De Grote Ingewijden Eduard Schur

Schets van de Verborgen geschiedenis der Godsdiensten

 

Rama - Krishna - Hermes - Mozes
Orfeus - Pythagoras - Plato - Jezus

"De Ziel is de sleutel van het Universum"

Vertaling van Filofotos

Ga, boek van Weten, thans de wereld in en zo ge landpalen mocht overschrijden,
laat het dan zijn om Licht te brengen bij taalverwante volken.
December 1909 - FILOFOTOS
 

 

DEEL II KRISHNA

 

INDIE EN DE BRAHMAANSE INWIJDING

-----

 


Hij, die voortdurend de werelden doet geboren worden, is drievoudig. Hij is Brahma, de Vader; Maya, de Moe­der; Vishnoe, de Zoon; Geest, Stof en Leven. Ieder houdt de beide anderen in zich besloten en alle drie zijn n in het Onuitsprekelijke.

Leer van de Brahmanen. Oepanishads.

 

Gij draagt in uzelf een verheven vriend, dien gij niet kent. Want God troont in het innerlijk van elk mens, maar weinigen weten Hem te vinden. De mens, die zijn wensen en werken offert aan het Wezen, waaruit de be­ginselen van alle ding ontstaan en die het heelal heeft geschapen, verwerft daardoor de volmaaktheid. Want wie in zichzelf zijn geluk en vreugde zoekt, vindt ook het licht en is n met God. Weet dan dat de ziel, die God heeft gevonden, bevrijd is van wedergeboorte en dood. van ouderdom en smart en het water van de on­sterfelijkheid drinkt.

Bhagavad-Gita.

-----

Wat vooraf ging: omstreeks 3000 jaar voor Christus regeerde in het noorden van Indie een koning met een vals hart en een onverzadelijke ziel, Kansa genaamd. Hij was getrouwd met de dochter de van koning-tovenaar, zij heette Nysoemba. Doch zij kregen geen zoon.

Devaki echter zij was de zuster van koning Kansa -  eenvoudig, rein van hart en levend als in een droom, haar lichaam op de aarde en haar ziel in de hemel, bad tot de devas opdat zij haar broer een zoon zouden schenken, doch zij kreeg de boodschap dat zij de koning der wereld zou baren. Vanaf dat moment wilden Kansa en zijn slangachtige gade Devakis dood. Toen zij dit vernam vluchtte zij naar de kluizenaars in het woud.

Wanneer zeven manen haar toverachtige banen om het heilig woud hadden beschreven, liet het hoofd der kluizenaars Devaki roepen: "De wil der De­va's is vervuld," zeide hij. "Gij hebt ontvangen in de reinheid van uw hart en in goddelijke liefde. Maagd en moeder, wees gegroet. Een zoon zult gij baren, die de redder der wereld zal worden. Maar uw broeder Kansa zoekt U te vermoorden met de tedere vrucht, die gij in uw schoot draagt. Gij moet U verbergen. De broeders zullen U brengen naar de herders, die aan de voet van de berg Meroe wonen, bij de geurende cederbomen, in de reine lucht van de Himavat. Dr zult gij uw goddelijke zoon ter wereld brengen en hem noemen Krishna, de Gezalfde. Dat hij echter onbekend blijve met zijn oorsprong, zowel als met de uwe; spreek hem er nooit over. En nu, ga zonder vrees, wij waken over U."

En Devaki begaf zich naar de herders van de berg Meroe.

-----

Inwijding.

 

Toen koning Kansa had vernomen, dat zijn zuster Devaki[1] naar de kluize­naars was gevlucht en buiten zijn bereik was, begon hij een vervolging tegen de kluizenaars in te stellen en liet hen opjagen als wilde dieren. Zij moesten de wijk nemen naar het afgelegenste en meest woeste deel van het woud. Hun opperhoofd, de oude Vasichta, hoewel honderd jaar oud, begaf zich toen op weg naar de koning van Mathoera. De wachters zagen met verwon­dering een blinde grijsaard, met een gazelle bij zich, die hij aan een leidsel vasthield voor de poorten van het paleis verschijnen. Door eerbied voor de rishi getroffen, lieten zij hem voorbijgaan. Vasichta naderde de troon, waar Kansa zat met Nysoemba aan zijn zijde, en sprak tot hem:

Kansa, koning van Mathoera, ongeluk treffe u, zoon van de Stier, die de kluizenaars van het heilige woud vervolgt! Wee u, dochter van de Slang, die hem tot haat aanzet. Het uur van uw straf nadert. Weet dat de zoon van Devaki leeft! Hij zal verschijnen ten strijde toegerust, in een onbreekbaar pantser en U verjagen van de troon in de schande. Beeft nu en leeft in vrees; het is de straf, die de Deva's U aankondigen.

De soldaten, wachters en dienaren waren voor de heilige grijsaard op de knien gevallen, die het paleis verliet, vergezeld van zijn gazelle, zonder dat iemand hem durfde naderen. Maar sedert die dag peinsden Kansa en Ny­soemba op middelen om de koning der kluizenaars in het geheim te ver­moorden.

Devaki was dood en niemand, buiten Vasichta, wist dat Krishna haar zoon was. De mare van zijn heldendaden was evenwel tot het oor van de koning doorgedrongen. Kansa dacht: "Ik heb een machtige man nodig om mij te verdedigen. Hij die de grote slang van Kalayeni heeft gedood, zal niet bang zijn voor de kluizenaar." Hierop liet Kansa aan aartsvader Nanda zeggen: "Zend mij de jonge held Krishna, opdat ik hem tot mijn wagen­menner en eerste raadsman kan benoemen"[2].

Nanda deelde Krishna het bevel van de koning mede en Krishna antwoord­de: "Ik zal gaan." Bij zichzelf dacht hij: "Zou de koning van Mathoera zijn Hij, die onveranderlijk is? Dan zal hij mij kunnen zeggen waar mijn moeder zich bevindt."

 

Kansa zag de kracht, de behendigheid en het verstand van Krishna en schepte behagen in hem; hij vertrouwde hem de bewaking van zijn konink­rijk toe. Toen Nysoemba de held van de berg Meroe zag, bekroop haar een onreine begeerte en haar vlugge geest beraamde een duister plan bij de blik­semflitsing van een misdadige gedachte. Buiten voorkennis van de koning nodigde zij de wagenmenner in haar vrouwenvertrek. Als tovenares kende zij de kunst zich voor een ogenblik jonger te maken door middel van sterke liefdesdranken. De zoon van Devaki vond Nysoemba met de ebbenhouten ­borsten bijna geheel ontkleed op een purperen legerstede liggend; gouden ringen versierden haar enkels en armen; een diadeem van kostelijk edelge­steente flonkerde op haar hoofd. Aan haar voeten brandde een koperen reukvat, waaruit een wolk van geuren opsteeg.

 

_ Krishna, zeide de dochter van de koning der slangen, uw voorhoofd is rustiger dan de sneeuw van de Himavat en uw hart is als de vonk van de bliksem. In uw eenvoud blinkt gij uit boven de koningen van deze aarde. Niemand heeft u hier naar waarde geschat; en gij kent uzelf niet. Ik alleen weet wie gij zijt; de Deva's hebben van u gemaakt de meester der mensen; ik alleen kan van u maken de meester van deze aarde. Wilt gij?

- Als het Mahadeva is, die door uw mond spreekt, zeide Krishna met een ernstige uitdrukking, dan kunt ge mij zeggen waar mijn moeder is en waar ik de grijsaard kan wedervinden, die tot mij sprak onder de cederbomen van de berg Meroe.

- Uw moeder? sprak Nysoemba met een glimlach van minachting, ik kan het u niet zeggen en wat de grijsaard betreft, die ken ik niet. Dwaas! gij jaagt hersenschimmen na en ziet de schatten niet die ik u aanbied. Er zijn koningen die een kroon dragen en toch geen koningen zijn. Er zijn zonen van herders die het koningschap op hun voorhoofd dragen en hun kracht niet kennen. Gij zijt sterk, jong en schoon; alle harten behoren u. Dood de koning in zijn slaap en ik zal u de kroon op het hoofd zetten; gij zult mees­ter der wereld zijn; want ik heb u lief en gij zijt mij door de goden toege­dacht. Ik wil het, ik beveel het!

Terwijl zij zo sprak, was de koningin opgerezen, gebiedend, onweerstaan­baar, verschrikkelijk als een schone slang. Staande voor haar rustbed wierp zij uit haar zwarte ogen een zo dreigende blik in de heldere ogen van Krish­na, dat hij een ogenblik sidderde. In die blik verscheen hem de hel. Hij zag de afgrond in de tempel van Kali, de godin van Begeerte en Dood, en de slangen die daarin rondkronkelden als in eeuwige doodstrijd. Opeens schit­terden de ogen van Krishna als twee zwaarden. Zij doorboorden de koningin en de held van de berg Meroe riep uit:

- Ik blijf trouw aan de koning, die mij tot zijn verdediger heeft gekozen; maar gij, weet dat ge zult sterven!

Nysoemba stiet een doordringende kreet uit en wentelde zich op haar rust­bed, terwijl zij in het purperen bekleedsel beet. Al haar gekunstelde jeugd was verdwenen; zij was wederom oud en rimpelig geworden. Krishna ging heen en liet haar met haar woede alleen.

 

Dag en nacht door de woorden van de kluizenaar vervolgd, zeide de koning tot zijn wagenmenner:

- Sedert die vijand de voet in mijn paleis heeft gezet, leef ik niet meer vreedzaam op mijn troon. Een boosaardige tovenaar, die Vasichta heet en in een dicht woud leeft, heeft zijn vervloeking over mij uitgesproken. Sedert die tijd heb ik geen rust meer; de grijsaard heeft mijn dagen vergiftigd. Met u evenwel, die voor niets bang zijt, vrees ik hem niet. Laten wij naar het woud gaan. Een spion, die alle wegen er van kent, zal ons vergezellen. Zo­dra gij hem ziet, loop dan op hem toe en tref hem, voordat hij een woord heeft kunnen spreken of u een blik toewerpen. Als ge hem dodelijk gewond hebt, vraag hem dan waar de zoon van mijn zuster Devaki is en hoe hij ge­noemd wordt. De vrede van mijn rijk hangt van dit geheim af.

- Wees gerust, antwoordde Krishna, ik ben voor Kalayeni niet bang ge­weest, noch voor de slang van Kali. Wie zou mij nu kunnen doen beven? Hoe machtig die man dan ook mag zijn, ik zal te weten komen wat hij voor u verborgen houdt.

Vermomd als jagers vertrokken de koning en zijn raadsman op een wagen met vurige paarden en snelle raderen. De spion, die het woud had verkend, bevond zich achter hen. Men was in het begin van de regentijd. De rivieren zwollen, een weelderige plantengroei bedekte de wegen en de blanke lijn der ooievaars vertoonde zich op de rug der wolkengevaarten. Toen zij het heilige woud naderden, betrok de gezichteinder, de zon ging schuil achter de wolken en de dampkring werd bezwangerd van een koperkleurige nevel.

 

Van het onstuimige hemelgewelf hingen de wolken neer als reusachtige flarden boven het verontruste geboomte.

- Waarom, zeide Krishna tot de koning, is de hemel eensklaps donker ge­worden en het woud zo zwart?

- Ik zie het wel, antwoordde de koning van Mathoera, Vasichta, de boos­ aardige kluizenaar, doet de lucht verduisteren en stelt zijn woud tegenover mij. Zijt ge bang, Krishna?

- Al verandert de hemel van gedaante en de aarde van kleur, bang ben ik niet!

- Dan voorwaarts!

Krishna legde de zweep over de paarden en de wagen rolde voort onder het dichte lommer der baobabs (apenbroodbomen). Hij rolde enige tijd voort met verbazende snelheid. Steeds woester en geweldiger werd het woud; het weerlichtte fel; de donder rommelde.

- Nooit, zeide Krishna, zag ik de lucht zo zwart en de bomen zo zwiepen. Die tovenaar is machtig.

- Krishna, die de slangen gedood hebt, held van de berg Meroe, zijt ge bang?

- Al beeft de aarde en valt de hemel ineen, dan ben ik nog niet bevreesd.

- Rijd dan voort!

 

Opnieuw legde de onverschrokken wagenmenner de zweep over de paarden en de wagen ging verder. Toen stak de storm zo geweldig op, dat de reuzen­bomen bogen als voor een onweerstaanbare kracht. Het wakker geschudde woud gierde als het gehuil van duizenden duivels. De bliksem sloeg vlak voor de reizigers neer; een verbrijzelde apenbroodboom versperde de weg; de paarden weigerden voort te gaan en de grond beefde.

- Uw vijand schijnt een god te zijn, zeide Krishna, dat Indra hem zo be­schermt!

Wij naderen het doel, sprak de spion van de koning. Ziet gij die laan van groen loof? Aan het eind daarvan staat een vervallen hut, daar woont Vasichta, de grote moeni, die de vogels voedt, ontzien wordt door de wilde beesten en verdedigd door een gazelle. Maar zelfs voor geen koningskroon ga ik thans een stap verder.

Bij deze woorden was de koning van Mathoera doodsbleek geworden.

Is hij daar? Waarlijk? Achter dit geboomte? En terwijl hij zich vastklemde aan Krishna, fluisterde hij, bevend over al zijn leden:

_ Vasichta! Vasichta die mijn dood beraamt, is dr! Hij ziet mij vanuit zijn wijkplaats. . . Zijn oog vervolgt mij.  Verlos mij van hem!

- Ja, bij Mahadeva, zeide Krishna, terwijl hij van de wagen stapte en op de tronk van een apenbroodboom sprong, ik wil hem zien die u zo schrik aanjaagt.

 

De honderdjarige moeni Vasichta leefde sedert jaren in deze hut, die ver­borgen lag in het diepst van het heilig woud. Daar wachtte hij de dood af. Vr de dood van zijn lichaam was hij bevrijd van de gevangenis van zijn lichaam, Zijn ogen waren blind, maar hij zag met de ziel. Zijn huid was nau­welijks gevoelig meer voor warmte of koude, maar zijn geest leefde in een volslagen vereniging met de allerhoogste Geest. Hij zag de dingen dezer we­reld door het licht van Brahma; hij bad en overpeinsde zonder pozen. Een trouwe leerling, die ook de kluis had verlaten, bracht hem alle dagen rijst­korrels, waarvan hij leefde. De gazelle, die het voeder uit zijn hand at, waar­schuwde hem met een schreeuw als wilde dieren naderbij kwamen. Dan ver­dreef hij ze door een mantram uit te spreken en zijn bamboestok met zeven geledingen op te heffen. Wat de mensen betreft, hij zag hen op vele mijlen afstands aankomen, wie het ook waren alleen door zijn innerlijk oog.

