"De wetten van Karma"

 

 

01. Het wegen van de ziel - 02. De alchemische bruiloft - 03. Wat een mens zaait -

 

 



 

Over de weegschaal/het wegen van de ziel.

 

Het wegen van het hart was in de Egyptische mythologie de benaming voor de ceremonie waaraan een overledene zich direct na zijn overlijden moest onderwerpen in de Hal van de Twee Waarheden. In het midden van de hal stond een grote weegschaal. Aan de ene kant van de weegschaal lag de Veer van de Waarheid. Aan de andere kant moest de dode zijn hart neerleggen. Anubis, de God van de doden, zat bij de weegschaal. Thoth, de god van de wijsheid, schreef de uitkomst van de test op en Osiris, de god van de onderwereld en de vruchtbaarheid, hield toezicht over dit alles. Als het hart even zwaar was als de veer, mocht de dode door naar de poorten van Yaru, het hiernamaals. Als het hart zwaarder was, sloeg de weegschaal door en kon het monster Ammit bij het hart en zij at het op. Een ander monster at het huis van de ziel op en de ziel alleen moest eeuwig over de aarde zwerven. (Bron: Wikipedia)

Hier beschrijft  Joan Grant - in Gevleugelde Pharao – deze ceremonie


Het Wegen van het Hart – G. de Purucker

 

ONS LEVEN, ONZE BESTEMMING als mens, worden ons niet door een grillig noodlot toebedeeld; alles wat we denken, alles wat we voe­len en alles wat we doen wordt gewogen op de weegschaal van het lot, zoals in de Egyptische ceremonie of rite van het Wegen van het Hart van de overledene symbolisch wordt voorgesteld. Die weegschaal weegt twee dingen, zoals dit Egyptische ritueel zo knap demonstreert: op de ene schaal bevindt zich het levens­centrum, het hart van de mens die leefde, maar nu dood is; en op de andere schaal ligt de veer van de waarheid, van de werkelijk­heid, die niet kan worden omgekocht, die zich door niets laat afleiden, die zich door niets laat overhalen of beïnvloeden.

 

Dit symbolische ritueel geeft dus een prachtige verklaring van de leer van karma, het onontkoombare lot dat niets en niemand ooit kan veranderen, want het is de goddelijke wet zelf, die we vergelding noemen als het een gevolg is van onze zonden, en beloning als het een gevolg is van het goede in ons of van onze goede werken. In de majestueuze atmosfeer rond dit ritueel is de mens echter niet afhankelijk van een rechter of een vonnis en evenmin bestaat er vergiffenis. Hij is alleen afhankelijk van de wetten van het zijn zélf. Die weegschaal weegt uiterst nauwkeurig; niets brengt haar uit haar evenwicht, niets laat de schaal omhoog of omlaag gaan. Hij wordt gewogen -let wel- hij wordt gewogen tegen de waar­heid zelf en hebt u ooit gehoord dat de waarheid is omgekocht of afgedwaald, veranderd of werd beïnvloed?

 

Dit is de leer van beloning en vergelding die wij karma noe­men: wat een mens zaait dat oogst hij, niet iets anders; en hij kan de oogst niet ontlopen want hij zelf, gesymboliseerd door zijn hart op de weegschaal, wordt tegen de waarheid gewogen[1]. Als het hart en de veer van de waarheid in evenwicht zijn, dan is het hart even licht en geestelijk als de waarheid zelf en is het daaraan verwant. Maar als het hart zwaarder weegt door gezondigd te heb­ben en door de aantrekking tot de lagere dingen op aarde, gaat het omlaag en is de omhooggaande veer op de andere schaal het getuigenis en het bewijs tegen het door het aardse belaste hart dat niet omhoog kan om het evenwicht te herstellen.

 

Dit symbolische ritueel heeft iets majestueus. Het heeft een diepe en veelzijdige betekenis en ik denk dat de edelste daarvan is de uitwerking op ons in ons dagelijks leven. Wat ge zaait, zult ge oogsten. Met geen woord wordt gesproken over vergiffenis en als er in het heelal van zoiets als vergiffenis sprake was, zou het heelal zelf als oneindige gerechtigheid zijn uitgeschakeld. Een gewoon mens kan geen oneindige zonde begaan, want noch zijn geest, noch zijn ziel of zijn kracht is oneindig in omvang. Zijn zonden zijn menselijk en daarom is het wegen op de weegschaal mense­lijk; de vergelding zowel als de beloning liggen beide op menselijk niveau. Dat is de oneindige rechtvaardigheid van moeder natuur, de natuur die het geestelijke, het goddelijke en ons omringende natuur omvat, want die zijn één.

 

Als iemand van dit belangrijkste feit in het menselijk leven is doordrongen, verandert daarmee zijn hele leven als mens. Hij begint zich rekenschap te geven van zijn daden, hij begint zich rekenschap te geven van de aard van zijn gedachten. Hij bekom­mert zich om de stroom van zijn gevoelens; want vóór zijn heen­gaan en wat men de dood noemt, is hijzelf de bezitter van de weegschaal en door zijn gedachten, zijn gevoelens en zijn daden, daden die voortvloeien uit zijn gedachten en gevoelens, bezwaart hij zijn hart met het gewicht ervan. En na zijn dood wordt hij op de weegschaal gewogen, niet op theatrale wijze, zoals het wegen in de symbolische afbeelding, maar gewogen op de weegschaal van het lot; dezelfde weegschaal die mij of u in dit of dat lichaam brengt, in dit of dat land, nauwkeurig in overeenstemming met wat elk mens in vroegere levens in zichzelf, door gedachten en gevoelens en aspiraties en alle andere menselijke emoties heeft opgebouwd. Die dingen zijn geen toeval en gebeuren niet zomaar.

 

Welnu, is het niet duidelijk dat als iemand zich van deze dingen bewust is, ze op hem inwerken en zijn hart beginnen binnen te stromen, zijn gedrag anders moet worden? Leert hij niet, zoals een kind dat zijn vinger in kinderlijke onschuld in een kaarsvlam steekt? Het leert daardoor. Wat een geweldige morele betekenis heeft deze symbolische voorstelling van het hart van een mens, dat zijn ware zelf is, dat wordt gewogen op de weegschaal van kos­mische gerechtigheid, die niet door bidden kan worden beïn­vloed, die volslagen betrouwbaar is, want op de andere schaal ligt de veer van de waarheid. Niemand wordt ooit onrechtvaardig beoordeeld of ondergaat iets, hoe gering ook, dat hij niet zelf heeft verdiend; ook wordt nooit iemand beloond voor wat hij niet heeft verdiend, want dat zou ongerijmd zijn; en de rechtvaardig­heid en schoonheid van het heelal zijn zonder weerga.

 

Het wegen van het hart, dat het eigen zelf is van de mens, op de weegschaal van het lot, toont ons ook dat wij van ons leven iets moois of iets lelijks maken, strikt in overeenstemming met onze eigen wens en wil en onze aspiratie. We hebben ons lot in eigen hand. Het is niet zo dat de ene mens kracht a krijgt toegemeten om te slagen, en de andere kracht b om te mislukken. We zijn alle­maal een vonk van het goddelijk hart, hebben allemaal gelijke mogelijkheden en hebben eeuwig gelijke kansen; en als we mis­lukken, dan zijn wij het die falen en moeten boeten; maar als de boetedoening eenmaal voorbij is, beginnen we weer met nieuwe hoop en nieuwe kansen: ik heb mijn schuld betaald, ik ben nu vrij, ik begin opnieuw. Hoe fier is deze leer en hoe bemoedigend voor ons. Het is een leer van hoop, want geen menselijk lot is zo onge­lukkig of minderwaardig dat het, als men dat wil en van dit moment af begint, niet op schitterende wijze ten goede kan wor­den veranderd; want als men het ten goede wil doen keren, begint het hart te werken, op u in te werken en uw geest te vullen met edeler gedachten dan er eerst leefden en met gevoelens die veel dieper en milder en zuiverder zijn dan die u eerst koesterde.

 

Het is een prachtig symbolisch beeld van de werkelijkheid. Wat is die weegschaal en hoe doet de natuur haar werk? Wel, dat zien we voortdurend om ons heen. Hoe kwam ik in dit lichaam en deze incarnatie? Via de vele woningen van de Vader, zoals de meester Jezus placht te zeggen. Ik kwam uit de hemelwereld, uit devachan, in deze wereld via vele bestaansgebieden, daalde af naar deze materiële wereld omdat ik daartoe werd aangetrokken. Wie is de gids en de leider? Horus, de goddelijke geest, de voornaamste geleider van mijn voetstappen, als ik hem dat toesta - volgens het Egyptische ritueel. En het gebeurt als het ware allemaal door dezelfde krachten die in deze stoffelijke sferen heersen, die de zonnen doen stralen en de hemellichamen, zoals onze aarde, doen wentelen en die maken dat alles in een samenvloeiende beweging van het ene naar het andere kosmische bestemmingsgebied gaat. Dit gebeurt allemaal omdat het geheel binnen de natuurwet valt, de wetten van de natuur.

 

Hoe vind ik dus mijn weg door dit leven? Door aantrekkings­kracht, door wat ik van mezelf heb gemaakt. Ik word hierheen aangetrokken en die aantrekking laat me niet ergens anders heen gaan. Ik schep mijn eigen lot, ben daar ook nu mee bezig en zal in het volgend leven het opnieuw scheppen; laten we hopen meer harmonieus dan ik het in dit leven deed.

 

Wat zijn deze hallen of woningen waar Ani, de doorsneemens van het Egyptisch ritueel, doorheen moet voordat zijn hart wordt gewogen tegen de veer van de waarheid - licht als een veer - en die toch het heelal aan banden houdt die nooit worden verbroken? Wat zijn die kamers en woningen waar de goddelijke ziel door­heen gaat? Het zijn de verschillende gebieden, de verschillende werelden waardoorheen de mens na de dood zijn weg zoekt. Hoe kent de ziel van de overledene, als ze bij een poort komt en aan­klopt om binnen te worden gelaten het juiste wachtwoord? Door precies dezelfde instinctieve kennis en aantrekkingskracht waar­ door de incarnerende ziel, die uit devachan komt, haar weg vindt naar haar huidige familie en het lichaam van nu. Ze kan niet ver­dwalen. En wat betekent het aankloppen van de overledene - weer zo'n prachtig symbool?

 

Het is als het ware niets anders dan het naderen van een nieuw gebied, een nieuwe wereld, een nieuw sta­dium op de weg van de ziel tijdens haar pelgrimsreis en zij weet instinctief hoe het te naderen, hoe er binnen te gaan, hoe volgens het Egyptisch ritueel het gezaghebbende woord moet worden gesproken. Dat bevindt zich in de ziel zelf. Het is ervaring, intuïtie en kennis, hetzelfde wat wij hier nu gebruiken om elkaar te begrijpen, met elkaar te praten, samen te lezen en te studeren. We begrijpen elkaar; maar hoe zou men begrip kunnen verklaren voor iemand die niet weet wat begrip is? Als ik woorden spreek die bij uw verstand aankloppen, als een spreker klopt aan uw hart, gebeurt dat met een gedachte, met een gevoel, het gebeurt met kennis en de poorten van begrip vliegen wijd open; ideeën en gedachten treden uw geest, uw ziel binnen. Dan is er op de juiste manier geklopt.

 

Dat wordt bedoeld met de kamers of woningen waar de ziel doorheen gaat; waar ze voor de verschillende poorten komt te staan en krachtig aanklopt; als ze wordt beproefd zegt ze de mach­tige woorden die het haar mogelijk maken verder te gaan. Als men deze wachtwoorden tot een deel van zijn wezen heeft gemaakt, kan men ongehinderd verdergaan. Als men zich niet tot dat punt heeft ontwikkeld of onwaardig is, als ze niet een deel van de ziel zijn geworden, wordt er een halt toegeroepen en moet men terug.

 

Het is een oude, algemeen erkende waarheid van de goddelijke wijsheid dat alle grote dingen in de wereld uit het hart van de mens komen. Die zetelen niet in het brein; want het brein is de grote brenger van verdeeldheid, de grote bedrieger. Het is het hart van de mens dat één maakt. Hoe komt dat? Omdat het hart een universele taal spreekt die geen woorden nodig heeft. Maar het brein spreekt een woorden taal die van mens tot mens moet worden vertolkt. Daarom is het hart zoveel groter. De grote din­gen van het leven komen uit het hart; want in het hart zetelen lief­de en intuïtie, onderscheidingsvermogen en inzicht, zelfopoffe­ring, deernis en mededogen, zuiverheid en goedheid, waarheid, trouwen eer; uit het verstand van de mens komen onenigheden, ruzies, de onwil om anderen te begrijpen, gevoelens van haat en al die andere voortbrengselen van de lagere natuur van de mens, want het zijn de dingen van het brein waarover mensen voort­durend twisten. Ze twisten nooit over wat uit het hart voortkomt, want dat zijn de dingen die we als mens gemeen hebben.

 

Voorbeeld: de waarheid is mij lief en dat geldt voor ieder in deze zaal. Dat is een uitspraak die rechtstreeks uit het hart komt. Maar het verstand zegt onmiddellijk: wat voor soort waarheid, wat bedoelt u met waarheid? De waarheid van Jan of de waarheid van Kees? Het zakt zoals u ziet onmiddellijk af en er begint een gere­deneer, gekrakeel, geharrewar over en weer en een twistgesprek over louter details; maar het hart zegt eenvoudig: ik heb eerbied voor de waarheid en ieder ander mens in het gehoor begrijpt dat met zijn hart. Het hart zegt: ik houd ervan. Het brein begint er dadelijk over te redeneren en allerlei mannen en allerlei vrouwen hebben andere ideeën over wat liefde is en hoever men moet gaan en hoever men niet moet gaan, hoeveel vertrouwen men moet hebben en niet moet hebben, van wat voor soort mensen ik houd en van welke soort ik niet houd.

 

Het hart staat hier ver boven. Het zegt eenvoudig, ik heb lief. Het is een universele taal die ieder mens begrijpt. Daarover behoeft men niet te twisten. Men aanvaardt het. Het is het brein dat argumenten aandraagt. Het hart zegt: vertrouwen is een van de mooiste uitingen in het menselijk gedrag, vol vertrouwen zijn. Waarom houden we van iets en bewonderen we het? Met welk deel van ons zijn we trouw, betonen we respect? Met het hart. Het spreekt een universele taal; daarom zeggen we dat uit het menselijk hart alle grote dingen in het leven van de mens komen.

 

Ik wil nog iets verder gaan en u zeggen dat het hart van de mens de tempel of woonplaats of het tabernakel is van een godheid; het is de woning van Horus, volgens het Egyptisch ritueel. Iedere keer dat iemand u zijn woord geeft en dat houdt, vooral als hij er zelf nadeel van heeft, handelt hij als een bezield mens. Iedere keer dat iemand u zijn woord geeft en het niet nakomt, omdat het hem beter uitkomt zich er niet aan te houden, is die mens tijdelijk niet bezield. Zijn ziel slaapt. Iedere keer dat iemand een medemens bedriegt, is zijn ziel in dit opzicht in slaap, ze is niet actief. Hij is niet bezield. Iedere keer dat iemand iets doet of een nobele gedachte denkt die anderen helpt, is hij werkelijk mens, want hij is bezield. En als een mens volledig bezield is, zoals allen eens zul­len zijn, als zijn ziel vrij is, leeft er niet langer een mens maar een god onder ons.

 

Ik denk dat het mooiste dat wij mensen ooit kun­nen zien het licht van bezieling is dat in de ogen van een mede­mens daagt. Als u dat nooit hebt gezien en nooit hebt begrepen, komt dat omdat uw eigen ziel slaapt; want in deze dingen doet geest een beroep op geest, geest herkent geest, het goddelijke her­kent het goddelijke, de mens in me herkent de mens in U, en dat is bezielend. 0, als alle mannen en alle vrouwen eens zo leefden dat zij het goddelijke in zich naar buiten brachten en zodoende getuigden van de goddelijke bron van hun eigen innerlijk licht!

 

Bron: Wind van de Geest – G. de Purucker



[1] bezong Bram Vermeulen dit niet prachtig in 
Ik heb een steen verlegd, in een rivier op aarde

Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten!

Ik leverde bewijs van mijn bestaan,

Omdat door het verleggen van die ene steen,

De stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan!

 


 

In de ‘Alchemische Bruiloft van Christiaan Rozenkruis’ lezen we bij het begin van ‘de derde dag’ ook over de weegschaal, of waag.

 

 

De jonkvrouwe spreekt:

 

Wie bij een schilder binnentreedt

terwijl hij niets van schilderen weet,

maar daarvan spreekt op hoge toon,

ontvangt alleen maar spot en hoon.


 

Wie tot de kunstenaars wil behoren

zonder daartoe te zijn verkoren,

maar knutselt met veel schijnvertoon,

ontvangt alleen maar spot en hoon.


 

Wie zich op 't bruiloftsfeest vertoont

zonder daartoe te zijn genood,

en dan verschijnt met pracht en praal,

vindt spot en hoon als zijn onthaal.

 

Wie dan de waag bestijgen gaat,

maar de gewichten niet weerstaat,

hij schiet omhoog in snelle vaart,

geen spotgelach wordt hem bespaard.

 

 

Zodra de Jonkvrouw was uitgesproken, beval zij de edelknapen allen op een rij te plaatsen en hen één voor één op de weegschaal te doen plaats nemen[1]. Een der keizers gaf aan dit bevel gehoor en besteeg, na eerst voor de Jonkvrouw een kleine buiging te hebben gemaakt, in al zijn pracht de weegschaal. Daarop legde elk der groepsleiders zijn gewicht in de schaal, hetgeen de keizer tot ieders verwondering doorstond. Maar het laatste gewicht werd hem te zwaar, zodat hij tot zijn grote droefheid omhoog ging. Dit wekte, naar het mij toescheen, het medelijden van de Jonkvrouw op, die dan ook de haren een wenk gaf te zwijgen. Toch werd de goede keizer gebonden en aan de zesde groep over­gegeven.

 

Na hem kwam er een keizer die trots op de weegschaal stapte en die, daar hij een groot dik boek onder zijn kleed verborgen had, meende dat hij niet zou falen. Toen hij echter nauwelijks het derde gewicht doorstaan kon en onbarmhartig omhoogge­trokken werd, en hij door de schrik ook nog zijn boek liet vallen, begonnen alle soldaten te lachen en werd hij, gebonden, aan de derde groep overgeleverd. Zo verging het nog enkele andere keizers, die allen smadelijk uitgelachen en gebonden werden.

 

Na hen kwam er een kleine man, met een krullend bruin baardje, eveneens een keizer. Na de gebruikelijke buiging be­steeg ook hij de schaal en hield het zo goed uit dat ik dacht dat, indien er meer gewichten geweest zouden zijn, hij ook die zou hebben weerstaan. De Jonkvrouw stond snel voor hem op, boog voor hem en liet hem een rood fluwelen gewaad aantrekken, waarna zij hem een lauwertak, waarvan er vele op haar zetel lagen, overhandigde en hem uitnodigde op de treden van haar troon plaats te nemen.

Hoe het daarna andere keizers, koningen en heren verging, zou te lang duren om te vertellen. Alleen kan ik niet onvermeld laten dat er slechts weinigen van deze kopstukken overbleven. Ofschoon, boven mijn verwachting, menige schone deugd hen sierde. De een vermocht dit gewicht, de ander dat gewicht te weerstaan, sommigen twee, anderen drie, vier of vijf gewichten; weinigen konden echter de proef volledig doorstaan. Ieder die faalde werd echter door de soldaten danig uitgelachen.

 

Nadat de toetsing ook aan de edelen, geleerden en anderen voltrokken was, en er bij iedere groep soms één, soms twee, dik­wijls echter ook geen gevonden werd die alle gewichten weer­stond, kwamen tenslotte ook de vrome heren volksbedriegers aan de beurt en de slimme vervaardigers van de lapis spitalau­ficus[2]. Zij werden met zoveel spotternij op de weegschaal ge­plaatst dat zelfs ik, ondanks mijn droefenis, de buik moest vast­houden van het lachen. Ook de gevangenen konden niet nalaten mee te lachen. De meesten behoefden het oordeel van het gerecht niet af te wachten, maar werden met zweep- en geselslagen van de weegschaal gejaagd en naar de overige gevangenen gebracht, ieder echter bij zijn eigen groep.

 

Zo bleven er van het grote aantal deelnemers slechts zo wei­nigen over dat ik mij schaam hun aantal te noemen. Toch waren er onder hen ook hoge personen die, evenals de anderen, met een fluwelen kleed en een lauwertak geëerd werden.

 

Toen de toetsing ten einde was en er niemand meer aan de kant stond dan alleen wij, geboeide stumperds, trad tenslotte een van de hoofdmannen naar voren en sprak: »Genadige Jonk­vrouw, indien Uwe Hoogheid het toestaat zullen wij nu deze arme mensen, die zich hun onverstand bewust waren, zonder kans op straf en alleen voor de grap op de weegschaal laten plaatsnemen. Het zou kunnen dat er toch nog iets goeds bij hen te vinden is

Eerst bracht mij dit in grote verwarring, want in mijn beproe­ving was mij juist de gedachte dat ik niet voor schande zou behoeven te staan, of met de zweep van de weegschaal zou wor­den verdreven, tot troost geweest. Ik twijfelde er namelijk niet aan dat velen van de gevangenen maar liever tien nachten bij ons in de zaal hadden willen blijven.

 

Maar daar de Jonkvrouw op de vraag van de hoofdman toe­stemmend antwoordde, moest het zo gebeuren. Wij werden ver­lost van onze boeien en één voor één op de schaal geplaatst. Ofschoon de meesten faalden. werden zij toch niet uitgelachen of afgeranseld, maar rustig ter zijde geplaatst. Mijn metgezel was de vijfde en hij hield zich uitstekend, waarover allen, vooral echter de hoofdman die het verzoek had gedaan, hem lof toe­zwaaiden en waarvoor de Jonkvrouw hem ook de gebruikelijke eer bewees.

 

Na hem schoten er weer twee snel omhoog. Ikzelf was de acht­ste. Zodra ik bevend de schaal betreden had, keek mijn met­gezel, die daar reeds in zijn fluwelen kleed zat, mij vriendelijk aan en zelfs de Jonkvrouw glimlachte even. Nadat ik alle ge­wichten weerstaan had, beval de Jonkvrouw mij met geweld om­hoog te trekken, waarop nog drie mannen aan de andere schaal gingen hangen, zonder dat dit echter iets uithaalde. Toen stond een der edelknapen op en riep met luider stem: »Die is het!» Waarop de ander antwoordde: »Laat hem dan vrij,« hetgeen de Jonkvrouw toestond.



[1] Dit was om te beoordelen of zij naar het bruiloftsfeest van de koning mochten.

[2] Imitatie van de lapis philosophicus, de steen der wijzen

 

 

 

WAT EEN MENSCH ZAAIT

Annie Besant

 

.

WAT IS KARMA?

 

De leer van Karma is maar al te dik­wijls een verlammende band, inplaats van, zooals het behoorde, een kracht, een gids te zijn die ons in staat stelt wijs en goed te handelen. Gelijk alle andere wetten in de natuur, bindt het den onwetende en geeft den wijze macht.

Karma is een natuurwet. Wij zouden verder kunnen gaan en zeggen: Het is dé Wet. Want het is overal en altijd ­

alomtegenwoordig en allesdoordringend. Andere namen worden er in het Westen aan gegeven, en de namen zijn nuttig omdat zij niet met al de tradities van twistgesprekken te maken hebben, die in het Oosten de beteekenis van Karma verduisteren. De Westerse philosoof noemt het: "De Wet van oorzaak en gevolg". Hij ziet in elke gebeurtenis een dubbel feit - het is zoowel een gevolg als een oorzaak; het is een ­gevolg omdat het een oorzaak heeft; iets ging er aan vooraf en deed deze be­paalde zaak plaats hebben; het is ook een oorzaak want het zal een nieuwe gebeurtenis doen ontstaan, iets anders zal er uit voorkomen. z00als iemand de zoon van zijn vader is, en tevens de vader van zijn zoon; zooals de vader de zoon was van zijn eigen vader, en zooals zijn zoon weer de vader zal zijn van zijn eigen zoon, zoo gaat het met oorzaken en ge­volgen; iedere gebeurtenis is tegelijk een gevolg en een oorzaak - een gevolg van het verleden, een oorzaak voor de toe­komst.

 

Deze waargenomen opvolging, deze onveranderlijke betrekking wordt onder den algemene term: de Wet van oor­zaak en gevolg gebracht. Het menschelijk verstand erkent deze wet als fundamen­teel, en ziet er de zekerheid van on­wrikbaarheid en orde in zowel als van menschelijken vooruitgang.

Wij veroorzaken voortdurend gevolgen, bewust en onbewust. Hoe meer wij onze kracht en de voorwaarden in de natuur begrijpen, des te meer kunnen wij de gevolgen, die wij wenschen, te voor­schijn roepen, en de gebeurtenissen, die wij niet wenschen, voorkomen.

De westerse wetenschapsman noemt Karma "de Wet van Actie en Reactie" en ook hij erkent het als een fundamentele wet. "Actie en Reactie zijn gelijk en tegengesteld", zegt hij. Gij duwt een voorwerp vooruit; de tegenstand er van is de reactie op uw duwen, gij werpt een elastieken bal tegen een beschot, hij springt terug met een kracht evenredig aan de kracht waarmede hij het raakte. Overal in de natuur vindt hij deze wet, en bij het behandelen van voorwerpen, rekent hij er met volkomen zekerheid op.

 

WAT IS EEN NATUURWET?

 

In deze beide westerse termen ver­schijnt het woord "Wet". Wat is een Wet - een Natuurwet? Het is de vaststelling van een waargenomen, een onverander­lijke opvolging; men kan dit in een formule vastleggen: waar A. en R. zijn, daar volgt C. Dus is het een vaststellen van voorwaarden, en van het resultaat dat daaruit ontstaat. Het is geen bevel; het zegt niet: "Doe dit" of "Doe dit niet", zooals bij eene menschelijke verordening. Het zegt niet: "Gij moet A. en B. heb­ben en daarom C.; maar veeleer: "Als gij C. wilt hebben, moet gij A. en B. bij elkaar brengen. Als gij C. niet wilt heb­ben, moet gij er voor zorgen dat A. en B. niet bij elkaar komen; als gij A. verwij­derd houdt van B., zult gij C. niet krijgen." Vandaar wordt van een natuurwet terecht gezegd, dat zij niet is een dwingende, maar een instaat stellende kracht; zij geeft de voorwaarden aan, die u in staat stellen een bepaalde zaak voort te brengen, of te vermijden, en zij is slechts dwingend in deze beteekenis, dat indien gij de voorwaarden schept, gij het resul­taat moet bereiken.

 

Door deze onvermij­delijke gevolgen zijn de onwetenden in den greep der natuurwetten geheel hul­peloos, zij brengen onwetend allerlei toestanden teweeg en de gevolgen botsen rondom hen, brengen hen in verwarring en verpletteren hen. Naarmate wij kennis verzamelen, worden wij voorzichtig wat betreft de omstandigheden, die wij schep­pen, en vermijden aldus ongewenste ge­volgen. Men zegt dat een natuurwet on­aantastbaar is, want deze betrekking tus­schen oorzaak en gevolg kan niet veranderd worden. Wij kunnen de natuurwetten veronachtzamen, zooveel wij willen, maar de wet zal ons breken, wij breken haar niet. Wanneer ge van de nok van een gebouw op den grond valt, breekt gij de wet van aantrekking of zwaartekracht niet, gij veronachtzaamt haar, en uw val bewijst hare waarheid; een welbekende formule geeft de snelheid aan, waarmede gij den grond bereikt. Wij beantwoorden voor een gedeelte dus onze eerste vraag. "Wat is Karma?" met de stelling: Karma is een natuurwet van algemeene geldig­heid, die in het Westen de wet van oorzaak en gevolg of de wet van actie en reactie heet.

 

WANNEER BEGON KARMA?

 

Het overige van het antwoord op de vraag: "Wat is Karma"? is zeer nauw verbonden met de tweede vraag: "Wan­neer begon Karma"?

Van een algemeene natuurwet kan niet gezegd worden dat zij een begin of een eind heeft; waar ook een Openbaring, een heelal of een wereld bestaat, daar zijn tevens algemeene wetten aanwezig, eigen aan den aard der dingen. Men kan van aantrekking van een hoeveelheid stof tot een andere hoeveelheid niet zeggen, dat zij begint, aantrekking werkt overal waar hoeveelheden stof zijn, zwaartekracht begint niet: waar de voorwaarden voor hare werking aanwezig zijn, daar treedt zij altijd op. Vandaar wordt gezegd dat Karma, een algemeene Wet zijnde, eeuwig is; het is een voorwaarde voor geopen­baard bestaan, en waar bestaan zich open­baart, daar is Karma.

 

Dus toont de vraag: "Wanneer begon Karma"? een verkeerde opvatting over de juiste aard van Karma; het is een voortdurende voorwaarde voor bestaan in de stof, zonder eind of begin, maar eeuwig. Wanneer de vorm van de vraag veranderd wordt en men vraagt: "Wan­neer begon het Karma van een bepaald persoon"? dan is het antwoord "op het oogenblik dat dit bepaalde wezen in Openbaring kwam".

 

Wanneer de ongeboren, onsterfelijke Geest een kleed van stof tot zich neemt, dan treedt hij in de bestaansvoorwaarden en komt onder de wet van Karma. Zijn treden in bestaansvoorwaarden doet zijn particulier Karma aanvangen. Eerst zal het Karma van een mineraal zijn, de werking van de omringende krachten en stof op hem, en zijn terugwerking op zijn omgeving. Deze werkingen en terugwer­kingen weven de schakels van Karma, en de keten trekt hem in een of ander type van het plantenrijk. Hier wordt, daar zijne terugwerking gecompliceerder wordt, ook het web van Karma dat aan hem gehecht is ingewikkelder, en ver­heft hem ten laatste tot een of ander dier­type. In het dierenrijk treedt zijn toene­mend bevattingsvermogen op in verband met karmische oorzaken, en smart door hem toegebracht, werkt als smart op hem terug. Maar het gevoel van smart is te danken aan de ontwikkeling van het vermogen in hem om te voelen; het is nog actie en re-actie, maar waar deze in het mineraal niet vergezeld gingen van gevoel, daar uit gevoel in het dier zich in genoegen en smart; de wet is dezelfde; het schepsel is verschillend en dus is de uitwerking op het schepsel verschillend. Wanneer het verstand zich ontwikkelt, wordt een nieuwe draad aan het Karmisch web toegevoegd, en de handeling in de gedachtewereld wordt gevoegd bij die der werelden van daden en van voelen, en dus wordt een nieuwe machtige factor aan de re-actie verbon­den.

 

Maar nog eens, de wet van actie en re-actie werkt volgens dezelfde lijnen. Indien de lezer voortdurend in gedachte wil houden dat Karma actie en re-actie is, en dat dit op ieder gebied der natuur werkt, overal en altijd en eigen is aan den aard der dingen, dan zullen vele zijner moeilijkheden verdwijnen; hij zal begrijpen dat Karma voor hem begint, wanneer hij in het heelal van stof neder­daalt, omdat hij in de omstandigheden gekomen is, waarin Karma zonder op­houden werkt, en dat de terugwerkingen op hem volmaakt gelijk zijn aan zijn handelingen, meer of minder factoren in zich bergend, overeenkomend met die, welke van hemzelf zijn uitgegaan.

 

Iets anders, dat hem duidelijk zal wor­den is dat de terugwerking van denzelf­den aard moet zijn als de werking; dat dus wanneer iemand een verkeerde daad doet met een goed motief, zijn werking drievoudig is, en de terugwerking dus ook drievoudig moet zijn: de verstande­lijke re-actie zal bestaan in verband met zijn karakter dat verbeterd zal worden door de aanraking daarvan met het goede; de aandoenings-re-actie zal in de toekomst gelegenheden scheppen voor het uitoefenen van een goede begeerte: deze beide zullen goed zijn: maar de terug­werking op het stoffelijk gebied van de verkeerde handeling zal ongeluk voor hemzelf brengen. Aldus werkt de wet met volmaakte nauwgezetheid en onaan­tastbaarheid, en de re-actie volgt in onveranderlijke opvolging op iedere han­deling.

 

BELONING EN STRAF.

 

De gedachte aan beloning of straf behoorde niet te worden verbonden met de werkingen der Karmische Wet. Wij hebben resultaten, gevolgen, maar noch straffen, noch beloningen. Smart is het gevolg van verkeerde handeling op een of ander gebied, niet omdat de een of ander ons smart doet ondervinden als een straf, maar omdat wij ons tegenover de wet gesteld hebben en door hare onbuigzaamheid gekwetst zijn.

 

Het resultaat van deugdzaam denken of voelen is een vermeerdering van het vermogen om deugdzaam te zijn; het beteekent niet voorspoed in deze wereld of een andere. Indien wij een leugen vertellen, is het resultaat de vermeerderde neiging tot oneerlijkheid, de verlaging van ons karakter, en dit is een onver­anderlijk resultaat, waartoe de ontdekking bijv. van onze oneerlijkheid door hen die ons omringen, niets toe of af doet; hun gebrek aan vertrouwen is de terugwer­king ontstaan door de ontdekking van onze leugen: de terugwerking op ons van de verhoogde neiging tot oneerlijk­heid is onafhankelijk van dit secondaire resultaat.


 

 

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL

 






Website statistieken gratis, LetsStat X1