De Geheime Geschiedenis van de Wereld
een project naar aanleiding van het boek van Jonathan Black

 

 

Het is mijn bedoeling om hier een overzicht te bieden van vele mensen die - doorheen de hele mensheidsgeschiedenis - blijk gaven van een diep innerlijk 'weten of gnosis' en daarvan getuigen via hun werken. Het gaat zowel om kunstenaars (dichters, componisten, schrijvers, schilders) als om wetenschappers, profeten, filosofen etc.

Daar een mensenleven vaak raakt aan twee verschillende eeuwen, zal ik steeds uitgaan van de geboortedatum om iemand op de tijdlijn te plaatsen.

Tijdbalk

2de eeuw

Valentinus (100-160)

13de eeuw

Dante  Alighieri (1265 –1321)  

14de eeuw

15de eeuw

Paracelsus (1493 – 1541)Jeroen Bosch (1450(?) - 1516)Jeanne d’Arc (1412 - 1431) -

16de eeuw

Jakob Boehme (1575 – 1624)  

17de eeuw

18de eeuw

Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) -

 

19de eeuw

 

Gustav Meyrink (1868-1932)

20ste eeuw

21ste eeuw

 

2de eeuw

Valentinus.

100 – 160

 

Alle teksten die in Nag Hammadi zijn te­ruggevonden zijn ons anoniem overgele­verd, als we althans niet aannemen dat bij­voorbeeld de apostelen Thomas, Filippus, Johannes, Jacobus en Petrus de werkelijke auteurs zijn van de respectievelijke evange­liën, geheime boeken en openbaringen die op hun naam werden gesteld. Als dit zo is, dan is er maar één tekst die met enige ze­kerheid toegeschreven kan worden aan een historisch persoon, en dat is dit Evangelie der Waarheid. De meeste geleerden zijn het erover eens dat we hier naar alle waar­schijnlijkheid te maken hebben met een au­thentiek geschrift van de gnostische leraar Valentinus.

Wat we over Valentinus weten is in enkele alinea's te vertellen. Ongeveer 100 n.Chr. werd hij in Noord-Egypte geboren. Hij stu­deerde in het geestrijke en vrije klimaat van Alexandrië. Wanneer hij christen werd is onbekend, maar vermoedelijk al vroeg in zijn leven, omdat hij als jongeman Christus in een visioen aanschouwde. Ook weten we dat hij in Egypte reeds als christelijk leraar optrad, nog voor hij naar Rome vertrok, waar hij leefde en werkte van ongeveer 135 tot 160. Aanvankelijk genoot hij groot aan­zien in de kerk van Rome en hij bracht het nog bijna tot bisschop van die stad. Maar ironisch genoeg viel de keuze uiteindelijk op de ex-martelaar Pius Confessor, een martelaar die het had overleefd. Voor Va­lentinus was lijden, al dan niet vrijwillig, niet de weg naar God. Later kwam hij op gespannen voet te staan met de Romeinse kerk en stichtte hij zijn eigen gnostische school. Ook volgens zijn vijanden was hij een man met veel talent, bevlogenheid en oorspronkelijkheid, en een briljant rede­naar. En belangwekkend genoeg om te be­strijden. Wat er met hem gebeurde nadat hij rond 160 uit Rome was weggegaan, is in nevelen gehuld. Wel was hij in staat ge­weest begaafde en gedreven leerlingen om zich heen te verzamelen die hem bewonder­den als dichter en spiritueel leermeester, en die enkele generaties lang zijn ideeën en le­ringen bleven uitdragen. Zijn invloed was ook na zijn dood nog zo groot dat zijn leer voor Irenaeus de aanleiding was om zijn grote werk tegen de ketterijen te schrijven en Tertullianus zelfs een aparte polemiek aan hem wijdde. Tot de vondst bij Nag Hammadi waren deze polemieken onze voornaamste bron van informatie over de gnostici. Irenaeus spreekt zelfs van een 'Evangelie der Waarheid', ‘dat in niets over­eenstemt met de evangeliën der apostelen'. We mogen aannemen dat hiermee het on­derhavige evangelie wordt bedoeld, dat in de Oudheid, evenals nu, bekend stond on­der zijn begin woorden, het zogenaamde in­cipit.

