Leestips - deel 6

 

Boeken die ik graag heb gelezen - mét uittreksels

01. Harry Mulisch - De ontdekking van de hemel - 02. Bondgenoot - 03. Paracelsus:  Laat iedereen zijn eigen koning zijn - 04 Marianne Fredriksson - De nachtwandelaar - 05. Ik geloof het wel – Annemiek Schrijvers en Hein Stufkens - 06. Het Jezus MYSTERIE – Bernd Kollmann -

De ontdekking van de hemel

Harry Mulisch

 

 

 

De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch is een van de zeldzame meesterwerken uit de moderne literatuur. Een boek waarin alles met alles samenhangt, een boek dat betovert en dat niemand ongelezen kan laten.

 

God is teleurgesteld geraakt in de mens en is vastbesloten zijn contract met de mensheid, de Tien Geboden van Mozes, in te trekken. Om dit te bewerkstelligen, werd een engel belast met de taak om het testimonium - de Stenen Tafelen - weer terug te krijgen in de hemel. Hiervoor worden de levens van de onwetenden Max Delius en Onno Quist van hogerhand gestuurd, met verstrekkende gevolgen.

.

Uittreksel
Hier wordt een levensvonk, door de engel, voorbereid op haar incarnatie en levensopdracht als mens

 

 – Vonk! Ja, jij! Drijf naar mij toe in langzaam wentelende parallellepipeda door dit witter dan witte Licht, dat hier van alle kanten straalt en klinkt, waar wij door omgeven en van doordrongen zijn, zelf een deel er van, licht in Licht, harmonie in Harmonie. Wie zou weg willen uit dit pneumatische areaal, waar elk deel samenvalt met het geheel, waar het geheel in elk deel is, en waar dan hier, dan daar figuren gestalte aannemen en verdwijnen, driehoeken, cirkels, ellipsen, hyperbolen, bollen, kegels, kubussen, octaëders, dodecaëders, waar buitelende sferoïden opglanzen en vervloeien in de oneindige harmonie van het Oneindige Licht, waarin jij een singulier punt bent, nee, een harmonisch klinkend snaartje Licht.

 

Kun je hier weg? Kijk, daar, bij die convexe polygoonsector, daar gaat er een: floep, weg, – even trilt er nog iets, een zwak nabeeld, een kleine stilte, dan sluit het Licht zich en het is of er niets is gebeurd. Maar er is iets gebeurd. Kijk om je heen, je ziet het overal gebeuren, onafgebroken. Waar gaan ze heen? Kijk goed – je ziet ook Vonken terugkomen in het Licht: daar, en daar, en daar. Is er dus nog iets anders dan dit eeuwige domein? Kijk nu in jezelf, in dat vast aaneengesloten licht dat je bent, waar geen speld tussen te krijgen is, – zit er niet toch nog juist een speld tussen? En is die speld niet een zeker onbestemd verlangen, dat altijd bij je is en dat je daardoor niet beseft, zo min als de lichtende harmonie die je bent door er een deel van te zijn? Een soort heimwee, ofschoon je nooit ergens anders bent geweest dan hier? Is het niet alsof zelfs de volmaaktheid niet volmaakt is? Het Licht niet helemaal lichtend en de Harmonie niet helemaal harmonisch?

 

Ja, je moet het nu weten: deze wereld is niet de enige. Er is nog een andere wereld. Ik kan het niet bewijzen, je moet het geloven, je moet de stap wagen en pas dan zul je het waarlijk ervaren. Er is een aarde. De aarde bestaat – als de binnenste kerker van het Rijk der Archonten. Het heeft geen zin je daar veel over te vertellen, of zelfs maar weinig, want je zou het niet begrijpen. Je zou zelfs niet begrijpen wat je niet begrijpt, want je weet nog niet wat ‘niet’ is. Zo is het op aarde niet altijd licht, – maar ook dat gaat je begrip al te boven. Ik kan net zo goed niets zeggen, maar ik zeg het toch: misschien uit afgunst, omdat ik daar nooit zal kunnen wonen.

 

Op een even verklaarbare als raadselachtige manier is het er soms licht, soms donker; maar zelfs het aardse licht van de zon is Duisternis vergeleken met ons Licht. Het is als het ware de schaduw van het onze, en de schaduw van die schaduw is het gif van de aardse duisternis. Ik besef dat ik het niet aanlokkelijk maak om naar die onzuivere, verwarde wereld te vertrekken, maar ik wil niemand iets voorspiegelen, zelfs al begrijpt hij mij niet. En juist omdat je mij niet begrijpt, zal ik nu het diepste geheim onthullen.

 

Zoals in ons Licht de kiem van de Duisternis schuilt, zo neigt de Duisternis naar ons Licht en heeft het lief. Door er heen te gaan, breng je het Licht er heen, en de enige manier om het Licht er heen te brengen is door er heen te gaan. Deze kosmische mesalliance behelst uiteindelijk ook de zin van onze wereld. Dat wil zeggen, pas door op te breken naar die regio van zwart licht, leugen, bedrog, geweld, moord, ziekte en dood maak je jezelf zinvol. Verreweg de meeste van het oneindige aantal Vonken – wanneer ik zo mag spreken – zullen die gelegenheid nooit krijgen, want zij zijn gereserveerd voor gelegenheden die zich nooit zullen voordoen. Voor hen zal de eeuwigheid nooit plaatsmaken voor de tijdelijkheid en de eindigheid.

 

Maar jij behoort tot die kleine, uitgelezen schare, die aan de beurt komt. En er is al heel wat geïnvesteerd in het mogelijk maken van jouw vertrek – meer dan je, voor je eigen gemoedsrust, ooit zult weten. En die investering is gedaan omdat je een opdracht mee zult krijgen, die alleen jij je zult weten te herinneren. Maar je zult hem je niet herinneren als een herinnering, je zult denken dat het je eigen idee is, een fantastische inval. Want zo min als je hier iets weet van de aarde, zul je op aarde nog iets van deze wereld weten. Alles zul je er van vergeten. Als wij ter sprake komen, zul je de schouders ophalen die je dan zult hebben. Want terwijl je op weg naar de aarde in een punt des tijds door de driehonderdvijfenzestig aeonen, werelden en geslachten zakt, zul je steeds zwaarder worden, steeds meer rommel uit die kosmische sferen zal zich aan je vasthechten, omhulsels, kleren, aangroeisels, slakken, dood gewicht, dat je besef van het oorspronkelijke Licht bedekt, net zo lang tot je eindelijk in de duistere gevangenis van de geest en het vlees valt en ten slotte geboren wordt als een mens. Dat wil zeggen als een wezen dat niets meer weet, zelfs niet wat het zelf is, namelijk Licht, – als een slapende. Dat geldt ook voor jou. Maar tegelijk ben jij anders dan de anderen.

 

Alle anderen zijn slapenden, die ontwaken moeten: door geloof en kennis. Alleen dan is er voor hen een weg terug. Maar de zware aanhechtsels hebben hen meestal verzoend met het leven op aarde, zij zijn vergeten dat zij daar vreemdelingen zijn en zij zijn dan wat zij denken dat zij zijn: dat is de grootste bedreiging voor hun terugkomst. Jij zult het makkelijker krijgen. Uit technische overwegingen, hebben wij tot de Vipprocedure besloten. En nu – nu is jouw ogenblik daar, alles is klaargekomen voor je ontvangst. Vaarwel! Ga! Nu! Bezorg ons het testimonium terug! Adieu!

 

 

 

Meer over de auteur

 

Meer over het boek

 

BONDGENOOT

Autobiografie van een immuuncel.

Henk Fransen

 

De Auteur:

Henk Fransen studeerde in 1985 als arts af aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen. Direct na zijn studie werkte in het stervenstehuis van Moeder Teresa en in ziekenhuizen in Afrika. Terug in Nederland specialiseerde hij zich in het zelfgenezende vermogen van mensen en schreef twee boeken over dit onderwerp. Eind jaren negentig was hij directeur van een trainingsbureau en ontwikkelde hij programma’s op het gebied van stressmanagement. De laatste jaren werkt hij samen met zijn partner Marjolein Engbers, leidt hij mensen op in zijn werkwijze en geeft geregeld nascholing aan artsen, psychologen en natuurgeneeskundigen.

 

 

Henk Fransen is arts, auteur en internationaal spreker op het gebied van gezondheid en de zelfgenezende vermogens van de mens. Hij legt de essentie van zelfgenezing bloot op zowel lichamelijk-, emotioneel-, denk-, sociaal- als ook op zingeving niveau. Hij kan als geen ander het volledige spectrum van lichamelijke ziekten, energetische blokkades tot en met optimale vitaliteit en zingeving in perspectief zetten en met elkaar in verband brengen. De eigenheid van de persoon en zijn of haar specifieke levensopdracht nemen daarbij ook een belangrijke plaats in.”

 

 

WEBSITE

 

 

Het boek

Het boek:

Dit boek is in de ik-vorm geschreven. De 'ik´ is een immuuncel, Bondgenoot geheten. Bondgenoot beschermt de mens tegen vijanden en herinnert alle cellen aan hun unieke opdracht. In dit meeslepende, superoriginele verhaal bindt bondgenoot de strijd aan met leegte, die de mens dreigt te vernietigen. Het lijkt aanvankelijk een hopeloze strijd: leegte is een geducht tegenstander en de behandelingen van Witjas maken het er ook niet veel beter op... Geholpen door het hart en Stem komt Bondgenoot echter tot diepere inzichten, zodat hij uiteindelijk zijn kroon verdient: hij buigt zijn teleurstellingen en pijn om in het voordeel van de mens en draagt zo bij aan de genezing van de mens.

 

Te koop bij, oa, Bolcom

 

 

Citaat:
Liefste, ik houd van jou, je bent zo mooi!

 

 

Uittreksel:

Hoofdstuk 1

 

Uiteindelijk heb ik de leegte in mezelf overwonnen en ben ik tot volledige ontplooiing gekomen. Maar nu loop ik wel heel ver op de zaken vooruit. Laat ik bij het begin beginnen.

 

Ik ben één van de cellen van de mens. Om precies te zijn: ik ben een immuuncel. De andere cellen spre­ken mij aan met 'Bondgenoot'. Mijn thuisbasis is het beenmerg. In tegenstelling tot de meeste andere cel­len, verblijf ik niet in één bepaald orgaan, maar ben ik voortdurend op reis in de mens. Ik doorkruis daar­bij ieder orgaan en verbind me met iedere cel.

Ik heb een dubbele taak, namelijk die van soldaat en die van politieagent. Enerzijds bescherm ik de mens tegen vijanden en indringers, anderzijds bewaak ik de orde en harmonie in het lichaam.

Zo dood ik bacteriën en virussen wanneer ze de mens bedreigen en treed ik op tegen cellen die hun werk niet goed doen. Op die manier probeer ik de mens te helpen gezond te blijven en goed te functioneren.

Toch gaat de vergelijking met een soldaat of een poli­tieagent niet helemaal op, omdat ik ook nog andere taken heb. Zo herinner ik alle cellen bijvoorbeeld aan hun eigen, unieke opdracht en moedig ik ze aan hun werk zo goed mogelijk te doen. Ook versterk ik het teamgevoel onder de cellen, zodat ze samen tot veel meer in staat zijn dan ieder afzonderlijk.

Tot slot heb ik ook nog te maken met de inspiratie en het levensgeluk van de mens. Hoe ik daar precies mee te maken heb, zal ik je straks vertellen.

 

Grote Wijsheid

Ik word, net als alle andere cellen in de mens, geleid door Grote Wijsheid. Het is niet bekend wat Grote Wijsheid precies is en het is ook niet bekend hoe hij de miljarden cellen van de mens tegelijkertijd kan aansturen. Sommigen denken dat Grote Wijsheid dat kan omdat hij alomtegenwoordig bewustzijn is en op die manier bij alle cellen tegelijk kan zijn. Anderen be­weren dat Grote Wijsheid 'DNA' is. Ze zeggen dat DNA zich in de kern van iedere cel bevindt en dat het, via ingewikkelde scheikundige processen, elke cel ertoe aanzet precies datgene te doen waarvoor hij be­stemd is. Dat laatste klopt wel met mijn eigen ervarin­gen. Ik heb namelijk geregeld het gevoel dat ik van binnenuit geleid word en dat ik aanwijzingen krijg over wat ik het beste met mijn leven kan doen.

Hoewel de meningen over Grote Wijsheid dus uiteen­lopen, is iedereen het er wel over eens dat Grote Wijs­heid heel belangrijk is voor de mens. Wanneer Grote Wijsheid zich namelijk in de mens manifesteert, is de mens gezond, sterk en vitaal, maar als Grote Wijsheid zich om de één of andere reden uit de mens terug­trekt, is de mens ongelukkig en lijkt hij meer dood dan levend. Dat laatste heb ik zelf meegemaakt.

 

 

Mijn jeugd

Vroeger had ik een sterk contact met Grote Wijsheid. Ik borrelde altijd van enthousiasme, creativiteit en le­vensgeluk en ik deed niets liever dan mijn beste been­tje voorzetten om de cellen van de mens te helpen. In elke situatie wist ik precies wat ik moest doen. Ik her­inner me bijvoorbeeld nog de eerste keer dat ik een bacterie tegenkwam die de mens bedreigde. Ik had nog nooit een bacterie gezien en toch herkende ik het gevaar direct, en wist ik ook precies hoe ik moest han­delen om de mens tegen dit gevaar te beschermen.

In de loop der jaren leverde ik zware gevechten tegen tal van ziektes. Met gevaar voor eigen leven wierp ik me daarbij in de strijd voor het behoud van de cellen om mij heen.

Daarnaast herinnerde ik elke cel die ik tegenkwam aan zijn opdracht. Wanneer ik in de buurt van een cel kwam, dan voelde die cel zich als vanzelf gestimu­leerd om zijn werk zo goed mogelijk te doen. Het leek wel alsof de cellen van de mens meer zin kregen wan­neer ik in de buurt kwam. Daarom vond iedereen het fijn als ik er was. Ik had een gelukkige jeugd, maar mijn geluk was niet blijvend.

 

Het leven verliest zijn glans

Geleidelijk aan sloop er ongeluk in de mens. Niemand wist precies hoe het ongeluk in de mens had postge­vat, maar ik heb altijd het gevoel gehad dat ik er op de een of andere manier schuld aan had. Ik heb namelijk een zware strijd verloren voor de mens. Het gevecht heeft jaren geduurd en de mens is in die tijd bij her­haling heel gemeen behandeld. Ik wil daarover niet in detail treden, maar de mens heeft echt enorm gele­den! Ik heb dat met lede ogen moeten aanzien; ik kon er niets aan doen. Ik ben daar kapot aan gegaan. Het leven waar ik tot dan toe zo enthousiast over was, ver­loor zijn glans. Het hoefde niet meer voor mij. Eigen­lijk ben ik toen een beetje dood gegaan. Ik heb dat echter aan niemand laten merken. Voor de buitenwe­reld ben ik mooi weer blijven spelen, maar diep van binnen voelde ik me niet gelukkig.

In plaats van door de mens te reizen, bleef ik steeds vaker thuis in het beenmerg en keek televisie. Wan­neer ik op televisie alle ellende, ziekten en oorlogen in de mens zag, werd ik niet meer zoals vroeger bevlo­gen door een verlangen om te helpen. Steeds vaker overweldigde mij een gevoel van onmacht, omdat ik in mijn eentje toch niets aan al die ellende kon doen. Het was net alsof ik het contact met Grote Wijsheid had verloren.

 

Tweestrijd

Het was mijn taak om de mens te helpen en te be­schermen en daar was ik altijd trots op geweest, maar door alles wat er gebeurd was, dacht ik geregeld: 'Waarom zou ik zoveel moeite doen? Waarom zou ik mijn leven op het spel zetten voor een ander? Waarom zorg ik niet gewoon dat ik het zelf goed heb?' Ik worstelde met die vragen en probeerde ze van me af te schudden, want ik wilde zo niet denken. Het was immers mijn opdracht de cellen van de mens te be­schermen!

Toch kwamen de vragen steeds vaker in mij op en be­gonnen ze mij ook steeds logischer in de oren te klin­ken. Ik kan me nog goed de eerste keer herinneren dat ik een bedreigde cel niet te hulp schoot. Ik zei tegen mezelf: 'Waarom zou ik?' Direct daarna voelde ik me enorm schuldig en wist ik dat ik fout zat. Het voelde alsof ik mijn bestemming miste en dat gaf me een heel ongelukkig gevoel. Om mijn schuldgevoel te sussen, zocht ik naar excuses en verweerde ik me met: 'Iedereen is toch voor zichzelf bezig!' en 'Ik kan in mijn eentje de wereld toch niet veranderen?'

In de loop der jaren liet ik de cellen van de mens steeds vaker aan hun lot over. Alleen wanneer ik zelf in gevaar kwam verweerde ik me nog. Achteraf beke­ken zou je kunnen zeggen dat ik de cellen van de mens liet stikken, ook al voelde ik dat toen niet zo. Ik voelde wel dat als de mens te gronde ging, mij dat uit­eindelijk ook op zou breken. Maar zover was het toch nog lang niet? En bovendien: ik kon daar in mijn een­tje toch niet echt iets aan veranderen? Er was nu een­maal honger, ziekte en dood. Dat hoorde bij het leven. Ik zei tegen mezelf: 'Iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen leven', en dat klonk mij goed in de oren. Ik bad tot Grote Wijsheid: 'Heer, bescherm mij, zorg dat ik het goed heb', en ik vond dat ik bevoorrecht was dat ik over zo'n diep geloof beschikte

 

Ieder voor zich

Eens op een avond keek ik in het beenmerg naar een actualiteitenprogramma op de televisie. Cellen waren daarin heftig met elkaar in discussie. De meningen en oordelen vlogen over en weer.

