Geloof in een Hiernamaals
Iets van alle tijden

 

   

Beste spirituele vriend/vriendin, voor ons is het wellicht geen vraag meer: of er een leven na dit leven te verwachten is. De meesten van ons zijn hier vast wel van overtuigd. Dit mede door de vele boeken die de laatste tijd van de pers rollen en die duidelijk stellen dat ons bewustzijn niet afhankelijk is van het lichaam waarmee het verbonden is. (Ik denk hierbij, bv, aan Dr. Pim van Lommel en zijn boek over Eindeloos bewustzijn)

Over de vraag: hoe dat leven dan wel zal zijn zullen we het maar niet hebben, want ik vermoed dat we Ė om dat precies te weten te komen Ė zullen moeten wachten tot we die grens zijn overgegaan.

Het is wel frappant om te weten dat alle volkeren, in alle tijden, hebben geloofd aan een hiernamaals; een hiernamaals dat gekleurd werd door de materiŽle en religieuze invloeden van plaats en tijd.

Ik heb hiervan een kleine studie gemaakt en neem jullie graag mee op mijn ontdekkingsreis doorheen de tijd.

 

Mijn belangrijkste bron: Het Hiernamaals - Leven na de dood - Franjo Terhart

 

 

01. Inleiding - 02. Het oude Egypte -

Inleiding.

 

levensenergie           

 

Onze voorouders waren al vroeg van mening dat het aardse leven slechts een deel is van een groter geheel. Het hiernamaals werd door de mens als het ware ontdekt als witte vlek op de landkaart van het leven. Die vlek werd ingekleurd met uiteenlopende beelden en voorstellingen die afhankelijk waren van cultuur en religie. In de voor­stellingen van de meeste volken gaat het leven door na de laatste ademtocht. Door naar een andere wereld, die vaak niet zo veel verschilt van het leven op aarde.

 

Het geloof in een wereld aan gene zijde gaat waarschijnlijk terug tot de steentijd. De mensen gebruikten in die tijd weliswaar taal voor verbale communicatie, maar ze ken­den nog geen schrift. Ze versierden de wanden van hun holen met geheimzinnige symbolen als spiralen, cirkels en punten. Onderzoek wijst uit dat ze hiermee vermoedelijk wilden uitdrukken dat het leven meer inhield dan de jacht en de dagelijkse strijd om te overleven. In elk geval vanaf die tijd, maar vermoedelijk al vanaf zijn prille begin lijkt de mens gevoeld te hebben dat de dood niet het absolute einde is, maar slechts de markering van een grens.

Het idee dat er meer moet zijn dan slechts het aardse leven, vinden we bij zowel de Siberische sjamanen als bij de Azteken en Inca's van respectievelijk Midden- en Zuid-Amerika, de Kelten en Germanen in Noordwest ­Europa en de verschillende etnische groepen van Afrika. Ze ontwikkelden alle deels soortgelijke, deels uiteenlo­pende beelden van een wereld in het hiernamaals.

 

Grafgiften vormen het bewijs voor het geloof in een verder leven na de dood of ten minste in de reis naar een andere wereld. De neanderthalers gaven hun doden al bloemen mee in het graf.

In de loop van de tijd kwam er meer onderscheid in de denkbeelden over een leven na de dood. Opvallend is de overtuiging bij veel volken dat het lichaam over een onsterfelijke ziel beschikt, die uiterlijk niet zo veel ver­schilt van het fysieke lichaam. De dode hervindt zich met zijn fijnstoffelijke lichaam in een hiernamaals dat zijn culturele achtergrond en geloofswereld weerspiegelt. Zo leven de gestorven indianen in het dodenrijk in een wonderbaarlijke prairiewereld en de Egyptenaren hervin­den hun maatschappelijk leven. De overeenkomst tussen al die werelden is dat het voedsel eeuwig toereikend is en er vrede heerst voor allen. Dat alles beter is dan in het aardse leven hoort bij het beeld van het hiernamaals.

