Mythen, Sprookjes, Sagen en Legenden

 
 

 

Over het belang van
Mythen, Sprookjes, Sagen en Legenden.

 

Friedrich Weinreb


Wij willen ons bezighouden met de vraag naar de zin en de betekenis van de wereld van de mythen, sprookjes, sagen en legenden. Want niet alleen is voor vele mensen deze wereld geheel ten onder gegaan, maar ook daar waar zij nog leeft, benadert men haar geloof ik min of meer kunstmatig. Het sprookje leeft niet meer, het is iets verheven geestelijks geworden en geeft soms aanleiding tot folkloristische en ook na­tionalistische gedachten. Men beschouwt my­then en sagen als een soort nationaal bezit van bepaalde volkeren en culturen.

 

Daarom wil ik juist over deze wereld graag spreken, ook omdat wij andere overleveringen, met inbegrip van het gehele complex dat tot de Bijbel behoort, eveneens verkeerd begrijpen. We kunnen geloof ik niet tot een juist inzicht komen en ons daarnaar gedragen als we de mening zijn toegedaan dat het leven eenzijdig dit leven in de tijd is - zoals wij tijd ervaren - en dat er verder niets is. Tijd wordt dan gewoon iets dat men extrapoleert, verlengt tot in het ver­leden: 'Vroeger was het zo'. Bij het sprookje wordt dat gelukkig moeilijker. Men kan niet zeggen: 'Vroeger leefde Sneeuwwitje, of Doornroosje, of Assepoester daar en daar’. Dat gaat niet zo gemakkelijk, omdat de omgeving waarin het sprookje zich afspeelt arbitrair, willekeurig is. Men kan niet zeggen: Sneeuwwitje woonde in Tirol, of in Zuid Frankrijk. Sneeuwwitje is ge­woon Sneeuwwitje. We kunnen ons voorstellen dat ze thuishoort in de sfeer van het avondland, dat zich uitstrekt van Midden-Europa tot ver in het Westen. En hetzelfde geldt voor vele andere sprookjes.

 

Zodra het echter om legenden gaat, met name die men uit de geschiedenis meent te kennen, gaat men zo'n legende meteen lokaliseren en ook in de tijd vastleggen.

Een legende over de Joodse wijze Akiba bij­voorbeeld moet zich dan in de tweede eeuw afspelen. Men kan zijn naam in een lexicon opzoeken en men weet dan meteen: die leefde in die tijd en in dat land - het toenmalige Palestina. Daarmee is zo'n legende meteen dood­gemaakt, kun je zeggen, omdat zij helemaal niet bedoeld is om op die manier vastgelegd te worden, net zo min als het sprookje van Asse­poester of Kleinduimpje of Doornroosje. Als men een verhaal vertelt over Akiba bedoelt men daarmee alleen maar dat een mens als Akiba een figuur is die boven de tijd staat en dat hij kan worden beschouwd als oerbeeld, droombeeld, grondpatroon van het menselijk gedrag, overal en altijd. Wij zeggen dan: hij is toen toch gestorven, in dat en dat jaar? Er zijn mensen die menen historisch te kunnen vaststellen wanneer hij stierf en waar hij begraven werd. Men vergeet dan dat men hetzelfde onrecht of dezelfde domheid begaat als wanneer men toeristen door Weimar rondleidt en het graf van Doornroosje aanwijst. En hetzelfde geldt voor alle andere legenden; ze zijn niet zo bedoeld.

 

Daarom is het belangrijk dat we aandacht blijven schenken aan sprookjes en legenden en dat ze niet uit onze herinnering verdwijnen. Het zijn n.l. verhalen die niet hier in dit aardse, in de tijd aflopen. Een mythe is een oerverhaal, een bron van vele verhalen om zo te zeggen. Zoals er in de tijd van Goethe nog een oerbloem bestond, de oer-roos, waaruit alle andere rozen voort­komen. Deze oer-roos schenkt het leven hier aan iedere roos. Wij menen dat dat leven alleen van vroegere rozen afkomstig kan zijn, in de op­eenvolging van de tijd, omdat we onszelf hebben afgesneden van een andere dimensie, die ook in ons leeft. Deze dimensie kent de oer-roos, de oer-boom, de oer-mens, de oer-olympus, de berg als heilige berg, niet als geografisch ver­schijnsel. In de Joodse sprookjes en legenden heet het dat de berg Sinaï de hoogste berg van alle werelden is. Geografisch klopt daar niets van. Het is een berg die je kunt beklimmen, als je ademhaling het toelaat, hij is helemaal niet hoog. Toch zegt men daar: het is de hoogste berg ter wereld, want God kan zichzelf slechts open­baren op de allerhoogste berg die er is. Anderen denken dan: 'Wat een inbeelding! Wij hebben de hoogste berg', enz. Omdat men het leven alleen maar kent in de zin van onze beleving van tijd, en al het andere geldt a.h.w. niet. Men voelt zich dan genoodzaakt meteen bewijzen te verzame­len en als men die niet onmiddellijk vindt, wil men toch persé iets wetenschappelijks in han­den hebben en vraagt dan bijvoorbeeld: wan­neer werd voor de eerste keer dit sprookje verteld en wanneer werd het voor het eerst opgeschreven?

 

Of nog beter: wat is de oudste bron waarover we beschikken? Er kunnen immers andere bron­nen zijn, die allang verloren zijn gegaan, door brand of ouderdom of een aardbeving. Men vindt een bepaalde papyrusrol of een steen: 'Dat is de oudste die we ooit gevonden hebben'. Men vindt fragmenten van de Bijbel en zegt: 'toen ontstond dat bijbelboek', omdat men juist op dat moment dat gedeelte vond. Maar hoeveel is er dat men niet gevonden heeft! Hoeveel gaat er niet alle. maal is onze tijd verloren, omdat men zegt: 'Dat is niet belangrijk, dat gooi ik maar weg. Alleen wat van goud is bewaar ik, al die papierrommel­ weg ermee'. Destijds bestond er nog geen boek­drukkunst, men had een oorspronkelijk ma­nuscript en een paar kopieën. Toch meent men wetenschappelijk te kunnen vaststellen wanneer bijv. Jesaja zich voor de eerste maal aandiende.

 

Wij kennen dus de tijd alleen als lineaire tijd, bewust beleefde tijd. We hebben tegenwoordig zelfs stopwatches, om bij sportwedstrijden hon­derdsten van seconden te kunnen meten, zozeer beleven we de tijd vanuit ons bewuste denken. We zijn zó gefixeerd op tijd, zo gefixeerd op deze wereld dat alleen dat voor ons telt. Al het andere is rudimentair geworden, verdrongen. Het is er wel, maar we kunnen niets anders dan het verdringen en tenslotte hebben we geen tijd meer voor dat andere en ook geen orgaan om het te kunnen ervaren en te waarderen zoals het werkelijk is. We beoordelen het volgens onze tijdsnormen en omdat we inmiddels de hele wereld verkend hebben - er is nauwelijks meer een witte vlek op de aardbol te vinden - en ook het luchtruim steeds verder en verder verken­nen, zien we alles ook alleen maar als behorend tot deze ruimtelijke wereld. Vroeger had je - ik heb het zelf nog gelezen als middelbare scholier - van die verhalen over reizen van 17e eeuwse zeevaarders. Die kwamen bijvoorbeeld in Indië en vertelden naderhand dat daar mensen waren met drie benen en met ogen op hun buik. Ze tékenden ze zelfs. De wereld was toen nog heel anders. Er waren natuurlijk geen mensen met drie benen en ogen op hun buik, maar die zeevaarders dachten dat werkelijk. Het was zeker niet hun bedoeling om te liegen en de mensen iets wijs te maken, maar als een mens verre reizen maakt, gaat zijn fantasie blijkbaar op de een of andere manier werken. Wie naar India voer of nog verder, naar Australië - in 1642 door Abel Tasman ontdekt - wist dat slechts de helft of één derde van de bemanning zou terugkeren. De rest kwam om door allerlei ziekten, door scheur­buik of bij gevechten met de wilden die ze daar tegenkwamen. De kans op overleven was niet groot.

 

Een ruimtevaarder heeft in onze tijd 90% kans om heelhuids terug te keren, maar toen lag dat heel anders. Zelfs de kapitein was zijn leven niet zeker. Er kon bijvoorbeeld muiterij uit­breken op zijn schip, of hij werd ook het slacht­offer van een of andere ziekte. Het waren lange en gevaarvolle reizen, waarbij een fantasie door­kwam waarvan we nu zeggen: ja, die zeelui vertelden maar wat, ze logen gewoon. Maar als je die boeken leest, voel je: het waren geen leu­genverhalen, maar ze leefden in een soort droomwereld, een werkelijkheid die ons irreëel toeschijnt. Onze eigen droomwerelden beper­ken zich tot nachtelijke ervaringen. We zouden graag willen weten wat we in de slaap gedroomd hebben, om zo'n droom dan te kunnen duiden. Verder gaan we niet. Dagdromen kunnen we nauwelijks, want we hebben teveel haast. Als men gejaagd is wil men lezen, studeren, televisie kijken, voordrachten houden en dergelijke. Men heeft geen tijd om zichzelf te zijn.

Ik stel dus vast dat we onszelf in deze tijd zeer veruiterlijkt hebben - en dat heeft een zin. Wellicht is de zin dit, dat het uiterlijke zoals we het momenteel ervaren als ene uiterste heel dichtbij is en bijna het andere uiterste raakt, n.1. het begin, de oorsprong van de mens. En daarom gebeurt er momenteel iets in de wereld en hoeft men geen verhalen meer te schrijven over hoe het was.

 

Er waren tijden waarin men romans schreef die in concrete zin helemaal niet 'waar' waren. Men creëerde personen op grond van een bepaald model, soms kitscherig, soms een onbewust, zelfs ongewild, onverwacht grondmodel van de mens. Liefdesromans, liefdesgedichten, krijgs­liederen, heldenverhalen. Er kwam een Dante, bij wie het nooit opkwam dat men ooit zou denken dat hij werkelijk overal was: in de hemel, in de hel, in het vagevuur. Hij beleefde dat allemaal heel duidelijk als fantasie en toch nam men dat op de een of andere manier serieus. En er kwamen meer schrijvers met soortgelijke verhalen. Ik denk aan Alexis Carrol met zijn 'Alice in Wonderland' en 'Het avontuur in Spiegelland' , aan Tolkien, aan Michaël Ende. Je voelt: er is toch een behoefte in de mens om een andere werkelijkheid te beleven. Men neemt aan dat er inderdaad een soort oerwereld bestaat, een tussenwereld, een middenwereld, maar wijst die in zekere zin af als iets dat alleen maar geschikt is voor kinderen. Anderen lezen zo'n verhaal als bestseller en willen het ook alleen maar als zodanig zien. We voelen echter in deze tijd opnieuw de behoefte ons aan deze concrete werkelijkheid te ontrekken, er bovenuit te stijgen a.h.w. en terug te keren naar een wereld die we niet langer betitelen als 'droomwereld', maar als een soort fantasiewereld.

 

We weten bijvoorbeeld dat detectiveromans fantasie zijn, evenals Sciencefictionverhalen. Men glimlacht er een beetje om, maar toch begint men ze serieus te nemen. Men zegt zelfs: die Jules Verne heeft dingen gedroomd waarbij hij de 19e eeuwse wetenschap extrapoleerde, (en die wa­ren bepaald niet dom). Met hèm deed de fantasie zijn intrede in de literatuur. Ik heb het in de oorlog nog meegemaakt, toen ik een paar maan­den bij een boer op de Veluwe ondergedoken zat - hij wist niet wie ik was, ik had een Arische naam - dat de zoon van deze boer mij een paar boeken uit de bibliotheek meenam. Hij had de lagere school doorlopen en in het naburige dorp was een bibliotheekje met zo'n 300 banden. Deze jongen zei: 'Ik vertrouw u wel, maar ik mag alleen boeken nemen die een ware geschiedenis vertellen!' En dus nam hij 'De Boerenoorlog' voor me mee. Dat was tenminste waar, een oorlog is iets dat echt gebeurd is. Of het zo gebeurd is als in dat boek verteld werd, durf ik niet te zweren, maar de Boeren en generaals uit het verhaal waren in ieder geval echt. Men wilde alleen het waar-gebeurde erkennen, heel be­wust, calvinistisch-bewust. Alleen dàt. Men had immers ook bij een beeldenstorm alle beelden in de kerk kapotgeslagen.

Het moest echt zijn!

 

Ik kan me dat wel voorstellen. Het was een tijd waarin de mens zich tot het uiterlijke, concrete wendde en al het andere achter zich liet. Dat kwam zover van hem af te staan dat hij sprookjes e.d. alleen nog maar onderzocht in de zin van: waar komen ze vandaan? Is er verwantschap met Indische sprookjes? Ah, dat en dat is afkomstig uit Indische sprookjes. Dat men in Indië en Europa hetzelfde kan dromen, kwam niet bij de geleerden op. Het Indo-Germaans - een hy­pothetische taal natuurlijk - toont aan dat er een connectie is tussen de Indische en Germaanse talen, in het woord dus al.

 

Er brak dus een tijdperk aan waarin mytho­logie als leugen werd beschouwd. Ook in het Jodendom ontkwam men daar niet aan. Wie oude geschriften doorleest, de Talmud bijvoor­beeld, zal zien dat verhalen die zich lenen tot 'Talmoedische' spitsvondig denken worden afge­wisseld met verhalen die volledig mythologisch zijn. En ik weet: degenen die zich door Rab­bijnen hebben laten onderrichten nemen alleen kennis van het scherpzinnige, spitsvondige. Dat andere - ja, dat is niets. Ik zei dan als jongen: 'Maar er staan toch nog meer verhalen bij?'. Ik had ze graag uit het Aramees willen vertalen, maar dat kon ik toen nog niet. 'Nee dat is niets, dat is alleen maar om een beetje bij te komen van het ingespannen nadenken. Daarvoor kan men dan zo'n verhaal lezen, maar het stelt niets voor'. Men beschouwde die verhalen gewoon als niet ­bestaand en degenen die het weten konden leerden alleen het casuïstische, juridische, de haarkloverijen. Iemand die zich voor de andere verhalen interesseerde was een warhoofd, die kon nooit wat behoorlijks worden, zeker geen rabbijn. Toch bestond de Talmud voor ongeveer de helft - precies weet ik het niet, misschien voor 40 tot 60% - uit dergelijke verhalen.

 

Ook daar gold dus dat alles wat mythologisch was, wat niet 'echt' was - verhalen over engelen die met mensen spraken, over doden die een kamer binnenkwamen en iets vertelden, enz. ­niet serieus kon worden genomen. Ik herinner me bijvoorbeeld een verhaal over iemand die gestorven is en die niet alleen dat vertelt wat men tegenwoordig in de boeken van Moody of Kübler-Ross kan lezen - nee, hij vertelt veel meer. Alles wat er verder met een gestorvene gebeurt vertelt hij en niet als een gereanimeer­de, die eerst klinisch dood was, nee, hij komt als dode en vertelt het als zodanig. 'ja', zegt men dan, 'dat kan toch nietwaar zijn! Dat is te gek, dat lezen we niet'. Men negeert zulke verhalen gewoon en op de Talmud-hogescholen leert men ook nu nog meestal alleen het juridische gedeelte, de Halacha. Voorschriften omtrent wat mag en niet mag. Het andere laat men buiten beschouwing. Hooguit leest men het even snel door een zegt met een toegeeflijk lachje: 'Nu ja, dat kunnen we er ook wel even bij nemen, dadelijk gaat de tekst weer verder'.

 

Men vraagt zich bijv. ook niet af: wat is een olijfblad? Nee, men stelt heel andere vragen: wat wordt er van zo'n blad gemaakt? enz. Niet: 'Wat is een olijf? Wat drukt de plant, de naam uit?' Niets daarvan, uitsluitend praktische vragen. Overal doet dit zich voor, tot aan de grens van de huidige generatie. Gelukkig is er een kentering merk­baar. Het was al zover gekomen dat men mythen en legenden alleen nog maar verzamelde om het verzamelen zelf, maar men had er verder totaal geen voeling mee. Ik ken naslagwerken over de Midrashim Agadah, Joodse mythen uit de vorige eeuw, bijeengebracht door twee geleerde Duitse professoren, die zich geen moment afvroegen: wat hebben ze te betekenen? Zelfs sprookjes verzamelden ze, met de gedachte: toch wel interessant. O, ze gingen heel grondig te werk, zochten bronnen op, vermeldden die in de voetnoten enz. maar ze hadden er geen enkele voeling mee. Ze dachten alleen maar: 'Zo heeft men destijds, 2000 à 3000 jaar geleden, verhalen bedacht en verteld. Wij zijn natuurlijk anders'. Ik herinner me voetnoten als: 'Men geloofde toen nog dat er engelen op aarde waren' (maar tegenwoordig vanzelfsprekend niet meer).

 

Ikzelf geloof echter toch dat deze wereld van de mythos - daartoe behoren dan sagen, sprook­jes, legenden, alles - een andere kant van ons leven is, de kant waar ook onze dromen vandaan komen. Niet alleen die welke we vandaag de dag nog kennen, de nachtelijke dromen, maar ook de dagdromen, dat wat we dromen als we wakker zijn. Niet bewust, je kunt niet zeggen: 'Ik ga nu zitten en dagdromen'. Nee, ze zijn er juist onverwacht terwijl je aan het schrijven of lezen bent flitst dat andere door je heen, plotseling, als een verwachting, een boosheid, een agressie, een verlangen... Het breekt nooit helemaal door, het blijft op het niveau waar zich ook de nachtelijke droom bevindt. We slapen dan en hebben geen tijd om ze tot ons bewustzijn te laten doordringen. Als we bijvoorbeeld een tram pro­beren te halen kunnen er ondertussen allerlei gedachten door ons heen schieten. Gedachten aan onze grootouders, aan een oom, een vriend - heel even, als een flits.

 

In een oud geschrift - het werd pas ontdekt in de 15e eeuw, omstreeks 1440, maar of het al veel eerder in mondelinge vorm bestond, durf ik niet te zeggen - wordt gezegd: wie niet in staat is om overdag door hem heen schietende gedachten te hebben terwijl hij de Thora leest, is een mens zonder betrekkingen. Een mens kan hier alleen maar leven als hij in betrekking staat tot zowel het verschijnende als het verborgene. Want de mens is dualistisch, tweezijdig. Als hij de andere kant doodt is hij betrekking-loos. Hij beschrijft dan alleen maar wat een betrekking, een relatie is, omdat hij het nog niet weet. Men brengt het begrip betrekking in verband met het Hooglied, waar in het begin de vrouw, de koningin, tegen de koning zegt: 'Trek mij achter je aan, dan zal ik hard lopen. Trek me!'

 

Als deze vraag, zegt men, gericht aan de koning, aan God, de koning aan gene zijde, in de mens leeft, dan is de betrekking er, ook met andere mensen. Dan trekt een mens hem aan of niet. Anders is een mens voor hem alleen maar een zakelijk object: 'Heb ik voordeel van hem of niet? Zo ja, dan wil ik met hem te doen hebben, anders niet.' Er is geen werkelijk contact. Het­zelfde geschrift zegt ook: een mens zonder betrekkingen is als een levenloos lichaam. Als mens is hij dood, want de andere kant is de bron van het leven. Zo'n mens leeft hier als een levend lijk. Hij is hier wel, maar hij komt en gaat en is verdwenen. Zijn levensbron is daar aan de andere kant, maar hij staat er hier niet mee in verbinding. En daarom zegt men in de oude geschriften steeds weer: zoek toch het oermo­del. Eigenlijk zegt men: zoek de naam. Onder 'naam' verstaat men niet alleen dat wat wij als naam kennen, Jona, of David, of Sneeuwwitje, maar een model, een grondformule. Een naam is datgene waarmee men een mens kan typeren, samengevat in een formule. De naam 'David' bijvoorbeeld betekent 'de geliefde', d.w.z. zijn leven is zo, dat hij zichzelf ervaart en zichzelf ook alleen maar kent doordat hij voelt - als basisgevoel, basiservaring in hem - dat hij be­mind, geliefd is. Bij wie? Dat weet hij niet, bij  iedereen. En waaruit blijkt dat? Uit het feit dat hij gelukkig is, vrolijk, optimistisch, omdat hij het gevoel heeft: wat kan mij gebeuren? Ik ben toch geliefd zoals ik ben? Wij denken dan dat je als man daarvoor een vrouw nodig hebt en omge­keerd, anders kun je geen geliefde zijn. Maar daar wordt dit geliefd-zijn als grondstructuur gegeven: voor de mens die gelukkig is, is alles volmaakt. Hij voelt de samenhang van alles met alles; niets ontbreekt hem, alles is er.

 

En zo dienen we in het sprookje de grond­patronen ervan te zoeken. Doornroosje bijvoor­beeld, dat schiet me nu zo te binnen. Ja, dat is dan meteen ook het Hooglied. 'Mijn roos ben je, mijn geliefde roos, en je vriendinnen zijn de doornen'. Zo staat Doornroosje in het Hooglied, als grondmodel. De roos, het geheim, het leven dat mij toegeurt. Ik adem de geur, het leven van de roos in. Ze zendt me haar boodschap in haar geur. De roos is de vrouw, in het Hebreeuws Shoshanah - in onze taal verbasterd tot 'Susanna'. Iedereen die Hebreeuws kent weet dat de uitgang vrouwelijk is, evenals de naam in de vertaling: Rosa. We voelen: deze naam hoort bij een vrouw. Deze vrouw, deze wereld ver­spreidt deze geur, dit lieflijke aroma en ik adem het leven in van deze vrouw. Ik zoek in haar een wereld waarmee ik me zou kunnen verenigen. Ik zoek en spin in mijn gedachten voort, zoals men daar in het droombeeld aan het spinnewiel zit en spint. Het wordt een weefsel dat ik met mijn leven heb gesponnen. De leliën op het veld spinnen en weven niet, ze zijn er alleen maar. Het woord 'Shoshanah' betekent zowel 'roos' als 'lelie'. Het is maar welke vertaling men kiest. Deze lelie op het veld spint een kleed, een lichaam, een verschijning en ik zou dit kleed als omhulling willen. De geur is verkwikkend, lief­lijk, zij doet me goed. Tot in het rozenparfum, het rozenwater, de rozenolie voel ik dat de roos me iets heeft te zeggen. Ook toen al kende men de sprookjesverhalen over de roos, die de oer­bloem is. U kunt daarover het boekje 'De roos' lezen als u zin hebt. Daarin wordt deze mystieke roos beschreven als fundament van de wereld. (vert. van 'Vom Geheimnis der Mystischen Rose') _ Welke wereld? - Ja, deze wereld, die eenmaal haar geheim zal onthullen. Maar wij kunnen haar niet benaderen, vanwege de doornen. Meteen aan het begin van het Genenisverhaal, daar waar de mens het Paradijs verlaat, worden ze al genoemd. 'Als je je 'zeeath' (7-70-400= zweet) geeft, zul je de oogst daarvan krijgen: doornen en distels zul je oogsten.'

 

D.w.z. er is nu iets in het leven dat je belemmert door te dringen tot de kern, Doorn­roosje. Waar dit sprookje vandaan komt, uit het Germaanse cultuurgebied of ergens anders van­daan, interesseert me niet, ik ken het in dit leven hier. Als kind van 4-5 jaar, toen ik nog in Wenen woonde, hoorde ik het al. En toen het me verteld werd - door een meisje dat toen bij ons was – zag ik het beeld voor me van die boze heks, die er de oorzaak van was dat Doornroosje insliep en voor altijd moest blijven slapen. Tot tenslotte de prins komt en haar wekt door een kus, als hij door de doornen heen gekomen is. Ik voelde toen al: daar zit veel meer achter. Mijn moeder vertelde het verhaal nog een keer, maar ik zei: 'Nee, het is anders'. Ik had het gevoel: het heeft iets heiligs, je mag daar niet aan tornen. Zoals je het hoort, zo is het. Ik voelde zonder het te weten dat hier iets was dat met mijn leven te maken had. Ik ben ook in een diepe slaap gedompeld en iemand moet me wakker maken, een prins. Ik slaap en er zijn doornen waar niet doorheen te komen is. Ik heb die doornen toch niet gemaakt? Ik sliep immers en ik slaap nog steeds. Maar ze zijn er ineens, er is iets gebeurd waardoor ze kwamen. Toen ik voor het eerst die mededeling in de Bijbel over de doornen las, dacht ik meteen ('we kots we dardar' in het Hebreeuws): ah, dat zijn dezelfde doornen waarheen Adam is verdreven; hij slaapt wellicht ook en wacht op de nieuwe mens die zal komen en hem een kus zal geven.

 

Zelfs bij deze vluchtige verkenning voelen we al dat dit verhaal een grondmodel bevat, een gedroomd patroon, iets dat veel verder gaat dan we denken. Wij zijn te ontwikkeld en kunnen alleen maar optellen, analyseren, denken. De tijd is voorbij dat het ons iets zei. De tijd van de sprookjes ligt achter ons en we moeten school­boeken lezen waarin verteld wordt over 'echte' oorlogen. Ik herinner me dat ik leren moest dat Karel de Vijfde in 1500 geboren werd en in 1600 werd de Slag bij Nieuwpoort geleverd tegen de Spanjaarden, dus precies honderd jaar later. Ik vroeg voor de grap: 'En wat gebeurde er in 1700?' Ja, dat wist niemand. 'Honderdjarig jubileum van de Slag bij Nieuwpoort'. Ik kon dat gewoon niet serieus nemen, zo vervelend waren al die jaartallen: dat gebeurde toen en dat toen. Ik protesteerde ertegen, want ik voelde: de sprook­jeswereld zonder jaartallen is waardevol, maar dit is niets.

 

Om dus op Doornroosje terug te komen: de roos zit binnenin. We kennen het verhaal van de oerroos, de verborgen bloem waaruit om zo te zeggen alle bloemen voortkomen. Er is een Joods sprookje - waar het vandaan komt weet niemand, maar men kent het omdat het vele malen werd opgeschreven - waarin verteld wordt dat de roos zó mooi was, dat alle bloemen wilden zijn zoals zij. Maar geen van alle bereikten ze de roos, ze werden alleen maar tot doornen om de roos heen. Zo werd de roos omhuld door lagen bloemen. Eerst de weinig geurende bloe­men, dan de niet geurende en tenslotte de kwalijk riekende bloemen. Als men die bereikte, zei men: die ruiken zo akelig, we willen niet verder. Pas als men bij de kern komt, geurt daar de roos, de oerbloem met de twaalf bloem­blaadjes, zes rode en zes witte, en het dertiende blad. Meteen denken we aan de twaalf stammen, waarbij nog een 13e moet komen, aan de twaalf apostelen met Jezus zelf als 13e.

 

Het is het geheim van de roos, zoals het al in de oude verhalen verteld wordt. In het Hooglied is Doornroosje al te vinden: 'Jij bent mijn roos, mijn lelie, maar je vriendinnen zijn de doornen'. Je voelt: hier wordt een oerpatroon gegeven, niet iets waarvan je kunt zeggen: goed, we hebben het gehoord en gaan nu weer verder. Nee, ga niet verder, dring er dieper in door. Als ik liefheb verlang ik ernaar dieper te gaan, omdat het me fascineert. Ik moet weten wat deze geur te betekenen heeft. In het Hebreeuws is geur, reach, nagenoeg hetzelfde woord als geest, ruach. Wat we als geur inademen is een bood­schap, zoals iedere geest, ook de Heilige Geest, een boodschap brengt. Het kan een goede geest zijn of een kwade, een geurige of slecht ruikende bloem. Doornroosje wacht op de prins, de koningszoon. Steeds is de vader ergens onder­weg: hij voert oorlogen, is ver weg op reis, in het buitenland. De moeder is alleen achtergebleven en er is ineens een stiefmoeder, die boosaardig is. De prins, de koningszoon komt en beroert met zijn mond de mond van de slapende prinses, haar gezicht. Het woord voor 'gezicht' is in het Hebreeuws identiek aan dat voor 'innerlijk'. Hij beroert dus haar innerlijk met zijn kus, zijn mond brengt leven omdat hij daarmee het woord brengt. Hij dringt door tot de kern - hem hinderen de doornen niet - en hij zegt: 'Ik ga tot in het binnenste, het diepste'. Hij wekt haar, de wereld en zij staat op. Zij was gevallen, inge­slapen en nu staat ze op. Het is helemaal niet heidens, dit sprookje en de andere evenmin. De mens kent het van oudsher, er bestaat een versie van in de Joodse sprookjes.

 

Het gegeven is universeel, de mens beleeft dit overal ter wereld. Of hij nu aan de Stille Zuidzee woont of Eskimo is, hij is afkomstig van dezelfde oorspronkelijke mens. Van ver weg komt hem dit weten, uit de geschiedenis of uit zijn niet bewuste wereld.

 

 

 

 

Het Oerverhaal

 

 

Henri van Praag

 

De grens tussen mythe en sprookje is niet altijd scherp te trekken. De betekenis van de mythe is dikwijls, dat het verhaal van de bui­tenhistorische realiteit zich beweegt naar de historische. Het sprookje is in wezen een a-his­torisch verhaal, dat samenhangt met onze droom- en wenswereld.

De taal van de mythe is anders dan die van het sprookje. Bij de mythe zijn wij als hoorders en lezers veel meer persoonlijk betrokken.

De mythe verklaart, waarom de dingen zijn, zoals ze nu zijn. Waarom leeft de mens niet meer in het paradijs? Chesterton zegt het in weinig woorden: 'An apple is eaten and the hope of man is gone' ('Een appel wordt gegeten en de hoop van de mens was verloren'). Nu weten wij, waarom er in de wereld zoveel ellende is.

Het sprookje van Sneeuwwitje of Roodkapje geeft ons hier­over geen enkel uitsluitsel. Zij liggen buiten de tijd, maar raken als zodanig wel onze diep­ste gevoelswereld. Zij gaan eigenlijk over het paradijs, het verloren paradijs en het herwon­nen paradijs. Het sprookje is daarom veel sub­jectiever dan de mythe.

Een ander voorbeeld over een mythische uit­spraak. In de Bijbel ontstaat de vrouw uit de mens (niet de man!) en wordt de mens een twee-eenheid. Steeds is nu de man op zoek naar de vrouw. In de 'Nieuwe Vertaling' staat derhalve: 'Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhan­gen, en zij zullen tot één vlees zijn' (Genesis 2, vs 24).

In het Hebreeuws staat hier echter geen on­voltooid toekomende tijd, maar gewoon .de onvoltooide tijd, die ook als tegenwoordige tijd kan opgevat worden. Met andere woor­den: dat is nu de reden, waarom een man zijn vader en moeder verlaat en zich hecht aan de vrouw'.

Het indrukwekkende van de grote mythen is, dat zij ons verklaren hoe alles zo geworden is, als het nu is.

De mens heeft een vage herinnering aan een betere wereld, waarin hij eens geleefd heeft. De mythe vertelt ons hoe alles anders gewor­den is, het sprookje gaat eigenlijk een stapje verder. Het vertroost ons, dat het allemaal weer goed komt:  '... en zij leefden lang en gelukkig' .

Maar vaak vervagen de grenzen. Tussen de mythe van de schepping en de oudste geschie­denis, staat het sprookje van het paradijs. Maar in de Bijbel gaat het sprookje weer over in een mythe: zij leefden nog lang en... ónge­lukkig. Want de vloek kwam over hen... Maar in de vloek is weer hoorbaar de belofte van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, een mes­siaanse wereld...

 

Carl Gustav Jung en archetypen.

 

Archetypen zijn ideaalvoorstellingen, die zich in de menselijke fantasie realiseren. Ideaal die­nen we hier vooral niet uitsluitend als zedelijk goed op te vatten. Het betekent veeleer: vol­maakt in zijn soort. Indien iemand of iets aan een bepaald archetype beantwoordt zullen we in het dagelijks leven over ideaal, volmaakt of echt spreken: een ideale moeder en een echte schurk. Voor Plato was het moeilijk om ook voor negatieve en slechte dingen een idee aan te nemen. Dit is het grootste wijsgerige pro­bleem in zijn leven geworden. In de 'Parmeni­des' vraagt hij zich af of de uitwerpselen van dieren ook aan een idee beantwoorden. Bij Jung zijn de archetypen neutraal, d.w.z. ze kunnen zich zowel in het goede als het kwade manifesteren. Voor Plato was het moeilijk om in de idee van de schurk te geloven, voor Jung is dit wel mogelijk. Dit is eigenlijk geen psy­chologisch, maar een wereldbeschouwelijk probleem. Het hangt af van de levensopvat­ting van de psycholoog, hoe deze de archety­pen ziet. Men kan namelijk het archetype van het kwaad ook zien als de negatie van het archetype van het goede. Zeker is echter, dat in mythen, sagen, legenden en sprookjes altijd goede en boze figuren voorkomen, die als re­presentatief beschouwd kunnen worden. In de mythe staan tegenover de goden de demonen. In de sage tegenover de helden verraders, in de legende tegenover de heiligen de verleiders, en in het sprookje tegenover de feeën de heksen. Al deze figuren zijn archetypen. Jung heeft een groot aantal van deze gestalten beschre­ven. Positieve archetypen zijn: het vader­imago, het moederimago, de naaste, de hei­lige, enz. Negatieve archetypen zijn: de stief­vader, de stiefmoeder, de duivel, de verleider, enz. Deze archetypen kunnen ook andere ge­stalten aannemen. Zo manifesteert zich de stiefmoeder ook als heks, menseneetser, slang, spin, draak, kat, enz.

De boze stiefvader kan tot uitdrukking ko­men in de reus, de tiran, de kale berg en de bliksem.

Dat deze archetypen diep in de kinderziel ver­ankerd liggen blijkt uit de liefde voor sprook­jes en de poppenkast. Ook de kleuterangst vertoont vaak archetypische aspecten. Een kleuter van vijf jaar maakt het volgende op­merkelijke verhaal over een zigeunervrouw, waarin we duidelijk de verslindende stiefmoe­der herkennen. Vermoedelijk heeft hij haar zien liggen in haar woonwagen en hij fabuleert er nu als volgt omheen:

 

Een spin en een vrouw

 

Een spin heeft kinderen. Ze spelen in de schoen van een vrouw. De vrouw ligt te slapen in het bed. De schoen staat onder het bed. Spinnen met kinderen maken webben onder haar bed, en zwaaien op de webben. Vliegen vliegen rond.

De vrouw is van het soort, dat een sjerp over het hoofd draagt. Haar haar is ongewassen. Spinnenwebben en stof er op. De nagels van haar vingers zijn afgebeten en smerig, want ze zorgt er niet voor. Haar hals is nooit gewas­sen. Zelfs haar huis is smerig. 't Is echt een oud wijf.

Zelfs de dokters hebben haar alleen gelaten. Ze is helemaal in de war. Haar leven was een strijd. Ze heeft een gebroken been en een duim die ze niet gebruiken kan. Maar ze is lui en wil doen als een rijke. Ze is bedekt met vliegen. Ze heeft alleen koud water, waar je niet schoon mee kan worden. Zelfs haar heet water is koud. Ze ligt daar laat in de morgen en de hele avond. Ze lacht naar kruimels in haar bed. Ze gilt als ze naar de spinnen kijkt, die haar uit ronde ogen aankijken. Ze beeft als ze een spinnenweb aanraakt. Ze schreeuwt, ze huivert, ze haalt het mes uit de keuken om miljoen spin­nen te doden, en er is slechts één spin met zijn familie. Ze denkt dat de spin groter en groter wordt, met zes poten, die handen worden met lange grijpende nagels, die als keukenmessen zijn. De spin kruipt op de peluw en kust haar. Ze schreeuwt en dan slaapt ze. Ze is stom geworden. Ze zal nooit meer beter worden. Ze wordt al maar erger en erger. Voor haar is er geen genezing dan te sterven..

 

Een grote rol speelt ook het ideaalbeeld van het manlijke (animus) en het vrouwelijke (anima). Het geeft soms enige verwarring, omdat Jung animus en anima ook als de man­lijke en vrouwelijke kant van de ziel opvat. Daar ervaringen niet overgeërfd kunnen wor­den, en Jung niet met de paradijshypothese werkt, was hij verplicht een andere verklaring voor het collectieve onbewuste te geven. Jung sluit hier aan bij de behavioristische hypo­these, en vat het archetype op als het theoretische beeld, dat bij het instinctief gedrag past. Vandaar dat zijn definities voor archetype en instinct geheel parallel lopen. Zoals een jong instinctief zijn moeder herkent, zo kan de mens zich bewust maken van het moeder­beeld. Het archetype is 'het zelfportret van een instinct'. Jung heeft het archetype dus geheel in de biologische sfeer gebracht. Pas daarna volgt de subjectieve belevenis, die als ideëel gezien wordt. De ervaring van het nu­mineuze (heilige) is voor Jung niets anders dan de psychische verwerking van de bewustwor­ding van een instinctief gedragspatroon. Zo schrijft hij in de inleiding tot 'Frauen-Myste­rien' van Esther Harding: 'Het gaat bij dit begrip niet om een 'overgeërfde voorstelling', als wel om overgeërfde bebanin­gen (Bahnungen), dat wil zeggen om een over­geërfde modus van de psychische functie, dus om die aangeboren wijze waarop een kuiken­tje uit een ei komt, de vogels hun nest bou­wen, een bepaalde wespensoort het motorisch ganglion van een rups met zijn angel treft en de palingen hun weg naar Bermuda vinden; kortom, het gaat om een pattern of behaviour.

Dit is het biologisch aspect van het archetype, waar zich de wetenschappelijke psychologie mee bezig houdt. Dit beeld verandert echter geheel en al, zodra het van binnenuit, dus in de ruimte van de subjectieve ziel wordt bezien. Hier doet het archetype zich voor als numi­neus, d.w.z. als beleving van fundamentele betekenis. Wanneer het zich in de bijpassende symbolen hult, wat niet altijd het geval is, plaatst het het subject in een toestand van gegrepenheid, waarvan de gevolgen onafzien­baar kunnen zijn'.

Een dergelijke omschrijving is uiterst betwist­baar. Het is de zoveelste poging om het ho­gere volledig uit het lagere af te leiden, maar ze faalt als het gaat om verheldering van details. Men kan wel in het algemeen beweren dat onze ideeën zelfportretten der instincten zijn, maar het wordt moeilijk om dit per archetype aan te tonen. Uit welk instinct moet men het archetype van de verrader, de verleider, de goede fee en de draak verklaren? Het is veel aannemelijker om in het instinctief aanvoelen der dieren een voorbereiding van het mense­lijk verstehen te zien, en de instinctieve si­tuaties op te vatten als voorafschaduwingen van de menselijke idealen. Zoals Portmann in de opgerichte houding van de mens een norm voor de evolutie ziet (de dieren streven steeds meer naar een opgerichte houding), zo kan men ook in de menselijke idealen het evolutio­naire perspectief van het instinctief gedrag zien. Resumerende kunnen we vaststellen: de mens is een wezen, dat zijn ervaringen aan ideaalvoorstellingen toetst en die tracht zijn omgeving hieraan te doen beantwoorden.

 

Het Sprookje

 

Behoren de mythe en de fabel nog tot het heilige en het wijze woord, het sprookje is voluit het schone woord. In de mythe en de fabel gaat het meestal om buitenmenselijke machten: goden en dieren. Voor de primitieve en antieke volkeren zijn deze nauw verwant: De Egyptische God Horus (zoon van Osiris en Isis) heeft een sperwerkop. Ons woord dier is van dezelfde oorsprong als het Griekse woord theos: God. In het sprookje (en eigen­lijk in de hele verdere literatuur) gaat het om mensen. Wel beleven ze nog wonderlijke avon­turen, worden ze omringd door elfen en ka­bouters (Sneeuwwitje) of met sprekende die­ren (Alice in Wonderland), maar het zijn mensen van vlees en bloed zoals wij zelf.

Er is nog een verschil: in de mythe gaat het er om hoe alles werd, in de fabel hoe alles moet zijn, maar in het sprookje hoe het eens was. Zo beginnen alle echte sprookjes: er was eens...

En ze sluiten af met een happy ending: zij leefden nog land en gelukkig... Sprookjes zijn buitentijdelijke verhalen, nog vol van para­dijssfeer.

Het sprookje staat tot de roman, zoals de algebra staat tot de rekenkunde. U kunt voor het tijdstip X invullen. Misschien helpt deze vergelijking u ook om in te zien, dat algebra oorspronkelijk het sprookje van de wiskunde is. In de sage wordt langzaamaan de histori­sche tijd zichtbaar, zij het als oer-tijd, om in het verhaal pas echt historisch te worden. Het sprookje speelt zich af in de exemplarische tijd, het is daarom van alle tijden. Het is ge­heel onjuist in het sprookje een kinderverhaal te zien, het is een verhaal, wat alle mensen, dus ook de kinderen, moeten kunnen verstaan. leder land heeft zijn volks- en cultuursprook­jes (dit zijn door een auteur gecomponeerde). In Nederland schreef Frederik van Eeden: De Kleine Johannes, in Engeland Oscar Wilde De Jonge Koning, in Duitsland verzamelden de gebroeders Grimm de Volks- und Hausmär­chen (Hans en Grietje) en schreven Hauff (Het Koude Hart) en Hoffmann (De Gouden Vaas), beklemmende sprookjes. Veel genoeg­lijker zijn de sprookjes van de Fransman Charles Perrault: De sprookjes van Moeder de Gans (De Gelaarsde Kat, Assepoester, Klein Duimpje). Maar van alle landen heeft Dene­marken de fraaiste sprookjes voortgebracht. Zelfs theologen als Kierkegaard en Kaj Munk schrijven er in sprookjesstijl. Het idyllische van het land leeft ook sterk in de verhalen van Carl Ewald (Tweebeen), maar het sterkst bij de prins der sprookjesschrijvers Hans Chris­tian Andersen. Lees twee regels van hem en U herkent de grootmeester: 'Nu zal ik een ver­haaltje vertellen van het geluk. We kennen het geluk allemaal, sommigen zien het jaar in, jaar uit, anderen sommige jaren wel, sommige ja­ren niet, ja soms slechts een enkele dag, er zijn mensen die maar éénmaal in hun leven het geluk zien, maar zien doen we het allemaal. Nu behoef ik niet te vertellen, want dat weet een ieder, dat Onze Lieve Heer het kindje neerlegt in de schoot van een moeder, en dat kan geschieden op het rijke kasteel, en in een welgesteld huis, maar ook op een open veld, waar de koude wind blaast; maar niet iedereen weet, en toch is 't heus waar, dat Onze Lieve Heer terwijl hij 't kind brengt, ook een ge­luksgave voor dat kind brengt, maar dat ge­schenk wordt niet open en bloot daarnaast gelegd, het wordt ergens op de wereld gelegd, waar men het minst eraan denkt het te vinden en toch wordt het altijd gevonden: dat is het verblijdende ervan. Het kan in een appel ge­legd zijn, daarin was het verborgen voor een geleerd man, die Newton heette; de appel viel en toen vond hij zijn geluk...'

 

Bron: Themanummer over mythen en sprookjes - Prana 1987

Het humaniseren van het onbekende door het fabelachtige.

J. van Orshoven

 

 

Abstracte ideeën uit filosofie en religie zijn voor velen moeilijk toegankelijk, maar indien zij verpakt worden in allegorieën, parabels, fabels en mythen verweven met beelden en gebeurtenissen uit het dagelijks leven, dan krijgen ze een onweerstaanbare aantrekkelijkheid. Vele religieuze leraren zoals Jezus, Mohammed, Boeddha en de Vedische wijzen hebben er steeds opnieuw gebruik van gemaakt om religieuze instructies efficiënt door te geven. Soms wordt hierdoor de werkelijke boodschap ietwat verborgen, zodat zij slechts toegankelijk wordt voor hen die ‘eraan toe zijn’. Wanneer de boodschap echter overkomt, dan klikt het meteen en wordt alles ineens duidelijk

 

 

De Hindoe mythologie maakt alles en iedereen fabelachtig: goden, mensen, dieren en zelfs bomen. Vishnu’s lichaam wordt voorgesteld als het universum zelf: zijn ogen zijn de zonnen, zijn oogleden de dag en de nacht, de wolken vormen zijn haar en het water is zijn tong; de dieren vormen zijn woorden en de zeeën zijn maag.

Het is een poging om het sacrale in het univer­sum weer te geven. Die aangegeven verbanden zijn slechts duidelijk voor de intuïtie, niet voor het logische denken. Ze voeren ons im­mers voorbij datgene wat zintuiglijk waar­neembaar is.

Hindoe mythologie is niet alleen maar sprookje tenzij voor kinderen of voor hen die alleen maar sprookjes zoeken. Er bestaat een onderscheid tussen het fabelachtige en het fantastische. Het fantastische heeft te maken met onbeteugelde fantasie en het brengt ons niet in contact met een kern waardoor het mogelijk wordt om het onzichtbare aan te raken. Het symbool doet dit met behulp van het fabelachtige. Het verwijst altijd naar een diepere werkelijkheid

 

Het verhaal van Shiva, de Grote God

 

De kans bestaat dat we de Grote God aantref­fen op plaatsen die er wild en verlaten uitzien, want daar houdt hij zich bij voorkeur op. Als je hem eenmaal ziet, weet je terstond zonder enige twijfel dat Hij het is. Hij ziet er niet uit als een rijke of als iemand die grote macht bezit. Zijn huid is ingewreven met witte as van verbrand hout. Zijn enige kleding bestaat uit een okergele lendendoek zoals rondzwer­vende asceten gewoonlijk dragen. Opgerolde lokken van met as gematteerd haar tooien zijn hoofd. In de ene hand draagt hij de bedelnap en in de andere zijn lange staf, die eindigt in de drietand - en af en toe trekt hij van deur tot deur om te bedelen.

 

Hoog in het Himalayagebergte verheffen zich de grote sneeuwbergen en daar, op die stille en koude en onherbergzame plekken zit Shiva op zijn troon. Onbewegelijk - gehuld in de stilte ­zit hij daar volledig opgaand en gevestigd in eeuwigdurende meditatie.

Als de nieuwe maan, die boven de wenkbrau­wen van de Grote God staat, haar schijn werpt op de bergtoppen hebben devote zielen de indruk dat het licht van de maan door hem heen naar buiten straalt. Hij is een en al uit­straling en werpt geen schaduw af.

Aldus gehuld in diepe stilte ligt de berg Kailas, boven het meer Manasarovara, de verblijf­plaats van Mahadeva, de Grote God. Daar zit hij, onbeweeglijk, zijn geest diep verborgen onder alle gedachterimpelingen. Er wordt ver­teld dat tijdens één ademhaling van Hem - dus één uit- en één inademing - hele werelden ge­schapen en vernietigd worden. Nochtans heeft Shiva, de Grote God niets van zichzelf ­want in al deze dingen die Hij geschapen heeft is er niets - geen koningschap, geen vader­schap, noch weelde, noch macht - dat Hem ook maar voor een moment kan verleiden om deze voor zich op te eisen. Slechts één verlan­gen heeft Hij en dat is het verlangen om de onwetendheid van de zielen te vernietigen en om het licht van kennis te verspreiden.

Op een keer, zo wordt beweerd, was Hij zo diep in meditatie verzonken dat, toen hij zijn ogen opendeed, Hij helemaal alleen was en balanceerde op de kern van alle dingen. Het hele universum was in het niets opgegaan. Toén, in de wetenschap dat alle duisternis opgelost was, dat er nergens meer, in geen enkele wereld, onwetendheid of zonde was, danste hij met de handen in de lucht in het niets van die totale teruggetrokkenheid en Hij zong zijn vreugde uit 'Bom! Bom!' en deze dans van de Grote God is de Indiase doden­dans, en om deze reden wordt hij vereerd met de woorden 'Bom! Bom! Hara! Hara!'

Wanneer wij eenmaal het aangezicht van de Grote God zien dan kennen wij hem voor eens en voor altijd, zonder dat wij er mogelijker­wijze nog ooit aan kunnen twijfelen. Een blik is voldoende vanuit die uitstraling van kennis, één blik vanuit het mededogen en de tederheid van zijn gezegend wezen om nooit meer te kunnen vergeten dat Hij die we zagen Shiva zelf was. Het is ondenkbaar dat de Grote God boos of nijdig zou kunnen zijn. Hij die de vorm heeft van een zilveren berg ziet slechts twee dingen in de mensen: inzicht en het ver­langen naar inzicht. Wat ook onze zonde of fout moge zijn, Hij is er slechts op uit om ons de oorzaak ervan te verhelderen, zodat we niet langer in het duister tasten. Hij is onbegrensd mededogen, vrij van enige schaduw of smet.

 

Met betrekking tot de wereld is hij heel een­voudig en niet veeleisend. Hij vraagt practisch niets van iemand die hem iets wil offeren. Hij is - dat klinkt misschien vreemd - ook gemak­kelijk te misleiden. Met slechts enkele blade­ren van de belboom, wat water en veel minder dan een handvol rijst is hij tevreden. Hij zal deze aanvaarden onder gelijk welke omstan­digheden. De tranen van iemand die berouw heeft, bijvoorbeeld werden vaak door Hem beschouwd als het zuivere water van zijn of­fer. Op een keer stond hij 's nachts op wacht bij een kamp van de koning toen de vijand Hem overviel en probeerde Hem te doden. Deze gemene lieden waren echter gewapend met stokken gemaakt van takken van de bel­boom en terwijl zij hem telkens opnieuw hier­mee sloegen, lachte hij en beschouwde hij deze slagen als bewijs van hun toewijding. Hij stak zijn hand uit, legde ze op hun hoofd en ze­gende ze! Hij neemt in bescherming al diegenen die el­ders uitgestoten worden, die nergens terecht kunnen en die geen meester hebben.

 

Hij heeft slechts één dienaar, de toegewijde Nandi. Hij rijdt niet op een paard of een olifant, maar op een armzalige oude buffel­stier. Omdat de slangen door alle anderen verworpen werden stond hij ze toe dat ze zich om zijn nek strengelden. Alle misvormden, gebochelden, alle lammen en schelen onder mensen beschouwt hij als de zijnen, want een­zaamheid en misvorming en armoede vormen de sleutel tot het hart van de Grote God. Hij vraagt niets van een ander, hij heeft alles voor anderen over en hij vraagt niets daarvoor in ruil. De Heer der Dieren weigert niemand die oprecht tot Hem komt.

 

Ons gebed, ons hunkeren of onze nood is voor Hem voldoende om zijn eigen Zelf te geven, met al zijn tederheid en verlichting.

Toch is dit niet de enige vorm waarin Shiva tot de ziel van de mens komt. Soms zijn we verknocht aan datgene wat tussen ons en ken­nis instaat. De Grote God is steeds de vernie­tiger van Onwetendheid. Daarom staat hij op als de tijd daarvoor gekomen is, met opgeheven zwaard en slacht hij voor onze ogen onze dierbaarsten.

Tussen zijn wenkbrauwen straalt het grote Derde Oog van spiritualiteit, waarmee hij doordringt tot in de kern van alle hypocrisie en onechtheid. Met het vuur dat uit dit Derde Oog flitst, kan hij in een oogwenk alles tot as verbranden wat onecht IS, want hoe naïef Hij ook is met betrekking tot dingen uit de we­reld, op het gebied van spiritualiteit kan Hij nooit bedrogen worden. In dit aspect staat hij daarom bekend als Rudra, de Verschrikke­lijke; tot Hem bidden mensen dagelijks: '0 Gij, de Liefste der Lieflijken, de Verschrikke­lijkste der Verschrikkelijken'.

 

Zo vertelt het verhaal. Toch is dit idee van de Grote God in feite slechts de helft van het concept dat voor de menselijke intuïtie be­kend staat als het goddelijke. Er zijn twee dingen die als God beschouwd worden. Ener­zijds kennis, inzicht - Jnana, zoals dit in India genoemd wordt, en het toppunt van kennis is Shiva of Mahadeva - anderzijds wordt God veeleer gezien als kracht, energie, schoonheid, de wereld om ons heen. Inderdaad, zonder elkaar wordt elk van beiden ondenkbaar. Van­daar dat Shiva steeds een gemalin vindt in Maha Shakti, de Energie in beweging. Zij wordt in tekeningen en verhalen vaak voorge­steld als Sati, Uma, de Grote Dood. Ze is Gauri, diegene van goud, de mooie, bevallige, het licht van de zonsopgang dat schijnt op de besneeuwde bergen. Zij trekt steeds rond in Kailas als de vrouw en de toegewijde aanbid­ster van die Mahadeva, of Spiritueel Inzicht, die bij de mensen bekend staat als Shiva of de Grote God

 

Bron: Themanummer over mythen en sprookjes - Prana 1987


Je kan om de twaalf uur een stem uitbrengen voor Spirituele Vrienden

Top 100 NL

Teken mijn gastenboek



Stuur Fran een mailtje