Kerstmis 2008


Opnieuw Kerstfeest

 

Wanneer een mens eindelijk wakker wordt,

de weg naar binnen gaat en het eigen weten

ontdekt, wordt hij een geestelijke mens

en wordt Christus opnieuw in hem geboren.

 

Wanneer een mens zichzelf bewust wordt

en eerlijk leert kijken naar wie zij vanbinnen is,

als kijkt zij in een spiegel, wordt zij zich

ook bewust van een diepere kracht,

van haar hoger zelf, haar innerlijke Christus.

 Zo wordt Christus opnieuw in haar geboren.

 

Wanneer een mens op het duister van het leven

een stille winst behaalt: de winst van een innerlijk

 zeker weten, van waarom dat tot daarom wordt,

wordt Christus opnieuw in hem en haar geboren.

 

En overal waar Christus opnieuw in ons

geboren wordt, is het opnieuw Kerstfeest­

zowel in de hemel als op de aarde.

De engelen zingen van pure vreugde

omdat weer een mens zijn bestemming

gevonden heeft. En op aarde zingt ons hart

vol dankbaarheid en in een stil vertrouwen.

Hans Stolp

 

Kerstmis in kunstwerken.



wordt regelmatig aangevuld.

 

 

Bij het begin van de Advent bied ik jou graag een tekst aan met overwegingen van Johan Pameijer.
Johan Pameijer is theosoof en vanaf 1982 priester in de Vrij Katholieke Kerk. Hij geeft lezingen over mystieke onderwerpen en is speciaal geïnteresseerd in gnosis. Hij bestudeert mystiek/symbolische achtergronden van Bijbelse verhalen. Onderstaande komt uit zijn boek: Het Gnostisch Alternatief – De inwijdingsweg van de christelijke feestdagen.

 

ZEVENTALLEN

Volgens de mythe werd de wereld in zeven dagen geschapen: zes dagen werk, een dag rust. Dit patroon doortrekt het hele Bijbelse denken. In Spreuken 9 staat: "De Wijsheid heeft zich een huis gebouwd. Ze heeft haar zeven pilaren uitgehouwen...", een compacte samenvatting van het totale scheppingsproces, zoals zich dat door bemiddeling van Sophia, de Wijs­heid uit de gnostische systemen, ontrolde. Ook andere religies kennen hun zeventallen. "De zeven wijzen vormen zeven paden. Op een daarvan kan de geplaagde sterveling komen," zegt de Rig Veda, het oudste Indische wijsheidsboek. De zeven paden zijn de zeven stralen van wijsheid en die ene waarop de sterveling komt is de stoffelijke. Pythagoras noemde het getal zeven "het voertuig van het menselijke leven".

Ver voor de oude Grieken voerden mystici in Babylon de rituele mythe van hun hoofdgodin Isjtar op. Zij zocht de toegang tot de onderwereld om zich daar weer met haar vermoorde echtgenoot, de god Tammoez, te verenigen. Het is het oude verhaal van de ziel, die de goddelijke Geest zoekt. Isjtar begeeft zich naar het huis der mysteriën en dient bij elk van de zeven poorten iets van zichzelf te offeren om tot het heiligste der heiligen te kunnen doordringen.

  • Bij de eerste poort offert zij haar kroon,
  • bij de tweede haar neus- en oorringen,
  • bij de derde haar halsketting en
  • bij de vierde poort haar borstschild.
  • Bij de vijfde poort offert ze haar gordel en
  • bij de zesde haar hand- en voetspangen.
  • Bij de zevende poort ten slotte levert ze haar gewaad in.

 

Naakt betreedt ze het binnenste der tempel en verenigt zich daar met haar goddelijke gemaal.

Elk van de zeven geofferde voorwerpen staat zinnebeeldig voor een kwaliteit.

  • Haar kroon is haar waardigheid,
  • haar neus- en oorringen haar zintuiglijke waarneming,
  • haar halssieraad is haar wil tot denken en
  • haar borstschild symboliseert haar gevoelsleven.
  • Dan is ze toe aan haar sexualiteit, dat met haar gordel wordt opgeofferd.
  • Haar hand- en voetspangen staan voor haar handel en wandel en
  • haar gewaad ten slotte is haar hele persoonlijkheid.

 

Nu is ze niets meer. Blank en onbezoedeld door iets persoonlijks smelt ze samen met het pure Zijn van haar echtgenoot Tammoez. Dat gebeurt in het hart van de tempel, de plaats die in het Evangelie van Philippus "het bruidsvertrek" wordt genoemd.

Klaarblijkelijk vallen de zeven kwaliteiten samen met de zeven stadia van menselijk bestaan. Volgens de Tantra stemmen ze overeen met de zeven chakra' s. De betekenis van het getal zeven blijkt heel diep in het menselijk bewustzijn verankerd te zijn. Als grondakkoord van de symfonie der sferen doortrekt het alle religies. Geheel in deze lijn voltrok God de schepping in zeven dagen.

Toen Jezus zijn discipelen vertelde hoe zij moesten bidden, zei hij: Ga in uw binnenkamer (in uw hart) en bid aldus. En er volgde een gebed, dat uit zeven onderdelen bestond.

Na de aanroep "Onze Vader die in de hemelen zijt" volgen achtereenvol­gens de zeven beden, drie gericht op het goddelijke en vier gericht op de mens:

  • Uw naam worde geheiligd;
  • Uw Koninkrijk kome;
  • Uw Wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde;
  • Geef ons heden ons dagelijks brood;
  • en vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onze schuldenaren;
  • Leid ons niet in verzoeking en
  • Verlos ons van de boze.

 

Hierna volgt de later toegevoegde afsluiting "Want uw is het koninkrijk en de macht en de heerlijkheid, tot in de eeuwigheid, Amen.

Afdalend uit het ongedifferentieerde Zijn (Uw Naam) komt het goddelijk Koninkrijk zijn schepselen nabij, deelt zich in twee wilsaspecten en biedt ons de inspiratie van het goddelijke Woord aan. Daardoor gesterkt zal de bereidheid tot vergeven toenemen en wordt de verzoeking zonder goddelijk ingrijpen aanvaard. Zo herhaalt zich in dit koninklijke gebed de goddelijke incarnatie bij ieder, die in zijn binnenkamer bidt. Tot in het rijk van de boze, omgeven door de duisternis van onwetendheid, laat God zijn lichtstraal vallen. Zo manifesteert zich in het "Onze Vader", die reeks van zeven heldere mantrams, opnieuw de involutie van de geest in stoffelijk gewaad.

 

KERSTVERHALEN

In de Bijbelse geboorteverhalen wordt hetzelfde patroon gevolgd, al is dat op het eerste gezicht niet te zien. Zeven elementen vormen het totaal van het kerstverhaal, zoals we het lezen bij Mattheüs en Lukas. Elk van de beide evangelisten vertelt maar een deel van het verhaal. Buitengewoon vreemd is, dat ze elkaar nergens overlappen. Mattheüs introduceert de drie wijzen uit het oosten, aan wie de weg wordt gewezen door een bijzonder heldere ster. Onderzoekers uit ons weinig verlichte tijdperk meenden in de Ster van Bethlehem een conjunctie van Saturnus en Jupiter te herkennen. In die opvatting gaan ze volledig voorbij aan de symbolische betekenis van het opmerkelijke hemelverschijnsel.

Over herders in het veld en de bevalling in een stal zwijgt Mattheüs. Zijn Wijzen uit het oosten begeven zich na een ontmoeting met de boosaardige jaloerse koning Herodes naar het huis waar het kind ter wereld kwam.

De evangelist Lukas, die toch het een en ander ontleende aan het twintig jaar eerder geschreven Mattheüs-evangelie, scheen niets te weten van de ster en de drie wijzen. Hij concentreerde zich geheel op het intieme tafereel in de stal. Wel huiverden de herders in het veld bij het gezang van de engelen. Binnen lag het Kind in de kribbe, terwijl de os en de ezel toekeken. Toch krijgt in de woorden van deze twee mannen een merkwaardige mythe gestalte. Een mythe waarin zeven elementen optreden, die met elkaar aansluiten bij het oerpatroon van zeventallen, namelijk drie geestelijke en vier stoffelijke.

Dit principe kwamen we ook al tegen in de Egyptische piramidebouw. Op een vierkant grondpatroon verhief zich een driehoekige bovenbouw. Het graf van Toetanchamon vertoonde bij ontdekking hetzelfde beeld: vier gouden schrijnen omhulden drie doodskisten, waarbinnen het gouden masker als goddelijk element verborgen was. De geboorteverhalen van Mattheüs en Lukas vullen elkaar op soortgelijke wijze aan.

Mattheüs vertelt over de wonderbaarlijke Ster en de drie wijzen uit het Oosten. Lukas deelt iets mee over engelen en herders. Verder zijn er de dieren, het Kind en de kribbe. Ster, drie wijzen en engelen vormen in deze verhalen de geestelijke principes. Kind, herders, dieren en kribbe zijn de stoffelijke principes. In deze volgorde gelezen ontdekken we een zinrijke parallel met bijvoorbeeld het "Onze Vader". De Ster is identiek met "Uw Naam". Hetzelfde geldt voor drie koningen (de geopenbaarde goddelijke drievuldigheid) en "Uw Koninkrijk kome" en de engelen en "Uw wil geschiede", want engelen voeren de wil van God uit. Het Kind staat op de vierde en centrale plaats van de zeven, een plek die in het Onze Vader wordt ingenomen door de bede "Geef ons heden ons dagelijks brood". Lazen we zojuist niet, dat Jezus zichzelf "het levende brood" noemde? Dan komen we bij de lagere drie: herders en schuldvergeving, het dierlijke en de verzoe­king en ten slotte de kribbe, getimmerd als een horizontaal kruis, en het boze.

 

In de beide, blijkbaar vanuit het bovennatuurlijke geredigeerde, geboorte­verhalen is de volledige incarnatie van God uitgebeeld. Een lichtvonk spat weg van de oorspronkelijke levensvlam, splitst zich in de drie wijzen en verdeelt zich verder in de engelenscharen. Dan trekt ze weer samen in het Kind, dat het hart van de schepping is. Als de goddelijke mens vormt het een kanaal in de mensen en de dieren om zich te vestigen in het demonische rijk van het boze. De goddelijke incarnatie wordt beschreven in simpele beelden, gemakkelijk te begrijpen voor mensen, die konden lezen noch schrijven, maar nog wel beschikten over een beeldend bewustzijn.

 

HET WOORD

Op dezelfde wijze is de beroemde aanhef van het Johannes-evangelie een zevental. Maar de taal van de vierde evangelist is abstracter, filosofischer, minder toegankelijk voor de analfabetische mens. Toch volgde hij in zijn versie van het geboorteverhaal hetzelfde stramien. Zonder al te veel moeite kunnen we het naast de compositie van Mattheüs/Lukas plaatsen en opmerken, dat het aan de gebeurtenissen tussen ster en kribbe een extra dimensie toevoegt.

Bij Mattheüs is God, de Al-Ene, een ster die de weg wijst aan de drievul­digheid in de gedaante van de drie koningen of wijzen. Johannes benoemt de Absolute, onkenbare God als de Logos, in de vertaling het Woord. In de schone cadans van zijn taalgebruik kunnen wij de imposante opening van zijn evangelie in de volgende zevenvoudige verdeling lezen.



  • In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God;
  • Dit was in den beginne bij God;
  • Alle dingen zijn door het Woord geworden, en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is;
  • In het Woord was leven;
  • en het leven was het licht der mensen;
  • en het licht schijnt in de duisternis;
  • en de duisternis heeft het niet gegrepen.

De bouwende vitaliteit van de engelen vindt zijn weerklank in de uitdruk­king "Alle dingen zijn door het woord geworden." De plaats van het Kind in de rangorde in het hart van het zevental wordt bij Johannes het "leven". De herders staan bij Lukas voor het menselijke, precies als bij Johannes waar het leven het licht der mensen is. Dan bereiken we het niveau van het dierlijke, het licht dat in de duisternis schijnt. Geheel ingedaald vormt zich de materie als de kribbe, die de schaduw van een kruis in de tijd vooruit­werpt. Het is het boze van de duisternis, die het niet heeft begrepen en in onwetendheid verkeert.

 

KONING HERODES

Mattheüs heeft gevoel voor polariteiten. Terwijl de latere Lukas het kwaad negeert, daar haalt Mattheüs koning Herodes naar voren. Als God, de Ster, in de drie wijzen tot het goddelijk gebied van de schepping is neergedaald, herkent Mattheüs meteen de schaduw van het kwaad. Openbaring is dualiteit. Waar goed is manifesteert zich gelijktijdig het kwaad. Bij Mattheüs dringt Herodes zich het verhaal binnen, zodra ster en drie wijzen hem doen vermoeden, dat God in de aanval is gegaan. De angst bekruipt hem. Bijna stikkend ziet hij het al voor zich: een Koning der Joden, die de macht grijpt en hem, Herodes, van de troon stoot. Gedreven door angst en jaloezie spant hij de drie wijzen voor zijn karretje. Alle jongetjes tot twee jaar oud zal hij laten ombrengen. Dan moet het al heel gek gaan als die gevreesde jodenkoning daar niet bij zit. Maar de wijzen zijn te wijs om in de val van Herodes te lopen. Ze misleiden hem. De ouders nemen hun kind op en vluchten naar het veilige Egypte.

Na de exodus lieten de joodse stammen datzelfde Egypte achter zich en vestigden zich in het beloofde land Kanaän. Het was de bewustzijnsreis van de tweeheid naar de eenheid, van het land waar verdeeldheid heerst naar het land waar verdeeldheid is uitgewist. Door de vlucht naar Egypte daalt de geïncarneerde godheid af in het laagste gebied, de wereld waar leven en dood, goed en kwaad, licht en donker naast elkaar bestaan. In het Mattheüs-­evangelie heeft Egypte dezelfde betekenis als de kribbe bij Lukas. Mattheüs slaat het tussengebied over en confronteert ons onmiddellijk met de dualiteit. Lukas laat ons wegdromen in een lieflijk sprookje en stelt alleen de rijpe denkers in staat om in de kribbe de voorbode van het kruis te herkennen.

In beide verhalen doordringt het goddelijke zijn tegenpool geheel. Gnostici vertellen over de geboorte van de Zoon, die als een lichtvonk in de hele schepping mee zal gaan. Daarin is Hij de voorwaarde voor de verlossing, die zich ooit zal uiten in de evolutie van de geestelijke vermogens.

De hele ons omringende wereld, wij zelf incluis, bevat de rijkgeschakeerde verschijningsvormen van de goddelijke energie. Zoals wij eerder zagen heeft de mens deze energie op vele manieren vrijgemaakt en toegepast. Maar hij heeft haar niet herkend. De duisternis heeft het niet gegrepen.

Om daarin verandering aan te brengen zijn de christelijke hoogtijdagen ingesteld. Kerstfeest en Pasen springen eruit door de rijke symboliek, waarmee ze worden gevierd. Maar hun diepe betekenis dreigt verloren te gaan. In de hoogtijdagen tussen Kerstmis en Pinksteren wordt de terugkeer van de menselijke ziel in de goddelijke geest uitgedrukt. Geboorte, doop, verheerlijking, lijden, verrijzenis, hemelvaart en uitstorting zijn de inwijdingsplaatsen op deze lange weg, deze moeizame klim langs de wereldas, de berg Meroe, de levensboom of de ruggegraat.

Tijdens het kerstfeest bevinden wij ons op de onderste pool in de diepe duisternis, waarin we het goddelijk licht proberen te ontsteken. De poort van het Huis der Mysteriën rijst op als de machtige voorgevel van een Egyptisch tempelcomplex. Aarzelend staan we voor de ingang. Op één voorwaarde worden we in de voorhal toegelaten. Zoals eertijds de Babylo­nische koningin Isjtar moeten we onze kroon offeren. Dat is het moment van het kerstfeest, sol invictis, het feest van de onoverwinnelijke zon. Ondanks de winter zal het komen. De vruchtbaarheid zal de velden weer omwoelen en tot leven brengen. Een sluier van jong groen ontspruit aan dode takken. Nieuw leven in een dood land.

Licht in de duisternis. In het verre broodhuis aanschouwde de onoverwin­nelijke zon het levenslicht in mensengedaante. Bethlehem, het broodhuis, is de geestelijke bron van het goddelijke Woord. Dat Bethlehem, het getal 490, is niet een geografische plaats, maar een inspiratiepunt in het bewustzijn. Daar wordt op een bepaald ogenblik het besef wakker van een goddelijke aanwezigheid. Aarzelend bekeren wij ons tot die aanwezigheid in ons.

Ontwaken tot God, dat is de diepere zin van het midwinterfeest. Hij leeft in mij, in ons, in iedereen. Wij bekeren ons tot hem en worden ons bewust van ons levensdoel: samen met hem de reis aanvangen. Luisterend naar zijn aanwijzingen willen wij hem volgen.

In de mysterietempels komt nu de tijd van voorbereiding. Twee jaar van toetsing, training en beproeving. Zijn wij wel in staat om de goddelijke instructie te volgen? Houden wij vol, zijn we bereid? Kunnen we loslaten? Willen we afzien van het wereldse en ons geven aan die onbekende God? Prins Siddharta hulde zich in lompen en sloop op een nacht het paleis uit. Koningin Isjtar offerde haar kroon. De timmermanszoon Jezus begon als vluchteling in Egypte. De zon rondde zijn keerpunt en begon opnieuw te stijgen. De innerlijke groei nam een aanvang.

 

 

 



Mirjam

 

Men heeft mij toegedekt met duizend namen
door eeuwen vroomheid en ontzag bedacht,
mij op een troon geplaatst, gebrand in ramen,
met milde tonen mijn gezicht verzacht.

Maar Mirjam was mijn naam toen ik nog jong
door zon en wind getekend en getaand
met velen water putte uit één bron
en heuvels wollig van het vee zag staan.


De weelde van een wereld zonder schijn,
een thuis, een man om mee op weg te gaan
en het besef door God bemind te zijn.
Ik ben een vrouw en Mirjam blijft mijn naam.

Patrick Lateur (1949)
Uit: Zeven vrouwen, Uitgeverij P, Leuven, 1997

 

 

Hij zeide: zeg mij hun geheim, maar ik
die het reeds kende zoveel wondere jaren
zocht naar een woord, een aarzelend ogenblik
en trachtte tevergeefs het te verklaren.

Toen zei ik: Liefde, maar ik wist opeens
dat het veel meer was, een mystieke waarde
ongrijpbaar en toch ook van deze aarde,
zowel van allen als van mij alleen.

Het is muziek, een woord, een handgebaar,
een teken; en het schijnt in iemands ogen,
het is zijn hart en 't mijne, 't is het hoge
verbond om al wat schoon is, licht en waar.

Hij vroeg mij: wijs mij hun geheim, maar dit
kon ik niet duiden in talloze gesprekken.
Alleen hij zal het ooit kunnen ontdekken
die het geheim reeds in zichzelf bezit. "

Willem Brandt

 

 

DE KAARS

Willem Brandt

 

Stone Walls doe not a Prison make,

Nor Iron bars a Cage;

Minds innocent and quiet take

That for an Hermitage;

If I have freedome in my Love,

And in my soule am free,

Angels alone that sore above

Injoy such Liberty.

 

Richard Lovelace (1649)

 

Ach nee, een kerstverhaal is dit eigenlijk niet. Het is niet eens een verhaal, het is een verslag, een doodgewoon verslag van iets dat ergens gebeurde. En dan mist het zelfs nog de actualiteit, die doorgaans het kenmerk van een verslag pleegt te zijn. Want het is meer dan dertig jaar geleden gebeurd. Wie kan dat nog wat schelen? Maar het kerstverhaal, het échte kerstver­haal, was tenslotte ook niet zomaar-een-verhaal. En ook dat is oud nieuws, van een kleine tweeduizend jaar geleden. Wat doen dus die dertig jaar ertoe?

Overigens bestaat er n6g een eigenaardige overeen­komst, al zult u die misschien een beetje gezocht vin­den. Het oude kerstverhaal speelde zich af in een stal. Dat van meer dan dertig jaar geleden gebeurde ook in een stal. Nu ja, geen echte stal, maar het leek er wel veel op. Het was een sombere donkere loods. Daarbin­nen heerste vrijwel permanente schemering of duister­nis. Maar daarbuiten straalde het licht heel fel en glorieus, zowel overdag als in de avond en in de nacht. Die loods stond namelijk in een tropisch gebied, onder een gloeiende, brandende zon. Maar ook onder een fantas­tische sterrenhemel. En een maan die veel groter scheen dan men hier ooit in het westen aanschouwt.

Er woonden mensen in die loods. 'Wonen' is een beetje te sterk uitgedrukt, ze waren er opgeborgen. Want iets verder, daarbuiten, flitste de zon of de maan kleine vonkjes uit het prikkeldraad, voor zover dat in de loop der jaren niet verroest was. Want het duurde nu al ja­ren; of waren het misschien eeuwen? Je wist dat zo niet meer. Je was te moe en te ziek en te zwak om daarover te denken, om de uren te volgen en de dagen. Dat deed je in het begin. Nu was dat al lang voorbij. Je werd meer met de eeuwigheid geconfronteerd dan met de dag of het uur. Want er stierven er zovelen naast je en tegenover je, door honger, dysenterie, andere tropische ziekten; of ook alleen maar omdat ze niet meer leven wilden, hun laatste sprankje hoop was uitgedoofd.

Wij trachtten het nog een beetje te rekken in dat Ja­panse concentratiekamp. Waarom, ach dat wist je ei­genlijk niet meer. Aan het einde van de oorlog, aan be­vrijding kon je allang niet meer geloven. Je leefde ver­der uit een soort routine, in een verdoving, afgestompt, en met nog maar één drift die zo nu en dan als een wild beest naar je keel sprong: eten, eten wat dan ook. Het was er niet, we werden systematisch uitgehongerd. Maar zo nu en dan ving iemand wel eens een slang, of een ander dier, een rat bijvoorbeeld. Vergeet het maar, niemand die het overleefd heeft praat daar nog graag over.

Er was één man in dat kamp die nog iets eetbaars be­zat. Een kaars. Een gewone waskaars. Natuurlijk had hij die destijds niet meegenomen of bewaard om op te eten. Een normaal mens eet geen kaarsvet, hoewel ze zeggen dat de Kozakken er vroeger gek op waren. In elk geval: het is vet, dat moet u niet onderschatten, wanneer je alleen maar uitgeteerde lichamen om je heen ziet en daarin ook jezelf herkent.

Als de marteling van de honger helemaal niet meer was uit te houden, nam hij die kaars, die hij goed ver. borgen had in een verfomfaaid koffertje, en hij kloof er­aan. Maar eten deed hij hem niet. Hij beschouwde die kaars als zijn laatste redding. Eénmaal, als iedereen krankzinnig werd van de honger (en dat duurde nu niet zo lang meer), zou hij die kaars opeten. Ik hoop niet dat u het gek of griezelig vindt. Ik, die zijn kameraad was, vond het heel gewoon in die tijd. Hij had mij trouwens een klein stukje van die kaars beloofd. Het werd mijn levenstaak, mijn voortdurende zorg erop te letten dat hij die kaars achteraf toch niet helemaal alléén opat. Ik beloerde en bespioneerde hem en zijn koffertje dag en nacht. Misschien bleef ik daardoor ook wel leven, om­dat ik zo'n belangrijke taak te vervullen had. Nu, op een keer ontdekten wij dat het kerstmis was. Heel toevallig was iemand daarachter gekomen, na langdurige berekeningen aan de hand van kleine streepjes en inkervingen in een balk. Hij vertelde het aan iedereen. 'Het volgend jaar kerstmis zijn we thuis,' voegde hij eraan toe, nogal vlak en toonloos. Wij knik­ten of reageerden helemaal niet. Dat hadden we nu al een paar jaar gehoord. Toch waren er nog wel een paar die zich daaraan vastklampten. Je weet immers nooit.

Toen zei iemand, misschien zonder enige bedoeling, maar misschien ook wèl, daar ben ik nooit achter geko­men: 'Met kerstmis branden de kaarsen en is er klokge­lui.'

Dat was heel vreemd om te zeggen. Het klonk als een zwak nauwelijks hoorbaar geluid uit een onafzienbare verte, een diep, diep verleden, iets volkomen onwerke­lijks.

Nu moet ik zeggen dat die opmerking aan de meesten van ons voorbijging, zij had immers nergens iets mee te maken, zij sprak over iets dat geheel buiten ons be­staan viel, maar zij had de wonderlijkste en meest on verwachte gevolgen.

Toen het al laat in de avond was geworden, en iedereen daar zo'n beetje neerlei, op de planken, met zijn eigen gedachten, of eigenlijk helemaal zonder gedachten, werd mijn vriend onrustig. Hij schoof naar zijn koffertje en haalde de kaars te voorschijn. Ik kon het heel goed zien in het donker, de witte kaars. Hij eet hem op, dacht ik, als hij nu maar aan mij denkt. En ik loerde naar hem, door mijn oogharen. Hij legde de kaars op zijn brits en ik zag 'm naar buiten verdwijnen, waar een klein vuurtje smeulde. Hij keerde terug met een bran­dende spaander. Als een spook dwaalde dat kleine vlammetje door de loods, tot het zijn plaats weer be­reikte. Toen gebeurde het vreemde: hij nam die spaan­der, dat vuur, en hij stak zijn kaars aan.

De kaars stond op zijn brits en brandde.

Ik weet niet hoe iedereen dat zo onmiddellijk ontdekte, maar het duurde niet lang of de ene schaduw na de an­dere schoof nabij, halfnaakte kerels, van wie je de rib­ben kon tellen, met holle kaken en brandende hongero­gen. Zwijgend vormden die een kring rondom de bran­dende kaars.

Stuk voor stuk kwamen ze naar voren, die naakte man­nen, ook de dominee en de pastoor. Je kon niet zien dat ze dominee of pastoor waren, zij waren ook maar een stuk uitgemergelde ribbenkast, maar we wisten het toevallig.

De pastoor zei met een schorre stem: 'Het is kerstmis. Het Licht schijnt in de duisternis.'

En toen zei de dominee: 'En de duisternis heeft het niet overmocht[1]. '

Het is, als ik mij niet vergis, uit het Evangelie van Jo­hannes. Je kunt het in de bijbel vinden, maar die nacht, rondom deze kaars, was het geen geschreven Woord van eeuwen geleden. Het was de levende werkelijkheid, een boodschap voor dit uur en voor ons, voor ieder van ons.

Want het Licht scheen in de duisternis. En de duister­nis overwon het niet. Dat kon je toen zo niet beredene­ren: dat was wat zij voelden, zwijgend rondom dat kerstlicht, die spitse, vlam.

Daar was iets heel bijzonders mee. Die kaars was wit­ter en slanker dan ik ooit later gezien heb, in de be­woonde wereld. En die vlam. Dat was een kaarsvlam die tot de hemel reikte, en in die vlam zagen wij Dingen die niet van deze wereld zijn. Dat kan ik nooit navertel­len. Niemand van ons die nu nog leeft. Dat was een ge­heim. Een geheim tussen het kerstkind en ons. Want wij wisten toen zeker dat Het er was, dat Het leefde tus­sen ons en voor ons.

Wij zongen zwijgend, wij baden zonder een woord, en ook heb ik gehoord dat de klokken begonnen te luiden en dat een engelenkoor liederen aanhief. Ja, dat weet ik heel zeker en ik heb wel honderd getuigen, van wie de meesten niet meer spreken kunnen, ze zijn niet meer hier. Maar daarom wéten ze het nog wel.

Daarginds, diep in de moerassen en de rimboe, zongen ijle engelachtige stemmen kerstliederen voor ons, en galmde het brons van duizend klokken.

Waar dat vandaan kwam, dat blijft ook een geheim. Die kaars brandde hoger en hoger, spitser en spitser, tot aan het uiterste nokje van die hoge donkere loods en toen daar doorheen, tot aan de sterren, en alles werd wit van licht. Zoveel licht heeft later nooit meer iemand gezien. En wij voelden ons vrij en opgeheven, en kenden geen honger meer. Die kaars had niet mijn vriend gevoed, en mij, die kaars had ons allen gevoed en sterker gemaakt. Er kwam geen einde aan het licht.

En toen iemand zacht zei: 'Volgend jaar kerstmis thuis,' toen geloofden wij dat voor déze maal onvoorwaardelijk. Want het licht had het ons zelf gebood­schapt, het stond in vurige letters in die kerstvlam ge. schreven; u kunt het van mij aannemen of niet, ik heb het zelf gezien.

De ganse nacht heeft de kaars gebrand. Er is geen kaars ter wereld die zo lang en zo hoog kan branden.

Toen het ochtend was, waren er een paar die zongen. Dat was in geen jaren gebeurd. Die kaars heeft velen van ons het leven gered, want toen wisten wij dat het nog de moeite waard was om verder te gaan, waarheen ook: dat er ergens aan het eind op ieder van ons een Thuis wachtte.

En dat was ook zo.

Sommigen zijn naar huis gegaan, vóór het volgend jaar kerstmis. Zij staan weer in dit leven, nu in Holland. Zij vinden de kaarsjes aan onze kerstbomen maar klein, veel te klein. Ze hebben een groter licht gezien, dat brandt nog altijd.

De meeste anderen zijn ook thuisgekomen, vóór het weer kerstmis was, ik heb hen zelf helpen neerleggen in de aarde achter ons kamp, een droog plekje tussen het moeras. Maar toen zij stierven waren hun ogen minder dof dan vroeger. Dat was het licht van die vreemde kaars. Het Licht dat de duisternis niet had overmocht.



[1] Overmogen: door grooter vermogen overwinnen (oud taalgebruik)



 

Bidden en/of mediteren in de Kerstnacht

 

Langzamerhand is het een traditie gewor­den: om op Kerstavond (24 december dus), 's avonds om elf uur gezamenlijk te bidden en te mediteren, en om ons in stilte, waar we ook zijn, met elkáár te verbinden, met de diepste kern in ons zélf en met Christus (of, als dat je meer aanspreekt: met de geestelijke wereld).

Ook dit jaar willen we je weer uitnodigen met ons mee te doen: steek op Kerstavond - de avond voor Kerst dus - om elf uur een kaars aan en bid of mediteer in stilte. Waar je ook bent, in je eigen huis, bij familie of vrienden, trek je even terug in stilte, of nodig je vrienden en familie uit mee te doen. Word innerlijk stil, bid om de geboorte van de innerlijke Christus, bid om het licht van de vrede, en vóel, hoe je op dat moment verbonden bent met een grote kring van biddende en mediterende mensen. En besef daarbij dat de geestelijke kracht van onze verbinding genezend uit­werkt op de aarde en de mensheid. Want elk jaar is het zo voelbaar: de geestelijke en verwarmende kracht van die onzichtbare kring van mensen die zich verbinden met elkaar en met Christus.

Spreekt dit je aan, weet dan dat je van harte uitgenodigd bent om deel te nemen aan ons jaarlijkse Kerstgebed of Kerstmeditatie.

Elk jaar weer vind ik deze gezamenlijke meditatie een heel bijzondere ervaring, want de onderlinge verbondenheid is op dat moment zo voelbaar. En het lijkt, alsof de verbinding met de geestelijke wereld daarom ook zo sterk voelbaar is. Ik hoop van harte dat we ook dit jaar die ervaring van verbondenheid weer mogen opdoen!  

(Hans Stolp)

 

Wie zélf een kerstwens of -gedicht wil plaatsen op Spirituele Vrienden
kan dit doen op
het weblog.

 

 

 

 

 

Schreef je zelf een Kerstgedicht, stuur het naar mijn mailbox via de button hieronder


emailbox

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

 

Stem Spirituele Vrienden in de

Top 100 NL