Over Jozef Rulof (1898-1952) en zijn werken.



Biografie - Boeken - Schilderend Medium - Uittreksels - Foto's - Een gesprek met een vroegere buur - linken reiziger tussen twee werelden -  een wandeling door 's Heerenberg Ons bezoek aan 's Heerenberg


!! LUISTERTIP:!!
28/05/2008
Op
radio Stardust : Jozef Rulof
Het programma wordt tussen 21.00 – 23.00 uur uitgezonden, maar nadien kan je het ook nog beluisteren via de naluisterlinks.

01. Biografie.

 

In februari van het jaar 1898 werd in ’s Heerenberg in de Gelderse Achterhoek een jongetje geboren, dat door zijn moeder Crisje ‘Jeus’ werd genoemd. Jeus blijkt vanaf zijn geboorte een zeer gevoelig kind te zijn, die zaken waarneemt die door anderen niet worden gezien. Het zal spoedig blijken dat deze gevoeligheid van essentieel belang is voor zijn verdere leven. ‘Jeus’ heeft namelijk een boodschap voor de wereld. Het is dan ook dat hij tijdens het spel met zijn vele vriendjes vertelt: ‘Ik gaot later boe’ke schrie’ve! Eenmaal woonachtig in Den Haag wordt Jozef Rulof’ s profetie van vroeger bewaarheid. Nadat zijn meester aan gene zijde zijn leven geheel in handen heeft genomen, wordt hij door hem ontwikkeld tot een helderziend, helderhorend, heldervoelend, schrijvend en schilderend medium. In vijftien jaar ontvangt hij vanuit de wereld na de dood een groot aantal boeken en meer dan duizend schilderstukken, die zonder enige uitzondering ware symbolische kunststukken zijn. Jozef Rulof weet ondanks zijn hoge graad van mediumschap zeer eenvoudig te blijven en zich blijvend dienend op te stellen tegenover zijn geestelijke leiders. Daardoor weet hij hoogten en diepten te bereiken die vele andere mediums nooit ten deel zijn gevallen. In de laatste maanden van de tweede wereldoorlog, wanneer de vernietigingswals over de wereld gaat, ontvangt hij wijsheid uit de Goddelijke Sferen, het Goddelijke‘ AL’ en beleeft daarbij zijn‘ Kosmologie’. Hij maakt daarmee ruim baan voor het universele denken en voelen, dat sterk verschilt met het denken en voelen wat nog steeds op onze wereld heerst. De macht van de‘ gevestigde orde’ in onze samenleving heeft nog steeds geen vrede en rust op de wereld gebracht… De hoogste meesters aan gene zijde brengen via Jozef Rulof geestelijke wijsheid op aarde. Deze wijsheid komt regelrecht van Christus, Die daarmee de fundamenten voor Zijn Universiteit, de‘ Universiteit van Christus’ op aarde legt. Het is het weten dat de God van Liefde de mens door Zijn schepping alles in handen heeft gegeven om eens Zijn Goddelijke Hemel te kunnen betreden. Daarvoor gaf God de mens het vader- en moederschap én de reïncarnatie om na het beleven van vele, vele levens uiteindelijk te kunnen zeggen:‘ Ja, ik ben waarlijk Mens!’ Door deze Goddelijke wijsheid verdwijnt alle kleinmenselijkheid en groeit het besef dat wij alle levensgraden op aarde te beleven krijgen en dat daardoor in feite geen verschil in mens-zijn bestaat. Hoewel er door de mens verschillende rassen en volken op aarde worden onderkend, God kent maar één ras en dat is de mens! De wetenschap dat er geen dood bestaat en dat wij door de reïncarnatie steeds verder evolueren, zal er uiteindelijk toe bijdragen dat er rust en vrede op aarde zal komen. Dat is de wil van Christus, Die reeds 2000 jaar geleden naar de aarde kwam om Zijn boodschap van liefde aan de mens te schenken. En aan Zijn aardse leven maakte de gevestigde orde toen een abrupt einde…


 

02. DE BOEKEN.

 

Om geleidelijk inzicht te krijgen in de grote lijnen van de boodschap van Jozef Rulof en zijn meesters kan ik dit deel EVOLUTIE op de website van The Age of Christ aanbevelen.

 

De antwoorden op de vragen over het ‘hoe’, het ‘waarom’, en het ‘waarvoor’ die u zich wellicht telkenmale stelt, kunt u vinden in één van zijn boeken. Deze boeken zijn volgens een vast plan in de nevenstaande volgorde op aarde gebracht. Voor een goed begrip van de boodschap van Jozef Rulof en zijn meesters bevelen wij die volgorde bij het lezen aan.

 

Een Blik in het Hiernamaals*( ISBN90-70554-31- 3) Dit boek verandert uw geloof in ‘WETEN’ en de angst voor de dood verdwijnt.

 

Liefde is het hoogste goed,
aan de mens gegeven.
Liefde is: wat leven doet,
van ontroering beven.
Liefde is alles, Liefde is God,
maakt van armen: Rijken.
Zonder Liefde, wat was 't lot!
t' Zou op niets gelijken.
Geest van Liefde, leid ons voort.
Doordring ons van Uw Wezen,
Dan wachten wij ook ongestoord
't einde zonder vrezen.
En zij 't leven kort of lang,
Gods Liefde maakt geen sterven bang.


(uit: Een Blik in het Hiernamaals.)

Zij die terugkeerden uit de dood*( ISBN90-70554-17- 8) Drie mensen die Jozef Rulof gekend hebben, vertellen van hun ervaringen aan gene zijde. Drie prachtige getuigenissen van het leven na de dood.

 

De Kringloop der Ziel*( ISBN90-70554-09- 7) Een roman over de liefde tussen twee mensen en over de gevolgen van zelfmoord en moord.

 

Zielsziekten van Gene Zijde bezien*( ISBN90-70554-26- 7) Een boek met aangrijpende voorbeelden van toestanden waarin mensen zich bevinden, zonder dat de‘ buitenwereld’ begrijpt wat er feitelijk aan de hand is. Een verklaring van de oorzaak van krankzinnigheid en psychopathie.

 

Het Ontstaan van het Heelal*( ISBN90-70554-25- 9) Beschrijft het ontstaan van ál het leven van God. Het toont u de kosmische weg van de mens die door het oneindige heelal voert.

 

Tussen Leven en Dood*( ISBN90-70554-24- 0) Een schitterend epos over de strijd tussen goed en kwaad in de oud Egyptische tempel van Isis. Deze ontwikkeling is ook voor onze tijd van belang.

 

De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien** Dit boek geeft een beeld van de menselijke ontwikkeling op aarde en behandelt o.a. de kosmische betekenis van de tweede wereldoorlog.

 

Geestelijke Gaven*( ISBN90-70554-21- 6) Gene Zijde bindt de strijd aan met het occulte bedrog op aarde. Een heel belangrijk boek in deze tijd.

Door de Grebbelinie naar het Eeuwige Leven*( ISBN90-70554-49- 6) Op het slagveld gedood, vertelt een soldaat over zijn ontwaken aan gene zijde.

 

Maskers en Mensen*( ISBN90-70554-27- 5) Een psychologische trilogie door Frederik van Eeden vanuit gene zijde door Jozef Rulof op aarde gebracht.

