Over Spiritisme.

 

Het einde van de negentiende eeuw en het begin van de 20ste eeuw zullen voor altijd een grote ommekeer betekenen in het ‘denken’ van de westerse mens. Er kwam, in die tijd – als tegengewicht voor het steeds groter wordende materialisme van techniek en wetenschap – een diep verlangen naar datgene wat de mens verheft boven de materie. De kerken, met een vastgeroeste dogmatiek, konden dit verlangen voor velen niet langer bevredigen en dat maakte de tijd rijp om de deuren te openen voor de invloeden van oude en oosterse wijsbegeerte. Denk hierbij aan het ontstaan van de Theosofie, Antroposofie en…. niet te vergeten: een grote opkomst van spiritistische experimenten waarmee men het leven na de dood hoopte te bewijzen. In die tijd leefden in Nederland oa Jozef Rulof, Frederik van Eeden en Felix Ortt, kinderen van hun tijd en als zodanig betrokken bij spiritisme. Felix Ortt heeft hierover heel wat geschreven en uit één van zijn boeken plaats ik hier – ter kennismaking - enkele hoofdstukken.

 

Het Spiritisme

Een studie door ir. Felix Ortt

 

Eerste druk, verschenen in 1899


Groningen, 9 juni 1866 - Soest, 15 oktober 1959

 

Het spiritisme uit religieuswijsgerig oogpunt.

 

Het behoeft geen betoog, dat het uit religieuswijsgerig oogpunt van het hoogste belang is, empirische zekerheid te hebben aangaande het voortleven der ziel na den dood.

Er zijn menschen, die op innerlijke gronden deze overtuiging zoo sterk bezitten, dat ze aan de ervaringsbewijzen van het Spiritisme geen behoefte hebben.

Welnu, zulken behoeven hier dan ook geen studie van te maken, ze kunnen het links laten liggen en hun tijd besteden aan vraagstukken die hen meer interesseren. Maar deze geestesgesteldheid geeft hun allerminst recht om in het algemeen aan deze objectieve studie van ervaringsfeiten alle belang te ontzeggen. Want zeer velen hebben wèl behoefte aan feitensteun voor hun geloof. Zeer velen hebben in feiten toch maar het meeste houvast, en vinden hierin steun tegen alle opwellingen van twijfel. Allerlei filosofieën worden met groot talent verdedigd, ook de materialistische die het zieleleven onverbrekelijk verbindt aan de levende aardsche stof. Velen zijn er die hun spiritualistische meening die ze hebben ontleend aan hun ouders, hun godsdienst, onderwijzers, hun omgeving, zonder vaste innerlijke gronden aanhangen: die meening is niet geworteld en kan door een warm, talentvol, schijnbaar wetenschappelijk betoog ernstig geschokt worden. Zoo kan twijfel, zielenonrust, angst, ja vertwijfeling ontstaan. Maar alle filosofische redenering loopt ten slotte te pletter op de ervaring, op de nuchter als waarheid erkende feiten, en daarom heeft feitenkennis zijn waarde, al is die niet de hoogste vorm van “weten” voor den denkenden mensch.

Wanneer dus iemand zegt dat hij voor zijn religieuze en filosofische overtuiging het Spiritisme niet noodig heeft, kan men dit aanvaarden; zegt hij echter dat “men” of “de menschheid” de uitkomsten dezer ervarings­wetenschap niet noodig heeft, dan verdient hij de terechtwijzing: “speak for yourself, sir!”

De zekerheid van voortleven na den dood geeft aan onze verhouding tegenover de buitenwereld, tegenover onze medemensen, een gansch ander karakter dan de overtuiging, dat ons levensbewustzijn met den aardschen dood teniet gaat. Al mag het waar zijn dat de praktische ethiek bij materialisten en spiritualisten gemiddeld weinig uiteen zal loopen, dan is toch deze overeenstemming meer een bewijs, dat de menschen zich door onbewuste neigingen, instincten of diepere intuïtie laten leiden dan door verstandelijk-aanvaarde filosofische stelsels; doch geenszins bewijs dat alle stelsels tot dezelfde ethische en praktische consequenties moeten leiden. De goede men­schen zijn goed, medevoelend, altruïstisch, onafhankelijk van hun philosophie; en de slechten zijn evenzeer on­afhankelijk daarvan zelfzuchtig, wreed en ruw. Maar er zijn ook vele menschen die in kritieke levensmomenten steun kunnen hebben aan hun bewuste inzichten - die b.v. beter het leed verdragen, veroorzaakt door het sterven van hen, die hun lief zijn, wanneer ze dit kunnen beschouwen als een tijdelijke scheiding en niet als een gemis voorgoed. Er zijn ook velen, die door de overweging, dat zij hiernamaals de gevolgen van hun aardsche leven zullen ondergaan, aangespoord zullen worden beter te leven, zich meer in te spannen, dan indien zij ervan overtuigd waren: dood is dood, en dan is het uit.

De meeste filosofische materialisten gelooven niet waarachtig in hun materialisme, want wie daar wel waarachtig in gelooft, voor die is het leven zoo grenzeloos weemoedig, zoo droevig, zoo schreeuwend onrechtvaardig, dat hij geen gelukkig oogenblik zou kunnen hebben. Hij kan geen godsdienst hebben, want hij ontkent het eeuwige leven van den Geest onafhankelijk van de stof; hij kan geen levensmoed hebben, want waartoe dient alle inspanning, die immers toch tot mislukking en onvruchtbaarheid gedoemd is! Wat is de grond van moraliteit, van zedelijke plicht, als 't leven niets is dan lijden, verlicht slechts door eenige flikkeringen van schijnvreugde, die alleen een dieper donker achterlaten!

Hier moet de consequent denkende en voelende materialist toe vervallen. De velen die dit niet doen, bewijzen dat wel hun objectieve ik materialistisch denkt, maar hun subjectieve ik anders voelt, of anders weet. Daarom zijn ze niet ongelukkig, niet wanhopig; maar toch bestaat een onbevredigend conflict tusschen verstand en intuïtie, wat niet anders dan schaden kan aan ons hoogste goed: de innerlijke vrede.

Maar evenmin gelooven de meeste godsdienstige menschen waarachtig aan de leerstellingen van hun kerkgenootschap. Anders zou hun leven niet zijn zooals het inderdaad is. Ze zouden dan niet zoo bedacht zijn op allerlei aardsche, tijdelijke voordelen; ze zouden zich dan wezenlijk beschouwen alleen als tijdelijke beheerders van aardsche goederen, die toch bij het sterven alles moeten achterlaten en slechts één schat mede in het graf nemen - datgene wat de ziel verrijkt heeft.

Het is daarom voor den mensch en de menschheid van de hoogste waarde, dat zij ook objectief weten, dat zij waarachtig overtuigd zijn, van het voortleven na den dood, van de blijvende gemeenschap met allen die hun lief zijn. En dit niet alleen - maar dat zij erkennen het bestaan van een geestenwereld, een geeste­lijke wereld, die met deze wereld van op aarde gebonden geesten in verbinding staat. Dat er machten en invloeden zijn, onzichtbaar maar toch werkelijk, die ons helpen en steunen kunnen, tot wie wij bidden kunnen, wetende dat er aanraking is en gebedsverhoring. De schoone gedachten over een liefderijk en machtig God, een Vader in den hemel, die zijn aardsche kinderen liefheeft en zegenen wil, krijgen eerst beteekenis als het geestelijk leven en daarmede de mogelijkheid van geestelijke beïnvloeding als werkelijkheid gevoeld en geweten worden. De hoogste visie van een Goddelijke Al-Eenheid, van Brahma of Tao, van Universele Verwantschap van al wat leeft, wordt meer dan een holle klank, dan een fraaie denksluitsteen op een filosofisch stelsel, wanneer wij een voorstelling hebben van het geestelijke, het blijvende bij de wisselingen van stof en energie; wanneer dit voor ons tot realiteit geworden is.

Zonder de bevestigingen van het Spiritisme zijn deze religieuze en filosofische visies zeker mogelijk, maar door die bevestigingen krijgen zij de vastheid van over­tuiging, die we zoo noodig hebben in den strijd en bij alle teleurstellingen des levens.

 

* *

Het Spiritisme heeft geleid tot bepaalde religieusfilosofische stelsels. Een stelsel dat bij de beoefenaars van het Spiritisme veel opgang heeft gemaakt, is dat van Allan Kardec (het bekende pseudoniem van den Franschman Rivail). In tal van werken, waarvan zijn "Livre des Esprits" (vertaald als "Het boek der Geesten") wel het belangrijkste is, heeft hij dit systeem ontwikkeld, zooals het hem door geestenmanifestaties geopenbaard is.

Ds. S. F. W. Roorda van Eysinga, die voor een halve­ eeuw de meest betekenende leider der Nederlandsche spiritisten was, was een warm aanhanger van Kardec’s leer, en zoo heeft die hier te lande invloed gekregen. In de eerste drukken van deze "Studie" heb ik dan ook veel aandacht hieraan gewijd. Maar 't schijnt me niet noodig dit thans nog te doen. Kardec's stelsel is niet het eenige dat op de spiritistische ervaringen en leringen gebouwd worden kan. Het is een der vele, en 't heeft evenals elk ander stelsel zijn bezwaren en fouten. Wie er meer van weten wil, kan het in zijn werken nader bestudeeren.

Het is niet zóó gesteld, dat de communicerende­ geesten de volle waarheid weten en dus, wanneer een communicatie echt is, de inhoud daarvan ook waar is. Alles behalve. Al zijn de van de aardsche stof losgemaakte geesten ook in dit opzicht minder belemmerd en beperkt - ze zijn daarom door hun overgang niet in eens meer gevorderd, hooger geëvolueerd. Hun subjectieve ik blijft wat het was. En derhalve moet het in de onzienlijke wereld zoo zijn als op de aarde: zooveel hoofden, zooveel zinnen; zooveel individuen, zooveel eigen inzichten.

Aangenomen dus dat er communicaties zijn die niet louter van het subjectieve~ik der mediums afstammen, maar een boven~ of buitenaardse oorsprong hebben, dan waarborgt die oorsprong geenszins de voortreffelijkheid of waarheid der geuite mededelingen. Het blijkt dan ook dat er in verschillende kringen van spiritisten verschillende soorten van mededelingen ontvangen worden, die alle gelijkelijk erop aanspraak maken van bovenaardse oorsprong te zijn, die gelijkelijk een verheven geest ademen, maar die desniettegenstaande in godsdienstigen en filosofische inhoud aanmerkelijk verschillen.

Dit kan liggen aan den invloed der mediums en der aanzittende onderzoekers, wanneer men de animistische verklaring aanvaardt, maar ook, voor wie de spiritische verklaring aanneemt, aan ‘t verschil in geloof der geesten of geestengroepen zelven.

Zoo is de inhoud der door Kardec ontvangen communicaties lang niet gelijkluidend met die van Rev. Stainton Moses, het beroemde Engelse medium, ­hoewel beide zeer zeker stichtend en opbouwend, in verheven religieuze taal. Maar omdat het zoo is, is het onnodig hier bij een bepaald stelsel stil te staan.

 

Gevaren.

 

Het Spiritisme heeft zijn gevaren. Vooreerst kan het leiden tot onjuiste inzichten en gevolgtrekkingen.

Zelfs al nemen wij aan - op grond van al hetgeen te voren is aangevoerd - dat niet alle spiritistische ver­schijnselen zijn te verklaren langs animistische weg, uit de werking van het subjectieve-ik van het medium en van de omstanders, zoo blijft het toch uiterst moei­lijk en zal het bij de geringe kennis van de wetten der geestelijke wereld, die wij bezitten, in verreweg het merendeel der gevallen onmogelijk zijn uit te maken welk aandeel in de manifestatie is toe te schrijven

1°. aan den geest van het medium;

2°. aan den geest van de omstanders;

3°. aan den geest van niet-aanwezige levende per­sonen;

4°. aan geesten die niet de aarde bewonen.

En daar het gehalte van de laatstgenoemden nog zeer verschillend kan zijn is de bron, waaruit een mededeling voortvloeit, in den regel dus zeer twijfelachtig.

In verband hiermede zal het merendeel der be­oefenaars groot gevaar loopen bedrogen uit te komen; eensdeels door op een dwaalspoor te worden gebracht door animistische verschijnselen aan te zien voor spiri­tische; en anderdeels, zoo ze inderdaad met spiritische mededelingen te doen hebben, door allicht te veel gewicht te hechten aan persoonlijke inzichten van de zich manifesterende geesten, en daardoor den ruimen onbevooroordeelde blik op vele dingen te verliezen. Zoo is menigeen de dupe geweest, door gehoor te geven aan waarschuwingen of bevelen, ontvangen door middel van zoogenaamde geesten~communicaties. En persoonlijk heb ik herhaaldelijk ervaren dat de inhoud van mededelingen, bij ernstige aanzitting verkregen, een samenraapsel van onwaarheid en bedrog was.

Dienaangaande vermeldt Dr. Fr. van Eeden in zijn artikel in de “Nieuwe Gids” van 1890: “De spiritistische verschijnselen” (later in zijn “Studies” opgenomen) een geval van acute krankzinnigheid waardoor een zijner patiënten getroffen werd, iets wat volstrekt niet bevreemdend is; immers: de studie van ‘t gebied der animistische werkingen heeft geleerd dat,  waar het verstand (het objectieve~ik) be- en overheerst wordt door het subjectieve~ik, feitelijk krankzinnigheid aanwezig is.

Ook Professor Ludwig Staudenmaier, die bij zichzelf de mediamieke vermogens cultiveerde om die in hun 'wezen beter te bestudeeren, heeft zich daarmede een ernstige aandoening van het zenuwstelsel bezorgd, en ongetwijfeld ware voor ieder ander met minder bezonnenheid en inzicht, bij dergelijke ervaringen het gevaar voor krankzinnigheid hoogst ernstig.               

Bedenkt men daarbij hetgeen bij de beschrijving der spiritistische verschijnselen gemeld is - hoe de uitoefening der psychische kracht het medium uitput en somtijds zijn lichaamsgewicht tijdelijk doet verminderen, dan baart het te minder verwondering, dat onvoorzichtigheid allicht tot ernstige gevaren voor de gezondheid leiden kan.

Ook is het bijwonen van seances voor het zenuwstelsel van sommige onderzoekers vaak zeer nadelig.

En ofschoon er ook zeer velen zijn, zoowel mediums als onderzoekers, wier gezondheid bij het nemen der proeven niet de minste schade schijnt te lijden, leert dit alles toch voorzichtigheid.

Dit pleit nu weliswaar evenmin tegen het Spiritisme, als het bijvoorbeeld tegen de scheikunde pleit, wanneer onervaren onderzoekers bij het nemen van chemische proeven een ongeluk krijgen. Maar het leert wel, dat bijwonen van seances en onderzoekingen doen op het gebied van occultisme en spiritisme niet ieders zaak is en het zeer gevaarlijk kan zijn daarmede te beginnen zonder beproefde leiding.

 

 

Besluit

 

De slotsom van het hier gegeven overzicht van het Spiritisme en zijne beteekenis voor godsdienst en levensbeschouwing geloof ik in de volgende punten te kunnen samenvatten:

1°. De spiritistische verschijnselen zijn echt.

2°. Zij zijn in hun vollen omvang alleen afdoende te verklaren door naast onbewuste ziele-krachten van mediums en andere personen, de tussenkomst aan te nemen van geesten, niet gebonden aan een aardsch lichaam.

3°. De fysische verschijnselen, zoowel als de mededelingen der geesten hebben een nieuw licht verspreid over vele tot dusver onverklaarde gebeurtenissen en wetten in het Heelal, en in het bijzonder over het wezen van den mensch, en diens toestand in en buiten zijn aardsch bestaan.

4°. Het Spiritisme als religie beschouwd, is evenals alle godsdiensten, het uitvloeisel van een geestelijke open­baring, geschikt voor de menschheid op een bepaald standpunt van hare ontwikkeling; een openbaring, die o. a. tot helderder en beter inzicht in de Christelijke leer kan leiden. Het verdient daarom ernstige overweging.

5°. Waar het Spiritisme zich - evenals in het stelsel van Kardec - vastlegt in bepaalde dogma's, deelt het in de onvolmaaktheid van alle dogmatische stelsels. In dien vorm mag het geenszins als de absolute waarheid worden aangenomen.

6°. De studie van het Spiritisme behoort niet langer bij andere takken van wetenschap en andere stelsels van godsdienst en wijsbegeerte te worden achtergesteld.

Elk filosofisch stelsel, dat met de uitkomsten dezer studie verzuimt rekening te houden, is daardoor alleen reeds onvolledig en betrekkelijk minderwaardig.

7°. De praktische beoefening van spiritistisch onderzoek stelt aan ernstige gevaren bloot en is alleen bij groote voorzichtigheid aan diegenen aan te raden die de stellige bewustheid hebben er toe geroepen te zijn.

 

Frederik van Eeden: Over Spiritisme   Redevoering gehouden in 1901 in Londen

 

  Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  
**********

Stem Spirituele Vrienden in de
Top 100 NL



**********
Tellers

 

 LetsStat website statistieken