak voor de overstroming. Jij zou van haar kunnen genieten... maar nu ben je alleen maar een ziel, een ding zonder substantie! Al probeer je haar uit alle macht het hof te maken, ook al was je een zeer hartstochtelijke geest, dan zou ze toch blijven luisteren of ze de voetstappen van de jongeman uit het dorp verderop hoorde. "

 

De man hoort die verhalen aan, allemaal bedoeld om de verlangens, die alleen kunnen worden bevredigd in het fysieke lichaam, te verster­ken. Misschien zegt de stem: "Chnoem de pottenbakker is wel heel erg oud, en wellicht stopt zijn wiel met draaien voordat jij aan de beurt bent. Maar zo lang hoef je niet te wachten. Mijn manier is een­voudiger. Je hoeft niet geboren te worden en je ouders, in jouw ogen zo groot als nijlpaarden, over een wiegje gebogen te zien. Nee hoor, je kunt je eigen lichaam uitkiezen en ook de plaats. Wil je rijk zijn? Zoek dan een man uit die zijn schatkamers vol heeft staan met krui­ken met goudstof. Neem zijn lichaam over en gebruik het als dat van jou. Dan kun je zijn rijke voedsel eten, zijn zachte wijn op je tong proeven en van de gastvrijheid van zijn concubines genieten!"

 

De man zal vragen: "Hoe moet dat dan?" En hij zal ten antwoord krijgen: "Sommige mensen hebben zichzelf beveiligd tegen onwetti­ge overname, maar iemand die slim is vindt altijd wel een deurtje dat de eigenaar in zijn gemakzucht heeft vergeten te sluiten. Verzet hij zich, zoek dan een ander huis - of vraag mij wat je moet doen. Ont­houd, dat wanneer de deur goed gesloten is, niemand hem open kan krijgen dan alleen de eigenaar van het huis. Maar wanneer de deur openstaat kun je naar binnen zonder tegenstand te ondervinden, en de eigenaar moet alles wat hij bezit aan jou overdragen en kan niet zonder jouw toestemming terugkomen. In zijn lichaam kun je je tot oververzadiging vol eten. .. dan kun je gaan, zodat hij op tijd terug­keert om de ellende in zijn buik te voelen. En als het je goed uitkomt dan kun je doden met de dolk in zijn hand... maar jij bent weg als de soldaten komen om hem mee te nemen. Je kunt al deze geneugten hebben en nog duizend andere. En de prijs is maar zo laag: je kunt het nauwelijks een prijs noemen, meer een plechtige overeenkomst tus­sen vrienden."

 

Als de man het niet vertrouwt en vraagt wat er van hem wordt ver­langd als zijn deel van de overeenkomst, zegt de stem: "Indien Chnoem ten slotte toch nog een nieuw eigen lichaam voor je maakt, moet je zorgen dat je voor ons 'vele huizen met open deuren' gereed­maakt. Er zijn vele manieren waarop je kunt voorkomen dat er bevei­ligingen tegen ons worden ingezet. Dronkaards zijn gemakkelijk over te halen; sommige vrouwen ook; als je hun verteld dat malachiet hun ogen niet langer een jong aanzien geeft, doen ze hun deur open voor iedere marskramer die zegt dat hij jeugd in de aanbieding heeft. Stoor nooit een luie man. Laat hem lekker in de schaduw zitten, totdat zelfs het beveiligen van zijn deur tegen een ongenode gast een veel te grote inspanning voor hem wordt. Zeg nooit tegen een rijke dat zijn ziel geen waarde hecht aan al zijn goud, al wordt het met hem in zijn graf­kamer begraven. Zeg nooit tegen hem dat goud en zand hetzelfde ge­wicht hebben in de weegschaal van Tahoeti: laat hem lekker tussen zijn schatten zitten en de hemel vergeten. Spoedig vergeet ook hij een wachter bij de poort te zetten.'"

Nefer-ankh onderbrak zijn rede en glimlachte tegen Kiyas. 'Jij vraagt je af waarom ik in parabelen spreek terwijl je wilt weten hoe Khatani, want dat is haar nieuwe naam, bevrijd is van Set, nietwaar? Je kunt geen deurstijlen aanbrengen op een nieuwe deur naar kennis, zonder dat je eerst de pylonen hebt neergezet. Voordat jij kunt begrijpen wat ik met Khatani heb gedaan, moet ik eerst uitleggen hoe haar lichaam door een vreemde geest bezeten heeft kunnen raken en hoe dergelij­ke geesten ertoe kunnen komen de heilige wet te overtreden, die zegt dat je nooit het lichaam van een ander mag binnendringen.

 

Binnengaan in wat nog steeds bekend staat als "het huis met de open deur" , houdt in dat je de consequenties daarvan deelt met degene die de deur niet heeft beveiligd. De naam van onze sloten is "wil" en al­leen de zwakken - die willens en wetens zwak zijn door hun eigen dwaasheid -laten toe dat ze binnengedrongen worden of dringen zelf onwettig binnen. Want hij die door de open deur binnengaat, zal mer­ken dat hij op zijn beurt een indringer niet kan weren. Set wil niet dat degenen die hem volgen een sterke eigen wil hebben; het is zijn wens dat zij krachteloos zijn. Zij zijn alleen maar kanalen waardoor zijn macht op zijn bevel kan doorstromen.

 

Uit wat Ra-ab me vertelde, maakte ik op dat Khatani Set probeerde op te roepen, in de hoop dat zij door middel van de kracht die hij haar gaf, sterk genoeg zou zijn om zijn gevangenen uit de onderwereld te bevrijden. Sinds haar komst naar de Oryx had ze geleerd dat er aan Ra geen bloedoffers worden gebracht, dat de tempelbelasting, graan, vis, bloemen of linnen, zonder smet behoort te zijn en dat er alleen tijdens zijn feesten geparfumeerde oliën worden gebrand. Ook wist ze dat datgene wat door Ra wordt geaccepteerd, door Set wordt ge­weigerd.

 

Toen zij de tekenen van de blauwe dood op de lichamen van haar zoon en echtgenoot zag, probeerde ze niet langer de kracht van Ra over hen aan te roepen. Het was voor haar namelijk een teken dat Ra was over­wonnen. Wanneer een stad wordt ingenomen, zijn er altijd mensen die proberen door snel aan de kant van de overwinnaar te gaan staan, in diens gunst te komen.

Misschien had ze het beeldje meegenomen naar de Oryx - er liggen vele schaduwen over Egypte en het is niet moeilijk een ruil te doen voor een gelijkenis van Sechmet. Het donkere bloed van de ingewan­den is lang ter ere van Set gebruikt, want het is het bloed van de dood en altijd in conflict met het heldere bloed van het hart. De olie die ze brandde kan van een zwarte slang afkomstig zijn geweest, of van het vet van een zwart varken of een ander onrein beest. In de rituelen van Sechmet is de brandstof van de lampen nog veel walgelijker, maar ik denk dat ze niet in staat was die gruwel in huis te halen. Ze wist dat de geest van de mens welkom is in het rijk van Ra. Het vlees is het verst van de geest verwijderd, daarom was het met vlees dat ze wilde sja­cheren, teneinde de zielen van wie ze dacht dat Set ze in slavernij had gebracht terug te kopen.

 

Ik heb vannacht van buiten. mijn lichaam toegekeken terwijl ze sliep. Ze doorleefde opnieuw de verschrikkelijke taferelen, zelfs nog inten­ser dan toen ze werkelijkheid waren. Haar zoon stierf enkele uren eerder dan haar man. Ze droeg de lichamen naar de benedenkamer. Zij was niet geoefend in de praktijk van een balsemer en opende met onzekere sneden de buik van het kind dat ze liefhad, om de ingewan­den, die al aan het rotten waren, eruit te halen. Ze moest de ribben met een steen breken, voordat ze het hart eruit kon snijden. De jon­gen was met de ogen open gestorven, en ze dacht dat hij verwijtend naar haar lag te staren toen ze zich ertoe vermande zijn gestorven li­chaam te verminken. En al die tijd hoorde ze de langzame, raspende ademhaling van haar echtgenoot die ze zo liefhad. Ze wist dat ook hij spoedig dood zou zijn, het lichaam wachtend op deze laatste rite die ze zou uitvoeren, in de hoop zijn ziel te redden.

 

Toen jij haar zag, Ra-ab, had ze Set al meerdere malen aangeroepen. Ze verkeerde in de veronderstelling dat toen ze Ra had afgezworen, Set haar ten slotte te verachtelijk vond om naar haar te luisteren. Ze had nog een zoon, maar de jongen was bij zijn grootmoeder in een ander dorp toen de epidemie toesloeg. Hij was die ochtend thuisgeko­men en ze had hem verteld dat zijn vader en broer op reis waren. Ze was zelfs in staat geweest voor de buren te verbergen dat zij ziek wa­ren geworden en gestorven. Vlak voordat de vloed kwam, had ze hem naar de markt gestuurd als een excuus om hem het huis uit te krijgen, zodat ze nog een laatste wanhopige aanroep tot Sechmet kon doen voordat ze haar rituelen moest verstoppen.

 

Toen ze Ra-ab zag, dacht ze dat hij door Set gezonden was om met haar te onderhandelen. Is het dan nog vreemd dat ze buiten zichzelf van paniek raakte toen Ra-ab zei: "Ik ben een kind van Ra"? Ze aan­bad Sechmet, de godin van de angst, en ze meende dat Ra haar kwam straffen voor haar belofte van trouw aan zijn vijand. Hoe zou zij, die zich had overgeleverd aan de angst, een andere macht kunnen her­kennen? Zij dacht dat haar man en haar zoon voor altijd voor haar verloren waren, en ze had ook nog haar duistere beschermer verlo­ren. De heren van de nacht en de dag hadden zich beiden tegen haar gekeerd. Zij zou geen rust meer kennen van zonsopgang tot zonson­dergang, noch gedurende de nacht tot aan de dageraad.

 

De angst heeft zo luid in haar geroepen dat de tienduizend stemmen uit haar ver!eden alle angsten lieten weergalmen die ze ooit had ge­kend. De angst van de eerste brand die ze had gezien; angst veroor­zaakt door het geblaf van hyena's; angst voor de ogen van loerende krokodillen; angst voor pijn; angst voor de dood; angst voor schei­ding; angst om verloren en eenzaam te zijn; angst voor een huilend kind in het donker; de angst van oude mensen die in een stam leven, waar zij, die niet langer sterk genoeg zijn om voor de gemeenschap te werken, levend worden begraven.

 

Ze meende dat ze ineengedoken zat op een rots temidden van een gestaag rijzend water dat eeuwen van angst belichaamde. Ik sprak te­gen haar, maar ze kon me niet horen, en ik begreep dat de macht van de angst slechts gebroken kon worden als ze een herinnering aan allen die ze had liefgehad kon oproepen. Ik riep Ra aan, opdat hij haar dat­gene zou tonen wat haar liefde symboliseerde, zoals Sechmet al haar angsten had gesymboliseerd. En ze zag haar zoon en haar echtgenoot aan de overzijde van de wateren van de angst staan, en zij staken hun armen naar haar uit. Het water tussen hen in wemelde van de glibberi­ge slangenlijven, maar toch kwam ze, toen ze haar man en haar zoon zag, heel langzaam overeind. Tussen hen in lag een lichtstraal, zo smal als gouddraad. Geleidelijk aan zonken de slangen onder water en in hun plaats werd alles wat ze ooit had liefgehad weerkaatst, maar vormloos, want de liefde voor stoffelijk vormgegeven dingen kan geen brug over een afgrond bouwen. Toen groeide de gouden draad van licht, tot zich aan haar voeten een smal hellend pad tussen haar en haar geliefden uitstrekte. En zo liep ze over de afgrond naar hen toe. De kracht van Ra was de schakel die hen verbond.

 

Jullie zien dus, Ra-ab en Kiyas, dat ik het niet ben geweest die haar van haar waanzin heeft genezen. Het was haar liefde die de angst heeft verdreven en die liefde bracht haar onder de bescherming van Ra. Al wat ik heb gedaan was de macht van Ra aanroepen, om haar lichaam te verzegelen tegen elke invloed die Set zou kunnen aanwenden om de prijs te innen die ze had aangeboden. Uit naam van Ra heb ik haar een nieuwe naam gegeven, want de vrouw die van angst vervuld was, is dood en de vrouw die Khatani heet, is wedergeboren.'

 

 

 

02. Wijsheidsspreuken uit het Oude Egypte.

 

Bron: De levende Wijsheid van het Oude Egypte - Christian Jacq –

ISBN: 90 5689 069 7

 

Over: kennis - het hart - de stilte - luisteren en verstaan - spreken - het gebed - de eigenschappen van de Wijze

Over Kennis.

 

 

Laten wij de god van de kennis (Thot) vereren en toejui­chen,

hij is het schietlood dat de zuiverheid verbeeldt,

in het midden van de weegschaal.

Hij zet het kwaad terzijde en verwelkomt de mens

die zich ver heeft gehouden van kwalijke handelingen.

Hij is de rechter die de woorden weegt,

Die de stormen tot bedaren brengt,

Die vrede schenkt,

De dienstdoende schrijver die de rol met het geheim bewaart,

De misdadiger straft,

De gehoorzame mens binnenlaat,

Hij wiens arm nauwkeurig is,

De wijze in het hart van de Enneade,

Hij die het vergetene weer in herinnering brengt,

Hij die de dolende raad geeft,

Hij die het moment bewaart,

Die de uren van de nacht beschrijft,

Hij wiens woorden eeuwig voortleven.

 

Beeld van Horemheb (Metropolitan Museum in New York)

 

Mijn veerboot stelt me in staat over te steken.

De God der Kennis (Thot) laat me aan land stappen

 zoals hij het Horusoog,

dat geen veerboot had, aan land liet gaan.

 

Sarcofaagteksten, spreuk 182

 

Ik heb toegang tot de kennis van de goddelijke intuïtie,

Datgene waarin de grootste der zieners is ingewijd.

Laat mij een weg gewezen worden,

Want ik ben de heer der levensadem.

 

Sarcofaagteksten, spreuk 236

 

Geen mens die kennis heeft zal een tweede dood sterven.

Zijn vijanden zullen geen enkele macht over hem uitoefe­nen,

en geen toverkracht zal hem op aarde vasthouden.

 

Sarcofaagteksten, spreuk 83

 

leder mens die deze formule kent,

zal een licht (Re) aan de hemel zijn,

en herkend worden als een herrezene (Osiris)

in de constellatie der sterren.

Hij zal afdalen in de ring van vuur.

De vlammen zullen hem nooit deren.

 Het einde zal gelukkig zijn.

 

Sarcofaagteksten, spreuk 1130

 

Degene die in deze kennis is ingewijd,

zal veranderen in een valk, zoon van het goddelijk licht.

Hij die deze kennis op aarde bezit, zal niet sterven,

Hij zal in eeuwigheid leven.

Hij zal brood eten in de woonstede van Osiris,

Hij zal de tempel van de machtige god binnentreden

En offergaven ontvangen.

 

Sarcofaagteksten, spreuk 339

 

De wegen van de verrezene (Osiris) lopen langs de hemel.

 Hij die de formule kent om ze te bewandelen is zelf een god,

Hij bevindt zich in het gevolg van de god der kennis.

Zo kan hij iedere hemel betreden die hij wenst binnen te gaan.

Hij die de formule om zich op die wegen te begeven niet kent,

Zal weggezonden worden van de tafel der offergaven.

 

Sarcofaagteksten, spreuk 1035

 

 

Hij die kennis heeft, zal genade vinden.

De onwetende verdoemt zichzelf.

 

Regel van een inscriptie in de tempel van Edfoe

Over het Hart.

 

De Enneade heeft de mens zo geschapen dat hij ogen heeft om te zien,

oren heeft om te horen, en kan ademen door zijn neus.

Deze organen zorgen ervoor dat de waarnemingen het hart bereiken.

Dankzij het hart bestaat alle kennis,

de tong formuleert wat het hart heeft begrepen.

Zo ontstonden alle scheppende krachten,

het zijn en het niet-zijn (Atoem) en zijn Enneade.

leder goddelijk woord openbaart zich via het begrip van het hart

en hetgeen de tong formuleert.

Zo ontstonden de scheppende energieën en de eigen­schappen van de levende wezens.

Zo bracht de aarde alle voedsel en verkwikkende spijzen voort, dankzij het Woord.

Zo viel het leven aan de rechtvaardige mens en de dood

aan de zondaar ten deel.            

Zo werden alle soorten werk en alle ambachten,

de ver­richtingen van de handen en de bewegingen van de lede­maten,

geschapen overeenkomstig de orde die in het hart gekend

en door de tong geformuleerd werd,

 een orde die voortdurend betekenis geeft aan ieder ding.

 

Sjabaka-steen

 

U bent de herder, Amon, u brengt de kudde naar de weiden.

Moge u mij naar mijn voedsel leiden, u,

die de onver­moeibare herder bent.

Hij die u in zijn hart sluit, wordt een stralend licht.

 

Ostrakon British Museum 5656a

 

Een ingewijde is iemand aan wie de geheimen van het hart zijn geopenbaard,

die met een rein gezicht en schone han­den de rituelen verricht.

 

Studies Griffith pag. 287

 

Het hart van de mens is een geschenk van God, Verwaarloos het niet.

 

Amenemope

 

Als het hart en de taal oprecht zijn, heeft men zijn leven in de hand.

 

Anchsjesjonk

 

Volg je hart tijdens je leven,

Overtreed de voorschriften niet.

Neem de tijd om je hart te volgen.

Het moment waarop je hart je tot daden aanspoort,

mag je niet voorbij laten gaan,

dat is een grove schending van de levenskracht (ka*).

Laat je bij je dagelijkse handelingen niet afleiden

 door overdreven zorg voor je huis.

Als er zich iets voordoet, luister dan naar je hart.

De nalatige zal geen profijt hebben van de dingen.

 

Ptahhotep

 

* De ka, van goddelijke oorsprong, is de levenskracht die in ieder wezen huist,

maar die niet zijn eigendom is. Iedereen kan 'naar zijn ka gaan'.

 

Volg de ingevingen van je hart zolang je op aarde bent

en maak van iedere dag een volmaakte.

 

Stèle British Museum 37984

 

Vervreemd je hart niet van je tong,

(Zo) zullen al je ondernemingen slagen.

 

Amenemope

 

Zorg ervoor dat je hart standvastig blijft,

Maak het sterker,

Bestuur de boot niet met je tong.

De tong van de mens kan weliswaar het roer van de levensboot worden,

Maar de Alheer moet de stuurman zijn.

 

Amenemope

 

Mijn hart heeft me aangespoord

om mijn plicht te vervul­len volgens zijn richtsnoer,

Het is voor mij een voortreffelijke toetssteen.

Ik overtreed zijn voorschriften niet,

Ik ben bevreesd om zijn geboden niet na te leven.

Zo ik grote welvaart heb gekend,

Is dat te danken aan zijn aanwijzingen met betrekking tot mijn handelwijze.

Overeenkomstig zijn onderricht, heb ik mij onberispelijk gedragen.

Een goddelijk woord is een hart in ieder lichaam.

 

Urkunden IV," 974.1-9 ·

 

Luister goed naar mijn woorden,

Bekwaam je in ieder soort werk.

Maak van je hart een dam

die de kracht van de golven breekt.

 

Amonnacht

 

Het karakter van een eerlijk man behaagt (God) meer

 dan (het offer van) een rund van iemand die zonden begaat.

 

Merikare

 

Hart van mijn moeder, hart van mijn wezen,

getuig niet tegen mij,

keer u niet tegen mij voor de rechtbank (van het hiernamaals).

U bent de scheppende kracht die in mijn lichaam woont,

de schepper die mijn ledematen onderhoudt.

 

Dodenboek, Spreuken van het uitgaan bij dag.  

Over de stilte

 

De luidruchtige in de tempel lijkt op een boom die op een binnenplaats groeit.

Zijn twijgen lopen maar kortstondig uit, en hij eindigt bij het brandhout.

Als vlothout wordt hij van zijn eigenlijke plaats gevoerd, het vuur is zijn lijkwade.

De werkelijk zwijgzame die zich terzijde houdt, lijkt op een boom die in een wei groeit.

Hij wordt groen, verdubbelt zijn opbrengst en richt zich op voor zijn meester.

Zijn vruchten zijn zoet, zijn schaduw is verkwikkend. Tot het einde van zijn dagen staat hij in de tuin.

 

Amenemope

 

Als jij ploegt,

Als het gewas goed groeit op het veld,

Omdat God het je in overvloed schenkt,

Laat je mond er dan niet van overlopen tegenover de buren,

Want de zwijgzame oogst een groot respect.

 

Ptahhotep

 

Thot, huisvest mij in Hermopolis, de stad van de Acht, jouw stad waar het leven zoet is,

Geef mij brood en bier,

Behoed mijn mond voor loze woorden.

Moge Thot mij beschermen in de toekomst!

Ik verschijn voor de meesters der rechtschapenheid, ik kom naar buiten en ben gerechtvaardigd (voor Osiris). De doempalm is zestig el hoog, hij draagt vlezige vruchten

vol sappige pitten.

Jij die het water verzamelt om het te laten vloeien naar een afgelegen plek, laaf mij, want ik ben een zwijgzame.

Thot is een weldadige waterput voor de dorstige mens in de woestijn.

Deze blijft verzegeld voor de praatzieke,

Hij wordt geopend voor de zwijgzame.

De zwijgzame komt en vindt de put.

De losbandige mens is verloren.

 

Papyrus Sallier, 1, 8, 2-6

 

Gelukkig is hij die volledig steunt op de arm van Amon die de zwijgzame beschermt en de nederige bevrijdt. Hij geeft de levensadem aan wie hij liefheeft en verzekert zo' n mens van een gelukkige ouderdom in het westen van Thebe.

 

Stèle Berlijn 6910

 

De bark van de domme blijft in de modder steken.

De bark van de zwijgzame vaart mee met de wind.

 

Amenemope

 

Het is pijnlijk het stilzwijgen te bewaren bij alles wat er gezegd wordt.

Maar het is zinloos te reageren op de domme.

Zijn praatjes beantwoorden veroorzaakt twist.

Zijn hart wil de waarheid niet aanvaarden.

 

Chacheperréseneb

Over luisteren en verstaan

 

Wanneer degene die luistert dit voortdurend met al zijn aandacht doet,

Wordt de luisterende een verstaander.

Wanneer er goed geluisterd wordt, worden de woorden goed opgevat.

Hij die luistert kan er slechts wel bij varen.

Luisteren komt degene die luistert ten goede.

Luisteren is de beste eigenschap,

Zo ontstaat de volmaakte liefde.

Hij die door God bemind wordt, is hij die hoort.

Hij die niet horen wil, is God een gruwel.

Wie zich door zijn hart laat leiden,

Is een goed verstaander.

Voor een mens is zijn hart zijn leven, zijn voorspoed en gezondheid.

Wie luistert verstaat wat er gezegd wordt,

Een welwillend oor is de kroon op wat er gezegd wordt.

 

Ptahhotep

 

Een dwaas die nooit luistert,

Brengt niets tot een goed einde.

Hij vindt dat kennis hetzelfde is als onwetendheid,

En dat wat geen nut heeft niet deugt.

Hij doet alles wat verfoeilijk is,

Zodat men dagelijks aanstoot aan hem neemt,

 Hij leeft van dood en verderf,

Hij teert op ziekelijke praatjes.

Nobele geesten herkennen hem daaraan,

Te weten: een levende die eigenlijk dood is.

 

Ptahhotep

 

Zet je oren open,

Luister naar deze woorden,

Open je hart om ze te verstaan.

Het is de moeite waard om ze in je hart te sluiten,

Wee degene die er geen acht op slaat!

Bewaar ze in je binnenste,

Veranker ze, diep in je hart.

Als je je naar deze woorden richt, zul je in het leven sla­gen.

 

Amenemope

Over spreken

 

Het is niet aan mij om te spreken,

Het is niet aan mij om de dingen te verwoorden,

Het is aan God om te spreken en Hij kan, als geen ander, de dingen verwoorden.

 Geïllustreerde magische Papyrus (Brooklyn Museum)


 

Een ingewijde is iemand die het woord van een god door­geeft aan een andere god.

Sarcofaagteksten VIl, 326a

 


De tong van Farao is de stuurman die aangesteld is op de boot van Mà at. Hij knoopt de juiste woorden aaneen.

Piramideteksten 1776b

 


Dit is het woord dat in de duisternis was.

Elke verlichte geest die het kent, zal leven te midden van de levenden.

Sarcofaagteksten VI/, 364a-d

 

Het Woord is bij mij.

Dankzij het Woord heb ik de hemel doorkruist.

Sarcofaagteksten VII, 17 d

 

Ga zitten onder het gebladerte van de wilde vijgenbomen van de godin Hathor, wanneer zij naar de stad van de zuil gaat. Zij is de draagster van het boek met de goddelijke woorden.

Sarcofaagteksten, spreuk 225

 

Een volmaakt woord is dieper verborgen dan de groene edelsteen.

Toch kun je het vinden bij de arbeidsters (die werken) bij de molensteen.

Ptahhotep

 

Als je sterk wilt zijn, beheers je taal dan als een ambacht. De kracht van een mens is zijn taalgebruik, en woorden raken hun doel meer dan enig ander strijdmiddel.

Merikare

 

Spreek alleen wanneer je weet dat je bijdraagt aan een oplossing,

Wie in de raad spreekt, moet een uitstekend woordkun­stenaar zijn.

Spreken is de moeilijkste van alle bezigheden.

Ptahhotep

 

God verafschuwt degene die woorden verdraait.

Amenemope

 

Verval niet in de ondeugd van het veinzen: het zou je kun­nen beletten het kwaad in jezelf te bestrijden.

Ani

 

Het lichaam van een mens kan meer bevatten dan de voorraadschuur van Farao.

Er huizen vele antwoorden in: kies wat goed is om te zeg­gen en houd de slechte woorden gevangen in je lichaam.

Ani

 

Laat het juiste moment niet voorbijgaan door overhaast te spreken

Regel van een inscriptie in de tempel van Edfoe

Over het gebed

 

Verhef je stem niet in de tempel van God, want hij veraf­schuwt geschreeuw.

Bid met een toegewijd hart, waarvan de woorden verbor­gen blijven.

Hij voorziet in je noden,

Hij hoort je stem.

Jouw offergave is hem welgevallig.

Ani

 

Vraag God geen raad om er vervolgens niet naar te han­delen.

Anchsjesjonk

Over de eigenschappen van de Wijze.

 

Als Farao vol liefde is, schept hij.

Als Farao vol afkeer is, schept hij niet.

 Piramideteksten 412b

 


Dankzij de liefde die men je toedraagt, zullen je werken voortbestaan.

Merikare

 


Schenk je liefde aan de gehele wereld,

Want een liefdevolle persoonlijkheid zal niet vergeten worden,Al verstrijken de jaren.

Merikare

 

Een goed karakter is een weldaad voor de mens.

Merikare

 

Bewerk je eigen land, en je zult oogsten wat je nodig hebt, Beter is dat God je een schepel koren geeft, dan dat je er vijfduizend oneerlijk verkregen hebt.

Amenemope

 


Knoei niet met de weegschaal,

Verander de gewichten niet,Verklein de afstand tussen de maatstrepen niet.

 Amenemope

 


Wat voor zin heeft het rijk gekleed te gaan als je je als een bedrieger gedraagt jegens God? Faience dat voor goud moet doorgaan, ziet er als lood uit in het daglicht.

Amenemope

 

Partijdigheid is een gruwel in de ogen van God. Gedraag je tegenover je naaste

Net zo als jegens een onbekende.

 Graftombe van Rechmire

 

Voel je niet beter dan een ander vanwege je kennis, Win raad in bij de eenvoudige van geest evenzeer als bij de geleerde,

Want er zijn geen grenzen aan kundigheid,

En er bestaat geen ambachtsman die de perfectie al bereikt heeft.

Ptahhotep

 


Doe niet geringschattend over een kwestie, Omdat je bang bent eronder gebukt te gaan.

Anchsjesjonk

 


Kleine zorgen breken je gebeente, Een goed nieuwtje doet het hart opleven, Enkele dauwdruppels verfrissen de akker, Een enkel bijtje maakt honing.

Anchsjesjonk

 


Je moet proberen kritisch zijn tegenover jezelf, zodat je voorkomt dat een ander kritiek op je kan hebben.

Hordjedef

 

Ga zonder toestemming niet het huis van een ander binnen. Laat je blik niet nieuwsgierig zijn,

Kijk onopvallend om je heen.

En klets er niet over als je ergens geweest bent, met iemand die er niet bij was.

Het zou ernstig zijn als er praatjes rond zouden gaan.

Ani

 

Stort geen woordenvloed uit over een ander,

Ga niet om met iemand die zich helemaal blootgeeft.

Amenemope

 

De rug breekt niet omdat hij weet te buigen.

Amenemope

 

Weet vrees in te boezemen en zorg ervoor dat je alom geacht wordt.

Degene voor wie men beducht is, is een goede rechter. Maar de werkelijke functie van rechter is juist te handelen. Als je bovenmatig gevreesd wordt, dan zou dat betekenen dat er iets slechts in je schuilt.

 Graftombe van Rechmire

 

Toon eerbied voor het leven van iemand die niets te ver­bergen heeft.

Merikare

 


Beledig niet iemand die ouder dan jezelf is. Want hij heeft het goddelijk licht aanschouwd voor jij er was.

Amenemope

 

Lach niet om een blinde,

Kwel een dwerg niet,

Bezorg een kreupele niet meer hinder dan hij al onder­vindt,

Kwel de zwakke niet over wie slechts God zich ontfermt, Maak je niet kwaad over zijn falen.

Amenemope


De rijkdom van een vrijgevig man is groter dan de rijk­dom van een hebzuchtige.

Anchsjesjonk

 

Wees als een vader voor je ondergeschikten, Onderwijs de jongeren,

Reik de ongelukkigen een hand,

Stel het bestaan van de nooddruftigen veilig, Bescherm wees en weduwe,

Open je oren voor hen die de waarheid zeggen. Houd verdorven mensen ver van je.

Bakenchonsoe

 

Wie graag zijn voedsel met anderen deelt, zal zelf in ieder huis iets te eten vinden.

Anchsjesjonk

 

Eet je brood niet alleen op, als er iemand in de buurt is die niets te eten heeft.

Want brood zal er altijd wel zijn, terwijl de mens sterfelijk is.

Ani

 

Als een arm mens tot over zijn oren in de schuld zit, deel die schuld dan in drieën. Scheld twee delen kwijt, laat het derde deel staan. Zo zul je een uitweg voor hem vinden.

 Amenemope

 

Een man wordt er niet slechter van als hij wat minder hard spreekt,

En een onaangename manier van spreken levert hem niets op.

 Amenemope

 

Verzuim niet om degene die jou helpt ook een dienst te bewijzen.

 Anchsjesjonk

 

Een arm raakt niet gewond omdat je hem uitsteekt om iemand te groeten.

 Amenemope

 

Ga niet zitten wanneer een ouder of hoger geplaatst per­soon nog staat.

 Ani

 

Men vindt het geluk als men de rechtschapenheid (Mà at) in acht neemt.

 Petosiris

 

God geeft rijkdom, de wijze houdt haar in stand, en hij weet haar te vergaren zonder hebzucht.

 Papyrus lnsinger

 

Stel je vertrouwen niet in het vergaren van je aardse bezit­tingen.

Want wat je toebedeeld wordt, is een geschenk van God. 

Ptahhotep

 

Put je niet uit door het najagen van rijkdom. Laat hetgeen je bezit je genoeg zijn.

 Amenemope

 

Kijk naar de schaal die voor je staat, er zit genoeg in om je lichaam te voeden.

 Amenemope

 

Denk eraan om tevreden te leven (met hetgeen je bezit), En wat de goden je schenken zal vanzelf komen.

 Ptahhotep

 

De rijkdom van de handwerksman is zijn gereedschap.

 Anchsjesjonk

 

Beter is het arm te zijn onder Gods hoede dan een opslag­plaats vol goederen te bezitten,

Beter is het om van een (eenvoudige) koek met een vredig hart (te proeven) dan (om) rijkdommen (te verzamelen) met een zorgelijk gemoed.

 Amenemope

 

Maak geen onderscheid tussen de rijke en de arme, maar beoordeel een ieder op zijn daden.

 Merikare

 

Wie vorig jaar nog rijk was, kan dit jaar tot armoede ver­vallen.

 Ani

 

God verkiest iemand die een arm mens eer aandoet boven degene die een rijke man vereert.

 Amenemope

 

Als goederen je ten deel vallen, geef dan een deel ervan aan God. Dat is het deel der armen.

 Anchsjesjonk

 

Bouw geen veerboot voor jezelf enkel en alleen uit winst­bejag. Vraag aan de rijke om de overtocht te betalen, maar zet de arme gratis over. 

Amenemope

 

De rijkdom van de onrechtvaardige houdt geen stand, zijn kinderen zullen niets erven.

 De Loyalistische Leer

 

Een stuurman die vooruitkijkt zal ervoor zorgen dat zijn boot niet omslaat.

 Amenemope

 

 

 

03. De mythe van Osiris

 


De ziel van de overledene wordt door de god Toth voor Osiris geleid.

Voor de oude Egyptenaren was Osiris de heerser over het dodenrijk. Vaak wordt hij afgebeeld als een mummie, die recht spreekt over de zielen van overledenen. Aan hen, die de onsterfelijkheid hadden verdiend door hun zuivere levenswandel, schonk hij nieuw leven Uit inscripties en papyrusteksten blijkt echter dat hij voor de Oude Egyptenaren véél meer was dan alleen maar een god van de onderwereld en een rechter over de doden. Hij was nl. ook de god van het koningschap en van de levenskracht van de farao, een personificatie van de vruchtbaarheid van het land, de geest van de vegetatiecyclus en in feite ook de god van de Nijl zelf. Verder werd hij geïdentificeerd met de zon, de maan en de sterren van Orion. 

De mythe van Osiris gaat over zijn eigen dood en wederopstanding - een thema dat de dagelijkse cyclus weerspiegelt van het 'sterven' van de zon bij zonsondergang en zijn 'geboorte' bij zonsopkomst. Als heerser over de doden was Osiris "De eersteling van hen, die het Westen bewonen".
De ouders van Osiris waren Geb, de aarde, en Nut, de hemelgodin. Osiris werd koning van Egypte en bracht het land en zijn bevolking tot bloei. Hij leerde het volk hoe het graan moest zaaien en oogsten, hoe zij akkers moesten aanleggen en de grenzen ervan moesten meten, en hoe zij het land moesten bevloeien met kanalen en dammen. De wetgeving, de godsdienst en het stadsleven waren allemaal giften van Osiris. Hij was kortom de grote organisator van Egypte en hun leidende geest: hij maakte Egypte tot wat het was. Ook wordt hij in verband gebracht met de aardse en hemelse orde, en daarom ook met de sterrenhemel.  


Zijn successen als koning van Egypte en zijn werk als organisator brachten met zich mee dat hij veel reizen ondernam, maar toen hij van één van zijn vele ondernemingen huiswaarts keerde naar zijn zuster en echtgenote Isis, werd hij gedood door een groep samenzweerders die werden aangevoerd door zijn broer Seth.
Nu was Seth een dubieus figuur in het Egyptische pantheon. Hij werd geassocieerd met de sterren van de Grote Beer, die door de Egyptenaren het sterrenbeeld 'Meskhetiu' werden genoemd, ofwel 'de poot en heup van de stier'. Als tegenstander van Osiris stond Seth voor steriliteit, de woestijn, botte kracht en geweld. In de mythe van Osiris is Seth de personifiëring van de chaos.
Tijdens een feestmaal wisten Seth en de andere samenzweerders Osiris ertoe te bewegen om in een grote doos te klimmen, die eruit zag als een doodskist en precies zijn formaat had. Vervolgens dromden ze om hem samen, sloten het deksel, spijkerden het vast en wierpen het in de Nijl. Volgens de Griekse schrijver Plutarchus werd Osiris vermoord op de 17e dag van de maand Athyr, toen de zon in de Schorpioen stond: dat vond plaats in het 28e jaar van zijn regeerperiode
.
De kist met zijn lichaam dreef stroomafwaarts en verliet de Nijl om uit te monden in de Middellandse Zee. Zijn vrouw Isis volgde de kist en vond zijn lichaam terug in de Syrische plaats Byblos; van daar bracht ze het terug naar Egypte. Hoewel ze hem niet weer tot leven kon wekken, slaagde zij er met behulp van toverkracht in om hem een kind te laten verwekken. Zij verborg zijn lichaam in de rietvelden van de Nijldelta en verzorgde diep in het geheim het pasgeboren kind van Osiris.
Op een nacht vond Seth, die op jacht was bij het licht van de maan, het lichaam van Osiris. Hij sneed het in 14 stukken en verspreidde deze over de rivier de Nijl. Toen Isis dit zag, deed zij haar uiterste best om de verspreide lichaamsdelen van haar echtgenoot weer bij elkaar te zoeken. Met heel geduld vond zij ze allemaal, op één na: zijn mannelijk lid. Het symbool van zijn vitaliteit was verloren gegaan in de Nijl.
De 14 stukken van het lichaam van Osiris staan voor de 14 dagen van de afnemende of 'stervende' maan, en op het plafond van de tempel in Dendera staan inscripties die hier geen twijfel over laten bestaan. Op één paneel wordt een oog, dat op een schijf was gelegd, vervoerd in een boot. Dit oog was een symbool voor de zon of de maan. Thoth, de god van wijsheid en kennis, die met de kop van een ibis wordt afgebeeld, bestuurt de bark. Thoth werd geassocieerd met de maan en telde de dagen en seizoenen. Op een ander paneel worden de 14 dagen van de toenemende maan gesymboliseerd door 14 traptreden waarop allemaal goden staan.

De mythe van Osiris vervolgt met zijn wederopstanding. Isis balsemde en mummificeerde hem, en dankzij haar hulp verkreeg hij het eeuwige leven. In talloze graven en tempels wordt dit aspect van zijn mythe belichaamd in een hemels persoon - het sterrenbeeld Orion.

 

 


Het sterrenbeeld Orion

 

 

Orion en Sirius - de nachtelijke tegenhanger van Isis - worden vaak afgebeeld terwijl ze varen in een hemelse boot. Gewoonlijk staat Orion daarbij op de plecht, terwijl hij omkijkt naar zijn vrouw, die hem volgt tijdens de nachtelijke reis van oost naar west. De sterrenhemel is het gebied waar de rest van de mythe zich afspeelt. Zoals de dode Osiris in zijn kist via de Nijl uit Egypte wegvoer, gevolgd door Isis, zo gaat Orion onder aan de nachtelijke hemel, even later gevolgd door Sirius.

 

Dit is een letterlijke vertaling van blz.16-19 van het boek "Echoes of the ancient skies - The Astronomy of lost Civilizations" van dr. E.C. Krupp, New York, Harper & Row, 1983. Vertaling: Hendrik Klaassens

 

 

 

04. DE SCHEPPINGSLEGENDE

 

 

Op zekere dag vroeg ik Ptah-kefer iets over de sterren te willen vertellen en hij zei: "Er zijn nog andere werelden zoals de onze, tal­loos als de waterdroppels in de rivier. Het zou dwaas zijn te trachten ons een voorstelling van zulk een oneindigheid te maken; want hij, die tracht de geheimen aan de zon te ontroven door naar haar te blijven staren, wordt verblind en kan zelfs niet meer zien wat vlak bij hem is."

 

Toen vertelde hij mij de Scheppingslegende.

Lang, heel lang geleden ontboden de Goden der Goden, die zo hoog boven ons verheven zijn dat wij zelfs nog geen duizendste part van hun grootheid kunnen vermoeden, hun dienaar Ptah. En zij gaven hem een schaal des Levens, welke, al ledigde hij die ook, altijd vol was; en zij zeiden hem dat hij in dit Leven moest leren hoe wijs­heid te vergaren, totdat het ten laatste zou worden de zuivere vlam van geest die alle ervaring heeft. En zij stelden hem aan tot opperste heer der Aarde, een gebied van onbezield zand en levenloze rots.

 

Toen verspreidde Ptah het Leven over de ganse Aarde en de bergen begonnen de zon te voelen, die hun flanken schroeide en de dalen kenden de diepe koude van een winternacht. En de tijd kwam dat dit Leven terugkeerde tot Ptah en uit zijn schaal hoorde hij een zwakke stem, die zei: "Nu kennen wij iets van warmte en koude. Laten wij nu verder gaan."

 

Toen bekleedde Ptah de heuvels met bomen en de dalen bedekte hij met jong gras en bloemen; en hij goot van zijn schaal in hen. En het Leven leerde hoe planten haar wortels door de grond boren, zoekend naar kracht om haar bloesems te ontvouwen naar de zon; hoe enkele zich met hechtranken aan de rotsen vastklemden, en hoe andere haar schaduwen langs het meer wierpen. Maar al wat zij won­nen, deelden zij onderling, zodat een grashalm wist hoe hevige winden de takken van een boom doen bewegen en de grimmige cactus met het zachte mos zijn tederheid gemeen had.

 

En nog eenmaal werd de schaal gevuld door het terugkerende Leven. Nu sprak het met een krachtiger stem en zeide: "Wij hebben onze lessen als planten geleerd; nu wensen we lichamen, waarin we ons kunnen bewegen en onze bestemming sneller kunnen vinden."

 

Toen schiep Ptah de dieren op Aarde. Eerst heel eenvoudige dieren, zoals wormen en slakken; en daarna de lichamen van hazen en anti­lopen, van leeuwen en zebra's, zangvogels en vissen.

Toen keerde het Leven wederom terug en zeide: "Nu zijn wij wijs; bij nacht kunnen wij door de woestijnen gaan; wij kunnen water voor onszelf vinden en een schuilplaats; wij hebben ver over de Aarde gezworven en een grote verscheidenheid van dingen geleerd. Maak ons lichamen, onzer waardig."

 

En Ptah antwoordde hun en sprak: "Ik heb u uitgezonden in rotsen en in planten en in dieren. Gij zijt tot mij teruggekeerd, deelhebbend aan andere herinnering en ervaring en ook deelhebbend aan de wel­willendheid van groeiende dingen, welke gij als dieren nog bezit, doch die gij graag zoudt willen verliezen. Nu zal ik een lichaam voor u maken zoals het mijne en voor het eerst zult gij zeggen: ,Ik ben', waardoor gij tevens moet zeggen: ,Ik ben alleen'. Niet langer kan ik u leiden op uw weg. Nu moet gij uitgaan op een lange reis, die niet zal eindigen alvorens gij mij kunt begroeten, niet als uw schepper, doch als uw broeder."

 

En het Leven antwoordde: "Wij eisen deze kans, dit recht, om naar uw broederschap te reizen."

Toen schiep Ptah de mens.

 

En de mens wandelde op Aarde en hij genoot ervan. De grazige dalen waren zacht onder zijn voeten; zijn neus dronk de geur der bloemen in en de smaak der vruchten was aangenaam op zijn tong. Wanneer hij op warme middagen in de schaduw rustte, kwamen gazellen en snuffelden aan zijn handen; leeuwen gingen naast hem langs koele wateren; en hij liep met het hert om het hardst.

 

Maar de woorden van Ptah bleven in zijn hart weerklinken, zeg­gend: "Ik ben; ik ben alleen"; tot zijn eenzaamheid hem beklemde.

En hij verliet die vriendelijke plaatsen der Aarde en in wanhoop liep hij rond, zoekend naar een, die zijn eenzaamheid zou opheffen en in zijn benauwdheid riep hij de Goden aan.

En de grote Min hoorde hem en daalde neder op Aarde. Toen legde hij een diepe slaap op de mens en terwijl hij sliep, zei Min: "Niet langer zult gij in eenzaamheid wandelen. . . . Nu zijt gij man en vrouw en samen zult gij verder reizen voortaan. En aan u beiden geef ik het vermogen van uw eigen lichamen andere te maken, die op hun beurt het Leven van Ptah in zich zullen dragen. En wanneer gij uw kinderen zult zien, zult gij hen koesteren, zoals uw schepper u heeft gekoesterd."

 

En ook maakte hij van alle dieren een paar. En nu vorderde alles

veel sneller, met jongen om te voeden en woning aan te geven en te beschermen. Want zelfs de planten hadden deel aan deze goddelijk­heid en dieper staken zij haar wortels onder de grond om water te zoeken voor haar rijpend zaad.

 

In deze lang verleden tijden wisten alle levende dingen van hun verwantschap en in een koude nacht zocht een haasje warmte naast een machtige leeuwen de mensen waren de planten en bomen, die hen beschutten en hun vruchten gaven, dankbaar.

Want in deze, nu verdwenen dagen, toen de Aarde jong was, had niets zijn schepper vergeten.

 

Bron: Gevleugelde Pharao – Joan Grant – ISBN 90 6030 096 3

05. HET LICHAAM

 

Op zekere dag zocht ik Neyah en ik vond hem met mijn vader in de kamer waar de grote papyrusrollen worden bewaard, waarop de schrijvers die dingen vastleggen, die de vruchten der wijsheid zijn; enkele daarvan waren vele jaren geleden geschreven, andere weer uit onze eigen tijd. De wijsheid kent jeugd noch ouderdom, want door alle tijden blijft zij zichzelve gelijk.

Vader liet Neyah enkele nieuwe rollen van Zertar zien. Zertar woonde in het paleis, waar hij alles neerschreef wat men ontdekt had over het menselijk lichaam, opdat zij, die na ons zouden komen, hieruit konden leren hoe ervoor te zorgen en aan hun geest een waardige verblijfplaats te geven.

 

Op het papyrus was een tekening van een man zonder zijn huid; die was in flets bruin getekend en van de top van de schedel straalden rode lijnen door alle delen van zijn lichaam heen.

Vader legde ons uit dat er in het lichaam kleine wegen zijn, welke het gevoel overbrengen naar de bevelhebber van het lichaam, die in het hoofd woont; en dat dit iets belangrijks was om te weten: want indien één van die wegen gewond was, kon het zijn dat een mens pijn voelde in zijn vingers, terwijl het letsel in werkelijkheid in zijn arm zat. En deze wetenschap hielp zowel hen die met kruiden als hen die met het mes genezing brachten, wanneer er althans geen ziener was om hun aanwijzingen te geven. Hij zei: "Dit buitenste deel van ons, al is het dan ook een gedeelte, waardoor wij ervaring opdoen, staat tot ons werkelijke zelf als de kleren, die wij dragen, tot ons lichaam. Het wordt de c h a t genoemd en het wordt geschreven als een vis op het droge; want wanneer de geest met het lichaam is verbonden, is het lichaam als een vis, die in de rivier zwemt; maar wanneer de geest het lichaam in de slaap verlaat, is het lichaam even hulpeloos als een vis op het droge."

 

En ik vroeg: "Maar waarom laat u tekeningen maken van het inwendige der mensen, wanneer er toch zoveel zieners zijn?"

"Hoewel er in de Koninklijke Stad geen gebrek aan zieners is, zijn er altijd maar heel weinig mensen, die de zware beproevingen, nodig om deze kracht te ontwikkelen, kunnen doorstaan; en zelfs nu zijn er in Keme velen, die ziek of gewond kunnen raken waar er geen ziener is. Er zijn vele landen, waar helemaal geen genezers of zieners zijn om de gewonden en zieken te helpen, waar de priesters niet over macht beschikken en de tempels geen plaatsen van geestelijke oefe­ning zijn. Voor dergelijke lieden - hoewel het nooit hetzelfde is als wanneer zij zieners hadden - is de juiste kennis van de werking van het lichaam van grote waarde."

Ik keek nog eens naar de tekening en toen zag ik, dat er boven in het hoofd, waar de rode lijnen vandaan kwamen, een heel klein mannetje was getekend. Ik wees erop en zei: "Hebben we dat werke­lijk binnen in ons hoofd, zo'n evenbeeld van onszelf?"

En Vader antwoordde: "Ja, dat hebben alle mensen en alle dieren. Hierdoor worden de bevelen van de geest overgebracht op het lichaam. Alleen een ziener kan dat zien; als Ptah-kefer met de ogen van zijn geest zou kijken naar dit deel van een mens, die op het punt stond zijn arm op te heffen, zou hij een ondeelbaar ogenblik vóór de aardse arm werd opgelicht, dit zien doen door de arm van wat de k a-i bis wordt genoemd.

 

Herinner je je nog die soldaat uit het garnizoen van Na-kish, die hier in de tempel werd gebracht? Zijn bevelhebber zond hem met een van de lege graanboten. Hij had gezien hoe zijn vrouw door een kro­kodil gegrepen en gedood was. De schok was zo ontzettend, dat hij er stom door werd en toen werd hij hierheen gezonden, in de hoop dat wij hem zouden kunnen genezen. En wat er met hem gebeurde, is dit: zó groot waren zijn angst en ontzetting, dat de kracht van de aandoeningen, die zijn stoffelijk lichaam beheersten, zijn ka-i bis had gewond. En zoals een man, wiens schouderspieren zijn gescheurd, geen speer kan werpen, zo kon de k a-i bis de bevelen van de geest van deze man niet overbrengen naar de spraakspieren van zijn keel en toen werd hij stom. Maar toen Ptah-kefer zag wat eraan scheelde, sterkte hij de k a-i bis met zijn genezende kracht, totdat deze weer in staat was te gehoorzamen aan zijn bevelen.

 

Het teken voor de k a-i bis is een lopend mens, een handeling, die een voorbeeld is van iemand, die gehoorzaamt aan zijn geest door het kanaal van de k a-i bis; en soms wordt het ook wel geschreven met enkel twee benen, wat, zoals de schrijver je geleerd heeft, ,reizen' betekent.

Toen de mensen uit Athlanta voor de eerste maal naar Keme kwa­men, vonden zij de ibis; en zij zeiden dat diens zwarte en witte veren een symbool waren van het licht der wijsheid, dat door het duister der onwetendheid heen brak. En de kreet van de ibis is ,Ah'; en zij zeiden: ,Ziehier een vogel, die enkel wijsheid spreekt en wie alleen maar wijze dingen zegt, spreekt alleen de waarheid'. Nu werd in het oude land de grote Tahoeti, de God der Wijsheid, de Weger der Harten, altijd symbolisch voorgesteld door de weegschaal in evenwicht, dezelfde weegschaal, die jij nu in onze dagen ziet staan in de gerechtsgebou­wen in Keme. Later gaven de mensen hem de naam van Thot en toen maakten zij beelden van hem met het hoofd van een ibis; en hij werd bekend als ,Hij die de Grote Bescheiden bewaart'. Want de mensen zeiden: ,Zoals de ibis alleen de waarheid, welke de wijsheid is, spreekt, evenzo beschrijft Thot slechts die dingen, welke blijvend zijn: dat zijn de wijsheid en de waarheid'. En daardoor is hij bekend geworden als de God der Schrijvers. Tegenwoordig zijn er velen, die vergeten hebben dat Tahoeti en Thot een en dezelfde god zijn.

En zoals een schrijver zijn gedachten neerschrijft in tekens, zo zet dit mannetje in het hoofd gedachten om in daden. En omdat het behoort tot een gedeelte van ons, dat hoewel het met het lichaam sterft, niet met aardse ogen kan worden gezien, evenals de k a, noemen wij dit de k a-i bis."

 

Neyah had mij al eens uitgelegd wat dat k a-deel van ons was, maar ik was er niet heel zeker van of ik het goed had begrepen en daarom vroeg ik Vader of hij mij dat nog eens wilde uitleggen.

"Er zijn in ons lichaam veel delen, die gebruik maken van de aardse dingen waardoor wij leven; onze longen zuiveren ons met de lucht, die wij inademen; onze ingewanden en onze maag en nog veel andere organen zetten datgene, wat wij eten en drinken, in vers bloed om, wat ons hart weer door ons heen pompt. Maar wij hebben behoefte aan nog iets veel groters, dat geen van die organen ons kan geven en  die behoefte is leven; dat leven, dat alomtegenwoordig is en dat je mij wel eens ,het leven van Ptah' hebt horen noemen. Het is te fijn om met de c h a t te kunnen worden verbonden, en daarom hebben wij een fijnere kopie van onszelf, een soort van netwerk, dat doet denken aan duizenden onzichtbare aderen en door deze kanalen vloeit het: leven van Ptah, zonder hetwelk wij zouden sterven. Dit deel van ons wordt de k a genoemd, dat betekent, de vergaarder van leven'.

Stoffelijke ogen kunnen het niet zien, en toch is het zó belangrijk, dat als deze kanalen gewond zijn en geen levenskracht bezitten, het lichaam moet sterven. Alleen wanneer wij slapen kan de k a zich her­stellen met leven - en daarom kunnen wij langer zonder voedsel dan zonder slaap.

 

De k a wordt geschreven als twee armen, die van een rechte lijn uit omhoog reiken. De lijn betekende vroeger, de horizon' en heeft de betekenis van, de Aarde' gekregen; de reikende armen met geopende handen zijn het symbool van iemand, die omhoog reikt en het leven van Ptah vergaart. Honderden jaren geleden was er nog een cirkel tussen en boven de handen, symbool van de bron des levens. Maar nu gebruiken wij de eenvoudiger vorm."

 

 

Bron: Gevleugelde Pharao – Joan Grant – ISBN 90 6030 096 3

06. DE ZIEL

 

Daarna gingen we door de granaatappellaan naar de boomgaard, waar we ons neerzetten in de schaduw van een oude vijgenboom. Ik vroeg Vader of hij ons niet iets moois kon vertellen. En hij antwoordde: ‘Ik zal jullie wat over jezelf vertellen. Want het ken uzelf is van veel belang. Immers pas als een mens kan zeggen ‘Ik weet wat ik ben, wat ik heb en wat ik niet heb', kan hij in wijsheid gaan zoeken naar wat hij nog nodig heeft voordat zijn reis kan worden beëindigd.

Ik heb jullie verteld over het lichaam waarin je woont - hoe dat is samengesteld uit de c h a t en de k a-i bis en de k a.

Wanneer je sterft, keert je lichaam tot stof terug. Nu spreken we over datgene wat dit lichaam draagt meestal als over de geest, maar in werkelijk­heid bestaat dat uit twee delen: de ziel, welke wij nodig hebben zolang wij nog naar de Aarde moeten terugkeren en de geest, die even blijvend is als de tijd.

De ziel en de geest hebben vijf afdelingen, of, als je liever wilt, vijf attributen, precies zoals het lichaam vijf zintuigen heeft. Het eerste dezer attributen is datgene, waarmede wij onze aandoeningen be­leven, en waarmee wij voelen. Indien ik je heel licht zou aanraken in je slaap, zou je dat niet voelen, omdat dat deel van je, waarmee je voelt, afwezig is. Maar als je lichaam, terwijl het slaapt, pijn heeft of gewond wordt dan roept het je geest als zijn beschermer te hulp en ontwaak je. Als de pijn voortduurt ook na je terugkeer, dan begrijp je wat je heeft wakker gemaakt; maar was de aanraking zo kort en zacht, dat de zenuwen van je lichaam het na je terugkeer niet meer overbrach­ten, dan zou je niet weten wat je had doen ontwaken.

Huilen, wanneer je ongelukkig bent, is de wijze waarop je lichaam uiting geeft aan de aandoening, die je voelt in dat deel van je ziel, dat de b a heet.

Wanneer je in je lichaam bent, zijn je aandoeningen veel minder scherp dan wanneer je er vrij van bent. Wanneer Natie je blote hand likt, voel je hoe ruw zijn tong is; maar met een dikke handschoen aan zou je het veel minder voelen. Wanneer je lichaam wakker is, dempt het als 't ware je gevoel, zoals je handschoen Natie's tong op je hand minder doet voelen."

En ik zei: "Daardoor komt het dan zeker dat angst in een droom veel heviger is dan de ergste angst, die je op Aarde kunt beleven."

Hij knikte en vervolgde: "Herinner je je nog wat Pakiewi ons eens vertelde over zichzelf en die twee Nubiërs? Hoe hij eens, toen hij mij vergezelde naar het Goudland, zo woedend werd op twee Nubiërs dat hij, klein als hij is, hen met de hoofden tegen elkaar sloeg tot ze allebei als dood neervielen?

Later bekende Pakiewi mij diep be­schaamd, dat hij te veel bier had gedronken. Nu, te veel bier of wijn stroopt die handschoen af, zodat de aandoeningen bloot komen te liggen; en dan wordt boosheid zó fel gevoeld, dat het een klein mannetje kan doen handelen als stak hij in het lichaam van een reus.

Op diezelfde expeditie was ik omsingeld door de vijand, die meer dan vijfhonderd man sterk was en ik had slechts zeventig man bij mij. Er was echter ook een priester van Horus bij mij en door zijn kracht bewerkte hij dat onze mannen hun moed konden voelen, niet ge­dempt door hun lichaam, zodat zij vochten als oorlogsgoden en op de vijand instormden, van wie zij er velen doodden; de rest gooide de wapenen neer en vluchtte in paniek.

Dat is ook de reden, waarom de soldaten van ons zuidelijke garni­zoen samen zingen vóór de slag; daardoor zitten hun stoffelijke lichamen maar heel luchtigjes op hen en zij vechten met een kracht van tien mannen voor één zwaard."

En Neyah vroeg: "En als nu uw vijanden in het Goudland vóór de slag hadden gezongen, had die priester van Horus dan nog uw zeven­tig hun vijfhonderd kunnen laten verslaan?"

"Dan zou hij een andere toverkracht hebben gebruikt. Hij zou onze vijanden aan hun lichamen hebben gekluisterd, zodat zij lood­zwaar van Aarde waren geweest. Dan hadden zij bovendien niet die eenheid van doel gekend, die zij tevoren hadden; zij zouden angst hebben gekend, zij zouden zich verwonderd hebben afgevraagd

waarom ze eigenlijk vochten en waarvoor zij vochten en meer zulke dingen, die, op zich zelf verstandig, nu niet bepaald bevorderlijk zijn voor het winnen van een slag.

Soms wordt de b a geschreven als een gevleugeld menselijk hoofd, wat de oudste vorm is; en soms als een vogel met een mensengezicht. Want de k a-i bis is het belangrijkste deel van het lichaam en het zetelt in het hoofd, en de b a is het eerste gedeelte van ons, dat er zich bewust van is de Aarde te verlaten en vleugels te hebben.

De b a is het eerste deel van de ziel; en het tweede deel is het attri­buut, dat je gebruikt wanneer je denkt aan dingen die vorm hebben; die dingen, welke je kent door de vijf aardse zintuigen. Met dit attri­buut denk je aan een zonsondergang of aan een leeuw; of aan de smaak van gebraden kwartel; aan het geluid van een harp; aan het gladde linnen van je bed, wanneer je moe bent; en aan de geur der bonenvelden langs de rivier in de middagstilte. Dit vermogen stelt je ook in staat de woorden te overwegen, die je zult spreken of schrijven; in welke vorm een reliëf te houwen, of te bouwen; en wanneer het 't juiste tijdstip is om een pijl af te schieten op een vliegende vogel.

Er is niets, dat door de mensen wordt gevormd, of het heeft eerst gestalte gekregen in hun gedachten, evenals er op Aarde geen levend wezen is, dat niet eerst als gedachte in een der Grote Kunstenaars is geboren. Toen de steenhouwer mij vroeg of hij uitdrukking had ge­geven aan mijn gedachte, toonde hij te weten dat er in mijn geest een helder beeld was van datgene, wat ik in steen wenste te zien uit­gedrukt, en hij hoopte het nauwkeurig te hebben overgebracht.

Voordat Neyah een boot gaat maken, heeft hij een voorstelling in zijn brein hoe de boot er voltooid uit zal zien. Hij weet dat die alleen nog maar in het hout is verborgen, wachtend op zijn mes, dat haar zal bevrijden. En wanneer mijn planten nog onder de grond zijn, dan bloeien zij reeds in mijn brein en slapende takken tonen mij reeds hun bladeren.

Zoals elke aandoening in onze slaap heviger is, zo ook kunnen we over de stoffelijke dingen zuiverder denken wanneer wij niet langer hier op Aarde zijn. En daarom heb ik mij aangewend te slapen alvorens op een belangrijk besluit of zelfs een bouwplan mijn zegel te 'zetten.

Dit attribuut der gedachten wordt de nam genoemd.

Neyah vroeg hoe dat geschreven werd. En Vader nam een stuk

houtskool uit een kleine koker, die hij dikwijls aan zijn gordel bij zich had en waarin hij de rietstaafjes en de houtskool van de schrijver droeg; en op de muur tekende hij een menselijke mond. "De woorden, die uit onze mond komen, behoren tot de Aarde en dus zijn woorden, zodra wij spreken over dingen van de geest, slechts armzalige dragers onzer gedachten; doch spreken wij over dingen, de aardse vormen betreffend, dan kunnen woorden die heel juist beschrijven, omdat zij beide tot de Aarde behoren. En daarom wordt de nam als een mond

geschreven, omdat het dat deel van ons is, waarmee wij denken aan de dingen, die in woorden kunnen worden beschreven.

Ziezo, nu weten jullie iets over je ziel, die de b a is en de nam.

De ziel overleeft het lichaam; doch wanneer je niet meer op Aarde hoeft te worden herboren, omdat je alles hebt geleerd, wat zij je leren kan, heb je je ziel ook niet langer nodig; want dan zul je je aandoenin­gen kunnen beheersen en boven stoffelijke dingen uitgegroeid zijn."

 

Bron: Gevleugelde Pharao – Joan Grant – ISBN 90 6030 096 3

                                                                                                           07. DE GEEST

 

Op zekere dag gingen Neyah en ik met Vader naar het kleine paviljoen bij het moeras, om daar de morgenvlucht der vogels te bespieden.

Neyah had een paar tafeltjes van gebakken klei meegebracht en met een rietstaafje en zwarte inkt had hij met een paar lijnen een zwaan in de vlucht getekend. Wanneer ik vogels wilde tekenen, leken ze altijd dood en heel dikwijls leken ze niet eens op vogels. Terwijl ik naar hem keek, peinsde ik erover wat daarvan de reden kon zijn. Wij hadden dezelfde ouders, leken in vele opzichten erg op elkaar; ik was altijd bij hem en dezelfde schrijver-tekenaar had ons les ge­geven. En ook vroeg ik mij verbaasd af, hoe het toch kwam, dat ik, wanneer ik boos werd, de behoefte had anderen allerlei dingen naar het hoofd te werpen en alles, wat ik op mijn hart had, te zeggen; maar als Neyah boos was, scheen hij in zichzelf in te keren en soms spraken zijn ogen al de dingen, die zijn lippen tegenhielden en soms geleken zij op vensters met gesloten gordijnen.

Vader vroeg waarover ik dacht en ik zei het hem. En terwijl wij ons ontbijt opaten, bestaande uit vruchten, zei hij: "Eer ik de vragen, die in je gedachten zijn, beantwoord, moet ik je iets over je geest ver­tellen.

Zoals ik jullie al geleerd heb, bestaan wij uit lichaam, ziel en geest. Het lichaam is de c h a t, de k a-i bis en de k a. Dat is de buitenste bekleding van onze ziel en onze geest, waardoor wij op Aarde ervaring opdoen  en wanneer het lichaam sterft, sterven de k a en de k a-i bis mee. Onze ziel is de b a en de nam, en deze hebben wij net zo lang nodig als onze geest op Aarde moet worden herboren en dat is totdat wij geleerd hebben onze aandoeningen, onze gedachten en onze wil te beheersen. De geest blijft dus over, wat het enige deel van ons is, dat eeuwig blijft.

Terwijl wij op Aarde verwijlen, kunnen wij aan veel denken, dat eeuwig duurt en wij doen dat elke keer, dat wij aan die dingen denken, welke de nam niet omvat."

Ik vroeg: "Hoe kan ik er zeker van zijn of iets, waarover ik denk, tot het nam-deel van mij behoort?"

En hij zei: "Alle dingen, die door de vijf zintuigen van het lichaam kunnen worden waargenomen, hebben vorm en behoren dus tot de nam. Maar hoedanigheden kun je niet zien of proeven of aanraken. Je kunt de moed niet ruiken, noch het geduld horen, want zij vallen buiten de grenzen van de vorm, zoals wij die kennen. Wanneer je aan hoedanigheden denkt, doe je dit met een gedeelte van je geest, dat de z a wordt genoemd. Je kent de onderdelen van het lichaam en van de ziel en hoe ze geschreven worden. De z a, waarmede wij denken aan blijvende dingen, wordt geschreven als een cirkel met een rooster erin, zoals een zeef. Want evenals een zeef stenen en stof van elkander scheidt, zo scheidt ook de z a het stof der Aarde, dat door de wind wordt weggeblazen en niet meer gezien wordt, van de rotsen der Waarheid, welke standhouden door de tijden heen."

En ik vroeg Vader waarom hij zijn eigen naam niet als een zeef schreef; en hij antwoordde, dat dat ook wel zou kunnen, hoewel hij in zijn zegel meestal de rietbundel koos, of de slang en de arm, welke de klanktekenen waren voor zijn naam. De grote Menes had hem de naam van Za gegeven, zeggend dat dit een gunstige naam was voor een heerser, die waarheid en leugen zou moeten kunnen onderkennen en op deze wijze rechtspreken.

"De z a is het voornaamste deel van je geest. Het tweede gedeelte van je geest is dat, waarin bewaard wordt de herinnering aan elke ondervinding, die je hebt opgedaan sinds het ogenblik waarop je, nadat je elke mogelijke ervaring had geleerd, die er in het dierenrijk valt te leren, voor de eerste maal op aarde werd geboren als een mens en zeggen kon: ,Ik ben ik.' En het is de stem van deze, jouw eerste ervaring als persoon, die tot je zegt: ,Als je dit doet, ben je wijs: hier is het veilig: daar ligt gevaar'."

Ik zei: "Ja, Vader, maar hoewel ik nooit door een slang ben gebeten, ben ik toch bang voor ze; en Neyah is nooit van een hoogte af ge­vallen en is er toch bang voor."

Neyah wilde al protesteren, maar ik zei: "Het heeft niets geen zin je groot te houden, Neyah, ik weet het veel te goed." En hij maakte die eigenaardig wriemelende beweging met zijn tenen, wat hij altijd doet als hij iets moet toegeven en zei aarzelend: "Ja, een hoogte geeft mij werkelijk een angstig gevoel, maar dat had je toch niet hoeven te zeggen."

Vader glimlachte en vervolgde: "Door vele levens heen hebben jullie beiden verschillende ervaringen opgedaan en die ervaringen hebben verschillende gevolgen in het leven geroepen. Die prettig waren, zul je graag nog eens willen beleven, en die, welke pijn of leed hebben gebracht, zul je vermijden. Maar totdat jullie beiden het eind van je reis hebt bereikt, zullen er altijd dingen zijn, welke Neyah heeft geleerd, die jij mist, en weer andere dingen, die jij hebt geleerd, welke hem ontbreken.

De daden of de vrezen van een ander zijn gemakkelijk te begrijpen, als ze dezelfde zijn als die van jezelf. Maar wanneer wij een ander iets zien doen dat de innerlijke stem der herinnering doet zeggen: ,Dat is verkeerd', dan zegt een onwetend mens: ,Hij heeft een zonde be­dreven, die ik nooit zou begaan; hij is ver beneden mij en mijn deernis niet waard.' Maar die zo spreken, zijn dwaas, want zij hebben de waarheid vergeten, evenals zij zichzelf hebben vergeten; want die innerlijke stem is geboren uit hun eigen lijden als een gevolg van dezelfde fout, die zij nu veroordelen. Indien zij in wijsheid naar die stem hadden geluisterd, zouden zij niet alleen weten dat ook hun eigen voeten eenmaal door dezelfde modderpoel waren gegaan, maar zij zouden zich ook het pad herinneren, dat hen naar de vaste grond heeft teruggebracht. En door de herinnering aan dit pad zouden zij in staat zijn hem de weg te wijzen, die zij in hun kortzichtigheid een zondaar hadden genoemd, doch in wie een wijs mens een mede­pelgrim zou hebben herkend, die, voor korte tijd, verdwaald was geraakt op de grote reis. En die kennis houdt deernis in; en deernis is de vrucht der ervaring."

En Neyah zei: "Maar Vader, wanneer ik nu iemand iets zie doen, waarvan ik weet, dat het verkeerd is, dan moet ik toch zeker trachten hem daarvan af te houden en niet alleen medelijden met hem hebben!"

"Ik zei deernis, geen medelijden. Met medelijden bedoel ik iemand, die naast een bedroefd medemens gaat zitten wenen; of hem, die, wanneer hij een gapende wond ziet, zegt: ‘ O’, dat bloed en die pijn, ik kan geen lijden zien', en dan klagend naast de gewonde zich neer­zet en zó luid klaagt, dat het kreunen van de lijder wordt overstemd door de kreten van medelijden, wat in vele gevallen enkel zelfbeklag is, dat hij zo dicht bij een anders smart en pijn wordt gebracht. Doch wel is medelijden de eerste schrede om tot deernis te komen.

Indien een mens, die de ware deernis kent, een broeder vindt, door smart gebogen, weet hij wat de aanleiding tot die tranen is geweest en door dit weten weet hij ook hoe ze te stelpen. Want hij beseft en wellicht herinnert hij het zich zelfs, dat ook hij vele tranen heeft gestort en op zijn beurt heeft gedacht, dat de nacht eeuwig was en nimmer de morgen zou dagen. Hij zal hem erop wijzen dat eenmaal alle leed in vreugde verkeren moet en wanneer de wenende zijn tranen wil afwissen, zal hij bemerken dat zij reeds gedroogd zijn op zijn wangen. En de wijze mens zal de lasten van anderen niet bezwaren door de drukte van zijn weeklagen, maar hij zal trachten hun wonden te helen, of, indien die te diep zijn voor aardse hulp, troost hij de geest wanneer deze het vermoeide lichaam verlaat.

En daarom, Neyah en Sekieta, luister naar de stem van je herinne­ring. Indien je wenst dat je reis snel zal zijn, laten je daden dan van zodanige aard zijn, dat in de toekomst die stem moge uitroepen: ,Juist, dit is de weg', inplaats van: ,Ga niet daar, dat is verkeerd'. Maar er zijn slechts weinigen, die op de lange reis het juiste pad niet dikwijls verlaten; want het is vreemd, dat, al vindt iemand zijn weg bezaaid met doorns, hij dikwijls daar toch blijft doorstumperen, omdat zijn trots hem verbiedt te bekennen, dat hij verdwaald is; hoewel, als hij maar wilde luisteren, er zulken zijn, die hem toeroepen terug te keren en te volgen in de voetsporen, die zij hebben achter­gelaten.

Kinderen, eens zal de dag komen, waarop jullie beiden zult regeren. Vergeet dan niet, dat allen in je land, en alle mensen van de vele rassen en kleuren, die op Aarde wonen, of zij vriend of vijand zijn, gelijken of slaven, lotgenoten zijn op dezelfde lange reis en dat er eenmaal een dag zal komen, dat zij te zamen met jullie zullen zijn in die grote broederschap, die wij allen moeten bereiken."

Vader zat heel stil; zijn handen om zijn knieën gevouwen keek hij ver weg naar de horizon. Ik vermoed, dat hij tot ons sprak niet als kinderen, maar als tot ons ware zelf. Toen maakte hij een beweging en zei dat ons gesprek veel te zwaarwichtig was geweest. En hij wilde over andere dingen gaan spreken, maar dat voorkwam Neyah door hem te vragen hoe het-zich-herinnerende deel van de geest werd geschreven.

Vader nam het rietje uit Neyah's hand en tekende een kruik.... "Want een kruik bevat vloeistoffen, die van alle aardse stoffen het naast verwant zijn aar dat, wat geen aardse vorm heeft. Wanneer een mens voor de eerste maal wordt geboren, is de kruik zijner herinne­ring leeg; stilaan word.' zij door zijn vele levens heen gevuld. Aan­vankelijk behoort veel van datgene, wat haar vult, nog tot de Aarde en het water in de kruik is modderig. Later vertroebelen nog die dingen, welke geen deel uitmaken van het volmaakte, het nu helderder water in de kruik. Maar wanneer de geest geheel van het aardse is gezuiverd en elke ervaring heeft doorgemaakt, zal het modderige water helder worden en het zal zijn alsof de kruik gevuld was met vloeibaar licht.

En het wordt m a a t genoemd, ,de waarheid': want de waarheid wordt gevormd door die schitterende hoedanigheden, welke achter­blijven nadat de geest zich van de Aarde heeft bevrijd en zich kan inschepen op de Boot des Tijds."

 

Bron: Gevleugelde Pharao – Joan Grant – ISBN 90 6030 096 3

 

 

08. Wegen van het Hart door de Tweeënveertig Bijzitters der Doden.

 

wegen van het hart

 

 

Wanneer de reiziger het einde van zijn reis bereikt, bevindt hij zich op de oever van een rivier, en vóór zich ziet hij een boot, die de Boot des Tijds is waarop hij scheep moet gaan. Maar alvorens de dekken hem toestaan dat zijn voeten hen betreden, moet hij ze bij name noemen; en hij moet de riemen noemen, of ze zullen hem niet roeien, en hij moet de boeg noemen, of deze zal de boot niet over de rivier brengen. Hij reist in de boot over het donkere water, tot de rivier verdwijnt in de Grote Spelonken. Hier wordt hij belaagd door demonen, die hem aanvallen in hun verschrikkelijke gedaanten, maar indien hij onbevreesd is, nemen zij de wijk in de schaduwen. Dan gaat hij van boord bij een kade, waar zeven treden naar een grote deur leiden. Hij moet de grendels bij hun naam noemen, ook de hengsels bij hun namen en hij moet zelfs de geheimen kennen van de planken, waaruit zij zijn samengesteld. Op het horen van hun namen gaat de deur voor hem open en hij betreedt een grote gehoorzaal, waar, gezeten op hun tronen, de Tweeënveertig Bijzitters der Doden zijn. Zij verheffen zich boven hem in de schaduwen en hun gezicht is voor hem onzichtbaar, want hij bevindt zich in een dal tussen geweldig grote Goden.

 

Elk op zijn beurt zal hem aanroepen; en indien hij hen niet naar waarheid kan antwoorden en zeggen: "Bij de Veder der Waarheid, u heb ik overwonnen", zal de bodem onder zijn voeten zich openen en hij zal in de duisternis moeten blijven tot hij uit de schoot zijner moeder komt.

 

En naarmate hij overwint, zullen de deugden hem binnengaan en evenzo zal het kwade de kracht om het te overwinnen in zijn hart doen binnengaan.

 

 

Langs de vier zijden van de zaal zitten de Bijzitters op hun tronen.

 

En de eerste zal hem aanroepen en zeggen:

Hebt gij uw lichaam met wijsheid en met zorg behandeld, zoals uw schepper u koesterde in de dagen van uw jeugd?

 

En de tweede zal zeggen:

Hebt gij de volle spanne tijds ten einde geleefd, die de Goden u toebedeelden?

 

En de derde zal zeggen:

Hebt gij uw lichaam bewaard als een rein kledingstuk, niet bezoe­deld door de Rivier van Vuil?

 

En de vierde zal zeggen:

Hebt gij alleen naast de vrouw gelegen, die ook uw geest lief heeft?

 

En de vijfde zal zeggen:

Zijt gij vrij van de kennis van het lichaam van uwe moeder of uwe dochter of uwe zuster of uwe tante?

 

En de zesde zal zeggen:

Is geen man voor u als een vrouw geweest?

 

En de zevende zal zeggen:

Bestaat er enig dier, dat u echtgenoot kan noemen?

 

En de achtste zal zeggen:

Hebben uwe handen genomen hetgeen u niet behoorde?

 

En de negende zal zeggen:

Hebt gij gegeten van voedsel tot uw buik er pijn van deed en ver­wijten tot u richtte, of sterke drank gedronken tot uw wil de slaaf was van uw lichaam?

 

En de tiende zal zeggen:

Hebt gij eens anders zilveren koord in drift doorgesneden?

 

En de elfde zal zeggen:

Was uw toom gerechtvaardigd en de gesel in uwe hand de Gesel

van Pharao?

 

En de twaalfde zal zeggen:

Hebt gij de rijken en de bedrevenen aangezien zonder afgunst?

 

En de dertiende zal zeggen:

Is uw hart niet verscheurd geworden door de klauwen der ijverzucht?

 

En de veertiende zal zeggen:

Hebt gij geen kwaad gesproken behalve van het kwaad zelf?

 

En de vijftiende zal zeggen:

Hebt gij de ploeg niet ongebruikt in de vore laten staan wanneer het zaad daar was voor de zaaiing?

 

En de zestiende zal zeggen:

Hebt gij begeerte gehad naar de kennis van die dingen, welke niet voor uwe ogen of oren waren?

 

En de zeventiende zal zeggen:

Hebt gij uwe schaduw reusachtig op de wand gezien en u zelve groot gedacht?

 

En de achttiende zal zeggen:

Zijt gij afgeweken van het rechte pad toen daar gevaar dreigde?

 

En de negentiende zal zeggen:

Hebt gij u met kluisters van goud aan de Aarde geketend?

 

En de twintigste zal zeggen:

Hebt gij naar de dingen der Aarde gekeken tot uwe ogen verblind waren?

 

En de eenentwintigste zal zeggen:

Zijt gij eerlijk geweest in al uwe handelingen op de markt?

 

En de tweeëntwintigste zal zeggen:

Hebt gij u dankbaar betoond jegens allen, die u vriendelijk beje­genden op uwe reis, of het uw metgezel is geweest, of de granaat­appel die u laafde toen gij dorstig waart?

 

En de drieëntwintigste zal zeggen:

Hebt gij de armen brood gegeven en de vruchten van uw wijngaard aan de vermoeiden?

 

En de vierentwintigste zal zeggen:

Hebt gij uw mond tegen valsheid gesloten gehouden?

 

En de vijfentwintigste zal zeggen:

Zijt gij zo trots op uwe schranderheid geweest dat uwe wijsheid er­ door werd bewolkt?

 

En de zesentwintigste zal zeggen:

Is uw vriendschap een sterke rots geweest in de woestijn van stuif­zand?

 

En de zevenentwintigste zal zeggen:

Hebt gij u aan niemand geketend met de ketenen van de haat?

 

En de achtentwintigste zal zeggen:

Hebt gij geen toverij gekend noch uzelven bevlekt en heeft uw lichaam alleen tot woonplaats aan uzelf gestrekt?

 

En de negenentwintigste zal zeggen:

Hebt gij tevredenheid gebracht in het hart uwer moeder en hebt gij uws vaders huis tot eer gestrekt?

 

En de dertigste zal zeggen:

Hebt gij alleen ware priesters geëerd?

 

En de eenendertigste zal zeggen:

Hebt gij op uwe reis de Goden niet vergeten en hun om raad ge­vraagd?

 

En de tweeëndertigste zal zeggen:

Hebt gij uwe oren gesloten voor wijsheid, die met luider stemme spreekt?

 

En de drieëndertigste zal zeggen:

Hebt gij met uwe wijsheid de dorst gelest van hen, die hunkerden naar wijsheid?

 

En de vierendertigste zal zeggen:

Hebt gij uwe kracht alleen in dienst van het Licht gesteld?

 

En de vijfendertigste zal zeggen:

Zijt gij een zwaard geweest in het Leger van Horus?

 

En de zesendertigste zal zeggen:

Hebt gij enig mens gebracht op het pad, dat niet naar vrijheid voert?

 

En de zevenendertigste zal zeggen:

Houdt gij in uw hart een beeld van uzelf in ere?

 

En de achtendertigste zal zeggen:

Hebt gij uw eigen hart gekend en zijt gij een waar schrijver geweest van uwe eigen werken?

 

En de negenendertigste zal zeggen:

Weet gij dat het einde van de ene reis slechts het begin is van een andere?

 

En de veertigste zal zeggen:

Hebt gij de planten bedacht, die eenmaal uwe broeders waren, en hun dorst gelest en hen zo verzorgd dat zij bloeiden?

 

En de eenenveertigste zal zeggen:

Zijt gij voor alle dieren zo geweest als uw meester is voor u, en hebt gij wijsheid, welwillendheid en mededogen gekend jegens hen, die eens uwe broeders waren?

 

En de tweeënveertigste zal zeggen:

Kunt gij naar waarheid zeggen: "Ik heb nimmer mens noch dier boven zijn kracht laten werken. Ik heb geweten dat allen op Aarde mijn medereizigers zijn en ik heb hen bijgestaan op hun reis?"

 

 

Dan zal hij de diepe stemmen niet langer horen en in de stilte zal zijn eigen stem opklinken en zeggen: "U heb ik overwonnen, want er is op Aarde geen mens zondig of bedroefd of lijdend tengevolge van enige handeling van mij."

 

Dan zal deze Zaal der Waarheid als de middag zijn, verlicht door de zuivere, heldere vlam van zijn geest; en ook al zouden alle win­den der Aarde hun kracht verenigen tegen deze vlam, toch zou zij in verheven rust voort branden.

Niet langer ziet hij de Goden boven zich uit torenen, want hij is van hun gestalte geworden en hun gelaat is voor hem als keek hij in een ware spiegel en zag daar zijn eigen gelaat, want in uiterlijke gestalte is hij hun broeder.

Dan ziet hij vóór zich de Grote Weegschaal van Tahoeti. Op de ene schaal ligt zijn hart in de vorm van de kruik van zijn maat en op de andere schaal ligt de Veder van Maat, en zij worden volkomen door elkaar in evenwicht gehouden, want op beide schalen ligt de Waarheid.

 

En de wanden openen zich voor hem als een grote weg en hij gaat in het licht der Hemelse Velden, waar het koren, dat zeven elleboogs­lengten hoog staat, op zijn oogsten wacht.

 

                                                                     ­Bron: Gevleugelde Pharao – Joan Grant – ISBN 90 6030 096 3

09. De afzonderlijke getallen in het Oude Egypte

 

1 (Een)

I

Een is geen getal, maar de essentie van het fundamentele principe van het getal, aangezien alle overige getallen eruit zijn opgebouwd. Een staat voor Eenheid: het Abso­lute als nog ongepolariseerde energie. Volgens de getallenleer is Een niet even, noch oneven, maar beide, omdat Een, toegevoegd aan een oneven getal, dat getal even maakt en vice versa. Een om­vat dus de tegenstelling even/oneven, en daarmee alle overige te­genstellingen in de kosmos.

 

2 (Twee)

II

De Eenheid, die zich van zichzelf bewust wordt, schept de gepolariseerde energie: twee nieuwe elementen, die ieder deel hebben aan de aard van zowel de Een als de Ander. Met andere woorden, Twee is Een in gedifferentieerde, gepolari­seerde toestand. Polariteit (dualiteit) is een fundamenteel kenmerk van alle verschijnselen, zonder uitzondering. Het bestaan van paren van tegenstellingen is een belangrijk kenmerk van de structuur van het universum. Voorbeelden van deze paren van tegenstellingen zijn man/vrouw, even/oneven, negatief/positief, actief/passief, licht/donker, ja/nee, waar/onwaar. Al deze paren belichamen een ander aspect van hetzelfde fundamentele principe, polariteit. En elk aspect heeft deel aan de natuur van Eenheid én aan de natuur van de dualiteit. Elk paar van tegenstellingen is in zichzelf besloten en maakt deel uit van het geheel, als de getijdenbewegingen in de zee.

Tegenstellingen versmelten tot eenheid. Dualiteit gaat op in de Ene.

De dualistische, polaire aard van de schepping manifesteert zich in tal van fysische verschijnselen die gehoorzamen aan een afwisse­lend ritme in een cyclisch patroon. Inademen/uitademen, wa­ken/slapen, dag/nacht, leven/dood.

 

3 (Drie)

III

Het getal Drie staat voor de abstracte/spirituele relatie tus­sen twee tegenstellingen. De tegenstelling man/vrouw is nog geen relatie. Er moet eerst liefde of verlangen tussen beiden ontstaan voordat er een relatie kan zijn. Het tot stand bren­gen van een relatie is op zichzelf al deze derde kracht. Met andere woorden: verzoening tussen twee tegenstellingen is de derde kracht in de kosmos.

De metafysische rol van het getal Drie is herkenbaar in drievuldig­heden, die niet alleen in het oude Egypte voorkwamen, maar ook in de kosmologieën van andere beschavingen (zoals de Bijbelse Drie­vuldigheid in het christendom).

 

4 (Vier)

IIII

Merk op hoe de Egyptenaren het getal Vier schreven. Vier is het getal dat staat voor de vastheid van de materie, dus de samenstelling en structuur van de stof. Een vaste stof is zowel de som van de samenstellende delen als een eenheid of ge­heel op zichzelf. De Absolute of Ene wordt vereenzelvigd met het getal Vier (IIII), want Hij is zowel een Eenheid of Grote Holon als de som van alle samenstellende holons (die samen de schepping vormen). Het woord holon voor zulke samenstellende delen werd ingevoerd door Arthur Koestier - een briljant alternatief voor de veel omslachtiger term 'heelheidsbestanddelen' . Vrijwel alle na­tuurlijke hiërarchieën op ongeacht welk domein zijn opgebouwd uit holons, 'heelheden' die op hun beurt deel uitmaken van meer om­vattende, 'hogere' heelheden die een toenemende graad van heel­heid, eenheid en functionele integratie bezitten. Daarom wees Koestler erop dat het woord hiërarchie eigenlijk holarchie zou moeten zijn. Dit sluit volledig aan op de hier beschreven Egypti­sche voorstelling van de kosmos.

De Egyptenaren gebruikten de vier vormen van de materie (Vuur, Lucht, Aarde en Water) als omschrijvingen voor de functionele rol van de vier elementen waaruit alle materie volgens hen was opge­bouwd. Vuur is het actieve, versmeltende principe; Aarde is het ontvangende, vormgevende principe; Lucht is het subtiele, bemid­delende principe dat invloed heeft op de uitwisseling tussen krach­ten; Water is in deze leer de 'som' of het samengestelde principe van Vuur, Aarde en Lucht. Water is bovendien een substantie van hogere orde dan deze drie.

Dit inzicht in de aard van het getal Vier werd in de Egyptische sym­boliek tot uiting gebracht. Zo vinden we de vier kinderen van de ne­ter Geb, de aarde; de vier windstreken; de vier hemelse regionen; de vier centra van elkaar aanvullende kosmologische leringen te Heliopolis, Memphis, Thebe en Hermopolis; de vier hemelzuilen

 

5 (Vijf)

II

III

Het getal Vijf werd in het oude Egypte ge­schreven als II boven III, of als een vijfpuntige ster. Voor deze twee schrijfwijzen bestonden symbolisch dwingende redenen. Het getal Vijf omvat zowel het principe van dualiteit (II) als het principe van verzoening (III). Alle verschijnselen zijn zonder uitzondering dualistisch van aard en in principe drievoudig. Daarom is het getal Vijf de sleutel tot het be­grijpen van het manifeste universum.

De relatie tussen Twee en Drie vertegenwoordigt in harmonische zin een toon die geen afspiegeling is van Een, maar in feite een nieuwe, krachtige relatie met Een is. Als zodanig wordt Vijf het eerste universele getal genoemd.

Deze unieke relatie tussen Twee en Drie is de reden dat het getal Vijf in zoveel culturen zo'n sacrale status bezit. In het oude Egypte werd het symbool voor ster uitgebeeld met vijf punten. De ster was het Egyptische symbool voor zowel het getal Vijf als iemands lotsbestemming. In het ideale geval werd de verwerkelijkte mens een ster en daarmee 'lid van het gezelschap van Ra' .

 

6. (Zes)

III

III

Zes is het kosmische getal van de stoffelijke wereld en werd daarom door de Egyptenaren als het numerieke symbool van zowel tijd als ruimte gekozen. Onze moder­ne geleerden zijn het er nu over eens dat er een zeer innige samen­hang tussen tijd en ruimte bestaat: zo innig, dat het een niet zonder het ander kan bestaan. Met andere woorden, tijd en ruimte zijn de keerzijden van dezelfde medaille.

 

1. Tijd. Alles wat verband houdt met het meten van de tijd, was en is nog steeds op het getal Zes of veelvouden daarvan gebaseerd. Het etmaal telt 24 uur (4 x 6) en bestaat uit de dag van 2 x 6, en een nacht van 2 x 6 uur. Het uur telt 60 minuten; de minuut telt 60 se­conden. De maand telt 30 dagen (5 x 6); het jaar telt 12 maanden (2 x 6). Het Grote Jaar van de Dierenriem (later het Platonische Jaar, dat 26.000 jaar duurt) omvat 12 dierenriemtekens of -tijdperken van elk 2167 jaar).

 

2. Ruimte (volume). Er zijn zes richtingen nodig om ruimte te definiëren: op en neer, voor- en ach­terwaarts, links en rechts. Daarom werd in Egypte de kubus, de volmaakte vorm met zes vlakken, als het symbool voor ruimte gebruikt.

De mens verblijft tijdens zijn leven in de stoffelijke wereld in (tijd en) ruimte. Zodat hij als het ware 'in' de kubus wordt uitgebeeld, met alleen zijn hoofd en voeten erbuiten.

De goddelijke entiteit wordt zittend op een kubus uitgebeeld, als zinnebeeld van de heerschappij van het bewustzijn (de geest) over de stof.

De Egyptische tempel werd ontworpen als een afspiegeling van de manifeste kosmos tijdens de schepping, de kubus. De aan elkaar grenzende vlakken van dit kubusvormige domein werden met zorg aangeduid als afzonderlijke entiteiten en zijn als zodanig terug te vinden in de volledig ontwikkelde Egyptische tempel.

 

7. (Zeven)

III

IIII

In Egypte stond het getal Zeven voor de eenheid van geest (Drie, III) en stof (Vier, IIII); om die reden werd dit getal in de hierboven weergegeven configuratie geschreven.

Een van de vormen die per traditie de betekenis van het getal Zeven tot expressie brengt, is de piramide, waarvan de vierkante basis staat voor de vier elementen, terwijl de driehoekige zijvlakken de drie aspecten van de geest symboliseren. Op die manier verenigt de piramide de getallen Drie en Vier in zich.

Zeven is het getal van het proces en het getal van groei, en daar­naast staat het voor de fundamentele cyclische aspecten van de kos­mos. Vaak moeten we vaststellen dat het getal Zeven (of veelvou­den daarvan) nodig zijn om het principe en de sequens van het ver­schijnsel 'groei' te beschrijven. Zo gehoorzaamt de menstruatie van de vrouw - een cyclus waarvan het voortbestaan van de hele soort afhankelijk is - aan een cyclus van 4 x 7 dagen. Vaak ook blijkt een sequens uit zeven bestanddelen te bestaan: de 7 dagen van de week, de 7 kleuren van het zichtbare spectrum, de 7 noten in de toonlad­der, om enkele voorbeelden te noemen.

Asar ( Osiris) wordt geassocieerd met het getal Zeven en zijn veelvouden.

Asar belichaamt het generatieve aspect van de cyclische, zichzelf vernieuwende kracht van het leven. Zeven staat voor de cyclische, universele asariaanse (osiriaanse) aard van het bestaan.

 

8. (Acht)

IIII

IIII

Het Absolute verklaart (in Egyptische teksten):Ik ben Een, die Twee wordt, die Vier wordt, die Acht wordt, en daarna ben Ik weer Een.

Het getal Acht staat voor de vier paren van oerkrachten of -mach­ten, die als namen droegen Duisternis (Nacht), Verborgenheid, Ge­heimenis en Eeuwigheid. Met andere woorden, de Ene omvat de acht (vier paren) elementen.

 

9. (Negen)

IIII

IIIII

Normaal gesproken komt een mensenkind negen maan­den na de conceptie volledig gevormd ter wereld, een om­standigheid die veel te maken heeft met de rol van het ge­tal Negen in de Egyptische getallensymboliek, en het belang dat aan dat getal werd toegekend.

Het Gezelschap van de neteroe (meervoud van neter m. netert vr. )( eigenschappen van de Ene, vergelijkbaar met de engelenhiërarchieën uit het Christendom)   vormde een negental of Enneade dat tot de schepping van de mens op aarde leidde. Het getal Negen markeert het einde van de zwangerschap en tevens het einde van iedere nieuwe reeks van getallen. Wanneer Negen wordt vermenigvuldigd met een ander getal, brengt het telkens zichzelf voort als de som van twee getallen:

 

3 x 9 = 27 (en 2 + 7 = 9),

of 6 x 9 = 54 (en 4 + 5 = 9),

of 9 x 9 = 81 (of 8 + 1 = 9) enzovoort.

 

Negen markeert de overgang van de ene schaal (de getallen 1-9) naar een hogere schaal (beginnend met 10). Daarom is het het getal van de initiatie, hetgeen weer vergelijkbaar is met de geboorte van een baby na negen maanden.

 

10. (Tien)

Het Absolute werd zowel Een als Tien, omdat de Grote Enneade eruit voortkwam.

 

In het oude Egypte stond het getal Tien voor volmaaktheid en perfectie, omdat het de reeks van essentiële getallen completeerde en ze weer één maakte. In de Egyptische mythologie werd dit proces op symbolische wijze gedrama­tiseerd: Heru, de goddelijke zoon, wreekte de moord op zijn vader door tegen de moordenaar, Set, te strijden

Als zoon van Aset en Asar was Heru de tiende neter van Heliopolis. Tien is het hoogste getal van de oorspronkelijke Eenheid. In Tien is Heru de nieuwe Ene: hij zou terugkeren tot de Bron.

In de Heru-tempel van Edfu vinden we tien 'kapellen', als een afspiegeling van zijn ver­bondenheid met dit heilige getal.

 

 

 

Bron:

  

 

        

10. De symboliek van de sfinx

 

Optekeningen van oude Egyptische leringen die ons hebben bereikt, schijnen aan te geven dat de Egyptenaren geloofden in de transmigratie van de ziel in dieren. Toch lieten deze zelfde Egyptenaren, die kennelijk de misvattingen die in de toekomst daaruit zouden kunnen voortvloeien hebben voorzien, ons een optekening na, uitgehouwen in steen, van wat ze precies bedoelden met ‘dierlijke transmigratie’. Hun ingewijden en filosofen, kunstenaars en beeldhouwers gaven het nageslacht de sfinx, een enorm beeld van een menselijk hoofd op het lichaam van een rustende leeuw. Op het gezicht zien we een schitterende uitdrukking van sereniteit en kalmte en de ogen ervan schijnen te zijn gericht op iets in de verte, alsof degene aan wie de ogen toebehoren bezig is iets te overpeinzen dat ver voorbij deze aarde is.

 

Kan er een treffender manier worden gevonden om uitdrukking te geven aan het idee dat de mens een samengesteld wezen is – een bewustzijn en intelligentie tijdelijk ondergebracht in een dierlijk lichaam, dat voor zolang het duurt het voertuig is van dit bewustzijn tijdens zijn verblijf in de wereld van materie?

 

Een beeld van een menselijk hoofd op een menselijk lichaam zou ons niets hebben geleerd, maar een menselijk hoofd op het lichaam van een leeuw vestigde de aandacht op de dualiteit van de menselijke natuur, en door het lichaam in rusttoestand weer te geven symboliseerde men dat, wanneer men het menselijk lichaam met de daarbij behorende gevoelens en begeerten onder controle heeft en het in rust verkeert, het bewustzijn zelfs tijdens zijn verblijf in deze wereld vrij is zich in overpeinzing te verheffen naar andere en hogere bestaansgebieden.

 

Het idee om de dualiteit van de menselijke natuur te illustreren door middel van een menselijk hoofd op een dierlijk lichaam treft men niet alleen in Egypte aan. De oude Assyriërs pasten precies dezelfde methode van onderwijs toe, maar gebruikten het lichaam van een stier in plaats van dat van een leeuw. De Assyriërs voegden een extra element toe door de stier vleugels te geven om nog eens te beklemtonen dat het menselijk bewustzijn niet aan de aarde is gebonden, maar zich tot hogere bewustzijnsgebieden kan verheffen zelfs terwijl het is belichaamd.

 

De Ouden hoefden hun tijdgenoten die de symboliek misschien verkeerd zouden begrijpen niet te beschermen, want deze waren intelligent genoeg om te weten dat wezens zoals een sfinx of een gevleugelde stier niet echt bestonden. Zouden wij niet evenzeer moeten weten dat wanneer de Ouden spreken over mensen die in dierlijke lichamen incarneren, zij daarmee menselijke lichamen met dierlijke neigingen bedoelen?

 

Nils A. Amnéus - Het levensraadsel

 11. Citaten

 

De voorstellingen omtrent de 'transformatie tot God' zijn oeroud. Het oude geloof verplaatste dit naar de tijd na de dood, het mysterium echter brengt het reeds in deze wereld. Het mooist wordt dit beschreven in een Egyptische tekst; het is een triomfzang van de ziel die opstijgt:

 

'Ik ben de God Atum, die ik alleen was.

Ik ben de God Re, bij zijn eerste stralen.

Ik ben de grote God, die zich zelf schiep [... ]

De Heer der Goden, die geen der goden evenaart.

Ik was gisteren, en ken morgen;

het strijdtoneel der Goden werd geschapen toen ik sprak.

Ik ken de naam van de grote God, die daar verwijlt [... ]

 

Ik ben de God Min bij zijn verschijnen, zijn veren plaats ik op mijn hoofd.

Ik ben in mijn land, ik kom in mijn stad.

Dagelijks ben ik te zamen met mijn vader Atum.

Mijn onreinheid is verdreven, en de zonde, die aan mij kleefde, is over­wonnen.

Ik waste me in twee grote meren in Heracleopolis,

de meren waarin het offer der mensen gereinigd wordt voor de grote God, die daar verblijft.

Ik ga op weg, en was mijn hoofd in de zee der gerechtigheid.

Ik kom in het land van de verlichten, en treed binnen door de schitte­rende poort.

Gij, die voor mij staan, reikt mij uw handen, ik ben het,

ik ben één van de uwen geworden.

Ik ben te zamen met mijn vader Atum, elke dag.

 

  Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  
**********

Stem Spirituele Vrienden in de
Top 100 NL



**********
Tellers

 

 LetsStat website statistieken