Gedichten rond Pasen en
de Goede Week.
 

 

 

Op de Wederopstanding-triptiek heeft Hans Memling (van links naar rechts) de kruisiging van Christus, zijn wederopstanding en zijn hemelvaart afgebeeld (Musée du Louvre, Parijs).



01. De betekenis van Pasen02. Gethsemane03. De soldaat die Jezus kruisigde04. Goede Vrijdag05. Het is volbracht06. Paaszaterdag – 07. Pasen08. Reiziger 'doet' Golgotha09. Na Pasen10. Pasen!11. Goede Vrijdag12. Pilatus13. Mater Dolorosa14. Toen God de Heer15. De drie jonkvrouwen16. Petrus17. De Kruisiging18. De Via Dolorosa – 19. Pasen20. De Kruisweg van Jezus21. Sabat Mater22. Stille week23. Mijn overdenkingen in 200624. Palmpasen25. Pasen 200626. Emmaüs27. Berouw28. Paasmorgen29. De andere Maria30. In het lijden31. Paastijd32. Paastijd II33. Gebed voor Goede Vrijdag - 34.  leven35. de weg ten leven36. als ik37. Pasen38. een overwinnaar39. te mogen leven40. Haec Dies – 41. Goede Vrijdag42. Vrij naar psalm 139 – 43. De wijnstok44. paasgedachte - 45. Jezus of Barabbas - 46. 2 Stille Weekgedichten van Hans Stolp -

01. De betekenis van Pasen

 

Van oorsprong is Pasen een heidens feest, oftewel een feest van niet-gelovigen. Pasen is oorspronkelijk het lentefeest ter ere van de godin van licht en lente: Eastre. Op de zondag na de eerste volle maan in de lente is het Pasen. Het feest werd gehouden om de vernieuwing van het leven in de lente te vieren. Daarom zijn vruchtbaarheidssymbolen, zoals hazen en eieren, erin opgenomen. Pasen is dus oorspronkelijk geen godsdienstig feest. Later heeft Pasen voor gelovigen een eigen betekenis gekregen die overigens wel aansloot op de oorspronkelijke betekenis. De godsdienstige betekenis van Pasen is de viering van de opstanding van Jezus Christus. In bijna alle landen in de wereld wordt Pasen gevierd. Maar de manier waarop Pasen wordt gevierd, is voor ieder land verschillend.

De viering van het Paasfeest is zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament het centrum van waaruit de samenhang van de Schrift gezien kan worden. Het Paasfeest is het centrum van ons geloof, dat het een overwinning is op de dood.
Het Paasfeest is het oudste christelijke feest dat wij kennen. En dus zijn van het Paasfeest belangrijke impulsen uitgegaan voor de ontwikkeling van de feestkalender in het algemeen. Voor dit feest zijn verschillende namen gangbaar: Pascha, Pasen en Paasfeest. Men stelt voor, om Pascha de Griekse versie van Pesach, voor het joodse feest te gebruiken, terwijl men  Pasen en Paasfeest voor het christelijk feest zou moeten handhaven.
De vroege christenen moeten ook het Joodse Pascha gevierd hebben, maar die viering is nu praktisch geheel verdwenen. Op het Concilie van Nicéa in 325 werd eveneens de ontkoppeling van Pesach en Pasen aanvaard. De gemeenschappelijke paasdatum van de kerk is een duidelijke afgrenzing tegen het joodse Pascha. De viering van Pasen in de christelijke gemeente heeft wortels in het Nieuwe Testament, maar de precieze ontwikkeling van het feest ligt in het duister. Voor ons gevoel moet Paasfeest vanaf Jezus' opstanding uit de dood, toch jaarlijks gevierd zijn. De werkelijkheid is bepaald genuanceerder geweest. Pasen blijkt niet eerder dan in de eerste helft van de tweede eeuw als jaarlijks terugkerend feest te worden gevierd, en daarbij wordt niet in de eerste plaats Jezus' opstanding maar vooral zijn dood herdacht.
Deze nadruk op de dood van Jezus, en van hieruit op Zijn opstanding, horen wij Melito van Sardes leggen in een paaspreek rond het jaar 165, wanneer hij het woord "pascha" verbindt met het Griekse werkwoord "paschein", dat "lijden" betekent. Melito echter tekent het lijden van Jezus niet gescheiden van Zijn verheerlijking, zoals in latere tijden Goede Vrijdag van de paasmorgen wordt losgemaakt, om daarmee tot een zelfstandige gedenkdag uit te groeien .
De oudst bekende viering van een jaarlijks Paasfeest op de eerste dag van de week valt inderdaad op de zondag die volgt op de veertiende van de maand Niesan.
Op het Concilie van Nicéa wordt om motieven van verlangde eenheid van de christenen besloten, dat de paasdatum voortaan zal zijn op de eerste zondag na de eerste volle maan na de lente-nacht-evening (globaal gesproken: 21 maart).
Het gaat voortaan dus om een drievoudige berekening: de datum van de paasviering heeft te maken met de zeven-dagen-week, met de maancyclus en met het zonnejaar.

 

02. Gethsemane

Waakt met mij,  één nacht, één uur, één oogwenk,
Opdat ik de plek voel waar gij zijt.
Kunt gij waken, strijdend tegen lijfsdwang,
Kunt ge ook troosten met aanwezigheid.

Zoo zijn goden vaak op ’t eind vereenzaamd,
Menschonwaardig, haav’loos en verkild,
Dat zij need’rig smeeken om de bijstand
Van een vriend die ’t zelfde heeft gewild.

En zij gaan ongaarne in de doodsstrijd
Waar geen spiegel zelfs hen gadeslaat,
En zij huiv’ren voor de bleeke nanacht,
Als de haan kraait en de vriend verraadt.

Waakt met mij,  één nacht, één uur, één oogwenk,
Slaap is maar een smalle overzij,
En wanneer de slaap u tóch vermeestert,
Breekt uit droomen los, en waakt met mij

 

Simon Vestdijk

 

03. De soldaat die Jezus kruisigde

Wij sloegen hem aan 't kruis. Zijn vingers grepen
wild om den spijker toen 'k den hamer hief -
Maar hij zei zacht mijn naam en: 'Heb mij lief -'
En 't groot geheim had ik voorgoed begrepen.

 

Ik wrong een lach weg dat mijn tanden knarsten,
en werd een gek die bloed van liefde vroeg:
Ik had hem lief - en sloeg en sloeg en sloeg
den spijker door zijn hand in 't hout dat barstte.

 

Nu, als een dwaas, een spijker door mijn hand,
trek ik een visch - zijn naam, zijn monogram -
in ied'ren muur, in ied'ren balk of stam,


of in mijn borst of, hurkend, in het zand,

En antwoord als de menschen mij wat vragen:
'Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen.'

 

Martinus Nijhoff

 

04. Goede Vrijdag

Toen Judas Jezus had verraden

Vond hij geen uitweg dan een strop,

Waar alle poorten der genade

Gesloten zijn – en hing zich op.

 

Toen Petrus driemaal had gelogen

Tussen soldaten en een vrouw,

Ging hij naar buiten, in zijn ogen

De hete tranen van berouw.

 

En ik? Ik zou hun rechter zijn?

Ik schonk de beker met venijn;

Ik bood voor minder nog Uw leven

Maar heb het geld niet teruggegeven,

En mengde edik in de wijn.

 

Ik heb U honderdmaal bedrogen,

Mijn gal in Uw gelaat gespogen,

En duldde dat men U verried;

Maar ging weer slapen, zonder zorgen,

De hanen kraaiden elke morgen:

En niettemin, ik weende niet.

