Paasgedachten

 

Er is geen dood!

Er is geen dood, slechts overgang van leven.

Een nieuw habijt is voor U weggelegd.

"Ik ga je voor", heeft menigeen gezegd

Tot U, aan wien hij hier zijn liefde had gegeven.

 

Als nieuwe liefde bloeit, verdringt zij dan de oude?

Heeft zij die banden ruw vaneen gescheurd?

Of is het z, dat wat dan is gebeurd

Voltooiing is van wat gij met hen bouwde?

Voltooiing? Neen, maar wel een verder weven
Van alle banden, oud en nieuw geknoopt.
D' ervaring leert, wat gij steeds hebt gehoopt:
Er is geen dood, doch voortgang van het leven.

Het Leven is uit God, de Liefde, Die het Al omvat.

Uit Zijne Liefde bloeit de band, die U verbindt

Met hen, die zijn gegaan en hen, die gij nu vindt

Aan Uwe zij, als een U hier opnieuw gegeven schat.

En Ginds? Het inzicht is verruimd, door Gods Gena gezuiverd.

In Zijne Liefde zijt ook gij met hen daar saam geketend,

Met allen, die U lief en dierbaar waren. Dit beteekent:

Er is geen dood, waarvoor gij hebt gehuiverd.

Er is geen dood, slechts overgang van leven.

De ziel wordt met een nieuw habijt bekleed.

De "Dood" opent de deur naar daar, waar al het leed,

De scheiding en de smart in Liefde zijn opgeheven.

 

 

O. Gunning Sr

 

 

Het woord "doden" heeft in de bijbel twee betekenissen:

1ste  de normale beteekenis van het woord, zooals wij die er in het algemeen aan hechten; dus mensen, die niet meer in de stof leven, die overleden zijn; 

2de  mensen, die geestelijk dood zijn; dus zij, die niets zien dan de stof en niets beseffen van het geestelijk leven dat er achter ligt.     

 

Jezus zegt n zijner discipelen hem te volgen. Deze verzoekt hem eerst zijn vader, die gestorven is, te mogen gaan begraven. Hierop antwoordt Jezus: "Laat de doden hunne doden begraven".   

Hiermede bedoelde hij dus: "Laat diegenen, die geestelijk dood zijn, hen, die stoffelijk dood zijn begraven".

Op deze wijze bezien is een ieder "dood" - ook al is hij niet gestorven - die niet het geestelijk leven in zichzelf kan realiseren.                 

Het leven op aarde, zooals dit geleefd wordt zoolang het "Koninkrijk der hemelen" nog niet gevonden is, is dan ook inderdaad een graf.

De mens blijft in dat graf tot de komst van Christus. Doch dat is niet de Christus, zooals deze in het algemeen begrepen is, nl. als van buiten tot ons komende en die ons dan zal toeroepen om te ontwaken.

Het is de Christus in 0ns, die er altijd is; die er altijd geweest is en ons steeds heeft toegeroepen om ons te doen ontwaken, doch waarvan wij de stem niet hoorden, omdat wij er niet naar luisterden.

 

Dit graf moeten wij dus niet opvatten als het graf in de aarde voor ons stoffelijk lichaam. Dit graf is het geestelijke graf, waarin we leven.

Uit dit graf kunnen wij slechts opstaan, wanneer wij de stem van Christus-in-ons horen. Het "graf" is hier dus symbolisch bedoeld.

Met het stoffelijke graf heeft het niets te maken, want wat hierin komt is het stoffelijk lichaam; het omhulsel van de geest, dat niet meer geschikt was om langer als woning voor de geest te dienen en dus verlaten wordt.

 

Na dit verlaten van het stoffelijk omhulsel maakt de geest een rustperiode door om zijn in het afgelegde voertuig opgedane ervaringen te verwerken.

Na deze periode zoekt de geest zich een nieuw voertuig om verdere ervaringen op te doen en om datgene, wat niet op de juiste wijze werd gedaan, te verbeteren; dit zou men "nood-lot" kunnen noemen.

Terwijl men de hulp, die verkregen werd door de goede dingen in een vorig leven gedaan, "goed-lot" zou moeten noemen.       

 

Dit zal steeds zoo doorgaan tot de geest in het stoflichaam zich bewust wordt van, wakker wordt voor de Christus in hem, zoodat dus aan de roepstem van Christus gehoor kan worden gegeven.     ­

Wanneer wij zoover zijn, dan staan wij op uit het "graf" van de belemmeringen, waarin onze stoffelijke inzichten ons gebracht hebben, om op te stijgen naar het "Koninkrijk der hemelen".

 

Wij moeten dus zeer beslist niet wachten, totdat Christus zich weer zal manifesteren op aarde.

De Christus is er; in 0nszelf en kan door ons gehoord worden.

Het vinden van Christus in onszelf kan alleen geschieden op aarde - in het stoffelijk lichaam.

Het is het oprijzen uit het graf van de stoffelijke beperkingen om in het "Koninkrijk 'der hemelen" in te gaan. En zolang zullen wij steeds weer opnieuw moeten terug­keeren naar de aarde, totdat wij gevonden zullen hebben.

Dit is de weg, die vr ons ligt.

Hoe een ieder dit - naar zijn geaardheid - ook onder woorden moge brengen, het is de enige weg, die voor ieder gelijk is.

 

De geest doorloopt - na het afleggen van het stoffelijk lichaam - achtereenvolgens ­ verschillende sferen, waarin verwerkt en gerealiseerd wordt, wat op aarde werd verricht. Na de louteringen in deze verschillende sferen, wordt in de hoogste sfeer - die meesten­tijds ligt bven de aardsche daden - een rustperiode doorgemaakt, waarna weer een afdaling door de verschillende sferen volgt om opnieuw een aardse periode door te maken.

De toestand in de laatste sfeer is zeer verheven en de geest is daar in die mate door­drongen van God in ons en in alles, dat wij hiervan inderdaad zouden kunnen zeggen, dat "de ziel bij God is".

Daarom is het verstandig en juist om geen verdriet te hebben over het heengaan van hen, die ons lief, zijn.

Voor hen is het zeer zeker beter, want ons verdriet zal door hen gevoeld worden en wanneer zij trachten ons te troosten, dan bemerken wij dat niet en hierdoor houden wij hen vast aan de aarde.

 

Zij zouden ons graag willen vertellen, dat het hen goed gaat, doch wij hooren dit niet en dat doet hen  verdriet, zodat ns verdriet wederom verdriet ten gevolge heeft. Wij moeten daarom trachten te berusten en doorgaan met hen gevoelens van liefde toe te zenden, hen los te laten zodat zij vrij zijn om verder te kunnen gaan.

Of mensen jong of oud zijn, wanneer zij sterven, heeft een oorzaak, die wij niet zien en ook niet kunnen zien. Wij moeten daarvoor geen moeite doen, want wij zouden naar allerlei oorzaken kunnen gissen, waarvan er geen de werkelijke is. Bovendien houdt het er ons van af om hen de liefde te geven, die wij hen kunnen toezenden.

Want indien iemand die wij liefhebben sterft, houdt dan daarmede onze liefde voor hem op?

Neen immers, want die liefde blijft, wanneer het de juiste liefde was en wij kunnen er mede blijven doorgaan deze uit te zenden. Wat is het dan, dat wij missen? Zijn het de uiterlijke blijken van liefde, die wij ontvingen en die wij nu niet meer zien?

 

Het is toch in de regel z, dat wij missen hetgeen wij ontvingen, terwijl wij vergeten te geven.     

Jezus stelde niet als eis het ontvangen van liefde; hij gaf liefde.

Wanneer wij het van deze zijde bezien, dan wordt het ons duidelijk, dat wij Gods liefde niet voelden, omdat wij verwachtten, dat deze van buitenaf zou komen - precies zoals wij van buitenaf de liefde ontvangen van hen, die ns lief zijn.

Gods liefde kmt niet van buiten tot ons en hoeft niet van buiten tot ons te komen, omdat deze er reeds is; in ons; misschien diep verborgen, doch Gods liefde IS steeds ook in die tijden, die wij ondervinden als een beproeving.

 

Wanneer wij nu steeds spreken over "Gods Liefde" en niets vertellen van de weg, die er heen voert; dan verplaatsen wij de moeilijkheid van het vinden van deze weg. Daarom moeten wij spreken over blijheid en liefde.

Wanneer wij blij zijn, dan is dit doorgaans, doordat er iets moois of prettigs naar ons toe komt. Wij zijn dan blij als gevolg van een gebeurtenis, die buiten ons zelf plaatsvindt.

Wij zijn dan blij, omdat er een oorzaak voor is.   

Zo is het ook, wanneer wij verdrietig zijn. De reden, waardoor wij verdrietig zijn, ligt altijd bij een gebeurtenis in onze omgeving, waardoor dit gevoel in ons kon ontstaan. Hier is dus hetzelfde het geval, nl., dat de oorzaak buiten ons ligt en het gevolg in ons.

In beide gevallen ontstaat het gevolg in ons en 0ndanks ons. Zolang wij ons dus geheel op ontvangen uit de omgeving instellen, zijn wij volkomen afhankelijk van datgene wat onze omgeving ons biedt: hetzij blijheid, hetzij verdriet.

 

Wij zoeken steeds, voor gevoelens en stemmingen in ons, naar de aanleidingen ervoor buiten ons.

Dit is de reden dat men dikwijls hoort: "Hoe kan ik blij zijn, wanneer ik zooveel ver­driet om mij heen zie?"

Het is echter mogelijk om onszelf "blij" te voelen, ongeacht en onafhankelijk van elke omgeving.

Dit gevoel van blijheid in ons, zouden wij kunnen aanduiden met "beginnen te luisteren naar de stem van Christus-in-ons".

Wij voelen ons dan blij als oorzaak en niet als gevolg. Daarbij wachten we dus niet af tot we iets krijgen uit de omgeving. Het is niet gemakkelijk, neen, het is moeilijk en het kost oefening, want het betekent, dat we moeten "stil-zijn". Het be­tekent, dat we al onze gedachten moeten stilzetten om te kunnen luisteren naar die stem van Christus en het eerste wat we van die stem opvangen is het gevoel van blijheid. Wanneer het ons de eerste maal lukt, om dat gevoel op te vangen, zal het heel kort zijn. Doch als we doorzetten, dan zal het steeds langer duren, terwijl het tenslotte, als uiterste mogelijkheid, ons constant bijblijft. (Wij willen er nog eens de nadruk op leggen, dat wij ons niet n of andere reden voor de geest mogen halen, waardoor we ons wel eens blij hebben gevoeld).

 

Wanneer wij ons constant blij voelen - al is de omgeving om ons heen dan ook ng zo ellendig - dan mogen we ons nimmer verwijten blij te zijn, terwijl de omgeving dit niet is.

Het heeft niets te maken met onaandoenlijkheid of leedvermaak - hoewel de omgeving het er dikwijls voor zal aanzien.

Het gaat er hier uitsluitend om, dat we zlf weten wat het is. In deze toestand van blijheid is geen plaats voor uitingen van verdriet om stoffelijk leed.

Wij zijn als het ware geheel gevuld met blijheid en er is geen plaats voor verdriet, smart, haat of boosheid.

Het beteekent natuurlijk niet, dat we deze gevoelens van en in onze omgeving niet zou­den opmerken: deze stromen uit de omgeving naar ons toe en dat nemen we wel dege­lijk waar.

Vroeger werd dit dan beantwoord met hetzelfde gevoel: verdriet (medelijden, tranen of wat dan ook) met verdriet, boosheid met boosheid, enz.

Nu wordt alles wat op ons toekomt natuurlijk k beantwoord, zooals dit steeds het geval is Maar hoe zal nu het antwoord zijn, nu, er alleen maar blijheid is?

Ziet, wanneer wij vroeger liefde ontvingen, dan voelden wij ons blij. Dus: de liefde, die naar ons wordt uitgezonden, manifesteert zich in ons als blijheid. Zoo zal ook de blijheid, die wij uitzenden, liefde zijn.

Wanneer dus blijheid in ons is en wij die blijheid gaan uitzenden, is het liefde.

 

Werkelijke Liefde is dus het uitgezonden blijheidgevoel, dat permanent in onszelf is. Wanneer wij dan verdriet waarnemen, zullen wij blijheid - die liefde is - uitzenden en dit zal in dengene, die verdriet heeft, k blijheid oproepen. Daarmede zal het ver­driet verminderen en hoe sterker de liefdestroom was, des te minder zal dat verdriet worden. En wanneer die liefdestroom zeer sterk is, doordat onze blijheid zoo groot is, dan zal dat verdriet geheel verdwijnen.

Alles wat smart en pijn is, alles wat boosheid en haat IS zal verdwijnen - zelfs de oor­zaken ervan. Want dit alles is tegengesteld aan de liefde, die uitgezonden wordt. Het is tegengesteld aan de blijheid, die bij de lijdende tevoorschijn wordt geroepen.

 

Dit was de wijze, waarop Jezus zieken genas.

De ontzaglijke kracht van de liefde, die uitging van zijn innerlijke blijheid, - die de Christus in hem was - was dermate krachtig, dat er niets kon blijven bestaan, wat tegengesteld aan die kracht was. Zoals het licht de duisternis verdrijft en de zon aan de nieuwe dag het licht brengt, zodat niet de geringste duisternis kan blijven bestaan,­ z bracht Jezus met zijn blijheid, die de volledig geopenbaarde Christus in hem Was, zijn alles helende Liefde.

Drom wordt steeds van Jezus Christus gesproken, omdat Jezus zich volledig bewust was van den Christus in zichzelf en Deze in Liefde weer van zich uitstraalde.

Het i s de uiteindelijke t0estand, zoals  ons deze als voor­beeld werd gegeven.

 

 

 

Laat ons dan trachten ditzelfde te vinden, door te beginnen blijheid in onszelf te voelen, onbenvloed door wat van de omgeving op ons afkomt. Dan zetten we de eerste schrede op de weg, die voor ons allen uitgestippeld ligt.

Het is niet te veel gevraagd om dit te volbrengen. Het is dwaas en onverstandig om zij­paden te willen gaan, als we weten, dat de groote weg, die we onontkoombaar gaan moe­ten, vr ons ligt.

Wl wordt deze groote weg moeilijk en smal genoemd, maar dit komt doordat al die zijpaden een zeer groote aantrekkingskracht voor ons hebben, omdat zij vlugger lijken of omdat we denken er dingen te zullen zien, die mooier zijn, dan datgene wat de groote weg ons bieden kan.

 

Men denkt misschien, dat wij van ons uitgangspunt afgedwaald zijn. Men had misschien verwacht, dat wij zouden schrijven over het "lijden" van Jezus. Dat lijden is er niet ge­weest en daarom kan er niet over geschreven worden. Het lijdensverhaal is ontstaan, omdat wij, menschen in ons volkomen niet bewust zijn van den Christus in ons - het als een lijden zouden ondervonden hebben, wanneer wij -hadden gehandeld ls Jezus.

 

Tracht rst dit blijheidgevoel in U wakker te roepen, als het stil is om U heen, bijv. 's morgens als U wakker bent, of 's avonds, voordat U gaat slapen. Tracht niet alleen liefde te voelen voor de omgeving, doch stel U allereerst tevreden met U blij te voelen, - in Uzelf, - niet m het n of ander, uitsluitend blij. Liefde is altijd een gevolg hier­van en zal gaan uitstromen, wanneer U zich blij voelt.

Bepaalt U zich tot het blijheidgevoel in U.

De gevende liefde komt vanzelf.

 

A. R. v. H.

Bron: een zeer oud tijdschriftje zonder jaartal.

DE MENS OP GOLGOTHA

         door E. A. de Beus.

 

Het is merkwaardig, dat er steeds zo betrekkelijk weinig aandacht geschonken wordt aan de beide moordenaars, die met Jezus gekruisigd werden. Toch zijn deze voor ons van het grootste belang, omdat wij onszelf hierin terugvinden.

Onze levenshouding vindt zijn crisis in de kruisiging op Golgotha. In elk leven komt een moment, dat wij schijnen vast te lopen. Wij zijn als uitgeworpenen en hangen gebonden tussen hemel en aarde.

Gebonden aan en verbonden met de aardse materie, terwijl wij weten, dat boven ons zich koepelt de hemel.

Het lot, dat de beide misdadigers ondergaan, symboliseert ons eigen lot, doch hoe verschillend zijn - in beide gevallen ­de reacties.

 

Hieruit zien wij, dat niet zozeer de moeilijkheden, die wij in ons leven ondervinden, van belang zijn, als wel de wijze waarop en hoe wij deze moeilijkheden verwerken. Dt bepaalt ons leven!

De ne mens is gebonden door en vervuld van haat tegen God en wereld. Hij roept in zijn wanhoop als hoon: "Indien gij de Christus zijt, verlos ons en U zelf en kom af van het kruis!" Hier is geen zelfonderzoek, geen schuld bekennen van het zelf, doch enkel hoon en verwijt aan God.

Geheel anders in de houding van de andere gekruisigde. Deze mens besefte, dat hij de oorzaak van zijn lot bij zich zelf moest zoeken. Hij weet zich zelf schuldig en uit dan ook geen opstandig woord. Hij aanvaardt dit lot als rechtvaardig: "Wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben

Deze mens is in staat het Goddelijke te herkennen en te erkennen. Hoewel dit, verguisd door de mensheid, naast hem gekruisigd werd.

 

De eerste moordenaar ziet niets dan het stoffelijke en daarom kn Jezus geen antwoord geven op zijn hoon waar inzicht ontbreekt.

De tweede toont te begrijpen, dat achter het stoffelijke, geestelijke mogelijkheden zijn en vraagt aan Jezus:

Gedenk mijner, wanneer Gij in Uw Koninkrijk zijt." Daarom kan Jezus hem met de woorden "Heden zult gij met mij in het paradijs zijn" te kennen geven, dat deze geestelijke mogelijk­heden voor hem open liggen, omdat hij zijn stoffelijk lot heeft ondergaan en begrepen.

De kruisiging van deze drie wil ook zeggen dat de geest op drierlei wijze gekruisigd is in de stof: Het stoffelijke overheerst de geest, de geest begint zich bewust te worden van de stof en de geest beheerst de stof.

De eerste twee geven aan het dualisme waarin de mens zich in zijn huidig stadium bevindt. Beurtelings erkennen en ver­werpen wij de geest, het goddelijke. Jezus daarentegen boven dit dualisme uitgestegen zijnde - toont de mogelijkheden tot beheersing van de stof door de geest.    

 

De honende woorden van de eerste gekruisigde spreken wij wanneer de angst voor ons zelf, voor het onderzoeken van ons zelf, ons wil beletten ons zelf te leren kennen. Ontstellend groot kan deze angst zijn die zich openbaart in een masker van luid­ruchtigheid en een vaak koortsachtig zoeken naar uiterlijk ver­toon, vermaak, het uitleven ervan in verlangen naar macht en vaak ook wreedheid. Nog onbewust wordt hiermede getracht de stilte en de eenzaamheid, die nodig zijn voor zelfonderzoek, te overstemmen en er aan te ontkomen.

De woorden van de tweede gekruisigde geven te kennen dat wij het masker beginnen te begrijpen en beginnen het af te zetten voor een eerlijk zelfonderzoek.

Jezus laat ons zien dat hierdoor een eenheid in de geest mo­gelijk wordt; omdat begrepen wordt, dat deze eenheid nood­zakelijk is, waar in wezen eenheid is.

 

  Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  
**********

Stem Spirituele Vrienden in de
Top 100 NL



**********
Tellers

 

 LetsStat website statistieken