|
|
Kahlil Gibran
![]() ![]() Er zijn zoveel prachtige teksten van deze bijzondere man te vinden. Daarom besloot ik een pagina van deze website aan hem te wijden. Ik hoop dat jullie ervan genieten. Kahlil Gibran, dichter, denker en schilder. Hij werd geboren in Bisharri in Libanon en stierf op 48-jarige leeftijd in New York.
Citaten in het Nederlands - Engelse citaten - Uittreksels en korte verhaaltjes
ZELFKENNIS..... Je hart kent in stilte de geheimen van de dagen en de nachten. Maar je oren dorsten naar de klank van de kennis van je hart. Je zou in woorden willen kennen wat je altijd in je gedachten hebt gekend. Je zou met je vingers het naakte lichaam van je dromen willen betasten. En zo is het goed. De verborgen bron van je ziel moet opzwellen en murmelend naar de zee stromen; en de schat uit je oneindige diepten zal aan je ogen geopenbaard worden. Maar laat er geen weegschaal zijn om je onberekenbare schat te wegen; en peil niet de diepten van je kennis met staf of dieplood. Want het zelf is een grenzeloze en onmetelijke zee. uit: de profeet
ALS ZE WAKKER ZIJN... zeggen ze tegen me: 'Jij en de wereld waarin je leeft, zijn maar een korrel zand op de oneindige kust van een oneindige zee.' En in mijn droom antwoord ik hen: 'Ik ben de oneindige zee, en alle werelden zijn maar korrels zand op mijn kust.' Uit: dagboeken
Liefde die vrij is van jaloezie... is een hemelse liefde, rijk en nooit schadelijk voor de geest. Het is een diepe verwantschap die de ziel baadt in tevredenheid, een diepe honger naar genegenheid die, wanneer zij wordt voldaan, de ziel vult met overvloed, een tederheid, die hoop schept zonder dat zij de ziel in opschudding brengt, die de aarde verandert in een paradijs en het leven in een lieflijke, mooie droom.
xxxxx
Het is verkeerd te denken..... dat liefde ontstaat uit lang met elkaar omgaan en volhardende hofmakerij. Liefde is de vrucht van geestverwantschap en als deze niet in een oogwenk wordt gewekt, zal zij in geen jaren of zelfs generaties ontstaan. Zo verandert de uiterlijke verschijningsvorm van de dingen in overeenstemming met onze gevoelens en zo zien we daarin toverkracht en schoonheid, terwijl deze zich in werkelijkheid in onszelf bevinden.
Je hart kent in stilte de geheimen van de dagen en de nachten. Maar je oren dorsten naar de klank van de kennis van je hart. Je zou in woorden willen kennen wat je altijd in je gedachten hebt gekend. Je zou met je vingers het naakte lichaam van je dromen willen betasten. De verborgen bron van je ziel moet opzwellen en murmelend naar de zee stromen; en de schat uit je oneindige diepten zal aan je ogen geopenbaard worden. Maar laat er geen weegschaal zijn om je onberekenbare schat te wegen; en peil niet de diepten van je kennis met staf of dieplood. Want het zelf is een grenzeloze en onmetelijke zee. ZO WERD IK EEN DWAAS............ En ik heb in mijn dwaasheid zowel vrijheid als veiligheid gevonden; de vrijheid der eenzaamheid, en de veiligheid van niet-begrepen-worden, want wie ons begrijpen, maken iets in ons tot slaaf. Uit: De Dwaas
Als je staat aan het begin van je kennen,
Een scheikundige die uit zijn hart de compassie, het respect, het verlangen, het geduld, de spijt, de verrassing en de vergeving weet de extraheren en ze samenvoegt tot een eenheid, schept het atoom dat LIEFDE genoemd wordt.
half slapend in de dageraad van je kennis ligt. te midden zijner leerlingen, geeft niet van zijn wijsheid, maar veeleer van zijn geloof en zijn liefde. nodigt hij je niet uit het huis van zijn wijsheid binnen te treden, maar leidt je naar de drempel van je eigen geest. ![]()
Ze zeggen: 'Als een slaaf in slaap gevallen is, moet je hem niet wakker maken.' Ik zeg: 'Als een slaaf in slaap gevallen is, moet je hem wakker schudden en over de vrijheid vertellen.'
LIED VAN DE ZIEL In de diepte van mijn ziel is Een woordeloos lied - een lied dat woont In het zaad van mijn hart. Het weigert om samen te smelten met inkt Op papier. Het overspoelt mijn gevoelens In een transparante mantel en vloeit, Maar niet over mijn lippen. Hoe kan ik het verlangen? Ik ben bang dat Het zich vermengt met aardse ether. Voor wie zal ik het zingen? Het woont In het huis van mijn ziel, in vrees voor Verharde oren. Toen ik in mijn innerlijk zocht, Zag ik de schaduw van haar schaduw. Als ik mijn vingertoppen aanraak, Voel ik haar trillingen. De daden van mijn handen zien haar Aanwezigheid zoals een meer de schittering Van de sterren weerspiegelt. Mijn tranen Onthullen haar, zoals heldere dauwdruppels Het geheim van een verwelkte roos onthullen. Het is een lied ontstaan in gedachten En uitgevoerd in stilte, Gemeden door schreeuwers, En omhelsd door waarheid, Herhaald door dromen, En begrepen door liefde, Verborgen bij het ontwaken En gezongen door de ziel. Het is het lied van de liefde. Welke Kaïn of Ezau kan het zingen? Het is geuriger dan jasmijn. Welke stem kan het tot slaaf maken? Het is een hartsgeheim zoals dat van een maagd. Welke snaar kan het doen trillen? Wie durft het gebulder van de zee te verenigen Met het zingen van de nachtegaal? Wie durft het geloei van de storm te vergelijken Met de zucht van een kind? Wie durft de woorden hardop uit te spreken Die bedoeld zijn voor het menselijk hart? Welke mens durft het Lied van God te zingen?
Als je staat aan het begin van je kennen,
Onze God, die ons gevleugeld zelf bent, het is jouw wil die in ons het willen werkt. Het is jouw verlangen in ons dat hunkert. Het is jouw drang in ons die onze nachten, die de jouwe zijn, wilt doen verkeren in dagen, die ook de jouwe zijn. Wij kunnen je niets vragen, want je kent onze noden, voor zij in ons geboren worden. Je bent wat wij nodig hebben; en ons meer gevend van jezelf, geef je ons alles.
(Uit "Spiegels van de ziel")
Ofschoon we voortdurend
Als je je geheimen aan de wind onthult, verwijt hem dan niet dat hij ze doorvertelt aan de bomen.
Vergeetachtigheid is een vorm van vrijheid.
Een groot mens heeft twee harten: het ene bloedt en het andere verdraagt.
Wie van zijn bezit iets weggeeft, geeft slechts weinig; echt geven is: zichzelf geven.
Geliefden omhelzen meer wat tussen hen is dan elkander.
Een overdrijving is een nijdig geworden waarheid.
Als twee vrouwen spreken zeggen zij niets, als één vrouw spreekt openbaart zij het leven.
Laat openingen in uw samenzijn zodat de hemelwind tussen u danst.
Hoe dieper verdriet in uw wezen kerft, hoe meer vreugde u kunt bevatten.
Wanneer of je vreugde of je smart groot wordt, wordt de wereld klein.
Gij zijt de boog waarmee uw kinderen als pijlen het leven in worden geschoten. De boogschutter ziet het doel op het pad van de oneindigheid en spant u met al zijn kracht opdat zijn pijlen gezwind en ver vliegen. Laat het spannen door de boogschutter u tot vreugde zijn.
Wanneer je het prettig vindt je buurman lief te hebben, houdt het op een deugd te zijn.
Vreemd is het dat schepselen zonder ruggengraat de hardste huid bezitten.
Wij lenen vaak van de toekomst om de schulden van het verleden te betalen.
Iedere man heeft twee vrouwen lief: de ene is de schepping van zijn verbeelding, de andere is nog niet geboren.
Wie zijn deugdzaamheid enkel draagt als zijn zondagse kleren kan beter naakt gaan.
Als we elkaar allemaal onze zonden zouden opbiechten dan zouden we elkaar allemaal uitlachen om ons gebrek aan originaliteit.
Eigenlijk praten we alleen tegen onszelf, maar soms praten wij luid genoeg zodat anderen ons kunnen horen.
We leven slechts om schoonheid te ontdekken. Al het andere is een vorm van afwachten.
Een overdrijving is een waarheid die haar geduld heeft verloren.
Misdaad is een andere naam voor nood of een aspect van een kwaal.
Je vreugde is je verdriet ontmaskerd.
Ik werd opnieuw geboren toen mijn ziel en mijn lichaam elkaar liefkregen en een huwelijk aangingen Wanneer je het eindpunt bereikt van je kennis sta je aan het beginpunt van je voelen.
De eerste gedachte van God was een engel Het eerste woord van God was een mens.
Liefde is een woord van licht, geschreven door een hand van licht, op een blad van licht. De liefde geeft alleen zichzelf en put ook uit zichzelf alleen. De liefde neemt niet in bezit, en wil ook niet in bezit genomen worden; want de liefde is zichzelf genoeg. En als je liefhebt zeg dan niet: 'God woont in mijn hart', maar veeleer: 'Ik ben in het hart van God'. En meen niet dat je richting geven kunt aan liefde's loop, want de liefde richt, zo zij je waardig acht, je loop. De liefde zoekt alleen zichzelf te vervullen. Haat is een dood iets. Wie van jullie wil een graf zijn. De strijd in de natuur is enkel de wanorde die naar orde verlangt. Elke gedachte die ik in een vorm gevangen heb, moet ik bevrijden door mijn daden. Geen mens kan je openbaren dan wat al slapend in de dageraad van je kennis ligt. Want wat is sterven anders
Want wat is sterven anders dan naakt staan in de wind
Quotations from "Love Letters" A book of letters between Khalil Gibran & Mary Haskell A man can be free without being great, but no man can be great without being free.
"With you, Mary," he said today, "I want to be just like a blade of grass, that moves as the air moves it -to talk just according to the impulse of the moment. And I do."
Sometimes you have not even begun to speak - and I am at the end of what you are saying.
You have helped me in my work and in myself. And I have helped you in your work and in yourself. And I am grateful to heaven for this you-and-me.
Demonstration of love are small, compared with the great thing that is back of them.
I care about your happiness just as you care about mine. I could not be at peace if you were not.
What-to-Love is a fundamental human problem. And if we have this solution - Love what may Be- we see that this is the way Reality loves - and that there is no other loving that lasts or understands.
I am so happy in your happiness. To you happiness is a form of freedom, and of all the people I know you should be the freest. Surely you have earned this happiness and this freedom. Life cannot be but kind and sweet to you. You have been so sweet and kind to life.
When I am a stranger in a large city I like to sleep in different rooms, eat in different places, walk through unknown streets, and watch the unknown people who pass. I love to be the solitary traveler !
I want to do a great deal of walking in the open country. Just think, Mary, of being caught by thunder storms! Is there a sight more wonderful than that of seeing the elements producing life through pure motion ?
Knowledge is life with wings.
What the soul knows is often unknown to the man who has a soul. We are infinitely more than we think.
Marriage doesn’t give one any rights in another person except such rights that a person gives - nor any freedom except the freedom which that person gives.
Among intelligent people the surest basis for marriage is friendship - the sharing of real interests- the ability to fight out ideas together and understand each other’s thoughts and dreams.
What difference does it make, whether you live in a big city or in a community of homes ? The real life is within.
But now I can put myself in your hands. You can put yourself in another person’s hands when he knows what you are doing and as respect for it and loves it. He gives you your freedom.
Mary, what is there in a storm that moves me so ? Why am I so much better and stronger and more certain of life when a storm is passing ? I do not know, and yet I love a storm more, far more, than anything in nature.
I often picture myself living on a mountain top, in the most stormy country (not the coldest) in the world. Is there such a place ? If there is I shall go to it someday and turn my heart into pictures and poems.
Imagination sees the complete reality, - it is where past, present and future meet... Imagination is limited neither to the reality which is apparent - nor to one place. It lives everywhere. It is at a centre and feels the vibrations of all the circles within which
What is poetry ? "An extension of vision - and music is an extension of hearing."
When the hand of Life is heavy and night songless, it is the time for love and trust. And how light the hand life becomes and how songful the night, when one is loving and trusting all.
A true hermit goes to the wilderness to find - not to lose himself.
If I accept the sunshine and warmth I must also accept the thunder and lightning.
If I can open a new corner in a man’s own heart to him I have not lived in vain. Life itself is the thing, not joy or pain or happiness or unhappiness. To hate is as good as to love - an enemy may be as good as a friend. Live for yourseld - live your life. Then you are most truly the friend of man. - I am different every day - and when I am eighty, I shall still be experimenting and changing. Work that I have done no longer concerns me - it is past. I have too much on hand in life itself.
I realized that all the trouble I ever had about you came from some smallness or fear in myself.
Follow your heart. Your heart is the right guide in everything big. Mine is so limited. What you want to do is determined by that divine element that is in each of us.
The relation between you and me is the most beautiful thing in my life. It is the most wonderful thing that I have known in any life. It is eternal.
An expression of that sacred desire to find this world and behold it naked; and that is the soul of the poetry of Life. Poets are not merely those who write poetry, but those whose hearts are full of the spirit of life.
The professors in the academy say, "Do not make the model more beautiful than she is," and my sould whispers, "O if you could only paint the model as beautiful as she really is."
The trees were budding, the birds were singing - the grass was wet - the whole earth was shining. And suddenly I was the trees and the flowers and the birds and the grass - and there was no I at all.
KENNIS EN SEMI- KENNIS Vier kikkers zaten op een houtblok dat vlak langs de oever in een rivier dreef. Tenslotte sprak de eerste kikker, en zei: 'Dit is werkelijk een zeer wonderlijk blok. Toen sprak de tweede kikker, en zei: 'Nee, mijn vriend, het blok is net als andere blokken, het beweegt niet. En de derde kikker sprak, en zei: 'Het is noch het blok noch het water dat beweegt. En de drie kikkers begonnen te kijven over wat er nu werkelijk bewoog. En de vierde kikker zei, 'Ieder van jullie heeft het bij het rechte eind, en geen heeft ongelijk. Toen gebeurde er iets vreemds. Kahlil Gibran
LIEFDE MEN ZEGT DAT de jakhals en de mol o liefde, wier vorstelijke hand uit: De Voorloper
WAARDEN
EENS ONTDEKTE EEN man een heel mooi marmeren beeld in zijn tuin. En hij bracht het naar een verzamelaar die hield van alles wat mooi was en bood het hem te koop aan, en de verzamelaar kocht het tegen een hoge prijs. En zij scheidden. En terwijl de man met zijn geld huiswaarts liep dacht hij na, en hij zei bij zichzelf, 'Wat een leven betekent dit geld! Hoe kan iemand zoveel geven voor een dode gebeeldhouwde steen die duizend jaar onder de grond heeft gelegen zonder dat iemand ervan droomde'? En nu keek de verzamelaar naar .zijn beeld, en hij dacht na en zei bij zichzelf, 'Wat een schoonheid! Wat een leven! De droom van welk een ziel - en fris door de zoete slaap van duizend jaren. Hoe kan iemand dit alles weggeven voor dood en dromen-loos geld'? uit: De Voorloper
ANDERE ZEEËN
EEN VIS ZEI tegen een andere vis, 'Boven deze zee is een andere zee, en er zwemmen wezens in - en die leven daar op dezelfde manier als wij hier'. De andere vis antwoordde, 'Louter verbeelding! Louter verbeelding!, als je weet dat alles wat onze zee ook maar een centimeter verlaat, en niet terugkeert, sterft. Wat voor bewijs heb jij voor andere levens in andere zeeën'?
EEN VELLETJE SNEEUWWIT PAPIER
ZEI EEN VELLETJE sneeuwwit papier, -'Zuiver werd ik geschapen, en zuiver zal ik altijd blijven. Liever verbrand ik en verga ik tot witte as dan dat ik mij door de duisternis laat aantasten of door het onreine laat benaderen'. De inktpot hoorde wat het papier zei en lachte in zijn donkere hart; maar hij durfde nooit in haar buurt te komen. En de veelkleurige potloden hoorden haar ook, en ook zij bleven altijd op een afstand. En het sneeuwwitte velletje papier bleef altijd zuiver en rein - zuiver en rein … en leeg. uit: De Voorloper
Het Oog.
Op een keer zei het oog: 'over deze valleien heen zie ik een berg gehuld in blauwe nevel. Is hij niet prachtig?
Een paar stukjes uit De Profeet - Kahlil Gibran
OVER GOED EN KWAAD En een van de ouderen uit de stad zei:"Spreek tot ons over Goed en Kwaad" En hij antwoordde:
OVER DE DOOD schreef Khalil Gibran het volgende: Vertrouw op de dromen, want in hen ligt de poort naar de eeuwigheid als hij voor de koning staat die zijn hand oplegt om hem eer te betonen. zodat het omhoog rijst en God onbekommerd tegemoet kan gaan?
EN OVER DE LIEFDE En hij hief zijn hoofd op en keek naar de mensen, en hij werd stil. En met een diepe stem zei hij toen: Als liefde je uitnodigt hem te volgen alhoewel zijn wegen moeilijk en steil zijn, en als zijn vleugels je omgeven, dan buig je je voor hem.
OVER KINDEREN
OVER VERLEDEN EN TOEKOMST "Ik zeg U dat de kinderen van gisteren ronddwalen in een stervend tijdperk dat zij voor zichzelf hebben geschapen.
OVER HET HUWELIJK schreef Gibran in de Profeet:
En hij antwoordde met het volgende: Je werd samen geboren en zult eeuwig samen zijn.
En een vrouw vroeg hem: spreek tot ons over VREUGDE EN VERDRIET. En hij antwoordde: Jouw vreugde is jouw verdriet zonder masker.
Over KLEDING En de wever zei : "spreek tot ons over kleding." En hij antwoordde: Uw kleren verhullen veel van uw schoonheid, maar toch verbergen zij het onschone niet. En hoewel gij in uw kleren de vrijheid der afzondering zoekt, zult ge bemerken, dat zij een harnas en een kluister zijn. Hoe zou ik wensen dat gij de zon en de wind met meer van uw huid en met minder kleding tegemoet kon treden. Want de adem des levens is in het zonlicht en de hand des levens in de wind. Sommigen zeggen : ‘Het is de noordenwind die de kleren die wij dragen geweven heeft.’ En ik zeg : Ja, het was de noordenwind. Maar schaamte was zijn weefgetouw en verslapping der spieren zijn daad. En toen zijn arbeid beëindigd was, lachte hij in het woud. Vergeet niet dat kuisheid een schild is tegen het oog van de onreinen. En wanneer de onreinen niet meer zullen zijn, wat zou kuisheid anders wezen dan een kluister en een bezoedeling van de geest? En vergeet niet dat de aarde het heerlijk vindt uw blote voeten te voelen en de wind ernaar hunkert met uw haar te spelen.»
Over VRIENDEN
Als ge werkt met liefde, verbindt ge u met uzelf, met elkaar en met God. Het kleed weven met draden die ge haalt uit uw eigen hart, waarbij ge u indenkt dat uw geliefde dat kleed straks draagt; Een huis bouwen met genegenheid, waarbij ge u indenkt dat uw geliefde er straks in woont; Het zaad zaaien met tederheid en de oogst binnenhalen met vreugde, waarbij ge u indenkt dat uw geliefde straks de opbrengst eet; Alles wat ge vervaardigt bezielen met uw geestesadem, In de wetenschap dat alle gezegende doden om u heen staan en toezien. (1883 - 1931)
Op een dag ontmoetten Schoonheid en Lelijkheid elkander aan de kust van een zee. En ze zeiden tegen elkaar:'laten we gaan baden'. Eeuwen geleden was er eens een groot vorst die heel wijs was. Hij wilde zijn onderdanen wetten verschaffen. Hij sommeerde duizend wijze mannen van duizend verschillende stammen naar de hoofdstad te komen om de wetten op te stellen en vast te leggen. En zo geschiedde. Maar toen de duizend wetten, op perkament geschreven, aan de vorst werden voorgelegd en hij ze las, weende hij bitter in zijn ziel, want hij had niet geweten dat er in zijn koninkrijk wel duizend vormen van misdaad voorkwamen.Toen riep hij zijn schrijver en met een glimlach om zijn mond dicteerde hij zelf de wetten. En het waren er slechts zeven. De duizend wijze mannen verlieten hem vertoornd en keerden met de wetten die ze zelf hadden opgesteld terug naar hun stammen. En iedere stam volgde de wetten na van zijn eigen wijze mannen. Daarom hebben zij tot op heden wel duizend wetten. Het is een groot land, maar het heeft duizend gevangenissen en die zitten vol mannen en vrouwen die duizend wetten hebben overschreden. Het is echt een groot land, maar de mensen ervan zijn de afstammelingen van duizend wetgevers en slechts één wijze vorst.
De Parel
Zei een oester tegen een naburige oester: 'Ik heb heel erge pijn van binnen. Ze is zwaar en rond en ik verkeer in nood'. De andere oester gaf met hautaine zelfingenomenheid ten antwoord: 'Geloofd en geprezen zijn de hemel en de zee, ik heb geen pijn van binnen. Ik ben gezond en wel van binnen en van buiten'. Op dat ogenblik kwam er een krab voorbij die de twee oesters hoorde. Hij zei tegen de ene die gezond en wel was van binnen en van buiten: 'Ja, jij bent gezond en wel, maar de pijn die je buurvrouw te dragen heeft is een parel van buitengewone schoonheid'.
Zeg niet: 'Ik heb de waarheid gevonden,' maar liever: 'Ik heb een waarheid gevonden.' Zeg niet: 'Ik heb het pad der ziel gevonden,' zeg liever: 'Ik ben de ziel op mijn pad tegengekomen.' Want de ziel gaat langs alle paden. De ziel wandelt niet langs een lijn, noch groeit zij als een riet. De ziel ontplooit zich als een lotus met talloze bloembladen.
En zo je God wilt kennen, tracht dan geen raadselen op te lossen. Zie liever om je heen en je zult hem zien spelen met zijn kinderen. En kijk naar de hemel; je zult hem zien wandelen in de wolk, zijn armen uitstrekkend in de bliksem en neerdalend in de regen. Je zult hem zien glimlachen in de bloemen, en zijn handen zien oprijzen en wuiven in de bomen.
UIT MIJN DIEPERE hart steeg een vogel op die hemelwaarts vloog. Hoger en hoger rees hij, en toch werd hij groter en groter. In het begin leek hij slechts een zwaluw, toen een leeuwerik, een adelaar, toen leek hij zo groot als een lentewolk, en tenslotte vulde hij de besterde hemelen. Uit mijn diepere hart vloog een vogel hemelwaarts. En terwijl hij vloog nam hij steeds in omvang toe. Toch verliet hij mijn hart niet.
O mijn geloof, mijn ongetemde kennis, hoe zal ik vliegen tot jouw hoogte en samen met jou 's mensen grotere zelf zien, afgetekend tegen de hemel? Hoe zal ik deze zee binnen in mij doen verkeren in een nevel, en mij samen met jou bewegen door de onmetelijke ruimte? Hoe kan een gevangene binnen in de tempel haar gouden koepels zien? Hoe zal het hart van een vrucht zich uitrekken en eveneens de vrucht omvamen?
O mijn geloof, geketend lig ik achter deze zilveren en ebbenhouten barrières, en ik kan niet met je vliegen. Toch stijg je hemelwaarts vanuit mijn hart, en het is mijn hart dat je bevat, en ik zal tevreden zijn. uit: de voorloper
UIT: HET VISIOEN
OVER ARMOEDE
MIJN VRIEND
Als je eens wist, mijn noodlijdende vriend, dat de armoede die je tot diepe ellende veroordeelt je tegelijkertijd bezielt met kennis van rechtvaardigheid en het vermogen om de essentie van het leven te leren kennen, dan zou je tevreden zijn met het je door God gegeven lot. Ik zei 'kennis van rechtvaardigheid', want de aandacht van de welgestelden wordt van deze kennis afgeleid door hun rijkdom. En ik zei 'de essentie van het leven', omdat de machtigen daarvan afgeleid worden door hun jacht naar roem. Verheug je dan in rechtvaardigheid, want jij bent haar boek. Wees blij, want jij bent een bron van deugd voor je weldoeners en een gever van deugd voor wie je bij de hand neemt. Als je toch begreep, mijn eenzame kameraad, dat de lasten waaronder je bezwijkt de krachten zijn die je hart verlichten en je ziel verheffen van het niveau van spot naar het rijk van respect, dan zou je tevreden zijn met deze erfenis en wat zij je brengt aanvaarden als wijze raad. Je zou weten dat het leven een keten is, die soms verbonden is met die van anderen, en dat verdriet een gouden schakel is, die vertrouwen in het heden scheidt van vreugde in de toekomst, zoals de morgenstond de slaap scheidt van ontwaken. Mijn vriend, armoede legt de verhevenheid van de ziel bloot, terwijl rijkdom afkeurenswaardige neigingen oproept. Droefheid verleent aan emoties tederheid, terwijl vreugde ze bezoedelt. Want mensen gebruiken rijkdom nog steeds als een middel tot onmatigheid, zoals zij misdaden begaan in naam van het Boek dat het kwade verbiedt en in naam van de mensheid doen wat menselijkheid loochent. Als alle armoede was uitgebannen en alle verdriet overwonnen, dan zou de ziel een onbeschreven blad zijn, behalve voor letters die egoïsme en een neiging tot zelfverheerlijking uitdrukken en woorden die aardse genoegens betekenen. Ik heb gezocht en heb goddelijkheid gevonden, het spirituele wezen van de mens dat niet gekocht kan worden met geld of vermeerderd kan worden door overgave aan mateloosheid. Ik heb gezien hoe de rijken hun goddelijkheid prijsgeven om hun welstand te beschermen en hoe de slaven van deze tijd hun goddelijke zelf opgeven om genot na te jagen. De tijd die jij, behoeftige, doorbrengt met vrouw en kind, nadat je van het veld bent teruggekeerd, is een symbool van het gezin van de toekomst en een teken van geluk voor toekomstige generaties. Het leven dat de rijken doorbrengen te midden van hun bezit is een verachtelijk leven, dat doet denken aan het wroeten van wormen in een graf; het is een symbool van angst. De tranen die je vergiet, jij die droef gestemd bent, zijn zoeter dan het geginnegap van snobisten en de schaterlach van spotters. Tranen reinigen het hart van de smet van rancune en leert degene die ze vergiet hoe de gebrokene van hart zijn gevoelens deelt; het zijn de tranen van de Nazarener. De kracht die jij zaait, jij arme, die door de rijke en machtige wordt uitgebuit, zal naar je terugkeren. Want de wet van de natuur zegt dat alles terugkeen naar zijn oorsprong. De beproevingen die jij hebt doorstaan, jij die door tegenspoed getroffen bent, zullen door een hemels bevel in gelukzaligheid getransformeerd worden. Komende generaties zullen van armoede gelijkwaardigheid leren en van leed liefde.
OVER VERGISSINGEN
DE GROOTSTE OCEAAN
Gisteren - hoe ver weg is gisteren en toch, hoe dichtbij - ging ik met mijn ziel naar de grote oceaan, om met haar water het stof en de modder van de aarde die ons bezoedelen af te wassen. Toen wij bij het strand aankwamen, gingen wij op zoek naar een stille plek, ver weg van glurende blikken.
Terwijl wij daar samen liepen, zagen wij een man zitten op een stoffige rots. In zijn hand hield hij een zak, waaruit hij steeds een hand zout nam, dat hij in de oceaan wierp. Mijn ziel zei tegen mij: 'Die man is een cynicus, want hij ziet van het leven niets dan zijn schaduw. Een cynicus is het niet waard om onze naakte lichamen te aanschouwen. Laten wij weggaan van deze plek, want hier kunnen wij niet baden.'
Wij verlieten die plaats en liepen, totdat wij een inham bereikten. Daar ontdekten wij een man die op een wit rotsblok stond en in zijn hand een met juwelen afgezet kistje had. Uit het kistje nam hij klontjes suiker en gooide ze in de oceaan. Mijn ziel zei tegen mij: 'Deze man is een optimist, die goede voortekenen ziet waar ze niet zijn. Pas op dat een optimist onze naakte lichamen niet aanschouwt.'
Opnieuw liepen wij verder. Bij toeval troffen wij een man die bij de rand van het water stond. Hij pakte dode vissen op en gaf ze liefderijk terug aan de oceaan. Mijn ziel zei tegen mij: 'Dit is een man vol mededogen, die poogt om degenen die reeds in hun graf liggen weer tot leven te wekken. Laten wij hem mijden.'
Vervolgens kwamen wij aan bij een plek waar wij een man zagen die zijn fantasieën tekende in het zand. De golven kwamen en wisten zijn schetsen uit, maar hij bleef doorgaan met wat hij deed, steeds opnieuw. Mijn ziel zei tegen mij: 'Dit is een mysticus, die in zijn verbeelding een afgodsbeeld maakt om te aanbidden. Laten wij hem in zijn werk niet storen.'
Rustig wandelden wij verder, totdat wij bij een vredige baai een man bespeurden die het schuim van het wateroppervlak schepte en in een kornalijnen schaal deed. Mijn ziel zei tegen mij: 'Dit is een dromer die van spinnenwebben een gewaad maakt om zichzelf in uit te dossen. Hij heeft niet het recht om onze naakte lichamen te zien.'
Wij vervolgden onze weg. Plotseling hoorden wij een stem die schreeuwde: 'Dit is het diepe water, de machtige en gevreesde zee.' Wij zochten naar degene die gesproken had en zagen een man staan met zijn rug naar de oceaan. Hij hield een schelp bij zijn oor en luisterde naar het geruis. Mijn ziel zei tegen mij: 'Laten wij gaan, want dit is een materialist, die alles wat hij niet kan peilen de rug toekeert en zich in zijn wezen bezighoudt met zaken die alleen hem interesseren.'
Wij liepen totdat wij op een grazige plek tussen stenen een man ontwaarden die zijn hoofd in het zand begraven had. Ik zei tegen mijn ziel: 'Kom, mijn ziel, laten wij hier baden, want deze man kan ons niet zien.' Mijn ziel schudde haar hoofd en zei: 'Nee, duizendmaal nee. Degene die je ziet, is de ergste van allemaal. Hij is vroom en zuiver, maar verbergt zich voor de tragiek van het leven, zodat de vreugden van het leven voor zijn ziel verborgen blijven.'
Toen tekende zich een diepe droefheid af op het gezicht van mijn ziel. Met een stem die gebroken was door teleurstellingen zei zij: 'Laten wij weggaan van dit strand, want er is hier geen beschutte en verborgen plek voor ons om te baden. Ik zal er nooit in toestemmen mijn gouden lokken te laten wapperen in deze wind of mijn gevoelige borsten te ontbloten in deze ruimte of mij te ontkleden om naakt in dit licht te staan.' Mijn ziel en ik gingen weg van de grote oceaan, op zoek naar de grootste oceaan.
OVER DE EENHEID DER MENSEN
DE STEM VAN DE DICHTER
I Macht wordt gezaaid in de diepten van mijn hart en ik oogst en verzamel het graan om het overvloedig te schenken aan wie honger hebben. Geest doet deze kleine wijnstok herleven en ik pers de druiventrossen en schenk het sap uit voor wie dorst hebben. De hemel vult deze lamp met olie en ik ontsteek haar en plaats haar in het venster van mijn huis voor hen die voorbijgaan in het donker van de nacht. Deze dingen doe ik, omdat ik ervan leef en wanneer de tijd mij dit verhindert en de nacht mijn hand kluistert, zal ik de dood zoeken. Want de dood gelijkt het meest op een profeet die in zijn eigen land niet erkend wordt of een dichter die een vreemdeling is onder zijn eigen volk. Mensen gaan als een storm tekeer, terwijl ik zucht in stilte. Maar ik heb ontdekt dat het razen van stormen bedaart, want de muil van de tijd slokt ze op. Een zucht echter blijft zoals God bestaan. Mensen klampen zich vast aan materie, die koud is als sneeuw. Maar ik zoek de vlam van de liefde om haar te plaatsen in mijn borst, alwaar zij mijn ribben verteren en mijn binnenste vernietigen zal. Want ik heb ontdekt dat materie pijnloos doodt, maar de liefde ons door haar kwellingen doet herleven. Mensen zonderen zich af in groeperingen en stammen zweren trouw aan land en streek. Maar ik zie mijn wezen als uitheems in ieder land en als een vreemdeling te midden van ieder volk. De hele aarde is mijn thuis en het menselijk geslacht mijn familie. Want ik heb ontdekt dat de mensen zwak zijn en zich in hun kortzichtigheid afzonderen van anderen; de aarde is verkrampt, want alleen door onwetendheid komen de mensen ertoe om haar te verdelen in koninkrijken en vorstendommen. Mensen verenigen zich alleen om de "tempels van de geest omver te werpen en werken alleen samen om gebouwen voor het lichaam op te richten. Ik prijs slechts in treurzangen. Binnen in mij spreekt echter een stem van hoop: 'Zoals de liefde door pijn het leven in het menselijk hart herstelt, zo wijst dwaasheid de weg naar kennis. Pijn en dwaasheid leiden tot grote gelukzaligheid en tot volmaakt weten, want de Eeuwige Wijsheid heeft niets onder de zon vergeefs geschapen.'
OVER LICHAAM EN ZIEL
HEB MEDELIJDEN, MIJN ZIEL
Hoelang zul je nog klagen, mijn ziel, terwijl je weet hoe zwak ik ben? Hoe lang zul je nog protesteren, terwijl ik slechts menselijke woorden bezit om je dromen te verbeelden? Kijk, mijn ziel, want mijn hele leven heb ik naar je lessen geluisterd. Denk na, mijn folteraar, want door in jouw voetstappen te gaan heb ik mijn lichaam verbruikt. Mijn hart was mijn koning, maar het is jouw slaaf geworden. Mijn geduld was mijn vertrouweling, maar onder jouw invloed is het mijn zedenmeester geworden. De jeugd was mijn vrolijke metgezel, maar nu berispt zij mij. En dit alles is mij door de goden geschonken. Hoe kun je nog meer van mij vragen? Wat verlang je toch!
Ik heb mijn wezen verstoten en de vreugden van het leven opgegeven. Ik heb mijn roem in de steek gelaten en alleen jij bent mij overgebleven. Oordeel mij dus met rechtvaardigheid, want rechtvaardigheid is je glorie. Of roep de dood en ontsla je beschermeling uit zijn gevangenis.
Heb medelijden, mijn ziel, want je hebt mij belast met een liefde die ik niet kan dragen: jij en liefde vormen een gezamenlijke kracht, terwijl ik en materie verscheurd worden door onze zwakheden. Kan jullie band standhouden wanneer hij uiteengescheurd zou worden tussen kracht en zwakheid?
Heb medelijden, mijn ziel, want je hebt mij van grote afstand vreugde getoond. Jij en vreugde verkeren op een hoogverheven heuvel, terwijl diep ongeluk en ik bestaan in de diepten van een ravijn. Kunnen verhevenheid en laagheid elkaar ooit ontmoeren?
Heb medelijden, mijn ziel, want jij hebt mij de liefde geopenbaard en haar toen weer verborgen, jij en schoonheid in het licht, onwetendheid en ik in het duister. Kunnen licht en duisternis zich ooit vermengen?
Jij, mijn ziel, geniet van het hiernamaals nog voor het gearriveerd is, terwijl dit lichaam lijdt onder dit bestaan terwijl het leeft. Jij nadert de eeuwigheid met spoed en dit lichaam loopt met trage tred naar de vernietiging. Jij draalt niet en dit lichaam haast zich niet, en dat, mijn ziel, is de uiterste kwelling. Jij verheft je naar de hoogte, aangetrokken door de hemel, terwijl mijn lichaam pijlsnel wegzinkt door de aantrekkingskracht van de aarde. Jij biedt het geen troost en het wenst jou geen geluk; en dat is rancune.
Jij, mijn ziel, bent rijk in je wijsheid, maar dit lichaam is arm door zijn instincten. Je betoont het geen mededogen en het volgt je niet, en dat is de diepste ellende. Jij gaat in de stilte van de nacht naar de geliefde en geniet van zijn omarming, maar dit lichaam blijft eeuwig een martelaar van verlangen en gescheidenheid. Heb medelijden, mijn ziel, heb medelijden.
OVER GEVEN
MIJN ZIEL IS ZWAAR VAN HAAR EIGEN VRUCHT
Mijn ziel is zwaar van haar eigen vrucht. Is er iemand die honger heeft en die haar wil oogsten, en van haar wil eten om zich met haar te verzadigen? Is er onder de mensen iemand die gevast heeft en die de vasten wil breken met mijn vrucht en mij ontheffen van de zorg voor mijn vruchtbaarheid en overvloed? Mijn ziel bezwijkt onder het gewicht van goud en zilver. Is er iemand onder de mensen die zich wil verrijken en mijn last verlichten? Mijn ziel stroomt over van de wijn van de eeuwigheid. Is er iemand die dorstig is en hem wil uitschenken en drinken om zijn dorst te lessen?
Er staat een man midden op straat. Hij gooit een handvol edelstenen naar voorbijgangers en roept hun toe: 'Heb medelijden en neem ze van mij weg. Heb mededogen en verlos mij van mijn bezit!' Maar de mensen gaan voorbij zonder aandacht aan hem te besteden. Werkelijk, het is alsof hij een bedelaar is die smekend zijn bevende hand uitsteekt naar voorbijgangers en hem leeg weer terugtrekt. Het is alsof daar een blinde zit die men onverschillig voorbijloopt.
Een welgestelde en vrijgevige sjeik slaat zijn tenten op tussen de witte, onbekende bergen en de woestijn. Iedere avond bereidt hij een gastvrije ontvangst voor en stuurt hij zijn dienaren erop uit om voor hem een gast te vinden die hij zou kunnen onthalen en vereren. Maar de wegen leveren hem geen bezoeker om te eten van zijn dis en brengen hem geen reiziger om zijn geschenken te ontvangen. Was hij maar een verschoppeling, een arme! Was hij maar een dakloze vagebond die zwerft door het land, een staf in zijn hand en een bedelnap aan zijn gordel, zodat hij als de avond valt met andere zwervers en landlopers kan samenkomen om met hen het brood van liefdadigheid te delen.
De dochter van de machtige koning ontwaakt uit haar slaap, staat op van haar bed en kleedt zich in purper en lavendel, versiert zich met parels en saffieren, besproeit haar haren met parfum en doopt haar vingers in vloeibare amber. Zij loopt de ruin in en de dauwdruppels bevochtigen de zoom van haar jurk. In de stilte van de nacht wandelt zij door de ruin, op zoek naar haar geliefde, maar nergens in het rijk van haar vader is iemand te vinden die haar wil beminnen. Was zij maar de dochter van een arme boer. Hoedde zij maar haar vaders schapen in het dal en keerde zij 's avonds terug naar zijn hut, haar voeten stoffig van het zware werk en de geur van de wijngaard nog in de plooien van haar kleed. Dan, als de nacht valt en de mensen gaan slapen, zou zij onmerkbaar wegsluipen naar de plaats waar haar geliefde op haar wacht.
Was zij maar een non in een klooster, met een hart brandend van wierook, waarvan de geur door de wind wordt verspreid. Haar geest zou een kaars ontsteken en de ether zou vertellen van het licht van haar ziel. Zij zou haar knie buigen in gebed en de geesten van het onzichtbare zouden haar gebeden meevoeren naar de schatkamer van de tijd, waar de devotie van gelovigen bewaard wordt naast de hartstocht van geliefden en de twijfels van kluizenaars. Was zij maar oud en afgeleefd en zat zij maar naast hem met wie zij haar jeugd heeft gedeeld, om zich in zijn aanwezigheid te koesteren. Want dat ware beter dan de dochter te zijn van de machtige koning, in wiens rijk geen minnaar te vinden is die het brood van haar hart wil eten en de wijn van haar bloed wil drinken. Mijn ziel is zwaar van haar eigen vrucht. Is er dan op aarde niemand die honger heeft en die haar wil oogsten om zijn honger met haar te stillen? Mijn ziel stroomt over van haar wijn. Is er iemand die dorstig is die hem wil uitschenken en ervan wil drinken om zijn dorst te lessen?
Was ik maar een boom die nimmer bloeide, die geen vruchten droeg. Want de pijn van de vruchtbaarheid is bitterder dan de angst voor onvruchtbaarheid, en de kwelling van welgestelden met hun onvervreemdbare rijkdom betekent een grotere gruwel dan enige pijn die een pauper die geen eten heeft kan lijden.
Was ik maar een droge waterput en gooiden de mensen maar stenen in mij, want dat zou gemakkelijker zijn dan een bron te zijn van stromend water waar de dorstigen aan voorbijgaan en waarvan zij vermijden te drinken. Was ik maar een afgerukte tak, vertrapt door vele voeten, want dat zou beter zijn dan een lier te zijn met zilveren snaren in het huis waarvan de meester al zijn vingers verloren heeft en wiens kinderen doof zijn.
OVER WIJSHEID
HET BEZOEK VAN WIJSHEID
In de stilte van de nacht kwam Wijsheid en stond aan mijn bed, starend naar mij als een moeder die dol is op haar kind. Zij wiste mijn tranen en zei: 'Ik heb de schreeuw van je ziel gehoord en ben gekomen om je te troosten. Open je hart voor mij, zodat ik het met licht kan vullen. Vraag mij en ik zal je de weg van de waarheid wijzen.'
Ik zei: 'Wie ben ik, Wijsheid, en hoe ben ik op deze afgrijselijke plek terechtgekomen? Wat zijn deze hevige verlangens, deze talrijke boeken en vreemde symbolen? Wat zijn deze gedachten die als troepen duiven aan mij voorbijvliegen? Wat is deze taal, geordend in genegenheid en verstrooid in genot? Wat zijn deze gevolgen die droevig maken en in verrukking brengen, die mijn geest meevoeren en mijn hart belagen? Wat zijn deze ogen die zich op mij richten, die staren in mijn diepste zelf en mijn pijn negeren?
Wat zijn deze stemmen die rouwen over mijn dagen en mijn kindertijd bezingen? Wat is deze jeugd die speelt met mijn verlangens, die de spot drijft met gevoelens, die de daden van gisteren vergeet, die zich verheugt in de trivialiteiten van het moment en minachting toont voor de traagheid van morgen? Wat is deze wereld die zich spoedt ik weet niet waar en mij met verachting beziet? Wat is deze aarde die met haar geopende muil lichamen verzwelgt en in haar boezem aan ambitie een verblijfplaats biedt? Wat is deze persoon die instemt met liefdevolle gelukzaligheid, maar de hel aanvaardt als hij het geluk niet kan bereiken, die de kus van het leven zoekt en de slagen van de dood ontvangt, die een ogenblik van genot inruilt voor een jaar van wroeging, die zich overgeeft aan slaap en dromen die hem roepen, die loopt langs de sloten van onwetendheid naar de maalstroom van de duisternis? Wat zijn al deze dingen, Wijsheid?'
Zij antwoordde: 'Je begeert, sterveling, de wereld te zien door de ogen van een god en wenst met je menselijke intellect de mysteriën van het ondermaanse te begrijpen, en dat is de grootste dwaasheid. Trek het open land in en je zult de bijen zien zweven boven de bloemen en de adelaar zien pikken aan zijn prooi. Ga het huis van je buurman binnen en je zult een kind zien staren in het vuur, terwijl zijn moeder druk is met haar taken. Doe als de bij en breng de dagen van het voorjaar niet door met overdenken wat de adelaar doet. Wees als het kind en schep behagen in de helderheid van de vlammen, en schenk geen aandacht aan je moeder en haar bezigheden.
Alles wat je zag en ziet bestaat voor jou. De talrijke boeken, de geheimzinnige symbolen en de schone gedachten zijn de geesten van zielen die jou zijn voorgegaan. De taal die zij gebruiken is de verbinding tussen jou en je menselijke nakomelingen. De gevolgen die verdriet en extase brengen zijn de zaden die het verleden in de ziel heeft gezaaid en waarmee de toekomst haar voordeel zal doen. Deze jongeling die speelt met je verlangens is dezelfde persoon die de deur van het hart geopend heeft om het te overspoelen met licht. Deze aarde met haar gapende open ruimte is degene die je bevrijdt van de kluisters van je lichaam. De wereld die je maant tot spoed is je hart en je hart is alles wat je van de wereld kunt begrijpen. De persoon die je als onwetend en onbeduidend ziet, is door God gezonden om je te leren gelukzaligheid te onderscheiden van verdriet en kennis van melancholie.'
Wijsheid legde haar hand op mijn rusteloze voorhoofd en zei: 'Ga voort en weifel nooit, want voortgang is volmaaktheid. Ga voort en vreest niet de doornen op je pad, want zij prikken slechts verdorven bloed.'
OVER VOLMAAKTHEID
VOLMAAKTHEID
Je vraagt me, mijn broeder, wanneer de mensheid volmaaktheid zal bereiken. Luister naar mijn antwoord. De mensheid zal de weg naar volmaaktheid bewandelen wanneer zij voelt dat menselijkheid is: een hemel zonder grenzen, een oceaan zonder oevers, een eeuwig brandende vlam, een immer glanzend licht, een wind die briest of kalm is, een wolk die dondert, bliksemt en regent, een rivier die zingt of raast, een boom die in de lente bloeit en zich in de herfst ontkleedt, een berg die zich hoog verheft, een vallei die zich verlaagt en een akker die rijk is of onvruchtbaar. Wanneer de mensheid al deze dingen gevoeld heeft, zal zij het punt halverwege haar weg naar volmaaktheid bereikt hebben. Als zij, zich bewust van haar essentie, de weg naar volmaaktheid wil gaan, dan moet zij voelen dat menselijkheid is: een kind dat rekent op zijn moeder, een volwassen man die verantwoordelijk is voor wie hem toevertrouwd zijn, een jongeling die heen en weer geslingerd wordt tussen begeerten en hartstochten, een oude man wiens verleden en toekomst met elkaar vechten, een monnik in zijn kluizenaarshut, een misdadiger in zijn cel, een geleerde te midden van zijn boeken en geschriften, een dwaas tussen het duister van zijn nacht en het licht van zijn dag, een non tussen de vrucht van haar geloof en de doornen van haar eenzaamheid, een prostituee in de greep van haar zwakheden en de klauwen van haar behoefte, de arme tussen zijn verbittering en zijn onderdanigheid, de rijke tussen zijn ambities en zijn dienstbaarheid, en de dichter tussen de nevelen van zijn avonden en het stralende licht van zijn ochtendstond. Als de mensheid in staat blijkt om al deze dingen te ervaren en te kennen, dan zal zij volmaaktheid bereiken en een gedaante worden onder de gedaanten van God.
OVER VERBORGEN WERKELIJKHEDEN
DE SCHAAL EN DE PIT
Nooit dronk ik de beker der bitterheid, tenzij ik wist dat haar bezinksel honing was. Nooit besteeg ik een nauwe bergpas, tenzij ik er een groen grasveld kon vinden. Nooit heb ik in de nevelen van de hemel een vriend verloren, tenzij ik hem in de helderheid van de morgen terug zou vinden. Hoe dikwijls verborg ik mijn pijn en brandde ik onder de mantel van berusting, mij inbeeldend dat daarin vergelding en rechtschapenheid lagen? En als ik die mantel afwierp, veranderde de pijn in opgetogenheid en werd het branden tot koelte en vrede.
Hoe dikwijls heb ik met mijn vriend gewandeld in de wereld van uiterlijke schijn, terwijl ik inwendig mopperde over haar domheid en onnozelheid? Maar de wereld der mysteriën heb ik nooit aanschouwd voordat ik ontdekte dat ik zelf een aanmatigende tiran was en zij geestig en wijs.
Hoe dikwijls was ik dronken van de wijn van het zelf en beschouwde ik mij en mijn metgezel als een lam en een wolf, terwijl ik, eenmaal nuchter, zag dat ik een mens was en hij eveneens. Wij zijn in de val gelopen van de schijn van onze uiterlijke situatie, blind als wij waren voor de onzichtbare essentie van onze werkelijkheid. Als iemand onder ons struikelt, zeggen wij dat hij gefaald heeft; als zijn tred langzamer wordt, zeggen wij dat hij oud is en afgeleefd; als hij stamelt, zeggen wij dat hij stom is, en als hij zucht, zeggen wij dat het zijn doodsgerochel is en dat hij spoedig zal sterven.
Jij en ik zijn verblind door het omhulsel van 'ik' en de oppervlakkigheid van 'jou'. Daarom zien wij niet wat de geest heeft toevertrouwd aan 'ik' en leeft verborgen in 'jou'. Wat kunnen wij doen wanneer onze verwaandheid de waarheid die in onszelf verborgen ligt aan het oog onttrekt?
Ik zeg je - ook al zijn mijn woorden misschien een sluier die het gelaat van mijn werkelijkheid verhullen - ik zeg tegen jou en tegen mijn eigen ziel dat wat wij zien met onze ogen niet meer is dan een wolk die voor ons verbergt wat wij in onszelf door inzicht moeten bemerken. Wat wij met onze oren horen, is slechts het lawaai dat hetgeen wij met ons hart moeten begrijpen vervormt. Als wij zien hoe de politie een man naar de gevangenis brengt, dan moeten wij vermijden een van hen de slechterik te noemen. Als wij een man zien die besmeurd is met zijn eigen bloed en een ander wiens handen rood gekleurd zijn, dan moeten wij afzien van het oordeel wie de moordenaar is en wie het slachtoffer. Als wij een man horen zingen, terwijl een ander dirigeert, laten wij dan geduldig wachten voordat wij vaststellen wie in werkelijkheid het publiek vermaakt.
Nee, mijn broeder, trek op basis van verschijnselen geen conclusies over de werkelijkheid van een mens en vat niets van wat hij zegt of doet op als aanwijzing voor zijn diepste wezen. Veel van hen die je voor onwetend verslijt - omdat zij niet welbespraakt zijn of met een kleurloze stem spreken - bezitten een bewustzijn dat tot wijsheid leidt en een hart dat dient als wieg voor openbaringen. En velen die je veracht, vanwege hun weerzinwekkende trekken of verdorven levensonderhoud, zijn niettemin een geschenk van de hemel, een ademtocht van God.
Op dezelfde dag bezoek je misschien een paleis en een krot, en verlaat je de eerste met ontzag en de tweede in beklag. Maar als je door de verschijnselen die je zintuigen weven heen zou zien, dan zou je ontzag tonen en zich buigen in het stof van spijt, en zou je beklag veranderen in eerbied.
Tussen de ochtend en de avond ontmoet je misschien twee mannen. De eerste spreekt je aan met het lied van een storm in zijn stem en met krijgshaftige gebaren. De tweede probeert een gesprek met je aan te gaan, schichtig en timide, met aarzeling in zijn stem en onsamenhangende woorden. Zou je hen echter kunnen aanschouwen op de dag dat de tijd, om wille van principes, aan hen beproevingen brengt of het martelaarschap, dan zou je ontdekken dat brutale onvoorzichtigheid geen moed is en kalme verlegenheid geen zwakte.
Je kijkt misschien uit het raam van je huis en ontwaart onder de voorbijgangers een non die naar rechts en een hoer die naar links gaat, en onmiddellijk zeg je: 'Hoe edel is de een en hoe verachtelijk de ander!' Maar als je je ogen zou sluiten en voor een enkel moment zou luisteren, dan zou je in de ether een stem horen fluisteren die zegt: 'Deze zoekt Mij in haar gebed, die smeekt Mij in haar zielensmart, en in de geest van beiden is een glimp van Mijn geest aanwezig.'
Je zwerft misschien over de aarde op zoek naar wat jij beschaving en vooruitgang noemt. Je gaat een stad vol wolkenkrabbers binnen, met hoge, machtige gebouwen en grote, brede straten, waarlangs de mensen zich her en der snellen. De een maakt een tunnel onder de grond en de andere verheft zich in de lucht. De een trekt bliksems en de ander doet atmosferisch onderzoek. Allen zijn zij uitgedost in op maat gemaakte kleding van uniek ontwerp, alsof zij een feestdag vieren of naar een festival gaan.
Na een paar dagen bereik je een andere stad. Hier staan te midden van nauwe straatjes nederige woningen, die tijdens een stortbui veranderen in eilandjes van klei in een modderzee en in het felle zonlicht veranderen in stoffige omhulsels. De bewoners leven nog steeds op het raakvlak van natuurlijkheid en eenvoud, als op een touw gespannen tussen de twee uiteinden van een boog. Ze lopen langzaam, werken traag en kijken je aan alsof zich achter hun pupillen een ander paar ogen bevindt dat staart naar iets dat ver weg ligt. Je vertrekt uit hun stad en vol van afkeer en walging zeg je tegen jezelf: 'Het verschil tussen wat ik in de eerste stad zag en in de tweede is zo groot als dat tussen leven en dood. De eerste was louter kracht en groei, de tweede zwakte en verval. De eerste bezat de ijver van het voorjaar en de zomer, de tweede de vermoeidheid van de herfst en de winter. De eerste was in haar vitaliteit als een jongeling, dansend in een ruin, de tweede in haar zwakte als een verouderd gebruiksvoorwerp dat men wegwerpt in het vuur.'
Als het oog deze twee steden echter zien kon met het licht van God, dan zou het ze beschouwen als twee bomen van dezelfde soort die groeien in dezelfde boomgaard. Als je een scherpzinnige waarneming van hun werkelijkheid gegeven was, dan zou je zien dat wat jij in de ene vooruitgang noemt slechts een kortstondige bloei is, niet meer dan een glinsterende zeepbel, en wat jij in de andere zwakte noemt, een onzichtbare, blijvende essentie bezit.
Nee, het leven is niet zichtbaar aan de buitenkant, maar ligt verborgen, en de feitelijke wereld ligt niet in haar schaal, maar in haar pit; men vormt zich geen oordeel over iemand naar zijn uiterlijk, maar naar zijn hart. Evenmin is een religie de optelsom van haar uiterlijke manifestaties, zoals gebouwen, rituelen en tradities, maar veeleer dat wat haar ziel koestert en de intenties die zij uitdraagt. De essentie van kunst is niet de hoogste of de laagste tonen van een lied, de klank van de woorden van een vers of de lijnen en tinten van een schilderij dat je met je ogen ziet. Kunst ligt juist in de stille, vibrerende pauzes tussen de hoge tonen en de lage. Zij ligt in het gevoel dat je onmerkbaar bekruipt tijdens het luisteren naar een vers, een gevoel dat zich stilhoudt in de geest van het gedicht. Zij ligt in wat het schilderij je openbaart, zodat je, terwijl je ernaar kijkt, ziet wat mooier is dan het schilderij en het overstijgt.
Nee, mijn broeder, de dag en de nacht zijn niet wat ze van buiten lijken. En ik, die wandel in het schouwspel van dagen en nachten, ik ben niet de woorden die ik je toewerp, behalve als zij iets van mijn zwijgzame innerlijk voor jou voelbaar maken. Houd mij dus niet voor onwetend voordat je bent doorgedrongen tot mijn verborgen wezen, en verbeeld je niet dat ik een genie ben voordat je door mijn schijn hebt heen geprikt. Zeg niet: 'Hij is een inhalige vrek,' voordat je mijn hart gezien hebt, of: 'Hij is edelmoedig en gul,' voordat je weet wat mij tot edelmoedigheid en gulheid aanzet. Noem mij niet liefdevol voordat mijn liefde zich met al het licht en vuur dat in haar is aan jou heeft geopenbaard. Noem mij niet onbezorgd voordat je mijn bloedende wond hebt aangeraakt.
OVER DE NATUUR
BLOEMENLIED
Ik ben een woord door de natuur gesproken; zij riep mij terug, verborg mij in haar hart en liet mij opnieuw spreken. Ik ben een ster, van het blauwe baldakijn omlaag getuimeld naar groene velden. Ik ben de dochter van de elementen; de winter is zwanger van mij en het voorjaar baart mij, de zomer voedt mij en de herfst sust mij in slaap. Ik ben het geschenk van beminden; ik ben de diadeem van de bruid en het laatste geschenk van de levenden aan de doden. In de dageraad span ik samen met de wind om de komst van het licht aan te kondigen en in de avondschemering sluit ik mij aan bij de vogels om het licht vaarwel te zeggen. Ik golf op en neer over de vlakten en tooi ze met schoonheid. Ik snuif de lucht op en adem haar uit om haar te parfumeren. Ik val in slaap, terwijl duizenden nachtelijke ogen naar mij kijken. Ik probeer waakzaam te blijven, zodat ik het oog van de dag weer kan aanschouwen. Ik drink de wijn van de morgendauw, luister naar het lied van de lijsters en dans met het juichende gras. Altijd kijk ik omhoog, opdat ik het licht zie en niet mijn eigen fantasieën, een wijsheid die de mensen nog niet kennen.
OVER LEREN
MIJN ZIEL HEEFT MIJ GOEDE RAAD GEGEVEN
Mijn ziel heeft mij goede raad gegeven. Zij heeft mij geleerd om te houden van wat de mensen verafschuwen en goede wil te tonen jegens hen die zij haten. Zij heeft mij geleerd dat liefde niet een eigenschap is van wie bemint. Voordat mijn ziel mij dit geleerd had, was liefde voor mij een delicate draad gespannen tussen twee naast elkaar geplaatste pennen. Maar nu is zij veranderd in een stralenkrans; haar eerste is haar laatste en haar laatste haar eerste. Zij omvat ieder wezen en breidt zich langzaam uit om alles wat ooit zijn zal te omarmen.
Mijn ziel heeft mij goede raad gegeven. Zij heeft mij geleerd om de schoonheid te ontdekken die verborgen is achter gezichten, kleuren en verschijningsvormen, en intens te kijken naar wat de mensen lelijk vinden, totdat het mij zijn aantrekkelijkheid onthult. Voordat mijn ziel mij dit geleerd had, zag ik schoonheid als een flakkerende vlam tussen rookkolommen. Maar zij vervaagde en ik zag dunne takjes die gemakkelijk vlam vatten.
Mijn ziel heeft mij goede raad gegeven. Zij heeft mij geleerd om te luisteren naar stemmen die niet afkomstig zijn van tongen en niet geschreeuwd worden uit kelen. Voordat mijn ziel mij dit geleerd had, waren mijn oren moe en werden ze gepijnigd, doordat ik mij alleen bewust was van rumoer en wanklank. Nu drink ik voorzichtig van de stilte en luister ik naar haar wezen, dat het lied van de eeuwen zingt, de lof van de hemel prijst en de mysteriën van de Ongeziene aankondigt.
Mijn ziel heeft mij goede raad gegeven. Zij heeft mij geleerd om aan te raken wat nooit een stoffelijke vorm heeft aangenomen of is gekristalliseerd. Ze heeft mij doen beseffen dat aanraken de helft is van begrijpen en dat wat wij daarin nemen deel is van wat wij ervan verlangen. Voordat mijn ziel mij dit geleerd had, stelde ik mij tevreden met warmte als het koud was en met koelte als het warm was, en met geen van beide als ik lusteloos was. Maar nu ligt mijn eens verkrampte tastzin overal verspreid, veranderd in een fijne nevel die alles wat uit Zijn verschijnt doordringt, en zich vermengt met wat voor haar verborgen is gebleven. Mijn ziel heeft mij goede raad gegeven. Zij heeft mij geleerd om de geuren te ruiken die noch door aromatische kruiden, noch door wierook worden voortgebracht. Voordat mijn ziel mij dit geleerd had, zocht ik, telkens als ik naar een geur verlangde, hem in ruinen, in parfumflessen of in wierookvaten. Maar nu ruik ik wat niet brandt of gesprenkeld wordt en ik vul mijn borst met de zuiverheid van lucht die nooit door een aardse tuin is heen gegaan en nooit is opgestegen met de wind die het hemelgewelf toebehoort.
Mijn ziel heeft mij goede raad gegeven. Zij heeft mij geleerd om te zeggen: 'Hier ben ik!' wanneer het onbekende of het gevaar mij roept. Voordat mijn ziel mij dit geleerd had, weigerde ik gehoor te geven, behalve als ik de stem van de roeper kende, en waagde ik mij nooit op een weg, behalve die welke ik uitgeprobeerd had en gemakkelijk vond. Nu is het bekende mijn berg geworden, die ik bestijg op weg naar het onbekende. En de uitgestrekte vlakte is mijn ladder geworden, waarvan ik de treden bestijg om het gevaar te trotseren. Mijn ziel heeft mij goede raad gegeven. Zij heeft mij geleerd om de tijd niet te meten door te zeggen: 'Gisteren was het en morgen zal het zijn.' Voordat mijn ziel mij dit geleerd had, stelde ik mij het verleden voor als een tijdperk dat ik nimmer tegenkwam en de toekomst als een tijdperk dat ik niet zou aanschouwen. Maar nu weet ik dat het kortstondige moment van het heden alle tijd omvat, met alles wat in de tijd bestaat - alles wat hevig verlangt of begeert, alles wat volbracht wordt en gerealiseerd.
Wijsheid en ik. In de stilte van de nacht trad Wijsheid mijn kamer binnen en stond bij mijn bed. Zij staarde mij aan als een liefhebbende moeder, droogde mijn tranen en zei: 'Ik heb het geroep van je ziel gehoord en ben hier gekomen om je te troosten. Open je hart voor mij en ik zal het vullen met licht. Vraag, en ik zal je het pad der Waarheid wijzen.' 'Wat is dit voor verschrikkelijke wereld die mij in beweging brengt en naar welk onbekend land? Wat is deze aarde die wijd haar kaken spert om onze lichamen te verzwelgen en die een altijddurende schuilplaats bereidt voor hebzucht? Wie is deze Mens die zich tevreden stelt met gunsten van fortuin en smeekt om een kus van 's levens lippen terwijl de dood hem in het gelaat treft? Wie is deze Mens die een ogenblik van plezier koopt met een jaar berouw en zichzelf overgeeft aan de slaap, terwijl dromen tot hem roepen? Wie is deze Mens die zwemt in de golven van onwetendheid naar de draaikolk de Duisternis?' En de Wijsheid opende haar lippen en sprak: 'De jongeling die speelt met uw verlangens is hij die de poort van uw hart zal openen om het Licht te laten ingaan. De aarde die wijd haar muil spert om de Mens en zijn werken te verzwelgen, is de bevrijder onzer zielen van de gebondenheid aan het lichaam.'
Verleden en Toekomst
Ik zeg U dat de kinderen van gisteren ronddwalen in een stervend tijdperk dat zij voor zichzelf hebben geschapen. Zij klampen zich vast aan een verrot stuk touw dat spoedig zal afbreken waardoor ze zullen wegglijden in een afgrond van vergetelheid. Ik zeg U dat zij wonen in huizen met een zwak fundament. Als de storm giert - en dat staat te gebeuren - stort hun huis boven hun hoofden in en wordt hun graf. Ik zeg U dat al hun gedachten, hun woorden, hun twisten, hun liederen, hun boeken en al hun werk niets anders zijn dan ketenen die hen remmen, omdat ze te zwak zijn om de last te trekken.
Maar de kinderen van morgen zijn degenen die door het leven geroepen zijn en zij volgen het met vaste tred en hoog geheven hoofd. Zij vormen de ochtendstond van ongerepte en nieuwe grenzen; geen mist zal hun blik vertroebelen en geen gerammel van ketenen zal hun stemmen doen verstommen. Zij zijn met weinigen, maar het verschil is als een graankorrel en een hooischelf. Niemand kent hen, maar zij kennen elkaar. Zij zijn als de bergtoppen die elkaar kunnen zien en horen - niet als de holen, die kunnen niet zien en horen. Zij zijn het zaad gestrooid door Gods hand in het veld, openbarstend en wuivend met de bladeren van het jonge gewas in het aangezicht van de zon. Het zal uitgroeien tot een machtige boom; geworteld in het hart van de Aarde en zijn takken groeiend tot hoog in de hemel. Uit: de stem van de Meester
Het Leven Het leven is een eiland in een oceaan van verlatenheid, een eiland waarvan de rotsen verwachtingen, de bomen dromen, de bloemen eenzaamheid en de beken dorst zijn. Jullie leven, mijn broeders, is een eiland, dat van alle andere eilanden en landstreken is gescheiden. Hoeveel schepen ook van je kusten koers zetten naar andere windstreken, hoeveel vloten ook je kusten aandoen, je blijft een eenzaam eiland, dat lijdt onder de pijn van de eenzaamheid en hunkert naar geluk. Je broeders kennen je niet en je ontbeert hun sympathie en begrip. Mijn broeder, ik zag je zitten op een berg goud.Je verheugde je over je rijkdom, je was trots op je schatten en twijfelde er niet aan of iedere handvol goud die je had vergaard was een onzichtbare schakel die de verlangens en gedachten van andere mensen met die van jou verbond. Ik zag je voor mijn geestesoog opdoemen als een groot veroveraar die zijn troepen aanvoerde, uit op de vernietiging van de bolwerken van vijanden. Maar toen ik weer keek, zag ik slechts een eenzaam hart dat wegkwijnde achter volle schatkisten, een dorstige vogel in een gouden kooi met een leeg waterbakje. Mijn broeder, ik zag je zitten op de eretroon met om je heen je volk, dat je majesteit verkondigde, de lof zong van je grote daden, je wijsheid hemelhoog prees, je aanstaarde alsof het zich in de tegenwoordigheid van een profeet bevond en zijn gejuich tot aan het hemelgewelf verhief. Je keek naar je onderdanen en ik zag op je gelaat de tekenen van geluk, macht en triomf, als was je de ziel van hun lichaam. Maar toen ik weer keek zag ik je moederziel alleen naast je troon staan, een balling die zijn hand in alle richtingen uitstrekte, alsof hij onzichtbare geesten smeekte om genade en vriendelijkheid - bedelend om onderdak, al had dat niet meer te bieden dan wat warmte en vriendelijkheid. Mijn broeder, ik zag hoe je, verliefd op een mooie vrouw, je hart offerde op het altaar van haar lieflijkheid. Toen ik zag hoe ze met tedere, moederlijke gevoelens naar je keek, zei ik bij mezelf 'Lang leve de liefde, die een eind maakt aan de eenzaamheid van de mens en zijn hart verbindt met dat van een ander.' Maar toen ik weer keek, zag ik in je liefhebbende hart een ander eenzaam hart dat het tevergeefs uitschreeuwde om zijn geheim aan een vrouw te onthullen, en achter je van liefde vervulde ziel een andere eenzame ziel die leek op een ronddolende wolk en tevergeefs wenste dat ze kon veranderen in tranen in de ogen van de geliefde. Je leven, mijn broeder, is een eenzame woning, gescheiden van de woningen van anderen, een huis in welks inwendige de blik van de buren niet doordringt. Als het in duisternis wordt gedompeld, verlicht de lamp van de buren het niet. Als er geen levensmiddelen meer zijn, vult de voorraad van de buren ze niet aan. Als het in een woestijn staat, kun je het niet verplaatsen naar de tuinen die door anderen worden bewerkt en beplant. Als het op een bergtop staat, kun je het niet naar het dal brengen dat door de voeten van andere mensen wordt begaan. Het leven van je geest, mijn broeder, is omgeven door eenzaamheid, en als het anders was, was jij niet jij en ik niet ik. Als het anders was, dacht ik bij het horen van je stem dat het mijn stem was die sprak en bij het zien van jouw gezicht dat ik mijzelf in een spiegel zag. Uit 'De Stem van de Meester'
RUST Neem het laken weg van mijn lichaam en wikkel mij in jasmijn en irisbloemen. Verlos mijn resten uit de ivoren kist en spreid ze uit op kussens van oranje- en citroenkleurige bloemen. Breng mij geen klaagzangen, kinderen van mijn moeder. Vergiet geen tranen, dochter van de velden. Zing liever de liederen van het oogstfeest en van het persen van de wijn. Overdek mijn borst niet met je jammerklacht en zuchten, maar voel haar en speur met je vingertoppen naar runetekens van liefde en symbolen van vreugde. Verstoor niet de rust van de ether met riten en aanroepingen, maar roep harten op om met mij onsterfelijkheid en eeuwigheid te bezingen. Draag vanwege rouw geen zwart voor mij, maar trek iets wits aan en verheug je met mij. Spreek niet over mijn dood met een brok in je keel, maar sluit je ogen en je zult mij bij jullie zien, nu, morgen en daarna. Leg mij neer op bebladerde takken, til mij op jullie schouders en draag mij langzaam naar het open land. Breng mij niet naar de begraafplaats, want het gedrang verstoort mijn rust en het geratel van oude botten en schedels berooft mijn rustplaats van haar vredigheid. Draag mij naar de cipressengaard en graaf mijn graf waar viooltjes groeien naast anemonen. Graaf een diep graf, opdat de stortregens mijn botten niet meesleuren naar het dal. Graaf een breed graf, opdat de nachtelijke verschijningen kunnen komen en er kunnen zitten. Neem deze kleren weg en laat mij naakt in de boezem van moeder aarde neer; leg mij teder te ruste op de borst van mijn moeder. Bedek mij met zachte aarde en gooi met iedere schep grond een handvol zaad van leliën, jasmijn en wilde rozen mee. Zij zullen groeien op mijn graf, de elementen van mijn lichaam in zich opnemen, de lucht bezwangeren met de geur van mijn hart en het mysterie van mijn rust meedragen naar het gelaat van de zon. En als zij buigen zullen in de wind, moge zij dan de voorbijganger herinneren aan mijn dromen en streven. Verlaat mij nu, kinderen van mijn moeder. Laat mij nu alleen en verwijder je met geruisloze voeten, als de stilte die rondwaart in een afgelegen vallei. Laat mij met rust en ga geluidloos van mijn zijde, zoals de appel- en amandelbloesems zich verspreiden in de voorjaarswind. Keer terug naar huis. Daar zullen jullie ontdekken wat de dood noch van mij, noch van jullie kan wegnemen. Verlaat deze plaats, want degene die je hier zoekt, is reeds ver weg, ver weg van deze wereld.
Uit: De Dromer
DE SCHEPPING GOD SCHEIDDE EEN GEEST af van zichzelf en bekleedde hem met schoonheid. Hij strooide over hem de zegeningen van elegantie en vriendelijkheid. Hij gaf hem de beker van het geluk en zei: 'Drink niet van deze beker, tenzij je het verleden en de toekomst kunt vergeten, want geluk bestaat slechts in het moment.' Ook gaf hij hem een beker vol verdriet en zei: 'Drink van deze beker en je zult de betekenis begrijpen van de vluchtige momenten van vreugde, want verdriet is er altijd in overvloed.' En God verleende de geest liefde, die hem voorgoed zou verlaten bij zijn eerste zucht van aardse bevrediging en een zoetheid die zou worden verbannen bij zijn eerste besef van het gevlei. En Hij gaf hem wijsheid uit de hemel om hem over het pad van de rechtvaardigheid te kunnen leiden en plaatste diep in zijn hart een oog dat het ongeziene ziet, waardoor een bijzondere gevoeligheid ontstaat en goedheid tegenover alle dingen. Hij bekleedde hem met hoop, gesponnen door de engelen uit de stralen van de regenboog. Ook trok hij hem de schaduw van verwarring aan, die de opgang van leven en licht is. Toen nam God vuur uit de oven van de toorn, schroeiende wind uit de woestijn van de onwetendheid, scherp zand uit de kust van de zelfzucht en ruwe aarde van onder de voeten der eeuwen en vormde daaruit de mens. Hij gaf de mens blinde macht die hem tot waanzin drijft, die vernietigt voordat verlangen wordt bevredigd en plaatste leven in hem, dat de schaduw is van de dood. En God lachte en huilde. Hij voelde een overweldigende liefde en medelijden voor de mens en nam hem onder zijn hoede.
Goed en Kwaad En een van de oudsten van de stad zei: Vertel ons over goed en kwaad. En hij antwoordde: Over het goede in jullie kan ik spreken, over het kwade echter niet, want wat is het kwade anders dan het goede dat wordt gekweld door zijn eigen honger en dorst? Als het goede hongert, zoekt het zijn voedsel zelfs in duistere spelonken en als het dorst, drinkt het zelfs van dode wateren. Je bent goed als je in harmonie bent met jezelf Maar als je dat niet bent, ben je nog niet slecht. Een verdeeld huis is nog geen rovershol, het is slechts een verdeeld huis. Een schip zonder roer mag dan doelloos ronddobberen tussen gevaarlijke klippen, het hoeft nog niet te zinken. Je bent goed als je ernaar streeft jezelf te geven, maar je bent nog niet slecht als je uit bent op je eigen voordeel. Je bent enkel een wortel die zich vastklampt aan de aarde en zuigt aan haar borst. Heeft de vrucht het recht tegen de wortel te zeggen: 'Wees als ik, rijp en vol, en geef steeds van je overvloed?' Geven is voor de vrucht een behoefte, zoals ontvangen dat is voor de wortel. Je bent goed als je volkomen alert bent wanneer je praat. Maar je bent nog niet slecht als je slaapt en je tong doelloos stamelt. Zelfs taal die mank gaat, kan een zwakke tong sterken. Je bent goed als je vastberaden en zelfverzekerd op je doel afstevent, Maar je bent nog niet slecht als je hinkend herwaarts gaat. Zelfs wie hinkt, gaat niet achteruit. Maar jullie, die vast en snel ter been bent, pas op dat je niet ten overstaan van de kreupelen hinkt, in de waan dat je daarmee goed doet. Je bent goed op tal van manieren en als je niet goed bent, ben je nog niet slecht, Maar enkel traag en lui. Jammer dat het hert de schildpad geen snelvoetigheid kan bijbrengen! Je goedheid ligt in je verlangen naar je reusachtige zelf en dat verlangen sluimert in elk van jullie. In sommigen van jullie is het echter een bergstroom, die machtig naar zee bruist en de geheimen van de heuvelhelling en de liederen van het woud met zich meevoert, En in anderen is het een trage stroom, die zich verliest in vele bochten en langzaam voort kronkelt alvorens zij de kust bereikt. Laat wie sterke verlangens koestert vooral niet tegen wie amper verlangens heeft zeggen: 'Waarom ben je zo langzaam en onzeker?' Wie waarlijk goed is, vraagt niet aan wie naakt staat: 'Waar is je gewaad?' en aan wie dakloos is: 'Wat is er gebeurd met je huis?' Gebed. Toen zei een priesteres: Spreek tot ons over het gebed. En hij antwoordde als volgt: Je bidt in je wanhoop en je nood. Bad je ook maar uit de volheid van je vreugde en Je overvloed. Want wat is gebed anders dan je uitbreiden in het levende heelal? Als het je tot troost strekt je duisternis in de ruimte uit te storten, moet het je ook tot vreugde strekken de zonsopgang van je hart uit te storten. Als je niet anders kunt dan huilen wanneer je ziel je oproept tot gebed, moet ze je, ondanks je tranen, telkens opnieuw aansporen tot je lachend aan die oproep gevolg geeft. Wie bidt, stijgt op om in de geest al diegenen te ontmoeten die op datzelfde ogenblik aan het bidden zijn en die hij anders misschien nooit ontmoeten zou. Je bezoek aan die onzichtbare tempel dient dan ook nergens anders toe dan tot vervoering en intimiteit. Want als je de tempel enkel betreedt om te vragen, ontvang je niet; Als je hem betreedt om je te vernederen, word je niet boven jezelf uitgeheven; En zelfs als je hem betreedt om het goede voor anderen af te smeken, word je niet verhoord; Het is genoeg dat je de onzichtbare tempel betreedt. Ik kan jullie niet bijbrengen hoe je in woorden bidt. God luistert niet naar je woorden, tenzij Hij ze je Zelf in de mond geeft. Ik kan jullie het gebed van zeeën, wouden en bergen niet leren, Maar jullie, die geboren zijn uit de schoot van bergen, wouden en zeeën, vinden hun gebed in je hart. Als je aandachtig luistert in de stilheid van de nacht, hoor je hen in stilte zeggen: 'Onze God, ons gevleugeld zelf, Uw wil is het die in ons wil, Uw verlangen is het dat in ons verlangt; Uw drang is het die in ons de nachten die U toebehoren verandert in dagen die U eveneens toebehoren. Wij kunnen U nergens om vragen, want Gij kent onze noden nog vóór wij ze zelf kennen; Gij bent wat wij van node hebben, en door ons meer van Uzelf te geven, geeft Gij ons alles.'
LIED VAN GELUK De mens en ik zijn gelieven. Hij hunkert naar mij en ik verlang naar hem. Wee ons, wij moeten onze liefde delen met iemand die het ons moeilijk maakt. Wreed is zij en veeleisend. Materie is haar naam. Waar wij ook gaan, zij volgt ons op de voet als een bewaker om ons uiteen te drijven. Zij maakt mijn liefste rusteloos. Ik zoek mijn liefste in het woud onder de bomen en bij de bosmeertjes, maar vindt hem niet, want Materie heeft hem meegetroond naar de grote stad, waar de menigte de boventoon voert en waar corruptie en ellende heersen, gebaseerd op de onstabiliteit van klinkende munt. Ik roep hem met de stem der Kennis en het lied der Wijsheid. Hij luistert niet, want Materie heeft hem de kerker van de zelfzucht binnengelokt, waar gierigheid huist. Ik zoek hem op het veld der Tevredenheid, maar ben alleen, want mijn rivale houdt hem vast in de grotten van hebzucht en begeerte en heeft hem gekluisterd in knellende ketens van goud. Ik roep hem bij de dageraad, als de natuur glimlacht, maar hij hoort het niet, want overdaad heeft zijn halfverblinde ogen zwaar met slaap beladen. Ik poog hem te bekoren in de avondstond, wanneer de Stilte soeverein is en de bloemen sluimeren. Maar hij antwoordt niet, want de angst voor wat de dag van morgen brengen zal, overschaduwt zijn gedachten. Hij hunkert ernaar om mij te beminnen. Hij zoekt mij in zijn eigen daden, maar hij zal mij niet vinden dan in godvruchtige handelingen. Hij zoekt mij in de gebouwen van zijn eigen roem, gebouwd op het gebeente van anderen. Hij fluistert me toe tussen bergen zilver en goud. Maar hij zal mij pas vinden, als hij naar het huis der Eenvoud komt, dat God gebouwd heeft aan de oever van de rivier der Genegenheid. Hij wil mij kussen voor zijn geldkisten, maar nooit zullen zijn lippen de mijne beroeren dan in de volheid van de zuivere bries. Hij vraagt mij zijn fabelachtige rijkdom met hem te delen, maar ik zal het geluk dat God schenkt niet verzaken, ik leg de mantel van mijn schoonheid niet af. Hij zoekt bedrog als middel, ik zoek alleen zijn hart, dat hij kwetst in zijn nauwe cel. Ik wil zijn hart met liefde verrijken. Mijn liefste heeft van mijn rivale, Materie, razen en tieren geleerd, ik wil hem leren tranen van tederheid en mededogen te storten, die opwellen uit het diepst van zijn ziel en in die tranen een zucht van tederheid te slaken. De mens is mijn liefste, hem wil ik toebehoren. Uit: Een traan en een lach.
Het leven is een eiland in een oceaan van verlatenheid, een eiland waarvan de rotsen verwachtingen, de bomen dromen, de bloemen eenzaamheid en de beken dorst zijn. Mijn broeder, ik zag je zitten op een berg goud. Je verheugde je over je rijkdom, je was trots op je schatten en twijfelde er niet aan of iedere handvol goud die je had vergaard was een onzichtbare schakel die de verlangens en gedachten van andere mensen met die van jou verbond. Ik zag je voor mijn geestesoog opdoemen als een groot veroveraar die zijn troepen aanvoerde, uit op de vernietiging van de bolwerken van vijanden. Maar toen ik weer keek, zag ik slechts een eenzaam hart dat wegkwijnde achter volle schatkisten, een dorstige vogel in een gouden kooi met een leeg waterbakje. Mijn broeder, ik zag je zitten op de eretroon met om je heen je volk, dat je majesteit verkondigde, de lof zong van je grote daden, je wijsheid hemelhoog prees, je aanstaarde alsof het zich in de tegenwoordigheid van een profeet bevond en zijn gejuich tot aan het hemelgewelf verhief. Je keek naar je onderdanen en ik zag op je gelaat de tekenen van geluk, macht en triomf, als was je de ziel van hun lichaam. Maar toen ik weer keek zag ik je moederziel alleen naast je troon staan, een balling die zijn hand in alle richtingen uitstrekte, alsof hij onzichtbare geesten smeekte om genade en vriendelijkheid - bedelend om onderdak, al had dat niet meer te bieden dan wat warmte en vriendelijkheid.
HET LIEFDESLIED Een dichter schreef eens een liefdeslied en het was wonderschoon. En hij maakte er vele afschriften van en stuurde die aan zijn vrienden en bekenden, en zelfs aan een jonge vrouw die hij slechts eenmaal had ontmoet die aan gene zijde van de bergen woonde. Na een dag of twee kwam er een boodschapper van de jonge vrouw met een brief. In die brief zei ze: "Laat me je verzekeren dat ik diep geroerd ben door het liefdeslied dat je hebt geschreven. Kom nu mijn vader en mijn moeder bezoeken en wij zullen schikkingen treffen aangaande de verloving." En de dichter schreef haar: "Mijn dierbare vriendin, het was slechts een liefdeslied uit een dichterhart, gezongen door iedere man aan iedere vrouw." En zij riposteerde: "Huichelaar en leugenaar in woorden, vanaf vandaag tot aan mijn sterfdag zal ik alle dichters haten om uwentwil.
uit : De Zwerver
Gastenboek van Spirituele Vrienden.
|