'Tjonge jonge, wat ze daar in de lever uitspoken, dat is toch ongehoord', sprak een darmcel, en hij vervolgde: 'Dat ze daar in de galblaas niks aan doen snap ik niet hoor'.

Een longcel vond dat de problemen in de gal en de lever nog wel meevielen vergeleken met wat er in het bot gebeurde.

'In het bot zijn de echte normen en waarden duidelijk verziekt, logisch dat dit tot problemen leidt', oordeelde hij luid.

Niercel had nog weer een andere mening.

'In de hersenen denkt iedereen dat het alleen om hem­zelf draait', sprak hij deftig, 'er wordt daar zo eindeloos doorgedacht en ontleed, dat de liefde is zoekgeraakt.' Darmcel mengde zich opnieuw in het gesprek.

'Het gerucht gaat dat het hart moet bezuinigen. Er zal voortaan minder bloed rondgepompt worden', zei hij en hij was duidelijk trots op wat hij te vertellen had.

Ik zuchtte diep. Wat een ellende in de mens. Ik was blij dat het in het beenmerg allemaal best wel oké ging. Toch lukte het me niet om de problemen van de mens helemaal van mij af te zetten. Diep van binnen bleven ze knagen. Mijn opdracht leek ver weg en ik voelde me niet gelukkig zoals vroeger. Ik voelde me leeg.

 

Af en toe ging ik nog wel eens op pad. Ik zocht dan vooral de 'leuke plekjes' op. Vakantie werd dat ge­noemd. Je nam vakantie om bij te komen van alle spanningen in je leven. Tijdens de vakantie kon je ge­nieten van je welverdiende rust. Genieten was een mo­dewoord geworden in de mens. Je had er recht op, werd algemeen beweerd. Genieten deed je voor de televisie en door allerlei dingen voor jezelf te kopen.

 

Bij Spiritueel Cafe TV vond ik Henk Fransen aan het woord: klik HIER

 

Paracelsus:  Laat iedereen zijn eigen koning zijn

Essays uit het theologisch-ethische werk



Tweetalig (Oud Duits/Nederlands )

Vertaling en voetnoten: Elke Bussler
 ISBN: 978-90-806875-7-8
Eerste druk 2010
Bestellen via uitgeverij de Woudezel
 

 

De vertaalster/uitgeefster, Elke Bussler, van dit waardevolle boek schrijft:

 

Als arts en alchemist is Paracelsus voor velen een begrip. Dat hij ook als theoloog en predikant actief was en een theologisch, ethisch en maatschappijkritisch oeuvre heeft nagelaten dat even omvangrijk is als zijn medisch-natuurfilosofisch werk, is veel minder bekend.

Deels komt dat doordat zijn theologische werken nauwelijks gedrukt werden, noch bij zijn leven noch in de eeuwen daarna. Pas tegen het einde van de 19e eeuw is daar verandering in gekomen, hoewel een groot deel van de teksten, overgeleverd in de vorm van handschriftelijke kopieën, nog steeds op publicatie ligt te wachten. Wie erin begint te lezen, begrijpt meteen waarom de drukkers in de tijd van de brandstapels zich hier niet de vingers – of meer – aan wilden branden. Voor zover er wel vroege drukken verschenen, zijn de teksten dan ook stevig bewerkt.


Daarnaast staat de paracelsische theologie in de schaduw van de paracelsische geneeskunst, die meestal als het eigenlijke, belangrijke deel van zijn werk wordt beschouwd. Dat levert echter algauw een vertekend beeld op; beide aspecten zijn in het leven en het werk van Paracelsus door elkaar heen geweven, vormen elkaars achtergrond en aanvulling en geven samen pas een beeld van de hele Paracelsus.


In dit boek zijn een aantal essays gebundeld, waarvan een deel vermoedelijk bedoeld was als onderdelen van één boek, terwijl andere meer op zichzelf staan.

 

--------

Als grote bewonderaarster van deze zeer veelzijdige en wijze mens kon ik het niet laten om dit boek te bestellen en te lezen.

Ik heb een fragment uit het boek gekozen om met jullie te delen. Waarom ik precies dit fragment koos heeft te maken met het feit dat ik daarin heel veel parallellen ontdekte met de inzichten van Frederik van Eeden – nog zo’n mens, een grote van geest - die ik zeer waardeer en bewonder – en die hij tot uiting bracht in zijn redevoering: Waarvan leeft gij? (zie mijn website over Frederik van Eeden voor de tekst van deze toespraak )

Dit boek is nogal prijzig (42 euro), maar ik meen dat dit verantwoord is en dat het een groot voorrecht is om belangrijk werk van Paracelsus in het Nederlands te kunnen lezen en bestuderen.

 

Meer over Paracelsus, op deze website, vind je HIER

--------

 

Uittreksel uit het hoofdstuk: Twee vormen van eerlijk verworven rijkdom.

 

 

Als we moeten beschrijven hoe we in een gelukzalig leven op een eerlijke, rechtvaardige manier in ons onderhoud kun­nen voorzien, moeten we het Woord van de eeuwige God als uitgangspunt nemen, aangezien alles uit het Woord is voort­gekomen. Wij zijn niet in staat om door ons eigen denken tot het inzicht te komen wat een eerlijke manier is om in ons onderhoud te voorzien, die goddelijk en God welgevallig is. Want met ons denken, onze wijsheid en al onze kennis kun­nen we dit niet vatten. Dan zou iedereen zijn eigen manier bedenken om in zijn onderhoud te voorzien, die hij zelf als rechtvaardig zou beschouwen, maar die in de ogen van God diefstal zou zijn. Want God wil dat wij onze samenleving zo inrichten dat voor zijn gericht van niemand zal blijken dat hij ten nadele van zijn naaste heeft gehandeld of op een andere manier in zijn onderhoud heeft voorzien dan zoals het past bij een heilig leven.

 

 

[…..]

 

De gelukzalige manier om ons levensonderhoud te ver­dienen, bestaat uitsluitend uit werk, niet uit nietsdoen. Alle manieren om anders in je onderhoud te voorzien dan door arbeid, worden dus afgekeurd en hebben op de weg van de gelukzaligheid geen plaats. Wat is nu het werk van de geluk­zaligheid dat de handen verrichten? Waar het op aankomt is dat uw werk nuttig is voor uw naaste en niet schadelijk, net zoals voor uzelf.

Hoe is dat te verstaan? Als u bijvoorbeeld arts bent, is de geneeskunst uw handwerk; daarmee zult u in uw onderhoud voorzien. U moet dus van de zieken leven, maar op een zoda­nige manier dat zij voor hun levensonderhoud niets tekort­komen. Want er zijn velerlei manieren om van het werk van uw handen te leven, waardoor zowel in uw eigen onderhoud wordt voorzien als in dat van uw naaste, zonder dat een van beiden er rijk van zal worden. Als u de geneeskunst beheerst, dan ontvangt u de kracht van de geneesmiddelen voor niets.

Maar degene die het altaar dient, die moet door het altaar worden onderhouden.[1] Het altaar is in dit geval uw hand.

Die hebt u voor niets ontvangen; u mag er niet meer dan uw levensonderhoud mee verdienen. Het levensonderhoud behelst geen rijkdom, alleen het noodzakelijke. Want onze

gelukzaligheid berust niet op rijkdom, maar op het bevre­digen van onze behoefte. En hierin schuilt een soort liefde, en wel daarom: we zijn hierbij niet op rijkdom uit. Rijkdom is oplichting van de naaste. De naaste afzetten is tegen God, en daarmee zit de worm in het gelukzalige leven.

Bent u arts en voorziet de zieke in uw levensonderhoud zonder u rijk te maken, dan bent u beiden gelukzalig. Geeft u hem gezond­heid - zijn levensbehoefte - zonder dat hij er rijk van wordt, bent u wederom allebei gelukzalig. Bent u pottenbakker, dan wordt u door uw naasten onderhouden die behoefte hebben aan uw werk, in grote of kleine hoeveelheden. Die moeten. in uw behoefte voorzien, maar u niet rijk maken - dat zou de  verdoemenis zijn. Gelukzaligheid bestaat uit armoede. Want ons rijk is niet van deze wereld,[2] maar van de eeuwige.

Ook al beheerst u een kunst waarmee u een ton goud kunt verdienen: bedenk dat u die ton niet op kunt maken; het is te veel voor u. Want de dood kan u morgen halen; dan bent u niets meer, maar uw ton goud is er nog. Wat hebt u eraan als u met de vaardigheden van uw hand - of van uw hoofd of voeten, tong, ogen of verborgen plaatsen - veel verdient, rijk wordt en gelukkig bent in de wereld, maar niet in de hei­lige wereld, dat wil zeggen, voor God? Gebruik uw organen om ermee in uw behoeften te voorzien; dan zal God u niet verlaten. Wat hebt u verder nog nodig, aangezien deze wereld geen blijvende woonplaats is?

Bent u boer, bezit u uitgebreide velden, diverse landerijen die u veel opbrengen - wat hebt u eraan? U kunt het niet allemaal opeten! Voorzie in het onderhoud van de mensen die u helpen, en geef de rest aan de behoeftigen. Verzamel geen schatten die de maden, muggen en motten vreten.[3] Het is genoeg dat iedere dag zijn eigen kwalen, zorgen en noden heeft;[4] dat is zijn kruis. De dag van morgen zal weer een ander kruis met zich brengen. Want we moeten ons geen zorgen maken en ons ontdoen van alles wat verder gaat dan onze behoefte. God zal voor ons zorgen, die ook voor de vogeltjes zorgt, die alleen vliegen voor hun voedsel, maar niet om rijkdommen te vergaren.[5]

Als u koopman bent, wat hebt u eraan als u handig bent in het besteden van uw geld, zodat u de koning der kooplieden wordt? Wat is uw koninkrijk in het licht van de gelukzalig­heid? Niets dan de verdoemenis vanwege uw rijkdom. Zorg, wanneer u koopman bent, dat uw handel bevorderlijk is voor uw naaste en dat deze in zijn basisbehoeften kan blijven voorzien. Voor de rest ga uitrekenen hoeveel u, voordat u iets verkoopt, van de prijs af kunt doen om een rechtvaar­dige handel af te sluiten, zodat de dood, wanneer hij komt, u niet in rijkdom aantreft.[6]

Gelukkig zijn zij die sterven in de Heer.[7] Dat zijn de armen die op aarde niet op geneugten uit zijn geweest. Maar wat helpt het als ik alle handwerken en kunsten optel? Niemand haalt meer uit het zijne dan hooguit dat hij in rijkdom wordt aangetroffen, terwijl er armoede zou moeten zijn en meer niet.

Waar dient het voor als een vorst over een groot gebied heerst waar hij veel rijkdommen kan vergaren, en deze rijk­dom is verdoemd - tenzij zijn rijkdom uit armoede bestaat? Hoe de verhoudingen tussen ons mensen op aarde ook mogen zijn, niemand is door God rijker begiftigd dan een ander. Dat wil zeggen: u vreet, u eet niet meer dan een boer, u brengt niet meer mee in de wereld dan een boer, u brengt niet meer mee in de wereld dan een bedelaar. U meent dat het terecht is wat u van uw vader hebt ontvangen, dat u een recht hebt op de erfenis, dat al wat uw vader bezit, los van de biologische erfenis, ook aan u toebehoort, alsof het om een soort natuurlijke overerving zou gaan. En zo neemt u alles mee. Bedenk dat dit niet terecht is. Want u kunt niets meene­men uit deze wereld, net zo min als u er iets inbrengt.[8]

Waarvoor heeft God u de sleutels van de hemel gegeven en de macht om er mensen binnen te laten?[9] Niet voor uw eigen nut, maar voor het nut van uw naaste! Niet om u erdoor te verrijken. Maar een stukje spek legt Hij u wel op uw tong.

Wilt u zich voordoen als Petrus en aan het hoofd van de stand staan, dan is dat alleen mogelijk als Christus u daar de macht voor verleent. Maar God heeft Lucifer het mooist gemaakt - net als u. En wat gebeurde er toen? Hij werd omlaag gestoten naar de hel.

Ook al schept God een uitstekende arts, een grote koning, een grote Petrus met veel macht die Hij bevestigt - wat denkt u dat Hem eraan gelegen is dat een arts die een dief en een schurk is, veel hulp brengt en veel zieken geneest? Of dat de koning een uitgestrekt rijk verovert dat hem veel inkomsten en grote rijkdom verschaft? Of dat Petrus iedereen zijn zon­den vergeeft, maar zelf de eeuwige verdoemenis in gaat?

Kijk wat de arts, de koning, de Petrus in het gelukzalige leven waard zijn. Vertrouw niet op de grote gave die u van God hebt; Hij zal u allen, arts, koning en Petrus, beschaamd doen staan. Bedenk dat de arts, de koning, de Petrus zelf moeten sterven; pas op dat hun macht dan niet hun eigen hart treft, zoals bij Lucifer, die dood in het diepste viel. Wat is God eraan gelegen, aan die gave? Ook al kunt u genezing brengen, u kunt niet iedereen gezond maken, alleen diegenen bij wie God dat wil. Wat betekent het dat u zonden vergeeft en dat deze vergiffenis kracht heeft? U kunt alleen hun ver­geving schenken bij wie God dat wil. Of er voor de arts zelf genezing is, dat weet hij niet; en ook u weet niet of uw eigen zonden u zullen worden vergeven.

God is zo groot in het gelukzalige leven dat Hij zijn god­delijke macht aan de heidenen heeft gegeven, dat wil zeggen, dat Hij afgoden heeft laten begaan die grote tekenen hebben gedaan, talrijke zieken gezond hebben gemaakt, vele armen rijk hebben gemaakt en dergelijke. Deze macht is van God. Hij heeft ze aan hen gegeven. Daardoor hebben zij de men­sen deze gunsten kunnen bewijzen. Maar wat stelt dat voor?

Toen het tijd werd, wierp Hij hen in de afgrond van de hel. Daar liet Hij ze liggen, want het was hun om rijkdom te doen, niet om de eer van God. Wat kan het God schelen, al geeft Hij een dergelijke macht aan de duivel? Als Hij hem de macht geeft, dan heeft hij ze. Maar wat betekent dat? Hij is daarom niet des te beter, maar des te erger!

Stenen hebben een grote kracht.[10] Maar wat wil dat zeg­gen? Een steen blijft een steen. De kracht gaat weer naar de Heer, van wie ze is uitgegaan. Hetzelfde geldt voor kruiden. Ik zeg dat omdat u stenen en kruiden niet moet gebruiken om rijkdom te vergaren, maar alleen in armoede, zoals door God bedoeld. Een grote graanoogst en goede jaren zijn er niet voor uw eigen nut, maar vanwege de armen. Houd dat in gedachten, dan zult u niet in armoede worden gestort.

Het is het werk van onze handen waar we ons onderhoud mee moeten verdienen, zonder daarbij naar rijkdom te stre­ven. Of het nu om mensen of om heiligen gaat, om geesten of de duivel: we moeten van alles gebruik maken volgens de wil van God, dat wil zeggen, in eerbied voor Hem en op zijn manier. Want Hij heeft gezegd: allen die in mijn naam komen, zullen demonen uitdrijven, gif drinken zonder dat het hen zal deren, doden opwekken, enzovoorts[11]

 

[…..]

 

 

Onze rijkdom en al wat wij op aarde winnen, hebben dus geen betekenis; alleen in zoverre dat we onze behoeften ermee kunnen bevredigen, dus een rijkdom in armoede. Zo kan iedereen geholpen worden, niet om rijk te worden, maar om van het nodige voorzien te zijn: voor de zieke is er hulp, de zondaar wordt gezond, de arme krijgt te eten, de naakte wordt gekleed, de pelgrim vindt onderdak.  Want de arts wijst geen zieke af, maar helpt, en weet ook te helpen. De paus vergeeft de zonden en helpt de zondaars. Wie een huis heeft, geeft onderdak aan de dakloze. De boer geeft graan aan iemand die honger lijdt, enzovoorts. Alle dingen zijn zo gegroeid en geordend dat het Rijk Gods hier op aarde onder ons is. Als Hij onder ons is, dan werkt het zo als hier beschreven. Wat is het Rijk Gods? Dat we elkaar vergeven; dan vergeeft God ons ook. Dat wij elkaar liefhebben; dan heeft God ons ook lief. Als er liefde bij ons is - wat zou er nog zaliger kunnen zijn? Als dat nu de zaligheid op aarde is, dan is ook het Rijk Gods bij ons. Want waar wij bij elkaar zijn in Christus, daar is ook Christus bij ons, die niet buiten zijn Rijk is, maar in zijn Rijk.

 

 



[1] 1 Kor. 9:13-14

[2] Joh. 18:36

[3] Matt. 6:19

[4] Matt. 6:34

[5] Matt. 6:25-26

[6] Luc. 12:13-21

[7] Openb. 14:13

[8] 1 Tim 6:7

[9] Matt. 16:19

[10] Verwijzing naar therapeutisch en magisch gebruik van stenen.

[11] Marc. 16:17-18

Marianne Fredriksson (1927-2007) - De nachtwandelaar


Een boek uit 1988 – oorspronkelijke titel: Den som vandrar om natten
Uitgeverij de geus – ISBN 90-5226-657-3 – 414 pagina’s

 

Op de achterkant staat:

Het lievelingsboek van Marianne Fredriksson.
Roman over het onvermogen om liefde te geven en te ontvangen

 

In het begin van de jaartelling wordt in Rome een jongen geboren: Marcus. Zijn ouders hebben een verstandshuwelijk en zijn moeder stuurt het kind naar Seleme, een jonge slavin, die de jongen voedt en grootbrengt. Later verkoopt Marcus' moeder Seleme aan een bordeel. Marcus is dan vijf jaar en het verlies van Seleme raakt hem zó dat hij blind van verdriet wordt.

Dan benadert zijn grootvader de mysticus en astronoom Anjalis, om de in zichzelf gekeerde jongen te genezen. Anjalis wil zijn tijd eigenlijk niet aan zo'n kind verdoen, maar als hij Marcus ontmoet, verdwijnen zijn bedenkingen.

Het is het begin van een boeiend gevecht, waarbij Anjalis de jongen laat ervaren hoe de wereld en de mensen in elkaar zitten.

-----

Ik heb dit boek met heel veel genoegen gelezen. Marianne Fredriksson is een van mijn lievelingsauteurs daar zij, op haar heel speciale wijze, fictie weet te verweven met esoterische kennis en mystieke, religieuze achtergronden, zonder belerend te zijn.

Zo zijn in dit boek de levens van de hoofdpersonen, Marcus en Anjalis, geplaatst in dezelfde periode als het leven van Jezus en zijn discipelen hier op aarde.

Anjalis is een zoon van Balthasar, één der drie magiërs die geschenken brachten aan het Jezuskind, en zal later, na zijn inwijding in Egypte en zijn studie van de Griekse mythologie/religie, naar Palestina trekken om een discipel van de Meester te worden.
Marcus, na zijn vreselijke jeugd bij liefdeloze ouders, opgeleid tot Romeins generaal en niet tot liefde in staat – iets waarvan hij zich terdege bewust is – wordt ten tonele gevoerd als de Romein die Jezus om genezing voor zijn dienaar smeekt. Hij is in Palestina om Anjalis, zijn vroegere leermeester en enige vriend, te zoeken na het dramatisch verlies van een van zijn kinderen. Het boek eindigt dramatisch op het moment van Jezus’ kruisdood.

 

Ik heb voor jou, lezer/es een lang fragment gekozen uit ‘De nachtwandelaar’ waarin Anjalis de proeven tot inwijding ondergaat in Egypte en ik hoop dat het lezen daarvan jou voldoende nieuwsgierig zal maken om het hele boek te gaan lezen.

-----

Pagina 92-101

TOEN ANJALIS BIJNA een jaar had deelgenomen aan het onderwijs in Heliopolis was hij klaar voor de proef die tot de initiatie zou leiden. Iedereen die de proef had afgelegd, deed de heilige belofte om niet te onthullen wat er in de donkere crypten onder de grote tempel gebeurde, dus er was geen voorbereiding mogelijk.

Anjalis had met zijn gebruikelijke nauwkeurigheid de leerlingen bestudeerd die kortere of langere tijd in de crypten hadden door­gebracht. Sommigen waren er lang gebleven en gebroken terug­gekomen, met een lege blik in hun ogen. Anderen waren maar een paar dagen weg gebleven en als overwinnaars teruggekeerd met glanzende ogen en een krachtige uitstraling in woord en daad. Zij hadden de tempel echter weldra verlaten.

Hij had moed verzameld en er een van de jongere priesters naar gevraagd, maar hij had geen antwoord gekregen waar hij wijzer van werd: 'Zij kozen een andere weg.'

Een jonge Griek, die Anjalis van een afstand bewonderd had, kwam uit de crypten met een stralend gezicht en een zeer vastbera­den blik in zijn blauwe ogen. Korte tijd later werd hij verliefd op een jong meisje en het was een liefde zo vol blijdschap, dat de mensen zeiden dat die twee' s nachts de straten van de stad verlichtten.

Me Rete zag hen op een avond toen ze van een familiebezoek thuiskwam en bevestigde het: 'Het is waar wat de mensen zeggen, Anjalis. Die twee zijn lichtgevend.'

En ze vertelde aan Anjalis dat toen zij jong was, in de stad het gerucht de ronde deed dat Cleopatra Antonius had meegenomen naar de crypte en hem daarmee met onoverwinnelijke liefde aan zich had gebonden.

Maar ook de Griek verliet de tempel, niet als ingewijde en priester, maar als een gelukkige koopman; hij had een aanstelling gekregen in de handelsonderneming van de vader van het meisje, die gevestigd was in Pelusium.

 

De duur van het verblijf in de crypten van de Chaldeeuwse jongelingen die Anjalis' vrienden waren wisselde, en wanneer ze terugkwamen waren ze moe, maar hun voetstappen hadden nieuwe veerkracht gekregen. Ze werden allemaal ingewijd en dienden als priester in de tempel totdat ze voltallig waren en de thuisreis konden aanvaarden.

Toen het eindelijk Anjalis' beurt was, trok hij het nieuwe witte pak aan dat Me Rete voor hem had genaaid, en legde de korte weg naar de tempel al voor zonsopgang af.

Hij werd door slechts één van de oude priesters ontvangen en deze was weinig spraakzaam en opvallend gewoon in zijn manier van doen.

'Om te beginnen moet je je wassen in de tempelput', zei hij.

Anjalis trok zijn nieuwe pak uit en kroop in de put op de binnenplaats van de tempel. Het was nog donker en het water was ijskoud. Hij kreeg een oud, vies, stinkend gewaad en volgde de oude man door de zware poort naar de kronkelende gangen onder de tempel.

De tocht duurde zo lang dat Anjalis zich afvroeg of de priester hem niet voor de gek hield en in een kringetje liet rondlopen. Precies op het moment waarop hij dat dacht, bleef de oude man voor een deur staan die op slot zat. Hij maakte hem met een zware sleutel open en bracht Anjalis naar een kamertje waar alleen een armzalige olielamp aan een kale muur hing te branden.

'Rechts staat water en brood', zei de priester. 'En hier in de gang links is de latrine. Nu laat ik je alleen.'

En de priester ging weg en deed de deur op slot. Anjalis bleef alleen achter in het halfduister.

 

Hier was niets te zien, niets om waar te nemen en te bestuderen, en hij vreesde voor het moment waarop de olie in de lamp op zou zijn en de duisternis ondoordringbaar zou worden.

In het begin probeerde hij een inschatting te maken van de tijd die verstreek en die je kon afmeten aan de hand van de druppels uit de bron in de rechterhoek van de kamer. Het gedruppel klonk hem vriendelijk in de oren zolang hij de ambitie had een soort tijd­rekening bij te houden, maar dat moest hij staken; hij wist niet meer of het dag of nacht was en toen dreef het gedruppel hem bijna tot waanzin.

Hij at wat van het brood. Dat was zwart als de aarde van de Nijldelta en smaakte niet lekker. Het vulde echter wel en na een poosje was hij zo tot rust gekomen dat hij zijn gewaad om zich heen sloeg en op de harde vloer in slaap viel.

Hij had gehoopt op vriendelijke dromen die hem raad zouden geven, maar zijn slaap was even donker en leeg als de kamer. Toen hij wakker werd, voelde hij zich zo verlaten dat hij begon te huilen; hij huilde als een kind en riep om Me Rete. Na een poosje vermande hij zich echter. Hij waste zich grondig met het water uit de bron, dronk tot hij verzadigd was en at nog een stuk van het zware brood.

Toen ging hij midden in de kamer zitten om na te denken.

Opeens schoot een vlammende woede door hem heen en reali­seerde hij zich duidelijk dat hij het slachtoffer van een spel was, een huichelachtig toneelstuk dat door die verdoemde Egyptische pries­ters in scène was gezet. Dit was geen manier om wijsheid te vinden; die vond je bij helder daglicht, in de ontmoeting tussen mensen en de uitwisseling van gedachten.

Dit idee had nog maar nauwelijks bij hem postgevat of het nam de gedaante aan van een vriendelijke man die naast hem stond. Anjalis keek in een gezicht dat erg leek op dat van zijn vader en opnieuw moest hij bijna huilen, ditmaal van opluchting.

 

De man zei: 'Je hebt zeker gelijk dat je wantrouwend bent; je hebt vast wel gehoord dat de duistere priesters van Heliopolis erom bekendstaan dat ze mensen in de luren leggen en bedriegen. Ik heb de sleutel om hier uit te komen, volg mij, dan zal ik je bevrijden.'

Op dat moment had Anjalis het door, en hij schreeuwde zo hard 'nee' dat de echo weerkaatste tegen de stenen muren van de kamer. De vriendelijke man verdween en Anjalis sloeg opnieuw zijn mantel om zich heen om te slapen.

Ditmaal werd hij wakker gemaakt door de oude priester, de man die hem had opgesloten. Die schudde hem zachtjes door elkaar en zei: 'Je bent nu gereed om deze kamer te verlaten.'

Buiten was het nacht en nooit waren de sterren Anjalis zo vriendelijk voorgekomen als nu bij de put, waar hij weer moest baden, schone kleren kreeg en een maaltijd die bestond uit vis en fruit. Zelfs een beker wijn kreeg hij; die joeg door zijn bloed en troostte zijn gemoed.

Voor het licht werd, nam de oude man hem weer mee de crypten in en Anjalis realiseerde zich dat hij de priester er nu niet meer van verdacht dat hij hem in het labyrint voor de gek hield.

 

De tweede proef werd Anjalis bijna noodlottig, hoewel hij met­een begreep waar het op neerkwam. Ditmaal werd hij rechtstreeks binnen gevoerd in de Egyptische schatkamer die hij in zijn dromen had gezien. Deze was rijker dan hij zich herinnerde, en groter. Het goud blonk hem uit iedere hoek tegemoet, het rode goud dat zijn eigen licht leek af te geven, want de kamer was zonnig alsof hij een raam op het zuiden had.

Hij mocht pakken wat hij wilde, zei de man die de schatten bewaakte en die nieuwsgierig en vriendelijk was, met tot spleetjes samengeknepen ogen en een grappige rimpel bij zijn ene mond­hoek.

Koos hij een sieraad van goud, dan zou hij de wereld in trekken en rijk worden, alles wat hij aanraakte zou in goud veranderen.

Die verleiding was niet moeilijk te weerstaan; zoals alle Chal­deeërs had Anjalis geen belangstelling voor rijkdom en was hij ervan overtuigd dat hij altijd over de middelen voor een goed leven zou beschikken.

Hij pakte een diamant op en zag die fonkelen in zijn hand. Hij liet hem echter meteen weer los toen de man zei dat grote wereld­lijke macht hem ten deel zou vallen als hij die koos. Anjalis wilde macht, macht over de geest van mensen. Maar hij was bang voor de verantwoordelijkheid van een heerser, de verantwoordelijkheid die de diamant hem bood.

Vervolgens reikte het mannetje hem een robijn aan, geslepen in de vorm van een rozenknop en net zo groot, maar stralender dan welke bloem ook.

'Kies deze en je zult beroemd worden', zei hij.

En Anjalis ervoer voor het eerst hoe enorm zijn eerzucht was, hoe sterk die was. Dagen en nachten vocht hij tegen deze verleiding; hij zag zijn naam over de wereld gaan: 'Een groot filosoof, een be­roemd man.'

Anjalis wist niet meer of het zijn eigen stem was of die van het mannetje. Maar de beelden die hem voor de geest kwamen schiep hij zelf, beelden hoe hij op alle academiën van de wereld met eerbied werd begroet.

Anjalis, de beroemde Chaldeeër.

Het was verrukkelijk, hij kreeg er koude rillingen van; nooit, nooit had Anjalis iets zo begeerd als dit. En hij wist dat ze hem niet bedrogen, de Egyptische priesters.

Hij kon, net als anderen, de robijn kiezen en eer zou hem toe­komen.

Wat voor kwaad zou hij daarmee doen, vroeg de man. Was de wijsheid van de Chaldeeërs het niet waard over de wereld verspreid te worden, zou de grote kunst om de taal der sterren te duiden geen zegening worden, nieuwe en verbijsterende gedachten bevruchten, de onrustigen kalmeren en mensen helpen de grote gevaren, pest, oorlogen, te vermijden?

En was niet juist hij uitverkoren om die kennis te exporteren, hij met zijn talenkennis, zijn fantasie en zijn open geest? Was het niet daarvoor dat hij geboren was en zijn ongebruikelijke talenten had gekregen?

Anjalis kwam er nooit achter of hij het zelf was die sprak of dat de kleine priester dat deed. Hij ging liggen om te slapen. Ook de schatkamer was kil; hij had het koud in zijn slaap en werd gekweld door het rode licht van de robijn die hij stevig in zijn hand hield.

Ook ditmaal kreeg hij geen dromen die hem de weg konden wijzen. Toen hij wakker werd, rilde hij van de kou en hij had een brandwond in de hand waarmee hij de robijn had vastgehouden. En opnieuw verschenen de beelden van de grote Anjalis, door de wereld gehuldigd als een gelijke van Plato.

Het lokte en trok.

Zo was hij bezig, etmaal na etmaal. Na wat hem voorkwam als een jaar begonnen de beelden toch aan aantrekkingskracht in te boeten; ze verbleekten en werden langzamerhand zo grijs als as. En eindelijk was hij in staat tegen de kleine priester te zeggen dat hij afzag van alle goede gaven.

Nadat hij de robijn had teruggegeven, zag hij tot zijn verwonde­ring dat de wond in zijn hand was genezen.

Maar toen Anjalis na de test uit de crypte omhoog werd gebracht, was hij ziek; hij rilde van de koorts en hij begreep dat hij er nu net zo uitzag als de meest ellendigen van de ingewijden, gebroken en met een lege blik in de ogen.

 

Anjalis doorstond ook de proef die inhield dat hij zijn angst moest overwinnen.

Bij de vierde proef moest hij voor een ziek kind zorgen. Nachtenlang liep hij rond met het kind in zijn armen - zonder te slapen. Met grote tederheid zorgde hij ervoor dat het overleefde, en dit vond hij de gemakkelijkste van alle proeven.

Vreselijk veel zwaarder was de vijfde en laatste, ondanks het feit dat de kamer waar hij nu naartoe werd gebracht licht en aangenaam was. Er stond een tafel, gedekt met allerlei soorten fruit, er waren fraaie stoelen, zachte kleden.

Op een bank tegen een van de wanden, met uitzicht op een bloeiende tuin, zat een meisje, en toen ze zich naar hem toe keerde en hem aankeek, kreeg hij hartkloppingen van geluk. Ze was lief­tallig en jong, haast nog een kind, haar haren waren Grieks blond en haar grote ogen donkerblauw als de hemel in de schemering.

Ze konden overal over praten en ze had fantastische wimpers. Heel zijn hart ging naar haar uit en hij besefte dat hij wild en gek van verliefdheid was. Nog nooit was hij zo gelukkig geweest.

Ze viel in zijn armen en kuste hem, en hij gaf toe aan de verruk­king van hun ontmoeting en wist niet meer wie hij was. Maar toen hij haar borsten wilde strelen begon ze verlegen te blozen en zei: 'Later, Anjalis, wanneer we een huis hebben en het kind kunnen ontvangen dat we zullen krijgen.'

Op dat moment werd zijn hart met een zwaard doorkliefd; hij voelde hoe een verscheurd gevoel zich van hem meester maakte. De verleiding was enorm; het meisje was alles waarvan hij kon dro­men: onschuldig, trouw, wijs en mooi.

Maar dat was zijn moeder ook.

En hij had zijn weg gekozen, de weg van de woestijn. Stamelend probeerde hij haar uit te leggen dat hij uitverkoren was om een godenkind te dienen en dat zij zich niet aan hem mocht binden.

Ze huilde, grote oprechte tranen.

Anjalis dacht dat hij dit niet zou overleven, maar hij nam afscheid en draaide zich om naar de deur. Op hetzelfde moment zag hij dat zijn moeder ook in de kamer was en dat haar ogen donker waren van eenzaamheid.

Toen kwam eindelijk de oude priester om de deur van het slot te doen en Anjalis vluchtte langs hem heen, naar het huis van plezier, waar hij zijn vertwijfeling uitschreeuwde in de armen van een prostituee met een zachte oogopslag, die hem al eerder veel troost had geschonken.

Hij kreeg echter geen erectie en ten slotte zette de vrouw met de zachte oogopslag hem buiten de deur.

De nacht was groot en koud als zijn eenzaamheid. Voor het eerst zag hij dat zijn onafhankelijk­heid hem bijna alles zou kosten wat het leven de moeite waard maakte om geleefd te worden. En dat dit anderen pijn zou doen, zoals het zijn moeder altijd pijn had gedaan.

Hij ging naar huis en werd opgevangen door Me Rete, die vreselijk schrok toen ze zag hoe bleek hij was en hem wijn gaf en een warm bed voor hem klaarmaakte. Toen hij laat in de ochtend wakker werd, bedacht hij dat hij het huwelijk van Balthazar en Me Rete nu beter begreep. Hij had er een idee van gekregen hoe verknoopt en fijnvertakt hij is, de band tussen man en vrouw.

 

Voorafgaand aan de initiatie had Anjalis een gesprek met de oudste van de Egyptische hiërofanten, een man over wie in de tempelstad het gerucht ging dat hij honderdtwintig jaar oud was. Hij was net een witte vlam, doorschijnend en flakkerend, en Anjalis bewoog zich behoedzaam en ademde licht, alsof hij bang was dat hij de oude man zou uitblazen.

'Je bent niet bang voor de dood', zei de priester.

'Waarschijnlijk denk ik er nog niet aan.'

De glimlach van de oude man begon in zijn lichtbruine ogen en verspreidde zich van daaruit via duizend rimpeltjes over zijn gezicht.

'Je hebt nog een buitengewoon lange tijd vóór je', bevestigde hij. 'Maar kennis over de dood is belangrijk voor een goed leven. En noodzakelijk voor de reinheid.'

'De reinheid?'

'Ja. De dood betekent voor de beeldmaker het einde. Als je dat tijdens je leven niet hebt begrepen, blijf je je in het grensland voorstellingen maken. Die worden geladen met de kracht van de dood en zoeken hun weg naar de mensen op aarde, naar de pasge­borenen die hun reinheid verliezen.'

Anjalis deed zijn best om dit te begrijpen.

'Van wat er na de dood is, kun je je geen beeld vormen?' 'Nee, precies', zei de oude man en hij glimlachte weer. 'Wat daar is, is voortdurend nieuw, fris, de tijd en voorstellingen voorbij - een besef dat door de geest nooit te bevatten is.'

'Ik geloof dat ik daarvan al iets heb gevoeld', zei Anjalis, en de oude man vervolgde: 'Op de dag dat je er volledig besef van hebt, houden je dromen op. Maar jij hebt misschien nu al begrepen dat de dood nooit gekend kan worden, nooit een herinnering kan worden die je rijper maakt, verandert en veroudert.'

Anjalis knikte; dit begreep hij, hier zat een kennis in die hij herkende. Maar zijn gedachten gingen terug naar de dood, naar wat de dood was.

'Het is moeilijk te begrijpen dat er iets kan zijn waar het ik niet bestaat', zei hij.

'Ja. Om dat te begrijpen moet je jezelf durven overgeven aan verdriet. '

'Aan verdriet?!'

Anjalis' stem klonk verontwaardigd, vol bezwaren.

'Ja', zei de oude man. 'In het grensland tussen leven en dood bevindt zich het grote verdriet, de som van al het menselijke ver­driet. En meer nog; een verdriet van duizenden jaren over de onkunde van de mens, over zijn wreedheid en chaos. Dat is de optelsom van de vertwijfeling van hele geslachten over hun onver­mogen om zich te bevrijden.'

Anjalis dacht aan Me Rete en die gedachte vervulde hem met woede.

'Verdriet leidt tot niets. Alleen tot verlamming.'

'Het verdriet waar jij het over hebt, is zelfmedelijden', zei de oude man. 'Het grote verdriet is iets anders. Pas wanneer je daarvan geproefd hebt, kan compassie ontstaan. Begrijp je dat?'

'Die woorden kan ik wel begrijpen:

'Probeer ze in je oren te knopen. Op een dag gaan ze misschien over in kennis en ben je in staat de gevangenispoort te openen.

Het bleef lang stil in de tempel en een jonge opstandige blik kruiste de blik van de oude man. Ten slotte hernam de hiërofant: 'Dat is de betekenis van met jezelf samenvallen in de dood. Zolang je die dood uit de weg gaat, blijf je je voorstellingen maken: en die beelden bouwen de gevangenis.’

'Ook wanneer het mooie beelden zijn?'

'Vooral mooie beelden, want daarmee zorgen we dat de gevange­nis te verdragen is in plaats van dat we de poort kapotslaan:

'Ik heb nog een lange weg te gaan', zei Anjalis.

 

De uiteindelijke initiatie beangstigde Anjalis niet; hij was nu alle gevoelens zo voorbij dat hij zich rustig liet opsluiten in de sarcofaag in de heilige ruimte van de tempel. En bijna meteen verliet hij zijn lichaam en vloog over de woestijnen, de tijd voorbij. Op de berg Sion zag hij hoe Abraham zich voorbereidde om zijn zoon te offeren, en hij bedacht dat de waanzin van de mensen groter was dan de kosmos.

Tijdens de plechtige ceremonie waarbij Anjalis en de anderen de zware gouden kettingen in ontvangst mochten nemen, reciteerde hij de vele duizenden jaren oude woorden uit het dodenboek, de woorden waarmee Osiris door de dode wordt begroet:

“Heer der Waarheid, voor u breng ik de waarheid naar vo­ren. .. Ik heb niemand gedood. Ik heb nooit iemand aan het huilen gemaakt. Ik heb niemand laten verhongeren... Ik heb niemand bang gemaakt. Ik heb nooit hoogmoedig gesproken. Ik heb mij nooit doof gehouden voor rechtvaardigheid en ware woorden. Ik heb mijn naam nooit verheven om eerbewijzen te ontvangen. Ik heb God in zijn openba­ringen nooit afgewezen..”[1]

Enkele dagen later aanvaardden de Chaldeeërs de thuisreis. Geen van de jongelui sprak over zijn ervaringen in de tempel.

Maar op een avond bij zonsondergang, in de Sinaï, zei een van Anjalis' vrienden: 'De wereld ziet er zo anders uit wanneer je je doodsangst hebt overwonnen.'

Toen begreep Anjalis dat hun proeven verschillend waren ge­weest, dat ze met zorg waren uitgekozen.



[1] Woorden uit het Egyptisch dodenboek.

 

 

 

05. Ik geloof het wel – Annemiek Schrijvers en Hein Stufkens

Het was me een heel groot genoegen om dit boek te mogen lezen (1) en dit om meerdere redenen.
Op de eerste plaats om de manier waarop het is samengesteld, als een briefwisseling, een gesprek, tussen twee goede vrienden met weliswaar een totaal verschillende religieuze achtergrond, maar met heel veel respect voor elkaar. Deze manier van schrijven spreekt me bijzonder aan en ik kreeg dan ook voortdurend de neiging om mezelf, als derde persoon, aan dit gesprek te laten deelnemen. Na elke brief wilde ik ook graag mijn antwoord schrijven, een antwoord dat trouwens niet ver zou afwijken van wat Annemiek en Hein schrijven. Tijdens het lezen voerde ik een innerlijk gesprek met beide auteurs.


Dat brengt me op een tweede reden waarom ik meteen van dit boek ging houden: Ik had voortdurend momenten van herkenning.

  • Als geboren Vlaming heb ik, vanzelfsprekend, een katholieke opvoeding genoten en dus kon ik heel veel herkennen van wat Hein zich daarover herinnert – al vallen die herinneringen niet helemaal samen; blijkbaar is katholiek zijn in Vlaanderen nog net iets anders dan katholiek zijn in Nederland.
  • Als inwoner van Nederland/Friesland sinds 2003, en met vele mensen met een protestantse achtergrond in mijn nieuwe vriendenkring, herkende ik ook voortdurend zaken die Annemiek ten berde brengt wanneer zij het heeft over haar protestantse opvoeding.

 

Ik heb in het verleden heel vaak gesprekken gehad met mensen die om verschillende redenen de kerk waarin zij opgevoed zijn verlaten hebben en die op een totaal andere spirituele toer zijn gegaan – vaak op een zeer zweverige new age toer – en die, samen met de kerk, ook het gehele christelijke geloof in de prullenmand hebben gegooid. Dat heet: Het kind met het badwater weggooien.

Het mooie in dit boek van Annemiek en Hein is dat zij zeer zorgvuldig kijken - vooraleer het badwater te laten wegstromen - waar het kind is, om dat te redden en te koesteren. Dat is precies wat ikzelf ook altijd probeer en ik denk dat ik kan beamen dat zij zich daar op een schitterende manier van hebben gekweten.

 

Nog een reden om van dit boek te houden is het feit dat zowel Annemiek als Hein ook in andere religies, zoals Boeddhisme en Zen, parallellen hebben ontdekt met de normen en waarden die de grondslag zijn van het Christendom; dat zij zichzelf in die vormen van religie hebben verdiept en tot de conclusie zijn gekomen dat de bron van elke waarlijke religie in wezen altijd dezelfde is. Dat inzicht heeft dan weer tot gevolg dat waardeoordelen over ‘het bezit van de enige ware religie’ niet meer aan de orde zijn en tot een grote tolerantie voor ‘andersdenkenden’ leidt.

 

En op de laatste, maar niet minst belangrijke, plaats heb ik genoten van de humor die beide auteurs tentoonspreiden in hun brieven aan elkaar.

 

Ik zou dit boek dus graag willen aanbevelen aan iedereen die zijn of haar weg niet meer vindt in wat kerken te bieden hebben, maar toch nood heeft aan waarachtige religie (=her-verbinding) waarvan de bronnen geloof, hoop en liefde zijn.

 

Tot besluit een citaat van Hein en een citaat van Annemiek uit de laatste brieven: over liefde

 

Hein

Liefde als (schijn)heilig christelijk ideaal is verleidelijk, maar voor je het weet sta je daarmee op lemen voeten omdat je je eigen diepste verlangens en behoeften hebt overgeslagen. Ik heb lang geprobeerd dat ideaal te verwezenlijken, maar ik werp het meer en meer als ziekmakend van mij af.

Maar dan is er nog die andere liefde, de liefde die vraagt om je pijn tot op de bodem te doorleven, die van je vraagt om alles los te laten, zelfs wat je het meest dierbaar is, de liefde die van je vraagt om je leven te geven voor je vrienden, de liefde die tot op het bot gaat, de liefde die zoals Paulus in zijn loflied op de liefde zegt' alles verdraagt' (1 Kor. 13,7). Ik geloof dat Jezus die liefde bedoelde toen hij zei: 'Dit draag ik jullie op: heb elkaar lief:

Wat doen we daarmee? Erin blijven geloven, zou ik zeggen, in de voetsporen van mensen als Jezus en Boeddha, die heb­ben laten zien dat het kan. Blijven oefenen, tot het ego buigt of de dood erop volgt.

Al was het maar omdat we als we de liefde opgeven de wan­hoop de overwinning gunnen en de poorten van de hel ope­nen, voor onszelf en voor de anderen. Want zonder die liefde ben ik niets. En zonder die liefde zal het met de mensheid en de wereld ook nooit iets worden. Gelukkig verzekert Paulus ons dat die liefde nooit zal vergaan...

 

 

Annemiek

Het is misschien met de liefde net als met verdriet: we voe­len liefde of pijn op basis van voor- en afkeur. We kunnen pijnlijk verdriet voelen omdat we iets verloren hebben. Of liefde voe­len voor die ene speciale mens. Daar is niets mis mee.

Maar er is ook verdriet zonder ego, op het niveau van het mededogen. Zonder onderscheid des persoons of gebeurtenis. Misschien is dat echte betrokkenheid. Zo vermoed ik steeds vaker dat het mogelijk is mijn grote liefde alle geluk van de we­reld te wensen, ook al is het niet met mij. En dat mijn hart dan juist warm is en niet koud of lauw. Zou dat kunnen?

'I love you yeahyeahyeah.' Wie kent dat oude liedje niet? Maar misschien is liefhebben niet genoeg. Misschien gaat het erom hoe we van iemand houden.

 (1) Ik mocht dit boek lezen en recenseren voor de website en het blog van Inspirerend Leven

 

 

06. Het Jezus MYSTERIE – Bernd Kollmann

Ondertitel: Op zoek naar de waarheid.

 

ISBN nummer: 9789043518192

 

Inleiding

In een tijdperk waarin alle mogelijke – zowel nuttige als onnutte – informatie ter onzer beschikking staat, is het vaak moeilijk om tussen de bomen het bos nog te zien.

Nieuwsgierigheid is de mens eigen en door het feit dat – door de snelle opkomst van media en internet - vrijwel niets meer verborgen blijft kan die nieuwsgierigheid ook grotendeels bevredigd worden.

Christenen van deze tijd nemen geen genoegen meer met alleen datgene wat in de kerken gepredikt wordt of met wat in Oud en Nieuw Testament te lezen is. Zij willen historische bewijzen over al het voorgaande. Vooral over Jezus, die toch het fundament vormt van het huidige christendom, wil men alles weten, het liefst tot in het kleinste detail.

 

En vermits over de mens Jezus nauwelijks historische gegevens te vinden zijn in het Nieuwe Testament, gaat men dan ook elders zoeken naar historisch bewijs.

Het zal dan ook niemand verbazen dat die weetgierigheid van de zoekende mens voor velen een nieuwe bron van inkomsten lijkt te gaan worden en dat auteurs en media daar gretig op inspelen door steeds weer met indrukwekkender en spectaculairder ‘nieuws’ over nieuwe ontdekkingen in verband met Jezus, zijn achtergronden en zijn familie op de proppen te komen.

 

Drie soorten verhalen

In dit boekje, het Jezus Mysterie, neemt de auteur, Bernd Kollmann (1959 – hoogleraar te Siegen), een groot aantal van deze – vaak zogenaamde - ontdekkingen en beweringen onder de loep en onderzoekt of deze ergens op gefundeerd zijn, ofwel uit de lucht gegrepen.

We kunnen deze feiten opsplitsen in meerdere groepen van zogenaamd historisch bewijs (of juist ontkenning ervan) van wat in het Nieuwe Testament over Jezus verteld wordt.

 

Ten eerste: deze die al sinds eeuwen hiervoor gebruikt worden, voornamelijk door de kerk,  zoals daar zijn: relikwieën bestaande uit stukjes van het kruis waaraan Jezus stierf, een doek dat afkomstig zou zijn van Veronika die het gelaat van Jezus ermee afdroogde tijdens zijn tocht naar Golgotha en dat de afdruk van zijn gelaat tot op heden zou bewaard hebben, de lijkwade van Turijn en meer soortgelijke attributen.

In deze categorie horen ook verhalen die, in de eerste eeuwen van het christendom reeds, door Joden de wereld werden ingestuurd om het christendom onderuit te halen en omgekeerd, door christenen om het jodendom aan te vallen.

 

 

 

Ten tweede: een hele serie van allerlei verschillende jeugdevangelies, door veel verschillende auteurs geschreven (en die elkaar grotendeels ook flagrant tegenspreken) en die, volgens henzelf, voornamelijk mediamiek ontvangen zouden zijn. Bij de één wordt Jezus door Essenen voorbereid op zijn latere taak, volgens anderen zwerft hij eerst door Egypte/India/Tibet, volgens weer anderen werkt hij gewoon, samen met Jozef, als timmerman…. voor hij zich door Johannes laat dopen…. etc., etc.…

 

 

Ten derde: de reeks nieuwerwetse verhalen en vermoedens die ontstaan zijn door de ontdekking van o.m. de Dode Zeerollen en de Nag-Hammadi geschriften, het evangelie van Maria Magdalena, het evangelie van Judas, graven die van Jezus of van een van zijn familieleden zouden zijn geweest, etc. en die aanleiding gaven tot allerlei complottheorieën die de kerk zou bedacht hebben om de mensheid onkundig te laten over wat er werkelijk met Jezus gebeurde na Golgotha.

 

Bewijs voor bedrog

Een voor een beschrijft de auteur in dit boekje een twintigtal van dergelijke beweringen/verhalen, laat ons zien waar deze vandaan komen om daarna aan te tonen wat er niet klopt en waarom deze beweringen dus niet waarheidsgetrouw kunnen zijn. Hij doet dit op een zeer degelijke – met bewijzen onderbouwde – manier, maar blijft daarbij ook voortdurend goed te begrijpen, zelfs voor een lezer die niet echt bekend is met dit soort lectuur.

 

Aanbeveling

Daar we leven in tijden waarbij het vaak moeilijk is om te weten wat we nu eigenlijk nog moeten geloven over Jezus en zijn aardse leven is dit boekje, naar mijn bescheiden mening, een goede gids. Ik heb het met veel genoegen gelezen en heb zelfs nog enkele mythen rond de Jezus-figuur gelezen die mij totaal onbekend waren. Ik beveel het graag aan voor mensen die liever de waarheid onder ogen zien dan zich te laten meeslepen in allerlei theorieën die nergens op gebaseerd zijn er er alleen maar op uit zijn om aan de zucht naar sensatie te voldoen en de boekenverkoop te stimuleren.

 

Trouwens, wat mij betreft hoeven we ons niet te richten op onderzoek naar de historische gegevens over Jezus, maar wel op zijn boodschap, zijn ‘Nieuwe Testament’. De inhoud van die boodschap is, voor wie zich christen noemt, toch zeker belangrijker dan de verpakking?

 

 

 

Citaat

Ik eindig deze recensie met de laatste paragraaf uit Het Jezus Mysterie en laat de auteur dus even zelf aan het woord:

 

‘Er zijn goede redenen om de vertekende beelden van Jezus die de boekenmarkt overspoelen hard aan te pakken. Naast alle terechte kritiek en verontwaardiging dreigt het positieve daarbij echter uit het zicht te raken. De fascinatie die voor veel mensen uitgaat van de onthulling van schijnbaar achtergehouden waar­heden en een kijk op een heel andere Jezus getuigt wel van een ongebroken belangstelling voor de persoon van Jezus en voor de grondslagen van het christendom. Dat deze belangstelling langs andere wegen gaat dan vanuit Bijbelwetenschappelijk standpunt of kerkelijk perspectief wenselijk zou zijn, is een ander verhaal. In ieder geval kunnen we gespannen uitkijken naar de sensaties uit het leven van Jezus die nu weer onthuld zullen worden en popu­lairwetenschappelijk op de markt gebracht zullen worden’.

Dit is opnieuw een boek dat ik mocht lezen voor het blog: Inspirerend Leven
Het boek kan ook daar besteld worden, via de webwinkel van Inspirerend Leven.

  Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  
**********

Stem Spirituele Vrienden in de
Top 100 NL



**********
Tellers

 

 LetsStat website statistieken