 

Wat hier volgt moet gezien worden als een ontdekkingsreis, als een bijzonder soort reis naar de werelden in het hiernamaals van verschillende culturen en religies. Het zou niet juist zijn om te zeggen dat het leven in het hiernamaals enkel een bedenksel is van de mens. Het geloof in een wereld na de aardse dood komt voort uit religieuze en culturele ideeŽn, het zegt iets wezenlijks over de hoop en verwachtingen van velen.

De Iraanse dichter en wiskundige Omar Khayyam (circa 1048-1122) drukt het haarscherp uit als hij schrijft: 'Ik stuurde mijn ziel door het onzichtbare, om mij tijding te brengen van het gindse leven na de dood. Spoedig daarop keerde zij naar mij terug en antwoordde: "Ik zelf ben hemel en helí In duidelijke taal betekent dat: we krijgen in het hiernamaals precies dat wat we in het leven hier verwachten en geloven.

Tegenwoordig zijn er verslagen van mensen die een zogenoemde 'bijna-doodervaring' hebben gehad, nadat ze door bijvoorbeeld het ingrijpen van artsen weer naar de wereld der levenden zijn teruggehaald. In hun ver­klaring dat sterven een inwijding (initiatie) in een nieuw leven is, wijken ze niet zo veel af van de ingewijden in de Griekse mysterieculten. Wat ze melden komt in grote mate overeen met de verwachtingen die ze op dat moment hebben van het hiernamaals.

Geestenzieners als Emanuel Swedenborg, Jozef Rulof of prinses Eugenie von der Leyen, en vele anderen, worden door gestorvenen bezocht. De beschrijving van het hiernamaals die zij te horen krijgen, weerspiegelen de christelijke ideeŽn van vagevuur en straf.

 

Het is voor mensen uit alle culturen en tijden altijd belangrijk geweest een zo precies mogelijk beeld van het hiernamaals te hebben. Dat geldt voor zowel Egypte­naren, Grieken en zogenoemde primitieve volken als de hogere religies, occultisten, spiritisten en esoterici.

Dit is een wereldwijd verschijnsel. Ook hier ziet men weer hoezeer de betreffende religie en het specifieke cul­tuurgebied hun stempel drukken op hoe het hiernamaals eruitziet. Hoewel er veel gelijksoortige, vaak terugkeren­de motieven zijn, ontstaan er deels ook zeer uiteenlopen­de opvattingen. Hierna volgt een overzicht van voor­stellingen over het hiernamaals van volken, religies en mediums uit alle tijden en culturen.

 

Maar eerst nog even iets over de fijnstoffelijke lichamen van de mens.

Over het algemeen is er in de esoterie en bij de verschil­lende mediums naast het fysieke lichaam steeds sprake van twee of drie fijnstoffelijke lichamen. Deze zienswijze komt overeen met die van volken uit de oudheid (Egypte) en verschillende religies (bijvoorbeeld het hindoeÔsme). Om een idee te krijgen van deze andere 'lichamen' van de mens, die normaal gesproken niet met het blote oog zijn waar te nemen, komen ze hier aan de orde.

1. Het etherische lichaam. Dit lichaam is verantwoor­delijk voor het fysieke functioneren en het fungeert daarbij als een soort barometer van het persoonlijke welbevinden. Er zijn genezers die door de beschouwing van het etherische lichaam ziekten kunnen vaststellen. Bij de dood van de mens sterft ook zijn etherische lichaam omdat dit nauw verbonden is met het fysieke lichaam. Het wordt ook wel levenslichaam genoemd.

2. Het astrale lichaam. Hierin worden gevoelens ver­werkt. Het is samengesteld uit alle wensen, emoties en gedachten die de menselijke geest bevat en wordt ook beÔnvloed door emoties en gedachten van anderen. Denk hierbij aan de massahysterie die kan ontstaan bij grote voetbalwedstrijden, popconcerten, oorlogen, etc. Dit fijnstoffe­lijke lichaam is het voertuig bij astrale reizen. Bij de dood van de mens verlaat het diens lichaam en gaat het naar de astrale wereld. Het astrale lichaam maakt zich spontaan los van het lichaam bij ongevallen, onder invloed van drugs en als een mens in coma raakt.

Het astrale lichaam is dat deel van de mens dat bij bijna-dood-ervaringen rondzwerft en ervaringen ondergaat in de astrale wereld.

3. Het mentale lichaam. Hierin bevinden zich alle gedachten met inbegrip van de bovenzintuiglijke en intuÔtieve waarnemingen. Hiermee herkennen mensen in hun diepste wezen de hogere geest en hebben ze spirituele ervaringen. Anderzijds is het mentale lichaam helemaal met het aardse en materiŽle domein verbonden - wat niet negatief is bedoeld. Volgens het Tibetaanse boed­dhisme kan de mens door het mentale lichaam de illusie van de wereld, die voor de boeddhisten niet werkelijk is, doorzien en tot ware kennis en verlichting komen.

 

 

DE EGYPTENAREN

 

2

 

De Griekse auteur Herodotus (circa 484-425 v.C.) maakt melding van een bijzonder gebruik van de Egyptenaren, dat hij bij zijn bezoek aan het land van de faraoís in 460 v.C. is tegengekomen. Herodotus schrijft dat de Egyptenaren bij ieder gastmaal een dode in een kistje in de kring van aanwezigen laten rondgaan - bedoeld wordt een beeldje in de vorm van een mummie - als herinnering aan de dood.

Herodotus geeft meteen de verklaring voor dit gedrag, dat vanuit het huidige oogpunt zo eigenaardig is.

De Egyptenaren gaven de volgende toelichting op het gebruik: 'Kijk hier goed naar en drink en vermaak je! Want als jij gestorven bent, zul je ook zo zijn.' De drijfveer voor dit gedrag was dus niet de rouw om een dode. De kleine mummie moest volgens de Egyptenaren juist aanmanen tot levensvreugde.

De oude Egyptenaren waren zich ogenschijnlijk bijzon­der bewust van het tijdelijke karakter van het aardse leven. De sterke aanwezigheid van de dood leidde ertoe dat de mens door zijn daden en door zijn geloof pro­beerde de tijd buitenspel te zetten. De Egyptische kunst, de piramiden en de mummies tonen ons de drang van de Egyptenaren om zich te vereeuwigen. De Egyptenaren wilden iets blijvends nalaten, iets voor de eeuwigheid. Egyptische afbeeldingen verwijzen vaak naar het eeu­wige. Dat is ook te zien bij de mummiecultus. Deze roept de vraag op met welk doel de doden zo royaal in linnen werden gewikkeld en werden bijgezet.

Voordat het mummificeren kon beginnen, verwijderde men de inwendige organen en de hersenen uit het lichaam van de over­ledene. Deze werden later in speciaal daarvoor gemaakte kruiken in de grafkamer bijgezet. Het lijk werd gemum­mificeerd en daardoor geconserveerd. Zo kon de dode in zijn geheel behouden blijven. Het vlees verschrompelde weliswaar, maar de gestorvene werd in zijn lichaam bewaard en bleef in zijn 'huis', de grafkamer, wonen. Hij kon zich daar voeden, kleden en mooi maken met de meegegeven grafgiften[1]. De Egyptenaren schiepen dus een soort 'levend' lijk dat men moest verzorgen.

Naast het graf zijn in het Egyptische geloof zowel de hemel als ook het dodenrijk verblijfplaatsen voor de gestorvenen. Aanvankelijk is de hemel nog voorbehou­den aan gestorven koningen, maar in latere tijden komen ook onderdanen ervoor in aanmerking. De Egyptenaar bereikt het hemelse dodenrijk indien ba[2], de ziel met een vogellijf en een mensenhoofd, in verbinding komt met de hemel. Een voorwaarde voor deze hemelvaart is ech­ter dat de ba iedere nacht weer naar het lichaam terugkeert. 

 

Osiris [3]


Volgens de Egyptische mythe werd Osiris, de echtgenoot en broer van Isis, door zijn broer Seth vermoord en in stukken gehakt, omdat Seth de alleenheerschappij over de mensen opeiste. Isis slaagde er echter in om haar geliefde weer samen te stellen en hem daardoor te laten herrijzen. Osiris verwekte bij Isis de hemelgod Horus, als zijn erfgenaam en wreker. Door een godsgericht werd besloten dat Osiris zou gaan heersen over de onder­wereld met zijn ontelbare doden. Daardoor werd Osiris opperrechter over het dodenrijk.

De opstanding uit de dood zoals die van Osiris zou iedere gestorven mens meemaken, als hij tijdens zijn leven de erediensten voor zijn god in acht had genomen, waarbij men symbolisch de dood van Osiris zou naboot­sen. Alleen als hij deze inwijding had ondergaan, kon de mens in het hiernamaals blijven leven.

Volgens de oude Egyptenaren is de hemel een vrouw. De hemelgodin heet Noet en zij is de moeder van Osiris. Zij zegt: 'Ik wil je opnieuw baren, in verjonging.' Allen die deze ervaring niet meemaken, zullen in het doden­rijk wegkwijnen; ze zullen zelfs, zoals men zegt, 'in het dodenrijk wegteren'. Degene die in de mysteriŽn is inge­wijd moet echter eerst de weg afleggen naar het hiernamaals met zijn talrijke poorten en hallen. Iedere ruimte wordt bevolkt door demonische wezens, die een gevaar vormen voor de ziel op zijn 'nachtelijke reis'. De dode beweegt zich door deze onderwereld via zijn spraak: aanroepend, bezwerend, intimiderend, smekend, ant­woordend of dreigend. Zijn 'kennis' van belangrijke namen, goden en cultusriten beschermt hem tegen de demonen en helpt hem op zijn weg naar Osiris.

De weg door de onderwereld is vol gevaren. Voort­durend wordt de dode bedreigd door poortwachters, die hem in hun netten willen vangen. Bovendien moet hij aantonen dat hij, net als de goden, een leven in het hiernamaals waardig was. De weg van de ziel, die naar Osiris wil om uiteindelijk net zo te worden als de 'groot­ste god zelf', wordt beschreven in het boek Amdoeat (amdoeat = 'dat wat in de onderwereld is').

 

Een deel van het dodenrijk van Osiris zou men hemels kunnen noemen. Maar er bestaat nog een ander deel, waar het ellendig en verschrikkelijk is. Op deze plaats ontbreekt het aan alles, aan water, brood, licht. Kwaad­aardige, demonische wezens slaan hoofden af, scheiden halzen van rompen, rukken harten uit de borst en rich­ten bloedbaden aan. Diepe ontsteltenis drijft de doden ertoe hier weer uit weg te komen, weg uit een land 'waar de omvergeworpen sterren op hun gezicht vallen en ze niet weten hoe ze zich weer moeten oprichten.'

De mens moet zijn eigen uitwerpselen eten, alles is er precies omgekeerd.

Wie niet weet wat van hem wordt verwacht, is over­geleverd aan dit oord van verdoemenis en zal daar eeuwig blijven vastzitten. Wie echter door een eerdere inwijding de nodige kennis heeft verworven, zal met succes zijn weg kunnen vinden door de eenentwintig poorten, de zeven hallen en de vijftien plaatsen van de onderwereld. Alleen dan kan hij in het rijk van Osiris bij de andere goden als gelijke aan tafel aanschuiven. Hij ondergaat daarvoor de 'reis van de zon door de nacht', onderneemt de grote reis naar het hiernamaals en moet op deze weg talrijke beproevingen doorstaan.

 

Het boek Amdoeat[4] 

Het beroemde boek Amdoeat toont dat voor de Egypte­naren de dood overwonnen wordt via de weg van het mysterie. In 190 spreuken wordt aan de ingewijde al het wezenlijke geleerd. Al tijdens het leven werd alles inge­studeerd met de hoop dat het geleerde en ingeprente ook in de reŽle situatie van de dood werkzaam blijkt.

Het doel van het boek, dat de weg door het hierna­maals beschrijft, is dat de mens zich met het 'rijk dat eeuwig duurt' verenigt. De dode moet zeggen: 'Ik ben de ba (de ziel) van Osiris en ga bij u binnen.' De ingewijde verdringt de duisternis van de onderwereld, is 'herrezen, vernieuwd, verjongd'. Hij is voor eeuwig een 'Osiris, de heer der eeuwigheid' geworden. Deze ervaring vindt plaats door de inwijding, zodat hij als 'ontwaakte' door leven en dood kan schrijden. Verjongd, want in de ideeŽn van de mysteriecultus gaat de ontwaakte als grijsaard via de staart bij een slang naar binnen en komt hij er als een jongeling door de mond weer uit. Maar voordat hij het hiernamaals echt kan betreden, vormt het dodengericht de laatste beproeving voor elke dode.

 

Het dodengericht

Het dodengericht vindt plaats in de 'hal der beide waar­heden', waarbij 42 rechters onder leiding staan van Osi­ris. Een juiste levenswandel is een voorwaarde voor een voortbestaan in het hiernamaals. Als de dode ook maar ťťn stap verder wil zetten, moet hij Osiris' namen ken­nen. Daarom wordt hem de naam van de heer des huizes gevraagd: 'Wie is dat?'

- 'Osiris.'

- 'Ga dan naar binnen, ziel, je bent aangemeld.'

Dan pas komt hij voor het eigenlijke gericht, waar vooraf aan de dode vier vragen worden gesteld: 'Waarom ben je gekomen?

- 'Om aangemeld te worden.'

- 'Hoe is het met je gesteld?'

- 'Ik ben rein van iedere zonde.' ­

- 'Bij wie moet ik je aanmelden?'

- 'Bij hem wiens plafond van vuur is, wiens muren slangen met valkenkoppen zijn, wiens vloer de rivier is.'  Hiermee wordt het rijk van de god Osiris bedoeld.

Nu moet hij voor 42 dodenrechters 42 zonden opnoe­men met de plechtige verzekering geen enkele daarvan begaan te hebben. Hij houdt zich daarbij aan de rituele formule van de zogeheten 'negatieve bekentenis'. Met de formule 'Gij zult niet...' wordt hij ondervraagd over bepaalde vergrijpen als verraad, grootspraak, bedrog, verduistering, roof en diefstal. Op deze vragen antwoordt de dode met: 'Ik heb niet...', waarbij de 42 rechters elk van zijn uitspraken onderzoeken.

 

Terwijl de dode beweert niet gezondigd te hebben, wordt zijn hart door de jakhalsgod Anoebis tegen de veer van Ma'at, de godin van de gerechtigheid, afgewogen. Het resultaat wordt geboekstaafd door de schrijvergod Thot. Is het hart lichter dan of even zwaar als de veer, dan mag de gestorvene naar het hiernamaals gaan. Is het hart ech­ter zwaarder, dan is de ziel met schuld beladen en niet meer te redden. Het hart van de overledene wordt in dat geval door Ammoet, de vreetster, in het dal van de duis­ternis verslonden, en de dode sterft een tweede keer.

Als hij van alle schuld wordt vrijgesproken, dan leeft de dode in het hiernamaals voort als persoon. Voortaan is hij lid van de hemelse verzorgingsstaat. Hij krijgt te eten en te drinken en een huis. Het aardse leven in Egypte en de gemeenschap der zaligen zijn volgens hetzelfde patroon opgezet.

Daarmee hebben degenen die van schuld zijn vrijge­sproken eeuwig en onbegrensd de beschikking over het voedsel van de goden en hun leven in het hiernamaals. Voor een Egyptenaar was er niets beters te wensen als loon voor zijn deugdzame leven.

 

 

 

 

 

 

  Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  
**********

Stem Spirituele Vrienden in de
Top 100 NL



**********
Tellers

 

 LetsStat website statistieken