Krishna was de donkere laan ingegaan en stond plotseling vlak voor Vasich­ta. De koning der kluizenaars zat met de benen gekruist op een stromat en leunde tegen de deurstijl van zijn hut, in diepe vrede verzonken. Zijn blin­de ogen weerkaatsten de inwendige fonkeling van de ziener. Zodra Krishna hem had gezien, herkende hij - "de verheven grijsaard!" - Een schok van vreugde doorvoer hem en eerbied boog zijn ziel geheel en al terneder, hij vergat de koning, zijn wagen, zijn rijk; hij boog zijn knie voor de heilige - en aanbad hem.

 

Vasichta scheen hem te zien; want zijn lichaam, leunend tegen de spijl van de hut, richtte zich op. Hij strekte zijn beide armen uit om zijn nieuwe gast te zegenen en zijn lippen mompelden de heilige lettergreep: A U M. [3].

Ondertussen sloop Kansa, die niets meer hoorde en ook zijn wagenmenner niet zag terugkomen, heimelijk de laan in en bleef als versteend van verba­zing staan, toen hij Krishna geknield zag voor de heilige kluizenaar. Deze richtte zijn blinde ogen op Kansa en zijn stok opheffende, zeide hij:

-Koning van Mathoera, gij komt om mij te doden; wees welkom! Want gij zult mij bevrijden van de ellende van dit lichaam. Gij wilt weten waar de zoon van uw zuster Devaki is, die U onttronen zal. Zie hem hier voor mij en voor Mahadeva geknield; het is Krishna, uw eigen wagenmenner! Bedenk hoe dwaas en gevloekt ge zijt, wijl uw geduchtste vijand Krishna zelf is. Gij hebt hem tot mij gevoerd, opdat ik hem kan zeggen, dat hij het uitverkoren kind is. Beef! Gij zijt verloren; uw helse ziel wordt een prooi der demonen. Kansa luisterde als versteend. Hij durfde de grijsaard niet in de ogen te zien; doodsbleek van woede en Krishna nog steeds geknield ziende, nam hij zijn boog en die spannende met al zijn kracht, schoot hij een pijl af op de zoon van Devaki. Zijn arm had echter gebeefd, het schot week af en de pijl drong in de borst van Vasichta, die met gekruiste armen het dodelijk schot als in geestvervoering scheen af te wachten.

 

Een kreet weerklonk, een verschrikkelijke kreet - niet uit de borst van de grijsaard, maar uit die van Krishna. Hij had de pijl horen snorren langs zijn oor, zien dringen in het vlees van de heilige. . . en het was hem alsof die in zijn eigen hart was gedrongen, z was zijn ziel op dit ogenblik n gewor­den met de Rishi. Met dit pijlschot drong alle smart van de wereld in de ziel van Krishna en verscheurde haar tot in haar diepten.

Vasichta intussen, met de pijl in zijn borst en zonder van houding te veran­deren, bewoog nog de lippen. Hij fluisterde:

- Zoon van Mahadeva, waarom slaakt ge die kreet? Er bestaat geen dood. De pijl kan de ziel niet bereiken en het slachtoffer is de overwinnaar van de moordenaar. Ons is de zege, Krishna; het lot is vervuld; ik keer terug tot Hem, die onveranderlijk is. Brahma hebbe mijn ziel. Maar gij, zijn uitver­korene, redder der wereld, sta op! Krishna! Krishna!

En Krishna stond op, de hand aan het zwaard; hij wilde zich op de koning werpen, maar Kansa was weggevlucht.

 

Een lichtstraal spleet de donkere hemel vaneen en Krishna viel ter aarde, overstelpt door een verblindende schittering van licht, Terwijl zijn lichaam ongevoelig bleef, steeg zijn ziel, verenigd met die van de grijsaard door de macht der verwantschap, in de ruimten. De aarde met haar stromen, zeen en vastelanden verdween als een zwarte bol en beiden stegen tot in de ze­vende hemel der Deva's, tot de Vader der Wezens, de Zon der zonnen, Ma­hadeva, de Goddelijke Geest. Zij kwamen in een oceaan van licht, die zich voor hen opende. In het midden van deze sfeer zag Krishna Devaki, zijn stralende, zegenrijke moeder, die hem met een onuitsprekelijke glimlach in haar armen nam en hem trok in haar schoot. Scharen van Deva's kwamen zich verlustigen in de heerlijke glans van de Moeder-maagd, als in een wit­gloeiend vuur. En Krishna voelde zich geheel opgenomen in een blik van liefde van Devaki. Toen schitterde zijn wezen uit het hart van zijn stralen­de moeder door alle hemelen heen. Hij voelde dat hij de Zoon was, de god­delijke ziel aller wezens, het Woord van leven, het scheppend Woord. Verheven boven het universele leven, doorgronde hij het evenwel door het innerlijk wezen der smart, door het vuur van het gebed en het hoogste geluk van een goddelijk offer[4]

 

Toen Krishna tot zichzelf kwam, rolde de donder nog langs de hemel; het woud was donker en regen viel in stortvloeden op de hut. Een gazelle likte het bloed van het lichaam van de doorboorde heilige. "De edele grijsaard" was niet meer dan een lijk. Krishna richtte zich op als uit de dood herrezen. Een afgrond scheidde hem van de wereld en haar ijdele schijn. Hij had de grote waarheid doorleefd en zijn zending begrepen.

Wat Koning Kansa aangaat, vol schrik was hij op zijn strijdwagen gevlucht, voortgejaagd door de storm; en de paarden steigerden, alsof zij door duizen­den duivels werden gegeseld.

 

 

 

 

 

De leer der ingewijden.

 

Krishna werd door de kluizenaars begroet als de verwachte en uitverkoren opvolger van Vasichta. De Srada of lijkdienst van de heilige grijsaard vond plaats in het gewijde woud en de zoon van Devaki ontving de staf met de zeven geledingen als teken van het geestelijk koningschap, nadat het vuur­offer was volbracht in tegenwoordigheid van de oudste kluizenaars, die de drie Veda's uit het hoofd kennen. Daarna trok Krishna zich terug op de berg Meroe om er zijn leer en de weg van het heil der mensen te overpein­zen. Zijn inkeringen tot zichzelf en boetvaardig leven duurden zeven jaar. Toen voelde hij dat hij meester was over zijn aardse natuur en zijn goddelijkheid zegevierde, terwijl hij genoegzaam n geworden was met de zon van Mahadeva, om de naam van zoon Gods te mogen dragen. Daarop riep hij de kluizenaars, zowel jonge als oude bijeen, om hen in zijn leer in te wijden. Zij vonden Krishna gelouterd en machtiger geworden; de held was herboren in een heilige; hij had zijn leeuwenkracht niet verloren, maar de zachtheid der duiven gewonnen. Onder degenen, die zich het eerst bij hem schaarden was Ardjoena, een afstammeling van de zonnekoningen en van de Pandava's, die door de Koerava's of koningen van de maan onttroond waren. De jonge Ardjoena was vol vuur, maar spoedig geneigd zich te laten ontmoedigen en tot twijfel te vervallen. Hij hechtte zich hartstochtelijk aan Krishna.

 

Zittend onder de cederbomen van de berg Meroe, in het gezicht van de Hi­mavat, ving Krishna aan met zijn leerlingen te spreken over de waarheden, welke ontoegankelijk zijn voor de mensen, die slaven van hun zinnen zijn. Hij onderwees hen in de leer van de onsterfelijke ziel, haar gedaantever­wisseling en ondoorgrondelijke eenheid met God. Het lichaam, zeide hij, is een omhulsel van de ziel, die het bewoont en is sterfelijk; de ziel is on­zichtbaar, onweegbaar, onbederfelijk, eeuwig[5]. De aardse mens is drievou­dig gelijk de godheid, waarvan hij een afschaduwing is: geest, ziel en li­chaam. Als de ziel zich verenigt met de eest verwerft zij Sattwa, wijsheid en vrede, als zij onzeker zweeft tussen de geest en het lichaam, wordt zij be­heerst door Rajas, de begeerte, en wentelt van punt tot punt in een nood­lottige kring rond; als zij zich overgeeft aan het lichaam vervalt zij tot Ta­mas, het onverstand, de onwetendheid en de tijdelijke dood. Ziedaar het­geen  ieder mens in zichzelf en om zich heen kan waarnemen[6].

 

- Maar, vroeg Ardjoena, wat is het lot van de ziel na de dood? Gehoor­zaamt zij steeds aan dezelfde wet of kan zij er aan ontsnappen?

Zij ontsnapt er nooit aan en moet steeds aan die wet gehoorzamen, antwoordde Krishna. Hierin ligt het geheim van de wedergeboorte. Zoals de diepten van de hemel zich openen voor de stralen der sterren, z worden de diepten van het leven verlicht door het licht van deze waarheid. Wordt het lichaam ontbonden, terwijl de eigenschap van Sattwa (de wijsheid) de over­hand heeft, dan gaat het innerlijk zelf (de ziel) naar de smetteloze sferen van hen, die met de Hoogste Plaats bekend zijn. Wanneer het lichaam ont­bonden wordt, terwijl Rajas (de begeerte) de overhand heeft, dan wordt de ziel herboren in een lichaam, dat aan handelen is gehecht en zo ook worden de zielen van hen, die sterven, terwijl de eigenschap van Tamas (de onwe­tendheid) het sterkst is, herboren in lichamen van misleide mensen[7].

- Dat is rechtvaardig, zeide Ardjoena. Maar deel ons nu mede wat er in de loop der eeuwen geschiedt met hen die de wijsheid gevolgd hebben en die na hun dood de goddelijke werelden zijn ingegaan.

