De Griekse Godenwereld - deel 2

Naar deel 1

 De Olympische Goden


De Olympiërs

  • Aphrodite (liefde, vruchtbaarheid, schoonheid en beschermster van planten- en dierenwereld)
  • Apollo (zon, kunst, epidemische ziekten, licht, heling, medicijnen, boogschieten, dichtkunst, waarheid, voorspelling, dans, rede, intellectualisme en beschermer van herders en hun kuddes)
  • Ares (oorlog, krijgslust)
  • Artemis (maan, jacht, maagden, wilde dieren en kuisheid, maar ook vruchtbaarheid)
  • Demeter (landbouw en graan)
  • Dionysus (wijn en feesten)
  • Hades (dood, rijkdom, kostbare metalen en god van de onderwereld)
  • Hephaistos (smeedwerk,vuur en ambachten)
  • Hera (godin van het huwelijk, vrouw van Zeus)
  • Hermes (handel, verkeer, welsprekendheid, boodschapper van de goden, patroon van reizigers, dieven en bedriegers)
  • Hestia (godin van de haard en familie)
  • Pallas Athene (wijsheid, strategie, krijgskunst en het handwerk)
  • Pan (god van het woud, herdersleven en de muziek)
  • Poseidon (zeeën oftewel water en aardbevingen)
  • Zeus (oppergod, hemel en aarde, bliksem-slingeraar)

APHRODITE  - ARES HEPHAISTOS - DIONUSOS - HADES -





APHRODITE, ARES EN HEPHAISTOS

APHRODITE


De godin van de schoonheid, de godin van de zinnelijke liefde. . . geboren uit het schuim van de zee. . . Kan het dichterlijker? Moet men het de Grieken niet hoog aanrekenen, dat hun verbeeldingskracht dit fijne, poëtische waas over haar oorsprong legde? Dat in hun fantasie de blanke schoonheid van het vrouwendom en de drang van het driftige bloed verbonden waren met het witte schuim van de hoog opspattende golven van de zee? Aphrodite is "de goudene". Van haar volmaakte schoonheid gaat het fluïdum uit, dat van elke schone vrouw op haar medemensen afstraalt, een gouden gloed, die eerbied en oprechte bewondering kan opwekken, maar ook lager staande gevoelens, die platweg "sexappeal" heten. Deze beide uitersten, eerbied voor de schoonheid en de verlangens des vlezes, verenigt Aphrodite in haar wezen. Kuisheid is haar ten enen male vreemd, hierin is zij de tegenpool van de reine, ingetogen Artemis.

De vochtige blik van haar ogen, een mond als een rozeknop, de sierlijke oortjes, de fraaie hals, de prachtige borsten, haar ganse volmaakte gestalte wekken de zoete verlangens der liefde. Met deze en andere woorden hebben de dichters haar beschreven. Zij versterkt dit liefdesverlangen nog meer, wanneer zij haar beroemde "strapless" aanlegt: de bontgeborduurde gordel of soutien-gorge, die alle liefdesbekoring bevat, verliefdheid en lust tot minnekozen, en ook aan de verstandigste mensen alle bezinning ontneemt. In de liefde ligt de macht van Aphrodite over mensen en goden.

De Grieken hebben haar als godin uit het Oosten geïmporteerd, waar zij haar eredienst voor het eerst op het eiland Cyprus leerden kennen. Daarom heet Aphrodite dikwijls "de Cyprische". Cyprus is haar eiland. Daar hoort zij eigen­lijk thuis, in een Oosterse sfeer. Daar geurt alles van rozen en myrrhe, daar worden haar feesten bij nacht in bloeiende tuinen en priëlen gevierd, daar bie­den haar dienaressen zich tot lust en tot liefde. . . Daar heeft Aphrodite sterke overeenkomsten met de Babylonische Isjtar, met de Phoenicische Astarte, met de Carthaagse Salammbo. De erediensten van Aphrodite in Corinthe en op Sicilië herinneren sterk aan die van de Klein-Aziatische Grote Moe­der: daar leenden tempelslavinnen zich gaarne tegen contante betaling tot het spel van de liefde. Niet voor niets zegt een Grieks spreekwoord: "Niet aan iedere man is het gegeven naar Corinthe te varen."

Het siert de Griekse wereld, dat zij (met uitzondering van de zojuist genoemde plaatsen) aan Aphrodite de zwoele sfeer hebben ontnomen door de liefde te adelen met de schoonheid. Bovendien krijgt men bij het lezen van een dichter als Homerus sterk de indruk, dat de Grieken haar als een noodzakelijk kwaad beschouwden. Bijzonder in tel is zij op de Olympus zeker niet, maar zij hoort daar nu eenmaal thuis, omdat de liefde tussen de beide geslachten een (of de) sterke macht in de samenleving vormt. Zelfs Zeus heeft niet veel met haar op.

Als Aphrodite jammerend van het slagveld voor Troje met een schram aan de hand op de Olympus terugkeert, merkt de grote vader van mensen en goden ten minste zonder veel medegevoel zuurzoet op: "Kind, wat deed jij daar ook! Waarom nam jij de oorlogswapenen ter hand? Jou gaan immers de huwelijks­daden ter harte (erga gamoio = les batailles d'amour)!" Zeus bedoelde haar te wijzen op wat Julius Caesar als bijschrift bij het beeld van de godin op een zegelring had staan: Vincere si possum nuda, quid arma gerens (vrij vertaald: Als ik door mijn naaktheid kan overwinnen, waarom zal ik dan wapenen dra­gen?). Nooit was het leedvermaak onder de goden groter dan toen Aphrodite haar liefdesavontuur had beleefd met Anchises, een doodgewone sterveling. Want tevoren had zij voortdurend met haar macht gezegepraald, wanneer zij weer een god tot omgang met een stervelinge had weten te verlok­ken. Toen werd zijzelf het slachtoffer en groot was de vreugde op de Olympus. Wie een kuil graaft voor een ander. . .

 

Geboorte en huwelijk

Uit het schuim van de zee zou zij volgens de sage zijn geboren en wel, zo zegt Hesiodus, toen Kronos zijn vader Oeranos ontmande en diens geslachtsdelen ver van zich af in de zee had geworpen. Wit schuimden de golven van de klot­sende zee, uit het schuim ontstond een verrukkelijke meisjesgedaante: vaak wordt de godin "Anaduomene" genoemd (= die uit zee opduikt). Dat gebeurde dicht bij het eiland Cythera, vandaar Aphrodites bijnaam "de Cythereïsche". Een schelp zou haar naar dit eiland hebben gedragen (de Italiaanse schilder Botticelli beeldde dit uit op zijn beroemde schilderij. Vandaar ging Aphrodite over zee, bejubeld door Nereïden en Tritonen. Op Cyprus ging zij het eerst aan land; het gras begon daar te groeien onder de tred van haar lichte voeten. De goden en mensen noemden haar Aphrodite (aphros = schuim). Uit het schuim van Oeranos geboren, heeft zij als bijnaam Oerania. Deze naam verraadt de invloed van het tegenover Cyprus gelegen Phoenicië, waar de grote liefdesgodin Astarte of Astoret ook wel met de bijnaam Meleket Asjamaïm, "Koningin der Hemelen", werd ver­eerd (Oeranos = Hemel; Oerania = de Hemelse). Tot het gevolg van de godin Aphrodite behoren Eros, de Liefde, en Pothos, het Verlangen. Aphrodite heerst over het verliefde gebabbel van meisjes, over hun lonkende lachjes, over hun schalks-afwerende plagerijtjes, over het zoete genot van de liefde en de heerlijke verliefdheid der harten.

Een hymne op Aphrodite beschrijft, hoe de liefelijke Horen met hun gouden diademen de jonge godin tooiden voor haar intocht op de Olympus. Eerst leg­den zij het stralend-schone lichaam onsterfelijk-schone gewaden aan, toen plaatsten zij haar een gouden krans op het hoofd, bevestigden bloemvormige oorhangers van goud en orichalcum aan de oren en legden om de zachte hals en over de glanzende boezem een rijk collier van goud. Zo brachten de Horen Aphrodite naar de Olympische goden en iedere god, zegt de hymne, begeerde haar echtgenoot te worden. . .

Hoe poëtisch Aphrodites geboorte uit het schuimende zaad van Oeranos ook is voorgesteld, toch heeft reeds Homerus terecht bezwaren gevoeld tegen deze weinig fraaie kern van de sage. Tevens wilde hij niet herinneren aan haar Oosterse afkomst: slechts éénmaal in de 48 boeken van zijn gedichten noemt hij haar "de Cyprische". Bij hem is Aphrodite dan ook geboren uit Zeus en een in de sagen verder onbekende Dione.

Een zelfde gedragslijn volgden zangers en dichters als Homerus door Aphrodite de misvormde smidsgod Hephaistos als echtgenoot te geven. Dit huwelijk be­stond alleen "op papier": kinderen zijn uit deze echt niet voortgekomen. Maar de gedachte van deze "combinatie" is edel: kunst en techniek (Hephaistos) moeten zich paren met schoonheid (Aphrodite); alle uit de hand vervaardigde gebruiksvoorwerpen moeten een harmonische schoonheid bezitten.

Meer voor de hand liggend zou een verbintenis van Aphrodite met Ares, de god van de oorlog, zijn geweest. Kracht hoort bij schoonheid; de sterkste man neemt de schoonste vrouw. Dat is het recht van de sterkste, het natuurrecht, dat in de Griekse religie tot uitdrukking komt: Zeus is de sterkste. De normen der samenleving zijn anders, daarom heeft Homerus Aphrodite niet rechtstreeks met Ares verbonden.

Men mag het de godin van de liefde en van de vrouwelijke charme niet euvel duiden, wanneer zij de wegen der liefde gaat. Verschillende sagen dichten haar een geliefde toe; te zamen geven zij een hele collectie van minnaars. Maar elke sage op zichzelf geeft het verhaal van Aphrodite en één grote geliefde: van ontrouw aan een geliefde kan men haar zeker niet betichten.

In de sage is Aphrodite een hoogverheven godin. Liefde is een ernstige zaak, met de liefde, met "Aphrodite", valt niet te spotten. Wie ooit in het Louvre te Parijs voor de marmeren "Venus van Milo" heeft gestaan, zal dit beamen. (Venus is bij de Romeinen, wat Aphrodite bij de Grieken is.) Elke bezoeker komt onder de indruk van de aangrijpende, eerbied en ontzag inboezemende verhevenheid van dit machtige godenbeeld. Aphrodite heerst over de diepste drift van de mens, een macht, groter dan welke andere ook. Van mansdolheid is zij in de sage volkomen gespeend. Daarmede straft zij juist degenen, die met haar spotten, die niet begrijpen, welke waarde liefde en overgave voor een mens bezitten, die voor eeuwig gebonden wil zijn aan één enkel mensenkind op aarde. Meisjes op Cyprus, die tegen haar zondigden en haar wezen minachtten, strafte Aphrodite met een onverzadigbare begeerte naar gemeenschap met mannen: deze meisjes, de Propoetiden, werden de eerste publieke vrouwen.  

 

ARES

Ares en Athena


Ares wordt door de Romeinen Mars of Mavors genoemd. Is hij de god van de oorlog? Ja, maar dan als de daemon van het brute geweld, die zo sterk brult als tien duizend krijgers te zamen. Onder dit woeste krijgsgebrul hakt Ares er op los, zonder de minste bezinning of overleg. Bloed moet hij zien! Dat is zijn lust en zijn leven! Ares is meer een razende daemon dan een harmonisch-evenwichtige Olympische god. Waar en wanneer hij bloed ruikt, stormt hij er als een dol ge­worden stier blindelings op los. Rust en evenwichtigheid zijn hem vreemd. Het onvergelijkelijk-schone Griekse beeld van de Rustende Ares is een verheven sculptuur, maar drukt niet het wezen uit van de dolle ijzervreter, die Ares is. Een rustende Ares is een contradictio in terminis. Zijn ware wezen wordt beter benaderd in de "Génie de la Guerre" van de Franse beeldhouwer Auguste Rodin. Onbezonnenheid, onbetrouwbaarheid en wispelturigheid zijn de eigen­schappen, die hem verder kenmerken. Het winnen van de strijd is voor hem daarom ook niet de hoogste noodzaak: bloed moet er vloeien! Meermalen moet Ares zich zelfs zwaargewond van het slagveld terugtrekken. Maar hij is dan slechts verontwaardigd en woedend op de tegenstander, die hem het mooie spel bedierf! Van ridderlijkheid en respect voor de vijand heeft Ares in het geheel geen benul.

Overleg en ridderlijkheid zijn de eigenschappen van een echte oorlogsgod, die naar het hoofddoel van de strijd, naar de overwinning streeft en die door edele daden van moed en karakter respect afdwingt aan de tegenstander. Een derge­lijke god van de oorlog is niet Ares, maar de godin Pallas Athena. Zij is de grote tegenpool van Ares. Zij bezit al de edele kenmerken van een oorlogsgodin; met wijs overleg en door een scherpzinnige tactiek leidt zij de strijders naar het einddoel. Tegen haar kan Ares dan ook niet op! In alles is hij de mindere, zozeer zelfs, dat Athena hem soms, als hij het door zijn dolle razernij weer eens al te bont heeft gemaakt, eenvoudig als een stoute jongen van het slagveld weg­stuurt. Een andere keer bijvoorbeeld, als bij Troje de strijd het hoogtepunt nadert, kan Ares niet langer werkeloos op de Olympus blijven zitten, ijlings gordt hij zich de rusting aan en stormt naar buiten. Maar dan is Athena al bij hem, voor hij nog op zijn wagen kan springen; zij ontneemt hem helm en schild, bergt zijn lans netjes weer op en duwt hem met zulk een krachtige vermaning weer terug op zijn stoel, dat Ares geen kik durft te geven. Zeus (Ares is de zoon van Zeus en Hera) is ook niet zo best over deze zoon te spreken: "Het is, dat jij mijn zoon bent, anders lag jij allang in de diepste duisternis van de onderwereld". Ares mag dan de god van de oorlog heten, edele eigenschappen heeft hij niet; hij is in wezen veeleer de daemon van het oorlogsgeweld. Op het slagveld wordt hij omgeven door schrikwekkende ge­stalten, door de Paniek en de Angst, door zijn zuster Eris, de godin van de bloedige Twist, en door de spookachtige, bloedslurpende Keren, de doods­geesten.

 

HEPHAISTOS


Een aardige baas is de smidsgod der Grieken! Steeds staat hij voor iedereen klaar. Geen opdracht is hem te veel. Rust gunt hij zich zelden: bijna altijd dwarrelen de rookslierten uit de vulkanen, waarin hij zijn smidse heeft. Vooral 's nachts werkt hij door, want ononderbroken werpen de vurige vlammen van de brandende kraters hun flakkerend schijnsel omhoog tegen het wolkendek! Als op een rustige zomerdag het gerommel in de vulkaan eens zwijgt en er geen rookpluim boven de top hangt, dan zeggen de mensen in de buurt: "Kijk, Hephaistos heeft zeker bezoek! De smidse staat stil!" Maar lang duurt dat nooit, even later komt de rook weer te voorschijn, het werk is weer begonnen en in de nabijheid van de krater is het gesis van de blaasbalgen duidelijk te horen.

De vulkaan met zijn eeuwige rookpluim - dat is de smidse van Hephaistos, de goedmoedige smidsgod, de god van het vuur (bij de Romeinen heet deze Vul­canus). Daar smeedt hij alleen of met zijn gezellen, daar hamert, daar klopt hij in voortdurende arbeid. Natuurlijk verschijnt hij ook weleens op de Olympus om rust en gezelligheid te zoeken. Geharrewar onder de goden kan hij niet velen; dan komt hij meteen tussenbeide om de goede stemming en de gezellige sfeer te herstellen, vooral - wat nogal eens gebeurt - als Zeus en Hera het met elkaar aan de stok krijgen. Diepmenselijk schildert Homerus zulk een echte­lijke ruzie, waardoor "het hele eten" bij de goden bedorven dreigt te worden. Als Hephaistos dan rondgaat met de wijn, de drank der verzoening, dan mogen de goden zich voor zijn part gerust doodlachen om de wankele gang van het ongeproportioneerde lichaam, mits daardoor de huiselijke vrede maar wordt bevestigd.

Het lopen is niet zijn sterkste zijde, daar kan hijzelf niets aan doen, hij is er mee geboren: Hephaistos heeft heel dunne benen, maar een ontzaglijk zwaar lichaam. Zijn ragdunne spillebenen zijn niet in staat het bovenlichaam met de brede, harige borst en de reusachtig gespierde armen te torsen. Staan kan hij wel, dat gaat best, maar als hij het ene been naar voren zet om te lopen, dan bezwijkt het andere bijna onder de last van het enorme lichaam van de smid, het knikt om. Daardoor zwaait zijn lichaam bij elke stap van links naar rechts of van rechts naar links. Verlamd is Hephaistos dus niet, hij is niet "aan beide zijden verlamd", hoe zou hij anders kunnen staan en met zijn zware moker op het aambeeld kunnen beuken? Maar kreupel en misvormd is hij wel door het zwakke onderstel van zijn benen. Als grootmeester der techniek heeft Hephais­tos zich echter uitstekend weten te helpen: hij vervaardigde zich twee vrouwe­lijke robots, die zich automatisch kunnen voortbewegen, twee allerliefst uit­ziende meisjes. Op hun bevallige schouders liggen zijn behaarde reuzen armen, wanneer zij het geweldige lichaam begeleiden, waarheen hij wil!

 

Hera en Hephaistos

Hera is Hephaistos' moeder, in een meer dan gewone betekenis van het woord. Er zijn er namelijk, die beweren, dat Hephaistos géén vader had. Bij Homerus spreekt Hephaistos Zeus wel met "Vader" aan, misschien bedoelt de dichter ook wel, dat Zeus zijn vader is, maar zeker is het niet, omdat Zeus immers de vader van allen is, de vader van mensen en goden.

Er gaat het verhaal, dat Hera zonder ontvangenis een kind baarde. Zij zou dit gedaan hebben om te bewijzen, dat zij dezelfde macht bezat als Zeus, die Pallas Athena uit zijn hoofd had gebaard. Als een man een kind kan baren, wordt de eeuwige man-vrouw-polariteit in de natuur verbroken en verliezen de eeuwige levenswetten hun kracht. Het baren van kinderen door de Man is de denkbaar­ diepste belediging van de Vrouw, van het "ewig Weibliche". Als geen ander vertegenwoordigt Hera in de natuur dit "ewig Weibliche", na elke ontvangenis wordt zij weer maagd, steeds opent haar schoot zich opnieuw, evenals de aarde, de moeder van alles en allen. Waartoe dient nog de Vrouwen het "ewig Weib­liche", als ook de man kinderen zou kunnen baren? De Vrouw zou daarmee in haar diepste doel en betekenis (of met een term van de Duitse filosofie, in haar Daseinsberechtigung) worden aangetast. Als protest tegen deze inbreuk op de oorsprong van het leven baarde Hera zelfstandig een kind, zoals zij ook Tuphon had voortgebracht.

 DIONUSOS

Eén ding is zeker: Dionusos behoort beslist niet tot, wat men noemt, de "betere kringen"! Waar ernstige en deftige mensen in gezelschap bijeen zijn, waar de plechtstatige gezichten nooit eens uit de plooi komen, dáár hoort onze Dionusos helemaal niet thuis, daar komt hij niet tot zijn recht. Als god van de wijn is hij zelf als een fles wijn. Rode wijn moet langzaam op temperatuur komen, die kan ook maar niet zo uit de koude kelder worden gedronken! Dionusos (de Diony­sus of Bacchus der Romeinen) komt tot leven in de sfeer van de woeste kermis, vreugde, van rauwe boerenjool, in de feeststemming en de uitgelaten grappen van het carnaval - dáár heerst Dionusos!

Men doet hem dan ook onrecht, als men Dionusos slechts als god-van-de-wijn betitelt: Dionusos is veel meer dan god van de wijn alleen. Ontstaan de drang tot vrolijke uitgelatenheid, de lust om gekheid te maken, om anders te zijn dan anders, enkel en alleen door het drinken van alcoholische dranken? Dat zal toch niemand willen beweren. Maar evenmin zal iemand ontkennen, dat "hoog het glas!" óók "hoog het hart!" kan zijn. Daarom is Dionusos óók god van de wijn.

Uitzinnigheid, verrukking, losgerukt zijn uit de alledaagse sleur zijn de meest typische Dionysische verschijnselen. Het woord orgie is niet voor niets een term uit de Dionysische eredienst. "Orgieën en bacchanalen vieren" doen degelijke huisvaders en huismoeders niet. Maar de anders zo ordentelijke Griekse huis­vrouwen vierden juist wel "orgieën"! Het woord "orgie" betekent namelijk "zwelling", zwelling van het sap in de plant, zwelling van het bloed, zwelling van het hart. Plotseling is het hart te vol en de mens zegt: "Ik moet er eens uit!" Dat er-uit-willen-zijn, dàt nu bewerkt Dionusos. Die stemming kan in ons kli­maat ontstaan op een zachte dag na de winter, als voor het eerst na de beklem­mende druk van de lange koude- en regenperiode ineens het zonnetje schijnt en alles buiten vrolijk en weldadig aandoet. Dan kijken ook ineens alle mensen vriendelijk, dan doet iedereen aardig tegen iedereen. "Heerlijk weertje, mevrouw!" zegt de bakker of de melkboer aan de deur. "Ja man, ik wou, dat ik er uit kon! Ik zou de hele dag wel buiten willen zijn!" Een mevrouw, in wie zulk een gemoedsstemming is opgewekt, behoeft nog maar een klein zetje van Dionusos, of zij is inderdaad buiten. En niet alleen deze (me)vrouw, maar alle (me)vrouwen: zo ging het ten minste in Griekenland! Ineens renden op zo'n dag alle vrouwen en meisjes naar buiten in de vrije natuur en waren daar dan tegelijkertijd volkomen buiten zichzelf. En de mannen? Och, die lieten "dat gekke gedoe van die vrouwen" maar begaan! Het was weer "mis" met de vrou­wen, hoor! Rustig afwachten maar, ze komen wel weer ’s terug! Als dollen joelden ondertussen de vrouwen door de bergen, lachend en schreeuwend, zingend en dansend. Zij ondergingen een roes, een bedwelming. De uitdruk­king "in de bonen zijn" geeft in onze taal nog iets van die bedwelming weer. Als de bloesem van de grote, roomse bonen bloeit, hangt er een sterke geur over. Het volk gelooft, dat die geur een bedwelmende uitwerking op de herse­nen heeft. Misschien verbood de Griekse wijsgeer Pythagoras daarom zijn leerlingen bonen te eten! Vooral voor jonge meisjes schijnt het heel gevaarlijk te zijn "in de bonen te lopen of te raken": zij kunnen dan zo maar hun hele ver­stand verliezen!

De plotseling uitbottende natuur verwekte in ieder geval bij de vrouwen in Griekenland een even plotselinge als aanstekelijke roes; zij raakten totaal "in de bonen"! Gezamenlijk stormden ze in drommen de natuur in. Daar beleefden ze een soort van heilige verrukking. Ze wisten niet meer wat ze deden, en dat was maar goed! Ze wisten ook, dat géén man hen zou durven te bespieden. Hij zou het met de dood hebben bekocht, zoals Pentheus, de koning van Thebe. Want de vrouwen waren volledig buiten zichzelf, zij waren enthousiast, zij waren bezeten door de god Dionusos. Enthousiasme ontstaat, wanneer een god in de menselijke geest is ingevaren; de mens is dan niet meer zichzelf, hij is tijdelijk een ander, hij is verbonden met de god, hij is de god zelf geworden. In extase, in ek-stase, bedreven de vrouwen de dolste dingen. Ek-stasis wil zeggen: het uit-treden-uit-zichzelf.

 

Naast Demeter (het brood) is er tot aan het einde der Oudheid géén god zo vereerd als Dionusos, de god van de wijn.

Als Iakchos werd hij opgenomen onder de goddelijke figuren der Eleusinische Mysteriën. Onder het jubelen van "Iakchos! Iakchos!" trokken jaarlijks de dui­zenden feestgangers uit Athene naar Eleusis. Bij gelegenheid van het Grote Dionusos-feest te Athene werden in het heilige tempelgebied aan de voet van de Acropolis dagen achtereen toneelstukken opgevoerd. Hier werden tragedies (trag-ooidia = bokkengezang), komedies (koom-ooidia = gezang van de feest­schare van Dionusos) en satyrspelen opgevoerd. Deze drie soor­ten zijn, naar velen aannemen, alle min of meer ontstaan uit de gezangen van zijn eredienst. Aan de geest van Dionusos, aan de Dionysische inspiratie, dankt de Westerse wereld de grootse scheppingen van de grootmeesters der Griekse tragedie en komedie, de treurspeldichters Aeschylus, Sophocles en Euripides, de blijspeldichter Aristophanes, en anderen.

Na de Grieken namen vooral de Romeinen de Dionusos-cultus over. Reeds in 186 v. Chr. trachtte de Romeinse Senaat tevergeefs het enthousiasme dat de Dionysische orgieën ook te Rome en in Italië bij de massa genoten, bloedig te onderdrukken: over niet minder dan de helft van de zeven duizend mensen, van wie kon worden aangetoond, dat zij aan de orgieën hadden deelgenomen, werd de doodstraf uitgesproken, de anderen kregen levenslange gevangenisstraf. Toch "lijdt het geen twijfel, dat de dienst van Dionusos onder andere vormen en andere namen is blijven voortbestaan," zo zegt prof. H. Wagenvoort in zijn "Varia Vita".

En wat de verering van Dionusos in latere en in moderne tijd betreft: de mens­heid heeft Dionusos tot heden ten dage toe wel grondig vergoed, wat zij hem in den beginne te kort heeft gedaan! Aan géén Griekse of heidense god is en wordt immers zoveel geofferd als aan Bacchus!

 

Dionusos  en Semele

Het siert Dionusos, dat hij, zodra hij eenmaal tot de Olympus was toegelaten, het eerst aan zijn arme moeder dacht, die op zo tragische wijze onder de elektrische ontladingen van haar minnaar was gesneefd. Hij, Dionusos, wèl op de stralende Olympus en de arme Semele diep in de donkere onderwereld? Dat bestond niet voor Dionusos!

Ofschoon hij totaal niet wist, hoe hij er zou moeten komen, ging Dionusos toch dadelijk op weg om zijn moeder persoonlijk uit de onderwereld te halen. Dionu­sos is nu eenmaal die hij is: verbazend onpraktisch, bijzonder gesteld op vrolijkheid en gezelligheid, voorts ietwat onvast ter been, doordat hij ook ijverig aan zichzelf offert!

Onbekend met de weg, liep Dionusos te zoeken en te zoeken naar de ingang van de onderwereld: het Meer van Alcyon. Dit is een bodemloos meer en reikt "dus" tot in de onderwereld. Ten slotte moest Dionusos wel aan iemand de weg vragen. Natuurlijk trof hij net de verkeerde! Het was een zekere Pro­sumnos, die het wel wilde vertellen, maar dan tegen een beloning, waarvan de aard niet nader kan worden aangeduid. Noodgedwongen beloofde Dionusos bij terugkeer aan de wensen van het heerschap te zullen voldoen. Weldra daalde hij in het diepe water af.

In historische tijd werd deze afdaling door een jaarlijks feest herdacht. Eerst werd er een lam als offer aan Hades tot zinken gebracht, daarna verscheurde luid geschal van blaasinstrumenten de diepe nachtelijke stilte. Dit lawaai moest de god Dionusos tot wederopstanding uit de doden bewegen. Als de muziek lang genoeg had geduurd, dook een persoon, die goed moest kunnen duiken, bij de oeverrand uit het meer op, gekleed als de god van de wijn.

In de onderwereld wist Dionusos nog veel minder de weg. Eindelijk vond hij de god Hades, die in dit bijzondere geval Semele wel wilde teruggeven. Als pand moest Dionusos echter een van zijn meest dierbare bezittingen aan Hades afstaan: Of de wijnstok of de klimop of de myrte. Dionusos gaf toen maar de laatste. De ingewijden in de Dionysische mysteriën droegen een krans van myrte-takken om het hoofd, ten teken, dat deze plant aan de dood was toegewijd.

Samen met zijn moeder Semele aanvaardde Dionusos de terugweg. Als godin is Semele een figuur als Demeter. De naam betekent "aarde" (Russisch zemlja = aarde; Nova Zembla = Nieuwe Aarde). Dit zal ook wel mede de reden zijn, waarom Dionusos met de Demeter-dienst in Eleusis kon worden verbonden. Semele sterft als Kore en keert terug tot het leven als Persephone. - Op weg naar de Olympus bemerkte Dionusos, dat zijn wegwijzer Prosumnos intussen was gestorven. Trouw aan zijn belofte volvoerde hij die, na een stok in een bepaalde vorm te hebben gesneden. De phallos is het onafscheidelijk attribuut van Dionusos.

 

HADES EN DE ONDERWERELD

 

HADES

Het is bijna symbolisch voor Hades: er hangt om hem, als religieuze gestalte, als sagenfiguur, een sfeer van doodse stilte. Het zwarte kleed van de dood bedekt ook zijn leven en werken. In tegenstelling tot de andere goden heeft de god Hades (bij de Romeinen Dis of Pluto genaamd) nergens een tempel of een plaats van verering, behalve in Elis, waar in een bepaalde streek een ingang tot het Dodenrijk zou zijn. Eenmaal per jaar werd daar zijn tempel geopend en alleen door de offerpriester betreden.

In geen sage speelt hij een rol, behalve in die over de roof van Persephone. Op het hoogtepunt van de lente, als de ganse aarde schuilgaat onder weelderige bloesempracht, verschijnt plots op een wagen met snuivende paarden, ... de Dood. De Dood rukt de schoonste bloem van de aarde weg: de schoonste vrouw, die ooit op aarde leefde, Persephone, dochter van Demeter. De aarde geeft, de aarde neemt.

De voorstelling, dat Hades de gestorvenen komt weghalen, bestaat alleen in deze sage; in alle andere komen zij tot hem. In de roof van Persephone is Hades als de Dood-te-paard, de Rijdende Dood van de folklore van Europa (Moderne Griekse sprookjes kennen de figuur van de dodengod Charos, die, hoog te paard gezeten, links en rechts naar de levenden graait en hun zielen aan zijn zadelknop knoopt. . .


Albrecht Dürer: Ritter, Tod und Teufel).

De naam Hades, in oudere vormen geschreven als A-ides of A-idoneus, wordt gewoonlijk verklaard als de On-zienlijke (a- = niet; id- = zien): hij, die men nooit kan zien. De god draagt de zogenaamde Hades-kap, de onzichtbaar­ makende tarnkap. Dit is weer een andere voorstelling van de Dood: onzicht­baar gaat hij onder de mensen en grijpt zijn prooi.

Toch voldoet deze verklaring van Hades als de Onzienlijke niet geheel. De naam Hades kan namelijk ook heel goed een personificatie van "De Onder­wereld" zijn. Uit de Ilias en de Odyssee van Homerus, de oudste heldendichten van de Griekse literatuur, valt af te lezen, dat de eigenlijke heerseres van de onderwereld de gruwzame Persephone is. Naast haar is Hades een kleurloze gestalte, die een zuiver passieve rol speelt. Homerus spreekt voortdurend van "het Huis van Hades"; sterven heet bij deze dichter "naar het Huis van Hades gaan". Het zou daarom beter passen het woord Hades of Aides af te leiden van "aia", de aarde: Hades zou dan betekenen "de aarde, die neemt".

Ook zijn andere namen, Ploetos of Ploetoon (in het Latijn: Pluto), die later (vijfde eeuw voor Christus) in zwang komen, hebben op de aarde betrekking. Met Ploetos (het woord betekent "rijkdom") is in de eerste plaats de voorraad zaaikoren bedoeld, die na de oogst in ondergrondse ruimten werd opgeslagen. Als godheid is Ploetos of Ploeto(on) de aarde, die (koren)-rijkdom heeft; hij is de aarde, die het zaaikoren bewaart, totdat de tijd van het uitzaaien is gekomen. Hij werd uit Demeter geboren, nadat zij zich op het drie­maal omgeploegde land met Iasion had verenigd. Daarom wordt Ploetos dan ook voorgesteld met de Hoorn des overvloeds. In deze betekenis zal Hades ook in het agrarische Elis zijn vereerd; in deze betekenis is Hades-Ploetos identiek met Persephone, de dochter van de korenschenkende aarde. Gedurende de periode, waarin het zaaikoren onder de grond ligt, bevindt zich immers ook Persephone onder de grond. Als gemalin van Hades is zij vier maanden lang, in dat deel van het jaar, waarin de natuur afsterft en verzengd wordt door de moordende zonnehitte van de zomer, in de onderwereld.

Als persoon is de Heerser van het Dodenrijk onverbiddelijk, onvermurwbaar. Nooit geeft de dood terug, wat hij nam. Bij de stervelingen is hij van alle goden het meest gehaat. De poort van Hades staat altijd open, zijn gastvrijheid kent geen grenzen. Maar wie eenmaal de drempel van het dodenrijk heeft overschre­den, kan nimmer terug. Voor altijd is de weg terug afgesloten; in dat geval is Hades de meest grimmige poortwachter, de anders zo vriendelijk kwispelende Kerberos blijkt dan een felle waakhond te zijn, die niemand doorlaat. De Poort van de Hades vormt de onoverwinnelijke barrière tussen leven en dood, tussen dood en leven. Als Herakles de hond Kerberos of Alkestis komt halen, heeft het grote gevecht met de Dood dan ook plaats in de Poort van de Hades; met een pijlschot weet Herakles Hades af te weren. Terwijl de mens maar eenmaal door de Poort van de Hades gaat, weet Herakles te zege­vieren over de dood: hij verlaat in triomf de Poort des Doods.

DE ONDERWERELD

 

De plaats van de onderwereld

In het bovenstaande zijn enkele voorstellingen aan de orde gekomen van de Dood als persoon. De verscheidenheid van opvatting over de figuren die het Dodenrijk beheersen, hangt zeker samen met de bonte samenstelling van de bevolking van Griekenland, waar de gedachten der Voor-Griekse bevolking zich handhaafden naast die, welke de talrijke immigrerende volksstammen mee­brachten. Het kan dan ook geen verwondering wekken, dat ook over de plaats van de onderwereld zelf en over de vorm, waaronder de gestorvenen daar hun bestaan leiden, de meningen sterk uiteenlopen.

Allereerst over de plaats. Er zijn drie opvattingen, die op den duur door el­kaar liepen. Volgens de Ilias van Homerus is de onderwereld Onder de wereld, onder de aarde. De Grieken hebben dat letterlijk zo opgevat: op hun kerkhoven ziet men soms pijpen in de grond steken, waarin zij drank­offers aan de nabestaanden zonden. Homerus vertelt, dat Hades soms schrikt, als door daverend oorlogsgeweld op de bovenwereld het dak van zijn rijk begint te beven en elk ogenblik dreigt uiteen te barsten: geen ongerijmde gedachte in een bergland, dat rijk is aan afgronden, rotsspleten en . . . aardbevingen.

In de Odyssee van Homerus daarentegen moet Odusseus, om het Dodenrijk te bereiken, een zeer lange tocht naar het Noorden maken, naar de Oceanus, die de gehele aarde omgeeft. De straks volgende beschrijving van de onder­wereld past op beide oorden.

Op het einde van de Odyssee brengt Hermes, de zielengeleider, de zielen van de door Odysseus gedode vrijers echter naar het Westen. Hermes voert hen langs de boorden van de Oceanus, langs de witte krijtrots van het eiland Leukas, dan langs de Poort van Helios en het Volk der Dromen. Vervolgens be­landen de zielen op de met het asphodelus-onkruid begroeide weide.

Een derde opvatting is die van het Elusion (in het Latijn: Elysium). Ook het Elusion stelde men zich aan de overzijde van de Oceanus voor. Het Elusion is alleen voor de élite bestemd. Homerus spreekt van het Elyseïsche Veld (Champs-Elysées), Hesiodus van de Eilanden der Gelukzaligen.

 

Het Elusion

In het Elusion komen de vorsten en de hoge aanzienlijken, en dan nog alleen op bevel van de goden. Levend, met behoud van het lichaam en in het volle bezit van hun geestvermogens, zetten zij daarginds hun bestaan voort. Het is daar een leven in opperste gelukzaligheid! Het Elusion is een Luilekkerland zonder weergal

Menelaos krijgt al bij zijn leven te horen, dat hij daar in de toekomst zal wonen: de geluksvogel is dan ook getrouwd met Helena, een dochter van Zeus!

De oude zeegod Proteus vertelt aan Menelaos, dat de goden hem later naar het Elyseïsche Veld zullen zenden. Daar aan het einde der aarde zal hij het heer­lijkste leven leiden, dat hij zich maar kan denken. Sneeuw, storm en regen komen er niet voor. Milde briesjes van de Zephyrus bezorgen de mensen daar een weldadige koelte.

Volgens Hesiodus is Kronos er de heerser. Ook de Titanen wonen daar sinds Zeus hen uit de Tartaros ontsloeg. Driemaal per jaar is het er lente. Een van de grootste Griekse dichters, Pindarus, zegt, dat dag en nacht er even lang zijn. Waarschijnlijk bedoelt hij, dat er een eeuwige lentetijd is. De mensen behoe­ven, om hun dagelijks brood te verdienen, land noch zee te doorploegen. Samen met de gunstelingen der goden, de grote helden uit de sagentijd, leiden zij er een leven zonder tranen. De grond en de bomen schitteren er van gouden bloe­men, water klatert overal. De gelukzaligen hangen zich bloemkransen om de hals en vlechten ze om hun hoofd. Terwijl de wijze Rhadamanthus op alles toezicht houdt, vermeien zij zich met muziekinstrumenten, met damschijven, met wagenrennen en andere takken van sport. Er hangt een verrukkelijke geur over dit heerlijke oord, waar niets dan vreugde en blijheid heersen. . .

Deze volmaakte vreugde des harten, deze stemming van opperste gelukzalig­heid in het Elusion inspireerde de Duitse dichter Friedrich Schiller in zijn gedicht "An die Freude" tot de gedachte de vreugde een dochter van het Elusion te noemen:

 

Freude, schöner Götterfunken,

Tochter aus Elysium,

Wir betreten feuertrunken,

Himmlische, dein Heiligtum.

. . . . . . . . . . .

Alle Menschen werden Brüder,

Wo dein sanfter Flügel weilt.

 

Liefhebbers van klassieke muziek herinneren zich deze woorden uit het magi­strale slotkoor van Beethovens Negende Symfonie.

Evenals zovelen in de tijd vlak vóór en vlak na de Franse revolutie bevonden beiden, zowel Schiller in 1785 als Beethoven in 1824, zich volkomen in de ban der Franse filosofen, die de komst van een Elusion op aarde voorspiegelden: alle mensen zouden daarin in broederlijke liefde samenleven. . .

Overigens is de gedachte, dat stervelingen levend hun bestaan in een Elusion voortzetten, zeker niet-Grieks: Rhadamanthus, de premier van het Elusion, is niet van Griekse afkomst, maar hoort op het eiland Kreta thuis. Het Elusion is een voorstelling van de aristocraten der Voor-Griekse bevolking, die zich op Kreta een ongehoord verfijnde cultuur wisten te scheppen. Kreta onderging op haar beurt sterk de invloed van de rijke Egyptische cultuur. De Egyptenaren kenden ook eilanden der Gelukzaligen. Een der eilanden heette "Veld der spijziging". De bewoners leefden er dus zonder zorgen. Dikwijls zijn in de graven der farao’s kleine schepen aangetroffen, die de dode naar deze eilanden moesten voeren.

 

De onderwereld

De onderwereld stelden de Grieken zich gewoonlijk voor als een tweede wereld: een wereld met landen, bergen en rivieren, met bossen, bloemen en dieren. In de oudste tijd echter, in de tijd der burchten, verdrongen de inzich­ten van de heersers der grote burchten alle andere. Zoals deze burchtheren het zich niet konden voorstellen, dat de goden op de Olympus anders dan in een massief burchtencomplex woonden, zo kon in hun ogen ook het Dodenrijk niets anders zijn dan een machtige burcht met een reusachtig poortgebouw, waarachter uitgestrekte binnenhoven volop ruimte boden voor de heerscharen der doden. Daarentegen spraken de eenvoudigen van geest, die zich een derge­lijke romantiek in de wereld van de grauwe dood niet konden voorstellen, lie­ver van een "Weide vol van asphodelus". De asphodelus, het onkruid, dat in het Zuiden overal op onvruchtbare bodem woekert, is het symbool van de dood. Waar deze plant voorkomt, kan geen sprake zijn van leven. Daar heerst een eentonige, droefgeestige, troosteloze dorheid. Dáár huizen de doden. . .

Naast deze beide opvattingen ontwikkelt zich na de feodale tijd in de wereld der dichters steeds meer de voorstelling van de onderwereld als een tweede wereld. Homerus, de "speaker" van de adel, spreekt trouwens al van de "heilige wouden van Persephone" en van twee grote rivieren, die er doorheen stromen: de Acheron en de Stux (in het Latijn: Styx). Anderen noemen de Puri-phlé­gethon, de "Vuur-stroom", en de Kokutos, de "Jammer-rivier", als de zijrivieren van de Acheron.

Waarom deze rivieren? Wie ooit in de bergen het angstwekkend gebulder heeft gehoord van een door spleten en kloven steil omlaag schietende bergstroom, kan zich voorstellen, waarom de gedachte aan rivieren in de onderwereld bij de Griekse bergbewoners het beeld opriep van een afschrikwekkende sfeer, die de harten doet verstijven. Het doffe, monotoon donderende geroffel van het water in het hooggebergte was de Grieken niet onbekend. In hun eigen land kenden zij een Acheron en een Stux. In het Noorden, in Epirus, verdween de Acheron in het woeste gebergte eerst in een spleet om daarna in een trooste­loze vlakte tussen de bergen een moeras te vormen, waaruit giftige dampen opstegen. De Stux vormt in de bergen van Arcadië een grote waterval, die langs een hoge rotswand donderend omlaag spat (thans de Mavroneri, het Zwarte Water geheten). Pausanias, de Baedeker van de Oudheid, vertelt er van, dat het ijskoude water mensen en dieren, die het drinken, doodt. Alexander de Grote zou er door "vergiftigd" zijn. Alle voorwerpen, ook die van het hardste metaal, worden door de bruisende stroom versplinterd; alleen paardenhoeven komen er veilig uit.

Het water van de Stux der onderwereld bezit magische krachten. Achilleus zou er door zijn moeder in gebaad zijn ten einde hem de onsterfelijkheid deel­achtig te doen worden. De heiligste eed, die goden kunnen zweren, is die "bij de aarde, de hemel en bij het water van de Stux". Wanneer een godheid een dergelijke eed wenst af te leggen, wordt daartoe door Iris of door de adelaar van Zeus per expres water uit de Stux gehaald. Vreselijk is de straf, die een meinedige zou treffen: eerst kan hij een heel jaar lang ademhalen noch spreken, voedsel wordt hem al die tijd niet verstrekt; daarna blijft hij nog negen jaren uitgesloten van elk verkeer met de andere goden. . .

Aan de ingang van de onderwereld zit de reeds genoemde Kerberos (in het Latijn: Cerberus), de machtige waakhond, die de levenden dreigend op een afstand houdt en die de doden verhindert te ontsnappen. Hij is ontsproten aan de liefdesomstrengeling van de twee meest gevreesde en beruchte wereld­monsters, Tuphon en Echidna. Kerberos wordt meestal met drie koppen voor­gesteld; soms zijn het er vijftig of honderd; zijn staart is een slang, op zijn rug wemelt het ook al van slangenkoppen. Misschien wordt met Kerberos nog een andere voorstelling van de dood weergegeven, die ook bij andere volken voor­komt: de Dood als de Hond met de vurige ogen, die de lijken verslindt. Over Kerberos is het meest bekend het verhaal, waarin Herakles hem naar de boven­wereld haalt. Als feilloze bewaker en gestrenge ordebewaarder is de hellehond Kerberos niet te overtreffen; schertsenderwijs wordt in onze tijd een politiedienaar weleens een "Cerberus" genoemd.

Een tweede figuur, die de gestorvene op zijn laatste tocht moet passeren, is de veerman Charon. Charon moet de doden over de rivier de Acheron brengen. Charon is een foeilelijke, oude baas. Feitelijk heeft hij in de onderwereld niets te vertellen. Zijn enige taak is de doden over de rivier de Acheron te brengen. Verder heeft hij niet de minste macht en dat hindert hem bijzonder. Daarom is hij eeuwig en altijd nijdig en ontevreden. Als een echte ondergeschikte dienaar van zijn heer bejegent hij de angstige, weerloze doden zo onaangenaam mogelijk. Bij hun aankomst aan de oever van de Achèron grist hij hun eerst het veergeld uit de mond. Wie het niet bij zich heeft, wordt niet in zijn verroeste, lekkende boot toegelaten en moet honderd jaren aan de oever­rand gaan zitten wachten. Daarom zorgden de nabestaanden er dan ook altijd voor, de doden een obool (een muntstukje ter waarde van een dubbeltje) tussen de tanden te steken! Zodra Charon dan het geld van zijn klanten heeft geïncas­seerd, begint hij hen met veel geschreeuw in de altijd veel te volle boot te stompen en te slaan. Met nijdige woorden dwingt hij de doodzwakke stumpers (die zielen!) zelf de handen aan de riemen te slaan. Wee hun, wanneer zij het met hun zwakke krachten niet naar zijn zin doen of wanneer de boot te ver op de stroom afzakt! Dan ranselt en beukt hij er met sadistisch genoegen op los! De bloedeloze, krachteloze schimmen werpen zich dan "in doodsangst" met uiterste inspanning op de piepende riemen ten einde de halfzinkende boot door de kokende golven van de razendsnel stromende Acheron naar de over­kant te krijgen! Deze tocht heeft hun wel afdoende het laatste restje levens­moed ontnomen. Uitgeput beginnen zij in het land der doden hun troosteloos bestaan, nadat zij eerst nog uit de bron van de Lethe (de "Vergetelheid") heb­ben gedronken. Een dronk van dit water doet hen het aardse leven geheel en al vergeten, zegt Plato.

 

Het rijk der schimmen

De Grieken stelden zich hun doden in het schimmenrijk voor als schaduwen, als wezenloze schimmen. Wanneer de mens de laatste adem uitblaast, glipt de ziel in deze ademtocht weg. Het Griekse woord psuche (in het Latijn: psyche) betekent "adem". De ziel huist in de adem. De ziel is het levensbeginsel, dat met de dood het stoffelijk lichaam verlaat en zich naar de onderwereld spoedt. De Grieken gebruikten voor de ziel nog een andere naam dan psuche; zij noem­den haar ook eidolon, "beeld". Dit wijst er op dat in hun voorstelling de ziel van de dode de uiterlijke vorm van de levende mens behoudt. Deze voorstelling beantwoordt het best aan hetgeen wij onder een spook verstaan. De ziel van een dode is even groot als de levende mens, die zij heeft verlaten; zij draagt ook dezelfde kleding. Er is alleen dit verschil met een "spook", dat de Griekse dodenschim géén bewustzijn of lichamelijke kracht bezit. Als een droom beweegt zij zich voort. Als een levende een dergelijke schim zou willen omhelzen, zou hij er tevergeefs naar tasten: de schim is immers slechts een schaduw.

Drie mensen wisten bij hun leven in de onderwereld door te dringen en die weer te verlaten: Orpheus, Herakles en Odusseus. Deze drie konden later hun medemensen alles vertellen, wat zij daar hadden gezien. Orpheus, de mythische stichter van de Orphische leer met haar geloof aan zielsverhuizing en vergel­dingsstraffen in het Hiernamaals, komt straks ter sprake. Herakles zal er niet veel van hebben verteld: hij had het altijd te druk met het verslaan van mon­sters en reuzen. Maar wat Odusseus zag, dat beschrijft Homerus uitvoerig: Odusseus zag er zijn vrienden en lotgenoten uit de Trojaanse oorlog en alle beroemde helden en heldinnen uit de grote sagen. De jager Orion zag hij ter jacht gaan... Herakles trad vóór hem met de befaamde knots in de hand... hij zag en sprak zijn eigen moeder, die van verdriet om hem stierf. . . Hij zag Minos, bij leven de grote koning van het machtige Kreta. De rechterstaf in de hand, zat Minos daar en sprak recht te midden der doden, juist zoals koning Minos het tijdens zijn aardse leven had gedaan: Minos velde zijn oordeel over de onenigheden, waarin de doden zijn raad vroegen. .. Maar ook en vooral zag Odusseus de drie grote zondaars en de straf, waartoe zij in alle eeuwigheid zijn veroordeeld. . .

 

 

 




Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL