Teksten over gnosis IV

 

01. De Magische Hermes - 02. Dood en het Leven in het Louteringsgebied -  

 

De Magische Hermes

 

 

Jacob Slavenburg in Bres – februari 2004

 

Op Palmzondag van het jaar 1484 rijdt een drieën­dertigjarige man, genaamd Giovanni Mercurio da Correggio, gezeten op een zwart paard door de straten van Rome. Hij is gekleed in een zwarte toga, draagt een gouden ceintuur en purper­kleurige schoenen. Voorafgegaan door twee dienaren die eveneens gekleed zijn in symbolische gewaden, rijdt hij richting Vaticaan. Op zijn borst prijkt een verzilverd schild waarop te lezen staat: 'Dit is mijn zoon Poimandres... Luistert naar hem en gehoorzaamt hem met vrees en eerbied.'

Hij steekt het Sint-Pietersplein over, waar de pauselijke garde, als door een goddelijke ingeving, voor hem een weg baant. Hij gaat de basiliek binnen en spreekt zijn verkondiging uit.

Daarna keert hij terug naar Bologna, waar vrouw en kinderen op hem wachten en hij nog diezelfde nacht op last van de inquisitie wordt gearresteerd.

 

Een wereldhype

 

Giovanni da Correggio meende dat hij een reïncarnatie van Poimandres was en voegde 'Mercurio' (Hermes) aan zijn naam toe. Het tekent de populariteit van Hermes in de Renaissance. In de kathedraal van Siena staat de driewerfgrote Hermes, Hermes Trismegistus, afgebeeld als een eerbiedwaardige wijze. Als onderschrift wordt vermeld dat hij een tijdge­noot is van Mozes. Maar ook in onze eigen Zutphense Walburgiskerk is een wonderschone afbeelding van Hermes te bewonderen: niet op de vloer, maar op het plafond.

Door de vertaling van het Corpus Hermeticum in 1463 werd Hermes in het avondland een regelrechte hype. Het hermetisme werd de absoluut toonaangevende stroming op filoso­fisch, religieus en wetenschappelijk gebied, en dat meer dan een eeuw lang. Hermes inspireer­de grote kunstenaars als Botticelli, geestelijken als kardinaal Bessarion en paus Gregorius XIV, keizers als Maximiliaan en vooral Rudolf II, en uitnemende geleerden als Pico della Mirandola, Agrippa, Paracelsus, John Dee, Giordano Bruno en Comenius. Hermes stond aan de basis van de Rozenkruisbeweging en de latere vrijmetselarij. Madame Blavatsky, de wereldberoemde theo­sofe uit de negentiende eeuw, schrijft over hem: 'Ons werk is een pleidooi voor de erkenning van de hermetische wijsbegeerte, de universe­le wijsheidsreligie van de oudheid, als de enig mogelijke sleutel tot het absolute in weten­schap en theologie.'

 

Zutphen

Zutphen

 

Twee miljoen gemummificeerde ibissen

 

Dit alles is uitgebreid terug te vinden in mijn boek De Hermetische Schakel dat onlangs ver­scheen. Hierin vertel iets over mijn eigen zoek­tocht naar Hermes, zowel in oude geschriften als soms ook uiterst fysiek. Zoals die keer dat ik tussen een dertigtal tot de tanden toe gewa­pende Egyptische militairen en bewakers in de nanacht afdaal in een hermetische heiligdom in Midden-Egypte. Daar werden zo'n twee mil­joen gemummificeerde ibissen bewaard. En uiteraard beschrijf ik in mijn boek het ontstaan van de beroemde hermetische geschriften als het Corpus Hermeticum en de Asclepius en de fascinerende inhoud ervan. En uiteraard besteed ik ruime aandacht aan de onmetelijke invloed die deze hermetica uitgeoefend heeft op filosofen in de oudheid, theologen in de Middeleeuwen, Arabische onderzoekers, humanisten uit de Renaissance, Rozenkruisers, vrijmetselaren, theosofen en wetenschappers in de 20ste eeuw, onder wie vooral ook Carl Gustav Jung. Kortom een geschiedenis van 'Hermes' vanaf de Egyptische oudheid tot aan de dag van vandaag (Jung, astrofysica, etc.).

In deze bijdrage wil ik me echter eerst richten op een nagenoeg onbekend aspect van Hermes: de magie.

 

De voorlopers van Harry Potter

 

Magie is weer helemaal in. Onder meer door het enorme succes van de Harry Potter-boeken. Magie was in de oudheid aan de orde van de dag en is dat lang zo gebleven. Opvallend is dat er in de Renaissance niet alleen een herop­leving van de antieke filosofie is (en zowel Plato als Hermes herontdekt wordt) maar er ook sprake is van een wedergeboorte der magie. Totdat het tijdvak van de historische Verlichting aanbreekt. In het mechanistische wereldbeeld en de materialistische weten­schapsopvatting is er voor mythe en magie geen plaats meer en krijgt magie een negatieve bijklank (zwarte magie).

De grondlegger van de magie zou Hermes Trismegistus zijn. Wie was deze Hermes? Toen de Grieken Egypte veroverden werd hun eigen god Hermes min of meer vereenzelvigd met de Egyptische wijsheidsgod Thot. Thot werd gezien als de uitvinder van het schrift. In het Egyptische dodenboek zien we hem dan ook met zijn ibiskop regelmatig afgebeeld met een schrijfplankje. Thot was de maangod, de glans van Re de zonnegod. Ook werd Thot wel aan­geduid als 'het hart van Re'. Maar Thot was ook de 'tong' van de godheid Ptah. Hij schiep door middel van het goddelijk Woord, de Logos. Ook Plato zegt van Hermes dat deze de Logos is. Thot was tevens begeleider van de overge­gane zielen, want 'hij weet wat er in het hart leeft', lezen we in een inscriptie in de tempel van Karnak. Thot is de vader van de Gnosis. En Hermes Trismegistus zou diens legenda­rische kleinzoon zijn.

 

Deze Hermes Trismegistus werd in de oudheid, Middeleeuwen en Renaissance gezien als schepper van de magie, als uitvinder van de alchemie, maar ook als astroloog en medicus. Hermes beheerste in wezen alle wetenschap­pen. Wetenschappen die in die tijd nog een sterke samenhang met elkaar vertoonden. Er had nog geen afsplitsing plaatsgevonden tussen de vele verschillende disciplines die wij nu kennen. Filosofie, theologie, theosofie, magie, chemie en alchemie, astronomie en astrologie, geneeskunde, botanica en natuurwetenschap zijn altijd zeer nauw, ja onlosmakelijk met elkaar verbonden geweest. En het is de magie die al deze takken van wetenschap met elkaar verbindt in praktische zin.

 

Veel is er geschreven over de hermetische traditie vanaf de Renaissance. Weinig over de vroege Hermes, en (in Nederland) vrijwel niets over de hermetische magie. Voor het eerste deel van mijn boek De Hermetische Schakel heb ik sommige documenten zelfs uit het Latijn moeten vertalen, omdat ze nog steeds niet in een moderne taal zijn uitgegeven. Vele van deze geschriften bevatten beschrijvingen van cor­respondenties tussen onderdelen (decanen) van de tekens van de dierenriem, delen van het menselijk lichaam, geneeskrachtige planten, harmoniserende mineralen en uitgelezen voe­dingsvoorschriften, zoals in bijgaand schema uit mijn boek goed te zien is. In al deze geschriften van magische, astrologische en heelkundige aard wordt een intensieve verbin­ding gelegd tussen De Ene (God), de kosmos en de mens. Alles is bezield en dient dus met respect behandeld te worden: mens, dier, plant en mineraal. Door te zaaien en te oogsten in overeenstemming met planetaire samenstanden (kosmologie dus) kunnen krachtvelden hun zegenende invloed uitoefenen op het welzijn van de mens. De grondgedachte hierachter is dat alles uit de Ene is voortgevloeid, dus alles per definitie goddelijk is. Men ontwaarde voor­al goddelijke eigenschappen in de planeten, de zon, de maan en de dierenriemtekens met hun verschillende graden en decanen. Ze worden wel 'de ledematen van God' genoemd. Egyp­tenaren, Babyloniërs en Grieken hadden een voortreffelijke kennis van de astronomie/astro­logie. En dat is overduidelijk terug te vinden in de hermetica.

 

God is ook in de materie

 

In de eerste eeuwen van onze jaartelling ont­staat een reeks filosofisch-religieuze geschrif­ten, zoals het Corpus Hermeticum en de Asclepius. Zij zijn gefundeerd in een oudere Egyptische traditie en maken gebruik van een Griekse vorm. Het is ronduit fascinerend om te zien hoe compleet de visie op mens en wereld in deze geschriften is. Alles hangt met alles samen, er is als het ware geen speld tussen te krijgen; letterlijk 'hermetisch gesloten'.

Aan de top van de piramide staat de Ene, God, althans de oer-God, oftewel de hoogste 'Stuurman'. Daaruit vloeien goden (goddelijke krachtvelden) voort. Hermes legt dat als volgt uit:

 

... Er zijn geestelijke goden, die gesteld zijn over alle voorkomende verschijnselen; daaronder staan kosmische goden, wier wezen beheerst wordt door zo'n oergod; die kosmische goden zijn waarneembaar en weerspiegelen hun dub­bele oorsprong uit geest en stof. Zij brengen alles in de zichtbare wereld tot stand, met behulp van elkaar. Ieder van hen verlicht het gebied dat hij beheerst... Stervelingen worden beheerst door sterfelijke wezens, die op hen lijken (de daimonen).

Zo zit de Kosmos in elkaar. De lagen van het Zijn sluiten van beneden naar boven bij elkaar aan. Zo is alles met alles verbonden en heeft betrekking op elkaar, met dien verstande dat met de onsterfelijke goden al het sterfelijke en dat met de zichtbare dingen de onzichtbare wezens door een keten verbonden zijn.

Het geheel gehoorzaamt aan de hoogste Stuurman, die de Meester is, zo dat het geen veelheid vormt, maar veeleer een eenheid. Want alles hangt van de Ene af en vloeit uit hem voort, al denkt men wel, dat de dingen een grote verscheidenheid vertonen, omdat men ze afzonderlijk beschouwt. Maar als men de vele dingen in hun samenhang beschouwt, blijken ze een te zijn... (Asclepius 19 in de vertaling van G. Quispel).

God is derhalve geen geest, maar de oorzaak dat geest bestaat, geen levensadem, maar de oorzaak dat de levensadem bestaat, geen licht, maar de oorzaak dat het licht bestaat (Corpus Hermeticum 2.14 in de vertaling van R. van den Broek).

 

Want God is het Al en het Al is uit Hem en alles wordt bepaald door Zijn wil. Hij, die het Al is, is goed, schoon, wijs, oorspronkelijk, zelfbe­wust, zichzelf bekend en niemand nader. Zonder Hem is er nooit iets geworden, is er niets en zal er niets zijn. Want alles is uit Hem, en in Hem, en door Hem. Uit Hem zijn ook alle veelsoortige en veelvormige eigenschappen, en geweldige grootheden, en oneindige afme­tingen, en alle vormen, die gestalte kunnen aannemen (Asclepius 34).

 

Hermes' zoon en leerling Tat vraagt zich ver­wonderd af of God dan ook in de materie te vinden is.

'Jazeker', zegt Hermes. 'Stel je voor, dat de materie buiten God zou zijn: waar zou je dan een plaats voor haar kunnen vinden? Wat zou zij anders zijn, denk je, dan een chaotische massa, als zij geen uitstralingen zou onder­gaan? En als ze inderdaad wel door uitstralin­gen bewerkt wordt, van wie gaan die dan uit? Je herinnert je nog wel, hoe wij daarnet in ons gesprek hebben vastgesteld, dat die uitstralingen lichaamsdelen van God zijn.

Door wie zouden dan wel alle wezens tot leven gewekt worden?

Door wie worden de Onsterfelijken onsterfelijk gemaakt?

Door wie wordt het veranderlijke inderdaad veranderd?

Of het nu over de materie gaat of over een lichaam of over een substantie, dat zijn alle­maal uitstralingen van God, moet je weten. De uitstraling in de materie is de stoffelijkheid, en de uitstraling in de lichamen is de lichamelijk­heid, en de uitstraling in de substantie is de substantialiteit. En dat is God, het Al.' (Corpus Hermeticum 12.21-22 in de vertaling van G. Quispel).

 

God is van beiderlei kunne

 

God is niet met een naam te noemen, want 'als wij beseffen hoe groot de majesteit van zijn Wezen is, kan geen enkele naam hem nader bepalen'. Eigenlijk, zegt Hermes in Asclepius (20), zou hij met alle namen genoemd moeten worden! Want 'Hij alleen is al-één; geheel ver­vuld der vruchtbaarheid van beiderlei kunne; altijd zwanger van zijn wil baart hij voort­durend wat hij wil voortplanten.'

Asclepius is licht geschokt bij deze constatering. 'Wil je mij echt zeggen, Hermes, dat God van beiderlei kunne is?'

Hermes legt zijn verbaasde toehoorders dan uit dat niet alleen God androgyn is, maar alles wat leeft. Elk van beider kunne, zegt hij, 'is vol van voortplantingsdrift. En de verbinding van die twee, of liever gezegd hun eenwording, gaat het verstand te boven.'

En dan gebruikt Hennes een bijzondere verge­lijking:

Wanneer je nu metterdaad dit mysterie wilt aanschouwen, kijk dan naar de wonderbaarlijke afbeelding daarvan, de gemeenschap die plaatsvindt tussen man en vrouw. Wanneer die een hoogtepunt bereikt, schiet het zaad tevoor­schijn. Op dat ogenblik ontvangt de vrouw de kracht van de man, en op zijn beurt ontvangt de man de kracht van de vrouw, omdat het (god­delijk) zaad dit bewerkstelligt. Hierom wordt het mysterie van de gemeenschap in het ver­borgene voltrokken, opdat de twee geslachten voor de ogen van velen, die deze ervaring niet kennen, niet aanstootgevend zijn. Elk van beiden namelijk draagt zijn deel bij aan de voortplan­ting. (Asclepius 21 in de Nag Hammadi-vertaling van J. Slavenburg en W.G. Glaudemans). De hemelse eenwording kent niet alleen haar aardse afbeelding, nee de ervaring van de lichamelijke eenwording maakt het mogelijk iets te begrijpen van de kosmische eenheid. Want de mens is het beeld van God en van de kosmos. Hermes noemt de mens als beeld­drager van God 'een groot wonder'.

In de hermetica wordt de mens dus (meestal) niet gezien als de zondaar, tot niets goeds in staat, ziek van nature, zoals we lezen in de Heidelberger Catechismus. En ook de materie is niet slecht en verachtelijk, zoals in vele asce­tische richtingen en door bepaalde gnostici wordt verondersteld. In het eerste, en beroemd­ste, geschrift uit het Corpus Hermeticum, Poimandres genaamd, openbaart Geest aan Hermes het ontstaan van de kosmos en de mens. Een hermetische Genesis. In Poiman­dres nu wordt de hemelse Mens, de 'Zoon van God', verliefd op de natuur. Hemel en aarde worden minnenden! Een schitterend beeld.

 

 

Zo boven, zo beneden

 

Een krater vol Bewustzijn

De mens heeft de mogelijkheid om hier op aarde Bewustzijn op te doen. In het vierde geschrift van het Corpus Hermeticum is sprake van een krater, een meng vat, vol Bewustzijn, dat God naar de aarde zendt. leder mens heeft nu de mogelijkheid met Bewustzijn gedoopt te worden. Anders blijft hij een redeloos dier:

Zielen van mensen die het Bewustzijn niet als stuurman ontvingen, hebben hetzelfde lot als de zielen van dieren. Het Bewustzijn laat hen betijen en geeft hen over aan de irrationele begeerten, waartoe zij zich laten meeslepen door een onweerstaanbare drang. Als dieren razen zij en begeren zij redeloos zonder ophou­den; zij krijgen maar niet genoeg van het boze (Corpus Hermeticum 12.4).

Als de mens Bewustzijn opdoet in de stof voegt hij dat Bewustzijn toe aan het Al-bewustzijn. Of, zoals het in Poimandres beschreven staat:

'Allereerst geef je bij de ontbinding van het stoffelijke lichaam het lichaam zelf over aan verandering, en het uiterlijk dat je hebt wordt onzichtbaar, en je persoonlijkheid, die geen uitstraling meer heeft, geef je over aan de demon. En de zintuigen van het lichaam gaan terug naar hun eigen bronnen, gaan daarvan weer deel uitmaken en voegen zich weer bij de werkingen daarvan. En de drift en de begeerte keren terug naar de redeloze natuur.

En zo begeeft zich de mens dan omhoog door het samenstel der sferen: aan de eerste sfeer geeft hij zijn vermogen tot groei en verminde­ring, aan de tweede het instrument van het slechte, de nu effectloze listigheid, aan de derde het onmachtig geworden bedrog van de begeerte, aan de vierde het uiterlijk vertoon van de heerschappij, nu zonder hebzucht, aan de vijfde de goddeloze overmoed van de onbe­zonnen doldriestheid, aan de zesde de boze aandriften van de rijkdom, die nu geen invloed meer heeft, en aan de zevende sfeer de leugen die valstrikken spant.

En dan komt de mens, ontdaan van astrale invloeden, in de achtste sfeer, slechts in het bezit van zijn eigenlijke Zelf, en samen met de geestelijke wezens bezingt hij de Vader. En alle aanwezigen verheugen zich over zijn aan­komst, en als hij dan aan zijn metgezellen gelijk geworden is, hoort hij ook hoe bepaalde Machten boven de achtste sfeer met zoete stem God bezingen. En dan stijgen zij in rangorde op naar de Vader, geven zichzelf over aan de Machten en, zelf Machten geworden, komen zij in God. Dat is de gelukkige voleinding voor hen die de Gnosis bezitten: God te worden!'

 

Zo boven, zo beneden

 

Toen men dit soort teksten in de Renaissance herontdekte, leidde dit tot een 'hermetische explosie'. Maar ook de hermetische magie her­leefde. Zo had de baanbrekende humanistische filosoof kardinaal Bessarion niet alleen een vroeger en completer exemplaar van het Corpus Hermeticum dan Cosimo de Medici en Ficino, hij bezat ook de magisch-hermetische Kyraniden. Dat kon nog in die tijd. Een leer­meester van de hermetische arts, filosoof en alchemist Paracelsus, een zekere Trithemius, had als abt van een katholiek klooster de beschikking over een comfortabel laboratorium voor zijn alchemistische proeven en vond daar­naast nog tijd om uitgebreid te publiceren over engelenmagie. In mijn boek laat ik zien dat deze hermetische geestelijke ook de ontdekker is van de telepathie en de uitvinder van geco­deerd geheimschrift. Kerkelijke gezagsdragers van dit formaat leefden niet met dogma's en letterknechterij, maar stemden van harte in met een fundamentele uitspraak van Hermes: 'Er is maar één eredienst waarmee God gediend wordt: een goed mens te zijn.'

Maar het tij keerde. Met de openbare verbran­ding van de hermeticus Giordano Bruno in het jaar 1600 stelde de Kerk zich tegenover Hermes. In een monsterverbond met de zich ontwikkelende materialistische wetenschap werd getracht Hermes monddood te maken. Dat is niet gelukt. Toch heeft bij vele moder­nisten Hermes afgedaan als een al dan niet his­torische constructie, een fossiel. In onze vaak grenzeloze arrogantie, gevoed door de moderne wetenschap die alles van vóór de Verlichting pleegt af te doen met termen als primitief en naïef, vinden wij onze voorouders tot aan de achttiende eeuw eigenlijk maar zielige domoren. Want wij weten tegenwoordig zoveel meer. Denken wij. En deels is dat natuurlijk ook zo.

 

De wetenschap heeft ons ontegenzeggelijk op veel punten enorm verrijkt. Maar eveneens beperkt. In zekere zin zijn wij ook armer geworden. Wij zijn uit ons mythisch bewust­zijn gegleden. Wij ontberen het bewustzijn van de samenhang van alles. Wij zijn ont-kosmo­logiseerd. Wij zijn dingen geworden en gaan met onze omgeving om als zou deze ook uit louter dingen bestaan. Daarom vervreemden we steeds meer van onze ware natuur.

Heel diep in ieder leeft echter ook het 'herme­tisch bewustzijn'. Vanuit dit bewustzijn erva­ren we de verbondenheid van alles, omdat al het bestaande uit het ene is voortgevloeid. Zoals ooit een oerknal het heelal deed ont­staan; een universum dat, volgens moderne wetenschappers, nog steeds uitdijt. We hebben het dan ogenschijnlijk over materie. Dat is de dimensie die we vanuit de wetenschap onder­zoeken. Hennes legde echter de verbinding tussen materie, ziel en geest. Zo boven, zo beneden. En dit hermetisch bewustzijn heeft vele grote geesten in onze geschiedenis diep­gaand beïnvloed. Eeuwenlang heeft het de mensheid richting gegeven en een persoonlijke zin aan het bestaan verbonden.

De 'hermetische schakel' verbindt het verleden met het heden, de buitenkant met de binnenkant en het boven met het beneden. Voor veel mensen in ons materialistisch tijdperk lijkt dit een achterhaalde zaak. Maar tegelijkertijd voelen velen ook een soort oerheimwee naar een com­pletere en vooral intermenselijker samenle­ving, gedragen door respect voor al wat is. Ook dit beeld, deze geschiedenis en haar toekomst, dragen we in ons mee. Het is mijn innige wens dat dit artikel en vooral mijn boek enigszins mogen bijdragen tot het zich weer herinneren van onze eigen vergeten geschiedenis.

 

Literatuur

Jacob Slavenburg, De Hermetische Schakel.

412 pag., geill., Ankh-Hermes, Deventer 2003 

 

02. Dood en het Leven in het Louteringsgebied
Of: wat gebeurt er mens ons wanneer wij op aarde sterven?

 Johfra - Cross-over


Max Heindel – Uit:  Lessen voor studenten bij het Rozekruisgenootschap

 

Te midden van alle onzekerheden, die deze wereld kenmerken, is er slechts één zekerheid: de Dood. Te eniger tijd, na een kort of een lang leven, komt het einde van deze stoffelijke bestaansperiode, wat geboorte in een nieuwe wereld beteekent. Wat wij “geboorte” noemen, is volgens Wordsworth's schone woorden een vergeten van een verleden:


Geboorte is slechts een sluimer van vergetelheid:

Van verre is de ziel gekomen,

Heeft elders 't afscheid voorbereid,

En d' aardse taak weer opgenomen.

Niet geheel naakt, maar met sluiers omkleed,

Niet gans ontdaan van herinneringsvermogen,

Als zeilende wolkjes, hier uitbesteed.

Komen wij van God uit den Hooge. ­–

 

De hemel het kind in den wieg nog omgeeft,

En 't licht kan den groeiende knaap nog boeien:

Hij is immers zoo dartel, zoo blij, dat hij leeft.

Maar welhaast daalt de schaduw, 't licht gaat vervloeien.

De jongeling reist er steeds verder vandaan

Toch, schone visioenen van hooger gebieden

Begeleiden den reiziger nog onder 't gaan:

Totdat ten slotte ook deze ontvlieden,

En de man slechts bewust is van 't aardse bestaan.

 

Geboorte en dood kunnen dus worden beschouwd als verplaatsing van 's mensen werkzaamheid van de ene wereld naar de andere, en het hangt van onze standplaats af, of wij zulk een verandering geboorte of dood noemen. Bij intrede in de wereld, waarin wij leven, noemen wij het geboorte: bij het verlaten van ons be­staansgebied om een andere wereld binnen te gaan, noemen wij het dood: maar voor den betreffenden persoon is de overgang van de ene wereld naar de andere slechts als de verhuizing hier naar een andere stad: hij leeft, onver­anderd: alleen de uiterlijke omgeving en toestanden hebben zich gewijzigd.

 

De overgang van de ene wereld naar de andere gaat dikwijls gepaard met meerdere of mindere onbe­wustheid, gelijkend op slaap, zooals Wordsworth zegt, en daarom kan ons bewustzijn nog gericht zijn op de wereld, die wij hebben verlaten. In de prille jeugd zijn wij werkelijk nog omringd van de hemelwereld : alle kinderen zijn voor korter of langer tijd na de geboorte helderziend; en al wie door de dood heen gaat, aan­schouwt de stoffelijke wereld nog enige tijd.

 

Indien wij in de volle kracht van het physieke leven als man of als vrouw heengaan, sterk verbonden met familie, vrienden of andere belangen, zal de stoffelijke wereld veel langer onze aandacht in beslag nemen, dan wanneer de dood op "rijpe oude dag" komt, als de aardse banden reeds zijn losgemaakt, vóórdat de verandering, die wij dood noemen, plaats grijpt. Hier geldt dezelfde wet, die het zaad vast doet zitten in het onrijpe vruchtvlees, terwijl het zonder moeite geheel en al uit de rijpe vrucht kan worden verwijderd. Daarom valt het gemakkelijker om op vergevorderde leeftijd te sterven, dan in de jeugd.

 

De bewusteloosheid, waarmee de verandering van de intredende geest bij de geboorte, en de heengaande geest bij het sterven gewoonlijk gaat gepaard, is daaraan toe te schrijven, dat wij niet dadelijk ons brandpunt kunnen verleggen, en komt overeen met de moeite, die wij ondervinden, als wij uit een donkere kamer op straat komen op een lichte, heldere dag, of omge­keerd. Onder deze omstandigheden duurt het enige tijd vóórdat wij de voorwerpen om ons heen kunnen onderscheiden. Evenzo is dit het geval met de pasge­borenen en de pasgestorvenen: beiden hebben hun ge­zichtspunt ten opzichte van hun nieuwe omgeving te herzien.

 

Wanneer het ogenblik aanbreekt, waarop een leven in de physieke wereld is beëindigd, en het physieke lichaam niet meer van nut is, trekt het Ego zich er uit terug door het hoofd, het denkvermogen en het be­geertelichaam meenemend, zooals iederen nacht gedurende de slaap. Maar nu is het levenslichaam nutteloos, zoodat ook dit wordt teruggetrokken, en als het "zilveren koord," dat de hoogere voertuigen met de lagere verbindt, breekt, kan het nooit meer worden hersteld.

 

Wij herinneren ons, dat het levenslichaam is samen­gesteld uit ether, dat de stoffelijke lichamen van planten, dieren en mensen gedurende het leven doordringt. Ether is physieke materie, en heeft dus gewicht. De enige reden waarom geleerden deze stof niet kunnen wegen, is omdat zij niet in staat zijn er een hoeveel­heid van op de weegschaal te leggen. Maar wanneer zij het stoffelijk lichaam bij het sterven verlaat, zal er in elk geval een gewichtsvermindering plaats hebben, tonend, dat iets onzichtbaars, dat gewicht heeft, op dat ogenblik het stoffelijk lichaam verlaat.

 

In 1906 heeft Dr. Mc. Dougall, uit Boston, een aan­tal stervende personen gewogen, door hun bed op een weegschaal te plaatsen. Er werd opgemerkt, dat het gewicht plotseling verminderde op het oogenblik, dat de laatste adem werd uitgeblazen. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuur over de Verenigde Staten, dat de ziel gewogen was: iets, dat nooit gebeuren kan want de ziel is niet afhankelijk van stoffelijke wetten. Later veronderstelde Prof. Twining van Los Angelos de ziel van een muis te wegen: maar wat de

geleerden in werkelijkheid deden, was het wegen van het levenslichaam bij het verlaten van het stoffelijk voertuig bij den dood.

 

Een woord kan hier gezegd worden wat betreft de behandeling van stervende personen, die in vele gevallen hevig lijden door de misplaatste aanhankelijkheid hunner vrienden. Door aan stervenden opwekkende middelen toe te dienen, wordt misschien meer leed veroorzaakt dan in enig ander geval. Het is niet akelig om het lichaam te verlaten, maar opwekkende middelen be­werken, dat het vertrekkende Ego als met de kracht van een veer in het lichaam terug wordt geworpen om opnieuw het lijden te ondergaan, waaraan het juist ging ontsnappen. Dikwijls hebben vertrekkende zielen zich hierover bij onderzoekers beklaagd, en een van hen verklaarde, zijn gehele leven niet zoveel te hebben geleden als toen men hem vele uren lang het sterven belette. De eenige geschikte manier is om de natuur haar loop te laten indien blijkt dat het einde onaf­wendbaar is.

 

Een andere en meer ingrijpende zonde tegenover de heengaande geest is om zich over te geven aan luid schreien of weeklagen in of dichtbij de sterfkamer. Direct na de bevrijding, vanaf enige uren tot enkele dagen daarna, is het Ego in beslag genomen door een uiterst gewichtig gebeuren: de waarde van het afgelopen leven hangt grotendeels af van de aandacht, die de vertrekkende geest hieraan kan schenken. Zoals wij zullen zien zal er veel verloren gaan indien deze wordt afgeleid door snikken of jammerklachten van beminde omstanders. Maar toekomstig verdriet voor allen die er bij betrokken zijn kan worden vermeden indien de stervende door gebed wordt gesterkt en ge­holpen door stilte. Nooit zijn wij zozeer onzes broeders hoeder dan wanneer hij dit Gethsemané doormaakt, en hier ligt een onzer grootste gelegenheden om hem te dienen en hemelsche schatten voor onszelf te bewaren.

 

Wij hebben het verschijnsel van geboorte bestudeerd en een Wetenschap der Geboorte ontwikkeld. Wij hebben bevoegde verloskundigen en geoefende ver­pleegsters om moeder en kind op de beste manier zoo goed mogelijk te behandelen: maar wij hebben zeer grote behoefte aan een Wetenschap van de Dood. Als er een kind ter wereld komt zijn wij er zo ver­standig mogelijk mee doende; wanneer een levenslange vriend ons gaat verlaten staan wij er hulpeloos bij, niet wetend hoe te helpen. Of, erger dan alles, wij knoeien en veroorzaken leed in plaats van verlichting.

 

De physieke wetenschap is er mee bekend dat, wat ook de kracht moge zijn, die het hart in beweging brengt, deze niet van buiten komt, maar binnenin het hart zetelt. De occulte geleerde ziet een holte in de linker hartkamer, dicht bij den top, waar een klein atoom in een zee van de hoogste ethersoort zwemt. De kracht die in dit atoom werkt is, zoals die in alle andere atomen, het ongedifferentieerde leven van God. Zonder deze kracht zou er geen kristalvorming in de mineralen kunnen wezen, en planten, dieren en mensen zouden niet in staat zijn lichamen op te bouwen. Hoe dieper wij op een en ander ingaan, des duidelijker zien wij de waarheid die ten grondslag ligt aan het gezegde dat wij in God leven, bewegen en bestaan.

 

Dit atoom wordt het “zaadatoom” genoemd. De daarin zetelende kracht doet het hart kloppen en houdt het organisme in leven. Alle andere atomen van het gehele lichaam moeten in samenklank trillen met het zaadatoom. De krachten van dit atoom zijn het inwezen geweest van elk stoffelijk lichaam dat ooit werd aangenomen door het speciale Ego waarmede het is verbonden en zij hebben beeldend op het atoom ingewerkt, zodat alle ondervindingen van dit bepaalde Ego van alle levens er staan ingegrift. Als wij tot God terugkeeren, als wij eenmaal allen wederom in God zullen zijn vereenigd, zal dit verslag, dat in 't bijzonder Gods verslag is, blijven bestaan en ons onze individualiteit doen behouden.

 

Zoals hieronder zal worden beschreven, zetten wij onze ondervindingen in eigenschappen om; het kwaad wordt omgezet in goed, en het goede behouden wij als macht om hoger goed te verkrijgen. Maar het verslag der ondervindingen is van God en in God, in de diepste betekenis.

Het “zilveren koord”, dat de hogere en lagere voertuigen verbindt eindigt bij het zaadatoom in het hart. Indien het stoffelijke leven op natuurlijke wijze afloopt maken de krachten in het zaadatoom zich los, treden door de longmaagzenuw en de achterzijde van het hoofd en verder langs het zilveren koord, te samen met de hogere voertuigen naar buiten. Het is deze losmaking in het hart waarmede de physieke dood gepaard gaat. Maar het verbindende zilveren koord breekt nog niet dadelijk. In sommige gevallen duurt dit nog enkele dagen.

 

Het levenslichaam is het voertuig van zintuiglijke gewaarwording. Aangezien dit met het gevoelslichaam samenhangt, en deze beide door het etherische koord met het ontzielde stoffelijke lichaam zijn verbonden, ligt het voor de hand dat het Ego het nog min of meer zal voelen indien het stoffelijk lichaam wordt beschadigd vóórdat het koord verbroken is. Dus veroorzaakt het pijn wanneer bloed wordt afgetapt, bederfwerende vloeistof wordt ingespoten;  wanneer het lichaam voor onderzoek na den dood wordt geopend en wanneer het lichaam (te snel) wordt verbrand.

Men vertelde den schrijver van een geval waarin een dokter drie tenen amputeerde van een (levend) persoon, onder narcose. Hij wierp de verwijderde tenen in een heet kolenvuur en onmiddellijk begon de patiënt te schreeuwen want het snelle vergaan der stoffelijke tenen veroorzaakte een even snelle ontbinding der etherische teenen die met de hogere voertuigen waren verbonden. Op dezelfde wijze wordt de vertrekkende geest beïnvloed door beschadigingen vanaf enkele uren tot drie en een halve dag na den dood. Dan is elke verbinding verbroken en begint het lichaam te vergaan.

 

Daarom moet er goed worden gezorgd de vertrekkende geest niet te hinderen door dergelijke maatregelen. Indien wetten of andere omstandigheden het onmogelijk maken om het lichaam rustig gedurende enige dagen in de sterfkamer te laten kan het ten­minste zo lang worden begraven alvorens men er op andere wijze mee wenst te handelen. Rust en gebed werken zeer weldadig gedurende die tijd. En indien wij de vertrokken geest op verstandige wijze liefhebben zal hij ons dankbaar zijn als wij de bovengenoemde aanwijzingen opvolgen.

 

Eerder al zeiden wij dat het levenslichaam de bewaarplaats is van bewuste zowel als van onbe­wuste herinneringen: op het levenslichaam is iedere handeling en ondervinding van het afgelopen leven onuitwisbaar afgedrukt, evenals een landschap op een daartoe ingestelde fotografische plaat. Wanneer het Ego het levenslichaam uit het stoffelijk lichaam heeft teruggetrokken, ligt het gehele leven, zoals door het onderbewuste geheugen opgetekend, open voor de blik van de geest. Het is door de gedeeltelijke losmaking van het levenslichaam dat iemand, die op het punt staat te verdrinken, zijn gehele leven aan zich voorbij ziet trekken: maar dan is het slechts een flits, voorafgaand aan bewusteloosheid: het zilveren koord blijft onaan­gedaan. Anders zou er geen herleving mogelijk zijn.

 

Ingeval van een heengaande geest bij het sterven is de beweging langzamer: de mens staat er als toe­schouwer bij terwijl de beelden elkander opvolgen vanaf dood tot geboorte zodat hij eerst de juist aan het sterven voorafgaande gebeurtenissen ziet, vervolgens de jaren als volwassen man of vrouw, jongeling of meisje, kind en zuigeling, om bij de geboorte te eindigen. Echter ziet men op dat tijdstip alles zonder dat er gevoelens door worden opgewekt. Het doel is slechts het panorama in te griffen in het begeertelichaam dat de zetel van gevoel is: en door deze indruk zal het daaraan verbonden gevoel worden beseft wanneer het Ego de begeertewereld binnentreedt.

 

Wij doen hierbij opmerken dat de diepte der gevoelens waarvan men zich bewust wordt afhangt van de aan het ingriffings­proces bestede tijd en de aandacht die de mens er aan heeft geschonken. Indien hij gedurende dien tijd niet verontrust werd door rumoer of zenuwaanvallen der omstanders zal er een diepe, duidelijke indruk op het begeertelichaam worden verkregen. Hij zal in het Louteringsgebied het door hem verrichte kwaad scherper gevoelen en in den Hemel krachtiger worden gesterkt in zijn goede hoedanigheden, en hoewel de ondervinding in een volgend leven verloren zal zijn gegaan, zullen de gevoelens blijven als de “stille innerlijke stem.”

 

Waar de gevoelens krachtig op het begeertelichaam van een Ego werden ingedrukt zal deze stem niet op vage, onzekere wijze spreken. Zonder tegenspraak te dulden, zal zij er op aandringen zich te onthouden van wat in het vorige leven smart veroorzaakte en te doen wat goed is. Daarom ontrolt zich het panorama achterwaarts, opdat het Ego eerst de gevolgen zal zien, en dan de daaraan ten grondslag liggende oorzaken.

 

Wat betreft de lengte van het panorama, herinneren wij er aan dat het de ineenstorting van het levenslichaam was die de terugtrekking der hoogere voertuigen ver­oorzaakte. Dus als na de dood het levenslichaam in­eenstort, moet het Ego zich terugtrekken, waardoor het panorama eindigt. Bijgevolg is de duur van het panorama afhankelijk van den tijd die de betrokken persoon, zo nodig, wakker kan blijven. Sommigen zijn hiertoe slechts gedurende enkele uren in staat, anderen kunnen het enkele dagen uithouden, al naarmate de vitaliteit van het levenslichaam.

 

Wanneer het Ego het levenslichaam heeft verlaten neigt het laatste weer naar het stoffelijk lichaam en blijft zweven boven het graf, er tegelijk mee ontbindend. Voor de helderziende is het een weerzinwekkend ge­zicht om op een kerkhof te komen en al deze levens­lichamen waar te nemen, waarvan de staat van ont­binding duidelijk aangeeft hoe het met de overblijfselen in de graven gesteld is. Indien er meer helderzienden waren zou men spoedig tot verbranding overgaan: indien niet wegens gezondheidsredenen, dan als een maatregel om onze gevoelens te sparen.

 

Wanneer het Ego zich van het levenslichaam heeft losgemaakt is de laatste band met de stoffelijke wereld verbroken en treedt het de begeertewereld binnen. De eivorm van het begeertelichaam ondergaat nu een ver­andering en neemt de gedaante van het afgelegde stoffelijke lichaam aan. Echter heeft er een bepaalde rangschikking plaats der materie waaruit zij is samenge­steld en die van groote betekenis is in verband met het soort van leven dat de overledene daar zal leiden.

 

Het begeertelichaam van de mens is samenge­steld uit materie van al de zeven sferen der begeerte­wereld, evenals een stoffelijk lichaam is opgebouwd uit vaste, vloeibare en gasvormige stof dezer wereld. Maar de hoeveelheid stof van iedere afdeling in het begeertelichaam van een mens hangt af van den aard der door hem gekoesterde begeerten. Grove ver­langens zijn uit de grofste begeertestof samengesteld, behorend tot de laagste sfeer der begeertewereld. Indien een mens die in zich omdraagt, bouwt hij een grof begeertelichaam op waarin de stof der laagste afdelingen overheerst. Indien hij er in volhardt, grove verlangens van zich af te zetten, en slechts de reine en goede toe te laten, zal zijn begeertelichaam zijn samengesteld uit materie der hogere sferen.

 

Momenteel is geen mens geheel en al slecht, en niemand geheel en al goed; wij zijn een mengelmoes van die twee. Maar er kan verschil in samenstelling zijn en dit is er ook. In sommige begeertelichamen overheerst de grove en in andere fijnere begeertestof: en dit bepaalt het verschil in omgeving en toestand van den mens als hij na de dood de begeertewereld binnentreedt. Want dan schikt zich de stof van zijn begeertelichaam terwijl het de gedaante van het afge­legde stoffelijke voertuig aanneemt tegelijkertijd zodanig dat de ijlste stof, die tot de hogere regionen der be­geertewereld behoort, het middelpunt van het lichaam uitmaakt, en de materie der drie grofste sferen de buitenzijde. Wanneer het aardleven van het Ego is afgelopen stelt het de middelpuntvliedende kracht in werking teneinde zich van zijn voertuigen te ontdoen. Gehoorzamend aan dezelfde wet die een planeet dat gedeelte van zichzelf doet wegslingeren in de ruimte, dat het dichtst en 't meest gekristalliseerd is, ontdoet het zich eerst van het stoffelijk lichaam. Bij intrede der begeertewereld werkt deze kracht eveneens, de grofste stof van het begeertelichaam naar buiten dringend.

 

Aldus wordt de mens gedwongen om in de laagste afdeelingen te blijven totdat zijn grovere verlangens, die in de dichtste begeertestof hun zetel hadden, zijn gelouterd. Daarom bevindt zich de grofste begeertestof altijd aan de buitenzijde van het begeertelichaam terwijl men door het Louteringsgebied gaat en wordt langzamerhand door de reinigende middelpuntvliedende kracht uitgedreven: de kracht van Afstoting, die het kwade uit de mens trekt, en hem daarna veroorlooft op te stijgen naar de Eerste Hemel in de hogere regionen der begeertewereld, waar uitsluitend de kracht van Aantrekking regeert en het goede van het afgelopen leven in het Ego bouwt als zielekracht. Het afgelegde deel van het begeertelichaam wordt achtergelaten als een lege "schil."

 

Als het Ego zijn stoffelijk lichaam heeft verlaten sterft dit spoedig. Physieke stof wordt bewegingloos zodra de belevendigende, opwekkende kracht zich heeft teruggetrokken, en de vorm wordt opgelost. Zo gaat het niet met de stof der begeertewereld: wanneer deze eenmaal met leven begiftigd is geworden zal deze kracht nog een aanmerkelijke tijd nadat de invloeiing van leven heeft opgehouden, in stand blijven, al naarmate deze krachtig is geweest of niet. Bijgevolg blijven deze “schillen” nog gedurende korter of langer tijd intact, nadat het Ego ze heeft verlaten. Zij leiden een onafhankelijk bestaan, en indien het Ego waarbij zij behoorden sterke wereldse verlangens heeft gekoesterd, misschien afgebroken in den bloei van het leven, toen sterke ambities nog niet waren bevredigd, zal deze zielloze schil dikwijls de wanhopigste pogingen doen om naar de stoffelijke wereld terug te keren, en vele verschijnselen op spiritualistische séances zijn aan de bemoeiingen dezer schillen toe te schrijven. Het feit dat de mededelingen van veler zogenaamde “geesten" totaal zonder zin zijn is gemakkelijk te begrijpen wanneer wij beseffen dat zij in 't geheel geen geesten zijn, maar slechts een zielloos deel van het omhulsel der vertrokken geest, en dus zonder intelligentie.

 

Door het na den dood ingegrifte panorama bezitten zij herinnering van het afgelopen leven, die hen dikwijls in staat stelt de bloedverwanten te bedriegen door voorvallen te vermelden die aan anderen niet bekend zijn. Maar het blijft een feit dat zij slechts het afgeworpen kleed van het Ego zijn, voor het ogenblik een onafhankelijk bestaan voerend.

Echter blijven deze schillen niet altijd zielloos want er zijn in de begeertewereld verschillende klassen van wezens wier evolutie hiermede in betrekking staat. Er zijn goede en slechte, juist zooals bij menselijke wezens. Gewoonlijk duidt men ze aan met de verzamelnaam “elementalen" hoewel zij zowel in verschijning als in intelligentie en eigenaardigheden sterk verschillen. Wij zullen ze alleen beschouwen in zoverre hun invloed te maken heeft met de toestand van de mens na de dood.

 

Soms gebeurt het, vooral als een mens de gewoonte heeft gehad om geesten op te roepen, dat deze wezens gedurende zijn aardleven zijn stoffelijk lichaam in bezit nemen en hem tot een onverantwoordelijk medium maken. Meestal beginnen zij hem met schijnbaar ver­heven leringen te verlokken, maar brengen hem gaandeweg tot grove onzedelijkheid; en het ergste is dat zij zich kunnen meester maken van zijn begeerte­lichaam nadat hij het heeft verlaten en naar de hemel is opgestegen. In aanmerking nemend dat de aandrangen in het begeertelichaam de grondslag vormen voor het hemelleven, en tevens de bron van handelen waardoor de mens geleid wordt tot reïncarnatie ten behoeve van hernieuwden groei, is dit werkelijk een zeer ernstig geval want de gehele evolutie van de mens kan er lange tijd door worden belemmerd voordat de elementaal zijn begeertelichaam prijsgeeft.

 

Het zijn deze elementalen. die verschillende spiritualistische verschijnselen teweegbrengen waarbij meer verstand te pas komt dan bij de handelingen der zielloze schillen, althans bij materialisaties. Hoewel er schillen aan kunnen deelnemen worden verschijnselen altijd voortgebracht door een wezen met intelligentie. Het verschil tussen een materialisatiemedium en een gewoon mens bestaat hierin, dat bij het medium de verbinding tussen het stoffelijk lichaam en het levenslichaam losser is, zodat een deel van dit laatste kan worden uitgelicht, evenals de gassen en zelfs vloeistoffen van het stoffelijk lichaam van het medium, die kunnen worden gebruikt om de lichamen der verschijningen te vormen. Deze terugtrekking en het proces van de omkleding der schillen wordt gewoonlijk door de elementaal verricht die het levenslichaam van het medium wegtrekt door de milt. Als regel is het gevolg dat het lichaam van het medium sterk inschrompelt. Als het stoffelijk lichaam aldus van het belevendigende beginsel wordt beroofd geraakt het vreselijk uitgeput en ongelukkigerwijze zoekt het medium dikwijls herstel van evenwicht in sterke drank en wordt een volslagen dronkaard.

 

Eerder werd er op gewezen hoe gevaarlijk het is om een hypnotiseur toe te staan onze wil te beheersen en ons van onze vrijheid te beroven; maar in dit geval kan het slachtoffer tenminste den hypnotiseur zien en zich een oordeel over hem vormen. Bij het medium is het gevaar verduizendvoudigd, want de beheersende invloed kan niet worden gezien. De dood van den hypnotiseur bevrijdt zijn slachtoffers, maar voor het medium bestaat ook na de dood ernstig gevaar. Daarom is automatisch gebruik van iemands gehele lichaam of zelfs van zijn hand, zonder dat de persoon het zelf wil, elke negatieve toestand, een waagstuk. Het kan niet worden ontkend dat er soms oprechte mededelingen van een vertrokken geest kunnen zijn, of dat er gevallen voorkomen van door sommige wezen heden welwillend aangeknoopte betrekkingen buiten onzen wil om. Wij bedoelen echter te wijzen op de gevaren voor degenen die zich bezig houden met wat zij niet begrijpen.

 

Filantropen zijn in de begeertewereld, evenals hier, dun gezaaid. Het zijn stellig geen grote, goede wezens, engelen, die er plezier in hebben iemands hoed over de oren te slaan, water in zijn hals te gieten of andere op spiritualistische séances vertoonde kunstjes te verrichten. Met nadruk kan worden verklaard dat het of zielloze schillen van deugnieten zijn, óf een streek van elementalen.

 

Wanneer een mens in de begeertewereld ontwaakt is hij, met één uitzondering, in alle opzichten precies dezelfde als vóór de dood. Iedereen die hem daar zou zien zou hem kennen, evenals hier. De dood heeft geen macht tot transformatie: iemands karakter wordt er niet door veranderd. de booswicht en de dronkaard blijven boosaardig en verkwistend, de gierigaard is nog gierig, de dief even oneerlijk als vroeger, maar voor allen is er één groote. belangrijke verandering - allen hebben hun stoffelijk lichaam verloren, en hierin ligt het eenige verschil wat betreft de bevrediging hunner diverse verlangens. De dronkaard kan niet drinken: hij mist een maag, en hoewel hij aanvankelijk in de whisky vaten der kroegen kan kruipen, en dit ook dikwijls doet, schenkt het hem geen voldoening, want whisky in een vat geeft niet de uitwaseming zoals gedurende de chemische verbranding in het verteringskanaal.

 

Dan probeert hij. welk resultaat het heeft zich in te dringen in het stoffelijk lichaam van dronkaards op aarde. Hierin slaagt hij gemakkelijk. want het begeertelichaam is zó samengesteld dat het geen bezwaar oplevert om dezelfde ruimte in te nemen te samen met een anderen persoon. In het begin ergeren “gestorven” mensen er zich dikwijls over als hun vrienden komen zitten in de stoel die zij hebben ingenomen, maar spoedig leren zij dat het niet nodig is zich van hun zetel te haasten omdat een vriend, die nog op aarde vertoeft, nadert om er plaats in te nemen. Het doet het begeertelichaam geen kwaad als “er op gezeten wordt": beide personen kunnen van dezelfde stoel gebruik maken zonder elkaar in hun bewegingen te belemmeren. Dus treedt de dronkaard de lichamen van drinkende mensen binnen. Maar zelfs dit bevredigt hem niet en bijgevolg ondergaat hij de kwellingen van Tantalus totdat de begeerte ten slotte vanzelf uitbrandt bij gebrek aan voldoening er aan, zooals het met alle begeerten gaat, zelfs in het physieke leven.

 

Dit is het "Louteringsgebied," en wij merken op dat geen wrekende godheid het lijden veroorzaakt, maar de gedurende het leven op aarde gekoesterde verlangens, waaraan in de begeertewereld niet kan worden voldaan: hierdoor lijdt men totdat de verlangens na verloop van tijd zijn uitgebrand. De smart komt dus precies overeen met de kracht der verkeerde gewoonte. Neem het geval van de gierigaard: na de dood hunkert hij nog even goed naar goud als op aarde, maar hij kan het niet verzamelen; hij heeft geen physieke hand om het te grijpen en het ergst van alles is dat hij hetgene dat hij bezat niet beschermen kan. Het kan zijn dat hij bij zijn brandkast staat te kijken maar dat zijn erfgenamen komen en de handen recht door hem heen steken, zijn geliefd goud wegnemen, en misschien de gierige oude dwaas uitlachen, terwijl hij er woedend en vernederd bij staat. Hij lijdt hevig omdat hij het niet kan verhinderen. Eindelijk leert hij echter om er zich bij neer te leggen: automatisch wordt hij van hebzucht gezuiverd, evenals de dronkaard van begeerte naar drank.

 

Aldus roeit de wet van oorzaak en gevolg ieders fouten uit op onpersoonlijke wijze. In werkelijkheid bestaat er geen straf: alle lijden komt alleen uit onze eigen gewoonten voort, precies in de juiste verhouding. Zij bevrijdt ons welwillend van onze fouten zodat wij tengevolge van het louteringsproces schuldeloos worden geboren en, bij een nieuwe poging, gemakkelijker de deugd beoefenen door naar de waarschuwende stem te luisteren. Vandaar dat elke slechte daad tenminste een vrijwillige handeling is.

 

Terwijl onze slechte gewoonten in het algemeen aldus behandeld worden gebeurt dit op dezelfde wijze wat betreft onze bepaald slechte daden van het afgelopen leven door middel van het panorama dat in het begeertelichaam werd gegrift. Bij onze intrede in de begeertewereld begint dit panorama zich achterwaarts te ontrollen, vanaf den dood tot aan de geboorte. Deze teruggaande ontvouwing gebeurt ongeveer driemaal zo snel als het plaats grijpen in het physieke leven zoodat een mens, die op 60-jarige leeftijd stierf, ongeveer twintig jaar bezig zou zijn met de herziening van zijn afgesloten leven in de begeertewereld.

 

Wij herinneren ons dat bij het overzien van dit panorama dadelijk na het sterven er geen gevoel bij betrokken was maar dat de overledene er slechts als toeschouwer bij stond, kijkend naar de voorbijtrekkende beelden. Zo is het niet wanneer hij er zich in het Louteringsgebied van bewust wordt. Daar maakt het goede geen indruk, maar al het kwade werkt zó op hem in, dat waar hij anderen heeft doen lijden, hij gevoelt alsof hij het zelf ondergaat. Al de pijn en de smart, die zijn slachtoffer gedurende zijn leven gevoelde, lijdt hij zelf, en aangezien het verloop driemaal zo snel is, wordt ook het lijden verdrievoudigd. Zelfs is het nog heviger dan dat, want het stoffelijk lichaam trilt zóó langzaam, dat zelfs smart er door wordt verdoofd, maar in de begeertewereld, waar wij zonder physieke voertuigen zijn, is het lijden scherper. En hoe duidelijker omlijnd de indruk van het levenspanorama bij dendood in het begeertelichaam werd gegrift, des te meer lijdt de mensch, en des te sterker zal hij er zich in latere levens van bewust zijn, dat deze overtredingen niet meer moeten worden begaan.

 

Er is nog iets, dat het onaangename van dit lijden vermeerdert. Indien iemand gedurende zijn leven twee mensen tegelijkertijd heeft gegriefd, en de een woont in Maine, de ander in Californië ten tijde dat degene, die het hen deed ondergaan, tot het louterend besef komt van de hun aangedane smart, zal deze zich bij beiden tegelijkertijd aanwezig voelen, alsof hij half in Maine, half in Californië vertoefde. Dit geeft een onbeschrijfelijk gevoel van in stukken gescheurd te worden.

 

Er zijn twee klassen van mensen, voor wie het louteringsproces niet dadelijk begint, n.l. voor zelfmoordenaars en de slachtoffers van moord. Ingeval van zelfmoord begint het niet vóór het tijdstip, waarop het lichaam op natuurlijke wijze zou zijn gestorven, maar onderwijl boet hij hevig voor zijn daad op bijzondere wijze. Hij heeft als 't ware een gevoel van uitgehold te zijn, een pijnlijke leegte te bewonen. Dit is toe te schrijven aan de voortgaande werkzaamheid van het oertype van zijn vorm in den sfeer der Concrete Gedachte. Waar mensen, jong of oud, op natuurlijke wijze sterven of tengevolge van een ongeluk, houdt de werkzaamheid van het oertype op; bij den dood onder­gaan de hoogere voertuigen een herschikking, zoodat verlies van het stoffelijk lichaam op zichzelf geen on­aangename gewaarwording geeft. Maar bij de zelf­moordenaar heeft zulk een verandering niet plaats, totdat het oertype van zijn lichaam zijn werk beëindigt, als de dood op natuurlijke wijze zou zijn ingetreden. De ruimte, waarin zijn stoffelijk lichaam zich behoorde te bevinden, is ledig, omdat het oertype hol is, en dit veroorzaakt onbeschrijflijke smart. Hierdoor leert hij, dat het niet mogelijk is, uit de school des levens te spijbelen, zonder dat dit onaangename gevolgen teweeg­brengt; en als in latere levens zijn pad zwaar schijnt, zal zijn ziel zich herinneren, dat een laffe poging om er door zelfmoord aan te ontsnappen, slechts ver­meerdering van lijden meebrengt.

 

Er zijn mensen, die onzelfzuchtige beweegredenen hadden tot zelfmoord, om anderen te ontlasten. Natuurlijk zullen dezulken elders worden beloond, maar het bespaart hun niet de pijnlijke gevolgen van zelfmoord, evenmin als iemand, die een brandend gebouw binnen­gaat om anderen te redden, onvatbaar is voor brand­wonden.

 

Het slachtoffer van moord ontkomt aan dit lijden, omdat hij gewoonlijk in sluimerstaat verkeert, tot op het oogenblik, dat de dood op natuurlijke wijze zou zijn ingetreden; er wordt in dit opzicht voor hem ge­zorgd, evenals voor slachtoffers van zogenaamde on­gelukken, maar de laatsten zijn altijd dadelijk of kort na den dood bewust. Indien de moordenaar, tussen den moord en het ogenblik waarop zijn slachtoffer had behoren te sterven, terecht wordt gesteld, zweeft het slapende begeertelichaam van de laatste door magne­tische aantrekking naar zijn moordenaar,  deze zonder ophouden overal volgend waarheen hij ook gaat. Voortdurend ziet deze het beeld van de moord vóór zich en ondergaat het lijden en de angst die deze onophoudelijke herhaling van zijn misdaad in al de vreselijke bijzonderheden onvermijdelijk moeten verge­zellen. Dit gaat door gedurende de overeenkomstige levensperiode waarvan hij zijn slachtoffer heeft beroofd. Als de moordenaar aan de terechtstelling is ontsnapt, zodat zijn slachtoffer vóór zijn dood het Louterings­gebied reeds heeft verlaten, speelt diens “schil” de rol van Nemesis in het herhalingsdrama van den misdaad.

 

Aldus wordt het Ego door de onpersoonlijke werking der wet van oorzaak en gevolg van elk kwaad ge­zuiverd, geschikt gemaakt om den hemel binnen te treden en te worden gesterkt in het goede zoals hij voor het kwade leerde terugdeinzen.

 

  Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  
**********

Stem Spirituele Vrienden in de
Top 100 NL



**********
Tellers

 

 LetsStat website statistieken