 

H.L.Prenen – uit: Tafelrede en andere gedichten.

 

05. Het is volbracht

Ik denk aan de weg
die Jezus moest gaan
aan Zijn pijn en Zijn lijden
hoe Hij alleen kwam te staan.

Verlaten van mensen
van Vader en vriend
Hij droeg onze straf
Die Hij niet had verdiend.

Ik zie Hem daar hangen
een wond in Zijn zij
gehoond en bespuugd
voor jou en voor mij.

Ik hoor de echo van de slagen
die de spijkers door z'n handen sloeg
ik zie de striemen op z'n rug
Zijn zweet dat werd tot bloed.

Zijn Handen doorboord
op Zijn hoofd een doornenkroon
bloed uit zijn wonden
een Koningszoon.

Zijn intens van God verlaten zijn
Zijn woorden: "Zie de mens".
Zijn liefde voor de moordenaar aan het kruis
vergeving was Zijn laatste wens.

Stil ga ik de weg naar Golgotha
aan het kruis kniel ik neer vol ontzag
vrij van zonden en straf, voldaan is mijn schuld,
omdat Jezus alles heeft volbracht.

 

Cobi van der Hoeven

 

06. Paaszaterdag 

Nog is de stilte Gods volkomen 
En boven ons, ontbladerd, staat 
Het vruchtbaar hout: de Boom der bomen 
Omhangen met een dageraad. 

De rijp hangt in de meidoornhagen, 
De wachters waken bij het Graf; 
Maar ons geloof zal vruchten dragen, 
Groen lover reeds draagt onze staf. 

De duiven dalen naar de beken, 
Een kleine vrouw verlaat haar huis 
En schouwt den heuvel en het Teken 
En tekent zich met Christus' Kruis. 

Als gij de krekels in de grassen 
Het jong hoort piepen in de schaal, 
Zal u zijn heerlijkheid verrassen ! 
Want maatloos is zijn zegepraal.

 

Jacques Schreurs

 

07. Pasen

Hij was twee nachten in het graf geweest

toen God Hem riep: “Sta op, mijn Zoon!

De hele hemel viert nu feest,

de engelen staan juichend om mijn troon.

Ga, zeg de mensen dat Ik door uw lijden

hen uit de macht van dood en zonde wil bevrijden.”

 

En bij die woorden wentelde de steen

en Christus stond omstraald door morgenzon.

De wachters vluchtten vol ontzetting heen,

alsof de dood hen achterhalen kon.

En toen heeft God twee engelen gezonden

die Christus’ windsels hebben opgewonden.

 

En zij verkondigden de vrouwen, dat

de Meester opgestaan was uit het graf.

Toen hoorde zij, die Hem het meest had liefgehad

haar naam. Maar Hij leek zó ver van haar af

dat zij alleen vol eerbied kon aanbidden.

En toen zijn jong’ren treurden, stond Hij in hun midden.

 

Als toen, in Emmaüs, breekt Hij het brood;

Hij opent onze ogen, dat ook wij

zien hoe Hij leed voor ons tot in de dood

en zullen weten: Jezus kocht ons vrij.

Het sterven is geen einde, maar een nieuw beginnen.

Het is iets afstaan om het ál te winnen.

 

Uit: “Een open hand naar de hemel”

Nel Benschop

 

08. Reiziger 'doet' Golgotha

I


Zij hebben Hem, zonder zich af te vragen
of Hij het kon verdragen,
met nagels aan een kruis geslagen.

En toen Hij daar te lijden hing,
- een spijker is een lelijk ding -
zei Hij: Vader vergeef het hun.

Zei Hij: ze weten niet wat ze doen.
Het was hun er immers om te doen,
om eens te zien, wat of Hij nu zou doen!

Zo heeft Hij nog voor hen gebeden,
en in Zijn sterven aan hen meegegeven
een alibi voor hun geweten.

En ik stond in de verte quasi wat te praten
met 'n paar onnodige, onnozele soldaten.
Ze deden immers tóch, wat ze niet konden laten.

Maar Hij beriep zich op het allerlaatste:
de handen van Zijn Vader; - nog vóór Pasen
moest ik me naar mijn schip in Jaffa haasten.


II


Toen heb ik - 't was op Cyprus - in de krant gelezen:
J. v. N., Christus geheten,
is, na voor drie dagen gekruist te wezen,
zoals onze geachte lezers weten,

niet in Zijn graf gevonden: het was open.
Hardnekkige geruchten lopen,
dat Zijn discipelen de wacht beslopen,

toen deze sliep, en zo het lijk ontvreemdden.
Geëxalteerde vrouwen echter meenden,
dat zij Hem zagen wandelen door de beemden;

Maria moet gestameld hebben: Here!
Er zijn ook vissers, die beweren:
Hij heeft met ons gegeten bij de meren.

Maar dit is van bevoegde zijde wedersproken.
Men late zich geen knol voor een citroen verkopen.


III

Rome. - Het anker valt. Wij varen thuis.
Ik spoed mij naar de thermen, word ontluisd
van reis en roes en in mijn eigen huis

bij vrouw en vuur en radio gezeten,
ben ik alras Christus en kruis vergeten.
... Toen heeft een S.O.S. mijn ziel doorreten:

'Mijn Geest wordt uitgestort op alle vlees.
Wie niet vóór Mij is, is tégen Mij geweest',
seint een Geheime Zender wit en hees.

Weer onder zeil, over de eenzaamheden
van oceanen die mij van U scheiden,
Christus, wil mij verschijnen aan den einder.

 

Gerrit Achterberg

 

09. Na Pasen

't Is maandag en het is april,
de lucht is kerngezond
met ijsblokken bestapeld aan
de blauwe horizon,

de wind draagt fonklend zonlicht koel
als hoge berglucht mee,
er wappert helder wasgoed wit
als uitgestoken sneeuw.

't Is maandag en het is april,
Uw kruis stond opgericht,
ik mag met heel de wereld mee
staan blinken in een witte zee
van zuiverheid en licht.

 

Nel Veerman

(uit: 'Stenen in een meer', 1991)

 

10. Pasen!

Een 'Goede Vrijdag'

wens ik U, ... maar 'Goede'? ... ach ...

werd lang geleden niet genomen,

het 'Leven' van het Kind, dat was gekomen ?

 

Met Kerst kwam dat 'Kind'  op aarde

en Engelen zongen, dat Gód zich openbaarde.

En nu, op deze dag ? ..   'God' aan een KRUIS ?

Wat zijn wij mensen ver  van huis !

 

Morgen is het 'Stil',

alsof de 'Schepper'  wáchten wil.

De 'Schepping' houdt de adem in ...

Had het 'Leven' nog wel zin ?

 

Zondag komt Zijn boodschap aan,

"De Heer is waarlijk ópgestaan !"

Wij mensen mogen 't wéér proberen, .

Of je wilt of niet, het is de dag des Heren !

 

Chris©

Almelo, 09-04-2004

 

11. Goede Vrijdag

Wanneer we het niet beter wisten
dan hadden we beslist gedacht
dat er geen hoop meer was voor Jezus,
geen leven na Zijn lijdensnacht.
Maar ’t grootste wonder aller tijden,
Zijn opstanding, heeft ons geleerd,
dat Hij na dit afschuw’lijk lijden
in glorie heeft getriomfeerd.

Mijn lieve kind, ook in jouw nachten
zul je wel eens vertwijfeld zijn
wanneer het drukkend kruis zo zwaar is,
je hart verscheurd wordt door de pijn.
En toch wil ik je innig raden:
Houd moed! God heeft het laatste woord
en schoner dan het gouden zonlicht
Zijn kracht de duisternis doorboort.

Wanneer we het niet beter wisten,
dan dachten jij en ik bij leed
dat onze Vader in de hemel
Zijn kinderen misschien vergeet.
Doch wees getroost, Die heeft bewezen
dat Hij van kruisen kronen maakt,
laat ook jouw levensnacht verdwijnen,
zodat een nieuwe dag ontwaakt.

 

Frits Deubel

 

12. Pilatus

Ik wilde niet, ik wilde niet.

Ik wilde Hem niet kruisigen.

De ogen in dat smal gezicht

zagen te recht mij aan.

Van buitenaf drong tot mij door eisend,

de roep der duizenden,

maar ik, ik wist Hem schuldeloos.

Walgen greep mij aan.

 

Wij stonden in het rechtshuis

tegenover elkaar.

Hij reikte slechts tot mijn schouder –

Wie was Hij, en vanwaar?

De krenking van Zijn zwijgen

stak in mijn trots.

Waarom liet Hij met eigen hand

de furie in mij los?

 

Ik wilde niet, ik wilde niet.

Het hart had eigen redenen:

hoe, zo de walging die ik wist

háár overviel, voor mij?

Teder was zij, en kinderlijk,

bevend in mijn omhelzen –

En zo ik aan Hem schuldig werd,

wie weet, was dit voorbij?

 

Ik staarde op mijn handen.

Waarom? dacht ik. Waarvoor?

De dreiging uit de menigte

drong luider tot ons door,

grommend de prooi bewakend,

alleen nog beest.

Maar Zijn ogen bleven dezelfde,

helder en onbevreesd.

 

Ik wilde niet, Hij wist het.

Hoe is het dan gekomen?

Woede om Zijn zwijgen,

vrees die mij overviel,

het oproer, losgebroken

dat ik vaak zag in mijn dromen,

de vlucht… en, log en weerstandsloos,

Caesars beeld, dat viel?

 

Ik liet Hem de kruisweg gaan.

Niet Hem, maar mij was de schande.

Vergeefs wees ik die af,

waste vergeefs mijn handen.

En toen ik ’s avonds, dodelijk

vermoeid, mij aan haar lei,

toen zweeg ook zij, en wendde zich,

en alles leek voorbij.

 

Maar die nacht, in de droom,

vocht ik mij door vele deuren,

ik zocht, naar waar de waarheid was,

schemer brak door een kier,

en een stem zei: ‘Die mij U overgaf

draagt groter deel der zonde.

Sta op, en zoek Mijn Koninkrijk,

het is ginder, en niet hier.

 

Lidy van Eysselsteyn.

 

13. Mater Dolorosa

Heb je geen medelij met mijn Kind?

Of met mij, van rouw geslagen?

Neem af van het hout mijn lieve Kind

of laat Het ons samen dragen.

 

Meer pijn dan ik lijd zal er nimmer zijn,

niets blijft mij dan rouw en verdriet.

In zijn liefde blijven wij samen zijn,

ik wil sterven als Hij, anders niet.

 

John Grimstone (1372)

 

14. Toen God de Heer

Toen God de Heer in de stille hof

zijn lijden begon, geknield in het stof,

toen treurde alles wat daar was,

de vogels, het kruid en het groene gras.

 

Maria hoorde een hamer slaan....

'O wee, mijn Kind! Wat vang Je aan?

O wee, o wee, mijn zoon, mijn …,

ik voel dat Je mij verlaten zal!'

 

Maria kwam onder het kruis gegaan,

daar hing haar Kind, haar liefste aan,

naakt aan het kruis,- hoe vals, hoe wreed!

Nooit kende een moeder feller leed.

 

'Johannes, liefste vriend van Mij,

zorg voor mijn moeder, sta haar bij.

Ga weg met haar, opdat zij niet

mijn bittere marteling hier ziet!'

 

'Ach Heer, graag doe ik wat Gij vraagt,

ik zal haar geven wat haar behaagt,

ik zal haar troosten stil en zoet

zoals een kind het zijn moeder doet.'

 

'Bomen en bloemen, buigt wenend neer,

mijn Kind heeft rust noch vrede meer.

Bladeren en vruchten, buigt neer in smart,

laat dit lijden gesneden zijn in uw hart!'

 

De hoge bomen bogen zwaar,

de rotsen spleten van elkaar,

de zon verloor haar fonkeling,

de vogels hielden hun zingen in.

 

De wolken weenden ach en wee,

de steile bergwand spleet in twee,

men zag de graven open gaan

en de doden zijn koninklijk opgestaan.

 

Duits volkslied, zestiende eeuw

 

15. De drie jonkvrouwen

Drie jonkvrouwen zijn er vroeg opgestaan

om vroom naar het heilige graf te gaan;

zij hielden haar kostelijke balsem gereed

als ook eertijds Maria van Magdala deed.

 

De jonkvrouwen gingen bedrukt naar het graf:

'Wie wentelt ons toch de steen er af?

Wij willen het lichaam van onze Heer

zorgvuldig zalven ter zijner eer.'

 

Toen zij bij het graf waren aangekomen

met de balsem, die zij hadden meegenomen,

ontdekten zij angstig de open poort;

twee stralende engelen stonden ervoor.

 

'Gij jonkvrouwen, blijft er niet roerloos staan,

snel moet gij naar Galilea gaan;

gaat snel Galilea berichten, jonkvrouwen,

dan doe ik u uw Heer Jezus aanschouwen.'

 

Doch Maria van Magdala liet niet af,

zij zocht naar haar Meester nog in het graf

waar gelegen hadden zijn leden zoet;

maar toen kwam Heer Jezus haar zelf tegemoet.

 

Hij kwam getreden al over het gras

in een mantel alsof Hij een tuinman was,

Hij droeg een spade vast in zijn hand

alsof hij ging arbeiden op het land.

 

'Ach tuinman, ik bid u, dat gij het mij zegt:

waar hebt gij mijn Meester toch neergelegd?

Hebt gij hem gezien? Ach, wil toch spreken,

angst en verdriet doet mijn hart haast breken.'

 

Doch toen Hij haar met zijn woord begroette,

herkende zij Hem en viel aan zijn voeten;

zij knielde neer op de harde steen,

want zij vond haar Meester, zij alleen.

 

'Maria van Magdala, raak Mij niet aan,

het is nog te vroeg, gij moet verder gaan.

Ga heen en raak Mij niet aan met uw hand

vóórdat Ik zal zijn in mijns Vaders land.'

 

Duits, veertiende eeuw

 

16. Petrus

De herinneringen blijven fel.
Ik, die in mijn jongensdromen
desnoods tot aan de poorten van de hel
had willen gaan, ik was niet in te tomen.

Voor deze mens wilde ik sterven,
tot aan het einde bij Hem zijn,
maar angst deed deze droom bederven:
een felle doodsangst kreeg mij klein.

In een waas zag ik mensen en vuren.
Ik ontvluchtte de drukte, zocht eenzaamheid,
bleef maar rennen door de nachtelijke uren
vol woede en angst, daarna zelfverwijt.

De zon ging onder in een bloedig rood.
Wie ik had willen zijn is dood.

 

Dylan Terwier

 

17. De Kruisiging

Toen klonken kort en hol de hamerslagen

Op 't folterend kruishout, waar de Christus lag.

De rechters grimden in een wreed behagen

En vrouwen kreunden zacht bij iederen slag.

 

'n Jongen schreide -, 'n kinderstem riep "ach!" - -

Doch van Zijn lippen kwam geen kreet, geen klagen.

Stil vloeide 't bloed, één-vervig met den dag,

Stervend den rooden dood van al de dagen.

 

En traag en zwijgend schuifeldalend tot

Jeruzalem 's vreemd schemerende straten,

Verward, ontroerd, dacht menigeen aan Zijn lot - -,

 

En huiverend omziend trof diens blik 't verlaten,

Scherp silhouet van den gekruisten God

En wist opeens dat hij dien Man niet haatte.

 

JAN EEKHOUT

 

18. De Via Dolorosa 


De Via Dolorosa
ben ik zo vaak gegaan
en steeds heb ik verbijsterd
op plaatsen stilgestaan,
waar Jezus heeft gelopen,
Zijn kruishout moeizaam droeg
en men Hem zonder reden
vernederde en sloeg.

 

De Via Dolorosa
loopt door mijn treurend hart.
Ik ga haar met mijn Heiland
en voel iets van de smart,
die Hij heeft meegedragen,
hier, waar ik wenend sta
en met ontzetting waarneem
het einde: Golgotha!

 

De Via Dolorosa
geeft aan mijn leven zin.
't Is na het bitter einde
goddank een nieuw begin
van leven zonder sterven,
van opstanding na dood.
Het is de weg naar boven,
die God mij hierdoor bood.

 

Frits Deubel

 

19. Pasen

Pasen, Pasen,
luide klinke
nu de slag van
lerke en vinke,
nu de stem van
mense en dier!
Pasen, Pasen,
wijdt het vier,
wijdt het licht en
pint de lampen,
laat de verse
wierook dampen:
Hallelujah,
‘t jok is af
van de dood en
van het graf!

Pasen, Pasen,
opgestanden
is de God, die
boze handen
hadden aan het
kruis gedaan:
Pasen, Pasen,
vrij voortaan,
heeft Hij hout en
steen en ijzer
overwonnen,
die, verrijzer,
Hallelujah,
één uit al,
leeft en immer
leven zal!

Pasen, Pasen,
dwaze mannen
dachten Hem in ‘t
graf te spannen,
met Pilatus'
zegelmerk:
Pasen, Pasen,
ijdel werk,
ijdel waken:
God almachtig
is verrezen,
eigenkrachtig,
Hallelujah,
door de steen,
eer de zonne in
‘t oosten scheen.

Pasen, Pasen,
luide klinke
nu de taal van
lerke en vinke,
nu de taal van
mense en dier!
Pasen, Pasen,
wijdt het vier,
wijdt het licht en
spijst de lampen,
laat de blauwe
wierook dampen:
Hallelujah,
God is groot:
overwinaar
van de dood!

Guido Gezelle

 

20. De Kruisweg van Jezus

Niemand heeft Hem gedwongen
Jezus is zelf de kruisweg gegaan
en met pijn in Zijn hart
heeft de Vader Hem zien gaan.

 

Jezus had zelf kunnen kiezen
voor Zijn Zoonschap en grote macht
maar Hij legde alles af
maakte zich los van God'lijke kracht.

 

Hij koos voor de mens
voor jou en voor mij
die keus maakt ons nu
voor eeuwig vrij.

 

Hoe kan ik U danken
mijn Jezus en God
hoe hebt U geleden
hoe vreselijk was Uw lot.

 

Uw bloed vloeit nog steeds
voor een wereld in nood
U stierf voor elk mens
nog steeds is er hoop

 

 

Cobi van der Hoeven

 

http://www.myplaceofpeace.com/mijngedichten.htm

 

21. Stabat Mater 

1.

Naast het kruis, met schreiende ogen

Stond de moeder, diep bewogen

Toen de Zoon te sterven hing,

En haar door het zuchtend harte,

Overstelpt van wee en smarten,

't Zevenvoudig slagzwaard ging.

2.

O hoe droef, hoe vol van rouwe,

Was die zegenrijkste vrouwe,

Moeder van Gods ene Zoon!

Ach, hoe streed zij! ach, hoe kreet zij,

En wat folteringen leed zij,

Bij 't aanschouwen van die hoon!

3.

Wie, die hier niet schreien zoude,

Als hij 't grievend leed aanschouwde,

Dat Maria's ziel verscheurt?

Wie kan, zonder mee te wenen,

Christus' moeder horen stenen,

Nu zij met haar zoon hier treurt?

4.

Voor de zonden van de zijnen

Zag zij Jezus zo in pijnen,

En de wrede geselstraf,

Zag haar lieve Zoon zo lijden,

Heel alleen de doodskamp strijden,

Totdat Hij zijn geest hergaf.

5.

Geef, o Moeder! bron van liefde,

Dat ik voel, wat U zo griefde,

Dat ik met U medeklaag.

Dat mij 't hart ontgloeit van binnen,

In mijn Heer en God te minnen,

Dat ik Hem alleen behaag.

6.

Heil'ge Moeder, wil mij horen,

Met de wonden mij doorboren,

Die Hij aan het kruishout leed.

Ach, dat ik de pijn gevoelde,

Die uw lieve Zoon doorwoelde,

Toen Hij stervend voor mij streed.

7.

Mocht ik klagen al mijn dag,

En zijn plagen waarlijk dragen,

Tot mijn jongste stervenssmart.

Met U onder 't kruis te wenen,

Met uw rouw mij te verenen,

Dat verlangt mijn zuchtend hart.

8.

Maagd der maagden! nooit volprezen,

Wil voor mij niet bitter wezen,

Laat mij treuren aan uw zij,

Laat mij al de wrede plagen,

En de dood van Christus dragen,

Laat mij sterven zoals Hij.

9.

Laat zijn wonden mij doorwonden,

Worde ik bij zijn kruis verslonden

In het bloed van uwen Zoon.

Moge ik in het vuur niet branden,

Neem, o Maagd, mijn zaak in handen

In het oordeel voor Gods troon.

10.

Christus, moge ik eens behalen,

Als mijn levenszon gaat dalen,

Door uw Moeder, palm en prijs.

En als 't lichaam dan zal sterven,

Doe mijn ziel de glorie ervan

Van het hemels paradijs.

Amen

 

g-moll D. 175 - Franz Schubert (1787-1828)


 ***


De moeder stond met smart bevangen
En met tranen langs haar wangen
Waar haar zoon gekruisigd hing
En het was haar in haar lijden
Of een zwaard haar kwam doorsnijden
Dat dwars door het hart heen ging

Hoe verdrietig en verloren
Was de toch zo uitverkoren
Moeder die het 't leven gaf.
Ze moest klagen, ze moest rouwen
En ze beefde bij 't aanschouwen
Van zijn vreselijke straf.


(Vertaling van Willem Wilmink)

 

 

22. Stille week

Het voorjaar komt, de knoppen breken
en bloesems geven taal en teken.

De vogels zingen, God wat is dit mooi.
Ook ik wil zingen in mijn alledaagse kooi.

Maar kan niet. Deze dagen staat
tussen de takken uw bebloed gelaat.

De bomen lopen wonderbaarlijk uit
rond uw verminkte, naakte huid.

Spijkers die hand en hout doorboren,
de aarde bloeit als nooit tevoren.

Ik hunker naar wat gaande is,
naar opbloei, naar verrijzenis.

Maar kan het voorjaar nog niet aan,
eerst moet de Heer zijn opgestaan.

 

Jaap Zijlstra (predikant)

 

23. Mijn overdenkingen in 2006

Niet mijn wil, maar Uw Wil geschiedde.

 

In deze dagen voor Pasen mediteer ik wel eens over de gebeurtenissen die zich, nu bijna 2000 jaar geleden, moeten hebben afgespeeld in Jeruzalem.

Gisterenavond was ik daarbij aan het denken aan de woorden die Jezus sprak toen hij zich in Gethsemane voorbereidde op Zijn zeer nabijkomende gevangenneming en dood: “Vader, niet mijn wil, maar Uw Wil geschiedde.”

 

Wij, mensen hier op aarde, zijn zo dikwijls aan het jammeren over ‘hoe moeilijk’ ons leven wel is, hoeveel tegenslagen wij gekend hebben, dat we onze doelen niet gehaald hebben, dat we er niet in slagen om te verwezenlijken wat we zouden willen verwezenlijken en waarom God dat allemaal laat gebeuren, waarom Hij ons zo op de proef stelt.

 

Toen kwamen de volgende bedenkingen in mij op: In het zaad van een appelboom ligt de hele boom al opgeslagen, samen met de vruchten die hij zal dragen, appelen namelijk.

Stel nu dat die boom bewustzijn zou hebben en in de loop van zijn leven zichzelf als doel zou stellen om kersen voort te brengen. Waarschijnlijk zou hij dan ook jammeren over het feit dat hij zijn doel niet heeft bereikt en zijn leven zou één voortdurende klaagzang zijn.

 

In de zaadjes van een rozenstruik zijn al de kenmerken opgeslagen van de bloemen die de struik zal gaan voortbrengen. Zou die struik nu besluiten dat hij voortaan tulpen aan zijn takken wil vertonen, dan zou hij huilen van ’s ochtends tot ’s avonds omdat er, ondanks al zijn inspanningen, toch geen tulpen aan hem groeien. De schoonheid en de heerlijke geur van de rozen die hij draagt zouden helemaal aan hem voorbijgaan.

 

Dit lijken misschien lachwekkende overwegingen, maar zo is het niet. Want het is precies wat wij, mensen op aarde, doen. De boom en de struik kunnen niet op die manier denken, omdat zij geen vrije wil hebben gekregen. Wij kregen die wél.

Onze Schepper heeft ons, van bij ons eerste begin, talenten en mogelijkheden als gereedschappen meegegeven, ruimschoots voldoende om de doelen te bereiken die Hij aan ons heeft toevertrouwd.

 

Maar vermits wij een eigen vrije wil hebben, stellen wij onszelf doelen waarvoor wij niet de juiste gereedschappen meegekregen hebben. Wij hebben verleerd om Zijn wil te herkennen en het doel te zien waarvoor Hij ons hier heeft geplaatst omdat wij die innerlijke stem  overstemmen en het zwijgen opleggen met onze eigen wil en doelen.

 

En wanneer wij dan die doelen niet bereiken, wanneer niets loopt zoals wij het wensen, dan kunnen we allen maar jammeren en ons afvragen: ‘Waarom laat U mij dit overkomen, God? Bent U wel zo’n liefdevolle God?’

Terwijl we er zelf voor gekozen hebben om tulpen te willen dragen terwijl we verondersteld werden rozen voort te brengen, om bomen om te zagen met een keukenmes, m.a.w. om met de talenten die ons geschonken zijn iets totaal anders te willen verwezenlijken dan waarvoor zij in het goddelijk plan bedoeld waren.

 

Een appelboom kan alleen gelukkig zijn als hij appels voortbrengt, een rozenstruik wanneer hij zijn rozen laat bloeien.

En een mens? Wanneer hij vanuit het diepste van zijn hart kan zeggen: ‘Niet mijn wil, maar Uw wil geschiedde’ en daar ook naar leeft.

 

Overdenkingen van Fran  30/03/2006

 

24. Palmpasen

Het is Palmpasen en ik zie de bomen,
De palmen weer met kinderogen aan:
Hun blaadren die als vogelveren stromen
En in de top der stam gestoken staan.

 

En alles is bereid Hem te ontvangen,
En de verwachting vlamt op elk gelaat:
De kreupelen die aan hun krukken hangen,
De honden en de blinden van de straat.

 

Er draaft een ezeltje met rechte oren
Als aan de witte klasmuur van mijn jeugd;
Al heeft het Jezus van zijn rug verloren,

 

Ik zie Hem in mijn kinderlijke vreugd,
En zachtjens juicht het kind in mij verblijd:
Hosannah die de Zoon van David zijt.

 

  Bertus Aafjes (uit: 'Het koningsgraf', Amsterdam 1948)

 

 

25. Pasen 2006

Gekleurde eierdoppen op het bord
de lege schalen onverkort
als tekenen van feest en vreugde.
De maretak, het kruis, het leed
dat toen geschiedde
moest een nieuwe toekomst bieden.


Een toekomst in geloof en diep vertrouwen
waarop de mensheid echt kon bouwen,
bouwen aan gerechtigheid en vrede
geldt dit dan ook nog voor het heden?
Pasen, een feest van menselijk genot
geworden tot een lege dop.

 

Henk Banis.
www.hwfb.org

26. Emmaüs

De tocht terug is nooit zo lang geweest.
Jeruzalem een puin, de droom verdroomd.
Al wat men in de oude Schriften leest
is tevergeefs, voor altijd weggehoond.

 

De mijlen naar hun oude dorp doen pijn.
Twee volgelingen gaan vermoeid hun weg
van dagelijks brood en amper samenzijn,
bedroefd om alles wat hun werd ontzegd.

 

"Te klein is uw geloof in de profeten."
Alleen hun oren zien, ze houden halt,
vernemen wat men nooit meer kan vergeten
en vragen: "Blijf bij ons, de avond valt."

 

  Patrick Lateur (uit: 'Ravenna', Uitgeverij P, Leuven 2001)

 

27. Berouw

 

In den schemer het angstige luistren
Naar den wind, die waait om de huizen.
Van de wilgen stuiven de pluizen,
Wit in den regen van 't duister.

 

Ver weg het bedwelmend bruisen
Van de zee: haar vage geluiden
Eentonig, versmelt met het ruischen
Van het bloed, zoo warm en duister.

 

In het duistren en het ruischen
Een buigend mensch, arm en donker...
Op een heuvel stonden drie kruisen.
Gij leedt daar, ik weende er onder.

 

Willem de Mérode  uit: 'Verzamelde gedichten', UM Holland, Amsterdam 1952

 

28. Paasmorgen

Nu is de morgen gerezen
boven de dood en het graf,
van angstig hopen en vrezen
hangt Gods rijk niet meer af;

allen die zijn gekomen
op deze derde dag,
zien 't Eeuwig Licht ontstromen
waar Christus begraven lag;

engelen en heiligen knielen
waar de Zoon verheerlijkt staat:
Zon voor Wie de duivelen vielen,
Die niet meer ondergaat!

Zingende en in verblijden
met alle zielen tezaam,
Winnaar der hel, door Uw lijden
loven ook wij Uwen Naam!


  A. J. D. van Oosten   A.J.D. van Oosten (1898-1969) publiceerde het gedicht 'Paasmorgen' in 1936 in zijn bundel 'De dag beweegt' (Bosch & Keuning, Baarn). Het is herdrukt in Hans Werkmans bloemlezing 'Naam die oplicht in de nacht' (Mozaïek, Zoetermeer 2004).

 

29. De andere Maria

Ook ik ben droevig naar een dode Heer gegaan,
en heb met tranen bij zijn open graf gestaan.
Ik wilde Hem de laatste eer bewijzen;
en was vergeten,dat Hij zou verrijzen;
Ik maakte mij veel zorgen om de zware steen.
Wie zou hem wentelen van het graf?


Ik was alleen.
Maar in de hof vroegen de hemelboden
Wat zoekt gij Hem,Die leeft,
hier bij de doden?

Dat Hij verezen was,begreep ik later pas.
Omdat ik nog niet wist,
hoe eind'loos groot Hij was.


Soms denkt de liefde klein van 't liefste wezen.
Om eigen kleinheid en om eigen vrezen.
In wanhoop wilde ik de Meester zoeken gaan,
maar plots'ling hoorde ik zijn stem:
Hij zei mijn naam!


Nu ik door Jezus zó mijn naam mocht horen.
Ben ik tot het leven uit de dood geboren!


Gerrit Kloos

  30. In het lijden

Laat mij in het lijden

heel dicht naast U staan

en dan samen met U

Golgotha opgaan.

U, als aller Koning,

ik, deemoedig, klein,

zo met U verbonden,

Jezus, bij U zijn!

 

Laat mij in het lijden

bij het kruishout staan

en beseffen wat U

voor mij hebt gedaan:

In de dood gedreven

als een willig Lam,

dat mijn zond’ en schulden

liefd’rijk op zich nam.

 

Laat mij in het lijden

denken aan de spot,

die U moest verdragen

in Uw droevig lot,

om dan stil U volgen

op het smalle pad,

tot ik zien zal hoe U

mij hebt liefgehad!

 

Frits Deubel

 

31. Paastijd

Het drama van Golgotha wordt weer herdacht
Hoe Hij op beestachtige wijze is afgeslacht
Waarom heeft Hij zich aan het kruis laten slaan?
Dacht de mens dat het daarmee was afgedaan?

Hij bracht een boodschap van LIEFDE voor alle mensen
Konden we ons nog iets mooiers wensen?
LIEFDE voor ieder mens op deze planeet
Jammer dat menig mens dat steeds vergeet

Als we deze LIEFDE steeds de rug toekeren
Blijkt dat wij nog heel veel moeten leren
Opnieuw wordt Hij door ons dan aan het kruis geslagen
Wanneer we deze liefdesboodschap niet uit willen dragen.

Nee Christus is niet voor ons aan het kruis gegaan
Hij liet zich voor ons niet met spijkers doorboren
Luister eens goed naar je innerlijke stem
Dan zul je vaak horen ook ik verloochende Hem

Door steeds LIEFDE te geven aan ieder mens
Dan vervul je Christus zijn grootste wens.
Alleen daarvoor is Hij vermoord
LIEFDE, LIEFDE, LIEFDE, was Zijn woord.


Henk R.

 

http://www.liefdesband.nl

 

32. Paastijd II

Paarse doeken
sobere rituelen
mensen
bij elkaar
zo velen
wijn gedronken
brood gegeten
samenzijn
en niet vergeten
er wringt
een traan
om dit
sobere bestaan.

En plots
wanneer de klokken
luiden
ontwaakt
een wit en gele lente
er stijgt
een zoete geur
omhoog.

 

Wim Hoogers

 

33. Gebed voor Goede Vrijdag

O God,
Wanneer leren we het nou eens?
Eeuwen zijn verstreken en is er ook maar iets veranderd?
Zijn de mensenharten ook maar iets verzacht?
Nog steeds is de lijdensweg van Jezus Christus onderwerp van kunstuitingen!
Dat is hartverscheurend waar. Te waar om mooi te zijn.
Nog steeds veroordelen wij elkaar en onszelf massaal.


 Nog steeds verraden wij elkaar.
 Nog steeds zetten we elkaar en onszelf gevangen.
Nog steeds doen wij elkaar en onszelf pijn.
Nog steeds verwarren en overvallen wij elkaar.
Nog steeds vergeten we elkaar.


Wanneer dringt nou eens tot ons door wat de bedoeling is?
 Jouw liefde te laten zien aan elkaar.
 Jouw licht te laten schijnen voor elkaar.
Hartverwarmend mens te zijn voor elkaar.
Vergeef ons en verzoen ons met de vijanden in ons en buiten ons.
 In Jouw Naam: geef ons vrede!


Kom ons tegemoet en help ons heel maken wat gebroken is,
warm maken wat verkild is, zacht maken wat verhard is,
aan het licht brengen wat in het duister is verborgen,
verlossen wie gevangen is,
vreugde brengen waar verdriet is,
aandacht geven waar eenzaamheid is.


Laat dit een Goede Vrijdag zijn.
 Help ons hier doorheen.
Geef ons geduld en kracht om te wachten op Stille Zaterdag
en te vertrouwen en los te laten,
zodat wij herboren, vrij en gezegend opstaan met Pasen.


Amen


Jacqueline ten Holte   bron: nieuwsbrief@gnostiek.nl

 

34.   Leven!

 

Ook wij lijden deze dagen!

Elke slag die men U gaf,

onbarmhartig, wreed en laf,

zelfs het kruis dat U moest dragen,

laat bij ons de wonden steken

alsof het vandaag gebeurt

en de hemel openscheurt

in een woeste wolkendeken.

 

Ook wij wenen deze dagen,

omdat schijnbaar al Uw pijn

om ons heil vergeefs moest zijn,

eindigend in duizend vragen,

die zo zwaar zijn te begrijpen

voor degeen die op U bouwt

en zo menig veld aanschouwt

waar geen vruchten zullen rijpen.

 

Ook wij smeken deze dagen.

Laat ons ’t werk dat U begon

en in moede harten drong

als Uw kind’ren verder dragen,

opdat ’t goede zal verwinnen

en elkeen verneemt de stem:

Jezus leeft en wij met Hem!

Leven laat zich nooit bedwingen!

 

Frits Deubel

 

35. de weg ten leven

De opstanding van onze Heer

is als een draad verweven

in onze prille kindertijd

en daar met glans omgeven.

We luisterden hoe Hij de dood

voor ons kon overwinnen

en wie wil met zo’n sterke Held

het leven niet beginnen?

 

Wat was het goed van Hem te zijn,

die voor ons heeft geleden

en zelfs de diepten van de dood

onschuldig heeft betreden..

Het gaf zo’n rustig kindgevoel

Zijn vleug’len te bespeuren,

te weten wat er ook geschiedt,

mij kan geen kwaad gebeuren!

 

Maar als je groot wordt komt de dag

dat waarden gaan vervagen.

Doordat je minder waakzaam wordt,

gaan stemmen aan je knagen.

Je raakt de grootste wond’ren kwijt,

het worden slechts legenden

en God weent zachtjes omdat Hij

jouw woorden nooit zo kende.

 

Er is één weg, de weg terug,

die door een nacht omgeven

na Golgotha verrijz’nis schenkt.

Dat is de weg ten leven!

Hij, die voorwaar is opgestaan,

gaat zeeg’nend daarop mede.

Je wordt als vroeger weer een kind

dat wandelt met de vrede.

 

Het kruis staat lichtend voor je oog.

Ook jij zult overwinnen,

naast Hem die jouw Verlosser is

de weg opnieuw beginnen,

de geest van: zou het? achter je

en voor je: Ik zal vechten,

met Jezus als mijn Vriend en Heer

de levensstrijd beslechten!

 

Hij, die de derde dag verrees,

laat ons ook heden horen

Zijn roepstem die zo dringend klinkt,

nog luider dan tevoren:

”Ik leef en die in Mij gelooft

kan Ik Mijn almacht tonen.

Een elk die waarlijk kind wil zijn

zal ’t hemelrijk bewonen!

 

Frits Deubel

 

36. als ik

Als ik naast ’t kruishout had gestaan

in Jezus’ donk’re nachten,

toen niemand maar één hand uitstak

zijn pijnen te verzachten,

had ik dan luid geschreeuwd: ”Houd op!

dit mens beging geen zonden,

er is geen enkel argument

voor zo’n gericht gevonden!”

 

Zou ik op straffe van de dood

gevochten hebben met soldaten

die Jezus spuwden in ’t gezicht,

Hem met hun ogen haatten?

Zou ik geroepen hebben: ”Heer,

ik wil Uw sterven wreken!”

Of had ik, zoals velen daar,

slechts lijdzaam toegekeken?

 

Ik weet niet wat ik had gedaan,

misschien gehuild, gezwegen,

zelfs toen Zijn laatste, diepe roep
ten hemel was gestegen.

Maar als men nú Zijn naam miskent,

dan zal ik voor Hem strijden

en met de liefde die Hij bracht

Zijn grootse werk belijden!

 

Frits Deubel

 

37. Pasen

Ik mag van geluk spreken,
als ik aan mijn Heiland denk,
en dat ik weet van Zijn geschenk.
Ik mag van geluk spreken,
als ik denk aan al Zijn liefde,
ik ben verlost,hoe 'k Hem ook griefde,
Ik mag van geluk spreken,
als ik denk aan Zijne trouw,
en dat ik weet,dat 'k van Hem hou.

 

Ik mag van geluk spreken,
dat ik ken het kostbaar bloed,
en dat ik weet,wat is Hij goed,
ik mag van geluk spreken,
dat ik weet van Zijn gena,
ook voor mij op Golgotha.
En ik mag van geluk spreken,
dat ik deel heb aan dat kruis,
en dat ik weet:Ik ga naar Huis!!

 

Gerrit Kloos

 

38. een overwinnaar

Daar gaat een godskind door de nacht.

Hij draagt een kruislast met zich mede,

en eenzaam gaat hij schreê voor schrede,

doch uit zijn mond hoort men geen klacht.

 

Met beide handen vast omvat,

torst hij zijn kruis haast niet te tillen,

en om de pijn der last te stillen,

legt hij het even op het pad.

 

Soms blikt hij opwaarts en blijft staan.

Hij bidt: "Mijn God, ik wik U vragen,

laat mij dit kruis gewillig dragen,

zelfs als ik door een dal zal gaan."

 

Dan heft hij weer gesterkt zijn kruis.

Hij tilt het hoger dan tevoren,

en zacht kun je hem zingen horen,

een lied van heimwee naar zijn huis.

 

Zo trekt hij voorwaarts tot het licht,

van de verbeide dag gaat gloren,

en 't welkom dat hij reeds mag horen,

met nieuwe moed hem huiswaarts richt.

 

En als zijn voeten op de drempel staan,

draagt Vader hem liefdevol naar binnen,

en blijde engelenkoren juichend zingen:

"Een overwinnaar is weer ingegaan!"

 

Gerrit Kloos

 

39. te mogen leven

Nu is het graf voorgoed geopend,

en Jezus de Verlosser lééft!!

Nu is de boodschap wáár gebleken,

dat Hij de wereld uitzicht geeft.

Hij leeft! Dus wil Hij bij ons wonen.

Hij leeft! Dus hoort Hij onze stem.

Hij leeft! Dus is Zijn kracht de onze.

Hij leeft! Dus leven wij voor Hem..

 

Wij mogen delen in zijn wonder,

dat heel ons daag'lijks doen doorbreekt,

en dat de glans van 't eigen kunnen

te niet doet en totaal verbleekt.

Zijn wonder dat ons mens'lijk denken,

zó in beslag neemt en bevrijdt,

dat 't groeien naar Gods welbehagen,

nog slechts een kwestie is van tijd

 

God, die de banden hebt gebroken:

laat mij óók in de ruimte staan!

Geef, dat de drang naar 't nieuwe leven,

zal zwellen tot een heilsorkaan,

die heel mijn hart zal openscheuren,

zodat uw kracht er werken kan,

en ik, ontdaan van eigen luister,

weer bruikbaar word voor 't grootse plan,

dat U door mij wilt gaan vervullen;

de wereld móet uw heil verstaan!

 

God, als U mensen daartoe uitrust,

wil dan bij mij beginnen gaan!

 

 

Gerrit Kloos

 

40. Haec Dies 

De dood, de duist're, hield Hem niet,
geen steen, geen wade of breidel –
Hij steeg als 't eerste merellied,
want was dit wonder niet geschied:
zijn woorden bleven ijdel.

En alle leven is in 't Woord
voor wie zijn ziel kan dragen
zoo nieuw als lied'ren die men hoort
wanneer de merel, ongestoord,
het lente-licht ziet dagen.

O licht, o lied, o merelkeel
die voor den grafsteen beven –
was ooit een menschenwoord te veel
wanneer het voor een enkel deel
in Zijn geluk wil leven?

De Meesterzanger overal
maakt dronken van geluiden,
zij gaan als golven door het dal –
o zingend hart, gij weet het al:
de klok komt uit het Zuiden.

Het ritselt reeds in de spelonk
waar klare waters vloeien,
een vlam sprong uit de tondelvonk,
een lijkkleed zonk, het lichaam blonk,
geslaakt zijn alle boeien.

Hij stijgt, de horizon wordt rood,
Zijn purp'ren wonden lichten –
nu zweeft Hij boven hel en dood
en maakt het exultemus groot
in monden en gezichten.

Geen mensch is zoo melaatsch en klein
die hier niet kan genezen,
want alle wonden worden rein
en ieder ijdel woord een schijn
als Christus is verrezen.

 

  Jan Engelman

(posthuum voor Willem Asselbergs)
(uit: 'Het bittermeer', Querido, Amsterdam 1969)

41. Goede Vrijdag

Ik zag Hem op zijn kruis, gelaten en verduldig,
Met nagelen door zijn hand, en doornen in zijn hoofd;
Bloed stroomde langs zijn oog gebroken en verdoofd;
Hij stierf voor uwe schuld, en voor de mijne, onschuldig!

 

Ik heb opnieuw bemind, daar 'k weder heb geloofd!
Ik weet, mijn zonden zijn zo zwaar, zo menigvuldig;
Doch, heeft de laatste blik van Deze, die ik huldig,
Mij, arme kranke, niet zijn reddend hulp beloofd?

 

O reiniging door Bloed, gelijk de bloedschuld erflijk;
O wonderbare nacht, daar 't licht zijn oorsprong vindt,
O goddelijke dood, daar 't leven herbegint.

 

Komt herwaarts, gij die zegt: "Geen liefde is onbederflijk!"
Komt herwaarts, gij die treurt, omdat gij hebt bemind:
De liefde sterft voor u, en leeft voor u, onsterflijk

 

René de Clercq - Echo's (1900)

 

42. Vrij naar psalm 139 

Voor U
verlies ik m'n maskers,
houd ik op om op
m'n tenen te lopen,
houd ik op
om mezelf te verkopen,
want U heeft m'n prijs
allang betaald.

 

Dan sta of zit ik,
gebogen weliswaar,
maar m'n ogen gericht
op U.
U kent m'n woorden,
wegen en gedachten,
m'n rusteloze dagen,
m'n slapeloze nachten.

 

Nu vlucht ik niet meer.
Waarheen zou ik gaan?
U ziet elke beweging,
U kent m'n lopen,
m'n zitten en m'n staan.

Ik hoef niets meer
uit te leggen.


U begrijpt en verstaat
allang voordat ik praat.
U leest de woorden
nieuwsgierig
van m'n lippen
en vertaalt de tranen
van m'n woordeloze snikken.

 

U bergt me met uw liefde
in de holte van uw hand.
Het is te diep
voor m'n gevoel
en veel te groot
voor m'n verstand. 

 Michiel Gouman

43. De wijnstok

Het was de hovenier,
die in het vroege licht
de ranken heeft gericht,
diep in elkaar verward,
vervreemdend van het hart,
de wortelstok.

Geen zag wat zich voltrok
in het zeer vroege licht.
Hij raakte hen slechts aan:
zij zijn vaneen gegaan,
ontbonden
ontwonden.


Het was de hovenier.
Verwonderd, in vroeg licht,
gescheiden ongescheiden
de door zijn hand geleide
hartranken.
                    - Aan ons beiden
hebt gij het, God, verricht

 

Ida Gerhard

 

44. paasgedachte

Nog steeds begrijpt de massa niets

van de Calvarieberg

Ze denken Jezus stierf voor ons

dus is het niet zo erg

 

We ondergaan niet meer de straf

voor ’t verkeerde wat we deden

Zodra wij verrijzen uit ons graf

dan is het leed geleden

 

Ze kennen geen oorzaak en gevolg

de karma’s die ze schiepen

Ze willen er niets van weten

en zich daarin niet verdiepen

 

Degene die bewuster is

die kan het gaan bevoelen

Dat Christus het ons leerde

wat Hij hiermee wilt bedoelen

 

29.3.2007 Adriana Briesbroeck

 

 

45.  Jezus of Barabbas

 

Elke dag weer moet ik kiezen:

 Jezus, ofwel Barabbas.

't Gaat om winnen of verliezen,

om wat kómt of om wat wàs.

 

Steeds weer moet ik antwoord geven

op die vraag, zo klemmend groot:

Wil je door de dood naar 't leven,

of door 't leven naar de dood?

 

En mijn hart kiest Jezus' zijde,

maar 'k wil niet naar Golgotha,

want ik ben zo bang voor 't lijden

daarom schreeuw ik and'ren na.

 

God, Gij weet het, want Gij kent mij,

ziet mij vóór Pilatus staan;

daarom smeek ik U: vergeef mij,

spreek mij vrij in Jezus' naam!

 

Nel Benschop

 

46. Twee ‘Stille Week’ gedichten van Hans Stolp.

 

Uitleg van Hans: ‘Dit zijn teksten die ik drie jaar geleden ontving, toen ik in de geest werd meegenomen naar Golgotha en daar mocht schouwen naar wat er tweeduidend jaar geleden op die heuvel gebeurde. Deze teksten zijn meer dan woorden: ze hebben een bijzondere kracht.’

 

Mijn Stille Week

 

Begroet op Palmzondag met vreugde de innerlijke Christus:

hij wil in jou geboren worden en jou omvormen

tot een nieuw mens die beeld van God is. Kijk, en verheug je.

 

Begin op maandag met de innerlijke schoonmaak:

laat alle angst, jaloezie en het verlangen naar zekerheid los

en durf te leven zoals de Geest zelf het je wijst.

 

Zie op dinsdag de innerlijke strijd onder ogen:

zie hoe het ego zich verzet, want zich niet wil onderwerpen

aan de hogere krachten van de innerlijke Christus.

Zie hoe deze strijd in jezelf steeds heftiger wordt

en hoe je heen en weer wordt geslingerd tussen

de verlangens van het ego en de vrede van het hoger zelf.

 

Zie hoe je op woensdag de innerlijke Christus verraadt:

meegesleept door de opzwepende krachten van het ego

kun je niet anders meer dan kiezen voor het ego.

Maar op die dag ontwaakt tegelijk diep van binnen

een dieper weten: je voelt dat je door de dood van het ego heen

eindelijk een mens van de vrede zult worden: alleen zo.

 

Op donderdag mag je al iets voelen van die vrede

die in stilte door je ziel begint heen te stralen.

Je mag voelen hoe het worden gaat, straks,

als het ego is gestorven en omgevormd.

 

Op vrijdag is plotseling alles anders: voorbij is de vrede

en de driften van het ego nemen weer de overhand. Angst,

boosheid, onmacht en oud verdriet slepen je mee, zo sterk

en zo heftig, dat je vanbinnen stuk gaat: je weet je geen raad

meer met jezelf. Al je hoop sterft, je weet jezelf een dode.

 

Op zaterdag kijk je terug: waarom moest het zo gaan?

Je hebt het gevoel dat diep vanbinnen van alles beweegt,

maar je hebt er geen vat op, begrijpt het niet, en geeft je over

aan de melancholie die rest nu je hoop gestorven is.

 

Maar in de nacht van zaterdag op zondag voel je vanbinnen

het eerstelingsbewegen van een nieuwe, omgevormde hoop.

Verwachting begint je stil, maar tegelijk zo voelbaar te vervullen.

En als de nieuwe dag aanbreekt, voel je je een ander mens.

 

En hoe meer het licht van de zon op die paaszondag doorbreekt,

hoe meer je begint te voelen: ik ben een nieuw een ander mens

geworden. Voortaan leven de onbreekbare krachten van de vrede

en de liefde in mij, want ik ben omgevormd tot een mens

van louter liefde. Zo begint op Paasmorgen mijn nieuwe leven.

 

Hans Stolp

 

 

 

De Stille Week

 

U, Meester, die op palmzondag op een ezel de stad

binnen reed en Christus, de hoge Zonnegeest,

Jeruzalem binnen droeg: het was als ging eindelijk

de zon van het weten op die de mensen tot extase bracht.

 

U, die op maandag de tempel schoonveegde,

U leerde ons bewust te worden van die stille stem

in ons hart, ons geweten, meer dan alleen maar

gehoorzaam te zijn aan welke wet dan ook.

 

U, die op dinsdag met groot gezag de aanvallen

pareerde, waarmee de schriftgeleerden

en Farizeeërs U belaagden; U, die een achtvoudig

wee u uitsprak over leidslieden die niet

het geweten, maar de kille wet centraal stelden;

U leerde ons de weg naar binnen te gaan.

 

U, die op Woensdag in de kring van vrienden

en leerlingen vol liefde gezalfd werd, U moest

diezelfde dag ervaren hoe één van uw leerlingen

U verried en verkocht. Waar U bent, komen

liefde en haat onverhuld aan het licht .

 

U, die op Donderdag vol dankbaarheid de voeten

van uw leerlingen waste en voortijdig dreigde

te sterven in Gethsemané, U overleefde er de dood.

 

U, die op Vrijdag op Golgotha stierf: uw bloed

druppelde in de aarde en verrijkte haar daardoor

met uw geestkracht. Uw bloed werd tot wijn.

 

Op Zaterdag begroef een aardbeving uw dode lichaam

diep in de aarde; heilige energieën kwamen vrij

en vormden de aarde om: uw lichaam, het brood der aarde.

 

U, die op dezelfde Zaterdag, gehuld in een goddelijk

licht de astrale wereld binnentrok, U wekte er

de vele gestorvenen die de weg waren kwijtgeraakt

en bracht hen in een kosmische processie eindelijk thuis.

 

U, die op Zondag in een stralend zonnelichaam

verscheen aan Maria Magdalena en aan uw leerlingen,

U bracht de Zonnegeest naar de aarde en riep ons op

deze op te nemen in ons hart. Zo verheft U ons

vanuit de kille sfeer van ons ego tot in de sfeer

van ons hoger zelf: onze innerlijke Christus.

 

             Meester, mijn hart is vol van U, van U alleen.                 

 

Hans Stolp

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL