Kahlil Gibran


   


Er zijn zoveel prachtige teksten van deze bijzondere man te vinden. Daarom besloot ik een pagina van deze website aan hem te wijden. Ik hoop dat jullie ervan genieten.

Kahlil Gibran, dichter, denker en schilder. Hij werd geboren in Bisharri in Libanon en stierf op 48-jarige leeftijd in New York.
Miljoenen over de hele wereld, die met zijn geschriften vertrouwd zijn, beschouwen Gibran als een van de grootste geesten van onze tijd.
Zijn werk werd in meer dan 25 talen vertaald. Zijn schilderijen en tekeningen zijn over de hele wereld verspreid.

 

 

 

 

Citaten in het Nederlands - Engelse citaten - Uittreksels en korte verhaaltjes - De Storm -


 

Citaten en gedichten.

 

ZELFKENNIS.....

 

Je hart kent in stilte de geheimen van de dagen en de nachten.

Maar je oren dorsten naar de klank van de kennis van je hart.

Je zou in woorden willen kennen wat je altijd in je gedachten hebt gekend.

Je zou met je vingers het naakte lichaam van je dromen willen betasten.

 

En zo is het goed.

De verborgen bron van je ziel moet opzwellen en murmelend naar de zee stromen;

en de schat uit je oneindige diepten zal aan je ogen geopenbaard worden.

Maar laat er geen weegschaal zijn om je onberekenbare schat te wegen;

en peil niet de diepten van je kennis met staf of dieplood.

Want het zelf is een grenzeloze en onmetelijke zee.

 uit:  de profeet

 

 

ALS ZE WAKKER ZIJN...

zeggen ze tegen me:

'Jij en de wereld waarin je leeft,

zijn maar een korrel zand

op de oneindige kust van een oneindige zee.'

En in mijn droom antwoord ik hen:

'Ik ben de oneindige zee,

en alle werelden zijn maar korrels zand op mijn kust.'

 

  Uit: dagboeken

 

 

Liefde die vrij is van jaloezie...

is een hemelse liefde, rijk

en nooit schadelijk voor de geest.

Het is een diepe verwantschap

die de ziel baadt in tevredenheid,

een diepe honger naar genegenheid die,

wanneer zij wordt voldaan,

de ziel vult met overvloed,

een tederheid, die hoop schept

zonder dat zij de ziel in opschudding brengt,

die de aarde verandert in een paradijs

en het leven in een lieflijke, mooie droom.

 

xxxxx

 

Het is verkeerd te denken.....

dat liefde ontstaat uit lang met elkaar omgaan

en volhardende hofmakerij.

Liefde is de vrucht van geestverwantschap

en als deze niet in een oogwenk wordt gewekt,

zal zij in geen jaren of zelfs generaties ontstaan.

Zo verandert de uiterlijke verschijningsvorm

van de dingen

in overeenstemming met onze gevoelens

en zo zien we daarin toverkracht en schoonheid,

terwijl deze zich in werkelijkheid

in onszelf bevinden.

  

  uit: Gebroken Vleugels

 

 

Je hart kent in stilte de geheimen van de dagen

en de nachten.

Maar je oren dorsten naar de klank

van de kennis van je hart.

Je zou in woorden willen kennen

wat je altijd in je gedachten hebt gekend.

Je zou met je vingers het naakte lichaam

van je dromen willen betasten.
En zo is het goed.

De verborgen bron van je ziel moet opzwellen

en murmelend naar de zee stromen;

en de schat uit je oneindige diepten

zal aan je ogen geopenbaard worden.

Maar laat er geen weegschaal zijn om je

onberekenbare schat te wegen;

en peil niet de diepten van je kennis met staf

of dieplood.

Want het zelf is een grenzeloze en onmetelijke zee.

 

ZO WERD IK EEN DWAAS............

En ik heb in mijn dwaasheid

zowel vrijheid als veiligheid gevonden;

de vrijheid der eenzaamheid,

en de veiligheid van niet-begrepen-worden,

want wie ons begrijpen, maken iets in ons tot slaaf.

 

Uit: De Dwaas

 

 

Als je staat aan het begin van je kennen,
sta je aan het begin van je voelen.
Wie alleen kan zien wat het licht onthult
en alleen kan horen wat het geluid verkondigt,
ziet en hoort eigenlijk niets.

De werkelijkheid van iemand anders
is niet gelegen in het feit wat hij je onthult
maar in wat hij je niet kan onthullen.
Als je hem dus wilt begrijpen
luister dan niet naar wat hij zegt,
maar veel meer naar wat hij niet zegt.

Jij en ik blijven vreemden voor het leven,
voor elkaar en voor onszelf,
tot de dag waarop jij spreekt en ik luister
omdat ik meen dat jouw stem mijn eigen stem is
en ik, wanneer ik voor je sta,
meen dat ik mezelf zie staan voor een spiegel.

 

Een scheikundige die uit zijn hart

 de compassie, het respect, het verlangen,

het geduld, de spijt, de verrassing

en de vergeving

weet de extraheren

en ze samenvoegt tot een eenheid,

schept het atoom

dat LIEFDE genoemd wordt. 

 

 

Geen mens kan je openbaren dan wat reeds
half slapend in de dageraad van je kennis ligt.
De leraar die in de schaduw van de tempel wandelt,
te midden zijner leerlingen,
geeft niet van zijn wijsheid,
maar veeleer van zijn geloof en zijn liefde.
Zo hij inderdaad wijs is,
nodigt hij je niet uit het huis
van zijn wijsheid binnen te treden,
maar leidt je naar de drempel van je eigen geest.

 
 

 

Omdat de stem de tong en de lippen niet hoeft
te dragen op zijn vleugels,
kan hij de hemel doorkruisen.
Zo vliegt ook de adelaar door
het uitgestrekt firmament
zonder zijn nest
op de rug mee te dragen

 

 

 

Ze zeggen: 'Als een slaaf in slaap gevallen is,

moet je hem niet wakker maken.'

Ik zeg: 'Als een slaaf in slaap gevallen is,

moet je hem wakker schudden en over de vrijheid vertellen.'

 

 

LIED VAN DE ZIEL

 

In de diepte van mijn ziel is

Een woordeloos lied - een lied dat woont

In het zaad van mijn hart.

Het weigert om samen te smelten met inkt

Op papier. Het overspoelt mijn gevoelens

In een transparante mantel en vloeit,

Maar niet over mijn lippen.

 

Hoe kan ik het verlangen? Ik ben bang dat

Het zich vermengt met aardse ether.

Voor wie zal ik het zingen? Het woont

In het huis van mijn ziel, in vrees voor

Verharde oren.

 

Toen ik in mijn innerlijk zocht,

Zag ik de schaduw van haar schaduw.

Als ik mijn vingertoppen aanraak,

Voel ik haar trillingen.

De daden van mijn handen zien haar

Aanwezigheid zoals een meer de schittering

Van de sterren weerspiegelt. Mijn tranen

Onthullen haar, zoals heldere dauwdruppels

Het geheim van een verwelkte roos onthullen.

 

Het is een lied ontstaan in gedachten

En uitgevoerd in stilte,

Gemeden door schreeuwers,

En omhelsd door waarheid,

Herhaald door dromen,

En begrepen door liefde,

Verborgen bij het ontwaken

En gezongen door de ziel.

 

Het is het lied van de liefde.

Welke KaÔn of Ezau kan het zingen?

Het is geuriger dan jasmijn.

Welke stem kan het tot slaaf maken?

 

Het is een hartsgeheim zoals dat van een maagd.

Welke snaar kan het doen trillen?

Wie durft het gebulder van de zee te verenigen

Met het zingen van de nachtegaal?

Wie durft het geloei van de storm te vergelijken

Met de zucht van een kind?

Wie durft de woorden hardop uit te spreken

Die bedoeld zijn voor het menselijk hart?

Welke mens durft het

Lied van God te zingen?

Als je staat aan het begin van je kennen,
sta je aan het begin van je voelen.
Wie alleen kan zien wat het licht onthult
en alleen kan horen wat het geluid verkondigt,
ziet en hoort eigenlijk niets.

De werkelijkheid van iemand anders
is niet gelegen in het feit wat hij je onthult
maar in wat hij je niet kan onthullen.
Als je hem dus wilt begrijpen
luister dan niet naar wat hij zegt,
maar veel meer naar wat hij niet zegt.

Jij en ik blijven vreemden voor het leven,
voor elkaar en voor onszelf,
tot de dag waarop jij spreekt en ik luister
omdat ik meen dat jouw stem mijn eigen stem is
en ik, wanneer ik voor je sta,
meen dat ik mezelf zie staan voor een spiegel.

 

Onze God, die ons gevleugeld zelf bent, het is jouw wil die in ons het willen werkt.

Het is jouw verlangen in ons dat hunkert.

Het is jouw drang in ons die onze nachten, die de jouwe zijn, wilt doen verkeren in dagen, die ook de jouwe zijn.

Wij kunnen je niets vragen, want je kent onze noden, voor zij in ons geboren worden.

Je bent wat wij nodig hebben; en ons meer gevend van jezelf, geef je ons alles.

 

(Uit "Spiegels van de ziel")

 

Ofschoon we voortdurend
worden overspoeld door
een golf van woorden,
is onze diepte
voor immer stil.

 

Als je je geheimen aan de wind onthult,

verwijt hem dan niet dat hij ze doorvertelt aan de bomen.

 

Vergeetachtigheid is een vorm van vrijheid.

 

Een groot mens heeft twee harten:

 het ene bloedt en het andere verdraagt.

 

Wie van zijn bezit iets weggeeft, geeft slechts weinig;

echt geven is: zichzelf geven.

 

Geliefden omhelzen meer wat tussen hen is dan elkander.

 

Een overdrijving is een nijdig geworden waarheid.

 

Als twee vrouwen spreken zeggen zij niets,

als ťťn vrouw spreekt openbaart zij het leven.

 

Laat openingen in uw samenzijn

 zodat de hemelwind tussen u danst.

 

Hoe dieper verdriet in uw wezen kerft,

 hoe meer vreugde u kunt bevatten.

 

Wanneer of je vreugde of je smart groot wordt,

wordt de wereld klein.

 

Gij zijt de boog waarmee uw kinderen als pijlen

het leven in worden geschoten.

De boogschutter ziet het doel op het pad van de oneindigheid

en spant u met al zijn kracht opdat zijn pijlen gezwind

en ver vliegen.

Laat het spannen door de boogschutter u tot vreugde zijn.

 

Wanneer je het prettig vindt je buurman lief te hebben,

 houdt het op een deugd te zijn.

 

Vreemd is het dat schepselen zonder ruggengraat

de hardste huid bezitten.

 

Wij lenen vaak van de toekomst

om de schulden van het verleden te betalen.

 

Iedere man heeft twee vrouwen lief:

de ene is de schepping van zijn verbeelding,

de andere is nog niet geboren.

 

Wie zijn deugdzaamheid enkel draagt als zijn zondagse kleren kan beter naakt gaan.

 

 Als we elkaar allemaal onze zonden zouden opbiechten dan zouden we elkaar allemaal uitlachen om ons gebrek aan originaliteit.

 

Eigenlijk praten we alleen tegen onszelf, maar soms praten wij luid genoeg zodat anderen ons kunnen horen.

 

We leven slechts om schoonheid te ontdekken. Al het andere is een vorm van afwachten.

 

Een overdrijving is een waarheid die haar geduld heeft verloren.

 

Misdaad is een andere naam voor nood of een aspect van een kwaal.

 

Je vreugde is je verdriet ontmaskerd.
En de zelfde bron waar je vrolijkheid uit opstijgt, was vaak gevuld met je tranen.
Hoe kan het anders zijn?

 

Ik werd opnieuw geboren toen mijn ziel en mijn lichaam elkaar liefkregen

 en een huwelijk aangingen

Wanneer je het eindpunt bereikt van je kennis sta je aan het beginpunt van je voelen.

 

De eerste gedachte van God was een engel

Het eerste woord van God was een mens.

 

Liefde is een woord van licht, geschreven door een hand van licht, op een blad van licht.

De liefde geeft alleen zichzelf en put ook uit zichzelf alleen.

De liefde neemt niet in bezit, en wil ook niet in bezit genomen worden;

want de liefde is zichzelf genoeg.

En als je liefhebt zeg dan niet: 'God woont in mijn hart',

maar veeleer: 'Ik ben in het hart van God'.

En meen niet dat je richting geven kunt aan liefde's loop,

want de liefde richt, zo zij je waardig acht, je loop.

De liefde zoekt alleen zichzelf te vervullen.

Haat is een dood iets. Wie van jullie wil een graf zijn.

De strijd in de natuur is enkel de wanorde die naar orde verlangt.

Elke gedachte die ik in een vorm gevangen heb, moet ik bevrijden door mijn daden.

Geen mens kan je openbaren dan wat al slapend in de dageraad van je kennis ligt.

Want wat is sterven anders

 

Want wat is sterven anders dan naakt staan in de wind
en samensmelten met de zon?
En wat is ophouden met ademen anders
dan de adem bevrijden van zijn rusteloze eb en vloed,
opdat hij ombelemmerd oprijst en zich ontvouwt en op zoek gaat naar God?
Alleen wanneer je uit de rivier van stilte gedronken hebt, zul je waarlijk zingen.
En wanneer je de top van de berg bereikt hebt,
pas dan zul je beginnen met klimmen.
En wanneer de aarde je ledematen zal opeisen,
pas dan zul je werkelijk dansen.

 

 


 

Citaten (Engels)

 

Quotations from "Love Letters" A book of letters  between Khalil Gibran & Mary Haskell  


A man can be free without being great, but no man can be great without being free.
(Khalil Gibranís letter May 16, 1913.)

 

"With you, Mary," he said today, "I want to be just like a blade of grass, that moves as the air moves it -to talk just according to the impulse of the moment. And I do."
(Khalil Gibran from Mary Haskellís Journal January 10, 1914.)

 

Sometimes you have not even begun to speak - and I am at the end of what you are saying.
(Khalil Gibran from Mary Haskellís Journal. July 28, 1917.)

 

You have helped me in my work and in myself. And I have helped you in your work and in yourself. And I am grateful to heaven for this you-and-me.
(Khalil Gibran from Mary Haskellís Journal. March 12, 1922.)

 

Demonstration of love are small, compared with the great thing that is back of them.
(Khalil Gibran from Mary Haskellís Journal. April, 28, 1922.)

 

I care about your happiness just as you care about mine. I could not be at peace if you were not.
(Khalil Gibran from his dairy 23rd April 1923)

 

What-to-Love is a  fundamental human problem.  And if we have this solution - Love what may Be- we see that this is the way Reality loves - and that there is no other loving that lasts or understands.
(Mary Haskellís Letter. February 2, 1915.)

 

I am so happy in your happiness. To you happiness is a form of freedom, and of all the people I know you should be the freest. Surely you have earned this happiness and this freedom. Life cannot be but kind and sweet to you. You have been so sweet and kind to life.
(Khalil Gibranís letter. January 24, 1923.)

 

When I am a stranger in a large city I like to sleep in different rooms, eat in different places, walk through unknown streets, and watch the unknown people who pass. I love to be the solitary traveler !
(From Khalil Gibranís Letter. May 16, 1911.)

 

I want to do a great deal of  walking in the open country. Just think, Mary, of being caught  by thunder storms! Is there a sight more wonderful than that of seeing the elements producing life through pure motion ?
(From Khalil Gibranís Letter. May 24, 1914.)

 

Knowledge is life with wings.
(Khalil Gibranís Letter. November 15, 1917.)

 

What the soul knows is often unknown to the man who has a soul. We are infinitely more than we think.
(Khalil Gibranís Letter. October 6, 1915.)

 

Marriage doesnít give one any rights in another person except such rights that a person gives - nor any freedom except the freedom which that person gives.
(Khalil Gibran from Mary Haskellís Journal. May 27, 1923.)

 

Among intelligent people the surest basis for marriage is friendship - the sharing of real interests- the ability to fight out ideas together and understand each otherís thoughts and dreams.
(Khalil Gibran from Mary Haskellís Journal. May 26, 1923.)

 

What difference does it make, whether you live in a big city or in a community of homes ? The real life is within.
(Khalil Gibran from Mary Haskellís Journal. May 27, 1923.)

 

But now I can put myself in your hands. You can put yourself in another personís hands when he knows what you are doing and as respect for it and loves it. He gives you your freedom.
(Mary Haskellís Journal. June 20, 1914.)

 

Mary, what is there in a storm that moves me so ? Why am I so much better and stronger and more certain of life when a storm is passing ? I do not know, and yet I love a storm more, far more, than anything in nature.
(Khalil Gibranís letter August 14, 1912.)

 

I often picture myself living on a mountain top, in the most stormy country (not the coldest) in the world. Is there such a place ? If there is I shall go to it someday and turn my heart into pictures and poems.
(Khalil Gibranís letter March 1, 1914.)

 

Imagination sees the complete reality, - it is where past, present and future meet... Imagination is limited neither to the reality which is apparent - nor to one place. It lives everywhere. It is at a centre and feels the vibrations of all the circles within which
east and west are virtually included. Imagination is the life of mental freedom. It realizes what everything is in its many aspects ... Imagination does not uplift: we donít want to be uplifted, we want to be more completely aware.
(Khalil Gibran from Mary Haskellís Journal. June 7, 1912.)

 

What is poetry ? "An extension of vision - and music is an extension of hearing."
(Khalil Gibran from Mary Haskellís Journal. June 20, 1914.)

 

When the hand of Life is heavy and night songless, it is the time for love and trust. And how light the hand life becomes and how songful the night, when one is loving and trusting all.
(From Khalil Gibranís letter December 19, 1916.)

 

A true hermit goes to the wilderness to find - not to lose himself.
(Khalil Gibranís letter October 8, 1913.)

 

If I accept the sunshine and warmth I must also accept the thunder and lightning.
(Khalil Gibran from Mary Haskellís Journal. March 12, 1922.)

 

If I can open a new corner in a manís own heart to him I have not lived in vain. Life itself is the thing, not joy or pain or happiness or unhappiness. To hate is as good as to love - an enemy may be as good as a friend. Live for yourseld - live your life. Then you are most truly the friend of  man. - I am different every day - and when I am eighty, I shall still be experimenting and changing. Work that I have done no longer concerns me - it is past. I have too much on hand in life itself.
(Khalil Gibran from Mary Haskellís Journal. December 25, 1912.)

 

I realized that all the trouble I ever had about you came from some smallness or fear in myself.
(From Mary Haskellís Journal. June 12, 1912.)

 

Follow your heart. Your heart is the right guide in everything big. Mine is so limited. What you want to do is determined by that divine element that is in each of us.
(Khalil Gibran from Mary Haskellís Journal. March 12, 1922.)

 

The relation between you and me is the most beautiful thing in my life. It is the most wonderful thing that I have known in any life. It is eternal.
(Khalil Gibran from Mary Haskellís Journal. September 11, 1922.)

 

An expression of that sacred desire to find this world and behold it naked; and that is the soul of the poetry of Life. Poets are not merely those who write poetry, but those whose hearts are full of the spirit of life.
(Khalil Gibranís letter July 17, 1915.)

 

The professors in the academy say, "Do not make the model more beautiful than she is," and my sould whispers, "O if you could only paint the model as beautiful as she really is."
(Khalil Gibranís letter November 8, 1908.)
 
That deepest thing, that recognition, that knowledge, that sense of kinship began the first time I saw you, and it is the same now - only a thousand times deeper and tenderer. I shall love you to eternity. I loved you long before we met in this flesh. I knew that when I first saw you. It was destiny. We are together like this and nothing can shake us apart.
(Khalil Gibran from Mary Haskellís Journal March 12, 1922.)
 
Each and every one of us, dear Mary, must have a resting place somewhere. The resting place of my soul is a beautiful grove where my knowledge of you lives.
(Khalil Gibranís letter November 8, 1908.)
 
We are expression of earth, and of life - not separate individuals only. We cannot get enough away from the earth to see the earth and ourselves as separates. We move with its great movements and our growth is part of its great growth.
(Khalil Gibran from Mary Haskellís Journal May 5, 1922.)

 

The trees were budding, the birds were singing - the grass was wet - the whole earth was shining. And suddenly I was the trees and the flowers and the birds and the grass - and there was no I at all.
(Khalil Gibran from Mary Haskellís Journal May 23, 1924.)
 
Let me, O let me bathe my soul in colours; let me swallow the sunset and drink the rainbow.
(Khalil Gibranís letter November 8, 1908.)
 
The most wonderful thing, Mary, is that you and I are always walking together, hand in hand, in a strangely beautiful world, nknown to other people. We both stretch one hand to receive from Life - and Life is generous indeed.
(Khalil Gibranís letter October, 22, 1912.)
 
His love is as restful as Nature itself. He has no standard for you to conform to, no choice about you, but is simply with your reality, just as Nature is. You are real, so is he: the two realities love each other - voila !
(From Mary Haskellís Journal December 29, 1912.)
 
No human relation gives one possession in another - every two souls are absolutely different. In friendship or in love, the two
side by side raise hands together to find what one cannot reach alone.
(Khalil Gibran from Mary Haskellís JournalJune 8, 1924.)
 
I want to be alive To all the life that is in me now, to know each moment to the uttermost.
(Khalil Gibran from Mary Haskellís Journal June 7, 1912.)
 
You listen to so much more than I can say. You hear consciousness. You go with me where the words I say canít carry you.
(Khalil Gibran from Mary Haskellís Journal June 5, 1924.)

 

The Prophet online lezen

 

 

Uittreksels.

 

AARDE
Kahlil Gibran

 

HOE PRACHTIG BEN JE, aarde, en hoe verheven!

Hoe volmaakt is je gehoorzaamheid aan het licht en

Hoe nobel is je overgave aan de zon!

 

Hoe liefelijk ben je, gehuld in schaduw, en hoe

Charmant is je gelaat, gemaskerd met duisternis!

 

Hoe rustgevend is het lied van de

Morgen en hoe

Wrang zijn de lofzangen van het avondrood!

Hoe volmaakt ben je, aarde, en hoe machtig!

 

Ik heb gewandeld over je vlakten en

Je stenen bergen

Beklommen; ik ben afgedaald in je valleien;

Ik ben je grotten binnengegaan.

In de vlakten vond ik je droom. Op de berg

Vond ik je trots. In de vallei was ik getuige van je

Rust. In de rotsen zag ik je vastberadenheid, in de

Grotten je geheimzinnigheid.

 

Je bent zwak en machtig en nederig en hooghartig.

Je bent volgzaam en onbuigzaam,

Helder en mysterieus.

Ik heb over je zeeŽn gevaren en je rivieren verkend en

Je beekjes gevolgd.

Ik hoorde eeuwigheid spreken in eb en vloed,

En de eeuwen weerkaatsten je liederen tussen de heu­vels.

Ik luisterde naar leven dat naar leven riep in jouw val­leien en langs je hellingen.

Je bent de mond en de lippen van de eeuwigheid,

De snaren en de vingers

Van de tijd,

Het mysterie en de oplossing

Van het leven.

Je lente heeft me gewekt en me naar je velden geleid

Waar je geurende adem opstijgt

Als wierook.

Ik heb de vruchten gezien van je zomerarbeid.

In de herfst, in je wijngaarden, zag ik je

Bloed vloeien als wijn.

Je winter droeg me in je bed, waar de sneeuw getuig­de van je zuiverheid.

In je lente ben je een geurende olie; in je zomer ben je vrijgevig;

In je herfst ben je een bron van over­vloed.

 

Op een kalme en heldere nacht

Opende ik de ramen en deuren

Van mijn ziel en ging

Naar buiten om je te ontmoeten,

Mijn hart gespannen met lust.

Ik zag je staren naar de sterren die naar jou lachen.

Zo wierp ik mijn boeien weg, want ik

Ontdekte dat de woonplaats van de ziel in jou is.

Haar verlangen groeit in jouw verlangen; haar

Vrede rust in jouw vrede; en haar geluk is in het

Goudstof dat de sterren uitstrooien boven jouw Lichaam.

 

Op een nacht, toen de lucht grijs werd, en mijn ziel

Vol verdriet was, ging ik naar je toe.

En je verscheen voor me als een reus, gewapend met

Woedende stormen, het verleden bevechtend

Met het heden,

Het oude vervangend door het nieuwe, terwijl je

et sterke het zwakke liet verstrooien.

 

Zo leerde ik dat de wet van de mensen

Jouw wet is.

Ik leerde dat wie droge takken niet laat breken

In de storm, vermoeid zal sterven.

En wie de revolutie niet gebruikt om de

Droge bladeren te verwijderen, langzaam zal vergaan.

Hoe vrijgevig ben je, aarde, en hoe sterk is jouw

Verlangen naar je kinderen, die verdwaald zijn tussen

Wat ze hebben verworven en dat wat ze niet konden verwerven.

Wij klagen en jij lacht; wij fladderen weg

Maar jij blijft!

 

Wij lasteren de naam van God en jij zegent.

Wij ontheiligen en jij heiligt.

Wij slapen zonder dromen, maar jij

Droomt in je eeuwige waaktoestand.

 

Wij doorboren je boezem met zwaarden en speren,

En jij kleedt onze wonden met olie en balsem.

Wij beplanten je velden met schedels en beenderen,

En jij verbouwt cipressen

En wilgen.

 

Wij legen ons afval in je schoot, en jij vult

Onze voorraadschuren met tarweschoven

En onze wijnpers met druiven.

 

Wij maken van je grondstoffen bommen

En kanonnen, maar jij schept uit dezelfde stoffen

Lelies en rozen.

 

Hoe geduldig ben je, aarde, en hoe barmhartig!

Ben je een atoom van stof, dat opwaait

Door de voeten van God toen Hij reisde van het oosten

Naar het westen van het universum?

Of een vuurvonk uit de oven

Van de eeuwigheid?

Ben je een zaad dat in de velden is geworpen

Van het firmament om Gods boom te worden

Die uitreikt boven de hemelen met zijn hemelse tak­ken?

Of ben je een druppel bloed in de aderen van de

Reus der reuzen, of een druppel zweet op zijn

Voorhoofd?

 

Ben je een vrucht die gerijpt is in de zon?

Groei je aan de boom van absolute

Kennis, waarvan de wortels zich uitstrekken door de

Eeuwigheid en waarvan de takken door het

Oneindige zweven?

 

Ben je een juweel geplaatst door de God van de tijd in de

Palm van de God van de ruimte?

 

Wie ben je, aarde, en wat ben je?

Jij bent mij, aarde!

 

Jij bent mijn blik en mijn onderscheidingsvermogen.

Jij bent mijn kennis en mijn droom.

Jij bent mijn honger en dorst.

Jij bent mijn vreugde en verdriet.

Jij bent mijn onachtzaamheid en mijn waakzaamheid.

Jij bent de schoonheid die in mijn ogen leeft,

Het verlangen in mijn hart,

Het eeuwige leven in mijn ziel.

 

Jij bent mij, aarde.

Als het niet voor mijn wezen was geweest,

Dan zou jij niet hebben bestaan.

 

Uit Kahlil Gibran Ė De Dromer

 

 

KENNIS EN SEMI- KENNIS

Vier kikkers zaten op een houtblok dat vlak langs de oever in een rivier dreef.
Plotseling werd het blok door de stroom gegrepen en langzaam meegesleurd.
De kikkers waren verrukt en volkomen geabsorbeerd, want zij hadden nog nooit gevaren.

Tenslotte sprak de eerste kikker, en zei: 'Dit is werkelijk een zeer wonderlijk blok.
Het beweegt alsof het leeft.
Nooit hebben wij eerder van een dergelijk blok gehoord'.

Toen sprak de tweede kikker, en zei: 'Nee, mijn vriend, het blok is net als andere blokken, het beweegt niet.
Het is de rivier die naar de zee wandelt, en ons en het blok met zich mee draagt'.

En de derde kikker sprak, en zei: 'Het is noch het blok noch het water dat beweegt.
De beweging is in ons denken. Want zonder het denken beweegt er niets'.

En de drie kikkers begonnen te kijven over wat er nu werkelijk bewoog.
De ruzie werd al heviger en luidruchtiger, maar zij konden het niet eens worden.
Toen wendden zij zich tot de vierde kikker, die tot op dat moment aandachtig had geluisterd,
maar stil had gezwegen, en ze vroegen zijn mening.

En de vierde kikker zei, 'Ieder van jullie heeft het bij het rechte eind, en geen heeft ongelijk.
De beweging is in het blok ťn in het water en ůůk in ons denken'.
En de drie kikkers werden zeer boos,
want geen van hen was bereid toe te geven dat zijn waarheid niet de hele waarheid was,
 en dat de beide anderen niet geheel ongelijk hadden.

Toen gebeurde er iets vreemds.
De drie kikkers verenigden zich
en duwden de vierde van het blok af de rivier in.

Kahlil Gibran 
uit: De Voorloper

 

 

LIEFDE
 

MEN ZEGT DAT de jakhals en de mol
Drinken uit dezelfde stroom
Als waar de leeuw van drinkt.
 
En men zegt dat de adelaar en de gier
Hun snavels steken in hetzelfde karkas,
En vrede hebben met elkaar
In tegenwoordigheid van het dode ding.
 

o liefde, wier vorstelijke hand
Mijn verlangens heeft beteugeld,
En mijn honger en mijn dorst verhief
Tot waardigheid en trots,
Laat niet de sterke en standvastige in mij
Het brood eten of de wijn drinken
Die mijn zwakkere zelf verleiden.
Laat mij liever hongeren,
En laat mijn hart versmachten van dorst,
En laat mij sterven en te gronde gaan,
Aleer ik mijn hand uitstrek
Naar een kom die gij niet vulde,
Of naar een beker die gij niet hebt gezegend.

uit: De Voorloper

 

 

WAARDEN

 

EENS ONTDEKTE EEN man een heel mooi mar­meren beeld in zijn tuin. En hij bracht het naar een verzamelaar die hield van alles wat mooi was en bood het hem te koop aan, en de verza­melaar kocht het tegen een hoge prijs. En zij scheidden.

En terwijl de man met zijn geld huiswaarts liep dacht hij na, en hij zei bij zichzelf, 'Wat een leven betekent dit geld! Hoe kan iemand zoveel geven voor een dode gebeeldhouwde steen die duizend jaar onder de grond heeft gelegen zonder dat iemand ervan droomde'?

En nu keek de verzamelaar naar .zijn beeld, en hij dacht na en zei bij zichzelf, 'Wat een schoonheid! Wat een leven!

De droom van welk een ziel - en fris door de zoete slaap van duizend jaren.

Hoe kan iemand dit alles weg­geven voor dood en dromen-loos geld'?

uit: De Voorloper

 

ANDERE ZEEňN

 

EEN VIS ZEI tegen een andere vis, 'Boven deze zee is een andere zee, en er zwemmen wezens in - en die leven daar op dezelfde manier als wij hier'.

De andere vis antwoordde, 'Louter verbeel­ding! Louter verbeelding!, als je weet dat alles wat onze zee ook maar een centimeter verlaat, en niet terugkeert, sterft. Wat voor bewijs heb jij voor andere levens in andere zeeŽn'?

 

 

EEN VELLETJE SNEEUWWIT PAPIER

 

ZEI EEN VELLETJE sneeuwwit papier, -'Zuiver werd ik geschapen, en zuiver zal ik altijd blij­ven. Liever verbrand ik en verga ik tot witte as dan dat ik mij door de duisternis laat aantasten of door het onreine laat benaderen'.

De inktpot hoorde wat het papier zei en lachte in zijn donkere hart; maar hij durfde nooit in haar buurt te komen. En de veelkleu­rige potloden hoorden haar ook, en ook zij bleven altijd op een afstand.

En het sneeuwwitte velletje papier bleef altijd zuiver en rein - zuiver en rein Ö en leeg.

uit: De Voorloper

 

 

Het Oog.

 

Op een keer zei het oog: 'over deze valleien heen zie ik een berg gehuld in blauwe nevel. Is hij niet prachtig?
Het oor luisterde; en na enige tijd aandachtig geluisterd te hebben, zei het: 'Maar waar is die berg dan toch? Ik hoor hem niet.'
Daarop sprak de hand en zei: 'Vergeefs poog ik hem te voelen of te tasten, ik kan geen berg vinden.'
En de neus zei: 'Er is geen berg, want ik kan hem niet ruiken.'
Daarop keek het oog een andere kant op, en zij begonnen samen te praten over de vreemde waan van het oog. En zij zeiden: 'Er moet iets niet in orde zijn met het oog.'
Uit: De dwaas van Kahlil Gibran

 

 

 

Een paar stukjes uit De Profeet - Kahlil Gibran

 

OVER GOED EN KWAAD

En een van de ouderen uit de stad zei:"Spreek tot ons over Goed en Kwaad"

En hij antwoordde:

Ik kan spreken over het goede in jou, maar niet over het kwade.
Want wat is het kwade anders dan het goede dat gekweld wordt door zijn eigen honger en dorst?
Waarlijk, als het goede hongerig is, zoekt het voedsel zelfs in donkere grotten, en als het dorstig is drinkt het zelfs van dode wateren.
Je bent goed als je een bent met je zelf.
Maar als je niet een bent met jezelf ben je nog niet kwaad.
Want een verdeeld huis is geen dievennest, het is alleen een verdeeld huis.
En een schip zonder roer kan doelloos tussen de gevaarlijke ijslanden ronddobberen en toch niet zinken naar de bodem.
Je bent goed als je probeert van jezelf te geven.
Maar je bent niet kwaad als je voor jezelf winst zoekt.
Want als je winst zoekt ben je slechts een wortel die zich vastklampt aan de aarde en van haar borst drinkt.
Bedenk dat de vrucht niet tegen de wortel kan zeggen: "Wees zoals mij, rijp en vol en altijd gevend van zichzelf.""
Want voor de vrucht is het geven een noodzaak, net zoals het ontvangen een noodzaak is voor de wortel.
Je bent goed als je compleet wakker bent in je spraak.
Maar je bent nog niet kwaad als je slaapt terwijl je tong stamelt zonder doel.
En zelfs een stotterende spraak kan een zwakke tong sterker maken.
je bent goed al je stevig naar je doel wandelt
Maar als je op een been voortstrompelt ben je daarom nog niet slecht
En zelfs zij die strompelen gaan niet terug.
Maar jij die sterk en snel bent, zorg er voor dat je niet voor de lammen loopt, denkend dat je vriendelijk bent.
Je bent goed op duizenden manieren, maar je bent nog niet kwaad als je niet goed bent.
Je bent alleen aarzelend, en traag.
Het is jammer dat de racehond de schildpad zijn snelheid niet kan leren.
In je verlangen naar je hoger zelf ligt je goedheid, en dat verlangen ligt in ieder van jullie.
Maar in sommigen van jullie is dat verlangen een woeste stroom die met alle macht naar de zee voortraast, en de geheimen van de heuvels en de liederen van de bossen met zich mee draagt.
En in anderen is het een zwak stroompje dat zichzelf verliest in bochten en hoeken en aarzelt voor het de kusten bereikt.
Maar laat niet degene die sterk verlangt zeggen tegen degene de weinig verlangt: Waarom ben je zo langzaam en aarzelend?
Want degene die werkelijk goed is vraagt niet aan de naakte: waar zijn je kleren, noch aan de dakloze: wat is er met je huis gebeurd?

 

OVER DE DOOD schreef Khalil Gibran het volgende:

Toen vroeg Amrita: spreek tot ons over de Dood.
En hij zei:
Je wilt het geheim van de dood weten.
Maar hoe zul je dat vinden tenzij je zoekt in het hart van het leven?
De uil die alleen in de nacht kan kijken kan het mysterie van het licht niet kennen
Als je echt de ziel van de dood wilt kennen, open je hart dan voor het leven
Want leven en dood is een, zoals de rivier en de zee ook een zijn.
In de diepten van je hoop en je wensen, ligt de stille kennis van het gindse
En zoals zaden die dromen onder de sneeuw droomt jouw hart van de lente

Vertrouw op de dromen, want in hen ligt de poort naar de eeuwigheid
Je angst voor de dood is alleen het trillen van de schaapherder

als hij voor de koning staat die zijn hand oplegt om hem eer te betonen.
Hij zal het merk van de koning dragen en is dat niet vreugdevol?
Maar toch houdt hij zich meer bezig met het trillen van zijn angst
maar wat is de dood anders dan naakt in de wind te staan en in de zon te versmelten?
En wat is het ophouden van de adem anders dan vrij te zijn van de adem met zijn rusteloze eb en vloed,

zodat het omhoog rijst en God onbekommerd tegemoet kan gaan?
Alleen als je drinkt van de rivier van de stilte zul je inderdaad kunnen zingen.
En als je de bergtop bereikt hebt dan zul je beginnen te klimmen
En als de aarde je botten claimt pas dan zul je werkelijk dansen.

