De Grote Ingewijden Ė Eduard Schurť

Schets van de Verborgen geschiedenis der Godsdiensten

 

Rama - Krishna - Hermes - Mozes
Orfeus - Pythagoras - Plato - Jezus

"De Ziel is de sleutel van het Universum"

Vertaling van Filofotos

Ga, boek van Weten, thans de wereld in en zo ge landpalen mocht overschrijden,
laat het dan zijn om Licht te brengen bij taalverwante volken.
December 1909 - FILOFOTOS
 

 

DEEL IV - MOZES

 

DE ZENDING VAN ISRAEL

 


Er was niets, dat voor hem verborgen was, en hij bedek­te met een sluier het kernwezen van al wat hij aan­schouwd had.

Woorden onder het beeld van Phtahmer, hogepriester van Memfis. (Museum van het Louvre.)

 

Het moeilijkste en diepzinnigste van de heilige boeken, Genesis, bevat evenveel geheimen als woorden en in elk woord rusten er nog vele.

H. JERONIMUS.

 

Zoon van het verleden en grondzuil van de toekomst, draagt dit boek (de eerste tien hoofdstukken van Gene­sis.) erfgenaam van geheel de Kennis der Egyptenaren, ook de kiem van de toekomstige kennis in zich. Wat de natuur bevat aan diepte en geheimenis, wat de geest kan begrijpen van wonderen, wat het verstand bezit in de verhevenste betekenis, is in dit werk aanwezig.

Fabre d'Olivet, La langue hebraÔque restituťe. (Voor­rede.)

 


Mozes ontmoet Jetro

 

Mozes in gesprek met Jethro


INWIJDING VAN MOZES IN EGYPTE - ZIJN VLUCHT NAAR JETRO.

 

Ramses II was een van de grootste vorsten van Egypte. Zijn zoon heette Me­nephtah. Naar Egyptische gewoonte ontving hij zijn onderricht bij de priesters in de tempel van Ammon-Ra te Memfis, daar het koningschap be­schouwd werd als een deel van de priesterlijke waardigheid. Menephtah was een beschroomde, zonderlinge jonge man met middelmatig verstand. Hij bezat weinig aanleg voor de occulte wetenschappen, waardoor hij later in handen viel van tovenaars en sterrenwichelaars van lager orde. Tot studie­makker had hij een jonge man met grote begaafdheid en een vreemd geslo­ten karakter.

Hosarsiph[1] was de neef van Menephtah en zoon van de kroonprinses, zus­ter van Ramses II. Aangenomen of natuurlijke zoon? Dat is nooit uitge­maakt.[2] Hosarsiph was vůůr alles zoon van de tempel; want hij was op­gegroeid tussen zijn zuilen. Door zijn moeder aan Isis en Osiris toegewijd, had men hem van af zijn prille jeugd als leviet gezien bij de kroning van de Farao of op hoge feesten in de stoet der priesters, dragend de ephod, kelk of wierookvat; later in het binnenste van de tempel, ernstig en aandachtig het oor lenend aan de gewijde muziek, aan de liederen en onderrichtingen der priesters.

Hosarsiph was klein van gestalte en zag er nederig en peinzend uit; hij had het voorhoofd van een ram en zwarte ogen, doordringend als een adelaars­blik, verontrustend in hun ondoorgrondelijkheid. Men had hem "de zwij­ger" genoemd, dewijl hij altoos in zich zelf gekeerd was, ja bijna stom scheen. Dikwijls stamelde hij, terwijl hij sprak, als zocht hij naar woorden, bevreesd zijn gedachten te uiten. Hij scheen beschroomd. Soms flikkerde plotseling, als een felle bliksemstraal, een geweldige gedachte in een enkel woord, een spoor van glans achterlatend. Dan begreep men dat wanneer ooit "de zwij­ger" handelend zou gaan optreden het met een niets ontziende stoutmoe­digheid zou zijn. Reeds vertoonde zich tussen zijn wenkbrauwen de nood­lottige rimpel van hen, die voor een grote zending zijn uitverkoren; op zijn voorhoofd zweefde een dreigende wolk.

De vrouwen waren bang voor het oog van de jonge leviet, ondoorgronde­lijk als het graf, en voor zijn gelaat, strak als de poort van de tempel van Isis. Men zou gezegd hebben dat zij een vijand van het vrouwelijk geslacht zagen in deze toekomstige vertegenwoordiger van het mannelijk beginsel in de godsdienst.

Zijn moeder, de kroonprinses, wenste haar zoon op de troon der Farao's te zien. Hosarsiph was begaafder dan Menephtah; hij kon bij een bemachti­ging van het hoogste gezag rekenen op de steun der priesters. De Farao's wezen wel is waar hun opvolgers uit hun zonen aan, maar somwijlen ver­nietigden de priesters het besluit van de vorst na zijn dood, en dit geschied­de in het belang van de Staat. Meer dan eens werden onwaardigen en zwak­kelingen door hen van de troon verwijderd, om de scepter aan een ko­ninklijke ingewijde toe te vertrouwen. Reeds was Menephtah na-ijverig op zijn neef en hield Ramses de zwijgende leviet, die hij wantrouwde, in het oog.

Op zekere dag ontmoette de moeder van Hosarsiph haar zoon in het Sera­peum te Memfis, een onmetelijk plein, bezaaid met denknaalden, praal­graven, kleine en grote tempels, zegebogen, een openluchtmuseum van na­tionale luister. Deze plek bereikte men door een laan van zeshonderd sfinxen. De leviet boog zich ter aarde voor zijn koninklijke moeder en wachtte volgens landsgebruik totdat zij het woord tot hem richtte.

- Gij gaat u wijden aan de geheimen van Isis en Osiris, sprak zij tot hem. Lange tijd zal ik u niet meer zien, mijn zoon. Maar vergeet niet dat ge van het bloed der Farao's zijt en dat ik uw moeder ben. Sla de blik om u heen . . . wanneer gij wilt. . . zal dit alles u eens toebehoren!

En met een kringvormig gebaar wees zij op de denknaalden, tempels, Mem­fis en de gehele gezichteinder.

Een glimlach van geringschatting gleed over het gelaat van Hosarsiph, naar gewoonte strak en onbewegelijk als een bronzen borstbeeld.

- Gij verlangt dat ik zal heersen over dit volk, dat goden met jakhals-, ibis-­ en hyenakoppen aanbidt? Wat zal er na enige eeuwen van deze beelden overblijven?

Hosarsiph boog zich voorover en in zijn hand wat fijn zand nemend, liet hij het tussen zijn magere vingers voor de ogen van zijn verwonderde moe­der op de grond glijden:

- Zoveel als dit, voegde hij er bij.

- Gij veracht dus de godsdienst onzer vaderen en de kennis onzer priesters?

- Integendeel! ik haak er naar. Maar de pyramide is onbewegelijk. Die moet zich op weg begeven. Ik wil geen Farao worden. Mijn vaderland is ver van hier. . . ginds. .. in de woestijn!

- Hosarsiph, zeide de prinses verwijtend, waarom lastert gij God? Een vu­rige wind heeft u in mijn schoot gebracht, en, ik zie het wel, de storm zal u meevoeren! Ik heb u ter wereld gebracht en ken u niet. In naam van Osiris, wie zijt ge toch en wat wilt ge doen?

- Weet ik zelf het? Osiris alleen weet het; hij zal het mij misschien eens zeggen. Maar geef mij uw zegen, O, moeder, opdat Isis mij bescherme en de grond van Egypte mij gunstig zij.

Hosarsiph viel voor zijn moeder op de knieŽn, kruiste eerbiedig de handen op zijn borst en boog het hoofd. Zij maakte van haar voorhoofd de lotus­bloem los, die zij volgens het gebruik van de vrouwen van de tempel droeg, en gaf die haar zoon om de geur er van in te ademen. Ziende dat de gedach­te van haar zoon een eeuwig geheim voor haar zou blijven, verwijderde zij zich, terwijl ze een gebed fluisterde.

Hosarsiph maakte schitterend de Isis-inwijding door. Stalen ziel en ijzeren wil, speelde hij met de beproevingen. Mathematische en begaafde geest, leg­de hij een ongeŽvenaardheid aan de dag in het verstaan en toepassen der heilige getallen, waarvan het rijke symbolisme en de verscheidenheden bijna onbegrensd waren. Zijn geest, geringschattend de dingen die slechts schijn zijn en de mensen die voorbijgaan, kon zich alleen vrij bewegen in de on­veranderlijke beginselen. Op dit hoogtepunt kon hij rustig en zeker de diep­te peilen, alles overzien, zonder begeerte, weerstand of weetzucht aan de dag te leggen.

Zowel voor zijn meesters als voor zijn moeder was Hosarsiph een raadsel ge­bleven.

Wat hun het meest bezorgdheid inboezemde was zijn volkomen onwrikbaar­heid, een beginsel gelijk.

Men voelde dat niets hem zou doen buigen of van de weg afbrengen. Hij volgde zijn onbekend pad als 'n hemellichaam zijn onzichtbare baan.

De hogepriester Membra vroeg zich af hoe ver die in zichzelf gekeerde eerzucht reikte. Hij wilde dit weten. Op zekere dag had Hosarsiph met drie andere priesters van Osiris de gouden ark gedragen, die bij grote plechtig­heden voor de hogepriester uitging. Deze ark bevatte de tien geheimste boe­ken van de tempel, die handelden over magie en geestenbezwering.

Met Hosarsiph in het heiligdom teruggekeerd, zeide Membra tot hem:

- Gij zijt van koninklijke bloede. Uw macht en kennis overtreffen uw leef­tijd. Wat wenst ge nog meer?

- Niets, behalve dit. - En Hosarsiph legde zijn hand op de heilige ark, die beschermd werd door sperwers van louter goud, wier vleugels fonkelden.

- Gij wilt dus hogepriester van Ammon-Ra en profeet van Egypte worden?

- O, neen, maar ik wil weten wat in deze boeken staat.

- Hoe zoudt ge dit kunnen, daar niemand anders dan de hogepriester die kennen mag?

- Osiris spreekt zo als hij wil, wanneer hij wil en tot wie hij wil. Wat deze ark bevat is maar de dode letter. Als de levende Geest tot mij wil spreken, zal hij spreken.

- Wat denkt ge dan te doen?

- Wachten en gehoorzamen.

Deze antwoorden werden aan Ramses II overgebracht en vermeerderden zijn wantrouwen. Hij vreesde dat Hosarsiph naar de troon stond ten koste van zijn zoon Menephtah. De Farao beval daarom dat de zoon van zijn zuster aangesteld zou worden tot Schriftgeleerde van de tempel van Osiris. Deze gewichtige werkkring omvatte de symboliek in al haar vormen, de kosmo­grafie en sterrenkunde; maar daardoor werd Hosarsiph tevens van de troon verwijderd. De zoon van de kroonprinses wijdde zich met dezelfde ijver en volkomen onderworpenheid aan zijn taak van uitlegger van het geheime priesterschrift, waaraan ook verbonden was het ambt van inspecteur over verschillende nonen of Egyptische provinciŽn.

Bezat Hosarsiph de Hoogmoed die men hem toedichtte? Ja, als het hoog­moed is, wanneer de gevangen leeuw achter de tralies van zijn kooi zijn kop opheft en de gezichteinder onafgebroken blijft bespieden, zonder dat hij de voorbijgangers bemerkt, die hem gadeslaan. Ja, wanneer het hoogmoed is, als de adelaar aan een keten geklonken, over zijn ganse vederdos trilt en met uitgerekte en ontplooide vleugels de zon tegenblikt. Evenals alle ge­roepenen tot een groot werk geloofde Hosarsiph niet aan een blind noodlot; hij gevoelde dat een geheimzinnige Voorzienigheid over hem waakte en hem tot het doel zou voeren.

Terwijl hij als Schriftgeleerde werkzaam was, werd Hosarsiph op inspectie naar de Delta gezonden. De aan Egypte schatplichtige Hebreeuwen, die toen het dal Gosen bewoonden, moesten zware herendiensten verrichtten. Ramses II verbond Pelusium en Heliopolis door een keten van forten. Alle provinciŽn van Egypte moesten hun rechtmatig aandeel werklieden voor deze reusachtige bouwwerken leveren. Men belastte de Beni-IsraŽl met het zwaarste werk. Zij waren inzonderheid steenhouwers en steenbakkers. On­afhankelijk en hooghartig, bukten zij niet zo gemakkelijk voor de roede van de Egyptische opzichters, maar verzetten zich morrend en stelden zich som­tijds te weer. De priester van Osiris kon een geheim meegevoel niet onder­drukken voor die onhandelbaren "met onbuigzame nek," wier Oudsten, ge­trouw aan de overlevering van Abraham, in alle eenvoud de enige God aan­baden, die door hun opperhoofden, hun jags en zakens werd vereerd, maar die zich verzetten tegen de onderdrukking en opkwamen tegen de onrecht­vaardigheid. Eens zag hij dat een Egyptisch opzichter een Hebreeuw, die zich niet kon verdedigen, nedervelde. Zijn hart bonsde; hij wierp zich op de Egyptenaar, ontrukte hem zijn wapen en doodde hem zonder omwegen. Deze daad, in een opwelling van edele verontwaardiging bedreven, besliste over zijn leven. De priesters van Osiris, die een moord begaan hadden, wer­den door de raad van priesters streng gevonnist. Reeds meende de Farao een oproerling in de zoon van zijn zuster te zien. Het leven van de Schriftgeleerde hing aan een draad. Hij gaf de voorkeur aan vrijwillige balling­schap en de vrije keuze van boetedoening. Alles dreef hem naar de eenzaam­heid in de woestijn, naar het wijde onbekende, zijn verlangen, het voorgevoel van zijn zending en bovenal die innerlijke geheimzinnige maar onweer­staanbare stem, die op zekere ogenblikken riep: "Ga! het is uw roeping."

Aan gene zijde van de Rode Zee en het SinaÔtische schiereiland, in het land van Madian lag een tempel, die geen deel van de Egyptische eredienst uit­maakte. Dit gebied strekte zich als een groene strook uit tussen de Elami­tische golf en de woestijn van ArabiŽ. In de verte, aan de overzijde van de zeearm, zag men de donkere massa van de SinaÔ en zijn naakte kruin. Lig­gend tussen de woestijn en de Rode Zee, beschermd door een vulkanische bergketen, was dit afgelegen land gevrijwaard tegen vijandelijke invallen. De tempel was toegewijd aan Osiris, maar men aanbad er ook de opperste God, onder de naam van Aelohim. Want dit heiligdom van Ethiopische oorsprong was de godsdienstige verzamelplaats voor Arabieren, Semieten en volken van het zwarte ras, die wensten ingewijd te worden. Eeuwen lang reeds waren de SinaÔ en de Horeb de mystieke zetels van een monotheÔs­tische eredienst. De naakte en woeste grootheid van de berg, die allťťn stond tussen Egypte en ArabiŽ, wekte het denkbeeld aan de enige God op. Vele Semieten kwamen daar op hun zwerftochten Aelohim aanbidden. Zij brachten enige dagen met vasten en bidden door in de spelonken en uit­gegraven galerijen op de hellingen van de SinaÔ. Vooraf gingen zij zich zui­veren en lieten zich onderrichten in de tempel van Madian.

Hierheen had Hosarsiph de wijk genomen.

De hogepriester van Madian of de Raguel (Gods wachter) heette toen Jetro[3]. Hij was een zwarte[4] en behoorde tot het zuiverste type van het oude Ethiopische ras, dat vier of vijfduizend jaar vůůr Ramses over Egypte regeerde en dat zijn overleveringen, die tot de oudste rassen van de aardbol opklommen, niet had verloren. Jetro was noch geÔnspireerde, noch man van de daad, maar een groot wijze.

Hij beschikte over een schat van kennis, die hij bewaarde in zijn geheugen en in de stenen boekerijen van de tempel. En bovendien was hij de bescher­mer van de woestijnbewoners, rondzwervende LybiŽrs, Arabieren en Semie­ten. Deze eeuwige zwervers, altijd dezelfden, met hun onbestemd verlangen naar de enige God, vertegenwoordigden iets onveranderlijks tegenover de vele godsdiensten die verdwenen en de wisselende beschavingen. Men voel­de in hen, als de tegenwoordigheid van het Eeuwige, de herinnering van lang vervlogen eeuwen, de grote achtergrond van Aelohim. Jetro was de zielverzorger van deze onoverwonnenen, zwervers en vrijen. Hij kende hun ziel, voorzag hun lotsbestemmingen. Toen Hosarsiph hem in naam van Osiri­s-Aelohim om een schuilplaats smeekte, ontving hij hem met open armen.

Misschien zag hij dadelijk in deze vluchteling de geroepene, die de profeet der ballingen, de leidsman van Gods volk zou worden.

Hosarsiph wilde zich allereerst onderwerpen aan de boetedoening, die de wet der ingewijden aan moordenaars oplegde. Wanneer een priester van Osiris een moord, zelfs onwillekeurig, had bedreven, werd aangenomen dat hij het geluk van zijn toekomstige verrijzenis "in het licht van Osiris" had verloren, een voorrecht dat hij zich had verworven door de beproevingen van de inwijding, die hem hoog boven het alledaagse peil der mensen ver­hief.

Om zijn misdaad uit te wissen, zijn innerlijk licht weer te vinden, moest hij zich aan de hardste beproevingen onderwerpen, zich nog eens blootstellen aan de dood. Na een lange vasten, en door middel van zekere drank, viel de boeteling in een lethargische slaap; daarna werd hij in een grafkelder van de tempel nedergelegd. Hij bleef daar dagen, soms weken[5]. Men nam aan, dat hij in die tijd een reis naar het Hiernamaals, in de Erebus of in het gebied van de Amenti maakte, waarin de zielen der doden rondwaren, die zich nog in de aardse sfeer bewegen. DŠŠr moest hij zijn slachtoffer zoeken, zijn doodsangsten doormaken, zijn vergiffenis verwerven en het helpen de weg tot het licht te vinden. Eerst dŗn kon hij zijn misdaad als uitgeboet be­schouwen; alleen dŗn was zijn astraallichaam gereinigd van de zwarte vlek­ken, waarmede de vergiftigde adem en de vervloekingen van het slachtoffer hem bezoedelden.

Maar van deze werkelijke of denkbeeldige reis kon de schuldige evengoed niet terugkeren en vaak vonden de priesters, als zij de boeteling uit zijn schijndode slaap wilden wekken, slechts een lijk.

Hosarsiph aarzelde niet zich aan deze straf en nog andere beproevingen te onderwerpen[6]. Onder de indruk van de moord, die hij had bedreven, be­greep hij het onveranderlijk karakter van zekere wetten van de zedelijke orde en de grote stoornis, die hun schending teweegbrengt op de bodem van het geweten. Met volkomen zelfverloochening offerde hij zijn wezen ten zoenoffer aan Osiris, vragend om de kracht, wanneer hij weer tot het aardse licht zou zijn teruggekeerd, de wet der rechtvaardigheid te mogen verkon­digen. Toen Hosarsiph uit de gevreesde slaap in de grafkelder van de tem­pel van Madian ontwaakte, gevoelde hij zich een herboren mens.

Zijn verleden was als van hem losgescheurd. Egypte was niet langer zijn vaderland; voor hem lag de woestijn met haar rondzwervende volksstammen, als een nieuw arbeidsveld. Hij beschouwde de berg van Aelohim, die aan de gezichtseinder opdoemde, en voor de eerste maal, als een visioen in het wolkengordijn van de SinaÔ, trok het begrip van zijn zending aan zijn ogen voorbij: Hij moest uit deze zwervende volksstammen een strijdbaar volk vormen, dat de wet van de allerhoogste God zou vertegenwoordigen, te midden van de afgodsbeelden en regeringloosheid der volken - een volk, dat aan de eeuwen der toekomst zou overdragen de waarheid, vergezeld in de gouden ark der inwijding.

Sedert die dag en om tevens het nieuwe tijdperk te kenmerken, dat in zijn leven een aanvang nam, noemde Hosarsiph zich Mozes, hetgeen zeggen wil: de Geredde.



[1] Eerste Egyptische naam van Mozes (Manetho, door Philo gevolgd.)

 

[2] Het Bijbelverhaal (Exodus II, 1 : 10) maakt van Mozes een jood uit de stam Levi, die door de dochter van de Farao werd gevonden in het riet langs de Nijl, waar moederlijke list hem had verborgen, opdat hij door de prinses zou worden gevonden, om het kind al­dus te onttrekken aan een dergelijke vervolging als die van Herodes. - Daartegen lezen wij bij Manetho, de Egyptische priester, wien wij de nauwkeurigste inlichtingen over de dynastieŽn der Farao's verschuldigd zijn, welke ten huidige dage bevestigd zijn geworden door de ontsluiering van de opschriften der gedenktekens, dat Mozes een priester van Osiris was. Strabo, die zijn gegevens aan dezelfde bron ontleende, d.w.z. aan de priesters van Egypte, verklaart hetzelfde. - De Egyptische bron is hier betrouwbaarder dan de Joodse; want de priesters van Egypte hadden er geen belang bij om de Grieken en Ro­meinen wijs te maken dat Mozes een der hunnen was, terwijl de nationale eigenliefde der Joden hen dwong de stichter van hun volk tot hun eigen ras te doen behoren. Het Bijbelverhaal erkent elders dat Mozes in Egypte was opgevoed en door zijn regering als inspec­teur naar het land Gosen werd gezonden.

Dit is het belangrijke feit waaruit het geheime verband tussen de MozaÔsche en Egyptische inwijding wordt verklaard. Clemens van AlexandriŽ nam aan dat Mozes volkomen ingewijd was in de kennis van Egypte en het werk van de Schepper van IsraŽl zou zonder deze in­wijding feitelijk onbegrijpelijk zijn.

 

[3] Exodus III : 1.

[4] Later (Numeri III : I) na de uittocht, verweten Ašron en Maria, volgens de Bijbel broeder en zuster van Mozes, dat hij met een Ethiopische was gehuwd. Jetro, vader van Sefora was dus van dit ras.

[5] Reizigers uit onze tijd hebben bevestigd dat Hindoese fakirs zich laten begraven, nadat zij in cataleptische slaap gebracht waren, terwijl zij de juiste dag aangaven, waarop men hen moest opgraven. Een van hen werd, na drie weken begraven te zijn geweest, levend, gezond en wel teruggevonden.

[6] De zeven dochters van Jetro, waarvan de Bijbel spreekt (Exodus 11. 16-20) hebben blijkbaar een zinnebeeldige betekenis, zoals geheel dit verhaal in legendarische vorm tot ons is gekomen en geheel voor het volk geschreven, Het is meer dan onwaarschijnlijk dat de priesters van een voorname tempel zijn kudden liet weiden door zijn dochters en dat hij een Egyptisch priester met het werk van een herder belastte. - De zeven dochters van Jetro stellen voor zeven deugden, die de ingewijde zich moest eigen maken om de put van de waarheid voor hem te doen opengaan. Deze put wordt in de geschiedenis van Hagar en IsmaŽl genoemd: "de put van de Levende, die mij ziet."




HET VISIOEN VAN DE SINAI

 

 

Een sombere granietmassa, in het blakende zonlicht, dor en met groeven doorsneden; als beploegd met bliksemschichten en behouwen door het he­melvuur. Het is de top van de SinaÔ, de troon van Aelohim, volgens de kin­deren der woestijn. Daartegenover een kleinere bergketen, de rotsen van Serbal, eveneens verlaten en woest. Op de hellingen bevinden zich koper­mijnen en spelonken. Tussen beide bergen ligt een donkere vallei, een baai­erd van stenen, die de Arabieren Horeb noemen, de Erebus van de Semie­tische legende. Troosteloos en treurig is het dal, wanneer de nacht er over daalt met de schaduw van de SinaÔ; akeliger nog wanneer een wolkengordijn de bergtop omgeeft en onheilspellende lichtflikkeringen daaruit ontsnap­pen. Dan giert een hevige wind door de nauwe bergpas. Men zegt dat Aelo­him allen daarin doet neerstorten, die het wagen durven met hem te wor­stelen, en hen wegslingert in de afgronden, waarin de stortvloeden neerplof­fen. Daar dwalen ook, zo vertellen de Madianieten, de boze geesten der reu­zen, de RefaÔm, die rotsblokken laten neerstorten op degene, die de heilige plaats tracht te naderen. De volksoverlevering verhaalt ook nog dat de God van de SinaÔ somtijds in het vlammenschietend vuur zich vertoont als een Medusa-hoofd met arendsvleugels. Wee hem, die Zijn Aangezicht heeft aan­schouwd. Wie Hem gezien heeft, moet sterven.

Ziedaar wat door de rondzwervende stammen des avonds, voor de tent, in hun verhalen werd medegedeeld, terwijl kamelen en vrouwen ter ruste wa­ren. De waarheid is dat slechts de stoutmoedigsten uit de ingewijden van Jetro de spelonk van de Serbal betraden en er vaak vele dagen doorbrach­ten in vasten en gebed. Wijzen van Idumea waren daar geÔnspireerd. Het was een plek die sedert onheugelijke tijden toegewijd was aan bovenzinne­lijke verschijningen, aan Aelohim, aan de lichtende geesten. Geen priester of jager werd bereid gevonden de pelgrim er heen te geleiden.

Mozes was onbevreesd door het ravijn van Horeb getrokken. Hij had met onverschrokken hart het dal van de dood en de baaierd van rotsblokken be­treden. Als elk menselijk streven heeft ook de inwijding haar ogenblikken van nederigheid en hoogmoed. Terwijl hij de hellingen van de heilige berg beklom, had de hoogmoed van Mozes het toppunt bereikt, want hij voelde het hoogtepunt van het menselijk vermogen onder zijn bereik komen. Reeds meende hij zich ťťn te gevoelen met het Opperwezen.

In gloeiend purper boog de zon zich over de vulkanische massa van de SinaÔ en overstreken paarse schaduwen de dalen, toen Mozes voor de ingang van een spelonk stond, die door schrale amandelbomen werd beschermd. Hij maakte zich gereed binnen te gaan, maar week als verblind terug voor een licht, dat hem plotseling omhulde. Het scheen hem toe, dat de grond onder hem brandde en de bergen van graniet veranderd waren in een vlammenzee. Bij de ingang van de grot blikte een verblindende verschijning hem te­gen en versperde een vlammend zwaard hem de weg. Mozes viel als door de bliksem getroffen met het gelaat ter aarde neder. Al zijn trots was gebro­ken. De Engel had hem met zijn blik doorboord. Doch toen, met het diepe inzicht in de dingen, dat in visionaire toestand ontwaakt, had hij begrepen, dat dit wezen hem geweldige dingen ging toevertrouwen. En hij deinsde te­rug voor de aanvaarding van zijn zending en wilde in de aarde een schuil­plaats zoeken als een ellendig schepsel.

Maar een stem riep: - Mozes! Mozes!  En hij antwoordde:  - Hier ben ik!

- Treed niet nader. Doe het schoeisel van uw voeten; want de plaats waar­op gij staat is heilig.

Mozes verborg het gelaat in zijn handen. Hij vreesde de Engel aan te zien en zijn blik te ontmoeten.

En de Engel sprak tot hem: Gij, die Aelohim zoekt, waarom beeft gij voor mij?

- Wie zijt gij?

- Een straal van Aelohim, een Zonne-engel, een bode van Hem, die is en zal zijn.

- Wat beveelt gij?

- Zeg tot de kinderen IsraŽl: de Eeuwige, de God uwer vaderen, de God Abraham, Isašk en Jakob heeft mij tot u gezonden om u te voeren uit het land van de slavernij.

- Wie ben ik, zeide Mozes, dat ik de kinderen van IsraŽl uit Egypte moet voeren?

- Ga, sprak de Engel, want ik zal met u zijn. Ik zal het vuur van Aelohim in uw hart storten en zijn woord op uw lippen leggen. Sedert veertig jaren roept gij het op. Uw stem heeft tot Hem geklonken. Welnu, ik vervul u in Zijn naam. Zoon van Aelohim, gij behoort mij toe voor immer.

En Mozes aangemoedigd, riep uit: - Laat mij Aelohim zien! Dat ik zijn le­vend vuur aanschouwe!

Hij hief zijn hoofd op; maar de vlammenzee was niet meer. De Engel was verdwenen als het weerlicht. De zon was nedergedaald over de uitgedoofde kraters van de SinaÔ; de stilte van de dood zweefde over het dal van Horeb en een stem, die door het blauw van de hemel scheen te rollen en zich ver­loor in de oneindigheid, sprak: Ik ben Die Ik ben.

Mozes was na dit visioen als vernietigd. Hij meende 'n ogenblik dat zijn li­chaam was verteerd door het vuur van de Ether. Maar zijn geest was krach­tiger dan ooit. Toen hij weder afdaalde naar de tempel van Jetro was hij gereed voor zijn taak. Zijn levende gedachte ging voor hem uit als de Engel met het vlammend zwaard.

 

Mozes kiest de 70


DE UITTOCHT Ė DE WOESTIJN

 

Het buitengewone en vermetele plan van Mozes vindt in de wereldgeschiede­nis bijna zijn wederga niet. Een volk te ontrukken aan de juk van een land zo machtig als Egypte; het aan te voeren ter verovering van een landstreek, die door vijandige en beter toegeruste volken werd bewoond; het geduren­de tien, twintig, veertig jaren door de woestijn te leiden, terwijl het ver­smacht van de dorst en uitgeput is van honger; het als een bloedend paard te laten vervolgen door de pijlen van de Hetieten en Amalekieten, die zijn vernietiging zoeken; het afgezonderd te houden met het tabernakel van de Eeuwige, terwijl het omgeven is door afgodendienst; het monotheÔsme met een vuurroede bij dit volk in te voeren en zulk een grote vrees, zulk een eer­bied voor de enige God in te boezemen, dat Hij ťťn werd met zijn vlees, het nationaal zinnebeeld, het doel van geheel zijn streven, zijn reden van bestaan; dŗt was het reuzenwerk van Mozes.

De uittocht werd beraamd en langzaam voorbereid door de profeet, de voor­naamste hoofden van de IsraŽlieten en Jetro. Om zijn plan te volvoeren, wachtte Mozes de gelegenheid af, dat Menephtah, zijn oude studiemakker, als Farao de geweldige inval van de Lybische koning MermaÔou moest af­slaan. Geheel het Egyptische leger was op de Westkust samengetrokken en kon de Hebreeuwen niet tegenhouden, zodat de volksverhuizing vreedzaam plaats greep.

De Beni-IsraŽl bevinden zich nu op weg. De lange rij karavanen met de ten­ten op de rug der kamelen en gevolgd door grote kudden, maakt zich gereed om de Rode Zee heen te trekken. Het zijn nog slechts enige duizendtallen. Straks zal het leger aangroeien met "allerlei slag van lieden," zoals de Bijbel zegt: bewoners van Kanašn, Edomieten, Arabieren, Semieten van verschil­lende stammen, die aangetrokken en geboeid worden door de profeet der woestijn, die hen van alle windstreken oproept om ze naar zijn wil te kne­den. De kern van dit volk wordt gevormd door de Beni-IsraŽl, rechtschapen, maar stroeve, koppige en driftige naturen. Hun hags of stamhoofden hebben hun de eredienst van de enige God doen kennen. Deze godsdienst berust bij hen op een verheven overlevering der Aartsvaders. Doch het monotheÔsme is in deze oorspronkelijke en opbruisende naturen nog maar alleen een be­ter bewustzijn, dat zich slechts met tussenpozen openbaart. Zodra hun lage­re hartstochten beginnen te spreken, neemt de neiging tot het veelgoden­dom, waartoe de mens zo gaarne vervalt, weer de overhand. Zij vallen terug in de bijgelovigheden, hekserijen en afgodische gebruiken der naburige vol­ken van Egypte en FeniciŽ, welke Mozes trachtte te bestrijden met draconische wetten.

Om de profeet schaart zich een groep priesters met Ašron aan het hoofd, Mozes' broeder door de inwijding, en de profetes Maria, die in IsraŽl reeds de vertegenwoordigster is van de vrouwelijke inwijding. Deze groep vormt de priesterschap. Met hen sluiten zich zeventig uitverkoren hoofden of in­gewijde leken bij de profeet aan, die hun zijn geheime leer en mondelinge overlevering zal toevertrouwen, een deel van zijn geestelijke macht op hen overdragen en hen nu en dan ook deelgenoot maken van zijn ingevingen en visioenen.

Deze keurbende draagt in zijn midden de gouden ark. Mozes heeft die ont­leend aan de Egyptische tempels, waar zij de geheime bewaarplaats was van de boeken over TheŁrgie[1]; hij heeft haar een nieuwe vorm gegeven, die voor zijn persoonlijke oogmerken geschikt was. De ark van IsraŽl wordt aan vier zijden beschermd door vier gouden Cherubijnen, die op sfinxen gelijken en overeenkomen met de vier zinnebeeldige dieren uit het visioen van EzechiŽl. Een heeft de kop van een leeuw, een ander die van een os, een derde de kop van een adelaar en de laatste het hoofd van een mens. Zij stellen vier grondelementen voor: vuur, aarde, water en lucht, zoals de vier gebieden voorgesteld worden door de letters van het goddelijk tetragram. De Cheru­bijnen bedekken met hun vleugelen de gouden tafel van de ark.

Deze ark zal het werktuig worden van de lichtgevende en elektrische ver­schijnselen, die door de tovermacht van de priester van Osiris ontstaan; ver­schijnselen, welke door de legende overdreven, de Bijbelverhalen, zoals zij tot ons zijn gekomen, in het leven zullen roepen. De gouden ark bevat voorts de Sepher Bereshit of het boek van de leer der Schepping, dat Mozes in Egyptische hiŽrogliefen neerschreef, benevens de toverstaf van de profeet, die in de Bijbel de "roede" wordt genoemd. Zij zal eveneens bevatten het boek van het verbond of de wet van de SinaÔ. Mozes zal de ark noemen de troon van Aelohim; want daar rust de heilige overlevering, de zending van IsraŽl, het begrip van Jťvť.

Hoe was de staatsindeling, waarmede Mozes zijn volk begiftigde? Te dien aanzien moeten wij een der wonderlijkste bladzijden van Exodus aanhalen. Wij twijfelen niet aan de echtheid van die plaats, omdat wij daardoor juist de zwakke zijde van Mozes leren kennen, zijn priestertrots en streven naar priesterheerschappij, die echter door zijn Ethiopische inwijder enigszins in bedwang werd gehouden.

"Den volgenden morgen hield Mozes zitting om recht te spreken over het volk; en het volk stond vůůr Mozes van de morgen tot de avond. Toen de schoonvader van Mozes zag al wat hij te doen had met het volk, zei de hij: Wat hebt gij toch met het volk te doen! Waarom houdt gij alleen zitting, terwijl het gehele volk vůůr u staat van de morgen tot de avond?

En Mozes zeide tot zijn schoonvader: Omdat het volk tot mij komt om God te vragen. Wanneer zij een zaak hebben, komt deze tot mij en spreek ik recht tussen de een en de ander; bovendien maak ik de inzettingen en wet­ten Gods bekend.

Maar de schoonvader van Mozes zeide tot hem: Het is niet goed wat gij doet. Gij raakt geheel uitgeput, gij zowel als dit volk dat met u is; want dit is te zwaar voor u, gij kunt het alleen niet doen. Luister nu naar mij, ik zal u raad geven en God zal met u zijn. Vertegenwoordig gij het volk bij God en breng de zaken voor God. Voorts moet gij hun de inzettingen en de wet­ten Gods inscherpen, en hun de weg bekend maken, dien zij te gaan, en het werk, dat zij te volbrengen hebben. Daarnaast moet gij onder het gehele volk omzien naar flinke, godvrezende, betrouwbare mannen, die winstbejag haten, en hen over hen aanstellen als oversten van duizend, oversten van honderd, oversten van vijftig en oversten van tien. Die zullen te allen tijde onder het volk rechtspreken; dan zullen zij alle grote zaken voor u brengen, maar alle kleine zaken zullen zij zelf berechten, zodat zij u verlichting ge­ven en met u meedragen. Indien gij dit doet en God het u gebiedt, dan zult gij staande kunnen blijven en zal ook dit volk tevreden naar zijn woon­plaats gaan.

Mozes nu luisterde naar de woorden van zijn schoonvader en deed al het­geen hij gezegd had."[2]

Uit deze bladzijde ziet men dat in de staatsregeling van IsraŽl, zoals die door Mozes was ingericht, de uitvoerende macht werd beschouwd als een uit­vloeisel van het rechterlijk gezag en onder het toezicht van de overheid was gesteld. Zo was het staatsbestuur, dat Mozes aan zijn opvolgers naliet, over­eenkomend met de wijze raad van Jetro. Dit bleef onveranderd onder de Richteren. van Jozua tot aan SamuŽl en de bemachtiging van de Regering door SaŁl. Met de koningen begon de onderdrukte priesterschap de waar­achtige overlevering van Mozes te verliezen, die daarna alleen in de profe­ten bleef voortleven.

Wij hebben reeds gezegd dat Mozes geen vaderland bezat, maar een temmer van volken was, die de lotsbestemmingen van geheel de mensheid heeft aan­schouwd. IsraŽl was voor hem middel, de wereldgodsdienst het doel, en over het hoofd der zwevende stammen heen, reikte zijn gedachte tot in de tijdperken der toekomst. Vanaf de uittocht uit Egypte tot aan de dood van Mozes was de geschiedenis van IsraŽl niets anders dan een lange worsteling tussen de profeet en zijn volk.

Mozes voerde allereerst de IsraŽlieten naar de SinaÔ, naar de onvruchtbare woestijn vůůr de berg, die door alle Semieten aan Aelohim was toegewijd, en waar hij zelf zijn openbaring had ontvangen. DŠŠr, waar de Engel hem vervuld had, wilde de profeet zijn volk vervullen en het zegel van Iťvť op zijn voorhoofd drukken: de tien geboden, machtige en korte samenvatting van de zedelijke wet en aanvulling van de bovenzinnelijke waarheid, die be­sloten lag in het hermetische boek van de ark.

Niets is tragischer dan dit eerste onderhoud van de profeet met zijn volk. Daar vonden vreemde, bloedige en geweldige tonelen plaats, die brandmer­ken in het gekastijde vlees van IsraŽl achterlieten. Onder de overdrijvingen van de Bijbelse verdichting kan men de mogelijke werkelijkheid der feiten raden.

De keur der stammen is gekampeerd op de hoogvlakten van Faran, bij de ingang van een woeste bergpas, die naar de rotsen van de Serbal voert. De dreigende kegel van de SinaÔ beheerst deze steenachtige, vulkanische en trillende bodem. In tegenwoordigheid van geheel het volk kondigt Mozes plechtig aan dat hij zich naar de berg zal begeven om Aelohim te raadple­gen en de wet, op een stenen tafel gegrift, medebrengen. Hij beveelt het volk te waken en te vasten en zijn terugkomst te verbeiden in onthouding en gebed. Hij laat de draagbare ark, die in de tent van het tabernakel be­waard wordt, achter onder de hoede der zeventig Ouderlingen. Daarna ver­dwijnt hij in de bergpas, slechts vergezeld door zijn getrouwe leerling, Jozua. Dagen gaan voorbij; Mozes keert niet terug. Het volk wordt aanvankelijk ongerust en slaat vervolgens aan het morren: "Waarom moesten wij naar deze akelige woestenij geleid worden en bloot staan aan de pijlen der Ama­lekieten? Mozes heeft beloofd ons te zullen voeren naar het land van Ka­našn, waar melk en honing vloeit en nu komen wij om in de woestijn. Be­ter nog slavendienst in Egypte dan dit ellendig leven. Gave God dat wij nog de vleespotten hadden, die wij ginds bezaten! Als de God van Mozes de ware God is, laat hij het dan bewijzen door al zijn vijanden te verstrooien en ons dadelijk het beloofde land te laten binnentrekken." Het gemor neemt toe; men slaat aan het muiten; de hoofden nemen er aan deel.

Een groep vrouwen verschijnt ten tonele en voegt zich daarbij. Het zijn de zwarte dochters van Moab, lenig van lichaam en wulps van vormen; bijwij­ven of slavinnen van enige Edomitische hoofden, die zich bij IsraŽl hebben aangesloten. Zij herinneren zich dat zij priesteressen van Astaroth zijn ge­weest en deelnamen aan de ongebonden feesten ter ere van de godin in de heilige wouden van haar geboorteland. Zij voelen dat het uur is gekomen om haar heerschappij te herwinnen. Zij verschijnen met gouden sieraden en kleurige gewaden, een glimlach om de mond, als een troep schone slangen, die uit de aarde kruipen en haar zachtgolvende vormen in het zonlicht met metaalachtige glans laten schitteren. Zij mengden zich onder de muitelin­gen, lonken hun toe met haar glinsterende ogen, omstrengelen hen met haar armen, waaraan koperen armbanden rinkelen en verleiden hen met haar gladde tongen. "Wat is, alles wel beschouwd, die Egyptische priester en zijn God? Hij zal op de SinaÔ zijn omgekomen. De RefaÔm zullen hem in een af­grond hebben geworpen. Hij zal de stammen niet naar Kanašn geleiden. Laten de kinderen van IsraŽl de goden van Moab aanroepen: Belphegor en Astaroth ! Dat zijn goden die men zien kan en die wonderen wrochten. Zij zullen u naar het land van Kanašn voeren!" De muitelingen luisterden naar de Moabitische vrouwen; zij hitsen elkander aan en de kreet klinkt uit de menigte: "Geef ons de goden die voor ons uitgaan, Ašron; wij weten niet wat van Mozes, die ons uit Egypteland gevoerd heeft, geworden is." Ašron tracht tevergeefs de menigte tot bedaren te brengen. De dochters van Moab roepen Fenicische priesters, die zich met een karavaan in de buurt bevinden. Zij voeren met zich een houten beeld van Astaroth en plaatsen het op een altaar van steen. De opstandelingen dwingen Ašron. onder doods be­dreiging, een gouden kalf te gieten, een der voorstellingen van Belphegor.

Men offert de vreemde goden stieren en bokken, men eet en drinkt, en wel­lustige dansen, waarin de dochters van Moab voorgaan, vangen om de af­godsbeelden aan, op de muziek van nebels, kinnors en tamboerijnen, die door de vrouwen bespeeld worden.

De zeventig Ouderlingen, die Mozes aangewezen heeft om de Ark te bewa­ken, hebben vergeefs beproefd de losbandigheid door hun berispingen te­gen te gaan. Nu hurken zij op de grond neder en bedekken het hoofd met een zak as. Om het tabernakel van de Ark geschaard, horen zij met versla­genheid de woeste kreten, de wellustige liederen, de aanroepingen van de vervloekte goden, duivelen van zingenot en wreedheid. Zij zien dit volk in een roes van losbandigheid in opstand tegen zijn God. Wat zal er worden van de Ark, van het heilige Boek en van IsraŽl, als Mozes niet terugkeert?

Mozes komt middelerwijl terug. Uit zijn lange afzondering en eenzaamheid op de berg van Aelohim brengt hij de wet mee, op stenen tafelen geschre­ven[3]. Het kamp ingegaan, ziet hij het dansen, de ongebonden feesten van zijn volk bij de beelden van Astaroth en Belphegor. Als men de priester van Osiris, de profeet van Aelohim ziet, wordt de dans gestaakt, vluchten de vreemde priesters en weifelen de oproerlingen. De toorn kookt in Mozes als een verterend vuur. Hij breekt de stenen tafelen en men voelt dat hij het ganse volk eveneens zou kunnen breken en God in hem is gevaren.

IsraŽl beeft, maar de weerspannelingen verbergen hun haat achter het mas­ker van vrees. Een enkel woord, een weifelend gebaar van de profeet en de hydra van afgodische ongebondenheid zal zijn duizend koppen tegen hem keren en onder een hagelbui van stenen de heilige Ark, de profeet en zijn denkbeeld wegvagen. Maar Mozes staat dŠŠr en achter hem de onzichtbare machten, die hem beschermen. Hij begrijpt dat vůůr alles nodig is de ziel der zeventig uitverkorenen op te heffen tot zijn eigen hoogte en door hŤn het gehele volk. Hij aanroept Aelohim-IŤvŤ, de mannelijke Geest, het Vuur­-Beginsel uit zijn diepste innerlijk en uit het diep van de hemel.

- Hier, gij Zeventigtal! roept Mozes uit. Laat ons de Ark opnemen en de berg Gods bestijgen. En wat dit volk aangaat, wacht en beeft. Ik zal het von­nis van Aelohim mededelen.

De Jevieten heffen de gouden Ark, met kostbaar lijnwaad bedekt, uit de tent en de stoet der Zeventig verdwijnt met de profeet in de passen van de SinaÔ. Men weet niet wie het meest sidderen, de levieten voor hetgeen zij zullen aanschouwen, of het volk voor de kastijding, die Mozes boven zijn hoofd laat zweven als een onzichtbaar zwaard.

O ! wanneer men ontsnappen kon aan de geweldige vuist van die priester van Osiris, die ongeluks-profeet! roepen de muitelingen. En de helft van het kamp breekt haastig de tenten op, zadelt de kamelen en maakt zich gereed te vluchten. Doch een onheilspellende schemering, een gordijn van stof, daalt van de hemel; een felle Noord-Oostenwind steekt uit de Rode Zee op, de woestijn neemt een vaalrode bleke tint aan en achter de SinaÔ verzame­len zich dikke wolken. Ten laatste wordt de hemel zwart. Windvlagen voe­ren wolken zand mede en bliksemstralen verscheuren de jagende nevels, die de SinaÔ omhullen en waaruit regenvloeden neerstromen. Weldra doet de donder zich horen en zijn stem, weerkaatst in alle passen van de bergketen, davert over het kamp in opeenvolgende losbarstingen met verschrikkelijk geweld. Het volk twijfelt niet: dit is de toorn van Aelohim, die Mozes heeft opgeroepen. De dochteren Moabs zijn verdwenen. Men haalt de afgodsbeel­den neder, de opperhoofden vallen op hun knieŽn, kinderen en vrouwen verschuilen zich onder de kamelen. Dit duurt zo een ganse nacht en dag. De bliksem is in de tenten geslagen en heeft mensen en dieren gedood. De don­der rommelt nog altijd voort.

Tegen de avond gaat de storm liggen; wolken jagen nog steeds om de SinaÔ en de lucht blijft zwart. Maar aan de ingang van het kamp verschijnen de Zeventig met Mozes aan het hoofd. In het vage licht van de schemering straalt het gelaat van de profeet en zijn uitverkorenen van bovennatuurlijk licht, alsof zij op hun aangezichten de weerglans mede brachten van een schitterende en verheven aanschouwing. Op de gouden Ark, op de cheru­bijnen, met vleugelen van vuur, trilt een elektrisch schijnsel als een licht­gevende zuil. Ouderlingen en volk, mannen en vrouwen, werpen zich op eerbiedige afstand voor dit buitengewone schouwspel op de knieŽn.

- Dat zij, die de Eeuwige trouw willen blijven, nader komen, spreekt Mozes.

Drie-vierde van de IsraŽlietische opperhoofden scharen zich om Mozes; de oproerlingen blijven verborgen in hun tenten. Dan komt de profeet nader en beveelt zijn getrouwen de aanstokers en de priesteressen van Astaroth over de kling te jagen, opdat IsraŽl ten allen tijde zal sidderen voor Aelohim en blijven denken aan de wet van de SinaÔ en het eerste gebod: "Ik ben de Eeuwige, uw God, die U uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. Gij zult geen andere Goden voor mijn aangezicht hebben. Gij zult U geen gesneden beeld maken, noch enige gelijkenis van wat boven in de hemelen of wat onder op de aarde is, of wat in de wateren onder de aarde is."

Door wonderkracht te paren aan ontzag wist Mozes zijn wet en eredienst zijn volk in te prenten. Hij moest het begrip van IŤvŤ met vurige letters in zijn ziel drukken en zonder deze geweldige maatregelen zou het monotheÔs­me nimmer hebben gezegevierd over het overweldigend veelgodendom van FeniciŽ en Babylon.

Maar wat hadden de Zeventig op de SinaÔ aanschouwd? Deuteronomium, (XXXIII : 2) spreekt van een groots visioen, van duizenden heiligen, die tijdens het onweer op de SinaÔ verschenen in de bestraling van IŤvŤ. Kwa­men de wijzen van de oude cyclus, de oude ingewijden der AriŽrs, van In­diŽ, PerziŽ en Egypte, alle edele zonen van AziŽ, het land van God, Mozes bijstaan in zijn werk en een altijddurende invloed uitoefenen op het be­wustzijn van zijn metgezellen? De geestelijke machten, die over het mens. dom waken, zijn immer aanwezig, maar de sluier, waardoor wij van hen gescheiden worden, scheurt alleen in beslissende uren, en dan nog slechts voor enkele geroepenen, vaneen. Hoe het evenwel zij, Mozes liet het godde­lijk vuur en de kracht van zijn eigen wil in het gemoed van de Zeventig nederdalen. Zij werden daardoor de allereerste tempel, vůůr die van Salomon: de levende tempel, de wandelende tempel, het hart van IsraŽl, het koninklijk licht van God.

Door de wonderbaarlijke verschijnselen op de SinaÔ, de grote terechtstel­ling der oproerlingen, verwierf Mozes een gezag over de zwervende Semie­ten, die hen met zijn ijzeren vuist in bedwang hield. Dergelijke voorvallen, gevolgd door nieuwe machtsuitingen, herhaalden zich tijdens de zwerftoch­ten naar het land van Kanašn. Evenals Mahomed moest Mozes beurtelings profeet, veldoverste en wetgever zijn. Hij had te kampen met afgematheid, laster en weerspannigheid. Na de opstand van het volk moest hij de hoog­moed fnuiken van de priesters en levieten, die op zijn bovennatuurlijke ga­ven na-ijverig waren en zich voordeden onmiddellijk geÔnspireerden van IŤvŤ te zijn, als hij, of de gevaarlijke samenzwering verijdelen van enige eerzuch­tige opperhoofden als Corach, Dathan en Abiram die de volksopstand aan­wakkerden met de bedoeling de profeet ten val te brengen en een koning uit te roepen, zoals de IsraŽlieten later met SaŁl zullen doen, ondanks de tegenstand van SamuŽl. In deze strijd wisselen bij Mozes verontwaardiging en medelijden af met vaderlijke tederheid en het brullen van een leeuw te­genover het volk, dat zich verzet tegen de omarming van zijn geest en dat ondanks alles zal eindigen met zich te onderwerpen. Wij vinden de weer­klank ervan in de samenspraken van het Bijbelverhaal tussen de profeet en zijn God, gesprekken, die een openbaring schijnen van hetgeen in zijn bin­nenste plaats greep.

In de Pentateuch overwint Mozes alle hinderpalen door de onbegrijpelijkste wonderen. Jehovah, voorgesteld als een persoonlijk God, is steeds tot zijn beschikking. Hij verschijnt op het tabernakel als een schitterende wolk, die genoemd wordt de heerlijkheid des Heren. Mozes alleen mag er binnentre­den; de oningewijden, die het wagen nader te komen, worden door de dood getroffen. Het tabernakel, dat de Ark omgeeft, speelt in het Bijbelverhaal de rol van een reusachtige elektrische batterij, die geladen met het vuur van Jehovah, mensen bij massa's verplettert. De zoons van Aaron, de twee hon­derd vijftig aanhangers van Corach en Dathan, ja, veertigduizend man van het volk (!) worden met ťťn slag gedood. Meer nog. Mozes verwekt op een bepaald uur een aardbeving, die de drie oproerige opperhoofden met ten­ten en huisgezinnen vernietigt. Dit laatste verhaal is van een aangrijpende en grootse dichterlijkheid; maar het draagt de stempel van zo grote over­drijving en zo duidelijk zichtbare verdichting, dat het onzinnig zou zijn te beweren dat zů iets werkelijk heeft plaatsgevonden. Wat voornamelijk deze verhalen 'n vreemd karakter geeft, is de rol van een driftige en nukkige God, die Jehovah er in speelt. Hij is altijd gereed te toornen en te vernietigen, terwijl Mozes de barmhartigheid en genade in persoon is. Een zo kin­derlijk en tegenstrijdig begrip van de Godheid is niet minder vreemd aan het bewustzijn van een ingewijde van Osiris, dan aan dat van een Jezus.

 

Deze verbazende overdrijvingen schijnen evenwel te wortelen in zekere na­tuurverschijnselen, die door de tovermacht van Mozes werden opgewekt en overeenkomen met enige gebeurtenissen, waarvan de overlevering der oude tempels verhaalt. Wij willen thans nagaan wat men kan aannemen van die zogenaamde wonderen van Mozes, uitgaande van het standpunt van een op ­rede gegronde theosofie en van het gezichtspunt dat de verborgen weten­schap heeft toegelicht. Het voortbrengen van elektrische verschijnselen on­der verschillende vormen door de wil van machtige ingewijden, wordt in de Oudheid niet uitsluitend aan Mozes toegedicht. De Chaldeeuwse over­levering kende die macht toe aan de wijzen, de Griekse en Latijnse over­levering aan zekere priesters van Jupiter en Apollo[4].

In beide gevallen zijn de verschijnselen van elektrische oorsprong. De elek­triciteit van de dampkring der aarde kan door een fijne en bijzondere kracht, die overal aanwezig is, in beweging gebracht worden en de grote in­gewijden wisten deze kracht tot zich te trekken, te concentreren en aan te wenden. De Brahmanen noemen deze kracht akasa, de wijzen van Chaldea het vuurbeginsel en de Kabbalisten der middeleeuwen het groot-tovermiddel. Heden ten dage zou men deze kracht kunnen noemen etherische kracht. Men kan die rechtstreeks tot zich trekken of oproepen door tussenkomst van bewuste of half-bewuste onzichtbare krachten, waarvan de dampkring ruim voorzien is en die de wijze aan zijn wil ondergeschikt weet te maken. Deze theorie is niet in strijd met de kennis van het heelal, die op rede is gegrond, en is zelfs onmisbaar om een menigte natuurverschijnselen te verklaren, die anders niet te begrijpen zouden zijn. Wij moeten er allen aan toevoegen, dat deze verschijnselen door onveranderlijke wetten worden bestuurd en altijd in evenredigheid zijn met de geestelijke, zedelijke en magnetische kracht van de Ingewijde.

Een zaak die niet langs de weg van de rede te verklaren en strijdig met de wijsbegeerte zou zijn, is het in beweging stellen van de eerste oorzaak, van God door een of ander wezen, of de werking van deze oorzaak rechtstreeks door hem, wat overeenkomt met een vereenzelving van de menselijke per­soonlijkheid met God. De mens verheft zich slechts tot op zekere hoogte tot Hem, hetzij door denken of gebed, door wilswerking of geestverrukking.

God oefent zijn werking in het heelal rechtstreeks uit, doch naar een rang­orde van algemene en onveranderlijke wetten, die zijn gedachten uitdruk­ken, zoals in de leden van de aardse en goddelijke mensheid, welke hem ge­deeltelijk en naar evenredigheid vertegenwoordigen in de oneindigheid van ruimte en tijd.

Na vooropstelling van deze punten geloven wij dat het volkomen mogelijk is, dat Mozes, gesteund door de geestelijke machten, die hem beschermden, en de etherische kracht, waarover hij volkomen meester was, zich van de ark heeft kunnen bedienen als een soort batterij, een aantrekkings- en concentratiepunt der elektrische verschijnselen, die hij als een vernietigende macht aanwendde. Hij beveiligde zichzelf, zijn priesters en vertrouwelingen met linnen gewaden en reukwerken voor de ontladingen van het etherische vuur. Deze verschijnselen konden evenwel slechts zeldzaam en in klein aan­tal plaats vinden. De priesterlijke verdichting zal die overdrijven. Het moest voor Mozes voldoende zijn dat enige oproerige hoofden of ongehoorzame levieten de dood gevonden hadden door een dusdanige ontlading van de fluide of vloeistof, om geheel het volk door vrees te regeren en in bedwang te houden.



[1] magische handeling waarmee men geesten bezweert

[2] Exodus XVIII, 13-24

[3] In de Oudheid werden de dingen, die op steen geschreven waren. beschouwd als de heiligste. De hogepriester van Eleusis las de ingewijden van stenen tafelen dingen voor, die zij zweren moesten nimmer aan niemand mede te delen en die nergens anders geschre­ven stonden.

[4] Een bestorming van de tempel te Delfi werd tweemaal onder dezelfde omstandigheden afgeslagen. In het jaar 480 voor Christus vielen de troepen van Xerxes de tempel aan, doch deinsden voor een onweer terug. dat vergezeld ging van vlammen. die uit de grond opstegen, en het neerstorten van reusachtige rotsblokken (Herodotus.) - In het jaar 279 voor Christus werd de tempel opnieuw aangevallen door GalliŽrs en Kimbren. Delfi werd slechts door een handvol FoceŽrs verdedigd. De Barbaren vingen de bestorming aan; op het ogenblik dat zij de tempel wilden binnendringen barstte een geweldig onweder los en de FoceŽrs sloegen de GalliŽrs terug. (Zie hierover het prachtige verhaal in I'Histoire des Gaulois (de geschiedenis der GalliŽrs) van Amťdťe Thierry. Boek II).

 


DE DOOD VAN MOZES

 

 

Toen Mozes zijn volk tot aan de grenzen van Kanašn had geleid, gevoelde hij dat zijn werk voleindigd was. Wat was IŤvŤ-Aelohim voor de Ziener van de SinaÔ? De goddelijke orde in de hogere en lagere gebieden, gezien door alle sferen van het heelal en op de aarde verwezenlijkt naar het beeld van de hemelse rangorde en eeuwige waarheid. Neen, hij had niet tevergeefs het gelaat van de Eeuwige aanschouwd, dat zich in alle werelden afspiegelt. Het Boek rustte in de ark, en de ark werd bewaakt door een krachtig volk, de levende tempel van de Heer. De eredienst van de enige God was op aarde gegrondvest; de naam IŤvŤ schitterde in vlammende letters in het hart van IsraŽl; de eeuwen mogen haar golven over de veranderlijke ziel van het mensdom laten gaan; zij zullen de naam van de Eeuwige niet uitwissen.

Nadat Mozes deze dingen had gezien, riep hij de Engel van de Dood aan. Vůůr het tabernakel diende hij de handoplegging zijn opvolger Jozua toe, opdat de Geest Gods in hem zou overgaan; daarna zegende hij de gehele mensheid in de twaalf stammen van IsraŽl en besteeg de berg Nebo. slechts vergezeld van Jozua en twee levieten. Ašron was reeds "tot zijn vaderen ver­zameld," de profetes Maria was dezelfde weg gegaan. De beurt was aan Mo­zes gekomen. Wat waren de gedachten van de honderdjarige profeet, toen hij het kamp van IsraŽl zag verdwijnen en opklom tot de grote eenzaamheid van Aelohim? Wat gevoelde hij, terwijl hij zijn ogen liet waren over het beloofde land, van Galašd tot Jericho, de stad der palmen? Een groot dichter, die de Meester in deze zieletoestand schildert, laat hem de klacht slaken:

 

O Seigneur, j'ai vťcu puissant et solitaire,

Laissez-moi m'endormir du Sommeil de la terre[1]

 

Die heerlijke verzen schetsen beter de zielstoestand van Mozes dan de ver­klaringen van honderd godgeleerden.

Deze ziel gelijkt op de grote pyramide van Giseh, hecht, naakt en gesloten van buiten, maar die de grote mysteriŽn in haar innerlijk verbergt en daar een sarcofaag bewaart, die de ingewijden de sarcofaag der Opstanding noe­men. Door een zijgang bemerkt men van daaruit de poolster. Zo aan­ schouwde deze ondoorgrondelijke geest van binnen uit het einddoel der dingen.

Ja, alle machtige zielen hebben de eenzaamheid gekend, die door haar ver­hevenheid wordt geschapen; maar Mozes stond meer alleen dan enig ander, omdat zijn beginsel onbeperkter en bovenzinnelijker was. Zijn God was het mannelijk beginsel bij uitnemendheid, de zuivere Geest.

Om dit begrip de mensen in te prenten moest hij de oorlog verklaren aan het vrouwelijk beginsel, aan godin Natuur, aan Heva, de eeuwige Vrouw, die in de ziel der Aarde en in het hart van de Mens leeft. Hij moest haar voort­durend en zonder genade bestrijden, niet om haar te vernietigen, maar om haar te onderwerpen en te temmen. Was het te verwonderen dat de Na­tuur en de Vrouw tussen wie een geheimzinnige overeenkomst heerst, voor hem beefden? Was het te verwonderen dat zij juichten over zijn heengaan en het ogenblik verbeidden om het hoofd op te steken, zodra de schaduw van Mozes zou opgehouden hebben haar met de kwellingen van de dood te ver­volgen? Dit waren ongetwijfeld de gedachten van de Ziener, terwijl hij de berg Nebo besteeg.

De mensen konden hem niet beminnen, want hij had slechts God bemind. Zou zijn werk levensvatbaarheid bezitten? Zou zijn volk getrouw blijven aan zijn zending? Of het is een noodlottige helderziendheid van stervenden, een tragische gave der profeten, dat in het laatste uur alle sluiers worden opge­licht! Naarmate de geest van Mozes zich losmaakte van de aarde, aanschouw­de hij de verschrikkelijke werkelijkheid van de toekomst; hij zag het ver­raad van IsraŽl; de ongebondenheid het hoofd weer opsteken; het koning­schap op het bestuur der Richteren volgen; de misdaden der koningen de tempel van de Heer bezoedelen; zijn boek verminkt en onbegrepen; zijn ge­dachte onkenbaar gemaakt, neergehaald door domme priesters of huiche­laars; de koningen afvallig; het overspel van Juda met de afgodische vol­ken; de zuivere overlevering, de bezitters van het levend Woord, vervolgd tot in het hart der woestijn.

In een spelonk van de berg Nebo gezeten, zag Mozes dit alles aan zijn inner­lijk oog voorbijgaan. Maar reeds ontplooide de Dood zijn vleugel over zijn voorhoofd en legde de kille hand op zijn hart. Toch trachtte dit leeuwen­hart zich nog eens te laten gelden. Verbitterd over zijn volk, riep Mozes de wraak van Aelohim over het ras van Juda. Hij hief zijn loodzware arm om­hoog. Jozua en de levieten, die hem ondersteunden, hoorden met ontzetting aan de mond van de stervende profeet deze woorden ontsnappen: "IsraŽl heeft zijn God verraden; het zal verstrooid worden naar de vier windstre­ken van de hemel!

De levieten en Jozua aanschouwden geheel ontdaan hun meester, die geen teken van leven meer gaf. Zijn laatste woord was een vervloeking geweest? Had hij daarmede de laatste snik gegeven? Maar Mozes sloeg nog eens de ogen op en sprak:

"De Here zeide tot mij: Een profeet zal ik hun verwekken uit het midden van hun broederen, zoals gij zijt; Ik zal mijn woorden in zijn mond leggen, en hij zal alles tot hen zeggen wat ik hem gebied. De man, die niet luistert naar de woorden welke hij in mijn naam spreken zal, van die zal ik reken­schap vragen." (Deuteronomium XVIII, 18, 19.)

Na deze profetische woorden gaf Mozes de geest.

De Zonne-Engel met het vlammend zwaard, die hem vroeger op de SinaÔ was verschenen, wachtte hem. Hij voerde hem in de diepe schoot van de hemelse Isis, in de sferen van het licht, dat de bruid is van God. Ver van de aardse gebieden doorzweefden zij sferen met zielen van schitterende heer­lijkheid. Daar toonde de Engel van de Heer hem een verschijning van on­beschrijfelijke schoonheid en hemelse zoetheid, van zulk een luister en blin­kende klaarte, dat zijn eigen glans er door verduisterd werd. Hij droeg niet het zwaard der kastijding, maar de palm van het offer en van de overwin­ning. Mozes begreep dat deze zijn werk zou voltooien en de mensen terug­voeren tot de Vader door de macht van het Vrouwelijk-Eeuwig, door de goddelijke Genade en de volmaakte Liefde.

Toen boog de Wetgever neder voor de Verlosser: Mozes aanbad Jezus-Chris­tus.

 

 



[1] Alfred de Vigny. - De vertaling van deze versregels luidt:

,,0 Heer, ik leefde in macht, doch bleef eenzaam;

Gun thans mij de rust van de slaap dezer aard."

 

 

 

 

 

  Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  
**********

Stem Spirituele Vrienden in de
Top 100 NL



**********
Tellers

 

 LetsStat website statistieken