- De mens, wiens devotie door de dood wordt afgebroken, gaf Krishna ten antwoord, gaat naar de sferen der rechtvaardigen (dat is Devachan), waar hij een onmetelijke reeks van jaren zal verblijven om vervolgens weer herboren te worden in een reine en gelukkige familie, of zelfs in een omge­ving van geestelijk verlichten. Maar een wedergeboorte in zulk een kring als de laatstgenoemde is moeilijker te verkrijgen. Aldus wedergeboren zijnde, komt hij in aanraking met de kennis, die hem in zijn vroeger lichaam eigen was en van die tijd af spant hij zich met nog groter ijver in, om tot vol­maaktheid te geraken[8].

 

- Dus, zeide Ardjoena, zelfs de braven zijn onderworpen aan de wederge­boorte en moeten het leven in een ander lichaam opnieuw beginnen! Maar zeg ons, O meester van het leven! is er voor hem, die de wijsheid zoekt, geen einde aan deze aaneenschakeling van vele levens?

- Luister, sprak Krishna, naar het grote, diepe geheim, de hoogste, verhe­venste en zuiverste verborgenheid. Om tot volmaaktheid te geraken moet men de kennis van de eenheid verwerven, die boven de wijsheid gaat; men moet zich opheffen tot het goddelijke Wezen, dat boven de ziel, zelfs boven de geest verheven is. Welnu, dat goddelijk Wezen, die verheven vriend, ze­telt in ieder onzer. God is in het innerlijk van ieder mens, doch weinigen weten hem te vinden. Ziehier de weg tot de eeuwige zaligheid. Zodra gij het wezen zult gevonden hebben, dat boven de dingen van deze wereld en in uzelf is, verzaakt dan de vijand, die in de vorm van de begeerte tot u komt. Beteugelt uw driften. De geneugten der zinnen baren de smarten van de toekomst. Doet niet alleen goed, maar weest goed. De beweegreden moet in de handeling zelf liggen en niet in de vruchten. Doet afstand van de vruchten van uw werken, maar elke daad van u moet een offer wezen aan het Hoogste-Zijn. De mens die het offer van zijn begeerten en zijn werken brengt aan het Wezen, waaruit de beginselen aller dingen voortkomen en door Wien het heelal is geschapen, verlangt door dit offer de volmaaktheid. En naar de geest, verwerft hij die geestelijke wijsheid die boven de rituele godsdienst staat en voelt een goddelijke gelukzaligheid over zich komen. Want hij, die in zichzelf zijn geluk, zijn genot en zijn licht vindt, is n met God. Weet dat de ziel, die God heeft gevonden, bevrijd is van wedergeboor­te en dood, van ouderdom en smart en het water der onsterfelijkheid drinkt.

 

Aldus verklaarde Krishna zijn leer aan zijn leerlingen en langs de weg van innerlijke beschouwing voerde hij hen langzamerhand op tot de verheven waarheden, die voor hem ontsluierd werden onder het felle licht van zijn ziening. Terwijl hij van Mahadeva sprak werd zijn stem plechtiger, zijn trekken verhevener. Eens zei de Ardjoena, vol weetlust en stoutmoedigheid, tot hem:

- Laat ons Mahadeva in zijn goddelijke gedaante zien. Kunnen onze ogen hem niet aanschouwen?

Toen stond Krishna op en begon te spreken over het Wezen, dat in alle we­zens leeft, onder alle mogelijke vormen, met ontelbare ogen, het aangezicht naar alle richtingen heen gewend en dat daarbij alles te boven gaat in de verhevenheid van het oneindige; dat in zijn onbeweeglijk en onbegrensd lichaam het ganse bezielde en onbezielde heelal samenvat.

- Als in de hemelen op hetzelfde ogenblik de glans van duizend zonnen schitterde, zeide Krishna, zou dit nauwelijks gelijken op de heerlijkheid van de Enig-Almachtige. Terwijl hij aldus van Mahadeva sprak, straalden de ogen van Krishna zo geweldig, dat de leerlingen de schittering niet konden verdragen en zich voor zijn voeten in het stof wierpen. De haren van Ard­joena rezen te berge en terwijl hij knielde, sprak hij met saamgevouwen handen:

- Meester, uw woorden jagen ons schrik aan; wij kunnen de aanblik van het wezen dat gij voor onze ogen oproept, niet verdragen. Het verplettert ons[9].

 

Krishna hernam:

- Hoor, hetgeen Hij u zegt door mijn mond: Gij en ik zijn door vele levens heengegaan. De mijne zijn mij bekend, maar gij kent de uwe niet. Hoewel ik zelf ongeboren ben, onveranderlijk van wezen, en de Heer van al wat bestaat, zo word ik toch, bij het besturen van de natuur (die mij behoort) slechts geboren door mijn eigen Maya (illusie) ...

. . . en zodra er een verval van deugd of vermeerdering van ondeugd en on­recht in de wereld plaats heeft, incarneer ik mij van eeuw tot eeuw voor het behoud van de rechtvaardige, de vernietiging van de boze en de vesti­ging van de gerechtigheid. Hij die weet dat mijn goddelijke geboorte en handelingen zodanig zijn, zal, wanneer hij dit sterfelijk omhulsel verlaat, zich niet in een ander huisvesten, want hij zal tot mij ingaan[10].

 

Zo sprekende beschouwde Krishna zijn leerlingen met een blik van welbe­hagen en liefde. Ardjoena riep uit:

- Heer; gij zijt onze meester, gij zijt de zoon van Mahadeva. Ik zie het mr nog aan uw goedheid en de onuitsprekelijke bekoring die van U uitgaat, dan aan uw geweldige luister. De Deva's zoeken en wensen U in de ruimte der oneindigheid; zij hebben U onder de gedaante van de mens lief en aan­bidden U daarin. Noch berouw, noch aalmoezen, Veda's of brandoffers we­gen op tegen n enkele blik van U. Gij zijt de Waarheid. Geleid ons ten strijde, voer ons aan! Waar gij gaat, wij zullen U volgen!

Glimlachend en in heilige verrukking verdrongen de leerlingen zich om Krishna, terwijl zij zeiden:

- Hoe komt het, dat wij het niet eerder hebben gezien? Mahadeva spreekt door U.

Hij antwoordde:

- Uw ogen waren nog niet geopend. Ik heb U het grote geheim gegeven. Deelt het echter alleen mede aan hen, die het kunnen bevatten. Gij zijt mijn uitverkorenen; gij ziet het einddoel, de menigte ziet slechts het begin van de weg. En nu, laten wij aan het volk de weg der eeuwige zaligheid verkon­digen.

 

Na het onderricht dat Krishna aan zijn leerlingen op de berg Meroe had ge­geven, begaf hij zich met hen naar de boorden van de Djamoena en de Gan­ges om het volk te bekeren. Hij trad de hutten binnen en verwijlde in de steden. 's Avonds, aan de ingang van de dorpen, groepte het volk om hem heen. Wat hij voornamelijk de mensen voorhield was de liefde tot de naaste. "Het leed, dat wij onze naaste berokkenen, zeide hij, volgt ons gelijk de schaduw van ons lichaam." - "De werken, die tot grondtoon hebben liefde tot de naaste, moeten door de rechtvaardige worden beoefend, want deze zullen het zwaarst wegen in de hemelse weegschaal. - Als gij alleen met bra­ve mensen verkeert, zullen uw voorbeelden tot generlei nut strekken; wees niet bang onder slechte mensen te leven, ten einde hen tot het goede terug te voeren. -- De deugdzame mens is gelijk een schaduwrijke en reusachtige boom, waarvan het weldadig lommer de planten, die hem omringen, levens­adem verschaft." Soms sprak Krishna, van wiens ziel nu een geur van liefde uitging, over de zelfverloochening en opoffering op wegslepende toon en in heerlijke beelden: "Gelijk de aarde allen blijft dragen, die haar met voeten treden en haar schoot verscheuren, terwijl zij haar bearbeiden, zo moeten wij kwaad met goed vergelden. - De brave mens moet vallen onder de sla­gen van de boze, als de sandelhoutboom, die de bijl waarmede hij geveld wordt, nog met geurige sappen besproeit."

 

Wanneer schijngeleerden, ongelovigen of hovaardigen hem verzochten het wezen van God voor hen te verklaren, dan antwoordde hij met de volgende woorden: "De wetenschap van de mens is ijdel; al zijn goede daden zijn nie­tig als hij die niet ter ere Gods verricht. - De nederige van hart en geest wordt door God bemind en heeft niets anders nodig. - De oneindigheid en de hemelruimte kunnen alleen het oneindige begrijpen; God kan alleen God begrijpen."

Dit waren niet de enige nieuwe punten van zijn lering. Hij bracht de me­nigte in verrukking en sleepte haar vooral mede door hetgeen hij vertelde van de levende God, van Vishnoe. Hij leerde dat de Meester van het heelal reeds meer dan eens in stoffelijke gedaante onder de mensen had gewoond. Hij was achtereenvolgens verschenen in de zeven Rishis, In Vyasa en Vasichta. En daarbij zou het niet blijven. Vishnoe evenwel, naar hetgeen Krishna zeide, schept er somtijds behagen in te spreken door de mond van een een­voudig schepsel, een bedelaar, een boetvaardige vrouw of een klein kind. 

 

 

 

 

Op de website Ars Floreat -  is het mogelijk om de Bhagavad Gita, in Nederlandse vertaling, te downloaden als pdf.

 



[1] Maagdelijke Moeder van Krishna

[2] In het oude Indi waren deze twee waardigheden vaak in n persoon verenigd. De wagenmenners der koningen waren personen van gewicht en dikwijls de ministers der vor­sten. De Hindoese pozie bezit daarvan veel voorbeelden.

 

[3] In de brahmaanse inwijding betekent dit woord: de hoogste God, de God-Geest. Elk van deze letters staat in verband met een der goddelijke eigenschappen of met een der personen van de Drievuldigheid.

 

[4] De legende van Krishna voert ons in haar oorsprong tot het begrip van de Moeder-maagd, van de God-Mens en de Drie-eenheid. In Indi zien wij dit begrip vanaf zijn ont­staan in zijn doorzichtige zinnebeeldigheid met zijn diepe bovenzinnelijke betekenis. De Vishnoe-Poerana voegt in het 5e boek hoofdstuk 11, na allereerst de ontvangenis van Krishna door Devaki verhaald te hebben, aan dit verhaal toe: "Niemand kon Devaki aan­schouwen door het licht dat haar omgaf en ieder, die haar heerlijkheid zag, voelde zijn geest verwarren; de goden, onzichtbaar voor de stervelingen, verkondigden voortdurend haar lof sedert Vishnoe in haar schoot was nedergedaald. Zij zongen: "Gij zijt die Prakriti, oneindig en teder, die weleer Brahma in haar schoot droeg; gij waart de Godin van het Woord, de geestkracht van de Schepper van het heelal en de moeder der Veda's. O, gij eeuwig wezen, die door uw aard het kernwezen van alle geschapen dingen begrijpt, gij waart n met de schepping, gij waart het offer waaruit alles ontstaat wat de aarde voort­brengt; gij zijt het hout dat door wrijving vuur baart. Gij zijt als Aditi de moeder der goden; als Diti, de moeder der Datyas, hun vijanden. Gij zijt het licht, waaruit de dag wordt geboren; gij zijt de nederigheid, de moeder van de ware wijsheid; gij zijt het beleid der koningen, moeder van de maatschappelijke orde; gij zijt het verlangen, waaruit de liefde wordt geboren; gij zijt de tevredenheid, waaruit de gelatenheid ontstaat; gij zijt het Verstand, moeder der wetenschap; gij zijt het geduld, moeder der dapperheid; het ganse uitspansel en de sterren zijn uw kinderen; uit u komt alles voort, wat bestaat        Gij zijt nedergedaald op aarde voor het heil der wereld. Erbarm u onzer, O godinne! en toon u goedgunstig voor het heelal; wees er fier op, dat gij de god draagt die de wereld in stand houdt." Deze bladzijde bewijst dat de Brahmanen de moeder van Krishna verpersoonlijk­ten met de wereldstof en het vrouwelijk beginsel van de natuur. Zij maakten er van de tweede persoon van de goddelijke Drie-eenheid, van de ongeopenbaarde Triade, die het begin vormt. De Vader, Nara (Mannelijk-Eeuwig); de Moeder, Nari (Vrouwelijk-Eeuwig) en de Zoon, Viradi ('t scheppend Woord). Dit zijn de goddelijke eigenschappen; met ande­re woorden: het geestelijk beginsel, het scheppend beginsel en het voortbrengend beginsel. Alle drie te zamen vormen de natura naturans, om een uitdrukking van Spinoza te be­zigen. De bewerktuigde wereld, het levende heelal, natura naturata. is het voortbrengsel van het scheppend woord, dat zich op zijn beurt in drie vormen openbaart: Brahma.,... de Geest, die overeenkomt met de goddelijke wereld; Vishnoe, de ziel, in verband staande met de menselijke wereld; Siva, het lichaam, overeenkomend met de natuurlijke wereld. In de­ze drie werelden zijn het mannelijk en het vrouwelijk beginsel (kernwezen en zelfstandig­heid) gelijkelijk werkzaam, en het Vrouwelijk-Eeuwig openbaart zich tegelijk in de aard­se, menselijke en goddelijke natuur. Isis is drievoudig: Kybele ook. Men ziet daaruit dat, aldus opgevat, de dubbele Drie-eenheid, die van God en het heelal, de beginselen en omlijning bevat van een leer van het bestaan en de volmaaktheden van God en een leer van de wording der dingen. Ten tiide van de Apostelen en de eerste eeuwen van het Chris­tendom, vereerden de Christen-ingewijden het vrouwelijk beginsel van de zichtbare en on­zichtbare natuur onder de naam van de Heilige Geest welke voorgesteld werd door en duif, het teken van het vrouwelijk element in alle tempels van Azi en Europa. Hoewel de kerk de sleutel van deze Geheimen heeft verborgen en verloren, staat hun betekenis nog in haar zinnebeelden geschreven.

 

[5] De uiteenzetting van deze leer, die later door Plato wordt verkondigd, is te vinden in het 1ste boek van de Bhagavad-Gita in de vorm van een samenspraak tussen Krishna en Ardjoena.

 

[6] Boek XIII tot XVIII van de Bhagavad-Gita.

 

[7] Bhagavad-Gita XIVe boek.

[8] Bhagavad-Gita VIe boek.

[9] Zie deze verheerlijking van Krishna in het Xe boek van de Bhagavad-Gita. 

Men kan die vergelijken met de verheerlijking van Christus, XVII Matthus. Ziet het acht­ste boek van dit werk.

 

[10] Bhagavad-Gita, IVe boek

 

 

 

 

  Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  
**********

Stem Spirituele Vrienden in de
Top 100 NL



**********
Tellers

 

 LetsStat website statistieken