Gedichten van mezelf.

 

1. voor een vriend – 2. als je vóór mij gaat – 3. als de zon – 4. dat komt door jou – 5. geroepen worden – 6. ik voel je glimlach – 7. het is een droom – 8. jouw ziel – 9. Paul – 10. mijn vriend – 11. wanneer – 12. o wereld – 13. aan Bert14. in mijn droom – 15. gevonden – 16. een vorig leven – 17. wat als...  – 18. maskers – 19. oud zeer – 20. te weinig – 21. ontwaken – 22. laat mij jouw helper zijn – 23. over vriendschap – 24. aan een leraar – 25. stilte – 26. liefde is mateloos – 27. men zegt – 28. 'k Wil je troosten ... – 29. doosje – 30. mijn kind – 31. de prufundis – 32. sinterklaasgedichtje – 33. Uw Liefde -

1. voor een vriend

 Met mijn  hand

in jouw hand

kan ik de wereld vergeten

          en de haat en de nijd

          en het bloed en de strijd

          en mijn eigen armzalige zorgen

Met jouw gelaat

voor mijn oog,

In de lach

om je mond

                       heb ik duizenden geuren genoten:

         de geur van een bloem

         en de geur van een kind

         de geur van geluk

         en de geur van de wind

Ga niet weg,

ga niet heen,

want dan blijf ik alleen…

en dan blijf ik niet leven tot morgen.

(Fran - 1969)

 

2. als je vóór mij gaat

Als je doodgaat

blijf dan in mijn buurt.

Denk niet aan de hemel

zolang míjn  leven duurt.

 

En spreekt je geest

dan tot mijn geest

dan blijft nog alles

zoals het is geweest.

 

Als je dood gaat,

wandel niet te ver.

 Blijf nog even

mijn eigen lichte ster.

 

3. als de zon 

Als de zon zingt in jouw hart
En niets het licht in jou kan doven,
als de regen jou niet deren kan
En je leeft in 's hemels hoven

Dan zijn er engelen aan je zij,
Verwarmen jou met lieve woorden
Dan klinken stemmen door de lucht
Met de mooiste der akkoorden

Indien je zelf het licht maar zoekt
En je rug keert naar het duister
Dan ben je niet zo ver meer af
Van het land vol zoete luister.

4. dat komt door jou

Ik leef op een wolk

van goudgele hoop,

ik loop op de straat

met m’n gevoelens te koop,

ik zing in de regen,

ik huil in de zon,

maar ik zou echt niet weten

waardoor dit begon.

 

Ik glimlach naar mensen

met een droevig gezicht

en ik schrijf voor mijn goudvis

een romantisch gedicht,

ik fiets op het voetpad

en dans op beton,

maar ik zou willen weten

waardoor dit begon.

 

Als jij straks voorbij komt,

met een stralende blik,

dan zal ik verdwijnen

en krijg ik weer schrik,

al wou ik wel vragen

of het wel kon,

dat al deze onrust

door jou begon?

5. geroepen worden

Ik voel Zijn hand, een zacht gebaar,
een streling op mijn huid.
'Kom en volg me', klinkt Zijn stem,
'kom naar jouw woning Daar.

Ik schrik terug: 'Nog even maar,
niet op dit uur,
nee, nú nog niet
mijn koffer is niet klaar!'

Ik voel Zijn ogen vol van Licht,
vol liefdevolle glans.
Maar kan niet volgen waar Hij roep
en sluit mijn ogen dicht.

'Wellicht een laatste wens, o Heer,'
stamel ik vol angst.
Hij zegt: 'Jouw wens is altijd ook Mijn wens,
Ik keer hier later weer.'

Zijn hand verdwijnt nu van mijn hoofd
en ik voel me zo alleen.
Begin nu aan een lang gebed,
herinnerend wat Hij heeft beloofd.


6. ik voel je glimlach

Ik voel je glimlach op me rusten:

zonnestralen op een warme huid.

Je handen wijzen droomkastelen,

de merel, in de verte, fluit.

 

En overal is eenzaamheid,

ook tussen moegeleefde echtgenoten.

Maar jij zit stil naast mij

en veel blijft onbesproken.

 

Toch leeft in onze stilte-wet,

in ’t alles van elkander weten,

in ’t simpel houden van elkaar:

’t geheim van eenzaamheid verbreken.

 

En geen als wij begrijpt zoveel

zonder te moeten spreken.

Geen één is zo gerust als wij,

zonder te moeten ‘weten’.

7. het is een droom

Het is een droom,

maar boven droom verheven,

van twee die één zijn,

voor eeuwig met elkaar verweven.

 

Het is een droom

die duizend maal doet léven

van nooit alléén zijn

en samen door de hemelen zweven.

 

Het is een droom

die altijd levend is gebleven,

een bron van liefde

die steeds maar méér zal geven.

8. jouw ziel

Jouw ziel is mijn thuis,

jouw hart mijn geluk

Je hand is de steun in mijn leven

Alleen jou eens horen..

en niets kan nog stuk,

daar kan ik naar hemelen door zweven.

 

Waarom ben ik toch zo

aan jou verwant?

Wie heeft die ketting gesmeed

die mij aan jou bindt,

ver over het land,

en me leert wat 'echt' Liefde heet

 

Jij bent als een vader,

een broer en een vriend

de hoeder van al mijn gedachten

Ooit was ik eenzaam

en ook wel wat blind

Jij leerde me Liefde verwachten.

9. Paul

 

Pauze... nacht is koud

Al ben je daar

Uit de diepste

Levensbron ontloken

 

Vogelvrij, vrije lucht

Aan de wolk van een

Nooit geziene lucht voorbij

 

Over de bergen van de

Statige verloren wereld

Taaie verloren werelden

Aan de grens van leven en X,

Y, Z dood

En scheiding van banden

Nooit ben je mij zo nabij geweest.

 

           Dit schreef ik voor de dichter Paul Van Ostayen op 17 december 1968.

10. mijn vriend

Mijn vriend, waarom heb jij mijn leven

met witte parels zacht doorweven

wanneer je wist dat dit gewrocht

niet voor ons leven duren mocht

 

Ik heb je in dit tranendal gevonden

jij hebt mijn wangen drooggeveegd

Maar eens na veel verloren woorden

geef jij me terug mijn oude leed

 

Ik dacht aan een band die nooit zou breken

jij denkt dat het leven iets anders biedt

mijn vriend, hadden wij dit eerder geweten

dan gingen jij en ik nu niet heen, vol verdriet.

 

    1 februari 1969

11. wanneer

wanneer je mij terug zult zien,

zal ik je lang verlaten hebben, zonder pijn,

ik zal mijn ogen reeds gesloten hebben,

en vreugde veinzend, treurig zijn.

 

wanneer je mij terug zult vinden

zal ik zorgen dat je niets terugziet van wat nu nog is

jij zal je dorstig hart in vrede mogen laven

onwetend van mijn heimwee en mijn dof gemis.

 

ik zal niet langer zoeken naar je ogen,

mijn hart zal stil en trouw-bescheiden zijn

en het verlangen in mijn wezen zal ik doven..

 

omdat de vreugde van de dood

slechts dan voor mij volmaakt kan zijn

als ik weet dat ook voor jou, de rust volkomen is geworden.

 

9 april 1995

 

12. o wereld

O wereld....

 

ik heb die koele stilte lief

                     van de zon die

                     in jouw ogen

                     ondergaat.

ik heb jouw heimwee lief

                    dat glijdt

                    over je wezen

ik heb de vrede lief

                    die jou geheel

                    omstraalt

en toch...dit zijn slechts dromen

                    want vrede en stilte

                                             ken jij niet

                    en heimwee is je vreemd geworden

   - jouw aangeleerde koelheid doet

                                             mijn handen beven

     en gooit de glazen bekers van mijn

                                                             vreugde stuk

 

    -bekers in de zon gevangen

    -bekers met geluk gevuld

    -bekers!...laat ons samen klinken

                                                         drinken

                                    zie ze        blinken

                 - o dwaze vreugde van één dag-

 

 leer me leven in je hardheid

 leer me werken zonder droom

 leer me lachen zonder vreugde

 maar geef mijn hart een beetje tijd.

 

                                                    10 april 1969  

 

13. aan Bert

 

 (iemand met verborgen kwaliteiten)

 

Berucht, geliefd en soms verguisd, ben jij

En altijd wel te vinden voor een grap.

Raadsels in een open boek , ben jij voor mij

Totdat ik eindelijk de sleutel snap.

 

Vanbinnen heb je wel een hart of twee,

Langs buiten lijk je van graniet

En liever bijt je soms je tong in twee

Uiteindelijk kent men je eigenlijk niet.

Gisteren nog leek jij een arme dwaas,

En plotseling ontdekte ik de warmte van je ziel,

Liefdevol en hunkerend naar begrip,

Stom dat ik dat niet eerder heb gezien.

 

28 oktober 1995.

 

14. in mijn droom

In mijn droom was
jij een vogel vannacht,
zwevend over de vlakte
boven mijn ogen

In mijn droom
was jij een wolk, zo zacht,
zwijgend over mijn
angsten gebogen

In mijn droom
was jij een hand vannacht,
alleen maar een hand
Alleen …maar …een hand...
om me aan vast te houden.

 15. gevonden

Ik vond op ’t grote levensplan
mijn eigen smalle pad.
Ik ben daar lang alleen gegaan,
vermoeiend vond ik dat.

Toen kwam een and’re reiziger,
die dezelfde weg moet gaan.
Plots was het pad niet meer zo smal
en wandelden we saam

De weg is nu niet moeilijk meer,
met liefde geplaveid.
Het einddoel is een wit paleis
waar een feestmaal wordt bereid.

Eens komen we daar samen aan,
waar onze vrienden zijn.
Dit einddoel maakt de stormen goed.
Voorbij is nu de pijn.

16. een vorig leven


Ooit heb ik jou gekend
meer dan honderd jaar terug.
Het lijkt misschien wel lang
maar het ging bijzonder vlug.

Nu gaan de dagen langzaam
en de uren tergend traag.
Ik blijf steeds maar verlangen:
misschien vind ik je vandaag.

Ik wil je weer herkennen
in deze bange tijd.
‘k Wil naast mijn leven rennen,
de angst voor straf ten spijt.

Ik weet dat je zal komen
als ik lang genoeg hier wacht.
Dan is de tijd van vroeger
niet langer zwarte nacht.

26/11/1995

 

17. wat als

 

En als er eens geen

licht meer kwam

na het duister van de nacht.

 

Waarheen zou ik dan

vluchten

voor de angst die op me wacht ?

 

En als er eens geen

glimlach lag

op de lippen van een kind

 

waar zou dan de

vrede zijn

die ik zo moeilijk vind ?

 

En als er eens

geen liefde was

 

18. maskers

Ik wandel door het leven,

een masker op mijn snoet

Dat is om te verbergen,

hoe het stormt in mijn gemoed.

 

Dan kruist een mens mijn wegen,

die ook een masker draagt

Wij willen elkaar kennen –

Wie is de eerste die het waagt?

 

Want achter al die maskers,

ben ik naakt en hulpeloos

En zonder die vermomming,

lijkt het leven waardeloos.

 

Het masker laten vallen,

het lijkt een zware stunt -

Je zomaar bloot te geven –

Een pluim als je dat kunt.

 

23/05/2004

(geïnspireerd door Maskers en Mensen - Jozef Rulof)

 

19. oud zeer

Ik zit maar wat te dromen,

waarover? ’t Maakt niets uit.

De spoken voor mijn ogen

zijn beeld zonder geluid.

 

Ik ben je maar aan ’t missen,

elke dag steeds meer.

Tegen ’t heimwee na jouw sterven

heb ik niet één verweer.

 

Ik voel me ook wat doodgaan,

het doet een beetje pijn,

dat we in dit lange leven,

niet meer samen zullen zijn.

 

Ik wíl wel verder leven,

ik weet alleen niet hoe.

Telkens ik iets doen wil,

ben ik alleen maar moe.

 

20. te weinig

 

Waarom heb ik jou niet bemind

Zoals jij mij beminde?

Een hartje staat nog in de stam

Van onze oude linde.

 

Ik heb je noodkreet niet gehoord,

Je boodschap niet ontvangen.

Je gooide alles over boord,

En ik voel tranen op mijn wangen,.

 

Als ik aan al die liefde denk,

Die jij me hebt gegeven.

Ik was niet rijp voor jouw geschenk

En jij wou niet meer leven.

 

18/10/1998   

 

21. ontwaken

’s Morgens druipt de trage regen

uit de kruinen

van de bomen

die nog slapen.

Een trage vogel doet zijn best

om de parels

van de aarde

op te rapen.

 

Een eerste dunne zonnestraal

scheidt het donker

van de dag. 

In de lucht drijft

een schuchtere wolk,

een frisse witte vlag.

 

Ik strompel in mijn kleren

mijn ogen

zijn nog donker

van de slaap.

Wakker wordt ik pas

 als ik voorzichtig

de eerste druppel

uit het dampend grasveld raap.

 

(  22/12/1998)

 

22. laat mij jouw helper zijn

Wanneer je ogen blind zijn

Voor de schoonheid om je heen:

Laat mij dan jouw ogen zijn.

 

Wanneer je oren doof zijn

Voor het engelengezang:

Laat mij dan jouw oren zijn.

 

Wanneer je handen tasten in het donker

En niets meer voelen van het licht:

Laat mij dan jouw handen zijn.

 

Wanneer jouw neus geen bloemen ruikt

Noch het zilte van de zee:

Laat mij dan jouw reukzin zijn.

 

Wanneer je tong geen zoet meer smaakt

Door al het bittere heen:

Laat mij dan jouw smaakzin zijn.

 

Wanneer je hart gesloten is

Voor alle liefde om je heen:

Laat dan mij de deur daar zijn

Die heel  wijd openstaat

En de liefde weer naar binnen laat.

 

(13/11/2002)  

 

23. over vriendschap

Een vriend is iemand die zonder vragen weet wat je bezielt,

omdat hij deel is van die zelfde ziel,

Een vriend is iemand die je tranen droogt,

nog vóór je die hebt gestort en zonder te vragen waar ze vandaan komen.

Een vriend is iemand die samen met jou feest wanneer je iets te vieren hebt,

zelfs wanneer hij zelf op dat moment niet veel te vieren heeft.

Een vriend is iemand die naar je luistert zonder je te onderbreken

wanneer iets je van het hart moet.

Een vriend is iemand die je de waarheid vertelt over jezelf

en je niet beliegt om je te vleien.

Een vriend is iemand die zijn schouder aan je leent om op uit te huilen

en zijn glimlach om je op te monteren.

Een vriend is iemand waarbij je zonder maskers jezelf kan zijn

en die je inspireert tot grootse daden

waarvan je zelf niet eens wist dat je die in je had.

Een vriend is iemand die je steeds het pad naar boven helpt te vinden

en die de weg naar beneden voor je afsluit.

Als je zo’n vriend ontmoet,

dan ben je rijker dan een koning

en gelukkiger dan je ooit had durven dromen.

 

24. aan een leraar

 

Je bent helemaal niet groot

en je denkt niet dat je een held bent,

maar uit je ogen straalt

je wondermooie hart.

 

Men lacht om jou,

ze zeggen dat je gek bent

en geen knoopsgat waard.

Maar ken ik niet

de waarde van je ziel,

die met geen schatten te betalen is?

 

Heb ik niet in je blik ontdekt

dat je ons maar dwazen vindt,

en dat jouw leven mooier is

dan wat wij zien?

Ik wou dat ik een stukje

van die schoonheid erven kon.

 

(   3 oktober 1968)

(ik schreef dit in de ‘poësis’  

voor mijn leraar engels, die steeds gepest werd)

 

25. stilte

Binnen de muren van mijn hart

is zacht de stilte neergedaald,

een stilte vol verlangen…

 

In mijn oor

galmt het tikken

eeuwig tikken –

van een oude klok.

 

Door de brede

eindloos brede-

ruimte-lagen

zweeft een sluiertje muziek.

 

Aan mijn mond

is dicht jouw mond

die mij van stilte spreekt

In mijn ziel is reeds die

Stilte… neergezegen(d).

 

(23 november 1968)

 

26. liefde is mateloos

 

Wanneer ik hier in woorden kon vertellen

Hoe diep mijn liefde is,

Dan zou die liefde onvolmaakt zijn

Want echte liefde vat men niet in woorden…

 

Wanneer ik hier in cijfers kon beschrijven

Hoe groot mijn liefde is

Dan zou die liefde klein zijn

Want echte liefde meet men niet in cijfers…

 

Wanneer ik met een open hart

Mijn liefde naar jou toe laat stromen

Wellicht dat je dan voelen kan

Hoe onmeetbaar ze wel is…

 

27. men zegt

'Het schijnt', 'men zegt', 'ik heb gehoord'....

Hoe vaak wordt zo een mens vermoord?

 

'Ik denk dat Mina vreemd moet gaan,

want ik heb haar bij een man zien staan.'

'Die gast vertrouw je beter niet,

want hij is goed bevriend met Piet

en Piet, dat stond toch in de krant

heeft vaak zijn vingers al verbrand.'

 

'Ik denk', 'men zegt', 'ik heb gehoord'....

Steeds weer neemt iemand wel het woord.

Of het nu waarheid is of leugen,

men kan zich weer eens goed verheugen,

want praatjes zijn toch zó plezant,

daarvoor vindt men wel steeds een klant!

 

Ik denk, ik weet, ik heb gehoord....

Zo wordt men in de grond geboord!

 

23/11/1995

 

28. 'k Wil je troosten ...

Uitgeblust en gans verloren
zo keek je me aan
alsof bloemen in je leven
nooit in bloei hadden gestaan.

 

Zo wanhopig en gebroken ...
wie heeft jou dit aangedaan?
Kijk me aan en grijp mijn handen,
samen kunnen wij het aan.

 

'k Wil je troosten,
'k wil je steunen,
ook al heb je veel verdriet.
'k Ben jouw schouder
om te leunen
als je nergens 'n uitweg ziet.

 

Ga niet schuilen met je zorgen,
kruip niet in een donk're hoek.
Zie de zon reeds weer van morgen
en sluit snel dit duister boek.

 

Sluit het donker uit je leven,
gooi het spinrag uit je hoofd,
tracht de vreugde te beleven
die de toekomst jou belooft.

 

'k Wil je helpen
'k wil je steunen,
ook al heb je veel verdriet.
'k Ben jouw schouder
om te leunen
als je nergens 'n uitweg ziet.

 

28/11/1995

 

29. doosje

Er staat een doosje in de kast
gevuld met lieve, kleine dingen:
een schepje zand
een kleine schelp
twee namaak gouden ringen.

 

Er staat een doosje op de plank
met lang vervlogen dromen:
een oude foto uit de krant,
een briefje met een lieve groet ...
en dat je terug zou komen.

 

Ik laat het doosje daar maar staan
ik maak het nooit meer open
want dat ik jou
daar nog in vind
is meer dan ik durf hopen.

 

27/11/1996

 

30. mijn kind

Ik ben met jou
in het fluisteren van de regen
Voel mijn liefde in
de streling van de wind.


Mijn glimlach kom
je elke dag weer tegen
in elk straaltje van de zon, mijn kind

 

Met elke bloem die bloeit
wil ik jou groeten
In elk vogellied
klinkt een troostend woord voor jou


Als je denkt dat mensen
jou niet echt meer moeten
Weet dan dat Ik altijd van je hou.

 

Pinksterzondag 2005

 

31. de prufundis

een koude hand rondom mijn hart
en honderdduizend vragen
'laat deze beker weggaan, Heer
ik kan het niet meer dragen'

 

een droevig lied speelt door mijn hoofd
met lage doffe tonen
'ik wil dit echt niet horen, Heer
laat Uw liefde mij bewonen'

 

een donkere wolk verbergt de zon
geen licht kan tot mij komen
'kom toch en verwarm mij, Heer
verdrijf mijn bange dromen'

 

en dan verschijnt een witte roos
gevuld met zoete geuren
'laat mij jouw hart vervullen, Kind
dan kan je niets gebeuren'

 

zaterdag 1 oktober 2005

 

32. sinterklaasgedichtje

 

Ook al ben ik dan al jaren ‘groot'

En geloof ik niet meer echt aan wonderen

Door Sint met Zwarte Pieterbaas

Laat ik me graag nog overdonderen.

 

Een rijzige man met witte baard

Met warme twinkel ogen

En Piet, zo zwart als schoorsteenroet

Die wil ik hier nog wel gedogen.

 

Wanneer ze stil, door weer en wind,

Langsheen de straten dwalen

Dan zet ik met plezier mijn schoen

En wil hen graag onthalen

 

Met een stille hoop, diep in mijn hart

Dat zij mijn wensen kennen

En dat er uit die grote zak

Iets komt om mij weer te verwennen.

 

En ligt er in mijn schoen niets meer.

Kunnen ze mijn huis niet vinden.

Dan zorg ik dat er wel iets ligt

In ‘t schoentje van mijn teerbeminden.

 

23/11/2003 ]

 

33. Uw Liefde

Mijn God, mijn lieve Vader,

Mijn hele leven lang

Heb ik tot U gebeden

Met een verlangend hart:

 

‘Wil mij Uw liefde tonen,

Al is het in een mens,

Die zo van mij kan houden

Dat ik kan zien dat U het bent’

 

Toen kwam er op mijn pad

Een mens waarvan ik dacht

Dat U hem had gezonden

En dat hij het was om wie ik bad.

 

Ik heb er in geloofd

Met een geloof dat bergen slecht

En ik heb steeds weer vertrouwd

Met hoop, als diamant zo écht

 

Ik ben van hem gaan houden

Met een eeuwig brandend hart

Met een vlam die nooit kan doven

en haar bron vindt in Uw hart

 

en toch, mijn lieve Vader

leeft in mij een stille pijn

omdat die mensenliefde

nooit Uw Liefdesvuur kan zijn

 

ze is niet ‘eeuwig brandend’

ze is niet ‘als een rots’

ze blijkt enkel een schaduw en

geen druppel voor mijn dorst

 

Zo heeft U mij geleerd

dat liefde niet bestaat

tenzij ik U, O Vader,

steeds in mijn hart toe laat.

 

24/02/2007

 

 
 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL