Ontdek de bijbel opnieuw 
door
esoterisch te leren lezen.


 

Auteurs en boeken

Al sinds lange tijd voelde ik aan dat de Bijbelboeken geen boeken zijn die ons op de eerste plaats een geschiedenis van een volk willen vertellen – al is die geschiedenis er wel enigszins doorheen geweven – maar de spirituele weg van de mens(heid) van bij het allereerste begin tot aan het uiteindelijke doel.

Verschillende auteurs hebben mij – bij dat esoterische lezen (= het innerlijke lezen, de bedoeling vatten achter de voor de hand liggende stoffelijke betekenis der woorden ) – geholpen en verschillende sluiers, die de esoterische werkelijkheid verbergen achter de exoterische, weggetrokken.


Op deze pagina wil ik jou graag laten delen in mijn leeservaringen en jou kennis laten maken met een aantal boeken en auteurs die ik graag wil aanbevelen aan eenieder die mijn interesse in esoterisch Bijbellezen deelt.

 

 

01. Hans Stolp - 02. Emil Bock - 03. Rudolf Steiner - 04. Sutherland

 

 

01. Hans Stolp


 

Ik wil graag beginnen met een boek – van Hans Stolp (die verschillende boeken schreef op dit vlak) - dat nog moet verschijnen maar waarover hij nu al themadagen aanbiedt in Amersfoort (voor data: zie website van Stichting de Heraut)
Het thema van dat nieuw te verschijnen boek en van de themadagen, en symposion in november is: ‘Het mysterie van de twee Jezuskinderen’.  Hierover las ik al bij Rudolf Steiner, met name in zijn boeken die de vier evangelies tot onderwerp hebben, maar ik kan dit toch nog niet goed plaatsen. Vandaar dat ik zeer benieuwd ben naar dat nieuw te verschijnen boek.


Van Hans Stolp kreeg ik een proef van de tekst die in de komende Verwachting (blad van de stichting) zal verschijnen en met zijn toestemming plaats ik die tekst hieronder opdat je tijdig op de hoogte bent van de themadagen en het hierop aansluitende symposion. Ik laat hem hieronder aan het woord.

 


Het project van de twee Jezuskinderen…

 

Op 12 juni jl. hielden we – meer dan 300 mensen waren aanwezig - onze eerste themadag in Amersfoort over de twee Jezuskinderen: het kind Jezus waarover het Evangelie van Mattheus vertelt, is zo duidelijk een heel ander kind dan het kind Jezus, waarover het Evangelie van Lucas vertelt. Als je de vele verschillen tussen die beide verhalen op een rijtje zet, is het duidelijk: het moeten wel twee verschillende kinderen zijn, waarover Mattheus en Lucas vertellen. Volgens de bijbel zelf – en wel voor wie ogen heeft om te lezen… - zijn er 2000 jaar geleden dus twéé kinderen geboren die beiden Jezus heetten en die beiden gekomen zijn om de mensheid te redden: de mens dreigt immers ten onder te gaan aan een toenemend egoïsme en aan een bikkelhard materialisme.

Maar als het waar is dat Mattheus en Lucas elk over een ander kind vertellen, wat is dan de zín van het feit dat er twéé Jezuskinderen waren, en hoe is het dan met elk van hen gegaan? Op onze themadagen in Amersfoort mag ik dat, met behulp van een voelbare inspiratie vanuit de geestelijke wereld, nader toelichten. Het raakte mij diep op de eerste themadag die aan dit onderwerp werd gewijd - op 12 juni jl. dus -, hoezeer de grootsheid van het Christusgeheim niet alleen tot vele aanwezigen doordrong, maar hen ook tot diep in hun hart ontroerde.

Op 11 september houden we onze tweede themadag over dit onderwerp, en ook deze dag is volgeboekt. Op 12 oktober herhalen we deze themadag daarom opnieuw, en wie mee wil doen, moet zich snel aanmelden: ook deze dag loopt al aardig vol (en is misschien al volgeboekt, als dit nummer verschijnt…). Voor de themadagen die daarna aan dit onderwerp gewijd worden, zie: http://www.stichtingdeheraut.nl/

Ik ben erg blij met al deze aandacht voor dit thema. Ik ervaar namelijk een sterke aandrang vanuit de geestelijke wereld om aan dit thema een brede bekendheid te geven. En ik begrijp ook waaróm er vanuit de geestelijke wereld zo´n voelbare aandrang komt om aan dit onderwerp zo ruim mogelijk aandacht te besteden: het is namelijk een noodzakelijke bouwsteen bij de opbouw van een nieuw, esoterisch Christendom. In deze dagen begrijpen we allemaal, denk ik, steeds beter waarom dit vernieuwde Christendom nodig is: omdat het traditionele of kerkelijke Christendom in snel tempo aan kracht verliest en steeds minder een krachtig inspirerende inwerking op jongeren heeft. Met alle respect voor dit stervende Christendom (het heeft immers voorgaande generaties werkelijk geïnspireerd en geholpen): het is de hoogste tijd voor een vernieuwd esoterisch Christendom. Ofwel voor een universeel Christendom dat geen scheiding brengt, maar alle mensen en religies verbindt. Een Christendom ook dat in staat is aan jongeren van nu houvast, échte inspiratie en inzicht te geven. Maar een dergelijk Christendom is er niet zomaar: dat moeten ons stap voor stap, onder leiding van de geestelijke wereld, veroveren en ons eigen leren maken. En die leiding wordt voor mij voelbaar in de sterke impuls die ik ervaar om nu met dit thema naar buiten te komen.

 

Als dit nummer bij u in de bus rolt, is mijn manuscript over dit onderwerp (hopelijk) inmiddels klaar: op 1 september moet ik het inleveren bij uitgeverij Ankh-Hermes. Op 21 november wordt dan het boek: Het geheim van de twee Jezuskinderen, vrolijk gepresenteerd tijdens een Symposium dat door Ankh-Hermes in de stadsschouwburg van Deventer georganiseerd wordt. Daar mag ik het thema van dit boek in alle rust toelichten. Ik hoop dat er dan ook pers bij is (en daar ziet het wel naar uit), zodat dit boek – en daarmee dit thema – met enige nadruk in de pers onder de aandacht gebracht wordt.

Ik ben heel dankbaar dat de medewerkers van Ankh-Hermes zo enthousiast meewerken en er volop aan willen bijdragen om aan dit thema optimale bekendheid te geven. Maar ik ben ook zo dankbaar voor al diegenen die met mij meedenken en mij bijvoorbeeld foto’s van schilderijen in de hand drukken waarop twee kinderen samen met de Madonna worden afgebeeld. Want ook in de schilderkunst (uit de 15e, 16e en 17e eeuw) was het geheim van de twee Jezuskinderen (nog) bekend. Op onze themadagen (maar ook op het komende Symposium van Ankh-Hermes) laat ik daarom ook een aantal afbeeldingen van deze schilderijen zien. Ik hoop vele van jullie bij dat Symposium te mogen begroeten – en velen hebben al toegezegd te komen, om mij te steunen bij deze opdracht om aan dit thema grotere bekendheid te geven.

Dr. John van Schaik – hoofdredacteur van het blad Bres en directeur van het Origines-Instituut - zal op dit Symposium het thema van de twee Jezuskinderen in een groter verband plaatsen en vertellen, waarom dit onderwerp zo’n belangrijke bouwsteen is voor het nieuwe, esoterische Christendom. En Annemiek Schrijver, presentatrice van de IKON (o.a. van het Vermoeden), zal mij een uur lang interviewen over dit nieuwe boek en andere thema’s… Elders in dit blad kunnen jullie lezen hoe jullie je kunnen aanmelden voor dit Symposium.

 

 

Voor de Boekenkrant van Ankh-Hermes die in de loop van oktober zal verschijnen, schreef ik een inleidend stukje over mijn nieuwe boek (het mocht maximaal 300 woorden bevatten, maar het werden er natuurlijk een paar meer…). Ter informatie wil ik dat stukje graag ook de lezers van ons blad meegeven:                             

In 1495 kreeg Leonardo da Vinci opdracht om een schildering aan te brengen op de muur van de eetzaal van het klooster Santa Maria delle Grazie in Milaan. Hij kreeg deze opdracht van de hertog van Milaan, en moest op die muur het Laatste Avondmaal schilderen. Maar hoe moest hij dat doen? Leonardo was een ingewijde en beschikte over esoterische kennis. Hij wist dus dat bij die laatste maaltijd Maria Magdalena naast Jezus zat: zij was immers zijn metgezellin (zoals het Evangelie van Filippus vertelt) en waarschijnlijk zelfs zijn vrouw. Maar volgens de kerk en de tijdgenoten van Leonardo was dat onmogelijk: vrouwen waren ondergeschikt aan de man en behoorden dan ook niet tot de leerlingenkring van Jezus, vonden zij. Wat moest Leonardo doen? Hij koos een hele slimme oplossing: hij schilderde naast Jezus gewoon een vrouw, Maria Magdalena. Maar tegen de Hertog van Milaan en de kerkelijke autoriteiten zei hij dat de gestalte naast Jezus de discipel Johannes was. Vanwege de starheid van denken die ons mensen nu eenmaal vaak eigen is, zagen velen tot op de dag van vandaag in die vrouwelijke gestalte dus Johannes… Pas dankzij de Da Vinci Code van Dan Brown is het algemeen bekend geworden dat het niet Johannes is, maar Maria Magdalena die op die beroemde schildering in Milaan naast Jezus zit.

Op dezelfde manier – in de taal van het beeld dus – heeft Leonardo een ander esoterisch geheim aan het licht gebracht: het geheim van de twee Jezuskinderen. Op het beroemde schilderij ‘De Madonna op de rotsen’ – het hangt tegenwoordig in het Louvre - schildert hij naast de Madonna (Maria) twee kinderen. Daarbij is het duidelijk dat het tweede kind níet Johannes de Doper is. Maar wie dan wel? Leonardo wist nog dat het kind Jezus over wie de Evangelist Mattheus vertelt, een ander kind is dan het kind Jezus over wie de Evangelist Lucas vertelt. Er waren dus twee Jezuskinderen. Daarom schildert hij die beide kinderen op dat schilderij dat nu in het Louvre hangt. En ook nu is het duidelijk: dit geheim, door Leonardo open en bloot op een schilderij afgebeeld, is alleen te vatten voor wie ogen heeft om te zien en die bovendien een open geest heeft.

Vanuit de geestelijke wereld ervaar ik een sterke aandrang om nu ook aan dit geheim verdere bekendheid te geven. Daarom schreef ik dit boek: in het eerste deel vertel ik in de vorm van een verhaal de geschiedenis van die twee kinderen, die beide Jezus heetten. In verhaalvorm, zodat dit thema geen dorre theorie blijft, maar voelbare en ontroerende werkelijkheid wordt. In het tweede deel geef ik een korte toelichting op de vele vragen die dit thema natuurlijk oproept.

 

Juist, omdat ik het als een opdracht vanuit de geestelijke wereld ervaar om aan dit onderwerp een brede bekendheid te geven, wil ik al diegenen bedanken die mij daar zo hartelijk, respectvol en warm bij ondersteunen. Met hun gebed, door zelf zich met dit thema bezig te houden en zich daarvoor open te stellen (dat is niet niks!) en mij met hun vriendschap te stimuleren. Ik ervaar dan ook heel sterk dat ik deze opdracht sámen met de hulp van zovele van jullie mag vervullen – en daarvoor dank ik jullie hartelijk!

 

P.S.: In de september-uitgave van Verwachting vindt u de aankondiging van het Symposium op 21 november in Apeldoorn + daarin wordt ook aangegeven hoe u zich kunt opgeven voor die dag.

Hans Stolp

 

Het Symposium

Zondag 21 november was ik aanwezig bij het symposium, ingericht door uitgeverij Ankh-Hermes, rond het nieuw verschenen boek van Hans Stolp over Het geheim van de twee Jezuskinderen. De zaal in het Congrescentrum Orpheus in Apeldoorn zat afgeladen vol.

 

Het symposion begon met een welkomstwoord van de uitgever die aansluitend daarop het eerste exemplaar van het nieuwste boek van Hans Stolp aan de auteur overhandigde.

Onmiddellijk daarna kreeg Hans de tijd voor zijn lezing rond dit thema. Inhoudelijk kwam het eigenlijk neer op wat je al kon lezen in het uittreksel van het boek: Van Bethlehem tot de Jordaan van Emil Bock.

Het hele verhaal van Hans Stolp is namelijk ontleend aan dit boek van E. Bock dat op zijn beurt weer aanleunt bij de voordrachten van Rudolf Steiner over dit onderwerp (R. Steiner - het Lukas Evangelie ) Wie een beetje thuis is in antroposofie zal dit  ‘geheim van de twee Jezuskinderen’ dus bekend in de oren klinken.

Hans Stolp illustreerde zijn voordracht, na afloop van de lezing, met een diavoorstelling van een hele serie schilderijen van middeleeuwse meesters – waarop madonna’s en kinderen staan afgebeeld - die dit geheim lijken te beamen.



Hierna kreeg John van Schaik het woord om zijn visie te geven omtrent dit thema.

John van Schaik is directeur van het Origines-Instituut, dat de dialoog wil bevorderen tussen het kerkelijke en het esoterische christendom. Tevens is hij hoofdredacteur van BRES, tijdschrift voor religie, wetenschap en gnosis. 


Ook deze spreker had een serie schilderijen van middeleeuwse meesters meegebracht met als onderwerp madonna’s met kinderen. Maar al snel werd duidelijk dat de heer Schaik er een totaal andere mening op nahoudt wat betreft de betekenis van de kindjes op die schilderijen. Hij zei, onder meer, dat men – wetenschappelijk gezien - deze schilderijen moet bekijken in het kader van wat er, in de tijd dat deze geschilderd werden, gangbare gewoontes waren.  Zoals bv. het schilderen van kleine engeltjes, uitgebeeld als mollige baby’s, die veelvuldig voorkomen op schilderijen die madonna en Jezuskind tot onderwerp hebben.

Een aantal keer toonde hij een schilderij, om zijn opvatting te staven, dat even tevoren ook door Hans Stolp was getoond om diens opvatting te staven, tot hilariteit in de zaal. John van Schaik werd er zelfs een beetje verlegen van.  

Mij leek het wel goed om op die manier een beetje evenwicht te brengen in de manier om die schilderijen te bekijken en te interpreteren. Wij mensen zijn immers snel geneigd om te zien wat wij willen zien (of verwachten te zien) en te horen wat wij wensen te horen. Dat gebeurt wanneer het gezonde verstand naar de achtergrond wordt geschoven. Dat de heer van Schaik dit gezonde verstand even naar de voorgrond duwde leek mij geen kwade zaak.

 

Hierna was het pauze en was er gelegenheid om het nieuwe boek van Hans Stolp aan te kopen en te laten signeren. Er stonden ellenlange rijen aan te schuiven bij het tafeltje van de auteur en ik vraag me af of hij, de nacht erna, geen schrijfkramp in de vingers heeft gehad.

 

Na de pauze was het tijd voor een gemoedelijk gesprek (interview) van Annemiek Schrijver (bekend van het Tv-programma ‘Het Vermoeden’ op zondag.)

Voor mij was dit het meest boeiende deel van de hele dag omdat ik, na het verhaal van Hans Stolp met een reeks vragen zat, vragen die nu precies door Annemiek werden gesteld.
Twee van de belangrijkste vragen die ik me stel na het horen van het verhaal van de twee Jezuskinderen zijn deze:

  1. Wat is de meerwaarde, voor ons als christenen, om dit allemaal te weten; zelfs wanneer het allemaal waar is (wat ik persoonlijk durf te betwijfelen)? Worden we daar betere christenen door?  Wordt de vorm hier niet belangrijker dan de boodschap?
  2. Wanneer dit allemaal waar is en de ‘menselijke persoonlijkheid, Jezus‘ inderdaad de samensmelting was van de grote Zarathoestra en van de volkomen onbevlekte Adam, hoe zal het dan voor ons ooit mogelijk zijn om Zijn weg te volgen zoals Hij ons heeft opgedragen? Het lijkt wel alsof een reus, die een rotsblok torst van 500 kg, aan een baby van 6 maanden zou vragen om hetzelfde als hij te doen.  Annemiek stelde de vraag als volgt: Hoe kan het weten van dit geheim ons tot troost en steun zijn? Duwt het ons niet eerder terug in de gereformeerde zienswijze dat wij tot niets goeds in staat zijn?

 

Het was een boeiend, soms humoristisch, soms ontroerend gesprek, tussen Annemiek Schrijver en Hans Stolp, maar echte antwoorden op deze twee belangrijke vragen heb ik niet gehoord. Daarom voel ik ook niet de noodzaak om mij, voorlopig, verder te verdiepen in dit thema.
Dit is mijn persoonlijke mening en gevoel…. Laat dit er jou, lezer, niet van afhouden om er eventueel anders over te denken.

 

02. Emil Bock

 

Emil Bock

 

Emil Bock (1895-1959) behoorde tot de mensen die kans zagen om het christendom te vernieuwen met behulp van de antroposofie. Hij schreef veel boeken en was nauw betrokken bij De Christengemeenschap, beweging voor religieuze vernieuwing.

 

Bibliografie: GenesisMozes en zijn tijdKoningen en ProfetenTussen Bethlehem en de Jordaan – Van de Jordaan tot Golgotha – Keizers en Apostelen – Paulus – De Apocalypse – Maria, een drievoudig geheim – De jaarfeesten als kringloop door het jaar.

 

Sommige van deze boeken zijn alleen nog tweedehands verkrijgbaar – andere zijn nog te vinden bij uitgeverij Kamerling en/of uitgeverij Christofoor

Emil Bock – Genesis

 

 

 

Een spirituele visie op de vroegste geschiedenis.

 

Op de achterkant:


Emil Bock brengt met dit boek het bijbelboek Genesis dichterbij. Hij doet dat door andere joodse overleveringen ernaast te leggen en door het licht van de antroposofie erop te laten vallen. Dat past immers bij een boek dat begint met "de geest van god" die over de oerzee zweefde.

 

Alle geschiedschrijving - ook al baseert zij zich op nog zulk rijk "bronnenmateriaal" - zal onbeholpen en blind blijven zonder bewustzijn van de oerbron van het historische bestaan: de bovenzintuiglijke en bovenhistorische sfeer van reële geestelijke wezens.

 

Zo wordt de diepere waarheid zichtbaar van de rijke en vaak raadselachtige beelden uit Genesis, zoals het paradijs en de zondeval, Kaïn en Abel, Noach en de zondvloed, Abraham, het offer van Izaäk, Jacobs gevecht met de engel, Jozef in Egypte.

 

Bovendien is dit boek over de vroegste geschiedenis actueel.

Het behandelt namelijk indirect ook thema's als de evolutietheorie en de onderlinge verhouding van heidendom (mysteriegodsdiensten), Jodendom, Christendom en Islam.

 

ISBN: 90-808-352-0X - Uitgeverij Kamerling

 

 

Uittreksel uit het voorwoord van de auteur:

 

Schepping en geschiedenis

 

Toen de mensheid uit het dromerige weten van het oosten naar het heldere denken van het Avondland overging, werd de histori­sche manier van denken, het historisch 'waarnemingsvermogen geboren. Rudolf Steiner beschreef eens deze overgang en de belangrijke rol die het Oude Testament daarbij speelt.[1]

 

De wijsheid van het oude oosten zag als vanuit goddelijke hoogten neer op het aards gebeuren, verzonken in de aanschou­wing van eeuwig rondgaande cycli waarin nog niet de straffe tred van tijd en ontwikkeling werkzaam was. Pas de geest van het Avondland kon in zich de gerichte wilskracht wekken om de doelen van de mensheid te leren kennen en tijd te beleven als een reële factor. In plaats van de in zichzelf terugkerende cirkel komt de weg van de voortgaande ontwikkeling, inclusief de adem­loosheid van het streven en de angst voor het te snel verstrijken van de tijd.

 

De betekenis van het Oude Testament ligt daarin, dat het een brug slaat van de niet-historische wereldbeschouwing van het Morgenland naar de historische van het Avondland. "De aanzet tot een historisch begrip zien we in de oud-Hebreeuwse wereldopvatting. Het eerste grote voorbeeld van een historische zienswijze is het Oude Testament. Daardoor werd deze ziens­wijze aan het Avondland nagelaten." De vonk van de wil slaat in. De mensheid ontwaakt uit de zorgeloze cycli in de schoot van de godheid en beleeft zich in een door goddelijke leiding bewerkte ontwikkeling, lopend en klimmend op weg naar de door God gestelde doelen.

 

De geschiedschrijving van nu, trots op de moderne weten­schap, voelt zich verheven boven die van het Oude Testament, vooral als het om de eerste boeken gaat. Men heeft een methode ontwikkeld die uitsluitend op het geloof aan tastbare "bronnen" berust. Iets geldt alleen als "waar gebeurd" op basis van betrouw­bare sporen of berichten uit die tijd. Het begin van de geschie­denis wordt in de tijd geprojecteerd waarvan we de oudste berichten hebben. Hoe wij vanuit deze zienswijze naar het Oude Testament moeten kijken, zal duidelijk zijn. Het grijpt immers in goddelijke onbezorgdheid veel verder terug dan de concreet aan­toonbare geschiedenis. Hoe kan de beschrijving van tijden waar­van geen bronnen zijn, standhouden tegen de historische kritiek waarop wij nu zo trots zijn? Als vrome tekst kunnen we er hoog­stens plezier aan beleven en gesticht worden. Voor de weten­schappelijk geschoolde historicus hebben zulke documenten geen waarde.

 

Men denkt ook te kunnen verklaren waarom het Oude Testament - waarin men niets anders ziet dan de historische beschrijving van één bepaald volk - met de schepping van de wereld begint. Men kent ook andere oude geschiedschrijvingen - ­bijvoorbeeld de in het Grieks geschreven geschiedenis van de Chaldeeërs van Berossos - waarin de geschiedenis van afzon­derlijke volken zich bij de schepping van de wereld aansluit. Men is dus van mening dat oude auteurs nog geen mensheidsconcept hadden en daarom in de ontwikkeling van het eigen volk de betekenis van de hele schepping zagen. Welk historisch waar­heidsgehalte kunnen de oude scheppingsmythen hebben als ze alleen maar uit de naïeve manier van schrijven voortkomen, waarbij de eigen volksgeschiedenis tot op de goden wordt teruggevoerd?

 

In werkelijkheid is het Oude Testament niet alleen het begin, maar ook een belangrijk oerbeeld en voorbeeld van ware geschiedschrijving. Evenmin als het afzonderlijke mensenleven heeft de mensheidsgeschiedenis haar oorsprong op aarde. De geboorte van de fysieke mens wordt voorafgegaan door het ont­staan van het zielengeestelijke mensenwezen in de bovenzintuig­lijke sferen van de voorgeboortelijke wereld. Aan de aardse ver­dichting en belichaming gaan eonen vooraf waarin menselijke wezens samen met de scheppende wezens van hogere rijken - in wier schoot zij rustten - eerst nog aan de aarde weefden, als het levende kleed van de godheid.

 

In de aardse geschiedenis wordt die hemelse geschiedenis voortgezet. Daarom zal alle geschiedschrijving - al baseert deze zich op nog zulk rijk "bronnenmateriaal" - onbeholpen en blind blijven als zij zich niet van de oerbron bewust is, waaruit al het historische bestaan voortkomt en voortdurend gevormd en gevoed wordt: de bovenzintuiglijke en bovenhistorische sfeer van reële geestelijke wezens.

 

Friedrich Schlegel heeft de historicus ooit als een terugkijkende profeet beschreven. Net zoals de profeet het nog in het geestesgebied sluimerende en kiemende toekomstige voor­ziet, zo moet de echte historicus de boeken van het verleden kunnen lezen, die met geestelijk schrift in de kosmos zijn ingeschreven. Hij moet de vaardigheid hebben om terug te kijken. De mythe is geen onbetrouwbare, maar een verheven geschied­schrijving. Echte mythen zijn vensters om door terug te kijken; zij laten de geschiedenis van vóór de geschiedenis zien.

 

Door zijn begin maakt het Oude Testament er aanspraak op voort te komen uit een reële geestelijke terugblik. Het aan elkaar rijgen en combineren van uiterlijke bronnen wordt hier over­troefd door de grootse stijl van de schouwende blik die over en voor het uiterlijkhistorische verloop kan kijken, tot in de boven­zinnelijke bronnen van het menselijk bestaan. De terugblik die in de geestelijke oerverten doordringt, wordt tot de primaire bron van geschiedkundige kennis verheven. We zien aardegeschie­denis voortkomen uit hemelgeschiedenis. Er spreekt een geschrift tot ons dat op een verheven wijze een geestelijk-fysieke oergeschiedenis kan laten zien. We zien de geschiedenis tot zichzelf komen, door eerst schepping, kosmische geschiedenis te zijn, vervolgens oermenselijke mythische geschiedenis en tenslotte historische geschiedenis.

 

Zoals de bron ligt ook het menselijk-kosmische doel van het Oude Testament in het geestelijk gebied. Het wil niet alleen de geschiedenis van een afzonderlijk volk beschrijven. De geschie­denis van het volk Israël wordt alleen beschreven omdat die de lichamelijke geboorte voorbereidt van de God die mens wordt voor de mensheid en de aarde. Het concrete Messiaanse doel blaast de adem van de voortgaande tijd in de boeken van het Oude Testament. Daarom is dit het eerste document van de historische wereldbeschouwing.