Jeus van Moeder Crisje I, II, III*( ISBN90-70554-28- 3/29- 1/30- 5) Deze trilogie beschrijft het leven van Jozef Rulof en zijn ontwikkeling als medium.

 

De Kosmologie van Jozef Rulof** Deze boeken stijgen uit boven alles wat de mensheid ooit aan geestelijke wijsheid heeft ontvangen.

Verder verschenen: Vraag en Antwoord** Een aantal boeken waarin zijn vastgelegd vragen van lezers en antwoorden van Jozef Rulof. Deze vragen werden gesteld op velecontact- avonden in de periode 1949 - 1952.

 

Een Historisch Document** De eerste twee lezingen uitgesproken in 1945 bij de opening van de‘ Eeuw van Christus’.

 

57- Lezingen** Een drietal bundels van elk 19trance- lezingen door Jozef Rulof gehouden in het gebouw Diligentia in Den Haag in de periode1949- 1952. Deze woordelijk op schrift gestelde lezingen vormen enerzijds een inleiding tot de Kosmologie van Jozef Rulof en anderzijds een verdere verdieping van de in dit werk vastgelegde wijsheid. Zij worden dan ook niet voor niets colleges van de‘ Universiteit van Christus’ genoemd.

 

 

03. SCHILDEREND MEDIUM.

 

schilderij: Zomerland.

 

Tijdens zijn leven mocht Jozef een groot aantal schilderijen maken door de Meesters van Gene Zijde.

 

Jozef Rulof ontving in trance vele geestelijke kunststukken. Het schilderend mediumschap zoals hij dit bezat, vereiste tijdens het schilderen een volledige overgave aan zijn geestelijk leider.
De hoogste resultaten konden bij Jozef Rulof worden bereikt door de ‘psychische trance’. Dit is de toestand waarin hij zijn stoffelijke lichaam had verlaten en het had afgestaan aan een geestelijke schilder.
Op deze wijze ontving Jozef Rulof honderden schilderijen, die zowel op doek en paneel als op porseleinen bordjes werden vastgelegd. Stuk voor stuk machtige symbolieken.

 

Eva met appel

Ik kreeg van Irene P. , via email, een foto van een origineel schilderij van Jozef Rulof. Het schilderij is in haar bezit en ik kreeg toestemming om de foto hier te plaatsen. Bedankt Irene.

Moederschap

 

 

04. Enkele uittreksels uit de boeken van Jozef Rulof.

 

De godsvonk - Geloof, hoop en liefde - tweelingzielen - Frederik van Eeden - Kerstmis in de hemelen - De Kruisiging

 

 De godsvonk

 

Jozef Rulof bevindt zich in dit fragment in uitgetreden toestand. Hij bezoekt met zijn leider, zijn beschermengel Alcar de sferen aan Gene Zijde. Alcar legt aan hem uit wat de Godsvonk is. André is de naam van Jozef Rulof aan Gene Zijde, het is de persoonlijkheid waarmee hij uittreedt.

'Op aarde komt men er niet achter, Alcar, wat eigenlijk wel die Godsvonk is.'
'Dat is te begrijpen, mijn jongen. Weet je zelf hoe die Godsvonk is en in ons is gekomen, nu je het scheppingsplan hebt beleefd, André?'

'Neen, Alcar, ik moet u eerlijk zeggen, dat dit nog steeds een groot probleem voor mij is. Ik weet wat het is, u heeft me alles duidelijk gemaakt, maar hoe alles is gegaan en het in ons is gekomen, dat is mij niet geheel duidelijk.'

'Dus je vraag is meer voor jezelf, dan voor de mens op aarde?'

‘Ja Alcar, ook voor mij, want ik zou het gaarne willen weten.'

'Luister dan. Ik heb je duidelijk gemaakt hoe Gods schepping tot stand kwam. Je hebt waargenomen hoe alles geschiedde en dat alles wat in het heelal leeft Gods eigen leven is. Een planeet nu is een vonk, een machtige kracht aan energie en dat zijn alle planeten en sterren die in het universum hun plaats hebben ingenomen en alles wat tot de zichtbare energie behoort. Ik heb je dat reeds verteld. In alles, in bomen en planten, is Gods leven, want daarom leeft het of het zou niet bestaan.
Het leeft omdat het leven moet, Gods leven is, doch in het dierlijke en menselijke leven ligt iets anders. Van het begin van de schepping af is dat in ons geweest, omdat wij en het dierenrijk uit dat ontzaglijke kwamen. Gods splitste zich, verdeelde zich in biljoenen delen en van dat ogenblik af lag vast, dat de mens een eigen wil zou bezitten en die wil, dat wezen dus, is een deeltje van God. In de eerste ogenblikken bezat de mens of dit deeltje van God geen bewustzijn. Dat deeltje zou in de eerste plaats een prachtig lichaam ontvangen, want dat is de bedoeling van de gehele schepping en dat zou de mens worden. De Godsvonk, dat zal je nu duidelijk zijn, is in wezen energie en die energie kwam uit dat, wat God is, wat men God noemt, voort. Ons gehele zijn als mens, André, is die Godsvonk en dat zijn tevens al die planeten, alles wat in het universum leeft. Doch de mens, en ook dit zal je thans duidelijk zijn, ontving van God niet alleen Diens eigen leven, doch wij gingen in Zijn heilig leven over. God wilde dat wij door Zijn afstemming als God zouden worden, die bewust in het universum zouden overgaan en ons dat eigen zouden maken.
Een vonk Gods is het dier op aarde, ook een stuk steen, een stuk ijzer, doch wij de bewúste, bezíelende wezens die dit Godsgeschenk ontvingen.
Wij mensen, André, vertegenwoordigen dus onze heilige Vader, God gaf zichzelf aan ons en is in en om ons heen en blijft dat voor eeuwig. Zoals wij ons concentreren om in iets over te kunnen gaan, iets te kunnen bereiken en er met ons geheel innerlijk aan moeten denken, om datgene wat onze aandacht heeft te kunnen bereiken en tot stand te brengen, zo schiep God ons en al het leven dat er is, dat voor ons dient en dat wij nodig hebben, om in die Goddelijke toestand bewust te kunnen binnengaan. In ons ligt die Goddelijke kracht, wij zijn die kracht en het is aan ons er iets van te maken, dàt van te maken, om het bewuste Goddelijke wezen te worden.
Is het je nu duidelijk wat de Godsvonk is?'
'Ja, Alcar, volkomen. Ik ben het dus zelf.'
'Zo is het, mijn jongen. Jij bent die Godsvonk, jij bent een deeltje van God, jij bent uit dat wat God is, voortgekomen, jouw leven vertegenwoordigt Gods eigen leven. Alles wat tot de schepping behoort is God of een deeltje daarvan. In ons ligt Zijn heilig leven, maar het is aan ons dat eigen te maken.'

Tekst uit: Het Ontstaan van het Heelal; Jozef Rulof; Stichting Wayti Uitgeverij; 6e druk; blz. 209-211.

 

 Geloof, Hoop en Liefde.

 

(boodschap van meester Alcar door Jozef Rulof-

uit: Een blik in het Hiernamaals – Hoofdstuk VII)

 

Hier ben ik weer. Goedenavond, mijne vrienden en vriendinnen, zusters en broeders. Ik wilde u vanavond spreken over geloof, hoop en liefde.

Het is zo heerlijk, tot u te komen om u het licht van gene zijde te brengen; het licht dat God ons geeft om het u te brengen. Gods liefde.

En waarom is het zo heerlijk hier te mogen zijn? Omdat onder u harmonie heerst; een samengaan van ziel met ziel, wat zo nodig is. Want die harmonie schept een sfeer, die heilig is en mooi, zoals ze maar bij weinig mensen wordt gevonden. En daarom ben ik dan ook zo dankbaar dat ik in uw midden mag komen.

Begrijpt mij goed als ik zeg: màg. Want het is niet mijn wil, maar het is Gods heilige wil die ik volbreng. En dankbaar ben ik, dat ik die mag volbrengen. Het is zo heerlijk in uw midden te zijn, want ik voel al de door u uitgezonden stralen om mij heen en dat geeft mij zo’n vertrouwen dat er hier nooit iets anders dan het goede zal gebeuren. Van u allen gaat iets goeds uit, omdat ge weet en het goede wilt. Omdat gij vol verlangen zijn, het hogere te doen en alleen het hogere te willen. En al merkt ge dat niet dadelijk en al weet ge dat zelf nog niet, ik zeg het u zo gaarne, omdat dit misschien een aansporing voor u zal zijn om op deze weg voort te blijven gaan; wat u zal sterken en opbouwen.

Ach, een ieder heeft in zijn leven steun nodig en ik weet dat zo’n woordje van mij u goed zal doen.

Daar, ziet allen omhoog

Daar ziet ge het geloof, de hoop en de liefde en van de laatste zult ge het meeste zien; dat is de liefde en die is mooi. O, zij is zo mooi. Gelooft daarin en handelt daarnaar, want zonder het geloof in het hiernamaals, zonder de hoop op beter en zonder de liefde die een band vormt, zou het leven troosteloos zijn. Die drie woorden geloof, hoop en liefde, geven u een blik in de Goddelijke genade. Als God u geloof, hoop en liefde schenkt, dan is dat meer dan een mens verdient. En wanneer men deze niet bezat, zou het leven dan wel zijn te dragen? Geloofde men niet in God, geloofde en vertrouwde men niet dat Hij ons dat alles zal schenken, zou het leven hier op aarde dan niet diep en diep droevig zijn? Ze is zo mooi, zo heilig, die drie-eenheid en zo alleszeggend voor de mensenziel. Ze is zo groot, zo rein. Het is meer dan gij kunt bevatten.

Maar al neemt gij van dat alles slechts een heel klein deeltje tot u en al hebt ge ook maar een beetje geloof, een weinig hoop en een sprankje liefde, dan neemt en pakt u al iets van dat oneindig heldere, van dat o zo mooie, van dat Goddelijke. En gij mens, moet zorgen dat het groeit, at het uitdijt, dat het krachtiger en mooier wordt; dat er in u een wolk van geloof, een wolk van hoop leeft en ge een zon van liefde laat stralen in blauwe glans. Dan eerst hebt ge een etherische uitstraling om u heen. Dan gaat er zo iets moois, zo iets heerlijks van u uit en ziet God Zijn kinderen zoals Hij ze gaarne wil zien. Gelooft, hoopt en hebt lief, dan zal God u zegenen. En dan zult gij God kunnen aanroepen, in dankbare ootmoed voor hem neerliggen en hem kunnen danken voor het mooie, het heilige en het goddelijke dat Hij in uw leven heeft gebracht. Dat is dan het mooie in het leven; dat is het Goddelijke licht. Maar helaas, er zijn er nog zo velen, die dat licht niet zien of niet willen zien. En als men dan zelf wel het geloof, de hoop en de liefde in zich draagt en men vindt ze niet op zijn weg, dan is deze zo moeilijk, zo zwaar, zo dor; dan is hij als verloren.

Dan vindt men overal braamstruiken over die weg groeien en moet men met de handen de struiken uit elkaar trekken, wil men het goede pad vinden. Dan gaan die handen bloeden en moet men de doornen uit het vlees trekken, omdat zij zo’n pijn doen. Dan is de weg moeilijk. Maar in uzelf moeten het geloof, de hoop en de liefde groeien en ge moet beseffen, dat ge die struiken met Gods hulp van elkaar kunt buigen, omdat ge dan de weg zult kunnen vinden naar het mooie, naar het hoge en naar het heilige.

Ge moet vertrouwen, dat ge die weg kunt vinden en eindelijk zult ge hem ook vinden. Vertrouwt, vertrouwt. Hebt geloof in uzelf, hebt hoop op beter en laat de liefde in u bloeien. Strijd is goed vrienden, strijd zal u sterken, maar de strijd moet u tot het hogere, tot de drie-eenheid: geloof, hoop en liefde voeren. Ge moet strijden, totdat ge dit doel hebt bereikt. Eens zult ge overwinnen. Maar zolang ge u aan de  moeilijkheden van de weg wilt onttrekken, zal uw strijd steeds moeilijker worden en uw pad zwaarder. Dan zullen er niet alleen doornen van braamstruiken op uw weg zijn, maar alles wat doornen heeft zal erop groeien, als bergen zo hoog.

En ge komt er niet door, voordat ge u buigt voor Gods wil, in ootmoed knielt en zegt: ‘God vergeef mij, ik heb verkeerd gedaan.’ En wanneer ge dan uw blik verheft en ge ziet in de verte de schitterende kleuren, waarin dat geloof, hoop en liefde staat geschreven, dan zullen alle doornen voor u verdwenen en het pad effen, glanzend en als een lichtweg, open zijn. En dan zult ge met open armen op het licht toetreden en dankbaar zijn, dat ge dat hebt mogen bereiken. Hebt geloof, hebt hoop en kent liefde. Kent liefde voor uw naaste, kent liefde voor alle schepselen Gods, kent liefde voor hen die van u zijn heengegaan. Kent liefde voor God en kent liefde voor hen die u niet begrijpen.

Uw weg is niet altijd gemakkelijk, maar met Gods hulp, met het geloof, de hoop en de liefde, die Hij in uw hart legt, zult ge in het licht komen. Vertrouwt daarop. Vertrouwt daar altijd op.

Het is zo heerlijk om in uw midden te zijn en u dit alles te kunnen geven; u te kunnen zeggen wat er op het hart ligt, een oor te vinden dat luistert, een gemoed dat begrijpt en een ziel die naar het hogere zoekt. Mogen mijn woorden, die zo eenvoudig zijn en toch zoveel willen zeggen, een klein beetje van Gods almachtige kracht in uw harten leggen. Moogt ge allen in moeilijke ogenblikken geloven, hoop hebben  en in Gods liefde leven. Dat God u moge zegenen. Amen.

 

Tweelingzielen.

