De Grote Ingewijden Eduard Schur

Schets van de Verborgen geschiedenis der Godsdiensten

 

Rama - Krishna - Hermes - Mozes
Orfeus - Pythagoras - Plato - Jezus

"De Ziel is de sleutel van het Universum"

Vertaling van Filofotos

Ga, boek van Weten, thans de wereld in en zo ge landpalen mocht overschrijden,
laat het dan zijn om Licht te brengen bij taalverwante volken.
December 1909 - FILOFOTOS
 

 

DEEL III  HERMES
 

DE EGYPTISCHE MYSTERIEN

-----

 


0, blinde ziel! Verzamel uw kracht bij de toorts der Mysterin en in de aardse nacht zult gij zien uw lich­tend Dubbel, uw hemelse ziel. Volg die goddelijke leids­vrouw en laat zij uw geleigeest zijn; want zij bezit de sleutel van uw vroegere en toekomstige bestaansvormen.

Waarschuwing voor de ingewijden (naar het Doden­boek.)

.

-----

Luister naar de innerlijke stem en schouw in de on­eindigheid van Ruimte en Tijd. Dr weerklinkt het lied der Sterren, de stem der Getallen, de harmonie der Sferen. Elke zon is een gedachte van God en elke planeet een stoffelijke vorm van deze gedachte.Om de goddelijke gedachte te leren kennen, 0 zielen ! moet gij de smarte­lijke weg van de zeven planeten en hun zeven hemelen af- en opklimmen.Wat doen de sterren? Wat vertellen de Getallen? Wat ontrollen de Sferen? ­0, verloren of geredde zielen, zij bezingen, vertellen, ontrollen - uw levenslot.

Fragment (naar Hermes.)

-----

HERMES.

 

Het zwarte ras dat het zuidelijke en rode ras in de wereldheerschappij op­volgde, maakte van Opper-Egypte zijn voornaamste Heiligdom.

De naam van Hermes-Thoth, die geheimzinnige en eerste inwijder van Egypte in de heilige leer, heeft ongetwijfeld betrekking op een oorspronkelijke, vreedzame samensmelting van het blanke en zwarte ras in Ethiopi en Op­per-Egypte, lang vr het Arische tijdperk. Hermes is de naam van een geslacht, evenals Manoe en Boeddha. Hij betekent tegelijkertijd een mens, een kaste en een Godheid. Hermes als mens is de eerste, de grote inwijder van Egypte; als kaste is hij het priesterschap, de bewaarder der verborgen over­leveringen; als godheid de planeet Mercurius, die overeenkomstig zijn sfeer verwant is aan een reeks bezielende beginselen en goddelijke inwijders; kortom, Hermes bestuurt de bovenaardse sferen van de hemelse inwijding.

In de geestelijke wereldorde zijn al die dingen door geheime verwantschap als door een onzichtbare draad verbonden. De naam Hermes is een talis­man, die ze tesamen bindt, een toverklank, die ze tevoorschijn roept; van­daar zijn macht. De Grieken, leerlingen der Egyptenaren noemden hem Hermes Trismegistos of driewerf grote, omdat hij beschouwd werd als ko­ning, wetgever en priester. Hij is de afspiegeling van een tijdvak, waarin het priesterschap, de rechterlijke macht en het koningschap in een enkel rege­rend lichaam verenigd waren. De Egyptische tijdrekening van Manetho noemt dit tijdperk de regering der goden. Er bestond toen geen papyrus of fonetisch schrift, maar het heilige beeldschrift was er reeds; de kennis der priesters was in beeldschrift (hiroglyfen) gegrift op de zuilen en de muren der grafgesteenten.

Aanmerkelijk uitgebreid, werd die later overgebracht naar de boekerijen der tempels.

 

De Egyptenaren schreven aan Hermes tweenveertig boeken toe, die over de verborgen wetenschap handelen. Het Griekse werk, bekend onder de naam Hermes Trismegistos, bevat ongetwijfeld veranderde, maar zr kost­bare overblijfselen van de oude godenleer, die is als het fiat lux, waaruit Mozes en Orfeus hun eerste lichtstralen ontvingen.

De leer van het Vuur-Beginsel en van het Licht-Woord, beschreven in het visioen van Hermes, zal het hoogtepunt en de kern lijven van de Egyptische inwijding.

Wij zullen straks trachten dit visioen der meesters terug te vinden, deze ge­heimenisvolle roos, die alleen ontluikt in de duisternis van het heiligdom en in het verborgen hart der grote godsdiensten.

Zekere woorden van Hermes, kenmerken der aloude wijsheid, zijn wel ge­schikt ons er op voor te bereiden. Geen enkele onzer gedachten," zegt hij tot zijn leerling Asklepios, "is in staat God te begrijpen, noch enige taal om Hem te beschrijven. Wat onlichamelijk, onzichtbaar en zonder vorm is, kan niet door onze zintuigen worden waargenomen; wat eeuwig is, kan niet wor­den gemeten door de korte spanne van de tijd: God is onuitsprekelijk. God kan, weliswaar, aan enkele uitverkorenen het vermogen schenken zich bo­ven de natuurlijke dingen te verheffen, om daardoor een afstraling van zijn hoogste volmaaktheid te kunnen waarnemen - maar deze uitverkorenen be­zitten geen woorden om in menselijke taal het onstoffelijk visioen te schet­sen dat hen van ontroering deed trillen. Zij kunnen het mensdom de onder­geschikte oorzaken der wordingen verklaren, die aan hun ogen voorbijtrek­ken als beelden van het grote, algemene leven, maar de eerste oorzaak blijft gesluierd en wij zullen die eerst kunnen begrijpen, wanneer wij door de dood zijn heen gegaan." - Zo sprak Hermes aan de ingang der grafgesteen­ten, over de God, die niemand kent. De leerlingen, die met hem drdron­gen in hun diepten, leerden hem kennen als een levend wezen.[1]

 

Het boek spreekt van zijn dood als over het heengaan van een god. "Her­mes zag de grote samenhang der dingen, en gezien hebbende begreep hij, en begrepen hebbende, ontving hij de macht om te openbaren en te onthullen.

Zijn gedachten schreef hij neder; doch wt hij schreef verborg hij grotendeels, met wijsheid zwijgend en sprekend, opdat gedurende het verdere bestaan van de wereld, naar deze dingen gezocht zou worden. En na de goden zijn broeders, bevolen te hebben hem tot geleide te verstrekken, klom hij op tot de sterren."

Strikt genomen moet men de politieke geschiedenis der volken afzonderlij beschouwen, maar met hun godsdienstige geschiedenis is dit niet het geval. De godsdiensten van Assyri, Egypte, Judea en Griekenland kan men alleen begrijpen als men hun punt van overeenkomst met de oude Indo-Arische godsdienst weet te vinden. Op zich zelf beschouwd schijnen het niet anders dan raadsels en sprookjes; alles tesamen en dieper beschouwd, is het een heerlijke ontwikkelingsgang, waarin alles over en weer wordt verklaard Kortom, de geschiedenis van n godsdienst zal altijd bekrompen, bijgelovig en onjuist zijn; de godsdienstige geschiedenis van het mensdom is uit sluitend de ware.

Van dit hoge standpunt alleen overziet men de stromingen, die om de aarde heengaan. Het Egyptische volk, het onafhankelijkste, dat aan alle invloe­den van buiten af de meeste weerstand bood, kon zich aan deze algemene wet niet onttrekken. Vijfduizend jaar vr onze tijdrekening scheen het licht van Rama, dat in Iran ontstoken was, over Egypte en werd de wet van Ammon-Ra, zonnegod van Thebe.

Deze wet schonk het kracht zoveel omwentelingen te trotseren. Menes was de eerste koning van het recht, de eerste Farao, die deze wet ten uitvoer bracht. Hij wachtte zich wel Egypte zijn aloude godenleer te ontnemen, die ook de zijne was. Hij verstrekte en ontwikkelde deze, doch voegde er een nieuwe maatschappelijke instelling aan toe: het priesterschap, d.w.z. het onderricht aan een bijzondere raad, de rechtspleging aan een andere, de regering van het rijk aan deze twee samen; het koningschap als hun vertegenwoordiger en staande onder hun toezicht; de betrekkelijke onafhankelijkheid der nmen of gemeenten als grondslag van de maatschappij. Dit is, wat wij kunnen noemen, de regering der Ingewijden. Hij had tot hoeksteen een synthesis van kennis, bekend onder de naam van Osiris (O-Sir-Is), het hoogste Ver­stand.

 

De grote pyramide is er het zinnebeeld en de wiskunstige zonnewijzer van. De Farao, die zijn inwijdingsnaam van de tempel ontving, die tegelijk de priesterlijke en koninklijke macht op de troon bekleedde, was dus wel een heel andere persoonlijkheid dan de Assyrische dwingeland, wiens willekeu­rig gezag troonde op misdaad en bloed. De Farao was de gekroonde inge­wijde of minstens de leerling en het werktuig der ingewijden. Eeuwen lang zullen de Farao's tegen het despotische Azi en het regeringloze Europa, de wet van de Ram verdedigen, die toen het zinnebeeld was van de rechten der rechtvaardigheid en internationaal scheidsrechterlijk gezag.

 

Omstreeks het jaar 2200 vr Christus stond Egypte de geweldigste crisis door, die een volk kan doormaken: een vijandelijke inval en gedeeltelijke verovering. De Fenicische inval zelf was het gevolg van de grote godsdien­stige scheuring in Azi, die de volksmassa's in beroering gebracht had door tweespalt in de tempels te zaaien. Door de herderskoningen, de Hyksos, ge­leid, richtte de inval zijn stortvloed op de Delta en Midden-Egypte. De af­vallige koningen brachten met zich mede een verbasterde beschaving, Ionische verwijfdheid, Aziatische weelde, de zeden van de harem en een ruwe afgodendienst. Het nationaal bestaan van Egypte werd bedreigd, zijn intel­lectualiteit liep gevaar, zijn wereldzending dreigde vernietigd te worden. Maar het bezat een kern van leven, d.w.z. een geordend lichaam van inge­wijden, bewaarders van de aloude kennis van Hermes en Ammon-R. Wat deed deze kern? Zij sloot zich op in het diepst van haar heiligdommen; trok zich in zichzelf terug om de vijand beter weerstand te kunnen bieden. Ogen­schijnlijk bogen de priesters voor de overweldiging en erkenden zij de nieu­we meesters, die de wet van de Stier en de eredienst van de os Apis invoer­den.

 

Doch verborgen in de tempels, bewaarden de twee lichamen als een heilig pand hun kennis, hun overleveringen, de aloude en zuivere gods­dienst en daarmede de hoop op een herstel van de nationale dynastie. Op dit tijdstip verspreidden de priesters onder de menigte de legende van Isis en Osiris, de verrijzenis in zijn zoon Horus, die zijn verstrooide ledematen welke door de Nijl waren medegevoerd, zou terugvinden. Men werkte op de verbeeldingskracht van de menigte door de praal der openbare plechtig­heden. Men wakkerde haar liefde voor de oude godsdienst aan, door haar voor ogen te houden de rampen der godin, haar diepe droefheid over het verlies van haar hemelse gade en de hoop, die zij bouwde op haar zoon Ho­rus, de Goddelijke middelaar. Maar terzelfder tijd oordeelden de ingewijden het nodig de innerlijke waarheid onaantastbaar te maken door die met een drievoudige sluier te bedekken. Met de verbreiding van de openbare eredienst van Isis en Osiris hangt nauw samen de inwendige regeling der kleine en grote Geheimen. Men omringde ze met bijna onoverkomelijke slagbomen, met schrikkelijke gevaren. Men stelde de zedelijke beproevingen in, eiste de eed van geheimhouding, en de doodstraf werd streng toegepast op de ingewijden, die de geringste bijzonderheden van de Geheimen wereldkundig maakten. Dank zij deze strenge regeling werd de Egyptische inwijding niet alleen de wijkplaats van de innerlijke leer maar bovendien de louterkroes van de nationale herrijzenis en de leerschool van de godsdiensten der toekomst. Terwijl de gekroonde overweldigers te Memfis regeerden, bereidde Thebe langzamerhand de wedergeboorte van zijn land voor. Uit zijn tempel, uit zijn zonneark kwam, de redder van Egypte voort, die de Hyksos, na een negen-eeuwen-lange overheersing verjoeg, de Egyptische kennis en de mannelijke godsdienst van Osiris weder in hun rechten herstel­de.

 

Zo beveiligden de Geheimen de ziel van Egypte voor de vreemde dwinge­landij, tot heil van de mensheid. Want de kracht van hun tucht, de macht van inwijding was toen zo groot, dat die de hoogste zedelijke kracht, de edel­ste geestelijke keurbende in zich bevatten.

De oude inwijding berustte op een tegelijkertijd zuiverder en verhevener begrip van het menselijk wezen, dan de onze. Wij hebben de opvoeding van het lichaam, de ziel en de geest van elkaar gescheiden. Onze op zichzelf zeer vergevorderde wis- en natuurkundige wetenschappen, bekommeren zich niet om het beginsel van de ziel en haar verspreiding in het heelal; onze godsdienst voldoet niet aan de behoeften van het verstand; onze geneeskunde wil niets weten van ziel, noch van geest. De hedendaagse mens zoekt genot zonder geluk, geluk zonder kennis en kennis zonder wijsheid. De oudheid gedoogde niet dat men deze dingen scheidde. Op elk gebied hield zij rekening met de drievoudige natuur van de mens. De inwijding was een geleide­lijke opvoering van het gehele menselijk wezen tot de duizelingwekkende hoogten van de geest, van waar men heersen kan over het leven.

 

"Om het meesterschap te verwerven," zeiden de wijzen uit die tijd, "heeft de mens een volkomen herschepping van zijn lichamelijk, zedelijk en verstandelijk wezen nodig." Deze herschepping nu is slechts mogelijk door een gelijktij­dige oefening van de wil, de intutie en de rede. Door hun volkomen samenwerking kan de mens zijn vermogens onbereken­baar ver ontwikkelen. De ziel heeft sluimerende zintuigen; de inwijding doet die ontwaken. Door een diepgaande studie, een volhardende toepassing kan de mens zich bewust in verbinding stellen met de verborgen krach­ten van het heelal. Door een geweldige krachtsinspanning kan hij tot recht­streeks geestelijke waarneming de banen van hiernamaals voor zich openen en leren die te betreden. Dan eerst kan hij zeggen dat hij over het lot heeft gezegevierd en hier beneden zijn goddelijke vrijheid veroverd. Dan alleen kan de ingewijde zelf inwijder, profeet en geestenbezweerder worden, d.w.z. ziener en verlosser van zielen.

Want alleen hij, die zichzelf beheerst, kan over anderen heersen; alleen hij, die zelf vrij is, kan anderen vrij maken."

 

Aldus dachten de oude ingewijden. De grootsten onder hen leefden en han­delden in overeenstemming daarmede. De ware inwijding was dus heel iets anders dan ijdele droom en vrij wat meer dan een eenvoudig wetenschappe­lijk onderricht; het was de vorming van een ziel door zichzelf en haar ontluiking op een hoger gebied, haar bloei in de goddelijke wereld.

Laten wij ons verplaatsen in het tijdperk der Ramsessen, ten tijde van Mo­zes en Orfeus, omstreeks het jaar 1300 voor onze jaartelling en trachten door te dringen tot het hart van de Egyptische inwijding.

De zinnebeeldige figuren op de monumenten, de boeken van Hermes, de Joodse en Griekse overleveringen stellen ons in staat de opeenvolgende tijdperken te doen herleven en een denkbeeld te vormen van zijn hoogste openbaring.

 



[1] De godgeleerdheid, die van binnen uit komt, zegt Maspero, is monothestisch van af de tijden van het oude Keizerrijk. De bevestiging van de grondeenheid van het goddelijk we­zen vindt men in duidelijke bewoordingen en nadrukkelijk geschetst in de teksten, die tot dit tijdvak behoren. God is het enig Een, Hij, die uit zichzelf bestaat, de Enige die in waarheid leeft, de enige Voortbrenger in hemel en op aarde, die zelf niet is voortgebracht. Tegelijk Vader, Moeder en Zoon, schept Hij, brengt Hij voort en is Hij eeuwig; en deze drie personen, in plaats van de eenheid der goddelijke natuur te verdelen, werken mede tot Zijn oneindige volmaaktheid. Zijn hoedanigheden zijn: Onmetelijkheid, Eeuwigheid, Onafhankelijkheid, Almacht, onbegrensde goedheid. Hij schept zijn eigen ledematen, die de goden zijn, zeggen de oude teksten. Elk dezer ondergeschikte goden, beschouwd als ge­lijkvormig met de Enige God, kan een nieuwe vorm scheppen, waaruit op hun beurt en op dezelfde wijze andere, lagere vormen tevoorschijn komen. Histoire ancienne des peuples dOrient

 

.

 

Het visioen van Hermes - Johfra

HET VISIOEN VAN HERMES[1]

 

Hermes viel eens in slaap, nadat hij over het ontstaan der dingen had na­gedacht. Een zwaar, loom gevoel maakte zich meester van zijn lichaam, doch naar gelang dit gevoellozer werd, verhief zijn geest zich in de ruimten. Toen was het hem alsof een onmetelijk, vormloos wezen hem bij zijn naam riep.

- Wie zijt ge? vroeg Hermes ontsteld.

- Ik ben Osiris, het onbeperkt Ver­stand en ik kan elk ding ontsluieren. Wat verlangt ge?

- De oorsprong der wezens aanschouwen, 0 goddelijke Osiris, en God te kennen.

- Uw wens zal vervuld worden.

Dadelijk daarop voelde Hermes zich omgeven door een heerlijk licht. In de doorschijnende lichtgolvingen gingen de verrukkelijke vormen van alle we­zens hem voorbij. Maar eensklaps kronkelde een dikke duisternis op hem neer. Hermes werd gehuld in een vochtige baaierd van dampen, waaruit een akelig geloei klonk. Toen verhief zich een stem uit de afgrond. Het was de kreet naar het licht. Ogenblikkelijk steeg een zwakke vuurstraal uit de vochtige diepten op en bereikte de hemelsfeer. Hermes steeg eveneens om­hoog en bevond zich weer in de ruimte. De baaierd verdween in de afgrond; koren van sterren daalden om zijn hoofd neer en de stem van het licht vul­de de oneindigheid.

- Hebt gij begrepen wat gij daar zaagt? vroeg Os iris aan Hermes, die door dit visioen geboeid, tussen hemel en aarde zweefde.

- Neen, antwoordde Hermes.

- Welnu, ik zal het u verklaren. Gij hebt zo even aanschouwd wat van alle eeuwigheid is. Het licht, dat gij het eerst aanschouwde, is het god­delijk Verstand, dat alle ding vermag voort te brengen en de oerbeelden van alle wezens in zich besloten houdt. De duisternissen, waarin gij vervol­gens gedompeld werdt, is de stoffelijke wereld, waar de mensen der aarde leven. Maar het vuur dat gij uit de diepten hebt zien opstijgen, is het god­delijk Woord. God is de Vader, het Woord de Zoon, hun eenheid het Leven.

- Welk wonderlijk zintuig is in mij open gegaan? vroeg Hermes. Ik zie niet meer met mijn lichamelijke, maar met mijn geestelijke ogen. Hoe is dit mogelijk?

- Kind van de stof, antwoordde Osiris, dat komt omdat het Woord in U is. Wat in U waarneemt, hoort en handelt, is het Woord zelf, het heilige vuur, het scheppend vermogen !

- Als dat zo is, zeide Hermes, laat mij dan zien het leven der werelden, het pad der zielen, vanwaar de mens komt en waarheen hij terugkeert.

- Het geschiede naar uw wens.

Hermes voelde hoe hij zwaarder dan een steen werd en door het luchtruim viel als een aeroliet. Eindelijk bevond hij zich op de kruin van een berg. Het was nacht; de aarde lag donker en naakt; zijn ledematen schenen hem zwaar als lood.

- Sla uw ogen op en ziel sprak de stem van Osiris.

Toen zag Hermes een wonderlijk schouwspel. De oneindige ruimte, de ster­renhemel omgaf hem met zeven lichtgevende sferen. Met een enkele blik zag Hermes de zeven hemelen, die zijn hoofd omkringden als zeven doorschijnende, concentrische bollen, waarvan hij het middelpunt vormde. De laatste bol had de Melkweg tot gordel. In elke sfeer wentelde een planeet onder leiding van een beschermgeest, verschillend van gedaante, kenteken en uitstraling. Terwijl Hermes met diepe verbazing hun uiteenlopende ont­wikkeling en indrukwekkende bewegingen gadesloeg, sprak de stem tot hem:

- Zie, hoor en begrijp. Gij ziet de zeven sferen van alle leven. Door en in hen vindt de nederdaling en opklimming der zielen plaats. De zeven Beschermgeesten zijn de zeven stralen van het Licht-Woord. Ieder hunner beheerst weder een sfeer van de Geest, een toestand in het leven der zielen.

- De dichtst bij U zijnde is de Beschermengel der Maan, met zijn onheilspel­lende glimlach en zijn kroon van een zilveren sikkel. Hij beheerst geboorte en dood. Hij maakt de ziel los van het lichaam en trekt haar in zijn sfeer. ­

- Boven hem wijst de bleke Mercurius met zijn slangenstaf die de Kennis be­vat, de weg aan de nederdalende of opklimmende zielen.

- Hoger, houdt de schitterende Venus de spiegel der Liefde, waarin de zielen beurtelings zichzelf vergeten of leren kennen.

- Daar boven verheft de Geest van de Zon de zegevierende fakkel van de eeuwige Schoonheid.

- Nog hoger zwaait Mars het zwaard van de Gerechtigheid.

- Tronend op een sfeer van azuur, voert Jupiter de scepter van de hoogste macht die het goddelijk Verstand is.

- Aan de grenzen van de wereld, onder de tekens van de dierenriem, draagt

Saturnus de bol van de alomvattende Wijsheid.[1]  

- Ik zie, zeide Hermes, de zeven gebieden, die de zichtbare en onzichtbare wereld omsluiten; ik zie de zeven stralen van het Licht-Woord, van de enige God, die hen bezielt en door hen de zeven sferen bestuurt. Maar zeg mij, 0 Meester, hoe volbrengt de mens de reis door al die werelden?

- Ziet gij, sprak Osiris, de lichtgevende kiemen uit de gebieden van de melkweg in de zevende sfeer vallen? Het zijn de kiemen van zielen. Zij leven als vluchtige dampen in het gebied van Saturnus, gelukkig, onbezorgd, niet bewust van hun geluk. Maar terwijl zij van sfeer tot sfeer nederdalen, hullen zij zich in steeds grover wordende stof. Bij elke belichaming ontvan­gen zij een nieuw lichamelijk zintuig, overeenkomstig de omgeving waarin zij zich bevinden. Haar levenskracht vermeerdert; maar naarmate zij in gro­vere lichamen komen, verliezen zij de herinnering aan haar hemelse oor­sprong. Zo wordt de uitstorting der zielen voltooid, die uit de goddelijke Ether komen. Meer en meer gevangen in de stof, meer en meer bedwelmd door het leven, storten zij zich als een regen van vuur, trillend van zin­genot, door de gebieden van Smart en Liefde en Dood tot in haar aardse gevangenis, waarin gij zelf zucht, vastgehouden door het brandend middel­punt der aarde en waar het goddelijk leven U een ijdele droom toeschijnt.

- Kunnen de zielen sterven? vroeg Hermes.

- Ja, antwoordde de stem van O iris, veel verongelukken in de noodlottige nederdaling. De ziel is een dochter van de hemel en haar reis is een proef. Als zij in haar teugelloze liefde voor de stof de herinnering aan haar oor­sprong verliest, keert de goddelijke vonk, die in haar was en die heerlijker dan een ster had kunnen worden, tot het etherische gebied terug als een

levenloos atoom en de ziel verstuift in de dwarrelwind der grove elementen. Bij die woorden van Osiris sidderde Hermes; want een loeiende stormwind hulde hem in een donkere wolk. De zeven sferen verdwenen in dikke dam­pen. Hij zag daarin menselijke schimmen, die vreemde kreten uitstootten, medegesleept en verscheurd werden door monsterachtige gestalten, te mid­den van jammerklachten en afschuwelijke godslasteringen.

- Dat is, zeide Osiris, het lot der onverbeterlijk laag gezonken en verdorven zielen. Haar foltering eindigt eerst met haar vernietiging, die het verlies van alle bewustzijn is. Doch zie, de nevels trekken op, de zeven sferen schit­teren weer aan het uitspansel. Schouw hierheen. Ziet ge die drom van zie­len, die tot het maangebied beproeft op te klimmen? Enigen worden naar de aarde teruggeslagen als vluchten vogels onder de geselslagen van de storm. Anderen bereiken met brede wiekslag de hogere sfeer, die ze mede­voert op haar baan. Eenmaal daar aangeland, herkrijgen zij het inzicht van de goddelijke dingen. Maar ditmaal zijn zij niet tevreden met de afspiege­ling daarvan in een droom van machteloos geluk. Zij laten zich ervan door­dringen met de helderheid van het bewustzijn, verlicht door smart, met de kracht van de wil, verworven in de strijd. Zij verspreiden licht, want zij be­zitten het goddelijke in zichzelf, dat in al haar handelingen doorstraalt.

Sterk dus uw ziel, 0 Hermes, en verhelder uw verduisterde geest bij het aan­schouwen van deze hooggeklommen scharen zielen, die tot de zeven sferen opklimmen en er zich in verspreiden als vonkenregens. Want k gij kunt die volgen; de wil is voldoende om zich op te heffen. Zie hoe zij zwermen en goddelijke koren vormen. Elk schaart zich onder haar uitverkoren Be­schermgeest. De schoonsten leven in het zonnegebied, de krachtigsten klim­men op tot Saturnus. Enkelen, de volmaaktsten onder de volmaakten, stij­gen op tot de Vader. Want dr waar alles eindigt, vangt alles in eeuwig­heid aan; en de zeven sferen zingen gezamenlijk: "Wijsheid! Liefde ! Recht­vaardigheid! Schoonheid ! Heerlijkheid !Kennis! Onsterfelijkheid!

 

- Ziedaar, zeide de hogepriester, wat de aloude Hermes heeft gezien en wat zijn opvolgers ons hebben overgeleverd. De woorden van de wijze zijn als de zeven tonen van de lier, die de gehele muziek bevatten met de getallen en wetten van het heelal.

Het visioen van Hermes gelijkt op de sterrenhemel, waarvan de onpeilbare diepte is bezaaid met sterrenbeelden. Voor het kind is het slechts een gewelf met gouden spijkers; voor de wijze is het de onbegrensde ruimte, waarin de werelden wentelen op wonderbaar rythme. Dit visioen bevat de eeuwige ge­tallen, de tekens van de bezwering en de sleutels van de magie. Hoe meer gij leert dit visioen te bespiegelen en te begrijpen, hoe meer zijn grenzen zich verwijden. Want dezelfde regelende wet regeert alle werelden. En de hoge­priester van de tempel lichtte de gewijde tekst toe. Hij verklaarde dat de leer van het Licht-Woord de Godheid voorstelt in de rusttoestand van vol­komen evenwicht. Hij zette haar drievoudige natuur uiteen, die tegelijkertijd is: verstand, kracht en stof; geest, ziel en lichaam; licht, woord en leven. Kernwezen, openbaring en zelfstandigheid zijn drie begrippen, die weder­kerig bij elkaar behoren. Hun vereniging vormt het goddelijk en verstande­lijk beginsel bij uitnemendheid, de wet van de drievoudige eenheid, die van omhoog naar omlaag de schepping beheerst.

 

Na aldus zijn leerling gevoerd te hebben tot het ideale middelpunt van het Universum, tot het scheppend beginsel van het Zijn, leidde de meester hem in tot tijd en ruimte en openbaarde hem de veelvuldige ontwikkelingsgan­gen. Want het tweede deel van het visioen stelt de Godheid voor in werk­dadige toestand, d.w.z. in volle ontwikkeling, of met andere woorden: het zichtbare en onzichtbare heelal, de levende hemel.

De zeven sferen, verbonden met zeven planeten zijn zinnebeelden van zeven beginselen, zeven onderscheidene toestanden van de stof en de geest, zeven verschillende werelden, die ieder mens en elk mensdom genoodzaakt is te doorlopen in hun evolutie door een zonnestelsel heen.

De zeven Beschermgeesten of de zeven Goden van de Kosmos betekenen de zeven hoogste en albesturende geesten van alle sferen, die zelf zijn voortge­komen uit de onvermijdelijke evolutie.

Elke hogere Godheid was dus voor een ingewijde van de Oudheid het zin­nebeeld en de beschermer van legioenen geesten, die hun beeld onder dui­zenderlei vormen voortbrachten en die van hun sfeer een invloed op de mens en op de aardse dingen konden uitoefenen.

De zeven Beschermgeesten uit het visioen van Hermes zijn de zeven Deva's van Indi, de zeven Amshaspads van Perzi, de zeven grote Engelen van Chaldea, de zeven Sephirots[2] uit de Kabbala, de zeven Aartsengelen van de Kristelijke Openbaring. En het grote zevenvoud, dat het heelal omvat, trilt niet alleen in de zeven kleuren van de regenboog, in de zeven tonen van de toonladder, maar openbaart zich ook in de samenstelling van de mens, die drievoudig is in wezen, maar zevenvoudig in zijn evolutie.[3]

- Zo, zeide de opperpriester, terwijl hij eindigde, zijt ge nu doorgedrongen tot aan de tempel van het grote geheim. Het goddelijk leven is U versche­nen in beelden van de werkelijkheid. Hermes heeft U de onzichtbare hemel leren kennen, het licht van Osiris, de verborgen God van het heelal, die door millioenen zielen ademt, de rondzwervende wereldbollen en worden­de lichamen bezielt.

Aan U thans uzelf te leiden en uw weg te kiezen om tot de zuivere geest op te stijgen; want gij behoort voortaan tot de levenden, die uit de dood zijn verrezen. Herinner U dat er twee hoofdsleutels van de Kennis zijn.

De eer­ste is "Het uitwendige is gelijk aan het inwendige der dingen; het kleine is gelijk aan het grote; er is slechts n Wet en Een is er, die schept. Niets is klein, niets is groot in de goddelijke bestiering."

De tweede is: "De mensen zijn sterfelijke goden en de Goden zijn onsterfe­lijke mensen."

Gelukkig is hij, die deze woorden begrijpt, want hij bezit de sleutel aller dingen. Bedenk dat de Wet der geheimenissen de grote waarheid bedekt. De volkomen kennis kan alleen geopenbaard worden aan onze broeders, die dezelfde beproevingen hebben doorstaan als wij. Men moet de waarheid af­meten naar de verstandelijke vermogens; haar omsluieren voor de bozen, die er slechts een gedeelte van kunnen vatten, welke zij voor slechte doel­einden zouden aanwenden. Verberg haar in uw hart en laat haar spreken uit uw werk. Kennis zal uw kracht zijn, geloof uw zwaard en geheimhouding uw ondoordringbare wapenrusting.

 

De openbaringen van de profeet van Ammon-Ra, die voor de nieuwe inge­wijde zo ruime blik in zichzelf en in het heelal openden, maakten ongetwij­feld diepe indruk, medegedeeld als zij werden op de sterren toren van een tempel te Thebe, in de plechtige stilte van een Egyptische nacht.

De witte poorten, daken en terrassen der tempels sluimerden aan zijn voet, tussen de donkere groepen tamerinde- en vijgebomen. Op enige afstand stonden grote monolithen, reuzen-standbeelden der Goden, als onomkoop­bare rechters aan het stille meer gezeten. Drie pyramiden,  meetkunstige fi­guren van het tetragram en het heilig zevenvoud, doemden aan de gezicht­einder op, terwijl hun driehoeken op afstanden van elkaar, zich aftekenden tegen de lichtgrijze lucht. Het onpeilbare uitspansel was bezaaid met ster­ren, die men hem afschilderde als toekomstige woningen! Toen daarbij de goudgele hulk van de maan oprees uit de Nijl, die zich in het verschiet ver­loor als een lange blauwachtige slang, meende de nieuwe ingewijde de bark van Isis te zien, die op de stroom der zielen drijft en deze meevoert naar de zon van Osiris. Hij herinnerde zich het Boek der Doden en de betekenis van al die symbolen ontsluierde zich nu voor zijn geest.

 

Na al hetgeen hij gezien en geleerd had, kon hij zich in het schemerrijk van Amenti wanen, die geheimzinnige overgangsfeer tussen het aardse en het hemelse leven, waar de afgestorvenen, aanvankelijk blind en sprakeloos, van lieverlede het gezicht en de stem herwinnen. Ook hij ging de grote reis ondernemen, de reis in de oneindigheid door de werelden en bestaansvormen. Reeds had Hermes hem kwijtschelding verleend en waardig geoordeeld. Hij had hem de oplossing van het grote raadsel gegeven: "Een enkele ziel, de grote ziel van het Al heeft, door zich te verdelen, alle zielen voortgebracht, die zich in het heelal bewegen I " Toegerust met het grote geheim besteeg hij de bark van Isis. Deze vertrok. Opgevoerd naar de ruimte van de Ether, zweefde hij door de sterrengebieden. Reeds drongen de brede stralen van een oneindige dageraad door de azuren sluiers van de hemelse verschieten; reeds zong het koor der zalige geesten, der Akhimoe-Skoe, die tot de eeuwige rust zijn in­gegaan: "Sta op, Ra Hermakoeti! Zon der geesten! Zij die zich op uw bark bevinden, zijn in geestverrukking! Zij slaken vreugdekreten in de millioen­jarige bark. De grote goddelijke tijdronde is vervuld van vreugde en juicht het heilige vaartuig toe. Verheugenis heerst in de geheimzinnige kapel. 0, sta op, Ammon-Ra Hermakoeti ! Zon, die zichzelf voortbrengt!" En de inge­wijde antwoordde met deze fiere woorden: "Ik heb het land der waarheid en rechtvaardiging bereikt. Ik herrijs als een levende God en schitter in het koor der Goden, die de hemel bewonen, want ik behoor tot hun ras!"

 

Zulke trotse gedachten en stoute verwachtingen konden in de geest van de ingewijde omgaan, gedurende de nacht, die volgde op de mystieke plechtig­heid der opstanding. Des anderen daags in de lanen van de tempel onder het verblindende zonnelicht, scheen hem deze nacht een droom, die eerste reis in het ontastbare en onzichtbare! Opnieuw las hij het opschrift van het beeld van Isis: "Geen sterveling heeft mijn sluier opgelicht!" Een tip was er evenwel opgeheven, maar om aanstonds weder neer te vallen, en hij was ontwaakt op de aarde van de grafgesteenten. Ach! wat was hij ver van de gedroomde grenspaal! Want de reis is lang op de millioenjarige bark! Doch hij had het einddoel ten minste in de verte waargenomen. Was zijn visioen van de andere wereld ook slechts een droombeeld, een kinderlijk spel van zijn verbeelding, die nog te kampen had met de invloeden der aarde; kon hij twijfelen aan dat andere bewustzijn, dat hij in zich had voelen ontwa­ken, aan dat geheimzinnige Dubbel, aan zijn hemels Ik, dat hem in zijn astrale schoonheid was verschenen als een levend wezen en tot hem had ge­sproken in zijn slaap? Was het een zusterziel, zijn beschermengel of slechts een afstraling van zijn innerlijke geest, een voorgevoel van zijn toekomstig zijn? Wonder en geheimenis. Neen, zeker, het was werkelijkheid en als deze ziel de zijne was, was zij de ware. Wat zou hij niet doen haar terug te vin­den? Al leefde hij millioenen jaren, nooit zou hij het goddelijk uur vergeten. Waarin hij zijn ander ik, rein en verheerlijkt, had aanschouwd. [4]

 

De inwijding was geindigd. De ingewijde was tot priester van Osiris ge­wijd. Was hij Egyptenaar, dan bleef hij verbonden aan de tempel; was hij vreemdeling, dan stond men hem somtijds toe naar zijn land terug te keren om er een eredienst te grondvesten of een zending te vervullen. Maar vr zijn vertrek beloofde hij plechtig met een dure eed een volkomen stilzwij­gen te bewaren over de geheimen van de tempel. Nimmer mocht hij aan iemand vertellen wat hij gehoord en gezien had, noch de leer van Osiris anders bekend maken dan onder de driedubbele sluier der mythologische zinnebeelden of der mysterin. Schond hij zijn eed, dan trof hem vroeg of laat een noodlottige dood, waar hij zich ook bevond. Maar geheimhouding was het schild van zijn kracht geworden.

Teruggekeerd op de kusten van Ioni, in de woelige stad, in de strijd der woedende hartstochten, onder de menigte mensen, die als dwazen voortle­ven, zichzelf niet bewust zijnde - dacht hij vaak terug aan Egypte, aan de pyramiden, aan de tempel van Ammon-R. Dan doemde de droom van de grafkelder weer in zijn herinnering op. En zoals daarginds de lotos wiegt op de golven van de Nijl, bleef dit blanke visioen hem ten allen tijde bij op de slijkerige, troebele stroom van dit leven. In gewichtige ogenblikken hoor­de hij zijn stem: de stem van het licht. In zijn innerlijk wekte die een ver­borgen muziek op en fluisterde hem toe: "De ziel is een gesluierd licht. Als men het veronachtzaamt, verduistert het en dooft uit; maar voedt men het met de heilige olie der liefde, dan schittert het als een onsterfelijke lamp."



[1] Het is overbodig te zeggen dat deze Goden in de Egyptische taal andere namen droe­gen. Maar de zeven Goden van de Kosmos komen in alle mythologien met elkaar overeen wat betreft hun betekenis en werkzaamheid. Zij vinden hun gemeenschappelijke oorsprong in de oude innerlijke overlevering. Ter wille van de duidelijkheid volgen wij de Westerse overlevering, die de Latijnse benamingen heeft behouden.

 

[2] Er komen tien Sephirots in de Kabbala voor. De eerste drie stellen voor de goddelijke Drievuldigheid, de zeven anderen de ontwikkeling van het heelal.

[3] Wij laten hier de Egyptische namen volgen van deze zevenvoudige samenstelling van de mens, die men in de Kabbala aantreft: Chat stoffelijk lichaam, Anch levenskracht, Ka etherisch dubbel of astraal lichaam, Hati dierlijke ziel, Bai redelijke ziel, Cheybi geestelijke ziel, Kou goddelijke ziel, die overeenkomen met de daimones, heroos of psuchai hchran­toi der Grieken.

Men zal de ontwikkeling dezer grondbegrippen van de innerlijke leer vinden in het boek over Orfeus en vooral in dat van Pythagoras.

 

[4] In de Egyptische leer werd aangenomen dat de mens in dit leven slechts bewust is in de dierlijke en redelijke ziel, Hati en Ba genaamd. Het hogere deel van zijn wezen, de geestelijke ziel en de goddelijke geest, Cheybi en Kou zijn in hem als onbewuste kiem aan­wezig en ontwikkelen zich na dit leven, als hij zelf een Osiris wordt.

 



[1] Het visioen van Hermes staat vooraan in de boeken van Hermes Trismegistos, onder de naam van Poimandres De oude Egyptische overlevering is in een enigszins gewijzigde Alexandrijnse vorm tot ons gekomen. Ik heb getracht dit voornaamste deel van de Her­metische leer weer te geven overeenkomstig de hoge betekenis van de inwijding en van de innerlijke synthesis, die zij vertegenwoordigt.

 

 

 

 

 

  Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  
**********

Stem Spirituele Vrienden in de
Top 100 NL



**********
Tellers

 

 LetsStat website statistieken