De Grote Ingewijden Ė Eduard Schurť

Schets van de Verborgen geschiedenis der Godsdiensten

 

Rama - Krishna - Hermes - Mozes
Orfeus - Pythagoras - Plato - Jezus

"De Ziel is de sleutel van het Universum"

Vertaling van Filofotos

Ga, boek van Weten, thans de wereld in en zo ge landpalen mocht overschrijden,
laat het dan zijn om Licht te brengen bij taalverwante volken.
December 1909 - FILOFOTOS
 

 

L.S.
Onlangs kocht ik een omvangrijk boek, daterend uit 1909, dat op een zeer beeldende en begrijpelijke manier het ontstaan van de grote wereldreligies beschrijft en de Grote Ingewijden die hiervan de basis legden.

Tot mijn verbazing, en ontsteltenis, vond ik dit boek later ook in een moderne herdruk waar, helaas, zodanig aan geknutseld is dat het boek in feite helemaal verminkt is geraakt. De reden waarom men aan de inhoud zoveel gewijzigd heeft en zelfs stukken heeft weggelaten blijkt te zijn, dat het woordgebruik in het oorspronkelijke werk aanleiding zou kunnen zijn tot een gevoel van rassendiscriminatie bij de lezer. Dan gaat het over woorden als rassen, zwarten, roden, ariŽrs, Arische volkeren etc.

Ik vraag me hierbij af in hoeverre men in ons taalgebied tegenwoordig twijfelt aan de intelligentie van de lezer, die toch vast wel zal weten dat een boek dat ver voor de grote wereldoorlogen geschreven is, en in een tijd waarin er nog geen sprake was van rassendiscriminatie, daar rekening mee zal kunnen houden bij de lectuur van een dergelijk boek en de auteur geen discriminerende bedoelingen ten laste zal leggen. (zoals bv. ook gebeurde met de boeken van Rudolf Steiner en van Jozef Rulof, waartegen processen gevoerd werden Ė processen die trouwens verloren werden door de aanklagers)

 

Daar ik jullie, bezoekers van mijn website, zeker als intelligente mensen beschouw, wil ik graag met een gerust gemoed een aantal teksten uit dit boek Ė in de oorspronkelijke staat Ė met jullie delen. En ik hoop dat diegenen die geÔnteresseerd zijn geraakt de kans zullen zien om nog een oude uitgave van dit boek op de kop te tikken.

 


-----

ďDe hemel is mijn Vader, hij heeft mij voortgebracht. De hemelse omgeving is mij nauw verwant. De grote aarde is mijn Moeder. Het hoogste deel van haar bodem is haar baarmoeder; dŠŠr bevrucht de Vader de schoot van haar die zijn gade is en dochter

Aldus zong, voor vier- of vijfduizend jaar, de Vedische dichter, bij ín altaar van leem, waarop een vuur van gedroogde kruiden brandde. Een diepe waarheid,  een verheven toestand van innerlijk bewust-zijn spreekt uit deze vreemde woorden. Zij bevatten het geheim van de dubbele oorsprong van het mensdom.

Ouder dan de aarde en van hoger afkomst is het goddelijk beeld van de mens; hemels de oorsprong van zijn ziel. Maar zijn lichaam is 't voortbrengsel van aardse grondstoffen, bevrucht door een kosmische vloei­stof. De omarmingen van Oeranos en de grote Moeder betekenen in de taal der Inwijdingen de nederdaling van de zielen of geestelijke monaden, die de aardse kiemen gaan bevruchten, de levenwekkende beginselen, zonder welke de stof een bewegingloze en vormloze massa zou zijn. Het hoogste deel van 't aardrijk, dat de Vedische dichter de baarmoeder van de aarde noemt, zijn de vastelanden en bergen, de geboortegronden der mensenras­sen. Wat betreft de Hemel, Varoena, Oeranos van de Grieken, deze stelt voor de onzichtbare, bovenzinnelijke, eeuwige en geestelijke orde en omvat geheel de Oneindigheid van Ruimte en Tijd.

 


DEEL I Ė Ram of Rama

 

DE ZENDING VAN RAMA

 

 

 

Vier- of vijfduizend jaar voor onze tijdrekening was het oude SkythiŽ, dat zich uitstrekte van de Atlantische Oceaan tot aan de Poolzee, nog met dich­te wouden bedekt. De Zwarten noemden dit land, dat zij eiland voor eiland hadden zien vormen: "het land uit de golven geboren". Het vormde een scherpe tegenstelling met hun blanke bodem, geblakerd door de zon, dat Europa met zijn groene kusten en diepe baaien, zijn dromende stromen, zijn sombere meren en vochtige nevelen, die altijd op de berghellingen hin­gen. In de grasrijke vlakten, zonder enig spoor van landbouw, eindeloos als de Pampas van Zuid-Amerika, vernam men bijna niets anders dan de kreet van wolven en vossen, 't geloei van buffels en de woeste galop van grote troepen ongetemde paarden, wier manen fladderden in de wind. De blanke, die deze wouden bewoonde, was geen holbewoner meer. Reeds kon hij zich meester van de grond roemen. Hij had het mes en de bijl van steen, de boog en de pijl, de slinger en de strik uitgevonden. Ook bezat hij twee strijdmak­kers, twee trouwe vrienden, wier weerga men niet kende en die hem in de dood volgden: de hond en het paard. De huishond, als trouwe bewaker van zijn houten huis, zorgde voor de veiligheid van de woning. Toen hij 't paard getemd had, veroverde hij daarmee de aarde en dwong de andere dieren tot onderwerping: hij was koning van de ruimte geworden. Op rode paarden gezeten schoten de rosblonde mannen voort als bliksemschichten. Zij velden beren, wolven en wilde stieren en vervulden met schrik panter en leeuw, die toen nog de wouden bewoonden.

De beschaving had een aanvang genomen: de familie was in grondvorm aanwezig, de stam, het volk bestond. Overal richtten de Skythen, de zonen der HyperboreŽn, grote gedenkstenen voor hun voorvaderen op.     

Wanneer een opperhoofd stierf, begroef men hem met zijn wapens en paard, opdat, zoals men zeide, de krijger kon rijden door de wolken en in de andere wereld jacht maken op de vuurdraak. Daaraan is de oorsprong van het paardenoffer toe te schrijven, dat een zo voorname rol speelt in de Veda's en bij de ScandinaviŽrs. De godsdienst ontstond aldus met de ver­ering van de voorzaten.

De Semieten vonden de enige God, de universele Geest in de woestijn, op de kruinen der bergen, in de onmetelijkheid van de sterrenhemel.

De Skythen en Kelten vonden de Goden de veelvoudige levensbeginselen in de diepte van hun wouden. DŠŠr hoorden zij stemmen, dŠŠr ontvingen zijde eerste openbaringen van het Onzichtbare, de aanschouwingen van het Leven hiernamaals. Dit is de oorzaak dat het betoverende of schrikwekken­de woud steeds dierbaar voor het blanke ras is gebleven. Aangetrokken door het lied der bladeren in 't tover licht der maan, keert het in de loop der eeuwen al naar zijn verjongingsbron, steeds terug tot de tempel van de hei­lige moeder Hertha. DŠŠr sluimeren zijn goden, zijn geliefden, zijn verloren geheimen.

Sedert de vroegste tijden profeteerden de zieneressen onder de bomen. Elke volksstam had zijn grote profetes, zoals de Voluspa der ScandinaviŽrs, met zijn groep druÔdessen. Deze vrouwen, aanvankelijk edele geÔnspireerden, waren afgedaald tot eerzuchtigen en wreedaardigen. De goede profetessen veranderden in slechte tovenaarsters. Zij stelden de mensenoffers in en het bloed der helden vloeide zonder ophouden over de dolmins[1] onder 't on­heilspellend gezang der priesters en 't gejuich der woeste Skythen.

Onder deze priesters bevond zich een jonge man in de bloei van zijn jaren, die de naam van Ram droeg, en zich ook aan het priesterschap wilde wij­den, maar wiens peinzende ziel en edel verstand in opstand kwamen tegen deze bloedige eredienst.

De jonge druÔde was zachtzinnig en ernstig. Reeds op jeugdige leeftijd had hij een bijzondere aanleg getoond voor de kennis der planten, van haar ge­neeskrachtige eigenschappen en van haar natuurlijke en bereide sappen, alsook voor de studie der sterren en haar invloeden. Hij scheen in de toe­komst te kunnen lezen. Daardoor had hij reeds vroegtijdig een zeker over­wicht op de oudere priesters. Een edelaardige verhevenheid straalde uit zijn woord en wezen. Zijn wijsheid stak scherp af bij de wartaal der druÔdessen, deze vloekende hellevegen, die haar onheilbrengende orakelen in aanvallen van waanzin uitbraakten. De druÔden hadden hem genoemd "hij, die weet"; het volk gaf hem de naam van "brenger van de vrede".

Ram, die streefde naar goddelijke kennis, had een reis door SkythiŽ en de Zuiderlanden gemaakt. Door zijn persoonlijke kennis en eenvoud gewon­nen, deelden de zwarte priesters hem een deel van hun verborgen weten­schappen mede. In het land van 't Noorden teruggekeerd, zag Ram met af­grijzen hoe de dienst der mensenoffers meer en meer onder zijn volk woed­de. Hij zag er de ondergang van zijn ras in. Maar hoe de strijd aan te bin­den tegen dit misbruik, ingekankerd door de heerszucht der druÔdessen, de na-ijver der druÔden en de bijgelovigheid van 't volk? Toen werd 't blanke ras door een nieuwe gesel getroffen en Ram meende er 'n bestraffing van de hemel in te zien voor de heiligschennende eredienst. Uit hun krijgstoch­ten naar het Zuiden en hun verkeer met de Zwarten hadden de Blanken een vreselijke ziekte medegebracht, 'n soort van pest. Zij drong de mensen in het bloed, de bron van het leven. Het gehele lichaam werd met zwarte vlekken bedekt, de adem werd vergiftig, de lichaamsdelen, gezwollen en veretterd door zweren, misvormden en de zieke stierf onder onduldbare pij­nen. De adem der levenden en de lucht der lijken plantte de ziekte verder voort. Ook de blanken, aangetast, vielen als slachtoffers en reutelden bij duizendtallen in hun wouden, ten prooi aan de roofvogels. Ram zocht diep bedroefd tevergeefs een geneesmiddel.

Hij was gewoon zich aan vrome overpeinzingen over te geven onder een eik, op een open plek van het woud. Op zekere avond, na lang nagedacht te hebben over de rampen van zijn ras, was hij aan de voet van de boom in­gesluimerd. In zijn slaap was 't hem alsof een krachtige stem zijn naam noemde en hem deed ontwaken. Hij zag toen 'n menselijke gedaante, in­drukwekkend van gestalte, gekleed als hij in 't witte gewaad der druÔden.

Hij droeg een roede waar omheen een slang kronkelde. Verwonderd vroeg Ram de onbekende wat dit betekende. Maar deze nam hem bij de hand, hief hem op en toonde hem aan de boom, waar hij had geslapen, een mooie maretak. ,,0, Ram!" sprak hij, "het geneesmiddel, dat ge zoekt, is dŠŠr."

Daarop haalde hij uit zijn boezem een klein, gouden snoeimes, sneed de tak af en gaf die aan Ram. Hij mompelde nog enige woorden over de wijze waarop de maretak bereid moest worden en verdween.

Toen ontwaakte Ram eensklaps en gevoelde zich zeer gesterkt. Een inner­lijke stem zei hem dat hij het middel had gevonden. Hij verzuimde niet de maretakken te bereiden, overeenkomstig het voorschrift van zijn goddelijke vriend met 't gouden snoeimes. Hij diende 't middel als een gegiste drank aan een zieke toe en deze genas. De wonderbaarlijke genezingen, die hij al­dus bewerkstelligde, maakten Ram door geheel SkythiŽ beroemd. Overal werd hij geroepen om genezing te brengen. De priesters van zijn stam, die hem om raad vroegen, maakte hij deelgenoot van zijn ontdekking, doch voegde er bij, dat deze het geheim van de priesterkaste moest blijven, om het gezag verzekerd te zien. De leerlingen van Ram, die door geheel SkythiŽ met maretakken trokken, werden als goddelijke zendelingen, hun meester als een halfgod beschouwd.

Deze gebeurtenis gaf het ontstaan aan een nieuwe godsdienst. Sinds die tijd werd de mare een heilige plant. Ram bestendigde de herinnering van dit feit door het feest van Kerstmis of van het Behoud in te stellen, dat hij aan 't begin van het jaar liet vieren, het noemende de Moeder-Nacht (van de nieuwe zon) of de grote Hernieuwing.

Het geheimzinnig wezen, dat Ram in de droom had gezien en dat hem de maretak had gegeven, wordt in de esoterische overlevering van de Blanken Van Europa genoemd: Aesc-heyl-hopa, wat betekent: "de hoop van 't heil rust in het hout". De Grieken maakten er Asklepios van, de beschermgeest van de geneeskunde, die de toverroede voert in de vorm van een slangenstaf.

Ram "de brenger van de vrede" koesterde intussen grootse plannen. Hij wilde zijn volk ook van een zedelijke plaag verlossen, noodlottiger dan de pest. Tot opperhoofd van de priesters van zijn stam gekozen, beval hij alle groepen druÔden en druÔdessen de mensenoffers te doen ophouden. Dit be­vel verbreidde zich tot aan de oceaan en werd door velen als een vreugde­vuur begroet, door anderen als een inbreukmakende heiligschennis be­schouwd: De druÔdessen, die haar macht bedreigd zagen, slingerden haar vervloekingen en doodvonnissen naar de vermetele. Vele druÔden, die in de mensenoffers 't enige middel zagen om te heersen, schaarden zich aan haar zijde. Ram, door een groot deel van zijn volk verheerlijkt, werd verfoeid door 't ander. Maar verre van terug te deinzen voor de strijd, verscherpte hij die juist door een nieuw strijdteken in het leven te roepen. .

Elke blanke volksstam bezat een herkenningsteken onder de gedaante van een of ander dier, dat zijn kenmerkende aard zinnebeeldig weergaf. Van de opperhoofden hadden enigen kraanvogels, arenden of gieren, anderen kop­pen van wilde zwijnen of buffels aan de spijlen van hun houten paleizen gehangen; eerste oorsprong van 't wapenschild. De uitverkoren standaard van de Skythen was de Stier, dien zij Thor noemden, het teken van de brute kracht en 't geweld. Ram stelde tegenover de Stier de Ram, de moedige en vreedzame aanvoerder van zijn kudde, en verhief hem tot herkenningsteken van zijn aanhangers. Deze standaard, geplant in het hart van SkythiŽ, werd het sein tot een algemene storm en volkomen omkering in de gemoederen.

De blanke volken verdeelden zich in twee kampen. De ziel van 't blanke ras scheidde zich in tweeŽn om zich los te maken uit de briesende, dierlijke natuur en de eerste opmars te beginnen naar 't onzichtbare heiligdom, dat tot de goddelijke mensheid voert. "Dood aan de Ram!" kreten de volgelin­gen van Thor. "Oorlog aan de Stier!" riepen de aanhangers van Ram. Een verschrikkelijke oorlog dreigde te ontbranden.

Ram aarzelde een ogenblik. De oorlog te doen losbarsten, was dat niet het kwaad verergeren en het ras noodzaken zichzelf ten gronde te richten? Toen had hij op nieuw een droom.

De stormachtige hemel was bedekt met dikke wolken, die over de bergen streken en de kruinen van de onrustige bossen in hun vlucht schoren. Op een rots stond een vrouw met loshangende haren, gereed een trotse krijger te treffen, die gekneveld voor haar lag. "In naam van onze Voorzaten, houd op!" riep Ram, zich op de vrouw werpend. De druÔdes wierp haar tegen­stander een blik toe, vlijmend als de snede van een mes. Maar de donder rolde door de dikke wolken en in een bliksemstraal verscheen een oogver­blindende gestalte. 't Woud werd vaal, de druÔdes viel als door de bliksem getroffen neder en de gevangene, wiens banden verbroken waren, beschouw­de de lichtverspreidende reus met een tartend gebaar. Ram beefde niet, want in de gelaatstrekken van de verschijning herkende hij 't goddelijk we­zen, dat hem reeds onder de eik tegemoet was getreden. Ditmaal scheen hij hem veel heerlijker toe; geheel zijn gestalte schitterde van licht. En Ram zag zich omgeven door een tempel met hoge zuilen. Op de plaats van de offer­steen stond een altaar. Daarnaast bevond zich de krijger, wiens ogen nog steeds de dood tartten. De vrouw op de grond scheen dood. De hemelse Be­schermgeest droeg in zijn rechterhand een fakkel, in zijn linkerhand een kelk. Hij glimlachte met welbehagen en sprak: "Ram, ik ben over U tevre­den. Ziet ge deze fakkel? 't Is het heilige vuur van de goddelijke Geest. Ziet gij die kelk? 't Is de kelk van Leven en Liefde. Geef de man de fakkel en de vrouw de kelk." Ram deed wat hem geboden werd. Nauwelijks was de fak­kel in de hand van de man en de kelk in die van de vrouw of het vuur op 't altaar begon van zelf te branden en beiden schitterden bij het schijnsel, herschapen in de goddelijke Gemaal en Gade. Op 't zelfde ogenblik breid­de tempel zich uit; zijn zuilen reikten tot aan het hemelgewelf. Daarna voelde Ram, in zijn droom, zich medegevoerd naar de kruin van een berg onder de met sterren bezaaide hemel. Naast hem staande verklaarde zijn geleigeest de betekenis van de sterrenbeelden en liet hem in de tekens van Dierenriem de lotswisselingen van het mensdom lezen. ď-Verheven Geest, wie zijt ge?" vroeg Ram aan zijn geleider. En de Beschermgeest ant­woordde: ď-Men noemt mij Deva Nahoesha, 't hoger Weten. Gij zult mijn licht over de aarde doen schijnen en ik zal komen, telkenmale als ge mij roept. Vervolg nu uw weg, ga!" En met zijn hand wees de Geest naar het Oosten.

 

DE UITTOCHT EN VEROVERING

 

In die droom had Ram, als in een schittering van licht, zijn eigen zending en de verheven roeping van zijn ras gezien. In plaats van het sein tot de krijg tussen de volken van Europa te geven, besloot hij de keur van zijn ras naar Het midden van AziŽ mede te voeren. Hij deelde zijn aanhangers mee dat hij de dienst van 't heilige vuur, dat het geluk der mensen zou vormen, wilde instellen; dat de mensenoffers voor altijd moesten worden afgeschaft en dat de Voorvaderen aangeroepen zouden worden, niet meer door bloeddorstige priesteressen op woeste rotsen, druipend van mensenbloed, maar aan elke haardstee, door man en vrouw, in ťťnzelfde gebed verenigd, onder een lof­lied van aanbidding, bij het vuur dat loutert. Ja, het zichtbare vuur van het altaar, zinnebeeld van 't onzichtbare, hemelse vuur, zou de band vormen van 't huisgezin, van de stam en van alle volken, zetel worden van de levende God op aarde. Maar om die oogst binnen te halen, moest men 't koren van ít kaf scheiden; moesten alle onverschrokkenen zich gereed maken, Europa te ver­laten en een nieuw land, 'n maagdelijke bodem te veroveren. DŠŠr zou hij zijn wet geven; dŠŠr de eredienst grondvesten van 't vuur, dat hernieuwen doet.

Dit plan werd met grote ingenomenheid begroet door een jong volk, tuk op avontuur. Vuren, die op bergen ontstoken werden en gedurende vele maan­den bleven branden, waren het sein voor de grote landverhuizing der volge­lingen van de Ram. De uittocht, onder leiding van deze herder der volken, stelde zich langzaam in beweging en zette koers naar Midden-AziŽ.

Langs de Kaukasus moesten verschillende cyclopische versterkingen van de Zwarten worden genomen. Ter herinnering aan deze overwinning werden later door de blanke kolonies reusachtige ramskoppen in de rotsen van de Kaukasus uitgehouwen. Ram toonde zich zijn hoge zending waardig. Hij wist alle moeilijkheden uit de weg te ruimen, in de gedachte der zijnen door te dringen, zieken te genezen, de toekomst te vůůrzien, oproerigen tevreden te stellen, moedigen aan te vuren. De hemelse machten, die wij de Voorzie­nigheid noemen, bewerkten op deze wijze de heerschappij van 't noordse ras over de aardbol en zonden, door de begaafdheden van Ram, lichtende stra­len op zijn pad. Dit ras had reeds zijn geÔnspireerden van de tweede orde ge­had, om het uit de wilde staat los te maken. Maar Ram, de eerste, die in de maatschappelijke orde een openbaring van de goddelijke orde zag , was een rechtstreeks geÔnspireerde van de eerste rang.

Hij sloot een verbond met de ToeraniŽrs, een oude Skythische volksstam, gekruist met geel bloed, die Opper-AziŽ bewoonden en voerde hen mede ter verovering van Iran, waaruit hij de Zwarten geheel en al verjoeg, daar ít zijn wil was dat een volk van zuiver blank ras Midden-AziŽ zou bewonen en voor alle volken een altaar van licht worden. Hij stichtte er de stad Ver, "won­dervolle stad" zoals Zoroaster het uitdrukt.

 

Hij onderrichtte hoe 't land bebouwd en bezaaid moest worden; hij was de vader van het koren en de wijnstok. Hij riep de kasten in 't leven, overeen­komstig het werk en verdeelde het volk in priesters, krijgslieden, landbou­wers en werklieden. Oorspronkelijk kenden de kasten onderling geen ijver­zucht; het erfelijk recht, die bron van haat en wangunst, schoot eerst later wortel. Hij verbood slavernij, zowel als doodslag, lerende dat de onderdruk­king van de mens door zijn evennaaste de oorzaak was van alle rampen. De stam, die oorspronkelijke groepering van het blanke ras, bewaarde hij on­veranderlijk en schreef voor dat hij zijn eigen hoofden en rechters moest kiezen.

Het voornaamste werk van Ram, het voertuig van de beschaving bij uitne­mendheid was de nieuwe rol, die hij de vrouw toedeelde. Tot dusver kende de man de vrouw niet anders dan als de ongelukkige slavin van zijn hut, die hij mishandelde en onderdrukte, of als de bezeten priesteres van de eik en van de rots, wier gunst hij zocht te winnen en die zijns ondanks over hem heerste, de magische en vreselijke druÔdes, wier orakelen hij vreesde en voor wie zijn bijgelovige ziel beefde. Het mensenoffer was de wraak van de vrouw jegens de man, toen zij 't mes duwde in het hart van haar dwingeland. Door afschaffing van deze gruwelijke eredienst en de vrouw op gelijke lijn te stel­len met de man, in haar goddelijke hoedanigheid van gade en moeder, ver­hief Ram haar tot priesteres van de haard, tot bewaarengel van het heilige vuur, tot wederhelft van de echtgenoot, die met hem de geesten van de Voorvaderen aanroept.

Als alle grote wetgevers wist Ram de voortreffelijke eigenschappen van zijn ras te ontwikkelen door ze in de juiste richting te leiden. Teneinde het le­ven te veraangenamen en luister bij te zetten, stelde Ram vier grote jaar­feesten in. Het eerste was 't feest der Lente of van het ontstaan, en toegewijd aan de liefde van man en vrouw Het feest van de Zomer of van de oogst was voor de zonen en dochters, die de vruchten van de arbeid de ouders aanboden; 't feest van de Herfst was 't hoogtij der vaders en moeders; zij schonken de kinderen dan vruchten, ten teken van vreugde. Het heiligste en geheimenisvolste feest was Kerstmis, 't feest van de grote zaaitijd. Ram wijd­de het tegelijkertijd aan de pas geboren kinderen, de liefdevruchten, die in de lente ontvangen waren, en aan de zielen der afgestorvenen, de Voorou­ders. Een band tussen 't zichtbare en onzichtbare, was deze godsdienstige plechtigheid tevens het vaarwel aan de ontvloden zielen en de geheimzinni­ge begroeting van die, welke weer in het lichaam van de moeder terugkeren en in de kinderen herboren worden.

In deze heilige nacht kwamen de oude AriŽrs samen in 't heilig oord van de Airvana-Vaťia, als eertijds in hun wouden. Met feestvuren en gezangen vier­den zij 't nieuwe begin van het aardse en zonnejaar, de herleving der natuur

In het hart van de winter, de trilling van het leven op de bodem van de dood. Zij bezongen de omarming van hemel en aarde en de zegevierende ge­boorte van de nieuwe Zon uit de grote Moeder-Nacht.

Op deze wijze verbond Ram 't menselijk leven met de wisseling der jaargetij­den en de loop der sterren, Tevens deed hij de goddelijke betekenis er van uitkomen. Voor deze vruchtbare arbeid noemt Zoroaster hem "het hoofd der volken, de gelukkige heerser." Daarom schildert de Hindoese dichter Valmiki, die de aloude heros echter in een jonger tijdperk stelt en omgeeft met de weelde van een ontwikkelder beschaving, hem als de volgende ideale figuur: ďRama met de ogen van de blauwe lotus was de Heer der wereld, de meester van zijn ziel en de liefde der mensen, vader en moeder van zijn on­derdanen. Hij begiftigde alle schepselen met de keten der liefde."

Nadat het zich in Iran bij de bergpassen van de Himalaya gevestigd had, was het blanke ras echter nog geen meester van de wereld. Daartoe moest zijn voorhoede diep in IndiŽ doordringen, waar de hoofdzetel van de zwar­ten, de oude overwinnaars van het rode en gele ras, gevestigd was. De Zend­-Avesta maakt melding van deze tocht van Rama door IndiŽ.[2] Het Hindoese heldendicht heeft er een van zijn meest geliefkoosde onderwerpen van gemaakt. Rama was de overwinnaar van dat werelddeel, dat door de Hima­vat wordt omgeven, het land van olifanten, tijgers en gazellen. Hij gelastte de krijg te beginnen en bestuurde de eerste aanval van deze reuzen-worste­ling, waarin twee rassen onbewust kampten om de heersersstaf van de we­reld. De dichterlijke overlevering van IndiŽ, die nog verder gaat dan de eso­terische overleveringen der tempels, heeft er van gemaakt de worsteling tus­sen de witte en de zwarte magie. In zijn strijd tegen de volken en vorsten uit het land der Djamboes, zo als 't toen heette, maakte Ram of Rama, gelijk de Oosterlingen hem noemden, gebruik van ogenschijnlijk wonderdadi­ge middelen, omdat zij boven de gewone krachten van het mensdom gaan en die de grote ingewijden danken aan de kennis en aanwending van de ver­borgen krachten der natuur. Hier schetst de overlevering ons hem terwijl hij bronnen in de woestijn laat springen, dŠŠr een onverwacht voedingsmiddel vindt in een soort van manna, waarvan hij de bereiding onderwees, elders een besmettelijke ziekte stuit door een kruid, hom genaamd, de Amomos der Grieken, de  Persea der Egyptenaren, waaruit hij een genezend sap trok. De­ze plant werd door zijn volgelingen als heilig beschouwd en verving de ma­retak, die de Kelten in Europa behielden.

Rama wendde tegen zijn vijanden allerlei middelen aan om hen tot ontzag te dwingen. De priesters van de Zwarten regeerden door een laagstaande eredienst. Zij hadden de gewoonte in hun tempels reusachtige slangen en pterodactylen[3] te herbergen, die zij als goden lieten aanbidden en de me­nigte met schrik vervulden. Deze dieren werden gevoed met het vlees van gevangenen. Somtijds verscheen Rama onverwachts in de tempel en met toortsen verdreef, velde of bedwong hij het gedierte en de priesters. Dan weer vertoonde hij zich in het vijandelijk kamp, onbeschermd zich blootstel­lend aan degenen, die zijn dood zochten, en verdween weer zonder dat ie­mand 't gewaagd had hem aan te raken. Wanneer men de personen onder­vroeg, die hem hadden laten ontsnappen, gaven zij ten antwoord, dat wan­neer hun blik de zijne ontmoette, zij zich als versteend gevoelden, of wel, dat, terwijl hij sprak 'n metalen berg zich tussen hen in plaatste en hem zo­ doende aan hun ogen onttrok.

Als bekroning van zijn werk, schrijft het heldendicht hem nog toe de ver­overing van 't eiland Ceylon, de laatste wijkplaats van de zwarte magiŽr Ra­vana, die door een vuurregen van de witte magiŽr getroffen werd, nadat Rama eerst een brug over een zee-engte had geworpen, met de hulp van een heirleger apen, die sterke overeenkomst hadden met een primitieve stam van tweehandige wilden, welke medegesleept en in geestdrift waren gebracht door deze grote betoveraar van volken.

 

 

HET TESTAMENT VAN DE GROTE VOORVADER

 

Door zijn almacht, zijn talent, zijn goedheid, zeggen de heilige boeken van 't Oosten, was Rama meester geworden van IndiŽ en geestelijke koning der aarde. Priesters, koningen en volken bogen voor hem als voor een hemelse weldoener. Onder het teken van de Ram verbreidden zijn afgezanten in ver­re gewesten de Arische wet, die verkondigde de gelijkstelling der overwin­naars met de overwonnenen, de afschaffing der mensenoffers en slavernij, de eerbiediging der vrouw aan de huiselijke haard, de eredienst der voor­ouders en de instelling van het heilige vuur, zichtbaar zinnebeeld van de onnoembare God.

Rama was oud geworden. Zijn baard was vergrijsd, maar zijn lichaamskracht had hem niet verlaten en de majesteit van de hogepriesters der Waarheid rustte op zijn gelaat. De vorsten en afgezanten der volken boden hem het oppergezag aan. Hij vroeg een jaar tijd om te overwegen en opnieuw kreeg hij een droom. Want de Intelligentie, die hem bezielde, sprak tot hem in de droom. .

Hij zag zich terug in de wouden van zijn jeugd. Hij was zeer jong geworden en droeg het linnen gewaad der druÔden. De maan scheen. 't Was de heilige nacht, de Moeder-Nacht, waarin de volken de wedergeboorte van de zon en het jaar verwachtten. Rama liep onder de eiken en leende, als vroeger, het oor aan betoverende stemmen van 't woud. Een schone vrouw kwam hem tegemoet. Zij droeg een prachtige kroon. Haar roodblond haar had de kleur van goud, haar huid had de blankheid van sneeuw en haar ogen de diepe weerglans van 't azuur na een onweder. Zij sprak tot hem: "Ik was de woes­te DruÔdes; door U ben ik geworden de verheerlijkte vrouw; ik ben het blanke ras; ik ben uw bruid. O, mijn heer en Koning! zijt gij om mijnent­wil geen stromen overgetrokken; hebt ge om mij niet de volken bekoord en de koningen onderworpen? Ziehier de beloning. Aanvaard deze kroon, uit mijn hand, plaats die op uw hoofd en heers met mij over de wereld!" Zij was in eerbiedige en nederige houding op de knieŽn neergevallen en bood hem de kroon der wereld aan. Haar kostbaar edelgesteente fonkelde dui­zendvoudig; liefdesverrukking blonk in de ogen der vrouw. En de ziel van de grote Rama, de herder der volken, werd bewogen. Maar boven de kruin van het woud verscheen Deva Nahoesha, zijn beschermgeest, en sprak tot hem: ďAls gij deze kroon op uw hoofd plaatst zal het goddelijk Weten U ver­laten; gij zult mij dan niet meer zien. Als gij deze vrouw in uw armen neemt, zal zij sterven door geluk. Maar als gij haar bezit verzaakt, zal zij vrij en gelukkig leven op aarde en uw onzichtbare geest zal over haar regeren. Kies: wilt ge haar aanhoren, of mij volgen?" Sita, nog altijd geknield, be­schouwde haar meester met smekende en van liefde brandende blikken en wachtte zijn antwoord af.  

Rama bewaarde een ogenblik het zwijgen. Zijn blik, gericht op de ogen van Sita, mat de afgrond die haar volle bezit scheidt van het eeuwig vaarwel. Maar voelende dat de hoogste liefde zich uit in verheven zelfverloochening, legde hij zijn verlossende hand op het voorhoofd der blanke vrouw, zegende haar en sprak: "Vaarwel! Blijf vrij en vergeet mij niet!" Dadelijk daarop verdween de vrouw als een maanschaduw. De nieuwe Dageraad verhief zijn toverstaf boven het oude woud. De Koning was weder oud geworden. Een tranenvloed bevochtigde zijn witte baard en uit de diepte der wouden riep een droeve stem: "Rama! Rama!"

Maar Deva Nahoesha, de Beschermgeest, schitterend van licht, riep uit: ďVoor mij!Ē - En de Goddelijke Geest voerde Rama mede naar een berg in het noorden van de Himavat.

Na deze droom, waarin hem de voltooiing van zijn zending was aangewe­zen, verenigde Rama de koningen en afgezanten der volken om zich heen en zeide tot hen: "Ik wens de opperheerschappij niet, die gij mij aanbiedt. Be­houdt uw kronen en onderhoudt mijn wet. Ik trek mij voor immer terug met mijn ingewijde broeders op een berg van de Airyana-Vaťja. DŠŠr zal ik over U waken. Draagt zorg voor het goddelijk vuur. Als het mocht uitgaan zal ik weer verschijnen en als rechter en wreker vreselijk onder U richten!" Op de berg Alborie tussen Balk en Bamyan trok hij zich met de zijnen terug­ in een afgezonderd oord, dat alleen aan de ingewijden bekend was. Daar leerde hij zijn leerlingen wat hij wist van de Geheimen van de aarde en van het grote Zijn. Dezen brachten naar verre streken, naar Egypte, tot in Occi­taniŽ toe, het heilige vuur, zinnebeeld van de goddelijke eenheid der din­gen en de horens van de ram, zinnebeeld van de Arische godsdienst. Deze horens werden de onderscheidingstekenen van de inwijding en vervolgens van de priesterlijke en koninklijke waardigheid.[4] Van verre bleef Rama waken over zijn volken en zijn dierbaar blank ras. De laatste jaren van zijn leven waren gewijd aan de vaststelling van de kalender der AriŽrs. Aan hem hebben wij de tekens van de Dierenriem te danken. Dat was het testament van de aartsvader der ingewijden. Wonderlijk boek, geschreven met sterren­tekens, in hemels beeldschrift, aan het grondeloze en grenzeloze uitspansel, door de Oudsten van ons ras. Terwijl hij de twaalf tekens van de Dierenriem vaststelde, kende Ram hun een drievoudige betekenis toe. De eerste had be­trekking op de invloeden van de zon, gedurende de twaalf maanden van het jaar; de tweede behelsde tot op zekere hoogte zijn eigen geschiedenis; de derde wees de verborgen middelen aan, waarvan hij zich bediend had om zijn doel te bereiken. Ziedaar waarom deze tekens, in omgekeerde volgorde gelezen, later de geheime zinnebeelden werden van de in graden afgebeelde inwijding[5]. Hij beval de zijnen zijn dood geheim te houden en zijn werk voort te zetten, door hun broederschap steeds in stand te doen blijven.

Eeuwenlang geloofden de volken dat Ram de tiara met de ramshorens droeg en nog leefde op zijn heilige berg. In de tijden der Veda's werd de grote Voorvader Yama, de rechter van de doden, de Hermes Psychopompus [6] der Hindoes.

 

Door zijn scheppend talent had de grote inwijder van de AriŽrs in het hart van AziŽ, in Iran, een volk gevormd, een maatschappij, een maalstroom van leven, die naar alle kanten zou schitteren. De nederzettingen van de oude AriŽrs breidden zich over AziŽ en Europa uit en brachten hun zeden, ere­diensten en goden mede. Van al die volksplantingen komt de tak van de AriŽrs uit IndiŽ het oorspronkelijke volk 't meest nabij.

De heilige boeken der Hindoes, de Veda's, hebben voor ons een driedubbele waarde. Eerst voeren zij ons tot het brandpunt van de oude en zuivere Ari­sche godsdienst, waarvan de Vedische liederen schitterende lichtstralen zijn.

Vervolgens geven zij ons de sleutel van IndiŽ. En eindelijk tonen zij ons de eerste vorming van de grondgedachte der innerlijke leer en van alle Arische godsdiensten dus ook van de IsraŽlitische godsdienst, het Christendom, Mohammedanisme, Brahmanisme en Boeddhisme. Wij zullen ons tot 'n korte schets bepalen van het gewaad en de kern van de godsdienst der Veda's.

Niets is eenvoudiger en grootser dan deze godsdienst, waarin een diepe na­tuurverering zich paart aan een bovenzinnelijk spiritualisme. Voor het aan­breken van de dag staat een man, het hoofd van een familie, voor een altaar van aarde, waarop het vuur brandt, dat door wrijving van twee stukken hout wordt te voorschijn geroepen. Bij deze handeling is het hoofd beurte­lings vader, priester en koning van het offer. Terwijl de dageraad zijn sluier aflegt, zegt een Vedisch dichter, "gelijk een vrouw, die uit het bad komt en het schoonste lijnwaad heeft geweven," spreekt het hoofd van het gezin een gebed uit, een aanroeping van Ousha (de Dageraad) van Savitri (de Zon), van de Asoera's (de Levensgeesten). De moeder en kinderen plengen de ge­giste drank van de zwaluwswortel (Asklepia) de Soma, in Agni, het vuur. En de vlam, die omhoog stijgt, brengt aan de onzichtbare goden het reine gebed, dat ontsnapt aan de lippen van de aartsvader en aan het hart van het huisgezin.

 



[1] Een dergelijk dolmin bevindt zich nog aan de Lage-Vuursche bij Baarn. De volksmond deelt ons mede dat er bloed uit de steen vloeit, wanneer men bij volle maan met ín mes driemaal op de steen slaat.              Vertaler.

 

[2] Het verdient de aandacht dat de Zend-Avesta, 't heilige boek der Parsen, die Zoroaster geheel beschouwt als de bezielde door Ormuzd, de profeet van de Wet Gods, hem als de opvolger van een veel oudere godsdienststichter aanwijst. In de symboliek der oude tem­pels ziet men de draad van de grote openbaring van de mensheid, die de ware ingewijden aan elkaar verbindt. Ziehier deze belangrijke woorden:

1. Zarathustra (Zoroaster) vroeg aan Ahura-Mazda (Ormuzd, de God van het licht): Ahura-Mazda, hoogheilige en gewijde schepper van alle lichamelijke en onstoffelijke wezens;

2. Wie is de eerste mens tot wie gij hebt gesproken, gij, die zijt Ahura-Mazda?

... 4. Toen antwoordde Ahura-Mazda: Tot de moedige Yima, die aan de spits stond van een schaar, die lof en beloning verdiende, o reine Zarathustra.

... 13. En ik zeide tot hem: Waak over de werelden, die mijner zijn; maak ze vruchtbaar in uw taak als hoeder.

... 17. En ik gaf hem de wapenen der overwinning, ik die ben Ahura-Mazda:

Ö 18. Een gouden speer en gouden degen.

Ö 31.Toen verhief zich Yima tot aan de sterren, zuidwaarts, op de weg, die de zon volgt.
...  37. Hij wandelde op deze aarde, die hij vruchtbaar had gemaakt en heerlijker werd dan ooit te voren.

Ö 43. En de schitterende Yima verenigde de braafste mensen in de beroemde Airyana­-Vaťja, de zuiver geschapene. (Vendidad-Sadť 2e Fargard. - Vertaling van Anquetil­ Duperron.)

 

[3] Kruipende dieren, wier poten tenen bezitten, die door een vlies verbonden zijn, zeldzame overgeblevenen van een vůůrzondvloedse diersoort, ook wel fossiele hagedissen geheten. Vertaler.

 

[4] De horens van de ram vindt men terug op het hoofd van vele figuren op Egyptische gedenktekens. Deze hoofdtooi der koningen en hogepriesters was het teken van de priesterlijke en koninklijke inwijding. De twee horens van de pauselijke tiara vinden daarin hun oorsprong. Denk ook aan het beeld dat Michelangelo maakte van Mozes.

[5] Ziehier hoe de tekens van de Dierenriem de geschiedenis van Ram bevatten, volgens Fabre d'Olivet, deze schrandere denker, die de symbolen van het verleden wist te verklaren naar de innerlijke betekenis.

- l. De Ram, die op de vlucht slaat met de kop achterwaarts gewend, duidt de gemoedstoestand van Ram aan, terwijl hij zijn vaderland vaarwel zegt, het oog gericht op het land dat hij verlaat.

- 2. De woedende Stier wil zich tegen zijn tocht verzetten, maar doordat zijn lichaam halverwege in het slijk is gezakt, wordt hij ver­hinderd zijn oogmerk te volvoeren; hij valt op de knieŽn. Dit zijn de Kelten, door hun eigen zinnebeeld weergegeven, en die ondanks hun verzet, eindigden met zich te onder­werpen.

- 3. De Tweelingen drukken het verbond uit van Ram met de ToeraniŽrs.

- 4. De Kreeft, zijn overwegingen en inkeringen tot zichzelf.

- 5. De Leeuw, zijn gevechten met zijn vijanden.

- 6. De Gevleugelde Maagd, de overwinning.

- 7. De Weegschaal, de gelijkstelling van overwinnaars met overwonnenen.

- 8. De Schorpioen, de opstand en het verraad.

- 9. De Boogschutter, de wraak, die hij neemt.

- 10. De Steenbok.  - 11. De Wa­terman.

- 12. De Vissen, hebben betrekking op het zedelijke gedeelte van zijn geschiedenis.

Men kan deze verklaring van de Dierenriem even gewaagd als eigenaardig noemen. Intus­sen heeft geen enkele sterrenkundige noch kenner van de fabelleer ons de betekenis ont­vouwd van deze geheimzinnige tekens van de hemelkaart, welke aangenomen en vereerd werden door de volken van af het begin van onze Arische cyclus. De veronderstelling van Fabre d'Olivet heeft ten minste de verdienste, dat zij nieuwe en wijde verschieten voor de geest opent. -.Ik heb gezegd dat deze tekens in omgekeerde volgorde later in het Oosten en in Griekenland de verschillende trap en kenmerkten, die men moest doorlopen om de hoogste inwijding deelachtig te worden. Laten wij alleen over de voornaamste dezer tekens spreken: de gevleugelde Maagd, die de kuisheid betekent, welke tot de overwinning voert; de Leeuw, de zedelijke kracht; de Tweelingen, de vereniging van een mens en een godde­lijke geest, die tezamen twee onoverwinnelijke strijders vormen; de Stier, getemd zijnde, het meesterschap over de natuur; de Ram het sterrenbeeld van het Vuur of van de Wereld­geest, die de hoogste inwijding verleent door de kennis der Waarheid.

 

[6] de geleider der zielen, bijnaam van Hermes

 

 

 

 

  Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  
**********

Stem Spirituele Vrienden in de
Top 100 NL



**********
Tellers

 

 LetsStat website statistieken