 

Het begrip ‘tweelingziel’ is een kernthema in de boeken van Jozef Rulof. In ‘Het ontstaan van het Heelal’ beschrijft meester Alcar hoe wij als ‘paren’ geboren zijn op de eerste bewoonbare planeet. Hoe ieder van ons samen met zijn of haar tweelingziel als een eeneiige tweeling tegelijkertijd geboren is uit dezelfde oercel. We horen bij elkaar als man en vrouw, en tezamen gaan we onze eeuwige evolutieweg. Uit al die miljarden zielen is er dus één  waarmee wij een twee-eenheid vormen. Tijdens onze tocht zijn wij elkaar echter kwijtgeraakt en zijn onze wegen gescheiden. Doorgaans zullen wij elkaar pas terug zien in de sferen van licht, nadat wij al onze aardse levens beleefd hebben. In ‘De kringloop der Ziel’ beschrijft meester Zelanus zijn innige verbinding met zijn tweelingziel, en hoe deze verbondenheid als een rode draad door hun vele levens is geweven. In ‘Door de Grebbelinie naar het eeuwige leven’ vraagt de hoofdpersoon Theo na zijn aardse dood aan zijn vader in de sferen van licht hoe en wanneer wij onze tweelingziel terugzien. Zijn vader legt uit dat wij ons allereerst universele liefde moeten eigen maken, zodat we alles wat leeft onvoorwaardelijk liefhebben. Dan pas zijn we klaar om te voelen welke ziel in de ruimte op ons wacht om te samen verder te gaan en onze kosmische bestemming in bezit te nemen.

 

Uit: ‘Door de Grebbelinie naar het eeuwig leven’.

…’Ik begrijp, waar je aan denkt, Theo. Maar hier geschiedt alles op tijd. Pas als ons bewustzijn die hoogte bereikt heeft, zullen we in verbinding gebracht worden met de ziel, die tot ons behoort. Dan zijn we geheel gereed voor hem of haar, zijn we klaar om het wonder van de tweelingliefde te beleven. Je voelt het al, dan kan er van niet-aanvaarden geen sprake zijn. Ons hele innerlijk, ons denken en voelen zijn erop gericht het zielenleven dat is als wijzelf zijn, te ontvangen. In de liefde zijn wij zo hoog gegroeid dat zij universeel geworden is. En toch, de liefde voor zijn ziel gaat daar nog bovenuit, zij is anders en slechts te voelen voor dat éne wezen in de ruimte, dat God schiep als onszelf.

Ik kan op aarde een vrouw liefhebben, onze karakters kunnen bijeenkomen, ons leven kan daar een hemel gelijk zijn, en toch hoeft dat niet te zeggen dat deze vrouw mijn tweelingziel is. Want de tweelingliefde gaat er ver bovenuit, zij heeft kosmische betekenis, al kan zij ook op aarde reeds worden gevoeld. Met vele zielen kunnen wij begenadigde banden hebben – toch hoort slechts één wezen in het heelal waarachtig bij ons. En God zelf was het, Die ons die ziel toewees.’

‘Wanneer geschiedde dat, vader?’

‘Dat ligt ver terug, mijn jongen. Toen God Zichzelf wegschonk aan ons, Hij ons het eerste leven gaf, de planeten zich gingen verdichten en het evolutieplan een aanvang nam, gingen wij in dat geluk over. Het zielenleven nu, dat met mij de allereerste graad van leven beleefde, mijn ziel in zich opnam, dát is de ziel, die kosmisch bij mij behoort.’

‘Maar dat kun je toch niet meer weten, vader?’

‘Het weten ervan heeft ook geen betekenis, maar het gevoel in ons zegt het, met een zekerheid als zei God Zelf het tot ons! In het allereerste stadium van de schepping werden wij tegelijk geboren en voelden we ons één. Toen begonnen we tezamen aan onze geestelijke evolutie. Eeuwig en altijd zullen wij tot elkaar behoren. God schonk ons deze onuitsprekelijke genade.’

‘En we worden er ons hier weer van bewust, vader?’

‘Ja, eerst aan deze zijde keren we in dit bewustzijn terug, al is dat, zoals gezegd, ook op aarde mogelijk. Enkelen hebben zich daar dat bewustzijn eigen gemaakt.’

‘Maar waarom weten wij eerst hier van dit grote geluk af?’

‘dat is toch heel duidelijk, Theo. Op aarde kennen we onszelf niet eens. Hoe zouden we dan van deze weten iets afweten? Op aarde hebben de mensen in de regel alleen zichzelf lief en dit soort liefde, je voelt het, heeft niets uit te staan met de machtige tweelingliefde. De mensen leven er hun eigen leven en gaan niet in op de zielenlevens die op hun weg komen. Ze voelen er niets voor om zich voor deze te buigen en hebben dan ook niet lief. Maar weinigen zijn er die waarachtig liefde bezitten.’…..

 

 Frederik van Eeden  

(Uit: de sleutel tot Maskers en Mensen)

 

De tekst, uit de sleutel tot Maskers en Mensen, over Frederik van Eeden.
Wonderlijk treffend wanneer je ook, zoals ik, zijn dagboeken hebt gelezen en de meeste van zijn 'aardse' boeken.