 

De ontwikkelingen die het Oude Testament beschrijft, komen niet tot voltooiing binnen het Oude Testament. Zij vragen om een voortzetting in de boeken van het Nieuwe Testament, tot aan de Openbaring van Johannes toe. Dit laatste boek van de bijbel - de Apocalypse - is de grote neerslag van de profetische vooruitblik, zoals het eerste boek van Mozes - Genesis - het klassieke boek van de geestelijke terugblik, de omgekeerde profetie is. Het boek Genesis als de moederschoot van de oud­testamentische geschiedschrijving is in de ware betekenis een omgekeerde Apocalypse. Tussen terugblik en vooruitblik, tussen Genesis en de Openbaring van Johannes ligt de weg van de geschiedenis. Scheppingsmythe en toekomstprofetie vormen de balans van het historische bestaan.

 

Hoe meer de geestelijke ontwikkeling van het Avondland in materialisme en abstractie uitmondde, des te meer moest juist het eerste begin van het Oude Testament slachtoffer worden van een misverstand. Het nog op het oude schouwen berustende weten van het oosten ten aanzien van cycli en wordingsronden werd helemaal vergeten en alleen de steeds abstracter wordende lineaire geschiedopvatting van het Avondland bleef over. Er ontstond een eenzijdige denkwijze, van waaruit men het "begin" ­waarover de scheppingsgeschiedenis spreekt - als het eerste begin van alles zag. Men vatte het daar beschreven ontstaan van de wereld op als een "schepping uit het niets". Stelt men zich de geschiedenis als een lijn voor, dan is er inderdaad slechts een begin. Voor een tegenovergestelde opvatting, die met de een of andere wijze van weten van kosmisch geregelde cyclusritmen en cyclische tijdperken rekening houdt, is er steeds weer een nieuw oerbegin. Je kunt het vergelijken met de cyclus van de zon die na iedere nacht een nieuwe morgen te voorschijn roept.

 

Omdat het Oude Testament de overgang van de oosterse naar de westerse wereldbeschouwing beschrijft, wordt het beschrijven van cycli en eonen niet afgewezen. Dit wordt gewoon gevolgd door de lineaire historische beschouwing. Het nieuwe vult het oude aan en veronderstelt het. Genesis sluit aan bij een bewustzijn waarin als restant van het oude schouwende wereldgevoel de kennis van kringlopen, eonen en cycli aanwezig is. Ook als het Oude Testament met name de Messiaanse weg van de mensheid beschrijft, dan is de tekst noch aan het begin, noch ergens anders te begrijpen zonder kennis van de wet van de grote en kleine cycli, van de herhaling en spiegeling van de grotere cycli door de kleinere.

 

Het Oude Testament is terughoudend om de cycli concreet te noemen. Aan het begin zijn de cycli duidelijk zichtbaar. Daar heeft de geschiedenis - die net uit de schoot van de eeuwigheden wordt geboren - nog een kosmisch karakter. Er worden zeven scheppingsdagen afgerond, die duidelijk grote kosmische tijdcycli betekenen. Dat zij niet identiek zijn met wat wij een dag noemen, blijkt - zoals Origenes al opmerkte - uit het feit dat de schepping van de zon, die onze dagen en jaren bepaalt, naar de vierde scheppingsdag is verschoven.

 

Als er daarna echt van ge­schiedenis sprake is, dan zijn de cycli verborgen en treedt de lijn die de voortgang van de tijd laat zien, op de voorgrond. Een voorbeeld van hoe zich in het Oude Testament ook verder vage cyclische figuren aftekenen, zijn de in de gangbare vertalingen volledig verdwenen plaatsen waar sprake is van tholedoth, "wordingscycli" .

  • "Dit zijn de wordingscycli [gangbaar: "de geschiedenis"] van de hemel en de aarde, toen zij geschapen werden" (Genesis 2:4).
  • "Hier zijn opgeschreven de wordingscycli ["het geslachtsregister"] van de mens (Adam)" (Genesis 5:1).
  • "Dit zijn de wordingscycli ["geschiedenis"] van Noach" (Genesis 6:9).
  • "Dit zijn de wordingscycli ["nakomelingen"] van Terah (Abraham) (Genesis 11:27).
  • "Dit zijn de wordingscycli ["nakomelingen"] van Perez (David)" (Ruth 4:18).

 

Het cyclische is zichtbaar waar het voorgeboortelijke van mensheid en volk nawerkt. Het lineaire krijgt de overhand in de aardse biografie, het mysteriedrama van de aardse geschiedenis. Aan het eind van de bijbel, in de Openbaring van Johannes, is ten teken van de doorbraak naar de geschiedenis in het geestelijke gebied van het cyclische uitgebreid op een nieuw niveau terug verworven. Tegenover de zeven scheppingsdagen uit Genesis staat in de Apocalypse de viervoudige zevenheid, namelijk die van de zendbrieven, zegels, bazuinen en schalen van toom.

 

Het berust op een abstracte miskenning van de in het Oude Testament veronderstelde wereldbeschouwing, als we denken dat de Bijbelse scheppingsgeschiedenis het echte eerste begin van alle aardse bestaan wil beschrijven. De wereld was er allang op ieder kosmisch tijdstip, waarop het begin van Genesis doelt. Onze aardse planeet had de sterkste ontstaansperioden en ontwikke­lingen al in vroegere eonen doorlopen. Het is ook niet zo dat er nog geen mensen waren, voordat de Elohim spraken: laat ons mensen maken. De mens was als geestelijk zielewezen sinds eonen in wording. Het goddelijke scheppingswoord riep niet uit het niets een zijn voort. Het riep veeleer de opnieuw in de moeder­schoot van het bestaan teruggekeerde aarde tevoorschijn, om nieuwe ontwikkelingen te gaan. Het gaf aan de aarde een bepaalde gestalte, als nieuw begin van een nu te doorlopen ontwikkeling.

 

Niet de schepping van alle eonen samen maar het begin van een bepaald eon wordt bedoeld en wel van dat eon waarin door het ontstaan van de zich verdichtende aardse stof pas aardse wil en aards lot in engere zin mogelijk worden.[2] Ook wat nu van de mensen nieuw ontstaat, is niets anders dan de kiem van de uiterlijke gedaante die wij vandaag als aards belichaamd wezen dragen. De naam Adam betekent niet de eerste mens, maar de eerste aardse mens. Met de goddelijke adem gaat de eeuwige ziel - die tot dan toe levendig en actief in het goddelijk bezielde luchtelement ingebed was - binnen in het zich stapsgewijs vormende en verdichtende aardse omhulsel. Niet het ontstaan maar de aardse belichaming van aarde en mens wordt door het goddelijke scheppingswoord bewerkt.

 

In de rijke overlevering van legenden die het Oude Testament op velerlei wijze omgeven, wordt over de aan de schepping van Adam voorafgaande eonen als over algemeen bekende feiten gesproken. Zo werd eens het imaginatieve beeld van de zeven oerkoningen aangeduid: "onder deze koningen moeten wij de zeven oerwerelden verstaan die geschapen werden en bestaan hebben voordat onze wereld er was en die dus de achtste koning kan worden genoemd." Of er wordt gezegd dat Henoch al een hoge rang had "in de allereerste wereld, die aan de wereld van Adam voorafging". "Duizend werelden had de Heer aan het begin geschapen en daarna schiep Hij weer andere werelden. En Hij ging er mee door werelden te scheppen en werelden te vernietigen, tot Hij onze wereld schiep..." [3]

 

Nu meent men vaak dat hellenistisch-joodse filosofen, zoals Philo, de Talmoedisten en de Kabbalisten, die de overlevering van de legenden levend hebben gehouden, de opvatting van voor-eonen vertegenwoordigd zouden hebben, maar dat Genesis zelf een schepping uit het niets beschrijft. Het Bijbelse schep­pingsverhaal veronderstelt toch duidelijk een al eerdere vorm van bestaan en de leer van de Talmoed wijst er terecht op dat er "twee dingen zijn die niet geschapen werden: de wind en het water..., zoals er ook staat: de wind (het Hebreeuwse woord ruach betekent net als het Griekse pneuma tegelijkertijd het uiterlijke en het innerlijke: lucht en geest) van de Heer zweefde over de wate­ren." (SdJ 1,31) Er wordt dus eigenlijk bedoeld: de waaiende geest van de Elohim broedde (warmtegevend) over de wateren; en zo wordt ook het derde element, de warmte als reeds bestaand aangeduid: "drie dingen waren er nog voordat de wereld bestond: het water, de wind en het vuur." (SdJ I, 37).

 

De eonen van het vuur, de lucht en het water, waarin ons planetaire bestaan stap voor stap uit bovenfysieke bestaansregionen op de ladder van de elementen omlaag kwam, waren al vergaan toen het eon van het vierde element, van het eigenlijke aarde-element, uit de wereldnacht omhoog steeg. En Genesis gunt ons een blik in de wording van dit aardse eon.

 

 



[1] Het evangelie naar Marcus (Zeist 2004), 6e voordracht

[2] Dat de Bijbelse scheppingsgeschiedenis echter ook van het eon "aarde" niet het eerste begin bedoelt maar het ver gevorderde tijdstip, waarin dit eon na het doorlopen van alle kosmische samengevatte herhalingen pas volledig tot zichzelf komt, komt hieronder aan de orde.

[3] Sagen der Juden, bewerkt door Micha bin Gorion (verder geciteerd als SdJ) I, pp. 286, 291, 35. In het verloop van onze beschouwingen zullen wij vaak de apocriefe en legendarische overleveringen aanhalen. Een essentieel deel er van is in de uit­gebreide sagenverzameling van Bin Gorion bijeengebracht. Hoe fantastisch en speels deze vertellingen ook mogen lijken, er is toch vaak in terug te vinden van wat in bepaalde esoterisch-theologische scholen als oude occulte kennis werd doorgegeven ter aanvulling en verklaring van de meer exoterisch-gestelde boe­ken van de oudtestamentische canon.

 

 

Emil Bock – Mozes en zijn tijd

 

Op de achterkant:

 

Dit is het vervolg op het voorgaande boek van Emil Bock: Genesis. Ook nu wordt de spirituele achtergrond van de bekende Bijbelverhalen belicht. Het vertrek uit Egypte, de tocht door de woestijn, Mozes, Jozua, de Sinaï.

 

Mozes leidde het Joodse volk uit Egypte naar het beloofde land. Hoe kunnen we deze Bijbelverhalen zo lezen, dat we ze niet letterlijk voor waar aannemen, maar evenmin puur als beeldspraak of als verzinsel zien? is het mogelijk om ze zo te lezen dat ze ons naar een diepere werkelijkheid leiden? In die manier van lezen is Emil Bock een meester. Hij doet het ons in vele boeken voor, van Genesis tot Paulus.

 

In dit boek komen de gebeurtenissen aan de orde rond de tocht uit Egypte met Mozes, de periode in de woestijn, het betrekken van het beloofde land onder aanvoering van Jozua en de tijd van de Rechters (van: richteren - zij die richting aangeven) zoals Gideon en Simson die het volk leiding gaven. Steeds weet Bock het verhaal in een perspectief te plaatsen waarin uiteindelijk ook wijzelf voorkomen. De geschiedenis waarvan de bijbel vertelt is immers nog niet afgelopen.

 

ISBN - 978-94-90115-40-1  - Uitgeverij Kamerling  Zutphen 2010

 

Enkele uittreksels

Opvoeding door Egypte.

Pietro Perugino 1450 – 1523 De reis van Mozes naar Egypte

Pietro Perugino (1450 – 1523) - De reis van Mozes naar Egypte

Mozes verbleef 40 jaar in het land Midian. Hij was Egypte ontvlucht na het doden van een Egyptenaar. Na 40 jaar geeft God hem het teken terug te gaan, om zijn volk te verlossen van het juk van de farao.

Rechts is te zien hoe Zippora, de Midianitische echtgenote van Mozes, hun zoon Eliëzer besnijdt. In het midden wordt Mozes tegengehouden door een engel (vaak een uitbeelding van God).

Het betreft hier een merkwaardige passage uit Exodus: Mozes werd bedreigd door God, en daarop greep Zippora naar het mes om met een soort bloedoffer haar man te redden. Dit werk is gekoppeld aan Exodus 4:25

Bron

 

 

 

 

Slechts zelden realiseert men zich voldoende hoe sterk de eerste decennia van Mozes' leven geheel en al Egyptisch gestempeld en gekleurd waren. Als koningszoon - en zoals sommige oude auteurs zelfs zeggen, de vermoedelijke enige erfgenaam van de troon ­stonden al vroeg alle mysteriën en ambten voor hem open. Zijn karakter moet hem vanzelfsprekend verre hebben gehouden van de grootheidswaan van Ramses II en de voortdurende gevolgen daarvan. Des te intensiever wijdde hij zich aan de grondige studie van de wijsheid van Hermes en de nog overgebleven waarachtige mysteriën.

 

In Handelingen van de Apostelen zegt Stefanus in zijn grote rede over hem: "Mozes werd onderwezen in alle kennis van de Egyptenaren." (7,22) Men leest over zo'n zin heen zolang men niet een duidelijke voorstelling van de religieuze en historische achtergrond van die tijd met de voorstelling van de Bijbelse figuren verbindt. Mozes groeide in alle luister van een faraozoon als een Egyptenaar op. Philo van Alexandrië, de diepzinnige tijdgenoot van de apostelen geeft in zijn Leven van Mozes een beschrijving van de opvoeding die Mozes in Egypte genoot:
"
Al gauw kwamen uit alle windstreken leraren, voor een deel ongevraagd, uit de aangren­zende landen en Egyptische landsdelen en voor een deel uit Griekenland, voor een aanzienlijke beloning. Maar in korte tijd overtrof hij hen in vaardigheid, want hij was door zijn natuurlijke begripsvermogen hun onderricht voor, zodat het leek alsof hij niet leerde maar zich herinnerde ... De Egyptische wijzen onderwezen hem in rekenen en meetkunde alsmede ritmiek, harmonieleer en metriek... bovendien nog de in symbolen geklede filosofie die zij in de zogenaamde heilige schrifttekens (hiërogliefen) voordragen ... Grieken onderwezen hem in de andere algemene vorming en de leraren uit de aangrenzende landen in de Assyrische literatuur en in de Chaldese wetenschap van de hemellichamen. Het laatste leerde hij ook van de Egyptenaren die voornamelijk meetkundige studies beoefenden."[1]

Belangrijker echter dan al het wetenschappelijke onderricht - waarop de Hellenistische filosoof Philo de aandacht richt - was voor Mozes de introductie in de vorm van een inwijding in de Egyptische mysteriën. In de in de Griekse taal overgeleverde fragmenten van de Egyptische geschiedschrijver Manetho vinden we het bericht dat Mozes een ingewijde leerling van de mysteriën van Heliopolis geweest moet zijn en daar de Osiris-naam Osarsiph gedragen heeft. Heliopolis - in het Oude Testament On genoemd - lag iets noordelijk van het huidige Cairo. Het was de mysterieplaats die tot de oude koningsstad behoorde - waar eens Jozef zijn inwijding had ontvangen.[2]  Met de hem getrouwe priesters had Amenophis IV daar de op macht beluste priesters van Thebe ten val gebracht en zijn grote hervormingswerk uitgevoerd. Heliopolis moet een geestelijk eiland zijn geweest waarop zich ondanks de overal invallende decadentie tot ver na de tijd van Mozes het ware leven van de mysteriën heeft kunnen handhaven. Plato vond hier nog 800 jaar later eerbiedwaardige leraren van de oude Egyptische wijsheid; hij bleef er meer dan 10 jaar leerling. Het is voor de innerlijke samenhangen van het zich ontwikkelende geestelijke leven niet zonder betekenis dat Mozes dezelfde school als later Plato heeft doorlopen.

 

Onder de reliëfbeelden aan de tempelmuren van de toenmalige residentie van de farao's bevindt zich vaak een motief, bijvoorbeeld in het machtige museum van Ramses in Thebe en op een tempelmuur in Karnak. Daar moet de jonge Mozes wel af en toe in gedachten verzonken hebben gestaan: farao Ramses II, afgebeeld als Osiris zit onder de kruin van de sycomorenboom, op wiens bladeren de bode van de goden Hermes - de grondlegger van de Egyptische cultuur - met een gouden griffel schrijft. De farao eist door dergelijke afbeeldingen het oersymbool van de inwijding en inspiratie voor zich op, dat later in India op Boeddha werd toegepast, als men hem zittend onder de boddhiboom beschrijft. In het Johannes-evangelie komt dit terug in de figuur van Natanaël, van wie op een belangrijke plaats staat dat hij onder de vijgenboom zat. Alleen al doordat dit symbool zo uiterlijk ter verheerlijking van de machthebbers ten toon werd gespreid, kan herkend worden dat aan de heersers alleen nog onecht geworden, misbruikte inwijdingen werden voltrokken.

 

In de persoon van Mozes trok een lid van het huis van de farao's - die door het lot een heel andere afkomst bezat - door de wereld van de toen overal gebouwde nieuwe tempels. Als echte ingewijde in de wijsheid van Hermes wist hij hoe hij zulke beelden moest beoordelen. Als Osarsiph, als een werkelijk in de mysteriën ingewijde, wist hij dat nu een tijd was aangebroken waarin zelfs de hoogste ingewijde het niveau van Osiris niet meer kon bereiken. Door de kosmische gebeurtenis van de dood van Osiris kon de tempelleerling alleen nog tot de "zoon van de weduwe", niet meer tot een als god op zijn troon zetelende zoon en echtgenoot van Isis worden, zoals de reliëfs voor de farao eisten. Juist de nog echte Egyptische inwijding in de mysterieplaatsen van Heliopolis moest Mozes op de breuk met Egypte voorbereiden. Nu Osiris Egypte had verlaten en daar alleen nog in aanmatigende, verwrongen namaak­sels werd afgebeeld, moest diegene die hem eerlijk in het geestelijke gebied zocht - om hem te volgen - ook bereid zijn om Egypte te verlaten.

 

Toen Mozes de Egyptenaar neersloeg - die als opzichter de Israëlieten mishandelde - doodde hij eigenlijk de Egyptenaar in zichzelf. Hij vluchtte niet om zich in veiligheid te brengen, maar om zich van het gewelddadig en tiranniek geworden, door zijn goden verlaten Egypte af te wenden. Ook hier is de imaginatieve beschrijving van de bijbel - die van de ontwikkelingstijd van Mozes alleen dit ene beeld geeft - meer verhullend dan onthullend. Wanneer men de met het Oude Testament overgeleverde feiten raadpleegt, wordt het heel duidelijk dat men eerst door de sluier van beelden heen moet dringen om de werkelijke historische feiten te kunnen onderscheiden. In het Nieuwe Testament, in Handelingen, spreekt Stefanus in zijn terugblik op de heilsgeschiedenis over de drie even lange perioden in het leven van Mozes[3] : Mozes was 40 jaar oud toen hij de Egyptenaar doodsloeg en vluchtte. 40 jaar lang verbleef hij in de afzondering, tot een goddelijke openbaring hem uitzond om de Israëlieten te leiden. 40 jaar lang was hij tenslotte de leider van het volk door de woestijn.

 

De vlucht van Mozes komt echter in een ander, godsdienst­historisch verder reikend licht te staan wanneer men bedenkt dat hij 40 jaar het land van de Nijl heeft gemeden. De vruchtbaarste tijd van zijn leven als man - van 40 tot 80 jaar - brengt hij door in het land dat hij verkiest na de afwending van Egypte. Gedurende 40 jaar had hij wat de wijsheidsplaatsen en de cultuur van Egypte hem hadden gegeven, in zich opgenomen. Het in mysteriën gehulde land van de afzondering - zijn tweede grote leerschool - neemt naast Egypte een evenwaardige of zelfs nog belangrijker plaats in, omdat Mozes daar nog langer onderricht ontving. Het grote raadsel van de middelste periode in zijn leven - dat nauw met de geheimen van de 40-jarige tocht door de woestijn samenhangt - moeten we nog helder maken. Nu volstaat een blik op de belangrijke etappes van de gang van het lot.

 

Mozes is op 40-jarige leeftijd door Egypte voldoende rijp om zich van dit land af te keren. Met 80 jaar is hij op de openlijke strijd en op de positieve overwinning op Egypte voorbereid, door wat de middelste fase hem heeft gebracht. Steeds duidelijker staat zijn zelfstandige en nieuwe impuls - tot zichzelf ontwaakt - tegen de verouderde Hermes-cultuur op.



[1] Philo Vita Mosis hfdst 5

[2] Genesis

[3] Handelingen 7,23 en 30 en 36

 

Het symbool van de slang

Slangenproef  bij de farao

Mozes en de slang in de woestijn

 

 

 

Om duidelijke voorstellingen van de historische feiten over het bewustzijn van die tijd te krijgen, moeten we ons met enkele dier­symbolen bezighouden, die zo rijkelijk de cultische beeldhouw­werken van Egypte sieren en ook in de oudtestamentische beschrijvingen zijn terug te vinden. Hier is vooral het symbool van de slang belangrijk. Op ontelbare beeldhouwwerken en op veel kronen van Egyptische koningen en priesters steekt de Uraeus-slang haar kop op met het koninklijke schild rond de nek, dat boven hoofd en lichaam uitsteekt. Aan de andere zijde zien we hoe Mozes ­samen met Aäron - de slangen van de magiërs overwint door zijn staf die zich in een slang veranderd had. Ook zien we hoe hij in de woestijn de metalen slang opricht om het volk van de beet van de vurige slangen te genezen.

 

Het slangensymbool was in de gehele Oude Wereld de uitdrukking voor de oude bovenzinnelijke krachten in het wezen van de mens. Rudolf Steiner zei eens: "In de Oude Wereld had men hiervoor een technische uitdrukking. Diegenen die in de goddelijk­geestelijke wereld mochten schouwen en ervan getuigen mochten, noemde men de 'slangen',"[1]

 

Juist het symbool van de slang moet ons er toe brengen naar de belangrijke stadia in de ontwikkeling van het menselijke bewustzijn te kijken. In de voorchristelijke tijden en ontwikke­lingen heeft het menselijke bewustzijn twee buitengewoon ingrijpende beperkingen doorgemaakt. De eerste vond plaats in de loop van de Lemurische periode en wordt door de mythe van de zondeval gekenmerkt. Toen verloor de mens het goddelijke bewustzijn van de oeropenbaring en verruilde het - toen het goddelijke licht begon te verduisteren - voor de allereerste kiem van zelfbewustzijn. Het resultaat van deze eerste inkrimping was het helderziende bewustzijn waaruit de geïnspireerde culturen van de Oudheid zijn voortgekomen.

 

De tweede grote samentrekking vond aan het begin van het "donkere tijdperk" plaats en bracht het vervagen van de oude helderziendheid met zich mee. In de nu voortschrijdende verduis­tering van het helderziende bewustzijn kon de mens met het Intel­lectuele, aan het hoofd gebonden bewustzijn een nieuwe fase in de ontwikkeling van zijn Ik bereiken.

 

De slang symboliseert het menselijke bewustzijn in het stadium dat tussen de beide samentrekkingen ligt. In de tijd van Mozes en nog later (bijv. in de woorden die Johannes de Doper tot de Farizeeën richt: "jullie zijn zonen van slangen", Mat. 3,7) zag men in dit beeld de geestesgesteldheid waarin de mens wel al "weet wat goed en slecht is" en daarom het begin van het Ik-bewustzijn bezit, maar die toch nog niet de volledige verdwijning van het kosmisch ­helderziende bewustzijn voortbrengt.

 

De Bijbelse mythe schrijft het schenken van het bewustzijn ­- dat in het beeld van de slang verschijnt - toe aan de "slang in het paradijs". De eerste grote, door de slang in verre oertijden bewerkte beperking van het bewustzijn wordt ook door belangrijke metamorfosen van het lichamelijke menselijke wezen begeleid; alleen hieruit is het beeld van de slang pas exact te begrijpen.

 

In die tijd heeft de mens wat de ontwikkeling van zijn lichamelijke hulsels betreft, de stap van de ongewervelde naar de vorming van een wervelkolom gezet. Er volgden twee ontwikke­lingsfasen van het lichamelijke menselijke organisme elkaar op, die tegenwoordig nog als in twee kosmische herinneringsbeelden in de ongewervelde en de gewervelde dieren terug gevonden kunnen worden. Rudolf Steiner heeft in een van zijn vroegste geestes­wetenschappelijke voordrachten over het belangrijke onderscheid en evolutionaire ontwikkeling tussen deze beide soorten van levende wezens gesproken.[2]

 

De ongewervelde dieren hebben alleen het zenuwstelsel dat bij de mens tot zonnevlecht wordt. Daarom zijn zij nog geen dragers van een eigen bewustzijn, maar "waarnemingsorgaan van de gemeenschappelijke aardeziel". De mogelijkheid van afzondering van de gemeenschappelijke aardeziel treedt op waar het met de zon verwante zenuwstelsel in de wervelkolom ingesloten wordt. Daardoor ontstaat op een heel rudimentair niveau "de mogelijkheid van het Ik-zeggen". De slang is het dier waarin de wervelkolom zijn intrede in het dierenrijk doet. De esoterische leraren zeiden tegen hun leerlingen: kijk je naar de slang, dan zie je het merkteken van je Ik. Dergelijke waarnemingen ontving Mozes in de Egyptische scholen. De "zondeval" betekent dus eigenlijk de inlijving van de "slang" in het wezen van de mens. Het daardoor ontstane bewustzijn was in zijn laatste resten als oude helderziendheid in de tijd van Mozes nog actief in Egypte.

 

Hoe moeten we ons de verankering van dit bewustzijn in de structuur van het psychofysieke organisme van de mens voorstellen?

