|

Gedichten van mezelf.

|
1. voor een vriend
Met mijn hand
in jouw hand
kan ik de wereld vergeten
en de haat en de nijd
en het bloed en de strijd
en mijn eigen armzalige zorgen
Met jouw gelaat
voor mijn oog,
In de lach
om je mond
heb ik duizenden geuren genoten:
de geur van een bloem
en de geur van een kind
de geur van geluk
en de geur van de wind
Ga niet weg,
ga niet heen,
want dan blijf ik alleen…
en dan blijf ik niet leven tot morgen.
(Fran - 1969)
|
|
2. als je vóór mij gaat
Als je doodgaat
blijf dan in mijn buurt.
Denk niet aan de hemel
zolang míjn leven duurt.
En spreekt je geest
dan tot mijn geest
dan blijft nog alles
zoals het is geweest.
Als je dood gaat,
wandel niet te ver.
Blijf nog even
mijn eigen lichte ster.
|
|
3. als de zon
Als de zon zingt in jouw hart En niets het licht in jou kan doven, als de regen jou niet deren kan En je leeft in 's hemels hoven
Dan zijn er engelen aan je zij, Verwarmen jou met lieve woorden Dan klinken stemmen door de lucht Met de mooiste der akkoorden
Indien je zelf het licht maar zoekt En je rug keert naar het duister Dan ben je niet zo ver meer af Van het land vol zoete luister.
|
4. dat komt door jou
Ik leef op een wolk
van goudgele hoop,
ik loop op de straat
met m’n gevoelens te koop,
ik zing in de regen,
ik huil in de zon,
maar ik zou echt niet weten
waardoor dit begon.
Ik glimlach naar mensen
met een droevig gezicht
en ik schrijf voor mijn goudvis
een romantisch gedicht,
ik fiets op het voetpad
en dans op beton,
maar ik zou willen weten
waardoor dit begon.
Als jij straks voorbij komt,
met een stralende blik,
dan zal ik verdwijnen
en krijg ik weer schrik,
al wou ik wel vragen
of het wel kon,
dat al deze onrust
door jou begon?
|
5. geroepen worden
Ik voel Zijn hand, een zacht gebaar, een streling op mijn huid. 'Kom en volg me', klinkt Zijn stem, 'kom naar jouw woning Daar.
Ik schrik terug: 'Nog even maar, niet op dit uur, nee, nú nog niet mijn koffer is niet klaar!'
Ik voel Zijn ogen vol van Licht, vol liefdevolle glans. Maar kan niet volgen waar Hij roep en sluit mijn ogen dicht.
'Wellicht een laatste wens, o Heer,' stamel ik vol angst. Hij zegt: 'Jouw wens is altijd ook Mijn wens, Ik keer hier later weer.'
Zijn hand verdwijnt nu van mijn hoofd en ik voel me zo alleen. Begin nu aan een lang gebed, herinnerend wat Hij heeft beloofd.
|
6. ik voel je glimlach
Ik voel je glimlach op me rusten:
zonnestralen op een warme huid.
Je handen wijzen droomkastelen,
de merel, in de verte, fluit.
En overal is eenzaamheid,
ook tussen moegeleefde echtgenoten.
Maar jij zit stil naast mij
en veel blijft onbesproken.
Toch leeft in onze stilte-wet,
in ’t alles van elkander weten,
in ’t simpel houden van elkaar:
’t geheim van eenzaamheid verbreken.
En geen als wij begrijpt zoveel
zonder te moeten spreken.
Geen één is zo gerust als wij,
zonder te moeten ‘weten’.
|
7. het is een droom
Het is een droom,
maar boven droom verheven,
van twee die één zijn,
voor eeuwig met elkaar verweven.
Het is een droom
die duizend maal doet léven
van nooit alléén zijn
en samen door de hemelen zweven.
Het is een droom
die altijd levend is gebleven,
een bron van liefde
die steeds maar méér zal geven.
|
8. jouw ziel
Jouw ziel is mijn thuis,
jouw hart mijn geluk
Je hand is de steun in mijn leven
Alleen jou eens horen..
en niets kan nog stuk,
daar kan ik naar hemelen door zweven.
Waarom ben ik toch zo
aan jou verwant?
Wie heeft die ketting gesmeed
die mij aan jou bindt,
ver over het land,
en me leert wat 'echt' Liefde heet
Jij bent als een vader,
een broer en een vriend
de hoeder van al mijn gedachten
Ooit was ik eenzaam
en ook wel wat blind
Jij leerde me Liefde verwachten.
|
9. Paul
Pauze... nacht is koud
Al ben je daar
Uit de diepste
Levensbron ontloken
Vogelvrij, vrije lucht
Aan de wolk van een
Nooit geziene lucht voorbij
Over de bergen van de
Statige verloren wereld
Taaie verloren werelden
Aan de grens van leven en X,
Y, Z dood
En scheiding van banden
Nooit ben je mij zo nabij geweest.
Dit schreef ik voor de dichter Paul Van Ostayen op 17 december 1968.
|
10. mijn vriend
Mijn vriend, waarom heb jij mijn leven
met witte parels zacht doorweven
wanneer je wist dat dit gewrocht
niet voor ons leven duren mocht
Ik heb je in dit tranendal gevonden
jij hebt mijn wangen drooggeveegd
Maar eens na veel verloren woorden
geef jij me terug mijn oude leed
Ik dacht aan een band die nooit zou breken
jij denkt dat het leven iets anders biedt
mijn vriend, hadden wij dit eerder geweten
dan gingen jij en ik nu niet heen, vol verdriet.
1 februari 1969
|
11. wanneer
wanneer je mij terug zult zien,
zal ik je lang verlaten hebben, zonder pijn,
ik zal mijn ogen reeds gesloten hebben,
en vreugde veinzend, treurig zijn.
wanneer je mij terug zult vinden
zal ik zorgen dat je niets terugziet van wat nu nog is
jij zal je dorstig hart in vrede mogen laven
onwetend van mijn heimwee en mijn dof gemis.
ik zal niet langer zoeken naar je ogen,
mijn hart zal stil en trouw-bescheiden zijn
en het verlangen in mijn wezen zal ik doven..
omdat de vreugde van de dood
slechts dan voor mij volmaakt kan zijn
als ik weet dat ook voor jou, de rust volkomen is geworden.
9 april 1995
|
12. o wereld
O wereld....
ik heb die koele stilte lief
van de zon die
in jouw ogen
ondergaat.
ik heb jouw heimwee lief
dat glijdt
over je wezen
ik heb de vrede lief
die jou geheel
omstraalt
en toch...dit zijn slechts dromen
want vrede en stilte
ken jij niet
en heimwee is je vreemd geworden
- jouw aangeleerde koelheid doet
mijn handen beven
en gooit de glazen bekers van mijn
vreugde stuk
-bekers in de zon gevangen
-bekers met geluk gevuld
-bekers!...laat ons samen klinken
drinken
zie ze blinken
- o dwaze vreugde van één dag-
leer me leven in je hardheid
leer me werken zonder droom
leer me lachen zonder vreugde
maar geef mijn hart een beetje tijd.
10 april 1969
|
|
13. aan Bert
(iemand met verborgen kwaliteiten)
Berucht, geliefd en soms verguisd, ben jij
En altijd wel te vinden voor een grap.
Raadsels in een open boek , ben jij voor mij
Totdat ik eindelijk de sleutel snap.
Vanbinnen heb je wel een hart of twee,
Langs buiten lijk je van graniet
En liever bijt je soms je tong in twee
Uiteindelijk kent men je eigenlijk niet.
Gisteren nog leek jij een arme dwaas,
En plotseling ontdekte ik de warmte van je ziel,
Liefdevol en hunkerend naar begrip,
Stom dat ik dat niet eerder heb gezien.
28 oktober 1995.
|
|
14. in mijn droom
In mijn droom was jij een vogel vannacht, zwevend over de vlakte boven mijn ogen
In mijn droom was jij een wolk, zo zacht, zwijgend over mijn angsten gebogen
In mijn droom was jij een hand vannacht, alleen maar een hand Alleen …maar …een hand... om me aan vast te houden.
|
15. gevonden
Ik vond op ’t grote levensplan mijn eigen smalle pad. Ik ben daar lang alleen gegaan, vermoeiend vond ik dat.
Toen kwam een and’re reiziger, die dezelfde weg moet gaan. Plots was het pad niet meer zo smal en wandelden we saam
De weg is nu niet moeilijk meer, met liefde geplaveid. Het einddoel is een wit paleis waar een feestmaal wordt bereid.
Eens komen we daar samen aan, waar onze vrienden zijn. Dit einddoel maakt de stormen goed. Voorbij is nu de pijn.
|
|
16. een vorig leven
Ooit heb ik jou gekend meer dan honderd jaar terug. Het lijkt misschien wel lang maar het ging bijzonder vlug.
Nu gaan de dagen langzaam en de uren tergend traag. Ik blijf steeds maar verlangen: misschien vind ik je vandaag.
Ik wil je weer herkennen in deze bange tijd. ‘k Wil naast mijn leven rennen, de angst voor straf ten spijt.
Ik weet dat je zal komen als ik lang genoeg hier wacht. Dan is de tijd van vroeger niet langer zwarte nacht.
26/11/1995
|
|
17. wat als
En als er eens geen
licht meer kwam
na het duister van de nacht.
Waarheen zou ik dan
vluchten
voor de angst die op me wacht ?
En als er eens geen
glimlach lag
op de lippen van een kind
waar zou dan de
vrede zijn
die ik zo moeilijk vind ?
En als er eens
geen liefde was
|
|
18. maskers
Ik wandel door het leven,
een masker op mijn snoet
Dat is om te verbergen,
hoe het stormt in mijn gemoed.
Dan kruist een mens mijn wegen,
die ook een masker draagt
Wij willen elkaar kennen –
Wie is de eerste die het waagt?
Want achter al die maskers,
ben ik naakt en hulpeloos
En zonder die vermomming,
lijkt het leven waardeloos.
Het masker laten vallen,
het lijkt een zware stunt -
Je zomaar bloot te geven –
Een pluim als je dat kunt.
23/05/2004
(geïnspireerd door Maskers en Mensen - Jozef Rulof)
|
|
19. oud zeer
Ik zit maar wat te dromen,
waarover? ’t Maakt niets uit.
De spoken voor mijn ogen
zijn beeld zonder geluid.
Ik ben je maar aan ’t missen,
elke dag steeds meer.
Tegen ’t heimwee na jouw sterven
heb ik niet één verweer.
Ik voel me ook wat doodgaan,
het doet een beetje pijn,
dat we in dit lange leven,
niet meer samen zullen zijn.
Ik wíl wel verder leven,
ik weet alleen niet hoe.
Telkens ik iets doen wil,
ben ik alleen maar moe.
|
|
20. te weinig
Waarom heb ik jou niet bemind
Zoals jij mij beminde?
Een hartje staat nog in de stam
Van onze oude linde.
Ik heb je noodkreet niet gehoord,
Je boodschap niet ontvangen.
Je gooide alles over boord,
En ik voel tranen op mijn wangen,.
Als ik aan al die liefde denk,
Die jij me hebt gegeven.
Ik was niet rijp voor jouw geschenk
En jij wou niet meer leven.
18/10/1998
|
|
21. ontwaken
’s Morgens druipt de trage regen
uit de kruinen
van de bomen
die nog slapen.
Een trage vogel doet zijn best
om de parels
van de aarde
op te rapen.
Een eerste dunne zonnestraal
scheidt het donker
van de dag.
In de lucht drijft
een schuchtere wolk,
een frisse witte vlag.
Ik strompel in mijn kleren
mijn ogen
zijn nog donker
van de slaap.
Wakker wordt ik pas
als ik voorzichtig
de eerste druppel
uit het dampend grasveld raap.
( 22/12/1998)
|
|
22. laat mij jouw helper zijn
Wanneer je ogen blind zijn
Voor de schoonheid om je heen:
Laat mij dan jouw ogen zijn.
Wanneer je oren doof zijn
Voor het engelengezang:
Laat mij dan jouw oren zijn.
Wanneer je handen tasten in het donker
En niets meer voelen van het licht:
Laat mij dan jouw handen zijn.
Wanneer jouw neus geen bloemen ruikt
Noch het zilte van de zee:
Laat mij dan jouw reukzin zijn.
Wanneer je tong geen zoet meer smaakt
Door al het bittere heen:
Laat mij dan jouw smaakzin zijn.
Wanneer je hart gesloten is
Voor alle liefde om je heen:
Laat dan mij de deur daar zijn
Die heel wijd openstaat
En de liefde weer naar binnen laat.
(13/11/2002)
|
|
23. over vriendschap
Een vriend is iemand die zonder vragen weet wat je bezielt,
omdat hij deel is van die zelfde ziel,
Een vriend is iemand die je tranen droogt,
nog vóór je die hebt gestort en zonder te vragen waar ze vandaan komen.
Een vriend is iemand die samen met jou feest wanneer je iets te vieren hebt,
zelfs wanneer hij zelf op dat moment niet veel te vieren heeft.
Een vriend is iemand die naar je luistert zonder je te onderbreken
wanneer iets je van het hart moet.
Een vriend is iemand die je de waarheid vertelt over jezelf
en je niet beliegt om je te vleien.
Een vriend is iemand die zijn schouder aan je leent om op uit te huilen
en zijn glimlach om je op te monteren.
Een vriend is iemand waarbij je zonder maskers jezelf kan zijn
en die je inspireert tot grootse daden
waarvan je zelf niet eens wist dat je die in je had.
Een vriend is iemand die je steeds het pad naar boven helpt te vinden
en die de weg naar beneden voor je afsluit.
Als je zo’n vriend ontmoet,
dan ben je rijker dan een koning
en gelukkiger dan je ooit had durven dromen.
|
|
24. aan een leraar
Je bent helemaal niet groot
en je denkt niet dat je een held bent,
maar uit je ogen straalt
je wondermooie hart.
Men lacht om jou,
ze zeggen dat je gek bent
en geen knoopsgat waard.
Maar ken ik niet
de waarde van je ziel,
die met geen schatten te betalen is?
Heb ik niet in je blik ontdekt
dat je ons maar dwazen vindt,
en dat jouw leven mooier is
dan wat wij zien?
Ik wou dat ik een stukje
van die schoonheid erven kon.
( 3 oktober 1968)
(ik schreef dit in de ‘poësis’
voor mijn leraar engels, die steeds gepest werd)
|
|
25. stilte
Binnen de muren van mijn hart
is zacht de stilte neergedaald,
een stilte vol verlangen…
In mijn oor
galmt het tikken
eeuwig tikken –
van een oude klok.
Door de brede
eindloos brede-
ruimte-lagen
zweeft een sluiertje muziek.
Aan mijn mond
is dicht jouw mond
die mij van stilte spreekt
In mijn ziel is reeds die
Stilte… neergezegen(d).
(23 november 1968)
|
|
26. liefde is mateloos
Wanneer ik hier in woorden kon vertellen
Hoe diep mijn liefde is,
Dan zou die liefde onvolmaakt zijn
Want echte liefde vat men niet in woorden…
Wanneer ik hier in cijfers kon beschrijven
Hoe groot mijn liefde is
Dan zou die liefde klein zijn
Want echte liefde meet men niet in cijfers…
Wanneer ik met een open hart
Mijn liefde naar jou toe laat stromen
Wellicht dat je dan voelen kan
Hoe onmeetbaar ze wel is…
|
|
27. men zegt
'Het schijnt', 'men zegt', 'ik heb gehoord'....
Hoe vaak wordt zo een mens vermoord?
'Ik denk dat Mina vreemd moet gaan,
want ik heb haar bij een man zien staan.'
'Die gast vertrouw je beter niet,
want hij is goed bevriend met Piet
en Piet, dat stond toch in de krant
heeft vaak zijn vingers al verbrand.'
'Ik denk', 'men zegt', 'ik heb gehoord'....
Steeds weer neemt iemand wel het woord.
Of het nu waarheid is of leugen,
men kan zich weer eens goed verheugen,
want praatjes zijn toch zó plezant,
daarvoor vindt men wel steeds een klant!
Ik denk, ik weet, ik heb gehoord....
Zo wordt men in de grond geboord!
23/11/1995
|
|
28. 'k Wil je troosten ...
Uitgeblust en gans verloren zo keek je me aan alsof bloemen in je leven nooit in bloei hadden gestaan.
Zo wanhopig en gebroken ... wie heeft jou dit aangedaan? Kijk me aan en grijp mijn handen, samen kunnen wij het aan.
'k Wil je troosten, 'k wil je steunen, ook al heb je veel verdriet. 'k Ben jouw schouder om te leunen als je nergens 'n uitweg ziet.
Ga niet schuilen met je zorgen, kruip niet in een donk're hoek. Zie de zon reeds weer van morgen en sluit snel dit duister boek.
Sluit het donker uit je leven, gooi het spinrag uit je hoofd, tracht de vreugde te beleven die de toekomst jou belooft.
'k Wil je helpen 'k wil je steunen, ook al heb je veel verdriet. 'k Ben jouw schouder om te leunen als je nergens 'n uitweg ziet.
28/11/1995
|
|
29. doosje
Er staat een doosje in de kast gevuld met lieve, kleine dingen: een schepje zand een kleine schelp twee namaak gouden ringen.
Er staat een doosje op de plank met lang vervlogen dromen: een oude foto uit de krant, een briefje met een lieve groet ... en dat je terug zou komen.
Ik laat het doosje daar maar staan ik maak het nooit meer open want dat ik jou daar nog in vind is meer dan ik durf hopen.
27/11/1996
|
|
30. mijn kind
Ik ben met jou in het fluisteren van de regen Voel mijn liefde in de streling van de wind.
Mijn glimlach kom je elke dag weer tegen in elk straaltje van de zon, mijn kind
Met elke bloem die bloeit wil ik jou groeten In elk vogellied klinkt een troostend woord voor jou
Als je denkt dat mensen jou niet echt meer moeten Weet dan dat Ik altijd van je hou.
Pinksterzondag 2005
|
|
31. de prufundis
een koude hand rondom mijn hart en honderdduizend vragen 'laat deze beker weggaan, Heer ik kan het niet meer dragen'
een droevig lied speelt door mijn hoofd met lage doffe tonen 'ik wil dit echt niet horen, Heer laat Uw liefde mij bewonen'
een donkere wolk verbergt de zon geen licht kan tot mij komen 'kom toch en verwarm mij, Heer verdrijf mijn bange dromen'
en dan verschijnt een witte roos gevuld met zoete geuren 'laat mij jouw hart vervullen, Kind dan kan je niets gebeuren'
zaterdag 1 oktober 2005
|
|
32. sinterklaasgedichtje
Ook al ben ik dan al jaren ‘groot'
En geloof ik niet meer echt aan wonderen
Door Sint met Zwarte Pieterbaas
Laat ik me graag nog overdonderen.
Een rijzige man met witte baard
Met warme twinkel ogen
En Piet, zo zwart als schoorsteenroet
Die wil ik hier nog wel gedogen.
Wanneer ze stil, door weer en wind,
Langsheen de straten dwalen
Dan zet ik met plezier mijn schoen
En wil hen graag onthalen
Met een stille hoop, diep in mijn hart
Dat zij mijn wensen kennen
En dat er uit die grote zak
Iets komt om mij weer te verwennen.
En ligt er in mijn schoen niets meer.
Kunnen ze mijn huis niet vinden.
Dan zorg ik dat er wel iets ligt
In ‘t schoentje van mijn teerbeminden.
[ 23/11/2003 ]
|
|
33. Uw Liefde
Mijn God, mijn lieve Vader,
Mijn hele leven lang
Heb ik tot U gebeden
Met een verlangend hart:
‘Wil mij Uw liefde tonen,
Al is het in een mens,
Die zo van mij kan houden
Dat ik kan zien dat U het bent’
Toen kwam er op mijn pad
Een mens waarvan ik dacht
Dat U hem had gezonden
En dat hij het was om wie ik bad.
Ik heb er in geloofd
Met een geloof dat bergen slecht
En ik heb steeds weer vertrouwd
Met hoop, als diamant zo écht
Ik ben van hem gaan houden
Met een eeuwig brandend hart
Met een vlam die nooit kan doven
en haar bron vindt in Uw hart
en toch, mijn lieve Vader
leeft in mij een stille pijn
omdat die mensenliefde
nooit Uw Liefdesvuur kan zijn
ze is niet ‘eeuwig brandend’
ze is niet ‘als een rots’
ze blijkt enkel een schaduw en
geen druppel voor mijn dorst
Zo heeft U mij geleerd
dat liefde niet bestaat
tenzij ik U, O Vader,
steeds in mijn hart toe laat.
24/02/2007
|

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

Top 100 NL


|