 

EN OVER DE LIEFDE

Toen zei Almitra: "Spreek tot ons over de Liefde"

En hij hief zijn hoofd op en keek naar de mensen, en hij werd stil. En met een diepe stem zei hij toen:

Als liefde je uitnodigt hem te volgen alhoewel zijn wegen moeilijk en steil zijn, en als zijn vleugels je omgeven, dan buig je je voor hem.
Het zwaard dat verstopt zit onder zijn kleren kan je verwonden, en als hij spreekt geloof je hem, alhoewel zijn stem je dromen kan vernietigen zoals de Noordenwind de tuin in een woestijn kan veranderen
Want zoals de liefde je kroont zo zal de liefde je kruisigen. De liefde is voor je groei maar ook om je te kortwieken.
Zelfs als hij opstijgt en je teerste takken die in de zon trillen streelt, zo zal hij ook naar je wortels gaan en ze heen en weer schudden terwijl je je vastklemt aan de aarde.
Hij kneedt je tot je zacht bent en dan neemt hij je mee naar zijn heilig vuur, zodat je gewijd brood mag worden voor het heilige feest van God.
Al deze dingen zullen de liefde je aandoen zodat je de geheimen van je hart leert kennen, en in die kennis een deel van het hart van het leven kunt worden.
Maar als je in je angst alleen op zoek bent naar de vrede en de pleziertjes van de liefde, dan is het beter voor je je naaktheid te beschermen en buiten het bereik van de liefde te blijven en in de wereld zonder seizoenen te gaan wonen, om te lachen, maar niet totaal, en om te huilen, maar niet totaal.
De liefde geeft niets anders dan zichzelf en neemt niets anders dan van zichzelf.
De liefde bezit niet, noch kan het in bezit genomen worden. Want de liefde is zichzelf genoeg.
Als je lief hebt moet je niet zeggen: God is in mijn hart, maar liever: ik ben in het hart van God
en denk maar niet dat je de richting van je liefde kunt leiden, want als de liefde je waardig vindt, leidt hij je.
Liefde heeft geen andere wens dan zichzelf te vervullen.
Maar als je lief hebt en zo nodig wensen moet hebben, laten dit dan je wensen zijn:
te smelten en een stromende beek te worden die de melodie van de liefde tot in de nacht door zingt
de pijn te kennen van te veel tederheid
gewond te worden door je eigen begrip van de liefde
gewillig te bloeden en zelfs met vreugde.
Tegen zonsopgang wakker te worden met een hart met vleugels en dankbaar te zijn voor nog een dag vol liefde
te rusten tegen de middag en te mediteren over de extase van de liefde
ís avonds thuis te keren met dankbaarheid
en dan te slapen met een gebed voor de geliefde in je hart en een lied op je lippen.

 

OVER KINDEREN

En een vrouw met een kind aan haar boezem zei: Spreek tot ons over kinderen.
En hij zei:

Je kinderen zijn je kinderen niet.
Ze zijn de zonen en dochteren van het Verlangen van het leven naar zichzelf.
Ze komen door je maar zijn niet van je.
En alhoewel ze bij je zijn, behoren ze je niet toe
Je mag hun je liefde schenken, maar niet je gedachten
Want ze hebben hun eigen gedachten
Je mag hun lichamen een huis geven, maar niet hun zielen
Want hun zielen vertoeven in het huis van morgen, dat je niet kunt bezoeken, zelfs niet in je dromen
Je kunt proberen als hen te zijn, maar maak ze niet gelijk aan jou
Want het leven gaat niet terug noch draalt het bij gisteren

Jullie zijn de bogen waarmee de kinderen als levende pijlen voort gezonden worden
God die de boogschutter is ziet het doel op het oneindige pad, en Hij buigt jou met al Zijn macht zodat Zijn pijlen ver gaan.
Laat je met blijheid buigen, want op dezelfde manier als dat hij zijn pijlen liefheeft, zo heeft hij ook de boog lief die stabiel is om de pijlen mee af te schieten.

 

OVER VERLEDEN EN TOEKOMST

"Ik zeg U dat de kinderen van gisteren ronddwalen in een stervend tijdperk dat zij voor zichzelf hebben geschapen.
Zij klampen zich vast aan een verrot stuk touw dat spoedig zal afbreken waardoor ze zullen wegglijden in een afgrond van vergetelheid.
Ik zeg U dat zij wonen in huizen met een zwak fundament. Als de storm giert - en dat staat te gebeuren - stort hun huis boven hun hoofden in en wordt hun graf.
Ik zeg U dat al hun gedachten, hun woorden, hun twisten, hun liederen, hun boeken en al hun werk niets anders zijn dan ketenen die hen remmen, omdat ze te zwak zijn om de last te trekken.


Maar de kinderen van morgen zijn degenen die door het leven geroepen zijn en zij volgen het met vaste tred en hooggeheven hoofd.
Zij vormen de ochtendstond van ongerepte en nieuwe grenzen; geen mist zal hun blik vertroebelen en geen gerammel van ketenen zal hun stemmen doen verstommen.
Zij zijn met weinigen, maar het verschil is als een graankorrel en een hooischelf.
Niemand kent hen, maar zij kennen elkaar.
Zij zijn als de bergtoppen die elkaar kunnen zien en horen - niet als de holen, die kunnen niet zien en horen.
Zij zijn het zaad gestrooid door Gods hand in het veld, openbarstend en wuivend met de bladeren van het jonge gewas in het aangezicht van de zon.
Het zal uitgroeien tot een machtige boom; geworteld in het hart van de Aarde en zijn takken groeiend tot hoog in de hemel."

 

OVER HET HUWELIJK schreef Gibran in de Profeet:


Amrita vroeg: Maar wat over het huwelijk, meester?

En hij antwoordde met het volgende:

Je werd samen geboren en zult eeuwig samen zijn.
je zult samen zijn als de witte vleugels van de dood je dagen zullen eindigen.
 Je zult eeuwig samen zijn in de herinnering van God
Maar laat ruimte in je samenzijn
En laat de winden van de hemel tussen jullie in dansen
Hou van elkaar maar maak van de liefde geen binding
Laat het liever een veranderende zee zijn tussen de kusten van jullie zielen
Vul elkaar maar drink niet van dezelfde kop
Geef elkaar je brood maar eet niet van hetzelfde brood
Zing en dans samen en wees vol vreugde, maar laat elk van jullie alleen zijn
Geef van je hart maar geef je hart niet in bewaring bij de ander
Want alleen de hand van het Leven kan jullie harten bevatten
En sta samen, maar niet te dicht op elkaar
Zoals de eikenboom en de cypres ook niet in elkaars schaduw groeien.

 

En een vrouw vroeg hem: spreek tot ons over VREUGDE EN VERDRIET.

En hij antwoordde:

Jouw vreugde is jouw verdriet zonder masker.
En dezelfde bron van waaruit jouw gelach opklinkt werd vaak gevuld met tranen.
En hoe zou het ook anders kunnen zijn?
Hoe dieper verdriet zich in jouw wezen een weg baant, hoe meer vreugde het ook kan bevatten.
Is de kop die jouw wijn bevat niet dezelfde kop die in de oven van de pottenbakker gebakken werd?
En is niet de luit die jouw geest troost hetzelfde hout dat met messen hol werd gemaakt?
Als je vreugdevol bent, kijk dan diep in je hart, en je zult merken dat alleen dat wat je ook verdriet gaf je nu vreugde geeft.
Als je vol verdriet naar binnen kijkt in je hart zul je zien dat in werkelijkheid je huilt voor dat wat eens je vreugde was.
Sommigen van jullie zeggen: " vreugde is groter dan verdriet" en anderen zeggen: "nee, verdriet is groter".
Maar ik zeg je : ze zijn onafscheidelijk.
Samen komen ze en als je samen met een van hen bent, onthoud dan dat de andere op je bed slaapt.
Je bent werkelijk een weegschaal die heen en weer gaat tussen je verdriet en je vreugde.
Alleen als je leeg bent en stil, dan ben je in balans.

 

Over KLEDING

En de wever zei : "spreek tot ons over kleding."

En hij antwoordde:

Uw kleren verhullen veel van uw schoonheid, maar toch verbergen zij het onschone niet.

En hoewel gij in uw kleren de vrijheid der afzondering zoekt,

zult ge bemerken, dat zij een harnas en een kluister zijn.

Hoe zou ik wensen dat gij de zon en de wind met meer van uw huid

en met minder kleding tegemoet kon treden.

Want de adem des levens is in het zonlicht en de hand des levens in de wind.

Sommigen zeggen : ĎHet is de noordenwind die de kleren die wij dragen geweven heeft.í

En ik zeg : Ja, het was de noordenwind.

Maar schaamte was zijn weefgetouw en verslapping der spieren zijn daad.

En toen zijn arbeid beŽindigd was, lachte hij in het woud.

Vergeet niet dat kuisheid een schild is tegen het oog van de onreinen.

En wanneer de onreinen niet meer zullen zijn,

wat zou kuisheid anders wezen dan een kluister en een bezoedeling van de geest?

En vergeet niet dat de aarde het heerlijk vindt uw blote voeten te voelen

en de wind ernaar hunkert met uw haar te spelen.Ľ

 

Over VRIENDEN
En laat het beste voor je vriend zijn.
Als hij de eb van je getij moet ervaren,
laat hem ook de vloed kennen.
Want wat is je vriend
dat je hem enkel zoeken zou
om de tijd te doden.
Zoek hem steeds om de tijd te leven.
Want hij moet je tekort vullen;
maar niet je ledigheid.
En laat er een lach zijn
in de zoetheid van de vriendschap en
een samen beleven van genoegens.
Want in de dauw van de kleine dingen
vindt het hart zijn morgen
en wordt verfrist.

 

Als ge werkt met liefde, verbindt ge u met uzelf,

met elkaar en met God.

 Wat wil werken met liefde zeggen?

Het kleed weven met draden die ge haalt uit uw eigen hart,

waarbij ge u indenkt

dat uw geliefde dat kleed straks draagt;

Een huis bouwen met genegenheid,

waarbij ge u indenkt

dat uw geliefde er straks in woont;

Het zaad zaaien met tederheid

en de oogst binnen­halen met vreugde,

waarbij ge u indenkt

dat uw geliefde straks de opbrengst eet;

Alles wat ge vervaardigt bezielen met uw gees­tesadem,

In de wetenschap

dat alle gezegende doden om u heen staan en toezien.

Kahlil Gibran Ė De Profeet
(1883 - 1931)

 

 

 

Op een dag ontmoetten Schoonheid en Lelijkheid elkander aan de kust van een zee. En ze zeiden tegen elkaar:'laten we gaan baden'.
Ze ontkleedden zich en zwommen in de wijde wateren. En na een wijle kwam Lelijkheid weer aan land, tooide zich met het gewaad van Schoonheid en ging zijns weegs. En ook Schoonheid kwam het water uit, maar kon haar kleren niet vinden. En daar ze te beschroomd was naakt te blijven, hulde ze zich in het kleed van Lelijkheid en ging haars weegs. En tot op heden houden mannen en vrouwen ten onrechte de een voor de ander. Doch er zijn enkelen die het gelaat van Schoonheid hebben aanschouwd en haar niettegenstaande haar gewaad herkennen. En er zijn enkelen die het gezicht van Lelijkheid herkennen en door zijn dekmantel heen zien.

Eeuwen geleden was er eens een groot vorst die heel wijs was. Hij wilde zijn onderdanen wetten verschaffen. Hij sommeerde duizend wijze mannen van duizend verschillende stammen naar de hoofdstad te komen om de wetten op te stellen en vast te leggen. En zo geschiedde. Maar toen de duizend wetten, op perkament geschreven, aan de vorst werden voorgelegd en hij ze las, weende hij bitter in zijn ziel, want hij had niet geweten dat er in zijn koninkrijk wel duizend vormen van misdaad voorkwamen.Toen riep hij zijn schrijver en met een glimlach om zijn mond dicteerde hij zelf de wetten. En het waren er slechts zeven. De duizend wijze mannen verlieten hem vertoornd en keerden met de wetten die ze zelf hadden opgesteld terug naar hun stammen. En iedere stam volgde de wetten na van zijn eigen wijze mannen. Daarom hebben zij tot op heden wel duizend wetten. Het is een groot land, maar het heeft duizend gevangenissen en die zitten vol mannen en vrouwen die duizend wetten hebben overschreden. Het is echt een groot land, maar de mensen ervan zijn de afstammelingen van duizend wetgevers en slechts ťťn wijze vorst.

 

De Parel

 

Zei een oester tegen een naburige oester: 'Ik heb heel erge pijn van binnen. Ze is zwaar en rond en ik verkeer in nood'. De andere oester gaf met hautaine zelfingenomenheid ten antwoord: 'Geloofd en geprezen zijn de hemel en de zee, ik heb geen pijn van binnen. Ik ben gezond en wel van binnen en van buiten'. Op dat ogenblik kwam er een krab voorbij die de twee oesters hoorde. Hij zei tegen de ene die gezond en wel was van binnen en van buiten: 'Ja, jij bent gezond en wel, maar de pijn die je buurvrouw te dragen heeft is een parel van buitengewone schoonheid'.

 

 

 

Zeg niet: 'Ik heb de waarheid gevonden,' maar liever:

'Ik heb een waarheid gevonden.'

Zeg niet: 'Ik heb het pad der ziel gevonden,' zeg liever:

'Ik ben de ziel op mijn pad tegengekomen.'

Want de ziel gaat langs alle paden. De ziel wandelt niet

langs een lijn, noch groeit zij als een riet.

De ziel ontplooit zich als een lotus met talloze bloembladen.

 

En zo je God wilt kennen, 

tracht dan geen raadselen op te lossen.

Zie liever om je heen en 

je zult hem zien spelen met zijn kinderen.

En kijk naar de hemel;

je zult hem zien wandelen in de wolk,

zijn armen uitstrekkend in de bliksem

en neerdalend in de regen.

Je zult hem zien glimlachen in de bloemen,

en zijn handen zien oprijzen

en wuiven in de bomen.

 

 

 

UIT MIJN DIEPERE hart steeg een vogel op die hemelwaarts vloog.

Hoger en hoger rees hij, en toch werd hij groter en groter.

In het begin leek hij slechts een zwaluw, toen een leeuwerik, een adelaar, toen leek hij zo groot als een lentewolk, en tenslotte vulde hij de besterde hemelen.

Uit mijn diepere hart vloog een vogel hemelwaarts.

En terwijl hij vloog nam hij steeds in omvang toe.

Toch verliet hij mijn hart niet.

 

O mijn geloof, mijn ongetemde kennis, hoe zal ik vliegen tot jouw hoogte en samen met jou 's mensen grotere zelf zien, afgetekend tegen de hemel?

Hoe zal ik deze zee binnen in mij doen ver­keren in een nevel, en mij samen met jou bewegen door de onmetelijke ruimte?

Hoe kan een gevangene binnen in de tempel haar gouden koepels zien?

Hoe zal het hart van een vrucht zich uitrek­ken en eveneens de vrucht omvamen?

 

O mijn geloof, geketend lig ik achter deze zilveren en ebbenhouten barriŤres, en ik kan niet met je vliegen.

Toch stijg je hemelwaarts vanuit mijn hart, en het is mijn hart dat je bevat, en ik zal tevre­den zijn.

uit: de voorloper 

 

 

 

 UIT: HET VISIOEN 

 

OVER ARMOEDE

 

MIJN VRIEND

 

Als je eens wist, mijn noodlijdende vriend, dat de armoede die je tot diepe ellende veroordeelt

je tegelijkertijd bezielt met kennis van rechtvaardigheid en het vermogen om de essentie van het leven te leren kennen, dan zou je tevreden zijn met het je door God gegeven lot.

 Ik zei 'kennis van rechtvaardigheid', want de aandacht van de welgestelden wordt van deze kennis afgeleid door hun rijkdom. En ik zei 'de essentie van het leven', omdat de machti­gen daarvan afgeleid worden door hun jacht naar roem. Verheug je dan in rechtvaardigheid, want jij bent haar boek. Wees blij, want jij bent een bron van deugd voor je weldoeners en een gever van deugd voor wie je bij de hand neemt.

Als je toch begreep, mijn eenzame kameraad, dat de lasten waaronder je bezwijkt de krachten zijn die je hart verlichten en je ziel verheffen van het niveau van spot naar het rijk van respect, dan zou je tevreden zijn met deze erfenis en wat zij je brengt aanvaar­den als wijze raad. Je zou weten dat het leven een keten is, die soms verbonden is met die van anderen, en dat verdriet een gouden schakel is, die vertrouwen in het heden scheidt van vreugde in de toekomst, zoals de morgenstond de slaap scheidt van ontwaken.

Mijn vriend, armoede legt de verhevenheid van de ziel bloot, terwijl rijkdom afkeurenswaardige neigin­gen oproept. Droefheid verleent aan emoties teder­heid, terwijl vreugde ze bezoedelt. Want mensen ge­bruiken rijkdom nog steeds als een middel tot onma­tigheid, zoals zij misdaden begaan in naam van het Boek dat het kwade verbiedt en in naam van de mensheid doen wat menselijkheid loochent.

Als alle armoede was uitgebannen en alle verdriet overwonnen, dan zou de ziel een onbeschreven blad zijn, behalve voor letters die egoÔsme en een neiging tot zelfverheerlijking uitdrukken en woorden die aardse genoegens betekenen. Ik heb gezocht en heb goddelijkheid gevonden, het spirituele wezen van de mens dat niet gekocht kan worden met geld of vermeerderd kan worden door overgave aan mateloosheid. Ik heb gezien hoe de rijken hun goddelijkheid prijsgeven om hun welstand te beschermen en hoe de slaven van deze tijd hun goddelijke zelf opgeven om genot na te jagen.