U kent natuurlijk uw grote Frederik van Eeden. Over hem ga ik u iets vertellen. Toen hij de Aarde verliet, het geestelijke leven binnentrad, vingen wij hem op, omdat zijn leven en streven afstemming heeft op de "Universiteit van Christus". Deze persoonlijkheid heeft àlles willen doen en met hem anderen, om de mensheid vrede en geluk te schenken, maar ook Frederik van Eeden kende het leven niet en stond machteloos. Wie goede gedachten wil verstoffelijken voor de geestelijke ontwaking, werkt voor Christus!
Wie voor het geestelijke zichzelf wil geven en die evolutie volgt en voor de mensheid iets doet, dat met ziel, leven en geest te maken heeft, en waarvoor de mens alles van zichzelf inzet, staat onder contrôle van de meesters en hebben nu een eigen taak te volbrengen. Dat weten de meeste mensen niet, maar dat weten wij!
Meester Alcar kent Frederik van Eeden uit vorige levens, ook hij was een adept van de Tempel van Isis. Dat leeft in Frederik van Eeden,dat is zijn stuwing, zijn gevoel, zijn wil op aarde en zijn persoonlijkheid. Hierdoor zocht hij naar de werkelijkheid! En daardoor schreef hij zijn mooie boeken, maar was toch niet zo bewust om te weten wát hij eigenlijk had kunnen bereiken, alléén de gevoelens zijn er in hem, die hem het verlangen geven àlles van zijn God te leren kennen. Hij is een vurig onderzoeker voor de occulte wetten, is van alles geweest en heeft alles gewild, maar hij kijkt niet achter de kist en dat is ook niet mogelijk, want hij is geen direct instrument.
Van Eeden komt in het leven achter de stof en ontwaakt. Het eerste woord, dat hij te horen krijgt is:
"Weet u, dat u op aarde hebt geleefd? Voelt u, dat gij nu de aarde hebt verlaten?"
Van Eeden voelt dat en hij weet het. Hij schreit zich leeg van ontroering, omdat hij voelt,dat hij daar heel iets anders had kunnen doen, maar hij weet thans ook, dat hij daarvoor het vereiste gevoel miste.
"Dus toch"... komt er over zijn lippen, als wij voor hem staan en de eerste wetten verklaren... "dus toch... leef ik nu in de eeuwigheid."
Hij snikt het uit en wij laten hem schreien, maar hij is in goede handen, in de handen van meester Alcar. Elk mens snikt het uit, wanneer de waarheid en werkelijkheid voor ziel en geest voor u staan en uw leven in liefde ontvangt. Eerst nu weet de mens zijn hoofd te buigen en indien u nu licht bezit, voor het goede hebt gewerkt, is dat universeel en ruimtelijk geluk! Deze menselijke ontroering overvalt iedereen, man en vrouw zijn nu als kinderen van Christus zo gelukkig. Ik ga heen en zal tot hem terugkeren, maar ik heb van meester Alcar mijn orders gekregen; ook Jeus zal die leren kennen. En na enkele dagen volgens uw tijd, ziet hij mij terug. Ik heb een boodschap voor hem, maar wij kennen het gevoel dat er in hem leeft en tot bewustwording is gekomen. Zijn ziel is vragend en smekend; de persoonlijkheid; maar hij weet niet wat het is. Hij weet niet waardoor hij zo verlangend is, het is meer dan het gezoek naar God.
"En hoe is het met u, mijn broeder?"... krijgt hij van mij te horen.
"Wie bent u, meester?"
"Voelt u, dat ik een meester ben?"
"Dat zie ik aan uw licht"". geeft van Eeden mij terug.
"Voelt u zich sterk genoeg om mij te volgen?"
“Ja, meester, ik ben gereed, gaarne."
"Welnu, ik ga met u naar de aarde terug en onderweg daarheen, kunt ge mij vragen stellen."
Onmiddellijk wil hij weten, w áár hij leeft en die wetten kan ik hem verklaren. Wij zweven door de stoffelijke ruimte, hij ziet de sterren en planeten, hij voelt zich op dit ogenblik als een Gevleugelde, wat hem steeds weer opnieuw ontroert. Het is me nog al wat, zou Jeus zeggen, maar dit is enorm! Voor Van Eeden en elke ziel van de aarde een Goddelijke openbaring. Mijn God, zucht hij telkens weer, waaraan heb ik dit verdiend? Dit moeten de mensen van de aarde weten, want ik leef en al het leven blijft leven. Over de eerste uren van zijn binnentreden is een machtig boek te schrijven. Juist omdat hij zijn leven voor het goede heeft ingezet en thans de Goddelijke werkelijkheid in zich draagt, op die werkelijkheid naar de aarde terugkeert; want hij voelt zich gedragen. Ik verklaar hem even hoe de ruimte nu is en kan hij begrijpen, dat wij gaan naar één doel, één punt op aarde en wel, zijn heengaan, dat eerst moet hij kennen. En dan gaan wij verder. Hij kan zijn tranen van geluk niet bedwingen, zo machtig is het voor zijn persoonlijkheid. Telkens valt er over zijn lippen:
"Mijn goede God, ik leef, ik leef in de oneindigheid. Hoe heb ik tijdens mijn leven hiernaar gezocht! Ik heb God lief gehad, meester. Ik heb door mijn geschriften willen aantonen, dat God een Vader van Liefde is. Maar ik heb dit alles niet ontvangen. Heeft deze wereld contact met de aarde?"
,Ja, mijn broeder, ook daarvan zal ik u straks overtuigen. Allereerst breng ik u tot uw stervensproces terug, opdat gij daarvan de wetten zult leren kennen."
"Zou ik een taak mogen ontvangen, meester, om te mogen dienen? Ik zal mij volkomen geven. U kent mijn leven?"
"Wij kennen u, mijn broeder. En later kunt ge een taak voor de meesters vervullen,"
"Wat is er in mij, meester, ik verlang zo hevig, ik zoek, ik mis mijn liefde."
"Ook die gevoelens komen straks tot bewustzijn en zullen wij u mee verbinden."
Van Eeden beleeft zijn sterfbed. Hij ziet zichzelf en kan schreien van ontroering, hij voelt zich als een kind van God. Dit is het machtigste wat u als mens achter de kist beleven kunt, omdat het u onmiddellijk tot de werkelijkheid voert. De mens van de aarde kan thans aanvaarden, hij is bovennatuurlijk bewust en beleeft deze éénheid als de astrale persoonlijkheid, die in niets veranderd is. Van Eeden snikt het uit van ontroering en dankbaarheid, ook hij voelt zich een levend kind van Christus. Hij weet al, hij heeft vleugelen gekregen. Ik volg hem in zijn denken en zie wat er in hem leeft. En dan bereiken wij de aarde, waarvan hij weet, hoe zijn leven daar is geweest. Toen hij dat alles in zich opgenomen had, vroeg hij mij naar de wedergeboorte en kon ik hem met zijn eigen verleden verbinden. Van
Eeden ziet, dat de kerk hem eens op de brandstapel heeft gesmeten, omdat hij geestelijke geschriften onder de gelovigen verspreidde. Hij. staat voor een machtige "Roman", waarvoor hij heeft geleefd, een levensfilm is het van ongekende schoonheid, van diepe smart en ellende, omdat hij door zijn geloof verongelukte en met hem de anderen die tot hem behoorden. Hij ziet, dat de moeder van zijn kind hem alleen liet, allemaal door het geloof, de kerk, waarbij het menselijke verraad ook nu nog te beleven is. Hij zucht, maar hij weet het, dit is een machtige openbaring. Hij weet ineens hoe hij daar heeft geleefd en wat hij in dat leven heeft gewild, het is niet anders dan dit van de twintigste eeuw waarvoor hij leefde en op aarde terugkeerde om zijn eigen karma én evolutieproces voort te zetten. Mijn God, wat doet de kerk verkeerd, valt er over zijn lippen, om het leven van God te verdoemen. Diepe smart voelt hij, nu zich het astrale leven openbaart. Wij vertoeven daar geruime tijd, omdat hij zich niet van dit leven kan bevrijden en dat is tevens noodzakelijk voor zijn verkregen bewustzijn.
Hij denkt, valt tot de ruimtelijke meditatie terug, waarna ik hem tot de sferen van licht breng, waar hij dit alles kan volgen. Het is daar, in rust en vrede, liefde en geluk, waar ik hem al deze wetten kan verklaren en komt hij tot het universele vragen stellen. Allereerst vraagt hij:
"Er is natuurlijk geen verdoemenis, meester?" "Néén, God verdoemt niet."
"Wat heeft de katholieke kerk toch gedaan. Vreselijk is het en ik, armoedige, klampte mij in die laatste ogenblikken nog aan haar leven vast, omdat ik dacht, zekerheid te bezitten voor dit bestaan. Welk een leven heb ik daar beleefd, ik bedoel mijn verleden, meester. Zou ik dat leven kunnen beschrijven, ik bedoel door een instrument?"
"Dat is mogelijk"
"Is uw woord wet, meester?"
,Ja, mijn broeder."
"Ik mag aanvaarden, dat dit mogelijk is?"
"Wij hebben contact, mijn broeder. Straks leert gij ook dat kennen, en dan schrijft u "Maskers en Mensen!"

 

Het Kerstfeest in de Hemelen

 

Vrede zij u allen, in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest! Ik groet u uit de naam van hen, die overgingen naar de sferen van licht en niet ophouden met u te beminnen, te begrijpen en te leiden!

Gij op aarde viert thans het kerstfeest, de gezegende dag, waarop Jezus Christus, Gods volmaakte Kind, opnieuw in de stof werd geboren om in opdracht van Zijn en onze Vader liefde en bewustzijn aan uw aarde te schenken. Voor velen is de herdenking van deze dag niet anders dan een werelds feest, een stonde van louter vermaak, die de grauwheid van het jaargetijde aangenaam onderbreekt en veel te snel weer voorbij is.

Zo viert elke mens al naar gevoel en bewustzijn zijn eigen kerstmis.

In ons leven is dat heel anders. In de hemelen is het Kerstfeest een machtig en heilig beleven, dat door allen zonder onderscheid wordt meegevierd op een kracht, die gij van de aarde niet ondergaan kunt zonder te bezwijken. Door u ermee te verbinden, hoop ik evenwel te bereiken, dat ook gij ons beleven benadert, opdat ge althans iets van ons geluk in u voelt.

Er is een chaos op uw wereld, de mensheid zoekt zich nog te herstellen van de wonden, die zij opliep en tracht te midden van alle naoorlogse problemen een nieuw, vreedzamer bestaan op te bouwen. Meer dan op andere dagen zijn uw kerkgebouwen gevuld met knielende mensen, die het Kind van Bethlehem raad en troost vragen. Wie scherp luistert en zich instelt op Gods volmaakte Zoon, wie Zijn leven en woorden overdenkt, niet als een smekeling, maar als een naar weten en werken verlangende ziel, hoort Christus' stem boven het rumoer van de wereld uit. Zijn stem, die belevend en bezielend zegt: 'Laat de kleinen tot Mij komen, want hun behoort het rijk der hemelen!'

De mens, die deemoedig zijn hoofd buigt en zichzelf wil bevechten en verliezen, zal God en Christus winnen. Hij daalt diep af in de ernst en de heiligheid van het leven en weet wat hem te doen staat. Zie, zó beleven wij, hemelingen, de dag van Christus' wedergeboorte, die nu ook voor ons de nieuwe en wel geestelijke geboorte betekent.

Ik vraag u nu met mij op reis te gaan. Tracht u op mij in te stellen, maak u daartoe los van uw eigen voelen en denken. Pas dan is het mogelijk, dat ge loskomt van uw eigen wereld en die van Christus betreedt. Ik voer u naar sferen van licht, naar óns Kerstfeest. Wij vieren dat niet op uw tijd, want deze stemt niet met de werkelijkheid overeen: de Messias werd op een vroegere datum geboren dan u aanneemt. Wij stellen ons met de biljoenen zielen hier in op het heilige ogenblik, dat Christus van het Goddelijke Al uit naar de aarde afdaalde. Neergeknield, overweldigd door het onmetelijke gebeuren, schouwen wij in het Al en beleven, hoe Christus zich voor Zijn afdaling gereedmaakt. Hoeveel schoner, hoeveel natuurlijker was dit dan gij op uw aarde gelooft. Tracht mij aan te voelen, blijf dicht bij mij, wellicht kunt ook gij dan met uw innerlijke ogen die heiligheid waarnemen. Weet dan eens en voorgoed, dat Christus' afdaling in Zijn Moeder op dezelfde natuurlijke wijze geschiedde als bij elk van Gods kinderen het geval is. Onze Vader is rechtvaardig in al Zijn werken: Zo kón Hij geen afzonderlijke wetten maken voor een van Zijn schepselen. Christus was mens als wij, geen wet, geen graad werd Hem geschonken. Maria en Jozef kwamen tot een normale, menselijke verbintenis, die door hun liefde jegens elkander geheiligd werd en bekroond door het aantrekken van Christus' ziel. Alle hemelen stromen leeg, we dalen af naar de stal van Bethlehem en volgen daar het machtige gebeuren. Wanneer de geboorte van Christus plaatsvindt, zingen de engelen, die eens op aarde leefden en nu de volheid van hun astraal stemgeluid aanwenden om hun geluk, hun dankbaarheid in hemelse klanken te uiten.

Wij liggen neergeknield tussen de herders en de drie koningen en maken ons een met het moedergeluk van Maria. Haar geheiligde staat voert ons terug naar onszelf en we mediteren over onze eigen levens en we vragen ons telkens af, hoe wij ons eens vergaten en deze, Gods heiligste wet in de ruimte, bezoedelden. U leert hieruit, hoe wij hemelingen dit wonderbaarlijke gebeuren niet als een sensatie bezien, maar als een genade, die ons te leren heeft. Aan deze zijde leerden wij diep in een wet binnen te gaan en haar tot in de diepste graad af te tasten en eigen te maken!

Wij volgen de jeugd van Christus en zien Hem als klein kind, als een jongen van uw tijd spelend en ravottend en toch weer anders. Onder het spel kan Hij plotseling ophouden en naar een stille plek gaan om er te mediteren, want van het ogenblik, dat Hij Zijn ogen opensloeg, stond de Goddelijke bezieling op dit leven ingesteld en dit bleef zo tot Zijn laatste seconde op aarde. De jaren gaan rustig voorbij. Christus ontvangt Zijn scholing van Zijn vader en moeder en van anderen. Er is niets onnatuurlijks of buitengewoons, wat we ervaren, Zijn leven is nog als van ieder ander kind. Wel is er een bovennatuurlijke stilte in en om Zijn wezen. Tracht u daar eens in te gaan, zoals wij dat doen, dan wordt u iets geopenbaard van de Goddelijkheid, die Zijn leven en bestaan vult. Op twaalfjarige leeftijd treedt zijn bewustzijn aan de dag. Overtuigd van Zijn krachten gaat Hij de tempel binnen en onderhoudt zich met de schriftgeleerden. Hij verbluft hen met Zijn kennis, die nu al volledig op de wetten van Zijn en onze Vader is ingesteld. Hij spreekt van Zijn intuïtie uit, Zijn gevoel, dat Hij in Zijn miljoenen levens eigen maakte en dat alvermogend werd. Dan komt de tijd, dat het huisje en het dorp van zijn ouders Hem te klein worden. Hij zwerft uit naar buiten en zoekt de natuur op. Hij verbindt zich met het leven van boom, plant en dier en volgt hun ontwaken en groei. Hij beleeft de regen en de wind, het onweer en de bliksem, de maan en de zon, de nacht en de dag en dringt door tot hun kosmische diepte. In die uren gaan we aanvoelen, hoe ernstig Christus zich op Zijn taak voorbereidt en we zien ook dat Hij daarin niet verder gaat, dan Hij op dat ogenblik verwerken kon, hetgeen voor u en voor ons een les is ook in óns beleven geen stap over te slaan. Nu maakt Christus zich los van de natuur en stelt zich open voor het hogere leven op aarde: de mens. Hij volgt hoe deze in de moeder groeit en gestalte krijgt. Hij maakt zich één met het geboorteproces en beleeft de vorming van de persoonlijkheid. Weken en maanden lang peilt Hij de mensen om Hem heen en volgt Hij al die graden en bewustzijnstoestanden, totdat Hij boordevol is. Eindelijk keert Hij terug naar Zijn heilige moeder, die dag in dag uit bezorgd en beangst naar Hem heeft uitgezien en niet te troosten was door het woord van vader Jozef. Als Hij kalm en ernstig de kleine woning betreedt, vraagt zij schreiend: 'Mijn Kind, waar bent Ge zo lang geweest?' En hij antwoordt haar met een gezegde, dat voor elke ziel in de ruimte van betekenis is: 'Maar, moeder, waar kon Ik anders zijn dan bij het leven van Mijn Vader?' Nu begrijpt moeder Maria haar eigen Kind niet meer. Christus gaat voorbij aan haar geschrei, eens zal zij Hem en Zijn Goddelijke taak hier begrijpen. Medelijden kent Hij als Albewuste niet. Hij gaat naar Zijn kamertje en sluit zich af voor het rumoer van de aarde om verder te gaan in Zijn kosmische meditatie. Wij bevinden ons nu met Hem in deze kleine ruimte en zien daarin thans het Goddelijke heelal. Er brandt een klein licht, het is avond en een machtige stilte omvat ons allen. Hierin leren wij beter dan ooit de eenvoud van Gods volmaakte Kind kennen en voelen aan wat het zeggen wil, goddelijk bewust te zijn en toch alles van de aarde, zelfs de laagste instincten daarvan, lief te hebben. Ook dit moeten wij nu ervaren: dat we Christus slechts kunnen volgen tot de graad van denken en voelen, die we ons tot nu toe hebben eigengemaakt. Wij moeten aanvaarden, dat wanneer Christus zich opsloot en in gevoel loskwam van de aarde en de hemelen, Hij direct met Zijn Vader verbonden was, onze bezieling, onze kennis, onze liefde niet toereikend is. Nóg niet, weten we ook, want naast dit besef ligt direct het weten, ons door Christus zelf geschonken, dat we door aan onze eigenschappen te werken, meer nog dan tevoren onszelf in te zetten, eens wél zover zullen komen. Dit toch is de machtige, bezielende betekenis van Christus' leven, dat wij als elke andere ziel, zelfs al werkt ze voor het kwaad, eens Zijn Goddelijke staat zullen bezitten!

Wij wachten rustig af, tot het leven van Christus ons naar een andere toestand voert. Nu beleven we hoe Hij, volkomen gereed, in het openbaar treedt. Hij trekt de mannen aan, die Hem en de wereld als Zijn apostelen zullen dienen. We zien Hem in Zijn sneeuwwit gewaad door de velden gaan en Zijn Heilig Evangelie verkondigen. Hij geneest, die in Hem en Zijn Vader geloven kunnen, naar lichaam en ziel. Hij ontmoet liefde en begrip, maar ook woede, hoon en gemeenheid. Maar Hij blijft onder alle omstandigheden zichzelve gelijk. Hij, als Goddelijk-Bewuste, kent beter dan wie ook in de ruimte de afstemmingen van de mensen, tot wie Hij zich richt. Hij weet ook, dat dit Zijn uur is en dat Zijn woord eens zal worden aanvaard en nagevolgd. Hij spreekt niet alleen voor de mensen van Zijn tijd, Hij getuigt voor alle eeuwen. Er ligt een alvermogende zekerheid in Hem en elke stap, die Hij doet, is berekend. Nimmer is er zwakte, aarzeling of twijfel in Hem, ook niet als Hij denkt aan wat Hem wacht: Zijn Kruisdood. Hij zelf begeert deze smadelijke behandeling, of zij zou Hem niet geschieden. Al voor Hij naar de aarde afdaalde om de mensheid naar een hoger leven op te trekken, wist Hij, dat Zijn stoffelijk leven op de Calvarieberg zou eindigen. Daar toch, op die schandeplek, zou Hij de gelegenheid krijgen om Zijn woord te bewijzen, dat Goddelijke woord, dat voor de hele mensheid, op welke graad zij ook leeft, van universele betekenis zou zijn: 'Gij, mens, zult de Goddelijke volmaaktheid bezitten, wanneer ge in staat bent uw liefde, uw willen met uw leven te betalen. Pas dan bewijst ge op volle kracht, dat ge kunt wat uw Vader vermocht, en zal Hij leven in u en gij in Hem!'

We zijn naast Christus in de hof van
Ghetsemane en later op Golgotha. Om ons heen klinkt wild en wreed het gejoel van de onbewuste menigte. Wij ondergaan de haat, die zij op Hem afzenden, we voelen al naar onze graad de pijnen, die zij hem opleggen, en menigeen onder ons zinkt bewusteloos door deze smarten ineen. Maar keer op keer herstellen zij zich en zetten zij zich opnieuw in om de pijnen van hun Goddelijke Zaligmaker aan den lijve te ondergaan om daardoor te bewijzen, dat zij leven en dienen willen als Hij. En boven ons zingen weer de hoogste engelen. De engelen en verdere werelden staan open en hun licht verbindt zich en straalt neer op de lijdende, stervende Messias. Christus hoort de stemmen en ziet het licht en Hij glimlacht. Nu breekt ook het hart van de sterksten onder ons. Wij smeken God om kracht in ons verlangen om ook de laatste seconde volbewust te mogen beleven. We bidden onze God om strijd en beproeving, om loutering, want eenieder van ons wil hoger gaan, dieper in Zijn leven komen om het groter straling, dieper inhoud te geven. Dan maakt Christus' ziel zich los van Zijn gemarteld lichaam en de zijnen uit het Al vangen haar op en voeren haar omhoog, begeleid door het gezang van de miljoenen engelen. Op aarde verduistert een wijle het daglicht, een ogenblik houdt al het leven daar als het ware de adem in, als verbijsterd door de macht van dit gebeuren, maar dan breekt de hel weer los. Uit dit beleven van Christus' wandeling over de aarde bestaat óns kerstfeest.

Mijn broeders en zusters van de aarde, ik vraag van u , wat wij en André*) deden: tracht tot eenheid te komen met het leven van Christus, put daaruit in deze Kerstdagen en later, volg Hem in Zijn gedachten en daden en pas alles op uw eigen leven toe, ge zult dan geheiligd en gezuiverd naar de mensen terugkeren om wat u won in hun midden naar de letter toe te passen. Maak u los van uw beperkte-ik, breek af in u wat verkeerd is, offer en geef het schoonste van uzelf en ge beleeft uw eigen Golgotha. Smart en wanbegrip zult ge te verduren krijgen, zoals uw Messias, maar als Hij zult ge in dat ernstige, smadelijke uur het gezang van de hemelen horen. En dit zal voor u het teken zijn, dat u groeiend zijt en op weg om een hogere en gelukkiger levensgraad te bereiken. Ik bad Christus tijdens ons Kerstfeest hier om een licht te zijn in de duisternis op aarde. En daar dit, mijn verlangen op volle kracht naar Hem uitgezonden werd, beloonde Hij mij door mij een taak te schenken, een taak, die ik ook door dit woord help volbrengen. Laat dit gebed ook het uwe zijn in deze dagen en wanneer gij er met uw volle persoonlijkheid, met gans uw wil achterstaat, zult ook gij in Zijn Naam mogen arbeiden. God en Hij zegenen u dan en zeggen u: ‘Goed zo, Mijn Kind. Wij zijn bij u en volgen u!’ Ik ga nu heen en dank u allen voor de liefde, die u mij toedraagt. Ik ben ontroerd door alles, wat gij mij door Christus schenkt. God, mijn God, ik wil U en Uw leven dienen!

Meester Alcar

*) Aanspreeknaam van Jozef Rulof in een aantal van zijn boeken.

 

 

05. Enkele foto's

 

 

      Jozef als schilder

Jozef als schrijver   

Jozef en zijn boeken


Vermoedelijk portret van Jozef Rulof tijdens zijn vorige leven op Aarde in Engeland, waar hij Astronoom was, onder de naam Dennis Lefton, en een vriend van Anthony van Dijck die hofschilder was in die tijd. (Nu Meester Alcar aan Gene Zijde )

 

Het graf van Jozef Rulof

   

 

Een paar beelden uit 's Heerenberg

 

Borstelfabriek

   
gasthuis    Zeddamseweg
  Huis Bergh 

 

 

06. Hier volgt een  verslag dat mij werd toegestuurd door iemand die een gesprek had met een buur/tijdgenoot van Jozef Rulof

 

Op 1 mei 1999 te 's-Heerenberg gesproken met de voormalige bewoner (75 jaar oud) van het pand waar het gezin Rulof heeft gewoond. Zoals u weet is 's-Heerenberg de geboorteplaats van Jozef Rulof. Zijn huisadres was: Grintweg nr. 38 Nu heet deze weg Zeddamseweg. Een familielid van de voormalige bewoner heeft een drietal huisjes gekocht aan de Zeddamseweg. In één daarvan woonde in die tijd de moeder van Jozef (moeder Crisje) met haar tweede man Hendrik Wageman.

De eigenaar heeft deze huisjes  laten afbreken en hiervoor in de plaats een muziekwinkel met woonhuis laten bouwen. Indertijd werd er afgesproken, en dat is ook nagekomen, dat Crisje en Hendrik boven de winkel een kamer, keuken en slaapkamer kregen. De kinderen waren toen allemaal al het huis uit. Het woonhuis was bestemd voor de familie van de eigenaar.

De voormalige bewoner was een van hun kinderen. Hij vertelt ons: Als kind kan ik me nog herinneren dat ik wel eens onder mijn bed ben weggekropen wanneer Hendrik thuis kwam met een borrel op. Hij was dan nogal luidruchtig maar beslist niet vervelend of agressief. Crisje maande hem dan om rustig te zijn. Crisje was een mens met een hart voor iedereen. Als je bij haar binnen kwam dan zei ze: "drink eerst een bakje koffie, dan kun je zo dadelijk mee eten." Iedereen kon altijd mee blijven eten. Terwijl ze zelf amper genoeg hadden, deelde ze uit van wat ze in huis had.

Jozef heb ik heel goed gekend, evenals zijn zus en broers. Ze waren allemaal erg ondernemend en actief. Ze hebben veel bereikt ondanks hun sobere opleiding. Ze deden dat ook niet om er veel geld mee te verdienen, het was een soort van gedrevenheid wat ze in zich hadden.

Jozef interesseerde zich niet voor de school, in plaats daarvan ging hij vaak de bossen in of de polders, daar voelde hij zich thuis. Vaak ben ik er bij geweest als hij aan het schilderen was. Dat deed hij zo gemakkelijk. Normaal zal een schilder een schets en een indeling van het doek maken. Jozef deed dat niet, hij begon zomaar bovenaan het doek en maakte zo het schilderstuk af. Ik heb er wel een stuk of zeven van hem gekregen. Ik ben nu verhuisd maar moet ze nog steeds ophangen.

Ook ben ik er wel eens bij geweest wanneer hij aan het schrijven was. Hij deed dat ook al op een heel ongebruikelijke manier. Hij was dan geheel afwezig, zat vaak naar buiten te staren terwijl zijn vingers in een razend tempo over de typemachine bewogen. Voor mij was dat onbegrijpelijk terwijl hij het nooit heeft geleerd zo'n ding te bedienen.

Ik heb hem een paar keer bezocht in Den Haag. Ook toen hij was getrouwd met Anna de Wienerin heb ik hem nog wel eens een bezoek gebracht. Anna was een echt poetsvrouwtje, ze liep je als het ware met een doek achterna om waar je gelopen had meteen het mogelijk achtergelaten stof op te nemen. Ik werd daar gek van. Maar Jozef zei dan: " Daar moet je je niets van aan trekken, zo is ze nu eenmaal."

Ik heb bij hem ook zijn vriendin Annie van Nielsbergen, de pianiste, ontmoet, wat ik heel fijn vond daar de muziek voor mij alles is. (volgens de voormalige bewoner heeft Jozef haar geschilderd. ???)

 

We hebben hem verder nog enkele andere vragen gesteld o.a.
Heb je de volgende personen gekend? (uit het boek: Jeus van moeder Crisje, deel I)
De vroedvrouw Mina? Ja.

Gerrit Noesthede, de beeldhouwer? Ja, dat was een vriend van Hendrik.

Casje, de negotieman? Ja, die ken ik.

Anneke Klaredaal? Ja, maar dat is niet Klaredaal maar Klarenaar.(om redenen van privacy werden destijds in de trilogie 'Jeus van moeder Crisje' de meeste namen van personen anders weergegeven.) Dat was mijn tante, een zus van mijn vader. Die slagerij is er nog steeds tegenover het gemeentehuis. (de huidige slager heet ook Klarenaar.)

De Theet van de grutterij? Ja dat was Theet Hendriks.

Hanne Schuurman? Ja, van café "de Snor", die is er ook nog, aan het Stadsplein tegenover het V.V.V. (Molenpoortstraat)

Henk Klink? Ja, het café maar dat was Vink. Het Dassensteegje. Ja, maar dat heet nu "Kruisstuk".

De Boerderij van Hosman? Ja, dat was Bosman dat is de boerderij hier recht tegenover.

 

Hoe was het om met Jozef om te gaan, kon je iets begrijpen van waarmee hij bezig was, wat hem bezielde?

Begrijpen niet altijd, maar ik voelde dat het echt was, hij speelde niets. Hij was ook recht voor z'n raap. En als hij op z'n typemachine bezig was, dat was voor 'n gewoon mens niet bij te houden.

Maar hoe ging dat met andere mensen? Een koning wordt in zijn eigen land niet geëerd? Nou ja, dat heeft hij ook wel ondervonden hoor, niet iedereen was zo onder de indruk. Wie zit er nu in uw pand? Nu doet mijn dochter de zaak, zij repareert ook piano's en zelf geef ik nog steeds lessen en dirigeer ook nog orkesten.

De kamer waar moeder Crisje heeft gewoond, wat wordt daar nu in gedaan? Dat is hier rechtsboven en is nu de slaapkamer van mijn kleindochter.

 

 

07. Linken

 

Voor meer info over Jozef Rulof en zijn boeken, bezoek de website van The Age of Christ op    the age of christ

 

 Meester Alcar of Antoon van Dijck

 

 Site van Roland over Jozef Rulof

  

 Wie was Jeus?

 

 


emailbox

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

 

Stem Spirituele Vrienden in de

Top 100 NL

 

 

 

 

Website statistieken gratis, LetsStat X1