Van Valentinus is overgeleverd dat hij van mening was dat hij niet alleen in de christe­lijke apostolische traditie stond, maar dat hij daarnaast ook was ingewijd in de gehei­me leer over God, die hij ontvangen had van Theudas, die weer een leerling van Paulus was. En Paulus zelf, beweerde Va­lentinus, gaf deze leer alleen aan hen die er rijp voor waren. Hij stond dus, volgens ei­gen zeggen, zowel in de exoterische als in de esoterische traditie. Het Evangelie der Waarheid vertoont trekken van beide rich­tingen, het is esoterisch naar inhoud, zoals we hierboven al zagen, maar in het spelen met bestaande beelden en metaforen die het van een nieuwe interpretatie voorziet (zoals de kruisiging, het levende boek der leven­den, de schaapherder enz.) is het duidelijk ook eropuit een ander publiek dan alleen in­gewijden te overtuigen, en daarmee is het exoterisch naar vorm.

Het Evangelie der Waarheid werd oor­spronkelijk in het Grieks geschreven, tussen 145 en 150 n.Chr. en zo'n tweehonderd jaar later vertaald in het Subachmimisch, een Koptisch dialect. In die vorm is het 1800 jaar na zijn ontstaan teruggevonden. Het be­vat nog vele Griekse leenwoorden, zoals vrijwel alle Nag Hammadi-geschriften. Bij de vertaling van het Griekse origineel naar het Koptisch is helaas heel wat van de oor­spronkelijke zeggingskracht verloren ge­gaan, niet alleen omdat het dialect veel ar­mer aan uitdrukkingsmogelijkheden was dan het Grieks, maar ook omdat de schrijver veel gebruikmaakte van woordassociaties die nu eenmaal moeilijk vertaalbaar zijn.

We gaan ervan uit dat Valentinus, toen hij dit evangelie schreef, al tegen de vijftig liep, een rijpe leeftijd.

Bron: Het Evangelie der Waarheid – Willem Glaudemans – Kleine Klassieken

 

Over Valentinus is inmiddels een belangwekkend boek van Gilles Quispel verschenen: Valentinus, de gnosticus en zijn Evangelie der Waarheid.  Dit boek wordt verspreid door de Rozekruis pers in Haarlem.

 

Citaat uit een toespraak van Valentinus: Van den beginne zijt gij onsterfelijk en kinderen des eeuwigen levens. En gij wildet de dood op U nemen, opdat gij hem uitput en vernietigt en de dood in U en door U sterft.  Want wanneer gij de wereld ontbindt, maar zelf niet ontbonden wordt, heerst gij over de schepping en alle verderf. 

Het Evangelie der Waarheid

 

13de eeuw

Dante  Alighieri

1265 –1321

 

Dante was een Italiaanse dichter, schrijver en kortstondig politicus. Zijn voornaamste werk staat bekend als La divina commedia (Vertaling De goddelijke komedie). Het is een lang gedicht in drie delen over een reis van de Hel (Inferno), door het Vagevuur (Purgatorio) naar het Paradijs (Paradiso) en wordt beschouwd als een hoogtepunt van de wereldliteratuur.

 

Het verhaal:

Dante neemt de lezer mee op een tocht door het hiernamaals. Het verhaal van zijn reis speelt in de paasweek van het jubeljaar 1300 en de eerste etappe die hij aflegt voert de diepte van de aarde in, door de hel (Inferno), waar hij naast mythologische figuren ook bekende en machtige mensen uit Toscane tegenkomt. Vervolgens beklimt hij de Louteringsberg (Purgatorio), waar hij eveneens met vroegere hoogwaardigheidsbekleders spreekt. Zij worden gelouterd alvorens toegang te verkrijgen tot de hemel (Paradiso).

Tijdens zijn tocht door de hel en over de louteringsberg wordt Dante terzijde gestaan door zijn favoriete dichter, Vergilius, een Romein die leefde ten tijde van keizer Augustus. Vergilius vergezelt Dante door de hel, voorbij Lucifer zelf, over de Louteringsberg tot aan de poorten van de hemel, waar hij zijn volgende gids, Beatrice, ontmoet. Beatrice is gebaseerd op Beatrice Portinari, een meisje dat Dante tijdens zijn jeugd twee keer had ontmoet en dat hij nooit meer had vergeten. Beatrice begeleidt Dante door de hemel, tot aan het goddelijke licht.

Bron

 

Enkele uittreksels:

het donkere woud

 

Uit deel 1 – De HEL

 

Juist midden op de reistocht van ons leven

zag ik mij in ' n donker woud verloren,

daar ik van ' t goede pad was afgeweken.

 

Helaas, hoe ' t was dat woud, valt zwaar te zeggen.

Zo wild was' t en zo woest, zo dicht en donker,

dat in mijn dromen de angsten vaak herleven.

Ja, zelfs de dood kan haast niet erger wezen.
Maar om van 't daar gevonden heil te spreken,
zal 'k ook verhalen, wat ik eerst aanschouwde.

Ik weet niet meer, hoe ik er binnendoolde;

zo had de slaap mij in dat uur vermeesterd,
toen ik de ware weg de rug toekeerde.

Maar bij de voet eens heuvels[1] aangekomen,
daar waar het uiterste einde was der delling
[2]
die mij van angst het hart had saamgewrongen,

blikte ik omhoog en zag des heuvels schouders
reeds met de stralen dier Planeet
[3] omhangen,
die ieder veilig leidt langs alle wegen.

 

Toen werd de vrees toch wel 'n weinig stiller,  

die eerst gewoed had op de zee mijns harten

de nacht, die ik doorwaakte in zulk ' n lijden.

 

En evenals de man, die buiten adem    

vanuit de diepe zee aan land geworsteld,

zich omkeert en dan tuurt naar 't wilde water,

 

zo keerde zich mijn geest, die steeds nog vluchtte,                                              

weer achterwaarts, om naar het woud te staren,

waaruit geen ziel ooit levend wist te ontkomen.[4]

Dan, na wat rust voor de afgematte leden,                                                               

ging ik weer verder langs de doodse helling

zo, dat de vaste voet steeds 't laagste toefde.

En zie, bij de aanvang ongeveer der steilte                                                              

stond daar' n slanke en uiterst vlugge panter,[5]

wiens leden een gespikkeld vel bedekte.

En niet alleen week hij niet uit mijn ogen,                                                                

maar bleef zo koppig mij de weg versperren,

dat 'k meer dan eens mij omkeerde om te vluchten.

Het was de tijd van 't eerste morgen-lichten:                                                          

en hoger steeg de Zon met al de sterren,

die eenmaal bij hem waren, toen Gods liefde

voor 't eerst die schone werelden deed wentlen;                                                  

zodat ik wis met reden mocht verhopen

de fraai-gevlekte panter te overwinnen

 

zowel om 't uur, als 't lieflik jaargetijde.

Toch voelde ik mij opnieuw door schrik bevangen,

toen aan mijn blikken zich 'n leeuw vertoonde,

 

die als gereed stond op mij aan te vliegen:

de kop omhoog en zo van honger razend,

dat zelfs de lucht zijn woede scheen te duchten.

 

En een wolvin, die zo was uitgemergeld,

of alle vraatzucht in haar was gevaren,

en die reeds velen 't leven bitter maakte,

 

benauwde mij met zulke zwarigheden

alleen door de angst, die reeds haar aanblik wekte,

dat ik de hoop verloor op ‘s heuvels hoogte.

En zoals hij, die gaarne geld verzamelt,

maar als de tijd komt, dat hij ‘t weer moet derven,

bedroefd wordt in zijn geest en weent en weeklaagt,

dùs[6] ging het mij door dat onrustig monster,

dat, stap voor stap, mij zocht terug te dringen

naar 't gruwlik oord, waarin de Zon blijft zwijgen.

 

 

 



[1] Volgens de meeste uitleggers staat de heuvel voor het hogere leven van deugd en van genade

[2] vallei

[3] De Zon; Christus

[4] In ‘t sombere woud der zonde sterft men de geestelijke dood

[5] Dante ontmoet achtereenvolgens een panter, een leeuw en een wolvin; symbolen voor wellust, hoogmoed en hebzucht

[6] aldus

14de eeuw

15de eeuw

Paracelsus

Philippus Aureolus Theophrastus Bombastus von Hohenheim

1493 - 1541



Klik HIER


Jeanne d’Arc
1412 - 1431

Jules Bastien-Lepage, 1879 Joan Of Arc

 

VER VAN HET KLATERGOUD en de grandeur aan de hoven van de Italiaanse re­naissance begint zich in het landelijke noorden van Europa een andere geest te roeren. Het is een meisje in de eenvoudige woning van een boer in het dicht­beboste Loiredal dat op de leeftijd van een jaar of twaalf, dertien stemmen be­gint te horen en visioenen gaat zien. De aartsengel Michaël verschijnt aan Jeanne en deelt haar mee dat zij spirituele gidsen zal krijgen. Ze verzet zich er­tegen en zegt dat ze liever aan het spinnewiel van haar moeder zit, maar de stemmen dringen steeds meer aan. Uiteindelijk wordt haar onthuld wat haar missie is. Toen een Engels invasieleger op het punt stond Orléans in te ne­men, zeiden de stemmen haar dat ze naar de naburige stad Chinon moest rij­den; daar zou zij de dauphin aantreffen, de erfgenaam van de Franse troon; en Van daaruit zou zij hem leiden naar zijn kroning in de kathedraal van Reims.

Jeanne was weinig meer dan een kind toen zij aan het hof van de dau­phin verscheen. Hij stelt haar op de proef door een hoveling te bevelen op de troon plaats te nemen en zich voor hem uit te geven, maar Jeanne doorziet de truc en richt zich rechtstreeks tot de kroonprins. Hij laat zich over­tuigen en geeft haar een wit paard en hult haar in een witte wapenrusting. Zes dagen en nachten zat ze zonder pauze in het zadel.

Jeanne zag in een visioen dat er in een kerk een zwaard verborgen was. Het door haar beschreven zwaard - verfraaid met drie duidelijk herkenbare kruisen - werd inderdaad ontdekt, achter het altaar van l'Eglise de St. Ca­therine de Fierbois in de omgeving van Orléans.

Zoals soms in de geschiedenis gebeurt, als grote wezens uit de spiritu­ele werelden hun krachten in een menselijk individu bundelen, overwon zij alle hindernissen. Niets of niemand kon haar tegenhouden, ook als het leek alsof alle omstandigheden tegen haar waren.

Toen Jeanne op 28 april 1429 met haar kleine leger volgelingen voor de poorten van het inmiddels door de vijand bezette Orléans verscheen, trok­ken de Engelse troepen zich terug. Slechts vijfhonderd man sterk versloe­gen zij op 8 mei een Engels leger van duizenden op een manier die zelfs door haar eigen kapiteins als 'wonderbaarlijk' werd beschreven.

Op Jeanne's aandringen liet de kroonprins zich te Reims tot koning van Frankrijk kronen, onder de naam Karel VII. Ze had haar missie in minder dan drie maanden voltooid.

Het is moeilijk een duidelijk voorbeeld te vinden van de invloed van de geestenwerelden op de loop der geschiedenis. George Bernard Shaw, die sterk was geïnteresseerd in esoterische wijsbegeerte, schreef dat er 'achter de gebeurtenissen evolutionaire krachten werkzaam zijn die onze normale behoeften overstijgen en menselijke individuen gebruiken voor doeleinden die veel verder gaan dan het zekerstellen van hun veilig bestaan, in welvaart, respectabiliteit en geluk'.

Uiteindelijk werd Jeanne door haar eigen volk verraden en aan de En­gelsen verkocht. Die ondervroegen haar streng over haar stemmen. Ze legde uit dat deze soms vergezeld gingen van visioenen en heldere lichten, dat ze haar raad gaven, waarschuwden en zelfs gedetailleerde instructies ga­ven, vaak verscheidene keren op één dag. Ook kon ze de stemmen om raad vragen en kreeg dan gedetailleerde antwoorden.

Een dergelijke vertrouwdheid en een zo intensieve communicatie met de geestenwerelden buiten de auspiciën van de kerk werden gebrandmerkt als hekserij, met het gevolg dat Jeanne d'Arc op 30 mei 1430 op de markt van Rouen in Noord-Frankrijk op de brandstapel levend werd verbrand. Een En­gelse ridder die erbij was, wendde zich tot de man naast hem en zei: 'We heb­ben een heilige verbrand.'

Het was alsof de grote spirituele krachten die haar onkwetsbaar hadden gemaakt, haar nu hadden verlaten en de machten van het kwaad toesnel­den om haar te overweldigen.

De Engelsen zagen haar als de vijand, maar in de optiek van de geheime geschiedenis zou juist Engeland het meest profijt trekken van de goddelijk geïnspireerde heldendaden van Jeanne d'Arc. Frankrijk en Engeland had­den al honderden jaren oorlog gevoerd. Hoewel Engeland in de tijd van Jeanne d'Arc in militair opzicht de overhand had, werd datzelfde land cultureel en qua taal en literatuur door de Fransen gedomineerd. Als Jeanne d'Arc beide naties niet van elkaar had vervreemd, zou de Engelse bij­drage aan de wereldgeschiedenis - het psychologisch realisme van Shakespeare en de afstandelijke, tolerante filosofie van Francis Bacon - on­mogelijk zijn geweest.

 

Bron: Jonathan Black - De Geheime geschiedenis van de Wereld.

 

Lees ook het artikel van Hendrik over Jeanne d’Arc

 

Citaten van Jeanne d'Arc

  • "Ik zou de ongelukkigste mens ter wereld zijn, als ik niet in de gunst van God zou zijn. Maar als ik zondig was, denk ik dat ik de stem (van God) niet zou horen. Ik zou willen dat iedereen het zou horen zoals ik het hoor." (Proces tegen Jeanne d'Arc - 3e verhoor, 24 februari 1431)

(Frans: "Je serais la plus dolente du monde si je savais ne pas être en la grâce de Dieu. Mais si j’étais en état de péché, je crois que la voix né viendrait pas à moi. Je voudrais que chacun l’entendît aussi bien que je l’entends.")

  • "Al mijn werken en daden zijn in de hand van God, en op hem alleen vertrouw ik." (Proces tegen Jeanne d'Arc - 7e geheime verhoor, 15 maart 1431)

(Frans: "Toutes mes œuvres et mes fais sont tous en la main de Dieu, et m’en actent à lui.")

  • "Of God de Engelsen liefheeft of haat weet ik niet, maar ik weet goed dat ze uit Frankrijk moeten worden verdreven, behalve degenen die er zullen omkomen." (Proces tegen Jeanne d'Arc - 7e geheime verhoor, 15 maart 1431)

(Frans: "De l'amour ou haine que Dieu a pour les Anglais, je n'en sais rien, mais je sais bien qu'ils seront tous boutés hors de France, excepté ceux qui y périront.")

 

Bron: Wikiquote

16de eeuw

Jakob Boehme

24 april 1575 – 17 november 1624 




Böhme werd geboren nabij Görlitz. Het enige onderricht dat hij genoot was in de stadsschool in Seidenberg. In 1599 huwde hij Katharina Kuntzschmann en vestigde zich als schoenmaker in Görlitz. Tussen 1600 en 1611 werden vier zonen geboren.

Böhme was een zakenman die, net als alle andere burgers persoonlijke en economische problemen kende die het gevolg waren van de Dertigjarige Oorlog. Hij vertoefde vaak in het gezelschap van vrijdenkers en was absoluut niet kerkelijk gezind.

Zijn literair debuut begon in 1612 met het boek Morgen Rothe im Auffgang.  Later zou het bekend worden onder de titel Aurora.

Böhme zocht vele jaren naar het juiste taalgebruik om zijn diepgaande ervaringen en inzichten te kunnen verwoorden. Uiteindelijk kwam hij tot een heel eigen taalgebruik.

Jakob Böhme was meer dan een gewone schoenmaker. Men noemde hem de theosoof van Görlitz. Hij was een filosoof en magistrale denker die door zijn talrijke diepinnerlijke wijsheid vele geleerden, kunstenaars en anderen weet te inspireren. Via zijn talrijke geschriften heeft hij de mensheid kenbaar gemaakt, dat iedereen in zijn diepste zijn één is in Christus.

Door de gemeenteraad van Görlitz werd in juli 1613 dit boek verboden lectuur. Böhme kreeg ook schrijfverbod voor een periode van vijf jaar. Heel waarschijnlijk was dit de oorzaak waarom dit werk nooit werd voltooid.

Vanaf 1618 schreef Böhme zeer veel geschriften. Hij liet ze niet publiceren doch verspreidde ze onder zijn vrienden. Opnieuw werd hij van ketterij beschuldigd. Op nieuwjaarsdag 1624 publiceerde hij Der Weg zu Christo. Het protestantse conservatisme kon zijn visie niet aanvaarden en keerde zich tegen hem. Böhme moest Görlitz verlaten en vestigde zich in Dresden. Daar bracht hij de laatste jaren van zijn leven door.

Hij liet zich inspireren door alchemistische en astrologische literatuur. Zijn werken zijn sterk geïnspireerd door de geschriften van de alchemist Paracelsus (Theophrastus Bombastus von Hohenheim - (1493-1541)), de spiritist Kaspar Schwenkfeld (1490-1561) en de mysticus Valentin Weigel (1533-1588).

 

Citaten van Jacob Boehme

  • "Het is in u, wanneer gij in staat zijt uw gehele wil en uw zinnen een uur te doen zwijgen, zult ge Gods onuitsprekelijke Woorden horen."

  • "Wanneer gij de wereld verlaat, komt gij in dat, waaruit de wereld gemaakt is, …"

  • "Als gij echter het zintuiglijk waarneembare verlaten hebt, zijt gij in het bovenzinnelijke en heerst gij op grond daarvan over alle schepselen, die daaruit zijn geschapen, op aarde zal niets u kunnen schaden, want gij zijt één met alle dingen en niets is u tegengesteld."

  • "Is het zo, dat gij één wilt worden met alle dingen, dan moet gij alle dingen loslaten en uw begeerte ervan afwenden en ze niet begeren, noch iets aannemen, noch iets in eigendom bezitten, want zodra gij iets met uw begeerte grijpt en in bezit neemt, wordt dat iets één met u en met u wil, dan zijt ge verplicht het te beschermen en het als uw eigen wezen aan te nemen. Wanneer gij echter niets grijpt met uw begeerte, zijt gij vrij van alle dingen en tegelijk heerst gij over alle dingen."

  • "Nu hebt gij aardse wijsheid lief, wanneer gij echter bekleed zijt met de hemelse wijsheid, zult gij inzien, dat alle wereldse wijsheid slechts dwaasheid is en dat de wereld alleen uw vijand haat, als het sterfelijke leven, dat gij zelf ook haat in uw wil. Aldus vangt gij aan de verachting van het sterfelijke leven ook lief te hebben."

 

1

 

Uittreksel: uit het voorwoord aan de lezer – Aurora


De titel: “Morgenrood in opgang” is een geheimenis, een mysterie, de wijzen en verstandigen in deze wereld verborgen, zoals zij zelf binnen korte tijd zullen moeten ervaren. Degenen echter, die dit boek in een­voud des harten lezen, vol van heilige begeerte, die hun hoop alleen op God stellen, voor hen zal het geen geheimenis zijn, maar een geopen­baarde kennis. Ik wil deze titel niet verklaren, maar aan de onpartijdige lezer, die in deze wereld worstelt om het goede te bereiken, ter beoor­deling overlaten.

 

Wanneer nu de eigenwijze, die in het boze is, dit boek in handen krijgt, zal hij zich er tegen verzetten, evenals het Hemelse en het helse rijk zich tegenover elkander stellen. Allereerst zal hij zeggen, dat ik veel te hoog in godgeleerdheid ben gestegen, en dat mij zoiets niet betaamt. Dan zullen ze zeggen, dat, als ik in den Heiligen Geest roem, dat ik er ook naar moet leven en dat met wonderen moet bewijzen. Ten derde zullen ze zeggen, dat ik zo handel uit begeerte naar roem. Ten vierde zal men zeggen, dat ik er niet geleerd genoeg voor ben. Ten vijfde zal de grote eenvoud van de schrijver hen ergeren, zoals het in de wereld gebruikelijk is slechts naar het hoge te zien en zich aan het eenvoudige te ergeren. Aan de partijdige “wijzen” wil ik de aartsvaders uit de oude wereld voor ogen stellen; zij waren ook slechts geringe en verachte mensen, tegen wie de wereld en de satan woedden en raasden, als in de tijd van Henoch, toen de heilige vaderen de naam des Heren met macht hebben gepredikt; ook zij zijn niet lichamelijk ten Hemel gevaren en hebben ook niet alles met hun ogen gezien; de Heilige Geest heeft zich aan hun geest geopen­baard. Hierna ziet men het ook bij de heilige aartsvaders, patriarchen en profeten; zij waren allen tezamen slechts eenvoudige lieden, eensdeels slechts herders. Ook toen de Messias, Christus, de Held in de strijd tegen de natuur, een Mens werd, zo leefde Hij toch in deze wereld in grote eenvoud, al was Hij ook een Vorst en de Koning der Mensheid. Hij was slechts huisgenoot dezer wereld, evenals zijn discipelen alle tezamen maar arme, verachte vissers en kleine lieden waren. ja, Christus zelf dankt Zijn Hemelse Vader ervoor, dat Hij het de wijzen en verstandigen van deze wereld verborgen heeft en het de kinderkens heeft geopenbaard. (Mattheus 1).

Daaruit ziet men, hoe ook zij arme zondaars zijn geweest en beide eigen­schappen, de goede en de boze hen hebben aangekleefd. Dat zij echter ook tegen de zonde der wereld en tegen hun eigen zonde de strijd hebben gevoerd, dat hebben zij gedaan door de drang des Heiligen Geestes, en niet uit zucht naar roem. Ook hebben zij uit eigen kracht en vermogen niets gedaan, en zij hebben uit zichzelf niets over de geheimenissen Gods geweten; het is alles geschied door Gods wil. Zo kan ik van mijzelf ook niets anders zeggen, roemen of schrijven dan dit, dat ik een eenvoudig man ben, daarbij een arme zondaar en dat ik elke dag moet bidden: “Heer, vergeef ons onze schuld.” En ik moet mèt den apostel zeggen: “O, Heer, Gij hebt ons door uw bloed verlost.” Ook ik ben niet ten Hemel gevaren en heb alle werken en alle schepselen Gods niet gezien, maar de Hemel is in mijn wezen geopenbaard, opdat ik de werken Gods en al wat Hij geschapen heeft zal erkennen; de wil daartoe is ook niet mijn natuurlijke wil, maar het is de drijfkracht des Geestes; ik heb ook menige duivelse aanslag moeten ondervinden. De geest des mensen is echter niet alleen uit sterren en elementen voort­gekomen, maar er is ook een vonk van het Goddelijk Licht en de Goddelijke kracht in verborgen.

Het woord, dat in Gen. 1, vers 21 staat, is niet zonder betekenis: “God schiep de mens naar Zijn beeld”, ja, naar het beeld Gods schiep Hij hem. Hij is uit het Wezen der Godheid ge­maakt. Het lichaam is uit de elementen, daarom moet het ook overeen­komstige spijzen hebben. De ziel heeft haar oorsprong niet alleen in het lichaam en hoewel zij in het lichaam ontstaat en haar eerste begin het lichaam is, zo heeft zij toch haar bron ook daar buiten door de lucht; de Heilige Geest heerst ook in haar naar zijn aard en wijze, zoals hij alles vervult en zoals in God alles is en God Zelf alles is. Omdat de Heilige Geest in de ziel woont, als der ziele eigendom, daarom doorvorst de ziel de Godheid en ook de natuur, want zij is uit het wezen der godheid ontstaan en dat is haar bron. Doordat zij aangestoken is door den Heiligen Geest, ziet zij wat God, haar Vader, maakt, zoals een zoon des huizen ziet, wat zijn vader tot stand brengt. Zij is een lid of een kind in het huis van den Hemelsen Vader.

Zoals het oog van de mens ziet tot in de hersenen, vanwaar het zijn oor­sprong heeft, zo ziet ook de ziel tot in het Goddelijke Wezen, in Wie zij leeft.

 

Omdat echter de ziel ook haar oorsprong in de natuur heeft, en in de natuur het goede, zowel als het boze is, en zich de mens ook door de zonde in de boosheid der natuur geworpen heeft, zodat de ziel dagelijks en ieder uur met zonden wordt bevlekt, zo is haar inzicht slechts gebrekkig, want de boosheid in de natuur heerst nu ook in de ziel. De Heilige Geest echter wil niets weten van deze boosheid maar beheerst de bron der ziel, die is het Licht Gods, en de Heilige Geest strijdt tegen de boosheid in de ziel. Daarom kan de ziel in dit leven niet tot volkomen inzicht komen, omdat licht en duisternis gescheiden zijn en de boosheid wordt met het lichaam tegelijk in de aarde verteerd; dan ziet de ziel helder en volkomen in God, hare Vader.

Als echter de ziel door den Heiligen Geest wordt aangestoken, zo triomfeert ze in het lichaam alsof er een groot vuur ontstoken is, dat hart en nieren van vreugde doet beven. Er is echter niet dadelijk de grote en diepe kennis van God, hare Vader, maar de liefde jegens God triomfeert in het vuur van den Heiligen Geest. De kennis van God wordt in het vuur van den Heiligen Geest gezaaid; zij is in het begin klein, als een zaadkorreltje, zoals Christus zegt. (Mattheus 13); daarna groeit zij en wordt als een boom en breidt zich uit in God, hare Schepper; het is er mee als met een druppel water in de grote zee, deze kan alleen niet veel uitrichten; wan­neer echter een brede stroom er in uitstroomt, dan kan deze veel meer teweeg brengen.

Het verleden, het heden en de toekomst, zowel als de breedte, diepte en hoogte, het dichtbije en verre is in God slechts één, één begrip; en de heilige ziel van de mens ziet dit ook, maar in deze wereld nog slechts ten dele. Het valt haar echter ook vaak op, dat zij niets ziet, want de duivel houdt het boze, dat in de ziel is, krachtig in stand en bedekt dikwijls het edele zaadkorreltje; daarom moet de mens altijd strijd voeren.

Op zulk een wijze, met zulk een kennis van den Geest wil ik in dit boek over God, onzen Vader schrijven, in Wie alles is en Die zelf “het Al' is; op deze wijze wil ik behandelen, hoe alles is ontstaan en hoe alles leeft en beweegt in de ganse boom des Levens. Zo zult ge de oorsprong der Godheid zien en hoe Hij bestond voor 's werelds aanvang; ook zult ge zien, hoe de heilige Engelen werden geschapen en waaruit; ook van de vreselijke val van Lucifer met zijn legioenen zult ge horen; ook waaruit Hemel, aarde, sterren en elementen zijn ontstaan, zowel als de metalen in de aarde, de stenen en al het geschapene; de geboorte van het Leven en de stoffelijkheid aller dingen; ook wat is de Hemel, waar God en Zijne heiligen wonen, en wat de toorn Gods en het helse vuur is en hoe alles is aangestoken. In één woord: Wat en Wie het Wezen van alle Wezen is. De eerste zeven hoofdstukken behandelen zeer eenvoudig en begrijpelijk het wezen van God en de Engelen door middel van gelijkenissen, opdat de lezer, stap voor stap eindelijk de diepe zin en de juiste grond zal kunnen begrijpen.

 

In hoofdstuk 8 begint de diepte van het Goddelijk Wezen, hoe langer hoe wijder en dieper. Menig gedeelte wordt herhaald en steeds intenser be­schreven, terwille van de duidelijkheid, voor degene die het leest en ook voor mijzelf.

Wat ge echter in dit boek niet duidelijk uitgelegd vindt, dat zult ge later helder en duidelijk vinden, want wegens 's mensen verderfelijkheid is onze kennis en ons inzicht slechts stukwerk en niet op eenmaal volkomen, hoe­wel dit boek een wereldwonder is, hetwelk de geheiligde ziel wel zal verstaan. Hiermee beveel ik de lezer in de tedere en heilige Liefde Gods aan.

 

 

17de eeuw

18de eeuw

Johann Wolfgang von Goethe
(1749-1832)

 

 

Citaat uit een biografie:

Steeds weer verwerkte hij vanuit een soort innerlijke drang en onrust wat hij waarnam en wat hem bezig hield in kunstzinnige uitingen: gedichten, romans, tekeningen enz. Een rode lijn in zijn leven en werk is de zoektocht naar het verborgen raadsel van het leven. Hij was ervan overtuigd dat er een soort terugkerend, wetmatig principe is in de natuurlijke loop der dingen. Telkens weer raakte hij getroffen door wat hij hoorde of zag, los van wat anderen hiervan vonden. Vervolgens probeerde hij dit in samenhang te brengen met zijn zoektocht naar het wezen der dingen.

BRON

 

Citaten uit zijn werk:

 

UIT FAUST

 

FAUST:

Gij zijt u slechts bewust van de' enen dorst,

O leer nooit de' andren onderscheiden!

Twee zielen, ach! wonen in mijne borst,

De ene wil zich van de and’re scheiden;

De ene, in der zinnen doornenhof,

Tracht 's werelds heil hartstochtelijk te benaad’ren;

De ander heft onstuimig zich uit 't stof

Tot de gewesten van zijn vaad’ren.

O zijn er geesten in de lucht,

Die tussen aarde en hemel heersend zweven,

Daalt gij dan neder uit uw gouden vlucht

En voert mij weg, tot nieuw en kleurrijk leven!

Ja, waar' een tovermantel maar de mijn'!

En droeg hij mij naar vreemde sferen,

Hij zou mij voor geen kostelijke kleren,

Niet veil voor enen koningsmantel zijn.

 

 

FAUST:

Vindt ge op het perkament de heil’ge bronnen,

Waaruit een dronk uw dorst tevreden stelt?

Geen lafenis hebt gij gewonnen,

Zo zij u niet uit de eigen ziel opwelt.

 

 

FAUST:

Heil hem, in wien de hoop nog leeft

Uit deze zee van dwaling op te duiken!

Wat men niet weet is 't wat men nodig heeft,

't Gekende kan men niet gebruiken.

MEPHISTOPHELES:

Daaraan herken ik de geleerde piet!

Wat gij niet tast, ligt buiten uw gebied;

Wat gij niet grijpen kunt, kan niet bestaan;

Wat gij niet hebt becijferd is een waan;

Wat gij niet weegt, heeft voor u geen gewicht;

't Geld, dat ge zelf niet munt, is u te licht

 

 

PROTEUS:

Laat ze maar zingen, laat ze pralen!

Der zonne heil’ge levensstralen

Zijn dode werken slechts een spot.

Dat smelt en vormt maar onverdroten,

En hebben ze 't in brons gegoten,

Zo wanen ze 't een echte god.

Wat bleef er over van hun trots?

Geweldig rees hun beelden-heir. . . .

Een aardbeving stort ze terneer:

De smeltkroes was het eind huns lots.

't Leven op aarde, hoe 't ook zij,

Blijft altijd toch maar prutserij.

 

 

MEPHISTOPHELES:

Ik ben deel van het deel,

dat vroeger alles was,
deel van het duister

dat het licht heeft voortgebracht,
dat trotse licht dat sinds die tijd
de heerschappij van moeder nacht bestrijdt.
Maar 't is een tweegevecht dat het nooit wint
omdat het zich aan ieder lichaam bindt.

 

 

 


 

19de eeuw

Gustav Meyrink

1868-1932



Klik HIER

20ste eeuw

21ste eeuw

 

  Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  
**********

Stem Spirituele Vrienden in de
Top 100 NL



**********
Tellers

 

 LetsStat website statistieken