Sommige van deze teksten zijn beveiligd met een wachtwoord. De inloggegevens kunnen aangevraagd worden via email
Een auteur die me al sinds mijn studententijd heel erg wist te boeien is Frederik van Eeden. Ik las toen zijn boek: De Kleine Johannes, en was meteen gevangen in de sprookjesachtige sfeer van Johannes en Windekind. Ik genoot mee met hen van de wonderlijke natuur, ik leed mee onder het verdriet dat Johannes voelde toen hij Windekind verloor. Ik volgde geboeid zijn groei naar volwassenheid.
Intussen heb ik ontdekt dat Frederik van Eeden veel meer schreef dan De Kleine Johannes, en mijn bewondering is alleen maar groter geworden naarmate ik meer boeken van hem in handen kreeg.
Eén van zijn meest bekende gedichten is zeker wel:
De Waterlelie.
Ik heb de witte water-lelie lief, daar die zo blank is en zo stil haar kroon uitplooit in 't licht.
Rijzend uit donker-koelen vijvergrond, heeft zij het licht gevonden en ontsloot toen blij het gouden hart.
Nu rust zij peinzend op het watervlak en wenst niet meer...
Guido Joost van Suchtelen
zoon van Nico van Suchtelen, vriend en medewerker van Free.
Naarden, 06 december 1920-Amsterdam 21 juli 2006
Zijn hartelijkheid, eruditie en jarenlange inzet voor het Frederik van Eeden Genootschap zijn onvergetelijk. Wij zullen hem erg missen.
Namens het bestuur, Francisca van Vloten
foto: december 2003 - in gesprek met Francine op een bijeenkomst van het genootschap in Amsterdam
01. Biografie
Eeden, Frederik Willem van Nederlands dichter, toneelschrijver, romanschrijver en essayist (Haarlem 3.4.1860-Bussum 16.6.1932). Afkomstig uit een gezin met grote belangstelling voor wetenschap en kunst; zijn vader, eveneens Frederik Willem geheten (1829-1901), was een bekend botanicus en publicist; diens filosofische belangstelling bracht hem tot het schrijven van brieven aan Schopenhauer en aan de toen in Nederland onbekende Nietzsche. De zoon, opgegroeid juist buiten de destijds nog kleine, besloten stad, ging in 1878 medicijnen studeren aan de universiteit van Amsterdam. De exact-wetenschappelijke denkwijze en de ervaringen op de snijkamer hebben zijn gevoelige natuur diep geschokt. Aan het studentenleven nam hij met enige kritiek en veel succes deel; in oktober 1882 werd hij praeses van het corps. Aan de studentenalmanak had hij toen al enkele bijdragen geleverd.
Debuteerde in het maandblad Nederland (1882) en het weekblad De Nederlandsche Spectator (1883). In de literaire club Flanor maakte hij kennis met versch. Amsterdamse jongeren. Zijn belangstelling op uiteenlopend gebied, zijn slagvaardigheid en zijn gaven als organisator en spreker maakten hem tot meer dan schrijver van een aardig blijspel zoals Het sonnet (1883) en Het poortje, of De duivel in Kruimelburg (1884). Mede aangemoedigd door zijn eerste successen, stichtte hij in 1885 met Kloos, Verwey, Van der Goes en Paap het tweemaandelijks orgaan De Nieuwe Gids. De eerste aflevering, oktober 1885, werd geopend met De kleine Johannes, ten dele geïnspireerd door Multatuli's Woutertje Pieterse, maar grotendeels een in sprookjesvorm verhulde autobiografie; het is Van Eedens meestgelezen boek gebleven en heeft door versch. vertalingen zijn naam ook in het buitenland bekend gemaakt. Van Eeden schreef dit symbolische verhaal in de laatste jaren van zijn studietijd te Amsterdam; het ontstond uit verlangen naar zijn jeugd in de duinstreek nabij Haarlem. In de ontmoeting met de elf Windekind is de verbeelding aangeduid; in de avonturen, die Johannes dank zij Windekind beleeft, vindt men zowel de jeugdliefdes als de religieuze onzekerheden van de jonge Van Eeden weerspiegeld. Bij de Nieuwe-Gidsers, die overigens veel waardering voor dit verhaal hadden, bestond tegen de religieus-ethische slotwending bezwaar.
Aan de strijd tegen de retoriek van stichtelijke en vaderlandslievende dichters zoals Ten Kate nam hij deel door zijn parodistische bundel Grassprietjes (1885). Nadat hij in 1886 was gepromoveerd, vestigde hij zich als arts in Bussum.
Na De kleine Johannes werkte Van Eeden vooral aan De Nieuwe Gids mee met essays over literaire en psychologische onderwerpen. Mede onder invloed van Tolstoj en Thoreau nam zijn sociale belangstelling sterk toe; bij Marx miste hij de religieus-ethische factor, die voor hemzelf zo belangrijk was. Toen het sociale vraagstuk door artikelen van Tak en Van der Goes ter sprake kwam, nam Van Eeden een eigen positie in. Vooral de botsing met Kloos in de Lieven-Nijlandzaak (De Nieuwe Gids febr. 1892) heeft kwalijke kanten van mystificatie en rancune. Na de breuk in de Nieuwe-Gidsredactie (okt. 1893) vervreemdde hij snel van zijn vroegere vrienden. Toch is deze tijd literair zeer belangrijk: in 1894 verscheen het drama-in-verzen De broeders, in 1897 het romantisch-historiserende drama van liefde en trouw Lioba, en in 1900 de voortreffelijke psychologische roman Van de koele meren des doods. In dit boek is Van Eeden het meest objectief te werk gegaan. Evenals Eline Vere van Couperus en Mathilde uit Van Deyssels roman Een liefde, is ook Hedwig Marga de Fontayne een pathologische vrouw van goede afkomst, erfelijk belast en zwaarmoedig.
Het trieste verhaal in sobere stijl heeft de tijdgenoten-critici niet overtuigd. Daarentegen heeft Albert Verwey gemeend dat Van Eeden, indien de auteur van dit werk onbekend ware, zou worden aangeduid als `de meester van de Koele Meren'.
Ofschoon Van Eeden als psychiater uiterst belangrijke arbeid verrichtte, besloot hij zich geheel te wijden aan letterkundig en maatschappelijk werk. Op het terrein van een groot landgoed te Bussum begon hij de idealistische kolonie Walden. Afkeer van de stad en terugkeer tot de tuinbouw kenmerken dit experiment dat ondanks bespotting een datum betekent in de ontwikkeling van het Nederlandse socialisme en dat aandacht en navolging heeft gevonden tot in Noord-Amerika. Hoe groot de spanningen soms zijn geweest, toch is Walden te gronde gegaan door een oorzaak van buiten af. Na de mislukte spoorwegstaking (1903) stichtte Van Eeden terwille van de ontslagen stakers een verbruikscoöperatie; toen deze door onoordeelkundig beheer failliet ging, verloor Van Eeden zijn particuliere bezit dat mede als grondslag had gediend voor Walden; de kolonie werd in oktober 1907 ontbonden. Het belangrijkste werk uit deze periode is De kleine Johannes II en III (1905, 1906), ironisch van toon en niet vrij van effectbejag, maar zowel in literair als in sociaal opzicht karakteristiek.
De ervaringen brachten Van Eeden tot wijziging van zijn maatschappelijk inzicht, met behoud van zijn principiële kritiek en zijn ethisch standpunt. Teruggrijpend op humanisten als Erasmus en Thomas More, wilde hij een internationale vriendenkring oprichten, waarvan de leden krachtens hun persoonlijk gezag invloed zouden oefenen op de politieke en economische machthebbers. Door zijn internationale contacten, o.a. met schrijvers als Upton Sinclair in Amerika, Romain Rolland in Frankrijk en de psycholoog Sigmund Freud in Oostenrijk, kon Van Eeden een centrale figuur zijn in deze vorm van sociale actie, waartoe vooral Duitse intellectuelen zoals Walther Rathenau, Gustav Landauer en Martin Buber zich aangetrokken hebben gevoeld, maar die door wo i tot mislukking werd gedoemd. Hoewel Van Eeden deze jaren tot de vruchtbaarste van zijn leven gerekend heeft, bereikte zijn werk met toneelstukken als Minnestral (1907) en IJsbrand (1908) en met dichtwerken als Dante en Beatrice (1908) en Het Lied van schijn en wezen II (1910) zelden meer het niveau van de periode 1894-1900.
Wo I en de revolutionaire jaren daarna zijn voor Van Eeden een tijd van nieuwe en teleurstellende pogingen, en ook van zelfkritiek geweest. Zijn redacteurschap van De Groene Amsterdammer werd geen succes. Ook persoonlijke ervaringen stimuleerden hem tot innerlijke hernieuwing. Sedert het sterven van zijn zoon Paul (Pauls ontwaken, 1913) liet het doodsprobleem hem niet meer los. Van een min of meer spiritistische opvatting wendde hij zich langzaam naar een typisch-christelijke visie en tenslotte naar het katholicisme, dat hij met veel voorbehoud in 1922 openlijk aanvaardde. Aangetast door een geestesziekte beleefde Van Eeden een reeks van tragische ouderdomsjaren; de bescheiden huldiging toen hij 70 werd, betrof een geesteszwak man in de schaduw van de dood. In het Liber Amicorum (1930) wekken vooral enkele bijdragen van buitenlanders de indruk van een onvervangbare en onvergankelijke grootheid, die Van Eeden zelf zich wellicht te zeer, maar die het merendeel van zijn tijd- en landgenoten zich stellig te weinig bewust is geweest.
[G. Stuiveling]
Bron:De Stichting Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren
02. Bibliografie.
Poëzie.
Grassprietjes of Liederen op het gebied van Deugd, Godsvrucht en Vaderland (1885) Ellen, een lied van de smart (1891) Het lied van schijn en wezen (1895) Enkele verzen (1898) Van de passielooze lelie (1901) Dante en Beatrice en andere verzen (1908) Het lied van schijn en wezen II (1910) Aan mijn engelbewaarder (1922) Het lied van schijn en wezen III (1922) Jeugd-verzen (1926) Het krabbetje en de gerechtigheid (vouwblad, 1959) Gedachten (vouwblad, 1969)
Proza
Het rijk der wijzen (1882) De kleine Johannes (1887) Johannes Viator (1892) Van de koele meren des doods (1900) vervolg (De kleine Johannes) (1905) vervolg (De kleine Johannes) (1906) De nachtbruid (1909) Sirius en Siderius 3 delen) (1912-1924) Paul's ontwaken (1913) Jezus' leer en verborgen leven (1919) Het roode lampje (2 delen) (1921) Het Godshuisi n de lichtstad (1921) Uit Jezus' oopenbaar leeven (1922) Dromenboek (door D. Schlüter) (1979)
Dagboeken
Mijn dagboek I-IV (1931) Mijn dagboek V-VI (1933) Mijn dagboek VII-VIII (1934) Mijn dagboek IX (1946) Dagboek 1878-1923 (door H.W. van Tricht) (4 delen) (1971-1973) Walden in droom en daad (door J.S. de Ley en B. Luger geannoteerd Walden-dagboek) (1981)
Toneel
De paddestoel of De gevaarlijke hartstocht. Blijspel in twee bedrijven (1882) Frans Hals (1884) Het sonnet (1884) Het poortje of De Duivel in Kruimelburg (1884) De student thuis (1886) Don Torribo (1890) De broeders (1894) Lioba (1896) Minnestral (1907) Ysbrand (1908) De broederveete (heruitgave van 'De broeders') (1912) De heks van Haarlem (1915)
Brieven
Brieven van Frederik van Eeden. Fragmenten eener briefwisseling uit de jaren 1889-1899 (1907) Brieven van Frederik van Eeden aan Henri Borel (1933) De briefwisseling tussen F. van Eeden en Lod. van Deyssel (door H.G.M. Prick en H.W. van Tricht) (1964) J.A. Dèr Mouw, Brieven aan Frederik van Eeden (ingeleid door Harry G.M. Prick) (1971) Op 26 juni 1984 werden in Amsterdam 101 brieven van Van Eeden aan zijn oudste zoon Hans geveild.
Essays.
Kunstmatige voeding bij tuberculose (proefschrift) (08-07-1886) Waarvan leven wij? (lezing) (1898) Studies (4 reeksen: 1899,1894,1897,1904 - gebundeld in 2 delen) Waarvoor werkt gij? Toespraak tot de werkenden (1903) De blijde wereld. Reden over mensch en maatschappij (1903) Over woordkunst (1903) Welt-Eroberung durch Heldenliebe (1911) Happy humanity (1912) Langs den weg (1925) Redekunstige grondslag van verstandhouding (1975)
Mijn oogen branden Met felle randen….. De klokken luien, luien mij uit. Mijn klamme handen Betasten de wanden….. Wat toch dat luien in Gods-naam beduidt…..
O, om een slag, Die op eens mij sloeg! O, om een dag, Dien ik niet meer verdroeg!
Warende waduwen walmen mij om….
Dwalende schaduwen staren daar stom…
de klokken luien mij uit…..
Heffende handen rekken gestrekt, Vragende vormen worden gewekt…. O, wat dat luien, dat luien beduidt…. De klokken luien, luien mij uit.
bron: Bloemlezing uit de Nederlandsche letteren door dr. E .Rijpma Uitgever: J.B. Wolters
Stemming.
De wind waait hoog en kent de mensen niet! Hoog wil ik stijgen in de Noordenwind, Boven 't gerucht van stemmen - boven 't licht Der volle straten en de druk der mensen.
Ik wil ééns vrij zijn, ééns oneindig vrij - Dat er geen liefde en lachen voor mij is, Geen zachtheid en geen weemoed en geen lust. 'k Wil eenzaam stijgen met de Noordenwind,
Die in de kille nacht gestadig waait, Groot en onwetend. Stijgend zal ik neerzien, Met koude blik en onbewogen mond, Op wat voor eeuwig wegzinkt onder mij.
En als de passies, die 'k heb liefgehad, Zich aan mijn kleed'ren hechten en 't gezicht Met schreien heffen en mij angstig vragen Hen niet alleen te laten in de nacht....
Dan zal ik zwijgend hun gekromde handen Losmaken van mijn kleed, - en als zij vallen, Zal ik niet sidd'ren bij de doffe slag; Maar zingend rijzen in de koude nacht! -
De Lente.
Reeds is het statig eiber-paar gekomen 't geduldig rijs wringt stil de knoppen los, de zoele lente luwt door 't zonnig bos en wiegt mijn geest in weemoeds-zoete dromen.
Violengeur stijgt op uit vochtig mos, een bronzen gloed verjongt de dorre bomen, en primula's en dotterbloemen zomen de groene wei met gouden voorjaarsdos.
Wat heb ik, milde! naar uw komst gesmacht! wat scheen uw toeven lang! -- is 't niet mijn leven dat door uw donzen adem wordt gewekt?
Eens zult ge niet meer keren, als ge trekt, des weerziens zaligheid mij niet meer geven en grimmig grijnst dan d'eindeloze nacht.
EEN LIED VAN DE SMART.
Nu mocht ik liever hier vandaan En slapen gaan, en slapen gaan Bij mijnen lieven Heere- Het leven wordt toch waar ik toef, Naar mijn behoef wel veel te droef
Dan dat ik 't meer begeere.
Doch wordt mij lacy! niet gevraagd Of 't mij behaagt, of 't mij behaagt In zoo groot leed te leeven. En schoon 't geplaagde hart al niet Van zulk verdriet de reeden ziet, Toch moet ik verder streeven.
Maar wie zal keeren 't droef gemoed, Dat schreien doet, dat schreien doet Om eindelijk erbarmen, Of toch de goede Herder kwam En 't arme lam nu meedenam In zijn vertrouw'lijke armen?
Frederik van Eeden
Gedachten.
*Wanneer arbeid en rijkdom op deze aarde naar behooren verdeeld waren, behoefde niemand gebrek te lijden.
* Niet kapitaal en rente afschaffen,zooals de dwepers willen, want de maatschappij heeft ze noodig,maar er wijs, rechtvaardigen eerlijk mede handelen.
*Woorden zijn maar wegwijzers. Muziek en verzen zijn de dingen, die door hun plotseling hoog oprijzen,als vuurpijlen in een laaggedachte donkere lucht,de oneindig verre geheimenissen doen begrijpen,waaraan het twijfelen ons zo beklemde.
Uit: de sonnettencyclus Dante en Beatrice
Gij werdt gebannen uit uw vaderstad,
Gij moest het bittre brood der deernis eten,
En kondt Firenze's heuv'len niet vergeten,
Wat hulde en glans de vreemde voor u had,
en nimmer heeft één, zoals gij, geweten,
hoe scherpe weemoed geeft, op 't lijdenspad,
herdenken van verloren vreugde-schat,
van vroeger banden, eens voor àl gereten.
Maar wee mij! wat is mij? ik ga in 't land,
mij boven allen dierbaar en gemeenzaam,
waar 'k jong was, ga ik aan der liefste hand,
en voel mij toch gebannen, arm en eenzaam!
Wie dreef mij uit? mijn held, wat was mijn schuld?
Maskers en Mensen. (Jozef Rulof/Frederik van Eeden)
(Deel I, II en III in één band) 963 pag. geb.,4e druk 1998 ISBN 90.70554.27.5
Inhoud
Deze machtige roman in drie delen neemt een heel eigen plaats in in de reeks boeken die Jozef Rulof mediamiek ontvangen heeft. Deze trilogie gaat niet over 'iets' maar over 'alles'. Hij bevat een compilatie van thema's uit alle andere boeken van de reeks en vervlecht die in een rijke mix van drama en geestelijke kennis. Voor een goed begrip van het boek is het raadzaam eerst de meeste andere boeken van de reeks te lezen.
'Maskers en Mensen' is geschreven door Frederik van Eeden, een Nederlandse schrijver uit het begin van de twintigste eeuw. Toen Frederik na zijn dood zijn geestelijke ogen opensloeg, zag en voelde hij dat hij met zijn aardse boeken de geestelijke realiteiten niet had vertolkt. Onuitspreekbaar was zijn geluk toen hij door het mediumschap van Jozef Rulof in staat werd gesteld zijn schrijverstalent te benutten voor het schrijven van deze geestelijk wetenschappelijke trilogie.
In 'Maskers en Mensen' analyseert hij de maskers waar wij ons als mensen voor geplaatst zien. Hij legt alle grote levensvragen neer, en kijkt welke antwoorden de mens op aarde voor zichzelf verzonnen heeft. Dan gaat hij onbevooroordeeld in op die antwoorden, en laat zien dat ze slechts een oppervlakkige verklaring vormen van mensen die denken iets te weten. Al die antwoorden zijn maskers, waarachter de mens op aarde niet kan kijken omdat hij niet boven zijn aardse realiteit uit komt.
Om achter de maskers te kijken moeten we eerst leren denken. De mens denkt dat hij kan denken, maar meestal is dat slechts een leeg gepraat, het nakauwen van wat anderen al gedacht hebben. Echt denken vraagt een veel grotere inspanning en voorzichtigheid. In deze trilogie laat Frederik ons zien hoe we écht kunnen denken. Hij leert ons een gedachte te onderzoeken en te kijken waar die gedachte vandaan komt. Waar en wanneer die gedachte geboren is. Waarom we die gedachte wel of niet kunnen geloven, of voor waarheid aannemen. Frederik raadt ons aan al onze 'zekere' waarheden eerst overboord te gooien, en dan te gaan kijken wat het leven zelf ons te zeggen heeft. Hij volgt in dit boek meerdere zwangerschappen, geboorten, het opgroeien van een geestesziek kind: natuurlijke gebeurtenissen die een universiteit aan kennis in zich dragen voor diegenen die achter de maskers leren kijken.
'Maskers en Mensen' is geschreven als een geestelijke roman. Elk personage van het meeslepende verhaal staat symbool voor bepaalde eigenschappen van de menselijke persoonlijkheid. Het verhaal kent verschillende lagen van betekenisgeving. De lezer die snel wil weten wat de schrijver wil zeggen komt bedrogen uit, want de trilogie is zorgvuldig opgebouwd in spiraalsgewijze onthullingen. De schrijver vraagt aan de lezer veel tijd en geduld, noodzakelijke factoren om tot het eigen voelen en denken te komen, los van de 'gevestigde waarden'. De roman voert ons in een veelheid van reële levenssituaties, waarin de grote levensvragen vanzelf om een antwoord vragen. De personages brengen de visies in van de wetenschappen, de religies, en het maatschappelijk denken. Frederik nodigt de lezer uit om alle visies te onderzoeken, en die te vergelijken met het eigen oorspronkelijke voelen om zo tot 'kennis' te komen.
De hoofdpersoon van het verhaal formuleert het als volgt: 'Ik wil voorzichtig de bewijzen aandragen, steen voor steen mijn universiteit bouwen. Ik leg de ene laag na de andere op het fundament, en je zult het zien, zo kom ik er!'
05. Citaten uit de dagboeken van Frederik van Eeden.
maandag 12 mei 1879 Geschreven nadat zijn jeugdliefde, Henriette, de banden met Frederik verbrak omwille van een geloofskwestie.
Wat is het leeg en eenzaam in mijn hart Hoe schijnt de groene lente mij zo kil Zoo kleurloos toe. En ik die nog voor kort Zoo kon verlangen naar het jonge groen En naar seringengeur en zonneschijn Ik denk er niet meer aan, het is mij vreemd.
't Is of 't gevoel in mij is uitgedoofd, Neen toch, somtijds gevoel ik nog, maar dan Dan komen ook de tranen in mijn oog Dan komt het oude, zalige gevoel Van lente en van liefde weer terug En treft mij als een zoete melodie Die mij herinnert aan vervlogen tijd.
Dan voel ik lust om, snikkend als een kind Mij neer te werpen op het zachte mos Dat eens aan haar tot rustplaats heeft gestrekt. Dan voel ik weer hoe schoon de lente was Toen ik die aan haar zij genieten kon En dubbel eenzaam schijnt mij alles dan Als ik die lieve ogen niet meer zie Die mij meer waren dan het licht der zon.
Wat is het ledig hier, hier in mijn hart. Zou dat zo blijven, heel mijn leven door? Zal nimmer, nimmer meer...? wat bonst mijn hoofd 't Klopt: Henri ! Henri ! Henri ! altijd door Stond het slechts stil, brengt toch niet iedere slag Mij verder nog van Henri en met haar Van alle licht en liefde - O mijn God Zal ik niet sterven zonder haar?
Maar stil ! ik wil niet weenen als een kind Al ben ik jong en treft de smart mij vroeg 'k Wil toch met kracht haar dragen, als een man Het zal mij sterken in den levensstrijd.
Er wandelde eens iemand in de tuin des levens. Het was schoon en heerlijk waar hij wandelde, de bloemen geurden en de Zonnestralen vielen door het donkere loover. Velen wandelden met hem, maar weinigen zagen de zon en roken de bloemen. En toen hij doorwandelde en genoot en zich verwonderde over de velen die niet genieten konden, zag hij vele schoone bloemen, maar hij wilde ze niet plukken. "ik kom hier alleen om te aanschouwen", dacht hij. Maar op een liefelijk, stille plek waar weinigen hem vergezelden, daar zag hij een bloem, schitterend in het warme zonnelicht, schooner dan eenig ander. Eenzaam preikte zij als de vorstin onder de bloemen, heerlijke geuren reezen uit den rooden kelk en zij lachte hem toe met onweerstaanbare verleiding. Hij vergat alles wat om hem was, zijn voornemens en zichzelf en strekte in verrukking zijn handen uit naar de teedere, donzige bladeren. "Die bloem ! die bloem, dat is het leven, dat is mijn doel, mijn alles ! Er kan niets heerlijker, niets schooner zijn in het groote heelal. Ik wil haar altoos zien, die frissche geuren inademen, die zachte bladeren kussen. O, ik zal sterven zonder die bloem!" En duizendmaal sterker lokte zij hem aan. Het was alsof zij voor hem slechts daar bloeide en voor hem haar pracht ten toon spreidde. Maar toen hij haar aanraakte, sloot zij zich. Toen drukte hij in vervoering den stengel aan zijn borst en de knop aan zijn lippen. Dat zij zich toch weder opende! Doch de doornen wondden hem, zoodat de roode bloeddroppels op den grond vielen; en de bloem opende zich niet, maar verwelkte en boog zich op den geknakten stengel. Toen weende hij lang en droevig. - Die bloem heette "liefde" en die iemand...ligt daar nog te weenen en drukt nog in wanhoop de dorre, gedoornde stengel aan zijn hart.
Ik heb gedacht over de noodzaak om de eigenliefde te streelen van degene tot wie men spreekt als men goed verstaan wil worden. Het is duidelijk dat dit zeer effectief is. De toegesprokene voelt zich daardoor sterker en gelukkiger en is dan beter geneigd en geschikt tot begrijpen. Ik bedoel niet opzettelijke vleierij, die zou natuurlijk een verstandig man hinderen en 't tegendeel bereiken, bovendien onwaar en incorrect zijn. Maar heel iets anders en noodig en goed is het, als men verstaan wil worden, te doen uitkomen dat de hoorder goede kwaliteiten heeft en dat men die erkent. Dit is de essens der beleefdheid, urbaniteit. Weinigen staan zoo vast en zijn zoo hoog dat zij altijd gelijkmatig bewust zijn van hun eigen goedheid, en daarbij ook gelooven in de erkenning van die goedheid door anderen. Toch is die erkenning en dat geloof noodig voor die vaste liefdevolle gezindheid waarin men alleen elkaar begrijpt. In een betoog op tactvolle wijze dat geloof en die erkenning op te wekken, door eraan te herinneren, is noch leelijk, noch onoprecht, noch ook een concessie aan onze zwakheid. Het is een zuivere weg.
21 april 1921.
Door Frederik vertaald uit het franse boekje: 'Les Saints' par St Jean de la Croix.
1. Wilt ge alles genieten, zoo heb in geen ding genot. 2. Wilt ge alles weeten, wensch niets te wenschen. 3. Wilt ge alles bezitten, zoo wensch niets te bezitten. 4. Wilt ge alles zijn, wil dan niets zijn in alle dingen. 5. Om te koomen tot wat ge niet proeven kunt, moet ge door datgeene heengaan wat onaangenaam proeft. 6. Om te koomen tot wat ge niet weet, moet ge door het onbekende heen gaan. 7. Om te worden wat ge niet zijt, moet ge doorgaan door hetgeen ge niet zijt. 8. Om te hebben wat ge niet bezit, is het noodig dat gij doorgaat door hetgeen ge niet hebt. 9. Als ge u bij eenig ding ophoudt, houdt ge op u in het Al te werpen. 10. Want om te koomen van het Al tot het Al, moet ge u alles van het Al ontzeggen. 11. En als ge tot het bezit van alles zult gekoomen zijn, moet gij het behouden door niets te willen. 12. Want indien gij iets wilt in het Al, dan hebt ge uw schat niet geheel zuiver in God.
Op 3 mei opent in It Damhus - te Nij Beets - een tentoonstelling rond 'Dekolonie Frij Fryslân' - een kolonie die geinspireerd was op de kolonie Walden in Bussum en die 100 jaar geleden haar deuren sloot.
Het Hof van Eeden Festival 2008 (29 mei t/m 1 juni)
Op het landgoed "Hof van Moerkerken" te Mijnsheerenland vindt van 29 mei tot en met 1 juni het Hof van Eedenfestival plaats.
Hof van Moerkerken Wilhelminastraat 66 3271 BZ Mijnsheerenland
Het volledige programma is te vinden op De Website