Bij de beschrijving van de oertijd en de tijd van de aartsvaders is vaak op de geesteswetenschappelijke beschrijvingen gewezen, dat toentertijd het menselijke etherlichaam nog boven het fysieke lichaam uitstak, pas geleidelijk in omvang afnam en met zijn fysieke lichaam samenviel. Door het lichaamsvrije deel van het etherische hoofd bezatten de mensen in oude tijden de vaardigheid van het helderziende waarnemen van de bovenzinnelijke wereld. En doordat het etherlichaam ook bij de voeten groter was dan de fysieke gestalte, zich tot in de aarde uitstrekte, was de mens nog steeds innig met de aarde en haar leven verbonden.

 

Verplaatste de mens zich in de toestand waarin hij wilde begrijpen - dat toen niet met de fysieke hersenen maar met etherlichaam werd volbracht ­- dan wekte hij in zichzelf de slang op. Rudolf Steiner werkt dat zo uit:
"
De mens die ... dat beleefde ... zei: de slang is in mij actief geworden. Zijn wezen strekt zich uit tot in de aarde. Zijn fysieke lichaam voelde hij niet als het feitelijk werkzame; veeleer voelde hij hoe een soort slangachtig aanhangsel zich tot in de aarde uitstrekte en de kop was datgene wat boven de aarde uitstak ... Dit slangenwezen voelde hij als de denker ... Zo betekende in de oude tijden iets begrijpen... ik voel mijn slangenwezen.”

 

Hoe maakte het uitdoven van de helderziendheid zich in het menselijk wezen kenbaar?
"
Het zou voor de mens niet langer mogelijk moeten zijn dat hij zich door benen en voeten tot in de aarde voelde uitstrekken. En bovendien moest het gevoel in het etherlichaam afsterven en overgaan naar het fysieke hoofd ... Je wordt aan de voeten verwondt, maar je verbrijzelt de kop van de slang met je eigen lichaam, wat wil zeggen dat de kop van de slang niet langer het orgaan voor het denken zal zijn. Het fysieke lichaam ­met name de fysieke hersenen - doodt de slang, die wraak neemt door de mens het gevoel van saamhorigheid met de aarde te ontnemen: zij bijt de mens in de hiel."[3]

 

De profetische uitspraak die in de bijbel na de "zondeval" tot de slang wordt gericht: "... zij verbrijzelen je kop, jij bijt hen in de hiel" (Genesis 3,15) gaat in vervulling door de transformatie van het bewustzijn die zich voltrekt in de tijd van Mozes. Het heeft weliswaar tot in de christelijke tijd niet aan stromingen ontbroken die er naar streefden de oude toestand van het etherlichaam als alleen goddelijk vast te houden en daarom de slang vereerden, zoals de Naäseners en Ophieten (van het Hebreeuwse nachasch en het Griekse ophis = de slang) maar feitelijk was vanaf nu de tijd van de slang voorbij.

 



[1] Het evangelie naar Johannes, voordracht van 25/05/1908

[2] Grundelemente der Esoterik

[3] Die Bhagavad Gita und die Paulusbriefe

 

De horens van de ram

lichtstralen

ram horens

 

 

 

Een ander diersymbool dat we in het late Egyptische leven en in de imaginaties van de bijbel vaak tegenkomen, is het beeld van de ram of van het lam. Bij de beschrijving van de tijd van de aartsvaders spraken we al over het beeld van de geofferde ram, waarin de scène van het offer van Isaak uitmondt. Later stelt Mozes als belangrijkste uitdrukking voor de bevrijding van Israël uit Egypte het offer van het lam bij het Pesachfeest in. Hij komt ons uiteindelijk zelf als het grote lam onder de mensen tegemoet, doordat hij door schilders en beeldhouwers van alle tijden, tot aan het indrukwekkende beeld van Michelangelo, met. krachtig oprijzende horens van licht op het voorhoofd wordt afgebeeld.

 

Op de oude schilderijen en tekeningen die Mozes afbeelden, zien we steeds uit het voorhoofd van Mozes twee stralenbundels schitterend licht uitstralen. De overlevering met betrekking tot de beeldhouwkunst wordt er al door haar andere uitdrukkingsmiddel toe gebracht naar de even beeldende kwaliteit van de ramshorens te grijpen. Het meest indrukwekkend doet Michelangelo dat.

 

In de dualiteit van de afbeeldingen van Mozes met de stralenbundels enerzijds en met de ramshorens anderzijds, hebben we een van de meest interessante taalkundige raadselen van het Oude Testament voor ons. Daar waar de bijbel over Mozes spreekt, zoals hij met verbazingwekkend veranderd gelaat en wezen van de berg van de openbaring terugkeert, geven de Griekse en de Latijnse vertalingen de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst op deze plaats verschillend weer. De gebruikelijke vertalingen, zelfs de in de Rooms-katholieke kerk gebruikelijke, die anders steeds de Latijnse redactie (Vulgata) volgen, sluiten hier aan bij de interpretatie van de Griekse tekst (Exodus 34:29,30): "Mozes daalde de Sinaï af, met de twee platen van het verbond bij zich. En hij wist niet dat zijn gezicht straalde doordat hij met de Heer had gesproken. Toen Aäron en de andere Israëlieten de glans op Mozes' gezicht zagen, durfden zij niet naar hem toe te gaan." De Latijnse bijbel (de Vulgata) daarentegen zegt niet dat zijn gelaat glansde, maar dat het "gehoornd" moet zijn geweest.

 

De raadselachtige afwijking van de Latijnse tekst heeft men af en toe in plaats van een vertaalfout aan een schrijffout toege­schreven. Krantenartikelen met de kop "Schrijffout met 1000-jarige gevolgen" populariseerden de theologische stelling dat in plaats van de uitdrukking facies coronata ("het door een stralenkrans verlichte gelaat") bij vergissing geschreven kan zijn: facies cornuta ("het gehoornde gelaat"). Het gaat hier om meer dan louter een schrijf- of vertaalfout. De oorspronkelijke Hebreeuwse tekst vat de beide schijnbaar zo ver uiteen liggende interpretatiemogelijkheden tot één samen, aangezien er in het Hebreeuws een heel nauw verband bestaat tussen de woorden "stralen, glanzen" qaran en "hoorn" qeren. Dat kan goed veroorzaakt zijn doordat deze taal zijn oorsprong vindt in tijden waarin men een hoorn voor een aards­verdichte en verharde vorm van lichtstralen aanzag.

 

Op het menselijke voorhoofd verscheen in oude tijden in de tweebladige lotusbloem in de vorm van licht- en stralenbundels wat in het dierenrijk - bijvoorbeeld bij de ram - in fysieke verdichting en verharding als hoorn is vorm gegeven. Het spirituele orgaan dat als laatste in de mens die nu een denkend bewust wezen werd, uitdoofde, was een orgaan van stralende horens.

 

Vanuit dit gezichtspunt is zowel de afwijking tussen de verschillende Bijbelvertalingen én de kunstzinnige afbeeldingen van de geïnspireerde gestalte van Mozes te begrijpen. Alleen omdat men zich uiteindelijk niets meer kon voorstellen bij fysieke horens ­die aan Mozes zouden zijn toegeschreven - distantieerden de moderne Bijbelvertalingen zich van de mogelijke interpretatie die de Latijnse bijbel zo compact uitdrukt. De grote beeldhouwers als Michelangelo waagden het niettemin om Mozes met ramshorens af te beelden.

 

Uiteindelijk belicht de aarzeling van de tekst en beelden tussen de aurische stralenbundels en de fysiek tastbare ramshorens ook het stadium in de geestelijke en bewustzijnsgeschiedenis dat zich in Mozes belichaamt. Mozes is immers niet de vertegenwoordiger van dat menselijk wezen dat nog over de volledige oorspronkelijke licht en helderziende kracht van de tweebladige lotusbloem beschikt. In hem beginnen de fysieke hersens definitief de ooit door het etherlichaam gedragen spirituele organen af te lossen: een door het Ik gedragen denken komt in de plaats van het nog dromerige helderziende schouwen. Aan het imaginatieve bewustzijn kan deze overgang worden getoond in het beeld van een verduistering en verharding van de stralende horens, zoals dit op compacte wijze in het dierenrijk in de horens van de ram en andere gehoornde dieren zichtbaar wordt. Zo ligt de geestes- historische waarheid ten aanzien van de gestalte van Mozes in feite tussen de beide varianten, in de Griekse en de Latijnse Bijbelvertaling en in de schilder- en de beeldhouwkunst.



Koningen en Profeten - Emil Bock



Dit is het derde boek uit de serie die Emil Bock heeft geschreven over de inhoudelijke en esoterische betekenis van de Bijbelboeken. Het is tevens het laatste deel dat over het Oude Testament handelt en na ‘Genesis’ en ‘Mozes en zijn tijd’, die vooral esoterische lijnen volgden, zijn in dit boek ook de historische patronen duidelijk gemaakt omdat, vanaf de tijd van de boeken over de Koningen, tot en met de boeken over de Profeten, het Oude Testament – naast zijn grote geestelijke lijn van voorbereiding op en verwachten van ‘de Messias’ - ook een historisch verhaal te vertellen heeft over de geschiedenis en ontwikkeling van het Joodse volk. Het volk waaruit uiteindelijk een mens zou moeten kunnen geboren worden die in staat zou zijn om het levende lichaam van de ‘Messias’ te worden.

 

Het boek vereist de nodige inspanning om onderscheid te leren zien tussen wat over een historische werkelijkheid gaat en wat over een geestelijke en dus esoterische beleving en ontwikkeling gaat. Uiteindelijk een zeer boeiende en verhelderende studie.

Ik vond het noodzakelijk om, tijdens het lezen van dit boek, voortdurend een Bijbel bij de hand te hebben om bepaalde fragmenten op te zoeken en bijbelcitaten- en verwijzingen van de auteur in een ruimere context te lezen.

 

Omdat Jezus Christus later vaak ‘zoon van David’ zal worden genoemd koos ik, als uittreksel uit dit boek, een stuk dat handelt over Koning David.


 

Boom van Jesse - Geertgen tot Sint Jans

Dit schilderij van Geertgen tot Sint Jans (15de eeuw) draagt als titel: Boom van Jesse en toont een boom die ontspruit uit de liggende Jesse, met vlak daarboven, David met zijn harp, om uiteindelijk bovenaan de pasgeboren Jezus te laten zien als uiteindelijke vrucht.



Op de achterkant:

De universele betekenis van de Koningen en Profeten van het Oude Testament in relatie tot onze huidige tijd vormt het centrale thema in deze studie. Saul, David, Salomo, Elia, Jonas, Jesaja, Jeremia en vele anderen krijgen een breder perspectief: niet alleen als de historische en geestelijke leiders van een kleine natie, maar als de belichaming van de stadia van het pad dat de ziel kan brengen tot het ervaren van de Christus.

In tegenstelling tot de meer sociologisch ingestelde theologie, waarin het Oude Testament wordt ontdaan van alle grootheid, maakt Bock duidelijk dat in de eerste helft van het laatste voor­christelijke millennium de ware polsslag van het geestelijk leven klopte in een gebied waarin de bewustzijnsgeschiedenis een beslissende impuls krijgt.

Overtuigend en kleurrijk schildert Bock de geschiedenis van de Israëlieten, vanuit de invalshoek van de geestelijke leiding van Christus, die hierdoor de ruimte schept voor zijn latere incarnatie bij dit volk. Het al onder Mozes opflakkerende nieuwe bewustzijn maakt hierdoor een beslissende stap voorwaarts naar een nieuwe manier van zien.

ISBN 906238 576 1



David, de herdersjongen, speelt voor koning Saul.


Uittreksel



 

DE GLANS EN DE BEPROEVINGEN VAN DE KONING

 

Na Sauls tragische dood resideerde David, van vluchteling tot koning geworden, aanvankelijk in Hebron. Daardoor droeg de eerste, zeven-en-een-half jaar durende periode van zijn veertigjarige koningschap (1004-965 voor Chr.) het karakter van een levende verbinding met en een herleving van de tijd van de aartsvaders. Hebron met zijn heilige woud Mamre was de stad van Abraham geweest en ook Izaäk en Jakob waren hieruit afkomstig. David vervolgde zijn weg niet in de richting die Saul had ingeslagen. Hij grijpt terug op een heel ver verleden. En voordat Jeruzalem zich voor hem opent, waardoor hij in staat is om aan te knopen aan de door Me1chisedek geïnitieerde oude stroom van zonne-wijsheid, maakt hij eerst deel uit van de lijn en de wereld van de aartsvaders. Daarmee bezegelt hij de messiaanse ommekeer in de geschiedenis van Israël die het koningschap aan de stam Benjamin ontnam en het aan het messiaanse geslacht in de stam van Juda opdroeg. In David stroomden de lijnen van de aartsvaders en de koningen samen.

 

In Hebron was David weer in de invloedssfeer van zijn jeugd in Bethlehem. Na zijn lange ballingschap in de Judese woestijn opent zich voor hem, die in eerste instantie alleen nog maar door zijn eigen stam Juda als koning wordt erkend, dat deel van het stamgebied van Judea dat Bethlehem en Hebron als brandpunten heeft en midden in de woestijn een oase van het leven is. Als ten slotte alle stammen van Israël David als koning erkennen en zich van de zonen van Saul afwenden, opent zich voor hem eindelijk ook dat deel van Judea dat, hoewel het middelpunt van alles, voor het hele volk tot dusver verboden gebied is geweest: Jeruzalem. De inname van Jeruzalem en het verplaatsen van de koninklijke residentie naar de heuvel van Me1chisedek, Sion, vormde de plechtige afsluiting van de zich nu werkelijk tot in de staatsstructuur uitstrekkende eenwording van het volk van de twaalf stammen. De kosmische samenklank van de twaalf tonen, die als een profe­tie aan het einde van de tijd van de aartsvaders het wordende volk overschaduwd had, is nu rondom Jeruzalem als centrum historische werkelijkheid geworden.

 

Toen David koning geworden was en toen zich langzamerhand de eenwording van het volk voltrok, was het alsof een stralende zonsopgang door mist en wolken heen brak. Weliswaar voltrok zich stap voor stap voorlopig nog het noodlot van het geslacht van Saul, en David, tevergeefs trachtend de tragiek af te wenden, zag tot zijn ontsteltenis hierin de schaduw van zijn eigen opkomst. Ook was de tijd van strijd en oorlogsdreiging die het koningschap van Saul gedomineerd had, nu niet plotseling afgelopen. Maar toch duurde het niet lang eer David, die zijn koninklijke ambt nog als vazal van de Filistijnen had aanvaard, ervaren en erkend werd als een stralende, leidinggevende ster, die hoog boven de twaalf stammen uit reikte. Vooral sinds hij op de heilige berg Sion in zijn koninklijke burcht resideerde, in de voortdurende nabijheid van het nu daarheen gebrachte heiligdom van de Ark des Verbonds, ging van hem op Israël en alle naburige volkeren een heel bijzondere glans uit.

 

Weldra strekte zijn macht zich over een steeds groter gebied uit. Damascus werd het centrum van een nieuwe grote noordelijke provincie in Davids rijk, die bijna tot aan het gebied van de Eufraat en Tigris reikte. Ten zuiden van de Dode Zee had zich - alsof nu voorgoed de strijd tussen de zonen van Jakob en Ezau ten gunste van de eersten beslist moest worden - het grote volk van de Sodomieten aan hem onderworpen, wier territorium tot ver in de Sinaï en tot de kusten van de Dode Zee reikte.

 

Het rijk van David is niet door wapengeweld groot geworden. Van Hebron en Jeruzalem ging geen wil om te veroveren uit. Sauls legers hadden gedurende zijn hele regeringstijd verdedigingsoorlogen moeten voeren en deze duurden ook nog in de eerste jaren van Davids koningschap voort. Dat steeds meer rijken in de omgeving een feodale relatie of een defensieverbond met Israël aangingen, was uiteindelijk gegrondvest op het feit dat de naburige volkeren in David en de twaalf stammen een spiritueel leven en een in haar vruchtbaarste beginstadium verkerende cultuur ontmoetten, die hun verbazing en de grootste achting afdwongen. Misschien heeft daarbij een rol gespeeld dat de mensen toch al geneigd waren om eer te bewijzen aan degene die koning van Jeruzalem was, op grond van de overleverin­gen die, in een mythisch verleden terugreikend, herinneringen aan de prie­ster-koning Melchisedek bewaarden.

 

Davids wezen moet, door beproevingen en vervolgingen gelouterd, iets onge­meen verhevens en ronduit goddelijks bezeten hebben. Had de schoonheid van het gelaat van de herdersjongen, die Saul zo betoverd had, zich nu in een waardig­heid van de ziel verwandeld[1]? Of openbaarde de nabijheid van God, die Samuël indertijd door de geheime zalving op de jongen had laten neerdalen, zich nu als waarneembare realiteit?

 

Op een heleboel plaatsen schrijft de Bijbel dat men David aansprak als 'een engel van God'; niet door zijn vertrouwelingen, maar juist door hen die als anders ­geaarde zielen het bijzondere van zijn wezen herkenden. Al tijdens zijn vlucht voor Saul had de Filistijnse koning Akis tot hem gesproken: 'Ik weet wel dat ik u zeer waardeer, als was u een engel van God' (1 Samuël 29, 9). Later deed de zieneres van Tekoa dezelfde uitspraak, om zo de koning te bewegen zijn zoon Absalom te vergeven: 'mijn Heer is wijs; de wijsheid van een engel van God woont in hem, zodat hij alles op aarde doorziet' (2 Samuël 14, 17 en 20). En ten slotte sprak ook de laatste telg uit het geslacht van Saul, Mefibóset, de kreupele zoon van Jonathan die David als zijn disgenoot opnam, tot hem: 'mijn Heer, de koning, is als een engel van God. Doe met mij wat u goeddunkt' (2 Samuël 19, 28). Verschillende koningen en machtige personen uit de omringende landen zullen op dezelfde wijze gedacht en gevoeld hebben.

 

De invloed die van Davids wezen uitging, stelde hem in staat om zijn rijk door vreedzame middelen en door geestelijke politiek uit te breiden. Als Arauna, de koning van de Jebusieten, als eerbewijs voor David neerknielt en bereid is om het oeroude heiligdom aan hem over te dragen, mag dit als het belangrijkste voorbeeld gezien worden van een gebeuren dat zich meermalen herhaalde.

In de geschiedenis van de volkeren is het vaker gebeurd dat naar de figuur van een grote leider van de mensheid werd opgekeken als naar de drager van een goddelijk wezen en bewustzijn. Hoe verder men in de tijd teruggaat, des te van­zelfsprekender behoort het tot het leven van de mensen dat ze weten dat goden zich in een menselijke gedaante in hun midden bevinden. Het nieuwe dat zijn intrede in de geschiedenis deed door de invloed die David als koning op zijn tijd uitoefende, was dit: in hem begonnen de krachten van de ziel die vroeger goddelijk en bovenmenselijk waren geweest, menselijk te worden. En precies daarom werd David door de bovenaardse, goddelijke glans van de ware humaniteit omgeven.



[1] Het werkwoord ‘verwandelen’ is oud taalgebruik en betekent ‘veranderen’ Het wordt vaak gebruikt in de boeken van Emil Bock en komt nu nog voor in hedendaags Duits: ‘verwandeln’ (=sterk veranderen)  en ‘sich verwandeln’ (= veranderen in of veranderd worden )


De brief aan Uria


Gedurende zijn ballingschap in de woestijn had David, de reiziger naar de vrijheid, zich boven de uiterlijke wetten gesteld, alleen maar trouw aan de innerlijke wet. Samen met de priesters van Nob bevrijdde hij zich, toen hij de toonbroden nam, van de wetten van de tempel. Toen hij zijn diensten aan de Filistijnen aanbood, wekte hij de schijn alsof hij daarmee zijn volk wilde verraden. Maar destijds kon hij tenminste wel het gevoel van een innerlijke rechtvaardiging hebben wanneer hij zichzelf tot wetsovertreder maakte. Maar toen hij Bathseba, de vrouw van een ander, begeerde en vervolgens ook nog aan de echtbreuk de bloedschuld toevoeg­de, doordat hij Uria in de veldslag een positie liet innemen waar hij wel door de vijanden gedood moest worden, bestond er geen rechtvaardiging meer voor hem. De hartstocht had hem meegesleept, zodat hij de door God gegeven morele wet overtrad en een zware schuld op zich laadde.

 

Hierin openbaarde zich de keerzijde van de ontwikkeling dat de mens nu afhankelijk van zichzelf begon te worden en dat hij, wat voordien als een goddelijk element in hem had geleefd, nu in persoonlijke en menselijke kracht moest verwan­delen. Niet alleen werd uit de vroegere goddelijke wijsheid menselijke wijsheid en persoonlijke begaafdheid, maar ook de tussen man en vrouw wevende en verbindende ziele-roerselen, die tot dan toe in onbewuste of half bewuste diepten van het eigen wezen door bovenpersoonlijke machten waren geleid, verplaatsen zich nu naar de ik-sfeer van de persoonlijke ervaring. De heel persoonlijke seksuele begeerte werd geboren. In de figuur van David wordt het voor de eerste keer een historische realiteit. Toen hij Bathseba aanschouwde, werd een verborgen verlangen in hem wakker geroepen dat zich niet stoorde aan het gebiedende karakter van de zedelijke wetten. De wil van de persoonlijkheid is sterker dan het gezag van de wet.

 

Het kan zijn dat Davids ontmoeting met Bathseba zich afspeelde in een periode waarin zijn ziel zich in een zwaarmoedige stemming bevond. De ballingschap die vroeger in uiterlijke zin zijn lot was geweest, moet nu tijdens zijn koningschap vaak innerlijk teruggekeerd zijn. Niet altijd kon een vrij en fier zelfbewustzijn de vrucht zijn van de zich nu ontwikkelende onafhankelijkheid van de mens. Vaak moest een gevoel van verlatenheid, van een troosteloze eenzaamheid overheersen, tot de worstelende ziel zich weer kon verheffen tot het vermoeden van de goedheid van de goddelijke macht. In Bathseba kan als in een visioen plotseling het beeld van een allang verloren vaderland en gemeenschapszin opgerezen zijn.

 

David laadt een zware schuld op zich, en als het kind dat Bathseba hem baart dood voor hem ligt, wordt hij door een diepe smart getroffen en herkent hij de strenge hand van de vergelding. Toch is zijn schuld een noodzakelijke schakel in zijn lot en dat van zijn volk. Werd Bathseba immers niet na de dood van dit eerste kind de moeder van Salomo en daarmee ook, zoals Ruth, een van de stammoeders van de Messias, naar wie de hele wereld vurig verlangde?

Het is een van de diepste universele raadsels dat in de gang van de Voorzienig­heid en de geschiedenis rekening is gehouden met de schuld van de mens. De door God gewilde lotsbeschikkingen voltrekken zich niet zonder medewerking van de mens, ook met betrekking tot de schuld die hij op zich laadt. Ook wanneer de mens de hem gegeven wet breekt, kan het zijn dat hij daarmee een diepere wet van het lot vervult. De mens kan daaraan geen excuus ontlenen, maar hij kan, wanneer hij het beseft, de mysteriën van de genade aanvoelen die bij de sturing van zijn lotgevallen meespelen.

 

De Bathseba-episode in Davids leven heeft aanleiding gegeven tot vele specula­ties met betrekking tot de vragen rond de diepere voorbeschikking in de menselijke lotsbestemming. De legenden proberen op een kinderlijke manier vat op het raadsel te krijgen, doordat ze vertellen dat Bathseba oorspronkelijk voor David was bestemd, maar dat hij zijn recht aan Uria had afgestaan toen deze hem hielp om de riemen van de helm van de gevelde Goliath los te maken.

De Bijbelse geschriften laten ons zelf ook door stille, maar duidelijke aanwijzin­gen de diepere laag van het lot aanvoelen. Ze tonen hoe de Bathseba-scène slechts een schakel is in een reeks van wonderbaarlijke beschikkingen in het leven van David. Voor Bathseba, de vrouw van Uria, waren Abigaïl, de vrouw van Nabal, en Mikal, de vrouw van Paltiël, Davids echtgenoten geworden zonder dat hij daarbij een onrecht zou hebben begaan.


Een langer uittreksel over koning David. Klik HIER en kies voor opslaan

 

 

Emil Bock - Tussen Bethlehem en de Jordaan


 

 

Emil Bock gaat uit van de schaarse gegevens in de evangeliën en werkt tot in bijzonderheden de tegenstellingen uit die te vinden zijn in de verhalen over de geboorte, bij Mattheüs en Lukas, het verborgen geheim van de twee kinderen Jezus.


Ik heb uit dit boek van Emil Bock doelbewust een uittreksel gekozen over die twee Jezuskinderen omdat dit thema momenteel geactualiseerd is door het nieuw verschenen boek[1] ( en lezingen ) van Hans Stolp.

 

Het geheim van de twee kinderen Jezus is evenals het hele mysterie van de kinderjaren en de individualiteit van Jezus eeuwenlang verborgen gebleven. Nadat het eenmaal aan het licht is gekomen, wordt er veel begrijpelijk, wat als een dwaallicht door de geschiedenis van de mensheid flitst. Op veel schilderijen die vroeger raadselachtig waren, valt nu een helder licht. In de Gemälde galerie in Berlijn-Dahlem hangt een schilderij van Rafaël: een madonna met drie jongetjes, de Madonna del Duca di Terranuova. Een van de kinderen is de kleine Johannes. En de twee anderen, de ene liefderijk op de schoot van Maria, de andere met wijze blik tegen haar aangeleund? Wij hoeven hieruit niet zonder meer de conclusie te trekken dat Rafaël beschikte over een helder en duidelijk weten omtrent de twee kinderen Jezus, hoewel we dit ook zeker niet voor geheel uitgesloten behoeven te houden. Het is mogelijk dat zijn geïnspireerde kunstenaarsziel, misschien in verband met een min of meer geheime traditie ten aanzien van de weergave van dit thema, een beeld heeft opgevangen dat op geestelijk gebied juist is en dat stamt uit dat paradijselijke stuk geschiedenis der mensheid, waarin te Nazareth twee kinderen Jezus met elkaar spelen. Het is zelfs mogelijk dat de schilder zelf helemaal niet precies wist, wat hij schilderde, maar er zich toch van bewust was dat het waarheid bevatte.

In het museum van de prachtige Romaanse kerk van de H.-Ambrosius in Milaan zien wij een stralend en kleurig schilderij van Ambrogio Borgognone (of Bergognone; werkzaam 1481-1523): de twaalfjarige Jezus in de tempel. Boven in het midden, op de stoel van de leraar, zit een jongen wiens gelaat een beheerste wijsheid uitstraalt; de geleerden zitten allen aan zijn voeten. Links op de voorgrond gaat, in schaduwen gehuld, met neergeslagen ogen en moede houding een andere jongen, in een kleding van een andere kleur, de tempel uit. Het kunstwerk is, of het nu vol bewust of meer onbewust is geschapen, een exacte voorstelling van de beide jongens na de geheimzin­nige eenwording, die zich achter de geschiedenis van de twaalfjarige Jezus verbergt.

Ambrogio Borgognone - Jezus in de tempel


Aangezien het schilderij van Borgognone vele voorlopers en parallellen heeft, ligt de gedachte voor de hand dat er in bepaalde schilderscholen misschien een weten omtrent de twee kinderen Jezus in de vorm van een iconografisch motief overgeleverd is, van een bepaalde, steeds weer terugkerende uitbeelding van deze voorstelling. Hoewel zulke parallellen zeer zeker het vermoeden wekken dat wij hier eenvoudig te maken hebben met het type van het 'beeldverhaal', waarbij twee (of meer) chronologisch ver uiteen liggende taferelen uit hetzelfde verhaal ruimtelijk naast elkaar, of zelfs (zoals hier) in één compositie weergegeven worden, verraadt het schilderij uit Milaan toch door het opvallend verschillende uiterlijk van de twee jongens, dat er tenminste een instinctief weten van het geheim aan ten grondslag ligt.

De tegenwerping, dat wij met het type van het beeldverhaal te maken zouden hebben, wordt tenslotte geheel ongegrond ten opzichte van een aantal schilderijen, die op andere wijze, blijkbaar volgens de traditie van een bepaalde schilderschool, bij de uitbeelding van de 'twaalfjarige Jezus in de tempel' heimelijk de gestalte van een tweede kind Jezus eraan toevoegen. Op schilderijen van Gerolamo Giovenone, Defendente Ferrari, Martino Spanzotti en anderen luistert de Heilige Familie, Jozef, Maria en het kind Jezus, alle drie kenbaar gemaakt door de aureool, naar de lering van de twaalfjarige Jezus, die majestueus in het midden troont. Het luisterende kind staat met zijn aandachtig naar boven gericht gelaat tegen de arm van de sprekende Jezus geleund. Op andere schilderijen, die een variatie van dit motief weergeven, is de groep van de luisterende familie in tweeën gedeeld en wordt het andere kind, dat de indruk maakt de ruimte te willen verlaten, gescheiden van het ouderpaar afgebeeld.

 

Op dezelfde wijze ontmoeten wij hier en daar in de apocriefe literatuur allerlei raadselachtigs, dat door de opheldering van het mysterie van de twee kinderen Jezus wat minder duister wordt. In het apocriefe Evangelie van de Egyptenaren, waarvan we slechts enkele brokstukken kennen, staat ergens: 'Op de vraag van Salome, wanneer het rijk zou komen, antwoordde de Heer: Als de twee een worden en het uitwendige als het inwendige. . . '

 

In het boek Zohar, een kabbalistisch geschrift, komen steeds weer plaatsen voor als deze: 'De zoon van David en de zoon van Jozef zijn twee, niet één. De zoon van Jozef zal een gruwelijke dood sterven. Dan zal de zoon van David op hem volgen. De Messias die de zoon van Jozef is, zal met de zoon van David verenigd worden, maar hij zal gedood worden.' 'Een andere Messias, de zoon van Jozef, zal zich met de Messias, de zoon van David, verenigen. Maar de Messias, de zoon van Jozef, zal niet in leven blijven, hij zal gedood worden en zal weer levend worden, wanneer de kleine heuvel leven ontvangt, op de grote heuvel.' 'De Messias, de zoon van David, en de Messias, de zoon van Jozef, zijn in de afgrond gestort. De ene van hen is een arm mens, die rijdt op een ezel, en de andere is de eerstgeborene van een stier.' Wij kunnen zeker niet zeggen, dat er in deze hiëroglyfische zinnen zonder meer sprake is van de twee kinderen Jezus, maar het is toch alsof iemand in een donkere ruimte naar iets tast en daarbij slechts de onduidelijke omtrekken voelt van iets, dat tenslotte alleen maar in het volle licht onderscheiden kan worden

  

[…….]

 

Tot slot zouden wij nog willen wijzen op een zeer merkwaardige plaats in het gnostische geschrift Pistis Sofia, dat in de Koptische taal bewaard gebleven is. Dit bevat lang uitgesponnen imaginatieve gesprekken in golvende beelden van de disci­pelen met de Herrezene. Eens (in hfdst 61) is een psalmvers onderwerp van het gesprek: 'Hun die hem vrezen is zijn hulp nabij: goddelijke heerlijkheid zal wonen in ons land, genade en waarheid zullen elkaar ontmoeten, gerechtigheid en vrede zullen elkaar kussen, de waarheid zal aan de aarde ontspruiten en de gerechtigheid van de hemel neerzien' (Psalm 85 : 11).

'Maria echter antwoordde en sprak: Mijn Heer, wat dit woord betreft, dat uw kracht door David heeft geprofeteerd (nu volgt het psalmvers), daarin heeft uw kracht over u zelf geprofeteerd. Toen gij klein waart, vóór de geest over u gekomen was, naderde de geest uit de hoogte, terwijl gij u met Jozef in een wijngaard bevond. Hij kwam tot mij in mijn huis, in uw gestalte. Ik herkende hem niet en dacht, dat gij het was. Toen sprak de geest tot mij: Waar is Jezus, mijn broeder, dat ik hem ontmoete? Toen hij dit tot mij gesproken had, schrok ik en dacht dat het een spook was, dat me wilde verzoeken: ik greep hem echter en bond hem vast aan de voet van het bed in mijn huis, zodat ik naar ulieden, naar u en Jozef op het veld kon gaan. Ik vond u in de wijngaard, waar Jozef stokken insloeg. Toen gij mij tot Jozef hoorde spreken over het gebeurde, begreept gij het woord, verheugde u en sprak: Waar is hij, dat ik hem aanschouwe, want ik wacht reeds op hem. Toen Jozef u zo hoorde spreken, ontstelde hij. Wij gingen samen naar boven, traden het huis binnen en vonden de geest gebonden aan het bed. Wij keken u en hem aan en vonden, dat gij op hem leek. De geest, die aan het bed was gebonden, werd bevrijd, hij omarmde u en kuste u, gij zelf kuste hem, en gij beiden werdt één.' (Hfdst.61)

 

 

 

Franz Werfel heeft dit tafereel uit de Pistis Sofia in dichtvorm gegoten en het gedicht 'Legende' genoemd:

 

Toen het gebenedijde kind dromend in de wijngaard liep,

Door zijn geest nog niet gewekt en tot zich zelf ontwaakt,

En in huis de moeder waste en al ruimend orde schiep,

Heeft zij, geknield, verschrikt haar werk gestaakt.

Door de gesloten deur kwam naar binnen schrijden

Een kind, van Jezus niet te onderscheiden

In de lichtglans om hem heen, in zijn wezen en gelaat,

Dat nu met uitgestrekte armpjes voor haar staat.

 

Terwijl zich voor haar innerlijke blik opeens ontsloot

Wat haar bedreigde en het kind dat in de wijngaard speelt,

Fluisterde zij: Dit is de bode van de dood,

De kleine engel, die de jonge kinderen steelt.

En zij greep de geestverschijning, waarvan de ogen haar verblindden,

Pakte de lichtende handjes beet met sidderende handen,

Bond aan de legerstee het kind met driedubbele banden

Van een garen, dat zich niet meer liet ontwinden.

 

Waar de vader de wijnstok bond aan palen,

Stond de jongen, in 't gewijde oord, stil in het middaglicht,

Toen de moeder ademloos het voorval kwam verhalen

Onder smartelijke tranen en met doodsangst in 't gezicht.

De handen van zijn ouders heeft toen het kind genomen,

Terwijl in zijn zwijgend oog een glans verscheen:

Laat mij naar huis gaan, want een broertje is gekomen,

En ik speel immers altijd slechts alleen!

 

Rabbi Jozef keek, de ernstige, de sterke,

Met ogen vol verwondering de moeder aan.

Nam op zijn schouder onverwijld de hark waarmee hij werkte,

En door de zee van wijn zijn zij naar huis gegaan.

Het huis was echter in een overdaad van licht gehuld.

Jezus slaakte een kreet, van overweldigende broedervreugd vervuld,

En in een kus, omjubeld door de engelen om hen heen

Werden het Geest-Kind en de Kind-Geest één.

 

Dit gedicht maakt de indruk van een fantastische imaginatie, en wij zouden het niet in verband brengen met de twee kinderen Jezus, als het niet in een innerlijke samenhang met de psalmtekst stond. De bij elkaar behorende begrippen 'genade en waarheid', 'gerechtigheid en vrede' geven, op de bovenzinnelijk exacte wijze zoals ze in de Pistis Sofia gebruikt worden, precies het geestelijke element in de zielen van de beide kinderen Jezus weer. In de Salomoonse Jezus is de 'waarheid' belichaamd, de wijsheid die de mensheid zich in haar ontwikkeling op aarde heeft verworven; de Nathaanse Jezus is louter 'genade', een hemelse offerbereidheid. De Salomoonse Jezus draagt de 'vrede' in zich, het hoogste wat de mensheid zich met eigen kracht verwerven kan; de Nathaanse Jezus draagt de 'gerechtigheid' in zich, de stralende zonnegloor van het hogere zijn, die zich de aardemens niet zelf verwerven kan, omdat hij haar in het paradijs verloor, maar die de 'nieuwe Adam' meebrengt op de aarde als zielehulsel van het Christuswezen. De twee ontmoeten elkaar, kussen elkaar en worden één: in hen worden de aardemens ('aan de aarde ontspruitend') en de hemelmens ('van de hemel neerziend') één. De psalmtekst is een profetie, die in het mysterie van de kinderjaren van Jezus werkelijk in vervulling is gegaan. De Pistis Sofia, die uit een direct, echter niet helder bovenzinnelijk waarnemen geschreven is, hoeft in een van de paasgesprekken de psalmtekst maar even aan te stippen: en meteen stijgen beelden op, die de indruk maken van een niet helemaal zuiver waargenomen, verward en onbegrepen visioen van iets, dat eigenlijk volkomen helder en zuiver geschouwd zou moeten worden. In de geestelijke wereld zijn de heldere beelden aanwezig. Maar ze worden door mensenzielen troebel, verward en onbegrepen waargenomen. Op dergelijke wijze zullen er dikwijls beelden opgevangen zijn, die het geheim van de twee kinderen Jezus aanduiden, totdat in onze tijd Rudolf Steiner met zijn in heldere begrippen gevat geesteswetenschappelijk onderzoek de zuivere beschrij­ving kon geven.

 

De Pistis Sofia met haar wereld van vloeiende droombeelden blijft niet staan bij het wonderlijke tafereel van de twee jongens die zich met elkaar verenigen. Maria geeft nog een verklaring van de psalmtekst door het op de tweevoudigheid van Christus toe te passen: het menselijke en het goddelijke. Dan geeft ook 'de andere Maria' haar uitlegging. Aanknopend bij de voorstelling van de doop in de Jordaan verklaart zij de tweevoudigheid van het Jezus- en het Christuswezen. Tenslotte voegt Maria, de moeder van Jezus, er nog een uitlegging aan toe: zij spreekt over de ontmoeting van de beide moeders Maria en Elisabeth en wijst op de tweevoudigheid van Johannes de Doper en Jezus. Het is allemaal een tasten naar een helder beeld; men voelt dat het dichtbij is, maar men kan het niet werkelijk te pakken krijgen. Drukt men het in beelden uit, dan ontstaat een verward droombeeld; zoekt men naar de verklaring en drukt het in gedachten uit, dan ontbreekt iedere zekerheid.

 

Uit de dichte wolk, die gedurende lange tijd het mysterie van de kinderjaren van Jezus verborgen hield, flitste af en toe een weerlicht op. Nu de wolk haar inhoud niet langer aan ons oog onttrekt, staan wij vol verbazing voor het evangelie en moeten zeggen, dat het grote geheim van de voorzienigheid, die door de tweevoudigheid van het wezen van Jezus de menswording van Christus mogelijk maakte, tenslotte toch nergens helderder uitgesproken kan worden dan het reeds in het evangelie is gebeurd: door de monumentale zwijgende taal van de schijnbare tegenstrijdigheden.

 

 

 



[1] Hans Stolp -  Het Geheim van de twee Jezuskinderen

Een oud geheim komt aan het licht: tweeduizend jaar geleden waren er twéé kinderen die beide Jezus heetten. Over het ene kind vertelt het Evangelie van Mattheus, over het andere het Evangelie van Lucas. Het ene kind stierf toen het twaalf jaar oud was en inspireerde het andere, ja, leefde in dat andere kind voort. De Essenen kenden dit geheim, evenals middeleeuwse schilders als Rafaël en Michelangelo. Ook Leonardo da Vinci vertelt - voor wie ogen heeft om te zien - over de twee Jezuskinderen. En honderd jaar geleden was het Rudolf Steiner die dit geheim weer in de openbaarheid bracht. In dit boek wordt dit oude, esoterische geheim toegelicht. Het is een geheim dat diep ontroert en een nieuw zicht geeft op de gestalte van Jezus.

Tweeduizend jaar geleden waren er niet één, maar twee heel bijzondere kinderen. Lees meer hierover in Het Geheim van de Twee Jezuskinderen van Hans Stolp, verschenen november 2010!

 

 

Emil Bock - Paulus

 

Op de achterflap:

Uit het voorwoord van Hans Stolp:

Toen ik mij met aandacht in Paulus verdiepte, kreeg ik een heel ander beeld van hem. In plaats van een dogmaticus ontmoette ik een mysticus, iemand die niet alleen verschijningen van Christus mocht beleven, maar die ook vertrouwd was met engelverschijningen. In plaats van een leerstellig iemand ontmoette ik een ingewijde, een spiritueel mens die onbekommerd vertelde over de inzichten die hij bij zijn inwijding, zijn uittredingen en zijn inspiraties had opgedaan.

Daarbij was hij, merkte ik, zó onbekommerd dat hij er zich helemaal niet druk over maakte of iedereen zijn teksten en inzichten wel zou kunnen volgen. Zijn inwijding, bewerkt door de verschijning van Christus, had hem onbevangen als een kind gemaakt en liet hem in alle kwetsbaarheid uitspreken wat in hem leefde. …

Ook ontdekte ik, hoezeer vrijheid hem aan hart gebakken lag. Zozeer zelfs dat we hem de heraut van de vrijheid mogen noemen. En juist daarin is hij verrassend modern. …

Bovendien is Paulus ook nog eens de schrijver van het indrukwekkende Hooglied van de liefde: een tekst die alleen iemand kan schrijven die ook zelf in deze sfeer van waarachtige liefde leeft.

Groot was dan ook mijn vreugde, toen ik ontdekte dat Emil Bock al lang geleden een bijzonder boek over Paulus geschreven had, waarin hij de lezer/es helpt om dat nieuwe zicht op Paulus te krijgen.

 

Paulus
door Emil Bock
Uitgeverij Kamerling
ISBN 978-90-808352-6-9

Uittreksel ( uit hoofdstuk: “Wederkomst”

apocalyptische[1] en eschatologische[2] elementen

 

Ik heb dit hoofdstuk speciaal gekozen omdat het – mijns inziens – belangrijke inzichten bevat die vooral in onze tijden van verwarring, misleiding en chaos zeer zeker toepasbaar zijn (Francine)

 



De wekroepen van Paulus klinken alsof ze tot onze tijd gericht zijn:

 

"U kent de huidige tijd: de tijd is gekomen waarop u uit de slaap moet ontwaken, want de redding is meer nabij dan toen we tot geloof kwamen. De nacht loopt ten einde, de dag nadert al. Laten we ons daarom ontdoen van de praktijken van de duisternis en ons omgorden met de wapens van het licht."

 

Toen Paulus zich in het beginstadium van zijn "proces" voor het Sanhedrin in Jeruzalem moest verantwoorden, maakte hij gebruik van de fanatieke strijd tussen de farizeeën en de sadduceeën. Toen hij verkondigde dat hij net als de farizeeën in de "opstanding van de doden" geloofde, vielen de strijdende partijen onder zijn aanklagers over elkaar heen, in plaats van het verdoemende oordeel over hem te vellen. In werkelijkheid verschilde de visie van de farizeeën - die in de opstanding van de doden een belangrijk bedrijf in het messiaanse drama van de laatste dagen zagen - niet al te veel van die van hun tegenstanders die als politiserende materialisten een dergelijke opstanding loochenden. Het denkbeeld dat wanneer de Messias verschijnt voor de voltrekking van het "Jongste Gericht" de graven zich zullen openen, en de doden tot een nieuw leven gewekt, daaruit zullen opstaan, kon pas opkomen in een tijd toen met het laatste schouwen van het bovenzintuiglijke ook het invoelende begrip en gevoel voor de verdere lotgevallen van de gestorvenen al verdwenen was. De materialistische fundamentele vergissing was dat de doden in de graven verblijven en hier ooit weer uit te voorschijn komen. Voor de sferen van een bovenzin­tuiglijke wereld waarin de ziel van de mens na de dood werkelijk verblijft en haar wegen gaat, had zich allang een dicht, ondoordringbaar gordijn geschoven. "Damascus" had Paulus een andere opvatting van de "opstanding van de doden" geleerd. Voortaan wist hij uit eigen ervaring dat de mens niet eerst lichamelijk moet sterven om deel te krijgen in de Opstanding van Christus. Als hij het tijdens zijn aardse leven niet minstens in de kiem heeft verworven, zal het hem ook na de dood niet ten deel vallen. De sluier voor de wereld van de overledenen werd door de opkomende materialistische wereldbeschouwing steeds dichter en speciaal de daarvan afkomstige opvatting van de "opstanding van de doden" en de "opstanding van het vlees". Deze ideeën zijn tot ver in de geschiedenis van het christendom als christelijke opvatting gehandhaafd. Voor Paulus is deze voorstelling - hoewel hij voor het Sanhedrin in de buurt lijkt te komen - volstrekt achterhaald, want voor zijn ziel zijn de sferen van de geestelijke wereld in een stralend licht wijd geopend.

 

Zijn levende kennis van de zielewegen van de gestorvenen blijkt als hij over de voortgaande wederkomst van Christus spreekt. Aan de gemeen­te van Thessaloniki openbaart hij een geheim. Zij die in een aards lichaam leven en de groeiende aanwezigheid van het licht van de Opgestane ervaren, hebben geen voorsprong op de gestorvenen. De zielen van de met Christus verbonden doden hoeven niet eerst op een verre toekomstige opstanding te wachten om de lichtende gestalte van Christus waar te nemen. In tegendeel, aan hen openbaart de zonsopgang in de geestelijke sfeer zich eerder dan aan de aardse mensen, omdat zij immers zelf in die sferen verkeren.

 

Een soortgelijk geheim speelde zich af toen in het uur van Golgota op aarde de zon verduisterde. Toen Christus aan het kruis stierf, werden zijn volgelingen in de donkere afgrond van de smart geworpen. In het rijk van de gestorvenen trad hij op dat moment als stralend licht binnen. Het geheim van de "hellevaart van Christus" is, dat de zon van Pasen in het duistere rijk van de schaduwen al opging toen de aardse mensen nog smartelijk wachtten op de dageraad van Pasen. De zielen die vóór Christus door de dood waren gegaan, maar die door hun messiaanse verlangen en vermoedens toch al een kiem van de toekomstige verbondenheid met hem in zich droegen, konden nog voor de vrouwen bij het graf en de discipelen in het cenakel getuigen van Pasen worden.[3]

 

Zo deelt ook het morgenrood van de wederkomst zich mee aan de met hem verbonden gestorvenen, wanneer bij de christenen op aarde de blinddoek van de louter zintuiglijke waarneming nog de ogen bedekt. En als het hoogtepunt van de nieuwe aanwezigheid van Christus nadert, als op aarde de Antichrist temidden van instortende oude wereldordeningen zijn suggestieve kunsten uitoefent en de mensen hoogstens de nadering van het licht uit de dramatisch bewegende schaduwen beginnen af te lezen, dan hebben in de sferen van de geest al zeer veel zielen die door de dood zijn gegaan, zich eerbiedig en verwachtingsvol rondom de Christuszon verzameld. Ook veel ongeboren zielen die zich gereed maken voor de afdaling in hun aardse belichaming, brengen in de diepste kern van hun wezen een naglans van deze hemelse getuigen van Christus mee.

 

"We zeggen u met een woord van de Heer: wij, die in leven blijven tot de komst van de Heer, zullen de doden in geen geval voorgaan. Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen. Dan zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan, en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen worden weggevoerd op de wolken en gaan we de Heer in de lucht tegemoet. Dan zullen we altijd bij hem zijn." (1 Tess. 4,15-17)

 

Paulus werd door het licht van Damascus uitgezonden om de "Jong­ste Dag" en daarmee de toekomst van de mensheid die Christus aanneemt, in een permanent heden uit te gieten. Hij leeft in een wereld die onder en achter het uiterlijke licht van dag en nacht langzaam in een warme gouden gloed begint te stralen. Deze straling weeft zich door alle woorden in zijn Brieven heen, of ze nu mild of streng, liefdevol of dreigend en bestraffend zijn. De aarde verschijnt aan hem als getransformeerd. Door wat op Golgota gebeurde, is zij in stilte begonnen zelf een zon te worden.

 

We kunnen de verborgen laag van dit gouden schijnsel ontsluiten als we op het woord doxa, gloria letten, dat heerlijkheid in de betekenis van de glans van de verheerlijking betekent en dat overal klinkt, nu eens zacht en bijna onhoorbaar, dan weer als een plechtige klank van een klokslag.

 

Paulus leert ons een vijfde element aan aarde, water, lucht en warm­te toe te voegen: de sfeer van de doxa, de in de materie glanzende, transformerende sporen van de geest om ons heen te ervaren. Zij is meer toekomst dan heden maar onze op de toekomst gerichte geesteswil zal het orgaan worden waarmee wij haar al nu kunnen waarnemen. We kunnen alleen ademen in deze aurische stralende bries van de transformatie. In hetzelfde hoofdstuk van de Korinthe-brief, waarin Paulus de opstanding de alfa en omega van het christelijk geloof noemt, denkt hij zich een mens in die de vraag opwerpt: "hoe worden doden opgewekt. Hoe zou hun lichaam eruit moeten zien?" (15,35). Het antwoord wordt niet in klare begrippen gegeven. Onze blik wordt naar buiten, in de natuur geleid. In alles en iedereen is zij een gelijkenis. Hoe prachtig is het als de plant vanuit de zaadkorrel een nieuwe fysieke vorm ontvangt, hoe oneindig rijk en veelvormig staat het wonder van de lichamelijkheid door alle rijken van de schepping heen voor ons. Zou deze overvloed zo sprekend - als een leerschool van openbaring - zijn als er alleen fysieke lichamen zouden bestaan? "Er zijn lichamen aan de hemel en lichamen op aarde, maar de schittering van een hemellichaam is anders dan die van een aards lichaam. De zon heeft een andere schittering dan de maan, de maan weer een andere dan de sterren, en de sterren onderling verschillen ook in schittering. Zo zal het ook zijn wanneer de doden opstaan." (1 Kor. 15,40­42) Voor aardse zintuigen verborgen, ontkiemt, groeit en bloeit in en tussen en achter de dingen van de oude schepping de paastuin, de nieuwe aarde.

 

De glans van de transformatie en opstanding grijpt het aardse bestaan niet van buitenaf aan en niet vanzelf. Ook door het grote mysterie van Golgota is de nieuwe aarde niet gewoon al aanwezig. Maar zij is als een bezielende mogelijkheid in de wereld gekomen.

 

Het wonder van de opstanding en de transformatie kan alleen in de mens beginnen. De mensen die Christus in hun hart laten wonen, zijn de centra van de uitstraling van het licht dat de aarde tot een zon kan maken. Daarom ziet de schepping er zo reikhalzend naar uit dat uit de tot Gods kinderen geworden mensen het verheerlijkte licht begint te stralen. (zie Rom. 8,19ff)

 

 

Lees HIER het volledige hoofdstuk


[1] betrekking hebbend op of ontleend aan de Openbaring van Johannes

[2] van Gr. Eschatos : leer van de laatste dingen, in de dogmatiek al wat geleerd wordt aangaande het lot van de mens na de dood, het oordeel enz., leer van de uitersten

[3] [Hierover vertelt het apocriefe Evangelie van Nikodemus. Red.]

 

 

 

  

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL