O, als ik dood zal, dood zal zijn

kom dan en fluister, fluister iets liefs,

mijn bleke ogen zal ik opslaan

en ik zal niet verwonderd zijn.

En ik zal niet verwonderd zijn;

in deze liefde zal de dood

alleen een slapen, slapen gerust

een wachten op u, een wachten zijn.

J.H.Leopold

 

 

Gedichten over Leven en Dood


01.  Zerk - 02.  Als ik gestorven ben - 03.  Kleine versjes04. Allerzielen 05. De gestorvene 06. Geloof 07. Zo tedere schade als de bloemen08. Allerheiligen09. Nader tot u10. Dood 11. Begin november 12. PAKE 13. SWARTE LEELJES - 14. Kinderen over dood, sterven, God ...  - 15. Ren Lenny, ren  - 16. Drempel - 17. Bondgenoten - 18. Geen kind meer - 19. Voor de verre prinses - 20. Cirkel van het leven - 21. Think of me - 22. De eeuwige geest - 23. Er is geen dood -

 

  

01.  Zerk

 

Uw namen die weer samen staan,

als in de dood opnieuw verliefd:

nooit leek u zozeer ingelijfd

bij alles wat er vroeger was.

Nooit leek u zozeer niet vergeten,

uw laatste zoen in steen gegrift,

alsof men nooit meer kwijt kan raken

wat men voorgoed verloren heeft.

Luuk Gruwez

 

02.  Als ik gestorven ben

zal in de tuin van dit museum

boven het warrig bladerengedruis

een merel net zo helder zingen

op net zon late voorjaarsdag.

En ik, ik zal er niet meer zijn

om door dit zingen te vergeten

dat ik moet sterven mettertijd.

Jan Eijkelboom (26 februari 2008)

 

03.  Kleine versjes

Zo gaat het met de wereld:

in de herfst ontdoet de wilg

zich van zijn bladeren.

(Tanehiko 1820-1842)

Tachtig en vijf jaar

lang, heb ik mijn plezier

gehad van maan en bloemen.

(Tanko 1826-1884)

Blaas als je wilt,

herfstwind de bloemen

zijn alle verwelkt.

(Gansan 1814-1895)

Sta op, laat ons gaan

langs het pad ligt

de heldere dauw.

(Fujo 1712-1764)

Ik vraag me af

Naar waar de winden van de winter

De regenwolken jagen.

(Hakuen)

 

Ik verdwijn

in het raam blijft

de sneeuw op de Arendberg liggen.

(Shiko 1690-1743)

 

Je hebt je plicht gedaan

Tot vandaag

Oude vogelverschrikker

(Raishi)

 

04. Allerzielen

Soms loopt er door een drukke straat

ineens een oude kameraad

of reisgenoot.

Je weet zodra je hem begroet:

het kan niet dat ik hem ontmoet,

want hij is dood.

Eerst ben je nog een tijd verbaasd

omdat die levende toch haast

die dode was.

Heb je de zaak dan afgedaan,

dan komt er weer zon dode aan,

met flinke pas.

Thuis van het dodencarnaval

zie je de spiegel in de hal,

je schrik is groot:

die man daar in het spiegelglas,

met die bekende regenjas,

was die niet dood?

Willem Wilmink

05. De gestorvene

Zeven maal om de aarde te gaan,

als het zou moeten op handen en voeten;

zeven maal, om die ne te groeten

die daar lachend te wachten zou staan.

Zeven maal om de aarde te gaan.

Zeven maal over de zeen te gaan,

schraal in de kleren, wat zou het mij deren,

kon uit de dood ik die ne doen keren.

Zeven maal over de zeen te gaan

zeven maal, om met zijn tween te staan.

Ida Gerhardt

 

06. Geloof

Nu alles faalt, heeft dit alleen nog waarde

voor mij, die nooit n waarheid

heb ontdekt:

ik zal van u niet scheiden als deze aarde

mijn pover lichaam dekt.

Ik heb maar n geloof:

nooit gaat verloren

wat eens de liefde zalig heeft bevrucht,

en waar er twee elkander toebehoren

is zelfs de dood geen vlucht.

Jan Van Nijlen

 

07. Zo tedere schade als de bloemen

Zo tedere schade als de bloemen vrezen

Van zachten regen in de maand van mei

Zo koel en teder heeft uw sterven mij

Schade gedaan, die nimmer zal genezen.

Eens, toen wij na den nacht te zaam

verrezen

Lagen de rozen vochtig en gebroken,

ik en gij

Wisten dien langen nacht den regen,

ik noch gij

Konden van teerheid immermeer genezen.

Gij hebt de witte en de rode rozebladen

Gebeurd in uw smalle hand, - zij vielen

Vochtig en sidderend weer in t diepe gras.

Hoe zal dan t hart van even tedere schade

Genezen, nu om u de rozen vielen

Nu uwe handen stil zijn, diep in t gras.

J.W.F. Werumeus Buning

 

08. Allerheiligen

 

De rosse blaren van de najaarsbomen

beleggen t macadam met gouden zomen.

Er dwaalt een blijde stemming in de stad

van wemelende mensen, weeldezat.

De zon met gouden draden, fijn als rag

spint haar kleed voor allerheiligendag.

Ach kind er hangt

een waas van weemoed over!

zie jij t dan niet?

De glans van zon en lover

is niet zo helder als je meisjeslach;

t is immers morgen allerzielendag!

Voel jij niet dat in elke vreugde trilt

het leed om t niet bezit van wat je wilt?

Het leed om t niet-bezit van je verlangen,

Zo dat de zon half

in de mist blijft hangen.

 

Gaston Burssens

 

09. Nader tot u

 

Allerzielen blijft voor mij

een al te moeilijk feest,

want zij,

met wie k het vieren wil,

zijn er al lang geweest.

 

Mats Beek

 

10. Dood

 

Dood. Heb geen angst. Talm niet

voor mijn deur. Kom binnen.

Lees mijn boeken. In negen van de tien

kom je voor. Je ben geen onbekende.

Hou mij niet voor de gek met kwalen

waarvan niemand de namen durft te noemen.

Leg mij niet in een bed tussen kwijlende

kinderen die van ouderdom niet weten wat

ze zeggen.

Klop mij geen geld uit de zak

Voor nutteloze uren in chique klinieken.

Veeg je voeten en wees welkom.

 

Eddy van Vliet

 

11. Begin november

 

Ik sta te staren als met Chinese ogen.

Ik heb de grond zo lief en t boomvolk dat

nu uit de reuk der aarde onbewogen

te rijen staat van t landschap naar de

stad.

Het is begin november en de dagen,

grijs van de mist des daags en grauw te

nacht,

doen mij intenser aan dit heden vragen,

wanneer ik mijn laatste droom daar in die

grond verwacht.

 

Pierre Kemp

 

12. PAKE

 

Hjoed waard er begroeven nder snie.

Snie safier't wy seagen oer de greiden,

 snie, wylst wy us oantinken oereiden,

wist ik dat syn dea dochs iepen wie.

 

Sa't er syn fst wol ris iepenmeitsje

liet en dan in gntsje foar us hie:

sst, neat sizze, hielendal net laitsje,

beppe mei der ommers neat fan witte.

 

Ik sjoch har lykwyt it tsjerkhfspaad del

skreppen.

Snie, us kreakjend paad fan snie, beppe,

rint troch as wy syn dea hjir dellitte.

 

Syds Wiersma

 

13. SWARTE LEELJES

 

noch

kin ik yn har tearen rinne

op paden fan ferline

doe't it hf har sjongen hearde


har ferstienne wzen

spegelt yn it waarme stiel

dr't zebralin ynbannich

koalswarte leeljes foar har wriuwt

mei sulvren ranen fan ljocht

 

yn har droege tearen

fyn ik spoaren nei de fierte

skoat har stiljend libben

troch nei lege plakken

 

Marije Roorda

 

'Als je dood bent, heb je dan nog oogjes, voetjes, handjes, mondje? Ik wil niet dood zijn, ik wil levend zijn.'

meisje, 3 jaar

 

'Dood zijn is slapen maar zonder zuchten.'

 

'Kun je dan nog voelen? Voel je dan nog en weet je dan nog dat je "ik" bent.'

meisje, 8 jaar

 

'De bloemen zijn levend, het raam daar is dood. Als de dingen hetzelfde blijven, zijn ze dood.'

 

'Iedereen gaat tenslotte dood. God blijft alleen over. Hij is ook alleen begonnen.'

jongen, 5 jaar

 

'Och, mensen gaan eigenlijk niet dood, want ze krijgen kin­deren en die krijgen ook weer kinderen en zo gaat hun le­ven eigenlijk altijd door.'

jongen, 6 jaar

 

Jongetje kijkt door de heg bij een begrafenis. Komt zijn broertje verontwaardigd vertellen dat ze voor de gek ge­houden zijn: 'Je gaat helemaal niet naar de hemel, ze stop­pen je onder de grond!' Broertje weet de oplossing: 'Joh, ze halen je 's nachts met een vliegtuig en je kleren worden in een kist gestopt en die stoppen ze onder de grond.'

 

'Ik wou maar dat ik hier nooit geweest was.' - 'Waarom niet?' - 'Dan moet je weer doodgaan ook en dat zal wel erg pijn doen.'

jongen, 5 jaar

 

'Ik zou zo graag willen weten hoe ver het is naar de hemel. Ik denk dat voor iemand die jong is, het korter lopen of reizen is en voor een oudere duurt het langer.'

jongen, 9 jaar

 

Na een begrafenis. 'Het was zo stil in de kist. Wat is dood?' jongen, 6 jaar

 

'Mam, als je naar de Heer gaat, mag ik dan mee?' - 'Waar­om?' - 'Anders ben ik zo alleen.'

jongen, 4 jaar

 

'Ik ben bang dat ik alleen zal zijn om te sterven, mag ik samen met u sterven?'

jongen, 5 jaar

 

'Mamma, als ik meneer ben, ben jij al dood.' jongen, 5 jaar

 

'Sterven oude mensen altijd eerder dan kinderen? Ja, h mam?' - 'Niet altijd, wel vaak.' - 'Heus waar hoor, want anders kunnen ze niet bij de hemel komen, ze moeten toch eerst nog groeien.'

jongen, 4 jaar

 

'Mamma, waar was ik toen ik nog niet bij jou in de buik zat en ook niet bij pappa? Was ik toen dood?'

jongen, 3 jaar

 

Broertje is gestorven. 'Als je dood bent, kun je dan niets meer, niets zien, niets horen, niet bewegen, dan ben je dus net als een pop. Dus E. is net als een pop en zijn leventje is bij God. 0, ik begrijp het best, hoor. God bewaart het hartje van E. zolang en als wij nu weer een kindje krijgen, doet Hij het daarin.'

jongen, 4 jaar

 

'Als ik doodga, kom ik voor de tweede maal in de hemel. Zuster zegt dat we uit de hemel komen. Mijn ziel is van God gekomen en ik moet dat ding er ook weer heenbrengen door braaf te zijn.'

jongen, 4 jaar

 

Bijna overreden. 'Maar dat is niet zo erg, dan doet God wat gezuchten in je buik, nou en dan leef je weer.'

jongen, 5 jaar

 

'Ik denk dat God jou nooit dood zal laten gaan. Als je heel oud geworden bent, dan zal Hij je een hele tijd laten rusten en als je dan uitgerust bent, dan ben je weer jong.'

jongen, 6 jaar

 

'Waarom huilen jullie eigenlijk? D. is toch bij God. D. is erg moe en God is erg sterk, die kan hem best dragen, hoor en als hij uitgerust is, komt hij weer terug.'

jongen, 5 jaar

 

'Opa is dood.' - 'Nee, opa is bij God.' - 'Opa is dood bij God.' - 'Opa leeft bij God.'

kleuters, 2 en 4 jaar

 

'Dat had je niet gedacht, wat ik dacht. Dat je blijft leven als je dood bent.

jongen, 4 jaar

 

Kinderen zagen een dood vogeltje. 'Dat gaat nu vanavond naar God' - 'Nee, niet helemaal, alleen zijn oogjes en iets van binnen.'

jongen, 5 jaar

 

'Mamma, word je dan begraven als je naar de hemel gaat?' - 'Zie je dit handje? Houdt dat handje van mamma?' ­'Nee.' - 'Dit voetje dan?' - 'Nee, ook niet.' - 'Wat houdt dan van mamma?' - 'Ikke.' - 'Juist en ikke gaat naar de hemel als je sterft. Dat is je zieltje. En dat handje en voetje, je hele lichaam, dat wordt begraven.' - '0, nu begrijp ik het.'

 

'Hoe kun je nou uit een kist onder de grond in de hemel komen? Er is echt wel ergens een gat in de kist waar je 's nachts uit kan kruipen.'

jongen, 6 jaar

 

'Voor tante is het zo erg niet want ze heeft geen pijn meer en zij kent het geheim van God.'

jongen, 6 jaar

 

'Als ik dood ben, ben ik dan in de hemel? Maar dat is toch alleen maar je ziel? Daar heb ik toch niks aan?'

 

'Waar is opa nou?' - 'Weet ik niet' - 'Weet u dat niet? Heeft Jezus het u dan niet verteld?' - 'Nee.' - Stilte. 'Oma, nu weet ik waarom, het moest een verrassing blijven.'

jongen, 5 jaar

 

'Ik geloof dat de hel is, als je niet in de hemel bent.'

meisje, 9. jaar

 

 

uit: Geloven met Kinderen Joanne Klink

15.  Ren Lenny ren

Zoek me om je heen als je voelt dat je me mist.
Ik weet gerust wat mijn vertrek heeft aangericht.
Ik kom wanneer je wil, denk maar mn vader is de wind
Ik ben zo licht nu. Ik vind altijd je gezicht.

Zoek me om je heen als je boos bent of verdrietig.
Of vertellen wilt van wat je hebt beleefd.
Ik kom wanneer je wilt , ik ben je vader toch de wind
Maar veel verschilt het niet van hoe snel ik heb geleefd.

Als het pannen van daken waait, als het gras naar je voeten graait,
als de wind langs je wangen aait, hier ben ik.


Als de zee je met schuim bezingt
Als het huilen langs huizen klinkt
Als de wind je voorover dwingt, hier ben ik.

Ren Lenny ren
Als je me mist ren even heel hard met me mee.
Ren Lenny ren
En ben je boos, heb je geen zin ren dan toch hard tegen me in
Ren Lenny ren


Zoek me in de bomen, zie de toppen zwaaiend gaan,
ik ben je vader, de wind, ik kom eraan.
Zoek me in de haven, zelfs de boten langzaam dansen gaan,
je vader, de wind komt eraan.
Als het graan op de velden wuift, als het zand over duinen stuift,
Als de wind zelfs je fiets verschuift, hier ben ik.
Ren Lenny ren

Als je haar voor je ogen waait, als je jas om je lichaam draait
als de wind langs je wangen aait, weet dat ik je mis.
Ren Lenny ren
Als je me mist ren even heel hard met me mee
Ren Lenny ren
En ben je boos, heb je geen zin ren dan toch hard tegen me in

Ren Lenny ren
Ren Lenny ren

Als je me mist ren even heel hard met me mee
Ren Lenny ren
En ben je boos, heb je geen zin ren toch hard tegen me in
Ren Lenny ren

Ren Lenny ren
Ren Lenny ren

Ren Lenny Ren Acda en de Munnik

 

16. Drempel

 

Mijn God,

als ik op de drempel sta

en alles achterlaat wat

mij op aarde dierbaar is,

geef mij het uitzicht op Uw licht

en raak mij met Uw liefde aan;

dat ik gelokt, verwarmd, vervuld

durf verdergaan.

 

Als ik doodmoe op de drempel sta,

achter mij de aarde

en het leven dat ik leefde,

en vr mij, onbekend, onzichtbaar,

het leven dat mij wacht,

wees Zelf mijn gids

en neem mij bij de hand.

 

Als ik op de drempel sta

mijn God, laat ik dan

in Uw hand mijn hand mogen leggen.

Dan zal mijn dood geboorte zijn.

 

Uit: Tot overblijft wat echt is: jij Hans Stolp

17. Bondgenoten

 

Wij hebben langs gescheiden wegen

steeds onze eigen weg gezocht;

thans, aan het einde van de tocht,

komen wij eerst elkander tegen.

 

Pas bij het ronden van de bocht,

de tegenstellingen ontstegen,

blijkt op hetzelfde vlak gelegen

wat ieder voor zichzelf bevocht.

 

En nu de meeste zekerheden

geleidelijk zijn zoekgeraakt,

deelt zich onopgesmukt en naakt

de laatste waarheid aan ons mede:

 

het is slechts dit gedeeld verleden

wat ons tot bondgenoten maakt.

 

Jean Pierre Rawie

 

18. Geen kind meer.

 

De dag waarop je moeder sterft,

de dag die al je dagen

Van dan af aan wat grijzer verft,

al hou je niks te klagen

 

Je hebt je goeie vrienden nog,

die staan je ook dichtbij

En als je soms een minnaar zoekt

dan staan ze in de rij

 

Maar niemand zal meer weten

hoe je met je pop kon spelen

En niemand zal nog ooit

je vroegste vroeger met je delen

 

De dag waarna je nooit meer

kwetsbaar wezen kan en klein

De dag waarna je nooit meer kind zult zijn

 

Geen kind meer Karin Bloemen

19. Voor de verre prinses

 

Wij komen nooit meer saam:

De wereld drong zich tusschenbeide.

Soms staan wij beiden s nachts aan t raam,

Maar andre sterren zien we in andre tijden.

 

Uw land is zoo ver van mijn land verwijderd:

Van licht tot verste duisternis dat ik

Op vleuglen van verlangen rustloos reizend,

U zou begroeten met mijn stervenssnik.

 

Maar als het waar is dat door groote droomen

Het zwaarst verlangen over wordt gebracht

Tot op de verste ster: dan zal ik komen,

Dan zal ik komen, iedren nacht.

 

J.J. Slauerhoff

20. Cirkel van Leven

 

Wanneer we al het werk gedaan hebben

waarvoor we naar de aarde zijn gezonden,

mogen we ons lichaam afleggen

dat onze ziel gevangen houdt,

zoals een cocon de latere vlinder omsluit.

En wanneer de tijd is gekomen,

kunnen we het loslaten

en zullen we vrij zijn van pijn,

vrij van angst en zorgen,

vrij als een heel mooie vlinder

en terugkeren naar huis bij God

 

Uit: Cirkel van Leven Elisabeth Kbler Ross

21. Think of me

 

Think of me fondly

when weve said goodbye

Remember me

Once in a while

please promise me youll try

When you find

That once again

you long to take your heart

back and be free

If you ever

find a moment

spare a thought for me

 

Think of me The Phantom of the Opera

22. De eeuwige geest

 

Nooit werd de Geest.

Noch zal hij er ooit niet meer zijn

Zonder Bestaan is hij nimmer geweest.

Een droom slechts zijn eind en begin.

De Geest heeft een eeuwig, eigen Bestaan.

Door sterven nimmer beroerd.

Hoewel 't voertuig schijnt te vergaan.

 

 

Neen! Zooals men, ter zijde leggend

Een kleed, dat niet meer voldoet.

Een ander aantrekt, zeggend:

Vandaag past dit mij goed:

Zoo ontdoet zich de Geest in vrede

Van t stoffelijk gewaad.

Om zich opnieuw te omkleden

Wanneer hij verder gaat.

 

Iwin Arnold

23. Er is geen dood.

 

Er is geen dood. De sterren dalen

Om te verrijzen elders weer,

Stralend in s hemels juweelen koepel

Om nimmer te verbleeken meer.

 

Er is geen dood. Het bosch, verdwijnend,

Laat uitzicht op d' oneindigheid:

De rots verbrokkelt om te voeden

Het hong'rige mos alom verspreid.

 

Er is geen dood. Het stof der aarde.

Door zomerregens opgeleefd

Verkeert in voedzaam graan of vruchten.

Of kleurenspel van bloemen geeft.

 

Er is geen dood. De blren vallen,

Der bloemen pracht is ras voorbij.

Zij wachten heel den winter allen

Op den warmen ademtocht van Mei.

 

Er is geen dood, hoewel wij treuren.

Als vormen, schoon en ons vertrouwd,

Uit onze armen ons ontvallen.

Ons achterlatend leeg en koud

 

Hoewel gebogen en gebroken.

Wij stil-bedroefd. in rouwgewaad.

D' omhulsels zacht ter ruste brengen.

Wanend dat alles men achterlaat. ­

 

Zijn zij niet dood. Zij zijn getreden

Achter den nevel, die ons verblindt.

Een ruimer sfeer heeft zich geopend

Voor wie zich aan gene zijde bevindt.

 

Hun zwaar gewaad is afgeworpen.

Zij dragen thans een blinkend kleed.

Zij hebben zich niet ver begeven,

Zijn meer nabij nog dan men weet.

 

Hoewel onzichtbaar, niet verloren,

Zij hebben lief en zijn er nog.

Degenen, die zij achterlieten.

Zijn nooit door hen vergeten toch.

 

Soms voelen, koortsig nog gespannen,

W' als balsem hun nabijheid weer,

Wij zijn er in den geest bewust van.

En rust en troost daalt op ons neer.

 

Ja, steeds nabij, hoewel onzichtbaar,

Omzweeft ons de geliefde geest ­

Want God is Leven, is oneindig.

En dooden zijn er nooit geweest.

 

John Mc Creery