Gedichten die me aanspreken I

je kinderen - indien ik - deze brief - aanvaarding - neem je tijd - gebed - mandela - wonder - de vogel -wachters - engelbewaarder - zeg eens - hoge vluchtluisteren - een roos - vrinden - geloven - hebben of zijn - groeien door het leven - gij bad - zonder jou - voor een verdronken meisje - verdriet - slaap - vannacht zou ik... - voorbijtrekkend landschap - ik zag een kruis - het is een vreugde - er zijn mensen -  grasspriet - waarheen - 'k Zag steeds een bleke Christus - De stilte - Ik zie een man - Daarom weet ik - Een wereld is ieder mens - de bijeenkomst van Farmcoop - Weggaan - Ik kijk - Uit Uw hemel zonder grenzen - de herfst - tijd - verdrietig kind - vreemd - het lied van Mustafa - er zijn ziekten - luchtspiegeling - wintergepeinzen Bericht aan de reizigersHoe meer zielen - Ineens - gedichten van Willem Brandt - Een stralend licht! - A en Ω - Alleen - bladeren van tijd - LENTELACH  - Stille getuigen - Scheepje onder Jezus' hoede - Aan een verloren vriend - En als je mij zou vragen - De Tuin -  Bijna -  Wedergeboorte - De gelatene - Hij, die ons naar de top leidtDIE KRINGLOOP VAN ONS LEWE -

 

 

 

DIE KRINGLOOP VAN ONS LEWE

 

Ons lewe is soos 'n boom

Waar takke in die lug troon -

Reik ons na die hoogste kroon

Om ons ideale te bekroon -

Met die glans van geluk -

Soos die blink blare wat ons pluk.

 

Die geur van bloeisels in die lug

Bedwelm nes die liefde waarna ons sug.

Teer soos die eerste lenteblaar

Roer dit my hart se diepste snaar -

Groei tot die wasdom van 'n diep geluk

Wanneer ek die vrugte van my liefde pluk.

 

En soos die herfs die blare kleur -

So bring die jare ryke geur.

'n Droom wat tot sy volheid kom,

Vou geurig oop net soos 'n blom.

En dan soos wat die blare val

Begin ek ook die jare tel.

 

Die winter bring 'n kaalheid mee

Wat in my hart 'n weerklank gee.

Dan staan die takke kaal gestrek

Wat in my hart 'n wemoed wek.

Dit is verby - s gou verby -

Die droom en ideaal vir my !

 

Wanneer die lente weereens kom

En in die veld die liefde blom -

Verhuis ek na die beter oord -

Verbreek finaal die aardse koord.

O Heer, Almagtig, gedenk u my -

Dat ek U ewig rus sal kry.

 

 

Louise

Zuid-Afrika


 Hij, die ons naar de top leidt

 

Steeds weer, over tal van wegen,

keert mijn zin en leven tot Hem terug.

Gelooft in Zijn beeld aan te treffen,

voor zijn onrust, eindelijk geluk.

 

Steeds zoeken wij het ene,

dat de veelheid niet beroert:

Dat het voor ons verschijne,

dat ons naar de top toe voert.

 

Eens zullen wij daar boven staan,

waar aarde opgaat in de zon

dan kan de vorm, de wij, vergaan,

en worden wij, wat wij zijn.

 

Christian Morgenstern (1871-1914)

 

 

De gelatene.

 

Ik open het raam en laat het najaar binnen,
het onuitsprekelijke, het van weleer
en van altijd. Als ik n ding begeer
is het: dit tot het laatste te beminnen.

 

Er was in 't leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
als men zich op het wereldoude zeer
van de miljarden voor ons gaat bezinnen.

 

Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
hunkeren naar onverganklijke beminden,
en eenzaamheid is dan gemis en pijn.

 

Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden,
en dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.

 

J.C. Bloem

 

Wedergeboorte

 

Toen, in een mist aan een oever,

dit lichaam leeg lag, brak

den grond der ziel een vuur uit

dat de wereld in vlammen stak.

 

Afgronden braken open,

hemelen sloten dicht;

van grond tot wolken sloeg er

een rode orkaan van licht.

 

Ik vluchtte, mijn handen geslagen

tegen mijn aangezicht...

 

Ik weet niet hoe ik weervond

een weg, die verloren was;

ik kwam aan een glinsterend water

en bloemen en zacht gras;

daar speelde God met een kind,

dat nog niet geboren was.

 

Ik dacht een tijding te staamlen:

'De wereld is vergaan'...

God sprak: "Wat mijn stem niet doen kon

dat heeft mijn vuur gedaan:

gij kwaamt. Ga naar het water;

uw hoofd is nog zwart van roet,

en was er van uw handen

die vegen as en bloed."

 

Toen vroeg het kind: "Wat is dat:

de wereld?" en God zei

blij na bedroefd herdenken:

"De wereld is voorbij."

 

En toen tot zichzelven: "Nu blijven

zij beiden weer bij mij."

 

Ik wies mij in 't glinsterende water;

God speelde met het wicht...

ik legde mij in de bloemen;

mijn ogen vielen dicht.

 

Toen ik ontwaakte lag ik

in licht en bloemen alleen;

vreemd en verzaligd zag ik

over een water heen.

 

A. Roland-Holst

 

 

Bijna

 

Misschien morgen, vandaag

stonden alle dingen stil,

de wind kon er niets aan

doen, nergens kwam beweging

in. Ik zat en keek, werd

stilte zelf, een hoge boom,

 overal dicht van groen,

geen blad bewoog.

 

Ik had kunnen sterven,

 denk ik nu, zonder dat

ik het merkte, zelfs ver

 van mijzelf, in een heelal

van ander geluk, vrede die

 niemand iets ontneemt, licht

 dat geen schaduw ziet,

 toekomst zonder herinnering.

 

Toch kwam ik later nog

 terug en er bleek iets

verschoven te zijn: een wolk,

 een gevoel van vaag verdriet,

 een ogenblik bijna, een stem

 die onbelemmerd spreken kon.

 Maar alles zweeg. Ver weg

 danste een vlinder in de zon.

 

Gabril Smit

De tuin

 

Een morgen ben ik zeer vroeg opgestaan

En zie de bloemen, halmen, grassen staan

In een zo helder eigenaardig licht

Of zij daar nog niet lang alleen zo staan

Maar iemand juist van hen was heengegaan,

Zo, als men in gezelschap binnentreedt

In stilte, en weet dat er gesproken is

Maar niemand u wil zeggen wat het was.

Het is of er een engel op dit gras

Getreden is en juist verdwenen is

Zodat nog alles luistert naar zijn tred

En halmen, grassen staan nog in gebed.

 

J.W.F. WERUMEUS BUNING (1891-1958)

 

 

En als je mij zou vragen Wijs me de Weg

 

dan zou ik antwoorden:

 

Volg de stem van je Hart,

wandel over het pad van Liefde,

vol mededogen en zachtmoedigheid.

 

En wanneer je je Zelf dan vindt,

dan vind je de ander.

En wanneer je je Zelf dan voelt,

dan voel je de ander.

 

En wanneer je dan je Zelf Volledig ervaart,

dan ervaar je het Hart van God.

En wanneer je het Hart van God gewaar bent,

dan bn je je Goddelijke Vonk.

 

En wanneer jij jouw Goddelijke Vonk bent,

dan zullen we samen zijn,

dan zullen we n zijn!

 

****

 

Voordat je een keuze kunt maken

zul je de ervaring moeten hebben

te weten, dat je een keuze hebt.

 

Vervolgens komen de lessen

om je duidelijk te maken waaruit je kiezen kunt!

 

Waar kun je beter leren kiezen dan op Aarde,

waar de dualiteit je telkens weer dwingt

te kiezen

 

 om uiteindelijk de ultieme keuze tussen

Leven en Niet Leven

tussen

Zijn en Niet Zijn

te maken

op lk moment in het Nu!

 

Bron: De Kracht van het Licht Ellen de Brouwer.

ISBN 90 9013 963 X

 

 

 

 Aan een verloren vriend

 

Forlorn! The very word is like a bell. Keats

 

Gij zult me in 't vreemde land wel nooit gedenken,

Ook mij ontging allengs uw verre beeld.

Nu komt dit uit der jaren schemers wenken,

Zo wazig als een droom een droom doorspeelt.

 

Toen 'k nog uw ogen zien, uw stem mocht horen

In 't stille stadje eens onzer jeugd ter woon,

Gingt gij mij reeds, hoe ik ook bad, verloren,

Want elk zocht in dit leven ander schoon.

 

U joeg een wilde drang naar wereldsteden,

Waar 't leven krampt als in een snikkend hart,

En koortsdoorschrijnd elk vliedt voor zijn verleden,

Maar in de strikken van het nu verwart.

 

Mij liet het leven stil en peinzend achter,

Voor altijd in gedroomde vlucht gestuit.

En 'k tuur, als op een berg een eenzaam wachter,

Over de dalen van 't verleden uit.

 

Wel kende ook ik dat einderwijd verlangen

Naar tochten over aardes breed gebied,

Als niet n dak onze onrust kan omvangen,

En iedre dageraad ons verder ziet.

 

 

Maar ik wist dit: slechts weinigen is gegeven,

Weinigen van ons, die iedre schijn verleidt,

 Het leven naar zijn schoonsten wil te leven:

De velen raken nooit tot zaligheid.

 

U sloegen de onverzoenlijk- wrede vlagen

Van 's levens bitterheid en barren nood.

Toch zult ge nu zelfs niet uw keus beklagen:

Gij mocht niet anders, waar de droom gebood.

 

Maar mij zijt gij verloren. Lange stoeten

Van uren zijn sinds 't scheidingsuur vergaan.

En 'k wens geen weerzien: als we elkaar ontmoetten,

Zouden we, een vreemde naast een vreemde, staan.

 

Hoe eindloos teer klinkt mij dat woord in de oren,

Teer als aan middaglucht een ijle maan,

Die broze luiding van geluid: verloren...

Is heel dit leven niet verloren gaan?

 

Weet dan, verslagene, maar immer strevende,

Dat steeds mijn hart de herinnering bewaart:

Mijn vriendschap is u nog als voor een levende,

Mijn weemoed om u of ge een dode waart.

J.C. BLOEM

Scheepje onder Jezus' hoede
 
Dit is afschuwelijk: die zwarte eenzaamheid,
dit weggeslagen zijn van ied're kust,
dit drijven op de stroom van tijd naar eeuwigheid,
dit worstelen vr de eindelijke rust.
 
Ik ben een drenkeling, wiens schip te pletter sloeg
en klem me vast aan nog een wrak 'Stuk hout,
waarom? Ik wou toch dat de zee mij niet meer droeg
en dat ik zonk - ik krijg het al zo koud ­
 
o God, waar is het schip met 's Vaders Zoon aan boord?
Waar is de kruisvlag, wapp'rend in de top?
Wanneer Gij spreekt, al is het maar een enkel woord,
dan vecht ik door. - Maar nu geef ik het op.
 
- "Het is niet ver meer naar het veilig strand,
nog ven, kind, dan trek Ik je aan land."
 
Nel Benschop


Stille getuigen

Al denkt gij ook: "Wij zijn alleen!"
De sterren houden wacht,
De wind strijkt door de linden heen,
Die fluistren in de nacht;
Er zijn getuigen bij uw eed
In 't rustige avonduur,
En wat geen mens bekend is, weet
De zwijgende natuur!

En schendt gij d'eed van liefde en trouw
Dan is uw rust verstoord;
Verwijt u 't reine hemelblauw
Het breken van uw woord,
Dan huivert ge als het koeltje zacht
Door 't lindelover stoeit,
En mijdt uw oog de gouden wacht,
Die aan de hemel gloeit!

Uit de bundel: XL Gedichten
 Frederik Hemkes, 1882

LENTELACH


De winter weent, de lente lacht,
de kluizekens gaan open;
en 't blad, dat zich te bergen placht,
komt kraakfijn uitgekropen.
 
't Is al zo klein en al zo nipt,
zo netjes en zo nuchter;
en 't meesje dat er tussen wipt
het fladdert nog zo schuchter.
 
Een vlinderlucht waait vleiend zacht
om al die tere levens.
De winter weent, de lente lacht,
ik ween en lache tevens.
 
 Ren de Clercq   Echo's (1900)
 

 

Bladeren van tijd

 Toen veegde de bezem
van de tijd de bladeren
van alle geleefde levens bijeen.

De wind joeg ze op
en bracht ze op zijn holle rug
buiten ruimte en tijd,
waar ze tot sterren werden.

In helderheid van geest
zag ik mijn ware gelaat
en werd het zien
zonder nog iets te zien,
het licht dat alles verlicht
maar van zichzelf niet weet.

 De bladeren van de tijd verkleurden
en in de bloesem van het Al
openbaarde zich mijn goddelijke natuur.
Het was mijn stervensuur
van een nooit meer sterven.

 [Marcel Messing]


 


Alleen

 

Sinds de eerste kindsheid was ik niet

Als andren waren - hun verdriet

En hun geluk was niet voor mij:

't Ging alles aan mijn ziel voorbij.

 

Hoe kon hun dronk mijn smachting koelen?

Hoe kon mijn duistre hartstocht woelen

Om 't heil, dat hun begeerlijk scheen?

Ik minde zeer, doch steeds alleen.

 

Maar in die kindsheid - morgendauw

Van woest bestaan - ontgloorde flauw

't Mysterie dat mij nooit verlaat,

En houdt vertrouwd met goed en kwaad: -

 

Aan stortbeek en aan bron verknocht -

Aan grauwe rots en diepe krocht -

Aan het scheemrig dennenwoud -

Aan de zon in 't herfstlijk goud -

 

Aan de slag van 't bliksemlicht,

Raaklings langs mij heengericht -

Aan de donder, aan de storm,

 

Aan de grillige wolkenvorm

Temidden van 't peilloos esmerald

Tot een duivelgestalte samengebald.

 

Edgar Allan Poe

A en Ω

Het mooiste werk: Grieks in het eerste jaar.
Het Griekse alfabet staat op het bord.
'Kijk, kinderen, Ψ: dat is een kandelaar.
Maak dat de Omega gaaf getrokken wordt.'

Behoed dit eerst beginnen voor gevaar;
dat niet het werk, nauwelijks ontkiemd, verdort.
-Zie, als het buiten vroege lente wordt,
liggen de kleine Griekse bijbels klaar.

Pasen: een jongen leest met heldere stem
van Jezus, twaalf jaar, in Jeruzalem;
en hoe hij voor de schriftgeleerden las.

En elk kind in de luisterende klas
Begrijpt het vragend: 'Wist gij niet?' van Hem,
die in de dingen van zijn Vader was.


Ida Gerhardt (1905-1997)
Uit: Verzamelde Gedichten, Amsterdam (1980)

Een stralend licht!

Iemand zijn waar t licht doorheen straalt,
zo wil ik voor andren leven,
met mijn handen als een brugdek
een vernieuwde doorgang geven,
kijkend naar de velen naast mij,
zoekend in vermoeide ogen
en met uitgestrekte armen
leed verzachten, tranen drogen.

Iemand zijn waar t licht doorheen straalt,
als door vensters, wijd geopend,
met de zwakken en verkilden
op een nieuwe lente hopend.
Ik zie links en rechts de barsten,
scheuren die maar moeizaam helen,
van bedroefden die vereenzaamd
nergens zorgen kunnen delen.

Iemand zijn waar t licht doorheen straalt,
daarvoor laat ik mij gebruiken,
zodat door een golf van aandacht
bloemen van de hoop ontluiken.
t Is mjn licht niet, noch mjn liefde,
maar God wil het met mij delen.
t Is Zijn kracht die door mij heen straalt
als een warmtebron voor velen!

Frits Deubel


"Hij zeide: zeg mij hun geheim, maar ik
die het reeds kende zoveel wondere jaren
zocht naar een woord, een aarzelend ogenblik
en trachtte tevergeefts het te verklaren.

Toen zei ik: Liefde, maar ik wist opeens
dat het veel meer was, een mystieke waarde
ongrijpbaar en toch ook van deze aarde,
zowel van allen als van mij alleen.

Het is muziek, een woord, een handgebaar,
een teken; en het schijnt in iemands ogen,
het is zijn hart en 't mijne, 't is het hoge
verbond om al wat schoon is, licht en waar.

Hij vroeg mij: wijs mij hun geheim, maar dit
kon ik niet duiden in talloze gesprekken.
Alleen hij zal het ooit kunnen ontdekken
die het geheim reeds in zichzelf bezit.

AUTEUR: WILLEM BRAND (1905-1981)

Het is geen Kennen en niet te omvatten,
er is geen meester die het ons ontwart,
ik sta geheel alleen en zonder schatten
waaruit ik putten kan dant eigen hart.

Ik kan het nergens zoeken, nergens vinden,
elk letterteken wordt een dode steen
en ieder woord verwervelt met de winden;
als het er is, is het in mij alleen.

Geen denken zal ons het geheim onthullen,
geen medemens, geen kluizenaarsbestaan;
het moet zichzelf in mij door mij onthullen,
ik moet diep tot de eigen ziel ingaan.

Tot wijsheid groeien kost een mensenleven
dat van eigen ik geen vezel spaart;
zichzelf tot werkstuk en tot werktuig wezen
naar een volmaking die geen mens verklaart.

AUTEUR: WILLEM BRAND (1905-1981)

Zij dansen. Duizend dromen in n nacht.
 De dromen van een licht bewogen leven:
 hoe men lief kan hebben; hoe men best zacht
 mag zijn, maar niet half-zacht; hoe men zich geven
 
 moet, maar nooit helemaal; hoe men wel beven
 kan van ontroering, doch, op vorm bedacht,
 de hartstocht door een gouden huid moet zeven
 tot zweetglans, oogopslag en pradadracht.
 
 Nu zullen dit voor mij wel dromen blijven.
 Maar hier neemt n idee in vele lijven
 gestalten aan en winnen alle zinnen
 het van de zuiverste gedachtengangen:
 hier laat, in duizend dansposen gevangen,
 de schoonheid zich bloot lijfelijk beminnen.

AUTEUR: WILLEM BRAND (1905-1981)


Ineens

 

Ineens was ik het vermogen
om warmte vast te houden
verloren. Nu de kinderen
het huis uit zijn, snoof ik,
ja ja. Ik kroop onder steeds
meer dekens. De kachel
loeide. De warmste van ons
tween kon mij niet meer
verhitten. Ik rilde en
huiverde alsof ik oog
in oog stond met de dood.

Wat ook zo was. De dood
en ik stonden op een dijk.
Tussen ons was niets dan
een aanzienlijke afstand.

 
Anna Enquist,
Uit: Klaarlichte dag


Hoe meer zielen

 

Ik heb een ziel
die precies in mij past-

ik doe alles met mijn ziel
klop op mijn ziel en stof hem af
schaaf aan mijn ziel en blaas de krullen weg
boor gaten in mijn ziel en vul ze weer op
met nuchtere gedachten.

 

Ik wou dat ik meer zielen had
en van een andere soort
oneffen zielen kromme zielen
zielen als spartelende zilvervisjes
als meisjes in een winterjas
zwarte zielen.

 

Maar mijn ene ziel-
een tamelijk vierkante effen en solide ziel-
vult reeds alle beschikbare ruimte
en krimpt geen millimeter
zolang ik leef.

 
Toon Tellegen,
Uit: Wie A zegt

Bericht aan de reizigers

 

Bestijg de trein nooit zonder uw valies met dromen,
dan vindt ge in elke stad behoorlijk onderkomen.

Zit rustig en geduldig naast het open raam:
gij zijt een reiziger en niemand kent uw naam.

 

Zoek in 't verleden weer uw frisse kinderogen,
kijk nonchalant en scherp, droomrig en opgetogen.

Al wat ge groeien ziet op 't zwarte voorjaarsland,
wees overtuigd: het werd alleen voor u geplant.

 

Laat handelsreizigers over de filmcensuur
hun woordje zeggen: God glimlacht en kiest zijn uur.

Groet minzaam de stationschefs achter hun groen hekken,
want zonder hun signaal zou nooit n trein vertrekken.

 

En als de trein niet voort wil, zeer ten detrimente
van uwe lust en hoop en zuurbetaalde centen,

blijf kalm en open uw valies; put uit zijn voorraad
en ge ondervindt dat nooit een enkel uur te loor gaat

 

En arriveert de trein in een vreemdsoortig oord,
waarvan ge in uw bestaan de naam nooit hebt gehoord,

dan is het doel bereikt, dan leert gij eerst wat reizen


betekent voor de dolaards en de ware wijzen...

Wees vooral niet verbaasd dat, langs gewone bomen,
een doodgewone trein u voert naar 't hart van Rome.


Jan van Nijlen 1884-1965

WINTERGEPEINZEN

 

Dat ook ons hart rusten kon
lijk 's winters velden doen,
die liggen daar onder Gods hemel wijd
de waarde te vieren
van eenzaamheid.

Ze weten heimelijk meer dan wij
die trappen over hun wijs gezicht;
ze weten: in voren van diep geduld
wordt het mirakel
van 't zaad vervuld.

Wij mensen met ons gulzig hart,
wat is er aan ons te doen?
Wij persen uit alle getijen 't genot,
wij werden niet waardig
de zoom'ren van God.

Dat ook ons hart rusten kon
lijk 's winters de velden doen.
Wij zouden verstild, voor 't wonder bereid
de liefde erkennen
als God nader schrijdt.

Alice Nahon

Luchtspiegeling

 

Midden in deze woestenij
van zon, stenen en droog gewas
zie ik opeens mijn eigen land
- onaangetast door deze brand:
bleek water, mist over een wei.
zie ik hoe koel en zacht dat was.

 

IJl als de dunne, dode maan,
die overdag is blijven staan,
maar meer dan herinneringen,
begeerlijker dan enig ding
zie ik verre water blinken
trachten mijn ogen het te drinken.

 

Maria Vasalis,
uit Parken en Woestijnen.

  Er zijn ziekten erger dan ziekten,
Er zijn pijnen die geen pijn doen, zelfs niet in de ziel,
Maar pijnlijker dan alle andere.
Er zijn gedroomde angsten, werk'lijker
Dan die welke het leven met zich brengt, er zijn gevoelens
Die men voelt alleen door ze te denken
En die meer de onze zijn dan 't leven zelf.
Er zijn zo vele dingen die, zonder bestaan,
Bestaan, die tergend traag bestaan
En tergend traag de onze zijn, de onze en onszelf...
Boven het troebel groen van de brede rivier
De witte circumflexen van de meeuwen...
Boven de ziel de nutteloze wiekslag
Van wat niet was, ook niet kon zijn, en alles is.
Geef mij nog wat wijn, want het leven is niets.

Fernando Pessoa 
vertaling August Willemsen

Het lied van Mustafa

Het huis waar ik woon, heeft wel erg dunne muren
en we wonen te dicht op een kluit.
Dus een klein beetje herrie geeft ruzie met buren
en zo'n ruzie maakt ook weer geluid.

Men wil in dit land dat we heel anders leven,
ook al zijn we hier soms maar kort.
Maar mijn oom in Marokko heeft laatst nog geschreven
dat ik te veel Nederlands word.

Ik zal deze buurt op de duur wel verlaten,
alhoewel ik er toch wel van hou.
Maar ik wil wel eens hard kunnen zingen en praten
en ik wil wel eens weg uit de kou.

Er is een land waar ze niet meteen vloeken,
er is een land waar ik dikwijls van droom.
Daar zal ik zelf wel een meisje gaan zoeken,
tot verdriet van mijn vader en oom.

Willem Wilmink
uit: We zien wel wat het wordt


 

Vreemd, dat boom en tak zoo stil staan
In het gouden licht vandaag,
Dat de bladertjes zoo stil gaan,
't Een na 't ander, naar omlaag.

Dat het zonlicht zoo voorzichtig
Door de ijlheid straalt van 't lof,
En het groene blad doorzichtig
En veel eed'ler maakt van stof,

Dat het windje in de twijgen
Zoo behoedzaam gaat te werk
En alleen wat blaadjes zijgen
Doet op 't pad en 't bloemenperk,

Zonder 't wazig diep te raken
Waar de groene schemer blauwt,
Of den goudglans schuw te maken
In het ijlbebladerd hout,

Of te roeren aan den vijver,
Waar zeer statiglijk en traag
Twee voorname zwanen drijven
Met hun spiegelbeeld omlaag,

En wat late najaarsrozen,
Als bewasemend amethist,
Al den weemoed van hun broze
Schoonheid heffen in den mist.

Jacqueline E. van der Waals
uit: Laatste verzen 1923


 

 

Verdrietig kind, verdrietig gedicht

Ik ben de herfst.
Ik ben de regen.
Ik ben de storm.

Zoek mij maar op,
ik sta in alle gedichten.

Houd mij maar vast,
ik heb het koud en ik ben moe,
en nog zoveel bladeren aan de bomen,
nog zoveel bladeren overal.

Toon Tellegen
uit: Daar zijn geen woorden voor

 

 

Tijd

 

Ik droomde, dat ik langzaam leefde ....
langzamer dan de oudste steen.
Het was verschrikkelijk: om mij heen
schoot alles op, schokte of beefde,
wat stil lijkt. 'k Zag de drang waarmee
de bomen zich uit de aarde wrongen
terwijl ze hees en hortend zongen;
terwijl de jaargetijden vlogen
verkleurende als regenbogen .....
Ik zag de tremor van de zee,
zijn zwellen en weer haastig slinken,
zoals een grote keel kan drinken.
En dag en nacht van korte duur
vlammen en doven: flakkrend vuur.
- De wanhoop en welsprekendheid
in de gebaren van de dingen,
die anders star zijn, en hun dringen,
hun ademloze, wrede strijd ....
Hoe kn ik dat niet eerder weten,
niet beter zien in vroeger tijd ?
Hoe moet ik het weer ooit vergeten ?

 

Maria Vasalis,
uit Parken en Woestijnen.




 De Herfst

De Herfst blaast op den horen,
en 't wierookt in het hout;
de vruchten gloren.
De stilten weven gobelijnen
van gouddraad over 't woud,
met reen, die verbaasd verschijnen
uit varens en frambozenhout,
en sierlijk weer verdwijnen...
De schoonheid droomt van boom tot boom,
doch alle schoonheid zal verdwijnen,
want alle schoonheid is slechts droom,
maar Gij zijt d' Eeuwigheid!
Heb dank dat Gij mijn weemoed wijdt
en zegen ook zijn vruchten.
Een ganzendriehoek in de luchten;
nu komt de wintertijd.
Ik hoor U door mijn hart en door de rieten zuchten.
Ik ben bereid.

Felix Timmermans


Uit uw hemel zonder grenzen     

Uit uw hemel zonder grenzen
komt Gij tastend aan het licht
met een naam en een gezicht
even weerloos als wij mensen.

Als een kind zijt Gij gekomen
als een schaduw die verblindt
onnaspeurbaar als de wind
die voorbijgaat in de bomen.

Als een vuur zijt Gij verschenen
als een ster gaat Gij ons voor
in den vreemde wijst uw spoor
in de dood zijt Gij verdwenen.

Als een bron zijt Gij begraven
als een mens in de woestijn.
Zal er ooit een ander zijn
ooit nog vrede hier op aarde?

Als een woord zijt Gij gegeven
als een nacht van hoop en vrees
als een pijn die ons geneest
als een nieuw begin van leven.

Huub Oosterhuis
 

Weggaan

Weggaan is iets anders
dan het huis uit sluipen
zacht de deur dichttrekken
achter je bestaan en niet
terugkeren.
Je blijft iemand op wie wordt
gewacht

Weggaan kun je beschrijven
als een soort van blijven
niemand
wacht want je bent er nog
Niemand neemt afscheid
want je gaat niet weg

Rutger Kopland
met dank aan 'daatjuh'

Ik kijk en het is alsof ik mijn lichaam verlaat
als je ziet dat alles is zoals het is
meer niet - je lichaam wordt een verlaten plek
het landschap met de rivier doortrekt me
en laat me achter, zonder een gevoel, zonder
een gedachte - het laat me weten
hoe overbodig ik ben
ik zit hier, zie dit en vergeet dit, hetzelfde moment
ik ben alleen en niemand weet waar ik ben
en wat ik zie, ook ikzelf niet

Rutger Kopland


de bijeenkomst van Farmcoop

We verzamelen

en brengen onze dromen mee.

 

Dromen die we weven in de vezels van ons gebeente

hopend dat ze sterk genoeg zijn

om ze door te geven aan onze kinderen, zelfs in de dagen dat we hongerig ontwaken.

Zelfs in de dagen dat we onderweg twijfelen

aan onszelf.

 

We verzamelen

en brengen onze dromen mee.

 

De dromen die ons heilig zijn,

die we bewaren in de

tempel van onze ziel omdat ze betekenis geven aan woorden als gerechtigheid gelijkwaardigheid vrijheid

duurzaamheid gemeenschap

familie

liefde.

Uit onze dromen wordt de moed geboren die de aarde beweegt in onszelf

die ons uitdaagt

 om hen te trotseren

die ons en onze kinderen willen bedreigen

 

met hun dwang­maatregelen en blokkades hun pesticiden hun geld

en kogels

 

die de aarde scheuren tot ze bloedt rivieren, bruin als onze huid.

 

Maar het land roffelt leven,

zo luid als de trom roffel van ons hart,

en roept onze dromen.

 

De dromen die ons heilig zijn,

die we kerven in de tempel van onze zie1.

 

De dromen die we weven in de vezels van ons gebeente,

wetend

dat ze sterk genoeg zijn om ze door te geven aan onze kinderen

en de kinderen van onze kinderen.

 

We dromen

omdat het land leven roffelt

zo luid als de tromroffel van ons hart.

En in onze dromen zijn we verenigd

en sterk

zoals

nu.

 

Bovenstaand gedicht is van de hand van Kahlil Apuzen Ito

Farmcoop (The Founda­tion for Agrarian Reform Cooperatives in Minda­nao)

is een partner van Broederlijk Delen in de Filippijnen.

De organi­satie begeleidt boeren­groepen die via duurzame landbouw werken

aan een beter leven voor henzelf en de ruimere gemeenschap.


Een wereld is ieder mens, bevolkt

door blinde schepselen in duister oproer

tegen het ik, de koning die over hen heerst.

In elke ziel zijn duizend zielen gevangen,

in elke wereld houden duizend werelden zich schuil

en deze blinde, deze duistere werelden

zijn echt en levend, hoewel onvoldragen,

zo waar als ook ik werkelijk ben. En wij koningen

en vorsten van de duizend mogelijke in ons

zijn zelf onderdanen, zelf gevangen

in een groter schepsel, wiens ik en wezen

wij evenmin begrijpen als onze meerdere

zijn meerdere. Hun dood en liefde

slaan in ons gemoed een toon aan.

 

Als wanneer een enorme stoomboot voorbijvaart

in de verte, onder de horizon, die ligt te glanzen

in de avond En wij weten niet dat hij er is

niet voordat een boeggolf ons op het strand bereikt,

eerst dan, dan nog een en nog veel meer,

ze slaan en bruisen totdat alles weer geworden is

zoals het was. En toch is alles anders.

 

Zo grijpt een vreemde onrust ons, ons schaduwen

wanneer iets ons zegt dat schepselen hebben gereisd

dat enkele van de mogelijke zijn bevrijd.

 

(Gunnar Ekelhf)

Uit: Het zesde Zintuig Marianne Fredriksson

 

Daarom weet ik

daarom weet Ik gelukkig
te moeten zijn :
omdat ik
niets kan aanrichten
in een wereld
rondom mij,
als mijn aanwezigheid niet tot voorbeeld strekt,
als uit mij
niet de liefde
voor iedereen
spreekt.

ik moet nog zoveel leren en Ik durf het,
omdat ik zo serieus ben
als de duif
die de hele dag
in de boom voor mijn huis In haar nest zit.

tik ik even tegen het raam, kijkt ze op of om
even later broedt ze weer, zonder zich iets
van mij aan te trekken.
Ik broed niet,
ik zaai.
ook ik heb het
in een boom gevonden.
ik heb ervan geleerd.
het is onvoorstelbaar, 
het leeft in mij, 
in jou,
in iedereen.
niets gaat verloren.
Ik leef niet voor niets.

Simon Vinkenoog

Ik zie een man

Ik zie een man in battledress
 tussen de mensen lopen.
Ik zie er nog een... hopen...
dezelfde muts, dezelfde tres,
dezelfde bronzen knopen.

In Oslo, Londen, Amsterdam,
in Brussel, Kopenhagen,
zie ik dezelfde kragen,
zie ik dezelfde mannen stram,
dezelfde stengun dragen.

Wat onderscheidt hun hart, hun land,
wat groenen van de grauwen ?
Een reepje op de mouwen
met Norge, Belgi, Nederland
bij 't leeuwtje met de klauwen.

De man aan man gebattledressed
wie houdt het leger tegen?
Waar is het doel gelegen?
De vijand Oost, de vijand West
 marcheert op alle wegen.

Gelijkgeschakeld lijf aan lijf,
gelijk van broek en knopen,
 ik zie Europa lopen,
ik zie de mannen dood en stijf,
 ik zie de dood bij hopen.

Jan H. De Groot

De stilte

Min de stilte in uw wezen,
Zoekt de stilte die bezielt.
Zij die alle stilte vreezen
Hebben nooit hun hart gelezen
Hebben nooit geknield.

Draag uw kleine levenszegen
Naar het droomenlooze land,
Lijk de golve heur oogst bewegen.
Tot zij zacht breken tegen
Het doodstille strand.

Zie den boom de paden tooien
Rondom zijnen stillen voet,
Laat uw ziel zich zoo ontplooien
En haar bloemen om zich te strooien
Uit een vroom gemoed.

Leer u aan de stilte laven
Waar het leven u geleidt:
Zij is uwe veilge haven,
Want zij de groote gave
Van de eeuwigheid.

C.S. Adema van Scheltema
bron: Stilte en strijd
Uitgever: W. L. & J. Brusse Rotterdam

'k Zag steeds een bleke Christus

'k Zag steeds een bleke Christus, aan zijn kruis,
voor al de zonden van het mensdom lijden
en in 't gejoel van 't woedend volksgespuis,
nog stervend zijne beulen benedijden.

Maar 'k zie hem thans, door 't buldrend stormgedruis,
in volle luister op de watren schrijden,
de sjacheraar verjagen uit Gods huis,
de dode wekken en de slaaf bevrijden.

Hoe heerlijk daagt de grote Liefdegod,
vergeving zaaiend met zijn milde handen
en Liefde prijzend als het hoogst gebod.

'k Voel ze alverterend in mijn harte branden,
de lleliefde, die geen schepsel uitsluit, gn,
maar zie 't Heelal door Uwe blik alleen.


Uit de bundel: Verzen
Prosper van Langendonck, 1918

Waarheen, waarvoor

 

(Amazing Grace)

 

Waarheen leidt de weg die we moeten gaan?

Waarvoor zijn wij op aard'?

Wie weet wat er is achter ster en maan?

Hoe lang duurt nog de nacht?

 

Waar ligt het land waar we mogen zijn?

 En wat is de taak die ons wacht?

Waar is de geest die met ons leeft?

Die ons de vrede geeft?

 

Waar staat de poort die ons binnenlaat?

En die ons ook beschermt?

Hoeveel offers werden er gebracht?

Toch nog blijft het nacht.

 

Waar dan is het licht op ons duistere pad?

 De hand die ons geleidt?

En hoe lang, ja hoe lang nog duurt de tijd?

Dat wij zijn bevrijd?

 

Waarheen leidt de weg die wij moeten gaan?

Waarvoor zijn wij op aard'?

Wie weet wat er is achter ster en maan?

Hoe lang duurt nog de nacht?

 

Karel H. Hille

Grasspriet.


Je vraagt een gedicht
Ik schenk je een grasspriet.
Je zegt dat het niet genoeg is.
Je vraagt een gedicht.

Ik zeg dat deze grasspriet volstaat.
Hij heeft zich met rijm gekleed,
Hij is directer
Dan welk beeld ook van wat ik maak.

 Je zegt dat het geen gedicht is.
Het is een grasspriet en gras
is echt niet goed genoeg
Ik schenk je een grasspriet.

Je bent verontwaardigd.
Je zegt dat gras schenken
te gemakkelijk is. Het is absurd.
Iedereen kan een grasspriet schenken.

Je vraagt een gedicht.
En dus schrijf ik je een tragedie
over hoe het steeds moeilijker wordt
om een grasspriet te schenken.

En over hoe ouder je bent
Hoe moeilijker het wordt
Om een grasspriet te aanvaarden.

(Brian Patten)

  

Er zijn mensen die als ongelezen boeken
gesloten blijven,
die niets laten vermoeden van hun inhoud.

Er zijn mensen die als uitgelezen boeken
beduimeld en gekreukt zijn.
Die alles wat ze waren hebben prijsgegeven.

Er zijn mensen die als pas verschenen boeken
de aandacht trekken, die wachten op een blik
en een hand die hen ter hand neemt.

Er zijn mensen die als waardevolle boeken
steeds blijven boeien,
die een stuk van je eigen leven zijn geworden.

Er zijn mensen die als woordenboeken
veel woorden in de mond hebben
maar geen boodschap brengen en weinig inhoud hebben.

Er zijn mensen die als dichtbundels vol diepe gedachten
een leven laten vermoeden dat alles overstijgt
en toch iets van het kind hebben bewaard.

(Frans Weerts)


Het is een vreugde...

 

Het is een vreugde en een last

een afgetakeld lijf te dragen.

Wat vroeger wild en bloeiend was

is nu vermoeid en aangeslagen.

 

Het bloed gaat in een trage stroom,

de moegeworden schouders zakken.

Zo nijgt een volle appelboom

onder gewicht van eigen takken.

 

Gij jongelieden hebt geen weet

van tederheid en smart die maken

dat bomen met hun bladerkleed

eens nog de aarde willen raken.

 

(Vladislav Chodasevitsj)

Voorbijtrekkend landschap.

 

Men moet kunnen weggaan

En toch zijn als een boom:

alsof de wortel in de grond bleef,

alsof het landschap voorbijtrok en wij vaststonden.

 

Men moet de adem inhouden

tot de wind afneemt

en de vreemde lucht om ons heen begint te draaien,

tot het spel van licht en schaduw,

van groen en blauw,

de oude patronen toont

en wij thuis zijn,

waar het ook zij,

en kunnen gaan zitten en leunen,

alsof het tegen het graf

van onze moeder was.

 

Hilde Domin.

 

Ik zag een kruis, 't stond in het volle licht
en in het hart daarvan, een schoonheid voor het oog
een donkerrode roos, een wondermooi gezicht
en ik stond stil, niets aan me dat bewoog.

Dan wordt het weer aan mijn gezicht onttrokken
maar 't beeld dat blijft in mijn geheugen staan
in deze wereld vol met stukken en met brokken
leert het aan mij de weg die ik moet gaan.

En iedere dag opnieuw moet ik er steeds aan denken
het grijpt mij aan, ik raak 't niet meer kwijt
en 'k vraag mij af let ik wel op Uw wenken
dikwijls maak ik mezelf toch wel een groot verwijt.

Dat kruis heeft mij toch wel iets waar te zeggen
het leven geeft nu eenmaal heel veel smart
geef mij de kracht een roos bij 't kruis te leggen
opdat ik U kan dienen met liefde in mijn hart.

Wat zegt die roos mij midden op dat kruis
dat ik in 't diepste van mijn hart toch mag vertrouwen
dat alles wat men lijden moet wijst naar het vaderhuis
dit is een waarheid waarop ik kan bouwen.

Soms weet ik het niet meer, dan is het alles duister
geen lichtstraal kan ik meer bekennen op mijn pad
maar dan ontluikt de roos in volle luister
dan ben ik blij, de duisternis heeft dan op mij geen vat.

Dat kruis dat leert mij dat na ieder lijden
hoe zwaar het soms ook toe kan slaan
de roos in volle bloei kan bij het zien bevrijden
van al het leed op aarde ondergaan.

L. de Nooyer

Je kinderen zijn je kinderen niet.
Zij zijn de zonen en dochters van 's levens
hunkering naar zichzelf.
Zij komen door je, maar zijn niet van je,
en hoewel zij bij je zijn, behoren ze je niet toe.

Jij moogt hun geven van je liefde, maar niet van je
gedachten.
want zij hebben hun eigen gedachten,
Jij moogt hun lichamen huisvesten, maar niet hun
zielen,
want hun zielen toeven in het huis van morgen, dat
je niet bezoeken kunt, zelfs niet in je dromen.

Je moogt proberen hun gelijk te worden, maar
tracht hen niet aan je gelijk te maken.
Want het leven gaat niet terug, noch blijft het dralen
bij gisteren.

jullie bent de bogen, waarmee je kinderen als
levende pijlen worden weggeschoten.
De boogschutter ziet het doel op de weg van het
oneindige en hij buigt je met zijn kracht,opdat
zijn pijlen snel zullen vliegen.

Laat het gebogen worden door de hand van de
boogschutter een vreugde voor je zijn:
want zoals hij de vliegende pijl liefheeft, zo mint hij
ook de boog die standvastig is.


Uit: De profeet -
Kahlil Gibran

Indien ik je dragen kon
over de diepe grachten
van je gesukkel en je angsten heen,
dan droeg ik je,
uren en dagen lang.

Indien ik de woorden kende
om antwoord te geven op je duizend vragen
over leven, over jezelf,
over liefhebben en gelukkig worden,
dan praatte ik met je,
uren en dagen lang.

Indien ik vrede in je hart kon planten
door gelukkig te wachten en te hopen
tot het zaad van vrede in je openbrak,
dan wachtte ik,
uren en dagenlang.

Indien ik genezen kon
wat omgaat in je hart
aan onmacht, ontevredenheid
en onverwerkt verdriet,
dan bleef ik naast je staan,
uren en dagen lang.

Maar ik ben niet groter,
niet sterker dan jij
en ik weet niet alles
en ik kan niet zoveel,
ik ben maar een vriend op je weg,
al uren en dagen lang.

En ik kan alleen maar hopen
dat je dit weet:
je hoeft nooit alleen te vechten of te huilen
als je een vriend hebt
voor uren en dagen lang.

(Marcel Weemaes)

Gedichten die me aanspreken II

Top 100 NL