De tijd die jij, behoeftige, doorbrengt met vrouw en kind, nadat je van het veld bent teruggekeerd, is een symbool van het gezin van de toekomst en een teken van geluk voor toekomstige generaties. Het leven dat de rijken doorbrengen te midden van hun bezit is een verachtelijk leven, dat doet denken aan het wroeten van wormen in een graf; het is een sym­bool van angst.

De tranen die je vergiet, jij die droef gestemd bent, zijn zoeter dan het geginnegap van snobisten en de schaterlach van spotters. Tranen reinigen het hart van de smet van rancune en leert degene die ze vergiet hoe de gebrokene van hart zijn gevoelens deelt; het zijn de tranen van de Nazarener.

De kracht die jij zaait, jij arme, die door de rijke en machtige wordt uitgebuit, zal naar je terugkeren. Want de wet van de natuur zegt dat alles terugkeen naar zijn oorsprong. De beproevingen die jij hebt doorstaan, jij die door tegenspoed getroffen bent, zul­len door een hemels bevel in gelukzaligheid getrans­formeerd worden.

Komende generaties zullen van armoede gelijk­waardigheid leren en van leed liefde.

 

­

OVER VERGISSINGEN

 

DE GROOTSTE OCEAAN

 

Gisteren - hoe ver weg is gisteren en toch, hoe dichtbij - ging ik met mijn ziel naar de grote

oceaan, om met haar water het stof en de modder van de aarde die ons bezoedelen af te wassen.

Toen wij bij het strand aankwamen, gingen wij op zoek naar een stille plek, ver weg van glurende blikken.

 

Terwijl wij daar samen liepen, zagen wij een man zitten op een stoffige rots. In zijn hand hield hij een zak, waaruit hij steeds een hand zout nam, dat hij in de oceaan wierp.

Mijn ziel zei tegen mij: 'Die man is een cynicus, want hij ziet van het leven niets dan zijn schaduw. Een cynicus is het niet waard om onze naakte licha­men te aanschouwen. Laten wij weggaan van deze plek, want hier kunnen wij niet baden.'

 

Wij verlieten die plaats en liepen, totdat wij een inham bereikten. Daar ontdekten wij een man die op een wit rotsblok stond en in zijn hand een met juwe­len afgezet kistje had. Uit het kistje nam hij klontjes suiker en gooide ze in de oceaan.

Mijn ziel zei tegen mij: 'Deze man is een optimist, die goede voortekenen ziet waar ze niet zijn. Pas op dat een optimist onze naakte lichamen niet aanschouwt.'

 

Opnieuw liepen wij verder. Bij toeval troffen wij een man die bij de rand van het water stond. Hij pakte dode vissen op en gaf ze liefderijk terug aan de oceaan.

Mijn ziel zei tegen mij: 'Dit is een man vol mede­dogen, die poogt om degenen die reeds in hun graf liggen weer tot leven te wekken. Laten wij hem mij­den.'

 

Vervolgens kwamen wij aan bij een plek waar wij een man zagen die zijn fantasieŽn tekende in het zand. De golven kwamen en wisten zijn schetsen uit, maar hij bleef doorgaan met wat hij deed, steeds op­nieuw.

Mijn ziel zei tegen mij: 'Dit is een mysticus, die in zijn verbeelding een afgodsbeeld maakt om te aan­bidden. Laten wij hem in zijn werk niet storen.'

 

Rustig wandelden wij verder, totdat wij bij een vredige baai een man bespeurden die het schuim van het wateroppervlak schepte en in een kornalijnen schaal deed.

Mijn ziel zei tegen mij: 'Dit is een dromer die van spinnenwebben een gewaad maakt om zichzelf in uit te dossen. Hij heeft niet het recht om onze naakte lichamen te zien.'

 

Wij vervolgden onze weg. Plotseling hoorden wij een stem die schreeuwde: 'Dit is het diepe water, de machtige en gevreesde zee.'

Wij zochten naar degene die gesproken had en zagen een man staan met zijn rug naar de oceaan. Hij hield een schelp bij zijn oor en luisterde naar het geruis.

Mijn ziel zei tegen mij: 'Laten wij gaan, want dit is een materialist, die alles wat hij niet kan peilen de rug toekeert en zich in zijn wezen bezighoudt met zaken die alleen hem interesseren.'

 

Wij liepen totdat wij op een grazige plek tussen stenen een man ontwaarden die zijn hoofd in het zand begraven had.

Ik zei tegen mijn ziel: 'Kom, mijn ziel, laten wij hier baden, want deze man kan ons niet zien.'

Mijn ziel schudde haar hoofd en zei: 'Nee, duizend­maal nee. Degene die je ziet, is de ergste van alle­maal. Hij is vroom en zuiver, maar verbergt zich voor de tragiek van het leven, zodat de vreugden van het leven voor zijn ziel verborgen blijven.'

 

Toen tekende zich een diepe droefheid af op het gezicht van mijn ziel. Met een stem die gebroken was door teleurstellingen zei zij: 'Laten wij weggaan van dit strand, want er is hier geen beschutte en verbor­gen plek voor ons om te baden. Ik zal er nooit in toe­stemmen mijn gouden lokken te laten wapperen in deze wind of mijn gevoelige borsten te ontbloten in deze ruimte of mij te ontkleden om naakt in dit licht te staan.'

Mijn ziel en ik gingen weg van de grote oceaan, op zoek naar de grootste oceaan.

 

 

OVER DE EENHEID DER MENSEN

 

DE STEM VAN DE DICHTER

 

I

Macht wordt gezaaid in de diepten van mijn hart en ik oogst en verzamel het graan om het overvloedig te schenken aan wie honger hebben. Geest doet deze kleine wijnstok herleven en ik pers de druiventrossen en schenk het sap uit voor wie dorst hebben. De hemel vult deze lamp met olie en ik ontsteek haar en plaats haar in het venster van mijn huis voor hen die voorbijgaan in het donker van de nacht. Deze dingen doe ik, omdat ik ervan leef en wanneer de tijd mij dit verhindert en de nacht mijn hand kluistert, zal ik de dood zoeken. Want de dood gelijkt het meest op een profeet die in zijn eigen land niet erkend wordt of een dichter die een vreemdeling is onder zijn eigen volk.

Mensen gaan als een storm tekeer, terwijl ik zucht in stilte. Maar ik heb ontdekt dat het razen van stormen bedaart, want de muil van de tijd slokt ze op. Een zucht echter blijft zoals God bestaan.

Mensen klampen zich vast aan materie, die koud is als sneeuw. Maar ik zoek de vlam van de liefde om haar te plaatsen in mijn borst, alwaar zij mijn ribben verteren en mijn binnenste vernietigen zal. Want ik heb ontdekt dat materie pijnloos doodt, maar de lief­de ons door haar kwellingen doet herleven.

Mensen zonderen zich af in groeperingen en stam­men zweren trouw aan land en streek. Maar ik zie mijn wezen als uitheems in ieder land en als een vreemdeling te midden van ieder volk. De hele aarde is mijn thuis en het menselijk geslacht mijn familie. Want ik heb ontdekt dat de mensen zwak zijn en zich in hun kortzichtigheid afzonderen van anderen; de aarde is verkrampt, want alleen door onwetend­heid komen de mensen ertoe om haar te verdelen in koninkrijken en vorstendommen.

Mensen verenigen zich alleen om de "tempels van de geest omver te werpen en werken alleen samen om gebouwen voor het lichaam op te richten. Ik prijs slechts in treurzangen. Binnen in mij spreekt echter een stem van hoop: 'Zoals de liefde door pijn het leven in het menselijk hart herstelt, zo wijst dwaas­heid de weg naar kennis. Pijn en dwaasheid leiden tot grote gelukzaligheid en tot volmaakt weten, want de Eeuwige Wijsheid heeft niets onder de zon ver­geefs geschapen.'

 

 

OVER LICHAAM EN ZIEL

 

HEB MEDELIJDEN, MIJN ZIEL

 

Hoelang zul je nog klagen, mijn ziel, terwijl je weet hoe zwak ik ben? Hoe lang zul je nog pro­testeren, terwijl ik slechts menselijke woorden bezit om je dromen te verbeelden?

Kijk, mijn ziel, want mijn hele leven heb ik naar je lessen geluisterd. Denk na, mijn folteraar, want door in jouw voetstappen te gaan heb ik mijn lichaam verbruikt.

Mijn hart was mijn koning, maar het is jouw slaaf geworden. Mijn geduld was mijn vertrouweling, maar onder jouw invloed is het mijn zedenmeester geworden. De jeugd was mijn vrolijke metgezel, maar nu berispt zij mij. En dit alles is mij door de goden geschonken. Hoe kun je nog meer van mij vragen? Wat verlang je toch!

 

Ik heb mijn wezen verstoten en de vreugden van het leven opgegeven. Ik heb mijn roem in de steek gelaten en alleen jij bent mij overgebleven. Oordeel mij dus met rechtvaardigheid, want rechtvaardigheid is je glorie. Of roep de dood en ontsla je bescherme­ling uit zijn gevangenis.

 

Heb medelijden, mijn ziel, want je hebt mij belast met een liefde die ik niet kan dragen: jij en liefde vormen een gezamenlijke kracht, terwijl ik en mate­rie verscheurd worden door onze zwakheden. Kan jullie band standhouden wanneer hij uiteenge­scheurd zou worden tussen kracht en zwakheid?

 

Heb medelijden, mijn ziel, want je hebt mij van grote afstand vreugde getoond. Jij en vreugde verke­ren op een hoogverheven heuvel, terwijl diep onge­luk en ik bestaan in de diepten van een ravijn. Kun­nen verhevenheid en laagheid elkaar ooit ontmoe­ren?

 

Heb medelijden, mijn ziel, want jij hebt mij de liefde geopenbaard en haar toen weer verborgen, jij en schoonheid in het licht, onwetendheid en ik in het duister. Kunnen licht en duisternis zich ooit ver­mengen?

 

Jij, mijn ziel, geniet van het hiernamaals nog voor het gearriveerd is, terwijl dit lichaam lijdt onder dit bestaan terwijl het leeft.

Jij nadert de eeuwigheid met spoed en dit lichaam loopt met trage tred naar de vernietiging. Jij draalt niet en dit lichaam haast zich niet, en dat, mijn ziel, is de uiterste kwelling.

Jij verheft je naar de hoogte, aangetrokken door de hemel, terwijl mijn lichaam pijlsnel wegzinkt door de aantrekkingskracht van de aarde. Jij biedt het geen troost en het wenst jou geen geluk; en dat is rancune.

 

Jij, mijn ziel, bent rijk in je wijsheid, maar dit lichaam is arm door zijn instincten. Je betoont het geen mededogen en het volgt je niet, en dat is de diepste ellende.

Jij gaat in de stilte van de nacht naar de geliefde en geniet van zijn omarming, maar dit lichaam blijft eeuwig een martelaar van verlangen en gescheiden­heid.

Heb medelijden, mijn ziel, heb medelijden.

 

 

 OVER GEVEN

 

MIJN ZIEL IS ZWAAR VAN HAAR EIGEN VRUCHT

 

Mijn ziel is zwaar van haar eigen vrucht. Is er iemand die honger heeft en die haar wil oog­sten, en van haar wil eten om zich met haar te verza­digen?

Is er onder de mensen iemand die gevast heeft en die de vasten wil breken met mijn vrucht en mij ont­heffen van de zorg voor mijn vruchtbaarheid en overvloed?

Mijn ziel bezwijkt onder het gewicht van goud en zilver. Is er iemand onder de mensen die zich wil ver­rijken en mijn last verlichten?    

Mijn ziel stroomt over van de wijn van de eeuwig­heid. Is er iemand die dorstig is en hem wil uitschen­ken en drinken om zijn dorst te lessen?

 

Er staat een man midden op straat. Hij gooit een handvol edelstenen naar voorbijgangers en roept hun toe: 'Heb medelijden en neem ze van mij weg. Heb mededogen en verlos mij van mijn bezit!' Maar de mensen gaan voorbij zonder aandacht aan hem te besteden.

Werkelijk, het is alsof hij een bedelaar is die sme­kend zijn bevende hand uitsteekt naar voorbijgangers en hem leeg weer terugtrekt. Het is alsof daar een blinde zit die men onverschillig voorbijloopt.

 

Een welgestelde en vrijgevige sjeik slaat zijn tenten op tussen de witte, onbekende bergen en de woestijn. Iedere avond bereidt hij een gastvrije ontvangst voor en stuurt hij zijn dienaren erop uit om voor hem een gast te vinden die hij zou kunnen onthalen en vere­ren. Maar de wegen leveren hem geen bezoeker om te eten van zijn dis en brengen hem geen reiziger om zijn geschenken te ontvangen.

Was hij maar een verschoppeling, een arme!

Was hij maar een dakloze vagebond die zwerft door het land, een staf in zijn hand en een bedelnap aan zijn gordel, zodat hij als de avond valt met ande­re zwervers en landlopers kan samenkomen om met hen het brood van liefdadigheid te delen.

 

De dochter van de machtige koning ontwaakt uit haar slaap, staat op van haar bed en kleedt zich in pur­per en lavendel, versiert zich met parels en saffieren, besproeit haar haren met parfum en doopt haar vingers in vloeibare amber. Zij loopt de ruin in en de dauw­druppels bevochtigen de zoom van haar jurk. In de stilte van de nacht

wandelt zij door de ruin, op zoek naar haar geliefde, maar nergens in het rijk van haar vader is iemand te vinden die haar wil beminnen.

Was zij maar de dochter van een arme boer. Hoedde zij maar haar vaders schapen in het dal en keerde zij 's avonds terug naar zijn hut, haar voeten stoffig van het zware werk en de geur van de wijn­gaard nog in de plooien van haar kleed. Dan, als de nacht valt en de mensen gaan slapen, zou zij onmerkbaar wegsluipen naar de plaats waar haar geliefde op haar wacht.

 

Was zij maar een non in een klooster, met een hart brandend van wierook, waarvan de geur door de wind wordt verspreid. Haar geest zou een kaars ontsteken en de ether zou vertellen van het licht van haar ziel. Zij zou haar knie buigen in gebed en de geesten van het onzichtbare zouden haar gebeden meevoeren naar de schatkamer van de tijd, waar de devotie van gelovigen bewaard wordt naast de harts­tocht van geliefden en de twijfels van kluizenaars.

Was zij maar oud en afgeleefd en zat zij maar naast hem met wie zij haar jeugd heeft gedeeld, om zich in zijn aanwezigheid te koesteren. Want dat ware beter dan de dochter te zijn van de machtige koning, in wiens rijk geen minnaar te vinden is die het brood van haar hart wil eten en de wijn van haar bloed wil drinken.

Mijn ziel is zwaar van haar eigen vrucht. Is er dan op aarde niemand die honger heeft en die haar wil oogsten om zijn honger met haar te stillen?

Mijn ziel stroomt over van haar wijn. Is er iemand die dorstig is die hem wil uitschenken en ervan wil drinken om zijn dorst te lessen?

 

Was ik maar een boom die nimmer bloeide, die geen vruchten droeg. Want de pijn van de vrucht­baarheid is bitterder dan de angst voor onvruchtbaar­heid, en de kwelling van welgestelden met hun onvervreemdbare rijkdom betekent een grotere gruwel dan enige pijn die een pauper die geen eten heeft kan lijden.

 

Was ik maar een droge waterput en gooiden de mensen maar stenen in mij, want dat zou gemakkelij­ker zijn dan een bron te zijn van stromend water waar de dorstigen aan voorbijgaan en waarvan zij vermijden te drinken.

Was ik maar een afgerukte tak, vertrapt door vele voeten, want dat zou beter zijn dan een lier te zijn met zilveren snaren in het huis waarvan de meester al zijn vingers verloren heeft en wiens kinderen doof zijn.

 

 

 OVER WIJSHEID

 

HET BEZOEK VAN WIJSHEID

 

In de stilte van de nacht kwam Wijsheid en stond aan mijn bed, starend naar mij als een moeder die dol is op haar kind. Zij wiste mijn tranen en zei: 'Ik heb de schreeuw van je ziel gehoord en ben gekomen om je te troosten. Open je hart voor mij, zodat ik het met licht kan vullen. Vraag mij en ik zal je de weg van de waarheid wijzen.'

 

Ik zei: 'Wie ben ik, Wijsheid, en hoe ben ik op de­ze afgrijselijke plek terechtgekomen? Wat zijn deze hevige verlangens, deze talrijke boeken en vreemde symbolen? Wat zijn deze gedachten die als troepen duiven aan mij voorbijvliegen? Wat is deze taal, geor­dend in genegenheid en verstrooid in genot? Wat zijn deze gevolgen die droevig maken en in verruk­king brengen, die mijn geest meevoeren en mijn hart belagen? Wat zijn deze ogen die zich op mij richten, die staren in mijn diepste zelf en mijn pijn negeren?

 

­Wat zijn deze stemmen die rouwen over mijn dagen en mijn kindertijd bezingen? Wat is deze jeugd die speelt met mijn verlangens, die de spot drijft met gevoelens, die de daden van gisteren vergeet, die zich verheugt in de trivialiteiten van het moment en minachting toont voor de traagheid van morgen? Wat is deze wereld die zich spoedt ik weet niet waar en mij met verachting beziet? Wat is deze aarde die met haar geopende muil lichamen verzwelgt en in haar boezem aan ambitie een verblijfplaats biedt? Wat is deze persoon die instemt met liefdevolle ge­lukzaligheid, maar de hel aanvaardt als hij het geluk niet kan bereiken, die de kus van het leven zoekt en de slagen van de dood ontvangt, die een ogenblik van genot inruilt voor een jaar van wroeging, die zich overgeeft aan slaap en dromen die hem roepen, die loopt langs de sloten van onwetendheid naar de maalstroom van de duisternis? Wat zijn al deze din­gen, Wijsheid?'

 

Zij antwoordde: 'Je begeert, sterveling, de wereld te zien door de ogen van een god en wenst met je men­selijke intellect de mysteriŽn van het ondermaanse te begrijpen, en dat is de grootste dwaasheid. Trek het open land in en je zult de bijen zien zweven boven de bloemen en de adelaar zien pikken aan zijn prooi. Ga het huis van je buurman binnen en je zult een kind zien staren in het vuur, terwijl zijn moeder druk is met haar taken. Doe als de bij en breng de dagen van het voorjaar niet door met overdenken wat de ade­laar doet. Wees als het kind en schep behagen in de helderheid van de vlammen, en schenk geen aan­dacht aan je moeder en haar bezigheden.

 

Alles wat je zag en ziet bestaat voor jou. De talrijke boeken, de geheimzinnige symbolen en de schone gedachten zijn de geesten van zielen die jou zijn voorgegaan. De taal die zij gebruiken is de verbinding tussen jou en je menselijke nakomelingen. De gevol­gen die verdriet en extase brengen zijn de zaden die het verleden in de ziel heeft gezaaid en waarmee de toekomst haar voordeel zal doen. Deze jongeling die speelt met je verlangens is dezelfde persoon die de deur van het hart geopend heeft om het te overspoe­len met licht. Deze aarde met haar gapende open ruimte is degene die je bevrijdt van de kluisters van je lichaam. De wereld die je maant tot spoed is je hart en je hart is alles wat je van de wereld kunt begrijpen. De persoon die je als onwetend en onbe­duidend ziet, is door God gezonden om je te leren gelukzaligheid te onderscheiden van verdriet en ken­nis van melancholie.'

 

Wijsheid legde haar hand op mijn rusteloze voor­hoofd en zei: 'Ga voort en weifel nooit, want voort­gang is volmaaktheid. Ga voort en vreest niet de doornen op je pad, want zij prikken slechts verdor­ven bloed.'

 

OVER VOLMAAKTHEID

 

VOLMAAKTHEID

 

Je vraagt me, mijn broeder, wanneer de mensheid volmaaktheid zal bereiken.

Luister naar mijn antwoord.

De mensheid zal de weg naar volmaaktheid be­wandelen wanneer zij voelt dat menselijkheid is: een hemel zonder grenzen, een oceaan zonder oevers, een eeuwig brandende vlam, een immer glanzend licht, een wind die briest of kalm is, een wolk die dondert, bliksemt en regent, een rivier die zingt of raast, een boom die in de lente bloeit en zich in de herfst ont­kleedt, een berg die zich hoog verheft, een vallei die zich verlaagt en een akker die rijk is of onvruchtbaar.

Wanneer de mensheid al deze dingen gevoeld heeft, zal zij het punt halverwege haar weg naar vol­maaktheid bereikt hebben. Als zij, zich bewust van haar essentie, de weg naar volmaaktheid wil gaan, dan moet zij voelen dat menselijkheid is: een kind dat rekent op zijn moeder, een volwassen man die verantwoordelijk is voor wie hem toevertrouwd zijn, een jongeling die heen en weer geslingerd wordt tus­sen begeerten en hartstochten, een oude man wiens verleden en toekomst met elkaar vechten, een mon­nik in zijn kluizenaarshut, een misdadiger in zijn cel, een geleerde te midden van zijn boeken en geschrif­ten, een dwaas tussen het duister van zijn nacht en het licht van zijn dag, een non tussen de vrucht van haar geloof en de doornen van haar eenzaamheid, een prostituee in de greep van haar zwakheden en de klauwen van haar behoefte, de arme tussen zijn ver­bittering en zijn onderdanigheid, de rijke tussen zijn ambities en zijn dienstbaarheid, en de dichter tussen de nevelen van zijn avonden en het stralende licht van zijn ochtendstond.

Als de mensheid in staat blijkt om al deze dingen te ervaren en te kennen, dan zal zij volmaaktheid be­reiken en een gedaante worden onder de gedaanten van God.

 

OVER VERBORGEN WERKELIJKHEDEN

 

DE SCHAAL EN DE PIT

 

Nooit dronk ik de beker der bitterheid, tenzij ik wist dat haar bezinksel honing was.

Nooit besteeg ik een nauwe bergpas, tenzij ik er een groen grasveld kon vinden.

Nooit heb ik in de nevelen van de hemel een vriend verloren, tenzij ik hem in de helderheid van de morgen terug zou vinden.

Hoe dikwijls verborg ik mijn pijn en brandde ik onder de mantel van berusting, mij inbeeldend dat daarin vergelding en rechtschapenheid lagen? En als ik die mantel afwierp, veranderde de pijn in opgeto­genheid en werd het branden tot koelte en vrede.

 

Hoe dikwijls heb ik met mijn vriend gewandeld in de wereld van uiterlijke schijn, terwijl ik inwendig mopperde over haar domheid en onnozelheid? Maar de wereld der mysteriŽn heb ik nooit aanschouwd voordat ik ontdekte dat ik zelf een aanmatigende ti­ran was en zij geestig en wijs.

 

Hoe dikwijls was ik dronken van de wijn van het zelf en beschouwde ik mij en mijn metgezel als een lam en een wolf, terwijl ik, eenmaal nuchter, zag dat ik een mens was en hij eveneens.

Wij zijn in de val gelopen van de schijn van onze uiterlijke situatie, blind als wij waren voor de on­zichtbare essentie van onze werkelijkheid. Als ie­mand onder ons struikelt, zeggen wij dat hij gefaald heeft; als zijn tred langzamer wordt, zeggen wij dat hij oud is en afgeleefd; als hij stamelt, zeggen wij dat hij stom is, en als hij zucht, zeggen wij dat het zijn doodsgerochel is en dat hij spoedig zal sterven.

 

Jij en ik zijn verblind door het omhulsel van 'ik' en de oppervlakkigheid van 'jou'. Daarom zien wij niet wat de geest heeft toevertrouwd aan 'ik' en leeft ver­borgen in 'jou'.

Wat kunnen wij doen wanneer onze verwaandheid de waarheid die in onszelf verborgen ligt aan het oog onttrekt?

 

Ik zeg je - ook al zijn mijn woorden misschien een sluier die het gelaat van mijn werkelijkheid verhullen - ik zeg tegen jou en tegen mijn eigen ziel dat wat wij zien met onze ogen niet meer is dan een wolk die voor ons verbergt wat wij in onszelf door inzicht moeten bemerken. Wat wij met onze oren horen, is slechts het lawaai dat hetgeen wij met ons hart moe­ten begrijpen vervormt. Als wij zien hoe de politie een man naar de gevangenis brengt, dan moeten wij vermijden een van hen de slechterik te noemen. Als wij een man zien die besmeurd is met zijn eigen bloed en een ander wiens handen rood gekleurd zijn, dan moeten wij afzien van het oordeel wie de moorde­naar is en wie het slachtoffer. Als wij een man horen zingen, terwijl een ander dirigeert, laten wij dan geduldig wachten voordat wij vaststellen wie in werkelijkheid het publiek vermaakt.

 

Nee, mijn broeder, trek op basis van verschijnselen geen conclusies over de werkelijkheid van een mens en vat niets van wat hij zegt of doet op als aanwijzing voor zijn diepste wezen. Veel van hen die je voor onwetend verslijt - omdat zij niet welbespraakt zijn of met een kleurloze stem spreken - bezitten een bewustzijn dat tot wijsheid leidt en een hart dat dient als wieg voor openbaringen. En velen die je veracht, vanwege hun weerzinwekkende trekken of verdorven levensonderhoud, zijn niettemin een geschenk van de hemel, een ademtocht van God.

 

Op dezelfde dag bezoek je misschien een paleis en een krot, en verlaat je de eerste met ontzag en de tweede in beklag. Maar als je door de verschijnselen die je zintuigen weven heen zou zien, dan zou je ont­zag tonen en zich buigen in het stof van spijt, en zou je beklag veranderen in eerbied.

 

Tussen de ochtend en de avond ontmoet je mis­schien twee mannen. De eerste spreekt je aan met het lied van een storm in zijn stem en met krijgshaf­tige gebaren. De tweede probeert een gesprek met je aan te gaan, schichtig en timide, met aarzeling in zijn stem en onsamenhangende woorden. Zou je hen ech­ter kunnen aanschouwen op de dag dat de tijd, om­

wille van principes, aan hen beproevingen brengt of het martelaarschap, dan zou je ontdekken dat brutale onvoorzichtigheid geen moed is en kalme verlegen­heid geen zwakte.

 

­Je kijkt misschien uit het raam van je huis en ont­waart onder de voorbijgangers een non die naar rechts en een hoer die naar links gaat, en onmiddel­lijk zeg je: 'Hoe edel is de een en hoe verachtelijk de ander!' Maar als je je ogen zou sluiten en voor een enkel moment zou luisteren, dan zou je in de ether een stem horen fluisteren die zegt: 'Deze zoekt Mij in haar gebed, die smeekt Mij in haar zielensmart, en in de geest van beiden is een glimp van Mijn geest aan­wezig.'

 

Je zwerft misschien over de aarde op zoek naar wat jij beschaving en vooruitgang noemt. Je gaat een stad vol wolkenkrabbers binnen, met hoge, machtige ge­bouwen en grote, brede straten, waarlangs de mensen zich her en der snellen. De een maakt een tunnel on­der de grond en de andere verheft zich in de lucht. De een trekt bliksems en de ander doet atmosferisch onderzoek. Allen zijn zij uitgedost in op maat ge­maakte kleding van uniek ontwerp, alsof zij een feest­dag vieren of naar een festival gaan.

 

Na een paar dagen bereik je een andere stad. Hier staan te midden van nauwe straatjes nederige woningen, die tijdens een stortbui veranderen in eilandjes van klei in een modderzee en in het felle zonlicht veranderen in stoffige omhulsels. De bewoners leven nog steeds op het raakvlak van natuurlijkheid en eenvoud, als op een touw gespannen tussen de twee uiteinden van een boog. Ze lopen langzaam, werken traag en kijken je aan alsof zich achter hun pupillen een ander paar ogen bevindt dat staart naar iets dat ver weg ligt. Je vertrekt uit hun stad en vol van af­keer en walging zeg je tegen jezelf: 'Het verschil tus­sen wat ik in de eerste stad zag en in de tweede is zo groot als dat tussen leven en dood. De eerste was lou­ter kracht en groei, de tweede zwakte en verval. De eerste bezat de ijver van het voorjaar en de zomer, de tweede de vermoeidheid van de herfst en de winter. De eerste was in haar vitaliteit als een jongeling, dansend in een ruin, de tweede in haar zwakte als een verouderd gebruiksvoorwerp dat men wegwerpt in het vuur.'

 

Als het oog deze twee steden echter zien kon met het licht van God, dan zou het ze beschouwen als twee bomen van dezelfde soort die groeien in dezelfde boomgaard. Als je een scherpzinnige waarneming van hun werkelijkheid gegeven was, dan zou je zien dat wat jij in de ene vooruitgang noemt slechts een kortstondige bloei is, niet meer dan een glinsterende zeepbel, en wat jij in de andere zwakte noemt, een onzichtbare, blijvende essentie bezit.

 

Nee, het leven is niet zichtbaar aan de buitenkant, maar ligt verborgen, en de feitelijke wereld ligt niet in haar schaal, maar in haar pit; men vormt zich geen oordeel over iemand naar zijn uiterlijk, maar naar zijn hart.

Evenmin is een religie de optelsom van haar uiter­lijke manifestaties, zoals gebouwen, rituelen en tradi­ties, maar veeleer dat wat haar ziel koestert en de intenties die zij uitdraagt.

De essentie van kunst is niet de hoogste of de laag­ste tonen van een lied, de klank van de woorden van een vers of de lijnen en tinten van een schilderij dat je met je ogen ziet. Kunst ligt juist in de stille, vibre­rende pauzes tussen de hoge tonen en de lage. Zij ligt in het gevoel dat je onmerkbaar bekruipt tijdens het luisteren naar een vers, een gevoel dat zich stilhoudt in de geest van het gedicht. Zij ligt in wat het schil­derij je openbaart, zodat je, terwijl je ernaar kijkt, ziet wat mooier is dan het schilderij en het overstijgt.

 

Nee, mijn broeder, de dag en de nacht zijn niet wat ze van buiten lijken. En ik, die wandel in het schouwspel van dagen en nachten, ik ben niet de woorden die ik je toewerp, behalve als zij iets van mijn zwijgzame innerlijk voor jou voelbaar maken. Houd mij dus niet voor onwetend voordat je bent doorgedrongen tot mijn verborgen wezen, en ver­beeld je niet dat ik een genie ben voordat je door mijn schijn hebt heen geprikt. Zeg niet: 'Hij is een inhalige vrek,' voordat je mijn hart gezien hebt, of: 'Hij is edelmoedig en gul,' voordat je weet wat mij tot edelmoedigheid en gulheid aanzet. Noem mij niet liefdevol voordat mijn liefde zich met al het licht en vuur dat in haar is aan jou heeft geopenbaard. Noem mij niet onbezorgd voordat je mijn bloedende wond hebt aangeraakt.

 

 

 

­OVER DE NATUUR

 

BLOEMENLIED

 

Ik ben een woord door de natuur gesproken; zij riep mij terug, verborg mij in haar hart en liet mij op­nieuw spreken.

Ik ben een ster, van het blauwe bal­dakijn omlaag getuimeld naar groene velden.

Ik ben de dochter van de elementen; de winter is zwanger van mij en het voorjaar baart mij, de zomer voedt mij en de herfst sust mij in slaap.

Ik ben het geschenk van beminden; ik ben de dia­deem van de bruid en het laatste geschenk van de le­venden aan de doden.

In de dageraad span ik samen met de wind om de komst van het licht aan te kondigen en in de avond­schemering sluit ik mij aan bij de vogels om het licht vaarwel te zeggen.

Ik golf op en neer over de vlakten en tooi ze met schoonheid.

Ik snuif de lucht op en adem haar uit om haar te parfumeren.

Ik val in slaap, terwijl duizenden nachtelijke ogen naar mij kijken.

Ik probeer waak­zaam te blijven, zodat ik het oog van de dag weer kan aanschouwen.

Ik drink de wijn van de morgendauw, luister naar het lied van de lijsters en dans met het juichende gras.

Altijd kijk ik omhoog, opdat ik het licht zie en niet mijn eigen fantasieŽn, een wijsheid die de men­sen nog niet kennen.

 

 

OVER LEREN

 

MIJN ZIEL HEEFT MIJ GOEDE RAAD GEGEVEN

 

Mijn ziel heeft mij goede raad gegeven. Zij heeft mij geleerd om te houden van wat de mensen verafschuwen en goede wil te tonen jegens hen die zij haten. Zij heeft mij geleerd dat liefde niet een eigenschap is van wie bemint. Voordat mijn ziel mij dit geleerd had, was liefde voor mij een delicate draad gespannen tussen twee naast elkaar geplaatste pennen. Maar nu is zij veranderd in een stralenkrans; haar eerste is haar laatste en haar laatste haar eerste. Zij omvat ieder wezen en breidt zich langzaam uit om alles wat ooit zijn zal te omarmen.

 

Mijn ziel heeft mij goede raad gegeven. Zij heeft mij geleerd om de schoonheid te ontdekken die ver­borgen is achter gezichten, kleuren en verschijningsvormen, en intens te kijken naar wat de mensen le­lijk vinden, totdat het mij zijn aantrekkelijkheid ont­hult. Voordat mijn ziel mij dit geleerd had, zag ik schoonheid als een flakkerende vlam tussen rookko­lommen. Maar zij vervaagde en ik zag dunne takjes die gemakkelijk vlam vatten.

 

Mijn ziel heeft mij goede raad gegeven. Zij heeft mij geleerd om te luisteren naar stemmen die niet afkomstig zijn van tongen en niet geschreeuwd wor­den uit kelen. Voordat mijn ziel mij dit geleerd had, waren mijn oren moe en werden ze gepijnigd, door­dat ik mij alleen bewust was van rumoer en wan­klank. Nu drink ik voorzichtig van de stilte en luister ik naar haar wezen, dat het lied van de eeuwen zingt, de lof van de hemel prijst en de mysteriŽn van de Ongeziene aankondigt.

 

Mijn ziel heeft mij goede raad gegeven. Zij heeft mij geleerd om aan te raken wat nooit een stoffelijke vorm heeft aangenomen of is gekristalliseerd. Ze heeft mij doen beseffen dat aanraken de helft is van begrijpen en dat wat wij daarin nemen deel is van wat wij ervan verlangen. Voordat mijn ziel mij dit geleerd had, stelde ik mij tevreden met warmte als het koud was en met koelte als het warm was, en met geen van beide als ik lusteloos was. Maar nu ligt mijn eens verkrampte tastzin overal verspreid, veranderd in een fijne nevel die alles wat uit Zijn verschijnt doordringt, en zich vermengt met wat voor haar ver­borgen is gebleven.

Mijn ziel heeft mij goede raad gegeven. Zij heeft mij geleerd om de geuren te ruiken die noch door aromatische kruiden, noch door wierook worden voortgebracht. Voordat mijn ziel mij dit geleerd had, zocht ik, telkens als ik naar een geur verlangde, hem in ruinen, in parfumflessen of in wierookvaten. Maar nu ruik ik wat niet brandt of gesprenkeld wordt en ik vul mijn borst met de zuiverheid van lucht die nooit door een aardse tuin is heen gegaan en nooit is opgestegen met de wind die het hemel­gewelf toebehoort.

 

Mijn ziel heeft mij goede raad gegeven. Zij heeft mij geleerd om te zeggen: 'Hier ben ik!' wanneer het onbe­kende of het gevaar mij roept. Voordat mijn ziel mij dit geleerd had, weigerde ik gehoor te geven, behalve als ik de stem van de roeper kende, en waagde ik mij nooit op een weg, behalve die welke ik uitgeprobeerd had en gemakkelijk vond. Nu is het bekende mijn berg gewor­den, die ik bestijg op weg naar het onbekende. En de uitgestrekte vlakte is mijn ladder geworden, waarvan ik de treden bestijg om het gevaar te trotseren.

Mijn ziel heeft mij goede raad gegeven. Zij heeft mij geleerd om de tijd niet te meten door te zeggen: 'Gisteren was het en morgen zal het zijn.' Voordat mijn ziel mij dit geleerd had, stelde ik mij het verle­den voor als een tijdperk dat ik nimmer tegenkwam en de toekomst als een tijdperk dat ik niet zou aan­schouwen. Maar nu weet ik dat het kortstondige mo­ment van het heden alle tijd omvat, met alles wat in de tijd bestaat - alles wat hevig verlangt of begeert, alles wat volbracht wordt en gerealiseerd.
UIT: HET VISIOEN 

 

Wijsheid en ik.

In de stilte van de nacht trad Wijsheid mijn kamer binnen en stond bij mijn bed. Zij staarde mij aan als een liefhebbende moeder, droogde mijn tranen en zei: 'Ik heb het geroep van je ziel gehoord en ben hier gekomen om je te troosten. Open je hart voor mij en ik zal het vullen met licht. Vraag, en ik zal je het pad der Waarheid wijzen.'
Ik gaf gevolg aan haar verzoek en vroeg: 'Wie ben ik, Wijsheid, en hoe kwam ik tot deze afschuwelijke plaats? Wat betekenen deze enorme verwachtingen en deze stapels boeken? Wat zijn dit voor gedachten die komen en gaan als een vlucht duiven? Wat zijn dit voor woorden die wij begerig samenstellen en vol vreugde neerschrijven? Wat betekenen deze droevige en vreugdevolle gevolgtrekkingen die mijn ziel omarmen en mijn hart omhullen? Van wie zijn die ogen die mij aanstaren en de meest innerlijke schuilhoeken van mijn ziel doordringen en die toch onbewust zijn van mijn verdriet? Wat zijn dit voor stemmen die het voorbijgaande karakter mijner dagen bewenen en lofzingen over mijn kindertijd? Wie is deze jongeling die speelt met mijn verlangens en spot met mijn gevoelens, terwijl hij de daden van gisteren vergeet, zich tevreden stelt met het weinige van vandaag en zich wapent tegen de langzame nadering van morgen?'

'Wat is dit voor verschrikkelijke wereld die mij in beweging brengt en naar welk onbekend land? Wat is deze aarde die wijd haar kaken spert om onze lichamen te verzwelgen en die een altijddurende schuilplaats bereidt voor hebzucht? Wie is deze Mens die zich tevreden stelt met gunsten van fortuin en smeekt om een kus van 's levens lippen terwijl de dood hem in het gelaat treft? Wie is deze Mens die een ogenblik van plezier koopt met een jaar berouw en zichzelf overgeeft aan de slaap, terwijl dromen tot hem roepen? Wie is deze Mens die zwemt in de golven van onwetendheid naar de draaikolk de Duisternis?'
'Vertel mij, Wijsheid, wat zijn dit allemaal voor dingen?'

En de Wijsheid opende haar lippen en sprak:
'Gij, Mens, zou de wereld willen zien met de ogen van God en de geheimen van het hiernamaals willen begrijpen met menselijke gedachten. Dat is de vrucht van onwetendheid.' 'Ga het veld in en zie hoe de bij, boven de zoete bloemen hangt en hoe de adelaar naar beneden schiet op zijn prooi. Ga uw buurman's huis binnen en zie hoe de zuigeling betoverd wordt door het haardvuur, terwijl de moeder zich van haar taken wijdt. Wees als de bij, en verspil uw lentedagen niet met u te vergapen aan het doen en laten van de adelaar. Wees als het kind dat zich verheugt bij de vuurgloed en laat de moeder gaan. Al wat ge ziet was, en is nog steeds, het uwe. De vele boeken en de lieflijke gedachten om u heen zijn schimmen van de zielen die voor u geweest zijn. De woorden die uw lippen uiten zijn de schakels in de keten die u en uw medemensbindt.
De droevige en blije gevolgtrekkingen zijn de zaden gezaaid door het verleden in het veld uwer ziel, om te worden geoogst door de toekomst.'

'De jongeling die speelt met uw verlangens is hij die de poort van uw hart zal openen om het Licht te laten ingaan. De aarde die wijd haar muil spert om de Mens en zijn werken te verzwelgen, is de bevrijder onzer zielen van de gebondenheid aan het lichaam.'
'De wereld die met u beweegt is uw hart dat de wereld zelf is. En de Mens,die gij zo klein en onwetend acht, is Gods boodschapper die gekomen is om de levensvreugde te leren door smart en om kennis te verwerven uit onwetendheid.'
Aldus sprak Wijsheid en zij legde een hand op mijn brandend voorhoofd zeggende: 'Ga voort. Draal niet. Voorwaarts gaan is zich bewegen naar volmaaktheid.
Ga voort en vrees niet de dorens of de scherpe stenen op 's levenspad'.

 

Verleden en Toekomst

 

Ik zeg U dat de kinderen van gisteren ronddwalen in een stervend tijdperk dat zij voor zichzelf hebben geschapen. Zij klampen zich vast aan een verrot stuk touw dat spoedig zal afbreken waardoor ze zullen wegglijden in een afgrond van vergetelheid. Ik zeg U dat zij wonen in huizen met een zwak fundament. Als de storm giert - en dat staat te gebeuren - stort hun huis boven hun hoofden in en wordt hun graf. Ik zeg U dat al hun gedachten, hun woorden, hun twisten, hun liederen, hun boeken en al hun werk niets anders zijn dan ketenen die hen remmen, omdat ze te zwak zijn om de last te trekken.

 

Maar de kinderen van morgen zijn degenen die door het leven geroepen zijn en zij volgen het met vaste tred en hoog geheven hoofd. Zij vormen de ochtendstond van ongerepte en nieuwe grenzen; geen mist zal hun blik vertroebelen en geen gerammel van ketenen zal hun stemmen doen verstommen. Zij zijn met weinigen, maar het verschil is als een graankorrel en een hooischelf. Niemand kent hen, maar zij kennen elkaar. Zij zijn als de bergtoppen die elkaar kunnen zien en horen - niet als de holen, die kunnen niet zien en horen. Zij zijn het zaad gestrooid door Gods hand in het veld, openbarstend en wuivend met de bladeren van het jonge gewas in het aangezicht van de zon. Het zal uitgroeien tot een machtige boom; geworteld in het hart van de Aarde en zijn takken groeiend tot hoog in de hemel.

Uit: de stem van de Meester

 

Het Leven

Het leven is een eiland in een oceaan van verlatenheid, een eiland waarvan de rotsen verwachtingen, de bomen dro­men, de bloemen eenzaamheid en de beken dorst zijn.

 

Jullie leven, mijn broeders, is een eiland, dat van alle andere eilanden en landstreken is gescheiden. Hoeveel schepen ook van je kusten koers zetten naar andere windstreken, hoeveel vloten ook je kusten aandoen, je blijft een eenzaam eiland, dat lijdt onder de pijn van de eenzaamheid en hunkert naar geluk. Je broeders kennen je niet en je   ontbeert hun sympathie en begrip.

 

Mijn broeder, ik zag je zitten op een berg goud.Je verheugde je over je rijkdom, je was trots op je schatten en twijfelde er niet aan of iedere handvol goud die je had vergaard was een onzichtbare schakel die de verlangens en gedachten van andere mensen met die van jou verbond.

 

Ik zag je voor mijn geestesoog opdoemen als een groot veroveraar die zijn troepen aanvoerde, uit op de vernietiging van de bolwerken van vijanden. Maar toen ik weer keek, zag ik slechts een eenzaam hart dat wegkwijnde achter volle schatkisten, een dorstige vogel in een gouden kooi met een leeg waterbakje.

 

Mijn broeder, ik zag je zitten op de eretroon met om je heen je volk, dat je majesteit verkondigde, de lof zong van je grote daden, je wijsheid hemelhoog prees, je aanstaarde alsof het zich in de tegenwoordigheid van een profeet bevond en zijn gejuich tot aan het hemelgewelf verhief.

 

Je keek naar je onderdanen en ik zag op je gelaat de tekenen van geluk, macht en triomf, als was je de ziel van hun lichaam.

Maar toen ik weer keek zag ik je moederziel alleen naast je troon staan, een balling die zijn hand in alle richtingen uitstrekte, alsof hij onzichtbare geesten smeekte om genade en vriendelijkheid - bedelend om onderdak, al had dat niet meer te bieden dan wat warmte en vriendelijkheid.

 

Mijn broeder, ik zag hoe je, verliefd op een mooie vrouw, je hart offerde op het altaar van haar lieflijkheid. Toen ik zag hoe ze met tedere, moederlijke gevoelens naar je keek, zei ik bij mezelf 'Lang leve de liefde, die een eind maakt aan de eenzaamheid van de mens en zijn hart verbindt met dat van een ander.'  

 

Maar toen ik weer keek, zag ik in je liefhebbende hart een ander eenzaam hart dat het tevergeefs uitschreeuwde om zijn geheim aan een vrouw te onthullen, en achter je van liefde vervulde ziel een andere eenzame ziel die leek op een ronddolende wolk en tevergeefs wenste dat ze kon veranderen in tranen in de ogen van de geliefde.

 

Je leven, mijn broeder, is een eenzame woning, gescheiden van de woningen van anderen, een huis in welks inwendige de blik van de buren niet doordringt. Als het in duisternis wordt gedompeld, verlicht de lamp van de buren het niet. Als er geen levensmiddelen meer zijn, vult de voorraad van de buren ze niet aan. Als het in een woestijn staat, kun je het niet verplaatsen naar de tuinen die door anderen worden bewerkt en beplant. Als het op een bergtop staat, kun je het niet naar het dal brengen dat door de voeten van andere mensen wordt begaan.

 

Het leven van je geest, mijn broeder, is omgeven door eenzaamheid, en als het anders was, was jij niet jij en ik niet ik. Als het anders was, dacht ik bij het horen van je stem dat het mijn stem was die sprak en bij het zien van jouw gezicht dat ik mijzelf in een spiegel zag.

 Uit 'De Stem van de Meester'

 

 

RUST

 

Neem het laken weg van mijn lichaam en wikkel mij in jasmijn en irisbloemen. Verlos mijn res­ten uit de ivoren kist en spreid ze uit op kussens van oranje- en citroenkleurige bloemen. Breng mij geen klaagzangen, kinderen van mijn moeder. Vergiet geen tranen, dochter van de velden. Zing liever de liederen van het oogstfeest en van het persen van de wijn.

Overdek mijn borst niet met je jammerklacht en zuchten, maar voel haar en speur met je vingertop­pen naar runetekens van liefde en symbolen van vreugde.

Verstoor niet de rust van de ether met riten en aanroepingen, maar roep harten op om met mij onsterfelijkheid en eeuwigheid te bezingen.

Draag vanwege rouw geen zwart voor mij, maar trek iets wits aan en verheug je met mij.

Spreek niet over mijn dood met een brok in je keel, maar sluit je ogen en je zult mij bij jullie zien, nu, morgen en daarna.

 

Leg mij neer op bebladerde takken, til mij op jullie schouders en draag mij langzaam naar het open land.

Breng mij niet naar de begraafplaats, want het ge­drang verstoort mijn rust en het geratel van oude botten en schedels berooft mijn rustplaats van haar vredigheid.

Draag mij naar de cipressengaard en graaf mijn graf waar viooltjes groeien naast anemonen.

Graaf een diep graf, opdat de stortregens mijn bot­ten niet meesleuren naar het dal.

Graaf een breed graf, opdat de nachtelijke ver­schijningen kunnen komen en er kunnen zitten.

Neem deze kleren weg en laat mij naakt in de boe­zem van moeder aarde neer; leg mij teder te ruste op de borst van mijn moeder.

Bedek mij met zachte aarde en gooi met iedere schep grond een handvol zaad van leliŽn, jasmijn en wilde rozen mee. Zij zullen groeien op mijn graf, de elementen van mijn lichaam in zich opnemen, de lucht bezwangeren met de geur van mijn hart en het mysterie van mijn rust meedragen naar het gelaat van de zon. En als zij buigen zullen in de wind, moge zij dan de voorbijganger herinneren aan mijn dromen en streven.

Verlaat mij nu, kinderen van mijn moeder. Laat mij nu alleen en verwijder je met geruisloze voeten, als de stilte die rondwaart in een afgelegen vallei.

Laat mij met rust en ga geluidloos van mijn zijde, zoals de appel- en amandelbloesems zich verspreiden in de voorjaarswind.

Keer terug naar huis. Daar zullen jullie ontdekken wat de dood noch van mij, noch van jullie kan weg­nemen.

Verlaat deze plaats, want degene die je hier zoekt, is reeds ver weg, ver weg van deze wereld.

 

Uit: De Dromer

 

DE SCHEPPING

 

GOD SCHEIDDE EEN GEEST af van zichzelf en bekleed­de hem met schoonheid. Hij strooide over hem de zegeningen van elegantie en vriendelijkheid.

 

Hij gaf hem de beker van het geluk en zei: 'Drink niet van deze beker, tenzij je het verleden en de toekomst kunt vergeten, want geluk bestaat slechts in het moment.'

 

Ook gaf hij hem een beker vol verdriet en zei: 'Drink van deze beker en je zult de betekenis begrijpen van de vluchtige momenten van vreugde, want verdriet is er altijd in overvloed.'

 

En God verleende de geest liefde, die hem voorgoed zou verlaten bij zijn eerste zucht van aardse bevredi­ging en een zoetheid die zou worden verbannen bij zijn eerste besef van het gevlei.

 

En Hij gaf hem wijsheid uit de hemel om hem over het pad van de rechtvaardigheid te kunnen leiden en plaatste diep in zijn hart een oog dat het ongeziene ziet, waardoor een bijzondere gevoeligheid ontstaat en goedheid tegenover alle dingen. Hij bekleedde hem met hoop, gesponnen door de engelen uit de stralen van de regenboog. Ook trok hij hem de schaduw van verwarring aan, die de opgang van leven en licht is.

 

Toen nam God vuur uit de oven van de toorn, schroeiende wind uit de woestijn van de onwetend­heid, scherp zand uit de kust van de zelfzucht en ruwe aarde van onder de voeten der eeuwen en vormde daaruit de mens. Hij gaf de mens blinde macht die hem tot waanzin drijft, die vernietigt voordat verlangen wordt bevredigd en plaatste leven in hem, dat de scha­duw is van de dood.

 

En God lachte en huilde. Hij voelde een overweldi­gende liefde en medelijden voor de mens en nam hem onder zijn hoede.

 

UIT: SPIEGELS VAN DE ZIEL  

 

Goed en Kwaad

 

En een van de oudsten van de stad zei: Vertel ons over goed en kwaad.

En hij antwoordde:

Over het goede in jullie kan ik spreken, over het kwade echter niet, want wat is het kwade anders dan het goede dat wordt gekweld door zijn eigen honger en dorst?

Als het goede hongert, zoekt het zijn voedsel zelfs in duistere spelonken en als het dorst, drinkt het zelfs van dode wateren.

 

Je bent goed als je in harmonie bent met jezelf

Maar als je dat niet bent, ben je nog niet slecht.

Een verdeeld huis is nog geen rovershol, het is slechts een verdeeld huis.

Een schip zonder roer mag dan doelloos ronddobberen tussen ge­vaarlijke klippen, het hoeft nog niet te zinken.

 

Je bent goed als je ernaar streeft jezelf te geven, maar je bent nog niet slecht als je uit bent op je eigen voordeel. Je bent enkel een wortel die zich vastklampt aan de aarde en zuigt aan haar borst.

Heeft de vrucht het recht tegen de wortel te zeggen: 'Wees als ik, rijp en vol, en geef steeds van je overvloed?'

Geven is voor de vrucht een behoefte, zoals ontvangen dat is voor de wortel.

Je bent goed als je volkomen alert bent wanneer je praat.

Maar je bent nog niet slecht als je slaapt en je tong doelloos stamelt. Zelfs taal die mank gaat, kan een zwakke tong sterken.

 

Je bent goed als je vastberaden en zelfverzekerd op je doel afstevent, Maar je bent nog niet slecht als je hinkend herwaarts gaat. Zelfs wie hinkt, gaat niet achteruit.

Maar jullie, die vast en snel ter been bent, pas op dat je niet ten overstaan van de kreupelen hinkt, in de waan dat je daarmee goed doet.

 

Je bent goed op tal van manieren en als je niet goed bent, ben je nog niet slecht,

Maar enkel traag en lui.

Jammer dat het hert de schildpad geen snelvoetigheid kan bijbrengen!

 

Je goedheid ligt in je verlangen naar je reusachtige zelf en dat verlangen sluimert in elk van jullie.

In sommigen van jullie is het echter een bergstroom, die machtig naar zee bruist en de geheimen van de heuvelhelling en de liederen van het woud met zich meevoert,

En in anderen is het een trage stroom, die zich verliest in vele bochten en langzaam voort kronkelt alvorens zij de kust bereikt.

 

Laat wie sterke verlangens koestert vooral niet tegen wie amper verlangens heeft zeggen: 'Waarom ben je zo langzaam en onzeker?'

Wie waarlijk goed is, vraagt niet aan wie naakt staat: 'Waar is je gewaad?' en aan wie dakloos is: 'Wat is er gebeurd met je huis?'

 

 

Gebed.

 

Toen zei een priesteres: Spreek tot ons over het gebed. En hij antwoordde als volgt:

Je bidt in je wanhoop en je nood.

Bad je ook maar uit de volheid van je vreugde en Je overvloed.

Want wat is gebed anders dan je uitbreiden in het levende heelal?

Als het je tot troost strekt je duisternis in de ruimte uit te storten, moet het je ook tot vreugde strekken de zonsopgang van je hart uit te storten.

Als je niet anders kunt dan huilen wanneer je ziel je oproept tot gebed, moet ze je, ondanks je tranen, telkens opnieuw aansporen tot je lachend aan die oproep gevolg geeft.

 

Wie bidt, stijgt op om in de geest al diegenen te ontmoeten die op datzelfde ogenblik aan het bidden zijn en die hij anders misschien nooit ontmoeten zou.

Je bezoek aan die onzichtbare tempel dient dan ook nergens anders toe dan tot vervoering en intimiteit.

Want als je de tempel enkel betreedt om te vragen, ontvang je niet;

Als je hem betreedt om je te vernederen, word je niet boven jezelf uitgeheven;

En zelfs als je hem betreedt om het goede voor anderen af te smeken, word je niet verhoord;

Het is genoeg dat je de onzichtbare tempel betreedt.

Ik kan jullie niet bijbrengen hoe je in woorden bidt.

God luistert niet naar je woorden, tenzij Hij ze je Zelf in de mond geeft.

Ik kan jullie het gebed van zeeŽn, wouden en bergen niet leren, Maar jullie, die geboren zijn uit de schoot van bergen, wouden en zeeŽn, vinden hun gebed in je hart.

 

Als je aandachtig luistert in de stilheid van de nacht, hoor je hen in stilte zeggen:

'Onze God, ons gevleugeld zelf, Uw wil is het die in ons wil,

Uw verlangen is het dat in ons verlangt;

Uw drang is het die in ons de nachten die U toebehoren verandert in dagen die U eveneens toebehoren.

Wij kunnen U nergens om vragen, want Gij kent onze noden nog vůůr wij ze zelf kennen;

Gij bent wat wij van node hebben, en door ons meer van Uzelf te geven, geeft Gij ons alles.'

 

 

LIED VAN GELUK

 

De mens en ik zijn gelieven. Hij hunkert naar mij en ik verlang naar hem. Wee ons, wij moeten onze liefde de­len met iemand die het ons moeilijk maakt. Wreed is zij en veeleisend. Materie is haar naam. Waar wij ook gaan, zij volgt ons op de voet als een bewaker om ons uiteen te drijven. Zij maakt mijn liefste rusteloos.

Ik zoek mijn liefste in het woud onder de bomen en bij de bosmeertjes, maar vindt hem niet, want Materie heeft hem meegetroond naar de grote stad, waar de menigte de boventoon voert en waar corruptie en el­lende heersen, gebaseerd op de onstabiliteit van klin­kende munt.

Ik roep hem met de stem der Kennis en het lied der Wijsheid. Hij luistert niet, want Materie heeft hem de kerker van de zelfzucht binnengelokt, waar gierigheid huist.

Ik zoek hem op het veld der Tevredenheid, maar ben alleen, want mijn rivale houdt hem vast in de grotten van hebzucht en begeerte en heeft hem gekluisterd in knellende ketens van goud.

Ik roep hem bij de dageraad, als de natuur glimlacht, maar hij hoort het niet, want overdaad heeft zijn half­verblinde ogen zwaar met slaap beladen.

Ik poog hem te bekoren in de avondstond, wanneer de Stilte soeverein is en de bloemen sluimeren. Maar hij antwoordt niet, want de angst voor wat de dag van morgen brengen zal, overschaduwt zijn gedachten.

Hij hunkert ernaar om mij te beminnen. Hij zoekt mij in zijn eigen daden, maar hij zal mij niet vinden dan in godvruchtige handelingen.

Hij zoekt mij in de gebouwen van zijn eigen roem, ge­bouwd op het gebeente van anderen. Hij fluistert me toe tussen bergen zilver en goud. Maar hij zal mij pas vinden, als hij naar het huis der Eenvoud komt, dat God gebouwd heeft aan de oever van de rivier der Ge­negenheid.

Hij wil mij kussen voor zijn geldkisten, maar nooit zullen zijn lippen de mijne beroeren dan in de volheid van de zuivere bries.

Hij vraagt mij zijn fabelachtige rijkdom met hem te delen, maar ik zal het geluk dat God schenkt niet ver­zaken, ik leg de mantel van mijn schoonheid niet af.

Hij zoekt bedrog als middel, ik zoek alleen zijn hart, dat hij kwetst in zijn nauwe cel. Ik wil zijn hart met liefde verrijken.

Mijn liefste heeft van mijn rivale, Materie, razen en tie­ren geleerd, ik wil hem leren tranen van tederheid en mededogen te storten, die opwellen uit het diepst van zijn ziel en in die tranen een zucht van tederheid te sla­ken.

De mens is mijn liefste, hem wil ik toebehoren.

 

Uit:  Een traan en een lach.

 

 

 

UIT: De stem van de Meester.

 

Het leven is een eiland in een oceaan van verlatenheid, een eiland waarvan de rotsen verwachtingen, de bomen dromen, de bloemen eenzaamheid en de beken dorst zijn.
Jullie leven, mijn broeders, is een eiland, dat van alle andere eilanden en landstreken is gescheiden. Hoeveel schepen ook van je kusten koers zetten naar andere windstreken, hoeveel vloten ook je kusten aandoen, je blijft een eenzaam eiland, dat lijdt onder de pijn van de eenzaamheid en hunkert naar geluk. Je broeders kennen je niet en je ontbeert hun sympathie en begrip.

Mijn broeder, ik zag je zitten op een berg goud. Je verheugde je over je rijkdom, je was trots op je schatten en twijfelde er niet aan of iedere handvol goud die je had vergaard was een onzichtbare schakel die de verlangens en gedachten van andere mensen met die van jou verbond.

Ik zag je voor mijn geestesoog opdoemen als een groot veroveraar die zijn troepen aanvoerde, uit op de vernietiging van de bolwerken van vijanden. Maar toen ik weer keek, zag ik slechts een eenzaam hart dat wegkwijnde achter volle schatkisten, een dorstige vogel in een gouden kooi met een leeg waterbakje.

Mijn broeder, ik zag je zitten op de eretroon met om je heen je volk, dat je majesteit verkondigde, de lof zong van je grote daden, je wijsheid hemelhoog prees, je aanstaarde alsof het zich in de tegenwoordigheid van een profeet bevond en zijn gejuich tot aan het hemelgewelf verhief.

Je keek naar je onderdanen en ik zag op je gelaat de tekenen van geluk, macht en triomf, als was je de ziel van hun lichaam.

Maar toen ik weer keek zag ik je moederziel alleen naast je troon staan, een balling die zijn hand in alle richtingen uitstrekte, alsof hij onzichtbare geesten smeekte om genade en vriendelijkheid - bedelend om onderdak, al had dat niet meer te bieden dan wat warmte en vriendelijkheid.


Mijn broeder, ik zag hoe je, verliefd op een mooie vrouw, je hart offerde op het altaar van haar lieflijkheid. Toen ik zag hoe ze met tedere, moederlijke gevoelens naar je keek, zei ik bij mezelf 'Lang leve de liefde, die een eind maakt aan de eenzaamheid van de mens en zijn hart verbindt met dat van een ander.'


Maar toen ik weer keek, zag ik in je liefhebbende hart een ander eenzaam hart dat het tevergeefs uitschreeuwde om zijn geheim aan een vrouw te onthullen, en achter je van liefde vervulde ziel een andere eenzame ziel die leek op een ronddolende wolk en tevergeefs wenste dat ze kon veranderen in tranen in de ogen van de geliefde.

Je leven, mijn broeder, is een eenzame woning, gescheiden van de woningen van anderen, een huis in welks inwendige de blik van de buren niet doordringt. Als het in duisternis wordt gedompeld, verlicht de lamp van de buren het niet. Als er geen levensmiddelen meer zijn, vult de voorraad van de buren ze niet aan. Als het in een woestijn staat, kun je het niet verplaatsen naar de tuinen die door anderen worden bewerkt en beplant. Als het op een bergtop staat, kun je het niet naar het dal brengen dat door de voeten van andere mensen wordt begaan.


Het leven van je geest, mijn broeder, is omgeven door eenzaamheid, en als het anders was, was jij niet jij en ik niet ik. Als het anders was, dacht ik bij het horen van je stem dat het mijn stem was die sprak en bij het zien van jouw gezicht dat ik mijzelf in een spiegel zag.

 

 

 

 

HET LIEFDESLIED

 

Een dichter schreef eens een liefdeslied en het was wonderschoon.

En hij maakte er vele afschriften van en stuurde die aan zijn vrienden en bekenden,

en zelfs aan een jonge vrouw die hij slechts eenmaal had ontmoet

die aan gene zijde van de bergen woonde.

Na een dag of twee kwam er een boodschapper van de jonge vrouw

met een brief. In die brief zei ze:

"Laat me je verzekeren dat ik diep geroerd ben door het liefdeslied dat je hebt geschreven.

Kom nu mijn vader en mijn moeder bezoeken en wij zullen schikkingen treffen aangaande de verloving."

 En de dichter schreef haar: "Mijn dierbare vriendin, het was slechts een liefdeslied uit een dichterhart,

gezongen door iedere man aan iedere vrouw."

En zij riposteerde: "Huichelaar en leugenaar in woorden,

vanaf vandaag tot aan mijn sterfdag zal ik alle dichters haten om uwentwil.


 

  uit : De Zwerver

 

 

 

De rivier



In de vallei van Kadisja, waar de machtige rivier vloeit, ontmoetten twee stroompjes elkaar en spraken met elkander. Het ene zei: 'Wat is je wedervaren, mijn vriend, en hoe was je pad?'
En het andere antwoordde: 'Mijn pad was uiterst kommervol. Het rad van de molen was gebroken en de meester-boer die mij altijd door het kanaal naar zijn planten leidde is gestorven. Ik worstelde me stroomafwaarts, dichtgeslibd door de viezigheid van mensen die niets anders doen dan lui in de zon zitten bakken. Maar hoe was jouw pad, mijn broeder?'
Het andere stroompje antwoordde: 'Mijn pad was heel anders. Ik kwam de heuvels afgedaald tussen geurige bloemen en bedeesde wilgen, mannen en vrouwen dronken uit mij met zilveren bekers, kleine kinderen pootjebaden met rozige voetjes aan mijn boorden, er was gelach om mij heen en zoete zang. Wat jammer dat jouw pad niet zo gelukkig was.'
Op dat moment sprak de rivier met luider stem en zei: 'Kom tot mij, kom tot mij, we gaan op weg naar zee. Kom tot mij en zwijg stil. Verenig je met mij. Wij gaan op weg naar zee. Kom tot mij, want in mij vergeten jullie je omzwervingen, verdrietig of blij. Kom tot mij, kom tot mij. Jullie en ik vergeten onze wegen als we het hart bereiken van onze moeder, de zee.

 

 

De storm Ė Kahlil Gibran

 

 

Deel een

 

Yusif El Fakhri was dertig jaar oud toen hij zich uit de maatschappij terugtrok en neerstreek in een afgelegen kluizenaarshut in de buurt van het Kediesja-dal in Noord-Libanon. Onder de bewoners van de nabijgelegen dorpen deden allerlei verhalen over hem de ronde. Volgens sommigen stamde hij uit een rijk, adellijk geslacht en hield hij van een vrouw die hem bedroog, waarna hij zich in eenzaamheid afzonderde. Anderen wisten te vertellen dat hij een dichter was die de luidruchtige stad was ontvlucht en zich op die plek had teruggetrokken om in alle rust zijn gedachten te kunnen boekstaven en zijn inspiratie op papier te zetten. Velen waren ervan overtuigd dat hij een mysticus was, die genoeg had aan de spirituele wereld. Maar volgens de meesten was hij gek.

 

Wat mij betreft, ik durfde geen oordeel over hem te vellen, want ik voelde dat er een diep geheim in hem school, dat ik niet louter speculatief wilde benaderen. Lang had ik gehoopt op een gelegenheid om deze vreemde man te ontmoeten. Ik had op slinkse wijze pogingen in het werk gesteld om zijn vriendschap te winnen, zijn werkelijkheid te bestuderen en zijn verhaal te horen door hem te vragen wat hij met zijn leven voor had, maar mijn pogingen waren gestrand. Toen ik hem voor het eerst ontmoette, liep hij in de buurt van het woud van de heilige ceders. Ik groette hem met zorgvuldig gekozen woorden, maar hij beantwoordde mijn groet door enkel zijn hoofd te schudden en weg te benen.

 

Bij een volgende gelegenheid zag ik hem in een kleine wijngaard bij een klooster staan. Weer benaderde ik hem, groette hem en zei: 'Volgens de dorpelingen werd dit klooster in de veertiende eeuw door een Syrische sekte gebouwd. Weet u daar iets van?' Koeltjes antwoordde hij: 'Ik weet niet wie dit klooster heeft gebouwd en wil het ook niet weten.' Hij keerde me de rug toe en voegde eraan toe: 'Waarom vraagt u het niet aan uw grootouders, die ouder zijn dan ik en die meer van de geschiedenis van dit dal weten?' Ik besefte op slag dat ik geen voet aan de grond kreeg en verliet hem daar.

Zo gingen er twee jaar voorbij. Het merkwaardige leven van deze vreemde man liet me niet los en spookte door mijn dromen.

  

Deel twee

 

Op een dag in de herfst, toen ik door de heuvels vlakbij de hut van Yusif El Fakhri ronddwaalde, stak er plotseling een hevige storm op en begon het te regenen dat het goot. De storm wierp me heen en weer als een boot waarvan het roer is gebroken en de masten zijn versplinterd door een vliegende storm op de woeste baren. Met moeite richtte ik mijn schreden naar de plek waar Yusif verbleef, terwijl ik bij mezelf zei: 'Op deze gelegenheid heb ik lang gewacht. De storm is mijn excuus om bij hem binnen te komen en mijn natte kleren zijn een goede reden om er enige tijd te blijven.'

Toen ik bij de hut belandde, was ik er ellendig aan toe. Ik klopte aan en de man die ik zo graag wilde zien deed de deur open met in zijn hand een stervende vogel die aan de kop gewond was en wiens vleugels waren gebroken. Ik begroette hem als volgt: 'Ik vraag u wel excuus voor deze vervelende inbreuk op uw privťleven. Ik ben ver van huis en werd overvallen door de woedende storm.' Hij fronste zijn voorhoofd en zei: 'Er zijn in deze wildernis talloze grotten waarin u een toevlucht kunt zoeken.' Hij deed echter niet de deur voor mijn neus dicht. Mijn hart begon sneller te kloppen. Zou mijn hartenwens in vervulling gaan? Hij raakte zachtjes, voorzichtig en vol interesse de kop van de vogel aan. Met dat gebaar stal hij mijn hart. Het was vreemd twee zo tegenstrijdige eigenschappen in hem aan te treffen, genade enerzijds en wreedheid anderzijds. We werden ons bewust van de gespannen stilte tussen ons. Hij wilde dat ik wegging en ik wilde blijven.

 

Het leek alsof hij mijn gedachten las, want hij keek op en zei: 'De storm is schoon en eet geen bedorven vlees. Waarom poogt u aan hem te ontsnappen?' Ik ging daar speels op in en zei: 'De storm eet misschien wel geen bedorven dingen, maar hij is geneigd alles te verkillen en week te maken. Ongetwijfeld zou hij het heerlijk vinden me te verteren als hij me weer te pakken kreeg.' Hij keek me streng aan en antwoordde: 'Als de storm u had verzwolgen had hij u een eer bewezen die u niet toekomt.' Ik zei instemmend: 'Ja, en ik ben de storm ontvlucht omdat ik geen eerbewijs wil dat ik niet verdien.' Hij wendde zijn gezicht af in een poging zijn glimlach te verbergen en wees toen uitnodigend op een houten bank, zodat ik kon uitrusten en mijn kleren drogen. Ik kon mijn opgetogenheid nauwelijks verbergen.

 

Ik bedankte hem en ging zitten. Hij nam tegenover me plaats op een bank die in de rots was uitgehouwen. Hij doopte zijn vingers in een aardewerken pot met olie en smeerde zachtjes de kop en de vleugels van de vogel in. Zonder op te kijken zei hij: 'Deze vogel is door toedoen van de harde windvlagen neergestort op de rotsen tussen leven en dood.' Ik pakte die vergelijking op en antwoordde: 'En de harde windvlagen hebben mij als een stuk wrakhout naar uw deur gespoeld, vlak voor mijn hoofd gewond werd en mijn vleugels braken.'

Hij keek me ernstig aan en zei: 'Had de mens maar het instinct van een vogel en brak de storm zijn vleugels maar, want de mens is geneigd tot angst en lafheid. Als de storm opsteekt, kruipt hij weg in de spleten, kieren en grotten van de aarde om zich te verbergen.'

 

Ik wilde hem het verhaal van de zelfopgelegde ballingschap ontfutselen en waagde het te zeggen: 'Ja, vogels hebben een waardigheid en een moed waaraan de mens niet kan tippen. De mens leeft in de schaduw van wetten en gebruiken die door hemzelf zijn vervaardigd en die hij zichzelf oplegt, maar vogels leven volgens dezelfde eeuwige wet waardoor de aarde haar machtige pad rond de zon beschrijft.' Alsof hij in mij een begrijpend leerling had gevonden, lichtten zijn ogen en zijn gezicht op en hij riep uit: 'Bravo! Wie zijn eigen geloof vindt, moet de maatschappij, haar corrupte wetten en tradities vaarwel zeggen en als de vogels leven op een plek waar niets anders geldt dan de schitterende wet van hemel en aarde. 'Geloven is mooi, maar wie die overtuigingen daadwerkelijk ten uitvoer wil brengen wordt beproefd op zijn kracht. Velen praten als het bruisen van de zee, maar hun leven is hol en staat stil als een rottend moeras. Velen heffen hun hoofd op hoog boven de bergtoppen, maar hun geest slaapt in de duisternis van de spelonken.' Hij stond trillend van zijn zetel op en legde de vogel op een opgevouwen doek bij het raam.

 

Hij gooide een bos droog hout op het vuur en zei: 'Trek uw schoenen uit en warm uw voeten. Vochtigheid is slecht voor een mens. Droog uw kleren en maak het u gemakkelijk.'

Yusifs gastvrijheid stemde me hoopvol. Ik ging bij het vuur zitten. De damp sloeg van mijn natte kleren. Terwijl hij bij de deur naar de grijze lucht stond te staren, zocht ik koortsachtig naar de wig die een opening in zijn verleden zou slaan. Ik vroeg onschuldig: 'Woont u hier al lang?'

Hij antwoordde zonder me aan te kijken: 'Ik kwam hierheen toen de aarde nog woest en verlaten was. Zij werd bedekt door een watervloed en er heerste diepe duisternis. En Gods geest joeg over de wateren.' Ik was verbijsterd over deze woorden. Ik moest mij tot het uiterste inspannen om weer vat op mijn geschokte, verstrooide geest te krijgen en zei bij mezelf: 'Wat een mens! Hoe zwaar is het pad dat tot zijn werkelijkheid leidt! Ik moet hem voorzichtig, langzaam en geduldig aanpakken, tot hij van terughoudend mededeelzaam wordt en van ontwijkend begripsvol.'

 

Deel drie

 

De nacht spreidde haar zwarte gewaad over de dalen, de storm loeide duizelingwekkend en het ging steeds harder regenen. Het was alsof de zondvloed was teruggekeerd om het leven te verzwelgen en de vuigheid van de mens van Gods aarde weg te spoelen.

Het was alsof de opstandige elementen in Yusifs hart de kalme rust teweegbrachten die vaak optreedt als reactie op temperament en die eenzaamheid doet verkeren in saamhorigheid. Hij stak twee kaarsen aan en zette vervolgens een kruik wijn en een groot dienblad met brood, kaas, olijven, honing en wat droog fruit neer. Toen ging hij zitten en na zich te hebben verontschuldigd voor de kleine hoeveelheid voedsel, maar niet voor de eenvoud ervan, vroeg hij me naast hem te komen zitten.

 

We aten in begripsvol stilzwijgen, luisterend naar het huilen van de wind en het schreien van de regen. Tegelijk bestudeerde ik zijn gezicht en probeerde zijn geheimen op te delven, terwijl ik nadacht over het mogelijke motief voor zijn ongewone bestaan. Toen we klaar waren, nam hij een koperen ketel van het vuur en goot heerlijk geurende koffie in twee koppen. Vervolgens opende hij een doosje en bood me een sigaret aan met het woord: 'Broeder.' Ik nam er een en nipte van mijn koffie. Ik kon mijn ogen eenvoudig niet geloven. Hij keek me glimlachend aan en nadat hij diep had geÔnhaleerd en een slok koffie had genomen, zei hij: 'Ongetwijfeld verbaast het u hier wijn, tabak, koffie en comfort aan te treffen. Uw nieuwsgierigheid is alleszins gerechtvaardigd, want u bent een van de velen die gelooft dat wie zich niet langer onder de mensen bevindt terzijde van het leven staat en zich alle genoegens ontzegt.' Ik stemde meteen in: 'Ja, de wijzen zeggen dat wie de wereld verlaat om God te aanbidden alle vreugde en overvloed des levens achter zich laat, zich tevreden stelt met Gods eenvoudige voortbrengselen en leeft van plantaardig voedsel en water.'

 

Na een pauze, die zwaar was van gedachten, zei hij mijmerend: 'Ik zou God alleen hebben kunnen aanbidden te midden van zijn schepselen, want voor aanbidding heb je geen eenzaamheid nodig. Ik heb de mensen niet verlaten om God te zoeken, want in het huis van mijn vader en moeder zag ik Hem voortdurend. Ik verliet de mensen omdat hun aard strijdig was met de mijne en omdat hun dromen niet overeenkwamen met die van mij. Ik verliet de mens omdat ik het gevoel had dat het wiel van mijn ziel de ene kant op wentelde en aanknarste tegen de wielen van andere zielen, die in tegenovergestelde richting draaiden. Ik verliet de maatschappij omdat ze voor mij een oude, corrupte boom is, sterk en vreselijk, waarvan de wortels verborgen zijn in de duisternis van de aarde en de takken boven de wolken uitreiken. Maar zijn bloesems bestaan uit hebzucht, slechtheid en misdaad en zijn vruchten uit verdriet, ellende en angst. Kruisvaarders hebben getracht er het goede op te enten en zijn aard te veranderen, maar zijn daarin niet geslaagd. Ze zijn teleurgesteld, vervolgd en verscheurd gestorven.'

 

Yusif boog zich naar mij over alsof hij wilde zien welke indruk zijn woorden op mij maakten. Het leek mij het beste mijn mond te houden en hij vervolgde: 'Nee, ik zocht de eenzaamheid niet om te bidden en het leven van een kluizenaar te leiden, want gebed - het lied van het hart ó bereikt de oren van God zelfs te midden van het geschreeuw en geroep van duizenden stemmen. Door het leven van een kluizenaar te leiden kwel je het lichaam en de ziel en dood je het instinct. Dat staat me tegen, want God heeft het lichaam opgericht als een tempel voor de geest en wij zijn geroepen om het vertrouwen dat God in ons stelt te verdienen en gaande te houden.

 

  • 'Nee, mijn broeder, ik zocht de eenzaamheid niet om godsdienstige redenen, maar enkel en alleen om de mensen en hun wetten, leerstellingen en tradities, ideeŽn, rumoer en geweeklaag te mijden.
  • 'Ik zocht de eenzaamheid om niet langer de gezichten van de mensen te hoeven zien, die zichzelf verkopen en kopen met dezelfde prijs, die lager ligt dan wat ze in geestelijk en materieel opzicht waard zijn.
  • 'Ik zocht de eenzaamheid om niet de vrouwen te hoeven tegenkomen die pralend rondlopen met duizend en ťťn glimlachjes op hun gezicht, terwijl ze in de diepte van hun duizend harten slechts ťťn doel hebben.
  • 'Ik zocht de eenzaamheid om mijzelf te verbergen voor de zelfvoldane individuen die in hun dromen het spook der kennis zien en dan denken dat ze hun doel hebben bereikt.
  • 'Ik ontvluchtte de maatschappij om hen te mijden die slechts het spook der waarheid zien in hun ontwaken en dan de wereld toeroepen dat ze de essentie van de waarheid volledig hebben doorgrond.
  • 'Ik verliet de wereld en zocht de eenzaamheid omdat ik het beu was hoffelijk te zijn jegens de horden die denken dat nederigheid, zwakte, genade lafheid en snobisme kracht is.
  • 'Ik zocht de eenzaamheid omdat mijn ziel de omgang beu was met hen die oprecht geloven dat de zon, de maan en de sterren uit hun geldkisten op- en in hun tuin ondergaan.
  • 'Ik rende weg van de baantjesjagers die het aardse lot van de mensen verbrijzelen door hen goudstof in de ogen te strooien en hun oren te vullen met zinloos geleuter.
  • 'Ik scheidde van de dominees die niet leven volgens wat ze preken en die van de mensen eisen wat ze niet van zichzelf vragen.
  • 'Ik zocht de eenzaamheid omdat ik van geen enkele menselijke ziel genegenheid ondervond, tenzij ik de volle prijs betaalde met mijn hart.
  • 'Ik zocht de eenzaamheid omdat ik dat grote, verschrikkelijke instituut haat dat men beschaving noemt, die symmetrische monstruositeit, opgericht op de voortdurende ellende van de mensheid.
  • 'Ik zocht de eenzaamheid, want daarin is volheid van leven voor geest, hart en lichaam. Ik vond de eindeloze grasvlakten waarop het licht van de zon rust, waar de bloemen hun zoete geur uitademen in de ruimte en de stromen zingend hun weg zoeken naar zee. Ik ontdekte de bergen waar ik het fris ontwaken van de lente, het kleurig verlangen van de zomer, de rijke liederen van de herfst en het schone geheim van de winter aantrof. Ik kwam naar deze uithoek van Gods domein omdat ik ernaar haakte de geheimen van het heelal te leren kennen en Gods troon dicht te naderen.'

 

 

Yusif zuchtte alsof er een loden last van zijn schouders viel. Zijn ogen schitterden met een vreemde, magische gloed en op zijn stralende gezicht verschenen de uiterlijke tekenen van trots, wilskracht en tevredenheid.

Er verstreken enkele minuten. Ik keek rustig naar hem en dacht na over het feit dat hij ontsluierd had wat mij verborgen was geweest. Toen sprak ik hem als volgt toe: 'U hebt ongetwijfeld grotendeels gelijk met wat u zegt, maar door uw diagnose van de ziekte waaraan de maatschappij mank gaat bewijst u tevens dat u in staat bent de vinger op de wonde te leggen. Volgens mij heeft de zieke maatschappij grote behoefte aan zo'n arts die haar geneest of doodt. Deze ontredderde wereld heeft uw aandacht nodig. Is het gerechtvaardigd of genadig de zieke patiŽnt te mijden en hem die weldaad te onthouden?'

 

Hij keek me bedachtzaam aan en zei toen achteloos: 'Sinds het begin van de wereld hebben dokters geprobeerd mensen van hun ziektes af te helpen, sommigen met messen, anderen met drankjes, maar de pestilentie verspreidde zich hopeloos. Ik wil dat de patiŽnt in zijn smerige bed blijft liggen en nadenkt over zijn langdurige zweren. In plaats daarvan steekt hij zijn handen uit, grijpt een ieder die hem komt bezoeken bij de keel en wurgt hem. De ironie! De slechte patiŽnt doodt de dokter en zegt bij zichzelf: "Hij was een groot arts." Nee, broeder, hoe wijs hij als deskundige ook mag zijn, hij kan de akker niet laten uitbotten in de winter.'

Ik bracht hier tegenin: 'De winter van de mens verstrijkt en dan komt de schone lente. Dan bloeien de bloemen in de velden en springen de beken weer door de dalen.'

 

Hij fronste zijn voorhoofd en zei bitter: 'Helaas! Heeft God het leven van de mens - dat wil zeggen de hele schepping - in seizoenen verdeeld zoals dat het geval is bij het jaar? Zullen de mensen die nu leven in Gods waarheid en geest weer op het aardrond willen verschijnen? Breekt ooit de tijd aan dat de mens zich blijvend ter rechterzijde van het leven vestigt en zich verheugt over het stralende licht van de dag en de vredige stilte van de nacht? Wordt die droom ooit werkelijkheid? Kan hij verwezenlijkt worden nadat de aarde bedekt is geweest met het vlees van de mens en gedrenkt in zijn bloed?'

 

Yusif stond op, strekte zijn rechterhand naar de hemel alsof hij naar een andere wereld wees en vervolgde: 'Dit is niets dan een vage droom voor de wereld, maar ik vind haar vervulling voor mijzelf, en wat ik hier ontdek beslaat elke ruimte in mijn hart, de dalen en de bergen.' Nu verhief hij echt zijn stem: 'Wat ik werkelijk weet is dat mijn innerlijk zelf het uitschreeuwt. Ik leef hier. In de diepte van mijn bestaan bevinden zich dorst en honger en ik merk dat vreugde deel heeft aan het brood en de wijn van het leven uit de kruiken die ik eigenhandig vervaardig. Daarom heb ik de gedekte dis van de mensen verlaten en ben ik naar deze plek gekomen, en hier zal ik blijven tot het eind!'

 

Hij bleef geagiteerd heen en weer ijsberen terwijl ik nadacht over wat hij had gezegd en me bezon op de gapende wonden van de maatschappij. Ik waagde het weer tactvol een kritisch geluid te laten horen: 'Ik sla uw opvattingen en bedoelingen heel hoog aan en benijd u om uw eenzaamheid en alleenzijn en respecteer deze, maar ik weet ook dat dit armzalige land een groot verlies heeft geleden doordat u het verliet, want het heeft behoefte aan een begrijpende genezer die het door zijn moeilijkheden heen helpt en zijn geest wekt.'

Hij schudde langzaam zijn hoofd en zei: 'Dit land verschilt geen zier van alle andere landen. De mensen bestaan uit hetzelfde element en verschillen alleen van elkaar in de uiterlijke verschijningsvorm, die van geen belang is. De ellende van de Oosterse volken is de ellende van de wereld en wat u de beschaving van het Westen noemt is niets anders dan een van de vele spoken van tragische misleiding.

 

'Huichelarij blijft bestaan, ook al zijn haar nagels gelakt en gevijld. Bedrog verandert nooit, ook al is haar aanraking zacht en teder. Valsheid verandert nooit in waarheid, ook al tooi je haar met zijden gewaden en zet je haar in een paleis. Eeuwige verslaving aan leerstellingen, gebruiken en geschiedenis blijft slavernij, ook al verf je haar gezicht en vermom je haar stem. Slavernij blijft, ook al noemt ze zich vrijheid, slavernij in heel haar verschrikking. 'Nee, mijn broeder, het Westen staat niet hoger of lager dan het Oosten en ze verschillen net zoveel van elkaar als de tijger en de leeuw. Achter het mombakkes van de maatschappij heb ik echter een rechtvaardige, volmaakte wet gevonden die ellende, rijkdom en onwetendheid op ťťn lijn stelt. Ze stelt de ene natie niet boven de andere en onderdrukt de ene stam niet om de andere te verrijken.'

 

Ik riep uit: 'Dan is beschaving ijdelheid en alles in die beschaving eveneens!' Hij antwoordde snel: 'Ja, beschaving is ijdelheid en alles erin ook. Uitvindingen en ontdekkingen zijn slechts vermaak en gemak voor het vermoeide, moede lichaam. De verovering van afstanden en de zege over de zeeŽn zijn slechts valse vruchten die de ziel niet voldoen, want ze staan ver van de natuur. De stelsels en theorieŽn die de mens kennis en kunst noemt zijn niets anders dan kluisters en gouden ketenen die hij met zich meesleept en over wier glinsterende weerspiegeling en klinkend geluid hij zich verheugt. Het zijn sterke kooien waarvan de mens de tralies eeuwen geleden is gaan vervaardigen, zich er niet van bewust dat hij ze van binnenuit construeerde en zichzelf al ras tot in de eeuwigheid opsloot. Ja, ijdel zijn de daden van de mens, ijdel zijn zín doelstellingen, alles op aarde is ijdel.' Hij pauzeerde en voegde er toen langzaam aan toe: 'Onder alle ijdelheden des levens is er slechts ťťn ding waarnaar de geest verlangt en hunkert. Eťn ding, verblindend en alleen.'

 

'En dat is?' vroeg ik met trillende stem. Hij keek me een minuut lang aan en sloot toen zijn ogen. Hij legde zijn handen op zijn borst, zijn gezicht klaarde op en met kalme, heldere stem zei hij: 'Dat is het ontwaken in de geest, het ontwaken in de innerlijke diepten van het hart, een overweldigende, schitterende kracht die plotseling op het geweten van de mens neerdaalt en hem de ogen opent, waarop hij het leven ziet in een duizelingwekkende stortvloed van prachtige muziek, omgeven door een cirkel van groot licht, met de mens als een zuil van schoonheid tussen de aarde en het hemelgewelf. Het is een vlam die plotseling in de geest woedt en het hart verzengt en zuivert, die van hoog boven de aarde neerdaalt en in het ruime zwerk hangt. Het is een genegenheid die het hart van het individu omhult, waarbij hij allen die het tegen willen houden zou willen verbijsteren en afwijzen en in opstand zou willen komen tegen hen die weigeren die grote zin te zien. Het is een geheime hand die de sluier voor mijn ogen wegtrok terwijl ik deel uitmaakte van de maatschappij te midden van mijn familie, mijn vrienden en mijn landgenoten. 'Vaak zei ik verwonderd bij mezelf: "Wat is dit heelal en waarom ben ik anders dan de anderen? Hoe ken ik hen, waar heb ik hen ontmoet en waarom leef ik tussen hen? Ben ik een vreemdeling onder hen of zijn zij vreemdelingen voor de aarde, opgericht door het Leven dat mij de sleutels heeft toevertrouwd?" '

Hij werd plotseling stil alsof hem iets te binnen schoot dat hij lang geleden had gezien en niet had willen openbaren. Toen strekte hij zijn armen uit en fluisterde: 'Dat overkwam me vier jaar geleden, toen ik de wereld verliet en naar deze eenzame plek kwam om te leven in een staat van ontwaaktheid en me te vermeien in vriendelijke gedachten en deze prachtige stilte.'

 

Hij liep naar de deur en staarde in de diepten van de duisternis alsof hij van plan was de storm toe te spreken. Toen zei hij met galmende stem: 'Het is een ontwaken in de geest. Wie dit kent, kan het niet onder woorden brengen. En wie dit niet kent, denkt nooit na over het dwingende, schone geheim van het bestaan.'

 

Deel vier

 

Er verstreek een uur. Yusif El Fakhri ijsbeerde nog steeds door het vertrek heen en weer en stond af en toe stil om naar de geweldige, grijze lucht te kijken. Ik hield me stil en dacht na over de vreemde mengeling van vreugde en verdriet in zijn eenzame leven.

Later op de avond kwam hij naar me toe en staarde me lang aan. Het was alsof hij zich de aanblik van de man aan wie hij de schrijnende geheimen van zijn leven had blootgelegd in het geheugen wilde prenten. Ik was hevig in de war, mijn ogen waren bedekt met mist. Hij zei kalm: 'Ik ga nu met de storm wandelen door de nacht om de nabijheid te voelen van de wijze waarop de natuur zich uit. Het is een oefening die me in de herfst en de winter veel vreugde schenkt. Hier is de wijn, daar de tabak. Doe vannacht alsof u thuis bent.'

 

Hij hulde zich in een zwarte mantel en voegde er met een glimlach aan toe: 'Vergrendel alstublieft de deur tegen indringers als u morgenochtend vertrekt, want ik wil de dag doorbrengen in het woud van de heilige ceders.' Toen liep hij met een lange wandelstok in de hand naar de deur en zei ten afscheid: 'Als de storm u weer overvalt terwijl u in de buurt bent, aarzel dan niet uw toevlucht te zoeken in deze hut. Ik hoop dat u zult leren de storm lief te hebben en hem niet te vrezen. Goede nacht, mijn broeder.'

Hij opende de deur en liep met hoog opgeheven hoofd het duister in. Ik liep eveneens naar de deur, om te zien welke richting hij insloeg, maar hij was al uit het gezicht verdwenen. Enkele minuten lang hoorde ik de stap van zijn voeten op de verbrijzelde stenen in het dal.

 

Deel vijf

 

De ochtend brak aan na een nacht van diepe overpeinzing. De storm was bedaard, de lucht was opgeklaard en bergen en vlakten koesterden zich in de warme zonnestralen. Onderweg naar de stad voelde ik het spiritueel ontwaken waarover Yusif El Fakhri het had gehad in alle vezels van mijn lichaam razen. Voor mijn gevoel kon het haast niet anders of die huivering was uiterlijk zichtbaar. Toen ik tot rust kwam, was alles om me heen mooi en volmaakt.

Zodra ik de luidruchtige mensen bereikte, hun stemmen hoorde en hun daden zag, stond ik stil en zei bij mezelf: 'Ja, spiritueel ontwaken is het meest essentiŽle in een mensenleven en het enige doel van het bestaan. Is de beschaving in al zijn tragische vormen niet een motief bij uitstek voor spiritueel ontwaken? Hoe kunnen we het bestaan van de materie ontkennen, terwijl zij het onwankelbaar bewijs is dat zij zich aanpast aan de beoogde orde? De huidige beschaving mag dan tot de ondergang gedoemd zijn, de eeuwige wet biedt ons een ladder waarvan de sporten naar een vrije substantie voeren.'

Ik heb Yusif El Fakhri nooit weergezien, want door mijn pogingen toe te zien op de euvels van de beschaving verbande het leven me aan het eind van de herfst van datzelfde jaar uit Noord-Libanon. Ik werd gedwongen in ballingschap te leven in een ver land, waar stormen aan de orde van de dag zijn. Daar een kluizenaarsleven willen leiden is een soort verheven krankzinnigheid, want ook die maatschappij is ziek.

 

 

 

 

                             

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL