HET GODSHUIS IN DE LICHTSTAD

 

DOOR

 

FREDERIK VAN EEDEN

 

 

MET ONTWERP-TEEKENINGEN VAN

 

J. LONDON

 

 

 

 

AMSTERDAM - 1921 - W. VERSLUYS



 

 

 

HET GODSHUIS IN DE LICHTSTAD[1]
_________

 

 

I. AANHEF

Wij gaan het Godshuis bouwen in de Lichtstad. Het hei­lige midden van de gansche menschheid, van waaruit alle bedrijvigheid van alle menschelijke bewooners deezer pla­neet, deezer Aarde, deezer zweevende woonplaats van ons geslacht wordt bestuurd, geordend en geheiligd.

Eenen grooten tempel gaan wij bouwen, zoo groot en schoon als menschelijke kracht maar gedoogt. Een waereld­huis, niet ter verheerlijking der menschen, maar ter eere Gods, de sterkste uitdrukking, in vorm en lijn en kleur, van het menschelijk streeven om één te worden met de Almacht, die ons in den strijd heeft gezonden en ons opwacht in den eindelijken triomf.

 

Wij gaan het Godshuis bouwen, in steen en metaal, dat door eeuwen en eeuwen zal moeten staan tot teeken van onze eenheid,tot uitdrukking van onzen samenhang als broe­ders en zusters van één gezin, als kinderen van éénen Vader.

 

Wij gaan met alle krachten waaroover het gansche menschdom gezamenlijk beschikt, het grootste, noodwen­digste gebouw oprichten, dat ooit deeze aarde heeft ver­sierd, opdat het zal zeggen in taal en vorm en structuur, hoezeer wij allen, wij menschen, die het Godsbesef in ons dragen, hoezeer wij allen verlangen naar die eenheid, die de uitkomst moet zijn van onzen bitteren kamp, naar die vreede en rust, die niet bereikt kan worden dan door gewil­lige zelfverloochening, rusteloozen strijd en heldhaftig ge­dragen leed en ellende.

En dat Godshuis gaan wij nu bouwen, nu, juist nu, ten tijde dat de menschheid haar vreesselijkste beproeving door­staat.

Nu, juist nu, terwijl de volkeren nog leeven in duldelooze spanning van haat, en groote, duistere barsten van verwoes­ting het aangezicht der bloeyende aarde verscheuren.

Nu, terwijl de aarde doorploegd is door granaten en ge­mest met bloed, nu is het tijd om te zaayen.

Nu gaan wij de kiem leggen, het zaadje zorgvuldig kwee­ken en behoeden, het toevertrouwen aan den bloedge­drenkten boodem, wachtend op de trage maar gestadige wer­king van den tijd, vertrouwend op des menschdoms onver­woestbare leevenskracht, hoopend op den zeegen van Hem, den Opperbouwmeester, zonder wiens wil niets kan gebouwd of afgebrooken worden, den Leevensheer, die kan doen ontkiemen en groeyen wat Hem goeddunkt.

Er is geen oovermoed in ons beginnen, hoe grootsch de opzet, hoe onbereikbaar vèr de voltooying mooge schijnen. Want wij willen niet anders dan een stem geeven aan steen en metaal, opdat ze spreeken van Gods heerlijkheid en van zijn aanweezen in onszelven.

 

Ons onderneemen is niet anders dan onbegrensd vertrou­wen in de Oppermacht, die het werk zal doen volvoeren als het Hem goeddunkt. Geen zelfverheerlijking, geen trots of hoogmoed, geen lagere begeerte zal er zijn in ons werk. Wat wij beoogen is niet anders dan een gebed in steen en metaal, dat zal spreeken voor de geloovigen, dat de wanke­len zal sterken in hun goed willen, dat de aandoeningen der menschen zal 'Oproepen en vastleggen, waardoor zij zullen weeten wat hun hoogste neiging en hun uitkomst is. En wij willen, dat van die machtigste uitdrukking onzer een­heid de polariseerende en richtende kracht zal uitgaan, die alle menschelijke werksaamheid moet ordenen en van Gods­besef doordringen.

Wij gaan dit groote werk onderneemen, omdat wij niet anders kunnen, omdat een innerlijke macht er ons toe drijft, omdat er geen rust, geen vreede, geen voldoening voor ons is, zoolang wij de krachten die ons gegeeven zijn, niet aan­wenden tot dit doel, dat ons van alles het meest noodzake­lijke schijnt, en het innigst onzen wil zich doet aansluiten aan den wil des Vaders.

Daarom is er geen hoogmoed in ons plan, en ook geen teleurstelling voor ons moogelijk. Wij kunnen niet teleur­gesteld worden, hoe ontzaglijk ook de ondernoomen taak mooge schijnen. Want wij willen niets wat God niet wil, en zoo de kiem niet zal gedijen, zoo bewijst dit, dat het plan des Vaders goedkeuring niet heeft. Maar heeft het de goedkeu­ring wèl, zoo zal de zwaarste taak ligt worden, de heftigste teegenkanting machteloos, en het geweldigste speelend en als van zelve worden bereikt.

Voor ons zelve wachten wij geen andere voldoening hoe­genaamd, dan de blijdschap dit groote werk te moogen ont­werpen en voorbereiden.

Van de uitvoering verwachten wij ook zelfs niet den aan­vang te zullen beleeven. De voltooying ligt geheel en al bui­ten onzen korten leevensloop. Al gebeurde het wonder, dat wij terstond gehoor en deelneeming vonden, zoodat reeds morgen de eerste opmeeting zou worden gedaan, dan nog zou er een menschenleeftijd heengaan, vóór de voltooying. Onze taak is niet anders dan het vormen van de zuivere, ge­zonde gedachte-kiem, de kiem die zich langsaam moet ont­wikkelen in de duisternis, eer de eerste blaadjes kleur krijgen in het zonnelicht.

Niettemin is onze taak, hoe bescheiden ook wat ons per­soonlijk aandeel betreft, toch noodzakelijk en van al-om­vattende strekking. De gedachte daaraan vervult ons met onuitspreekelijke blijdschap en dankbaarheid.

Onze krachten zijn gering en toch voelen wij, dat wij niets onderneemen wat hen te booven gaat. Want een arm, zwak, broos mensch kan het geweldigste onderstaan door de macht zijner gedachten, als die ontspringen uit zijn onsterfelijk deel en samengaan met Gods gedachten.

Nooit is er een machtige groepeering, een sterke eenheid onder de menschen geweest, of er ontstond ook een gebouw dat die Eenheid verzinnelijkte: zoo ontstonden de pyra­miden, de Egyptische en Grieksche tempels, de heerlijke In­dische bouwwerken, de kerken en kathedralen van het Christendom. Al zijn deeze allen vergankelijk en tot verdwij­nen gedoemd, de mensch heeft ze noodig tot versterking van zijn geloof, tot uitdrukking van zijn heiligste verwachtingen, tot richting van zijn bedrijvigheid en verlangens.

Zoolang de mensch in de stof leeft, heeft hij stoffelijke uitdrukking noodig voor zijn geestelijk weezen. En als een lichtend spoor van schoonheid laat hij voor de koomende geslachten die maaksels na, die voortkwamen uit zijn innig­ste weezen, en vastheid gaven aan zijn gang door het tijdelijke.

En naarmate zij noodwendiger zijn en zuiverder uitdruk­ken, wat hem in het diepst van zijn ziel bewoog, naar die mate werden ze ook schoon er en luisterrijker, hem met zijn nakoomelingen verbindend door een band van  bewondering en ontroering.

Hoe ontroeren ons niet, thans nog, die bouwwerken, waarin eenmaal, ook in een kleine groep, de Eenheid der menschen in God werd uitgedrukt.

Wij zullen geen schoonheid opzettelijk zoeken in ons werk. Want de schoonheid komt zonder zoeken, als de bedoeling heilig en zuiver is. Wij zullen alleen de expressie zoeken voor ons innigste verlangen, en de nuttigheid en noodwendigheid zullen wij zoeken, om zeegen te brengen aan de menschen, om uiting te geeven aan de Liefde die al wat mensch is, ja al wat leeven heeft omvat.

Wij gaan bouwen. Want het mag ook bouwen heeten, al zijn het nog niet anders dan woorden en teekeningen die wij kunnen beezigen en toonen. Nooit immers is een groot bouwwerk ontstaan zonder dat het jaren lang was gedragen als gedachte-beeld, als ontwerp. Tot het bouwen behoort het ontwerpen, en het plan is het allergewigtigste deel van het werk.

Wij zullen daarom het plan voltooyen zoover als onze kracht toelaat. Dan hebben wij het onze gedaan.

En daarbij zullen wij in woorden trachten te omschrijven, ook zoover als onze blik reikt en onze krachten ons gedoo­gen, wat de beteekenis,de geestelijke waarde ,en de functie moet zijn van het gebouwde, het geheele werk. Want een grootsch en schoon bouwwerk kan alleen ontstaan op een geestelijken grondslag, en moet noodwendig voortkoomen uit als dwingend gevoelde behoefte.

Elke steen van het groote geheel moet geplaatst worden met een stellig doel en een vaste gedachte.

Wij zullen doel en gedachte aanduiden, zoo goed als het ons in gebrekkige woorden moogelijk is. En wat wij in ge­schreeven  en gesprooken woorden niet zeggen kunnen, dat zullen wij in teekening doen zeggen door metaal en steen.

Het Werk moet dus voortkoomen uit de Leer, en de Leer moet worden bevestigd en gezegd door het Werk. De idee moet aan het Werk vooraf gaan en weer door het Werk

worden bekrachtigd.         

En daarbij zullen wij niets ontwerpen wat onuitvoerbaar is voor den mensch in zijn teegenwoordig stadium van ontwikkeling. Wij zullen grenzen stellen aan onze fantasie, maar geen andere grenzen dan die het menschelijk vermoo­gen oover de stof beperken.

Wij achten de heerschappij der menschen oover de natuur-krachten nu groot genoeg om uit te voeren, wat wij ontwerpen. Maar die menschelijke vermoogens moeten worden georganiseerd, in samenhang gebracht en geordend door het Godsbesef, dat in alle zielen leeft.

Wij zullen niets beramen wat menschelijke krachten te booven gaat. Belemmeringen die voortkoomen uit dwaling, ongeloof, dwaasheid en onverschilligheid achten wij niet onooverkoomelijk. Wat naar menschelijke bereekening uit­voerbaar is, kan ook verweezenlijkt worden door vast geloof en standvastigen wil, als God helpt. Wij roepen niet om wonderen, wij verwachten geen onmiddellijke boovenna­tuurlijke tusschenkomst. Wat wij ontwerpen zal uitvoerbaar zijn door dien mensch, met de heerschappij oover de natuur­krachten die de Almacht hem tot dusverre heeft afgestaan.

Waartoe de mensch in staat is, dat weeten wij nu eerst recht. Nu, juist nu, terwijl hij al zijn krachten inspant tot moorden en vernielen, juist nu blijkt wat hij zou kunnen doen in scheppen en opbouwen.

Daarom kunnen wij nu beramen en ontwerpen, omdat wij nu weeten wat hij vermag. Elk bezwaar, elken teegenwer­ping kunnen wij ontkrachten door de vraag: Wat hebt gij, menschen, getoond te kunnen, toen het ging om dood en verwoesting? En zoudt gij dan uw ongeloofelijk vermoogen niet kunnen aanwenden tot het scheppen van het schoonste en heerlijkste, wat ieder mensch moet begeeren en nie­mand zal grieven?

Wij menschen weeten genoeg om een zuivere gemeen­schap te organiseeren, en werken te stichten die alles te boo­ven gaan wat op aarde door den mensch uit stof is gemaakt.

In den oorlog zijn daden verricht, grooter dan iemand moogelijk achtte. In techniek is het wonderbaarlijkste gelee­verd, in taaiheid en weerstandskracht is het uiterste getoond. Het menschdom is vaardiger en sterker dan één mensch heeft durven vermoeden.

Zouden wij dan al die aan den dag gekoomen kracht nu niet beeter kunnen aanwenden dan voor moord en vernie­ling?

Het hangt er maar van af, of die krachten worden georga­niseerd en gepolariseerd in een zuivere richting. Als de menschheid het wil, dan kan ze gemakkelijk volvoeren wat wij hier beramen.

Niets anders is daartoe noodig dan ooverleg en eenheid van streeven.

De groote krachtstroom, die nu de dijken doorbreekt en de landen verwoest, kan tusschen veilige oevers worden geleid en tot onnoembare zeegen worden voor ons gansche geslacht. Wij kunnen de richting aangeeven en wij weeten dat ieder onzer er mee gebaat zal worden en zijn eigen geluk zal zien vergrooten, ook al werkt hij enkel aan de voorbereiding van het groote geheel.

De eerste vraag, die zich nagenoeg bij allen zal voordoen is de geld-vraag, omdat ons geslacht nu eenmaal nog gewoon is zijn kracht en zijn geluk in geld, in ruilmiddelen af te meeten.

Deeze vraag is echter voor ons geen vraag meer. Wij kunnen elken twijfel of bezwaar terstond op zij werpen door de weedervraag: Waar bleef het finantiëel bezwaar in den grooten oorlog? En wat gij gedaan hebt om te dooden en te verwoesten, zoudt gij dat niet kunnen om te stichten en te verheugen en uwen Vader te eeren?

Op de vraag: Wat zal het kosten? luidt onze weeder­vraag: "Wat kostte de groote oorlog?"

En op de vraag: Wie zal de kosten dragen? Antwoorden wij "De volken die den Grooten Oorlog hebben bekostigd."

Gemakkelijk zijn de miljarden bijeen gebracht voor den grooten moord. De regeeringen hadden maar te beveelen en onmiddellijk gehoorzaamden de volken, trotsch op hun offervaardigheid, snoevend dat de leeningen ooverteekend werden.

Zou de menschelijke dwaasheid zóó groot zijn, dat de volken wel hun laatsten penning willen offeren voor een heilloozen broederkrijg, en niet voor het hoogste heil, dat het menschenras op aarde kan verwerven, een broederge­meenschap, die de aarde omspant en allen samenbrengt in God?

Waarom zouden de regeeringen dat niet willen? En wanneer de regeeringen het willen, waarom zouden dan de volken niet gehoorzamen, zooals ze gehoorzaamd hebben bij den gruuwel van moord en verwoesting?

Zou alleen de duivel macht hebben om de menschen tot offervaardigheid te beweegen?

Wie zoo willig offerden geld en leeven voor het groote Bloedfeest, zouden die niet te beweegen zijn hetzelfde te geeven voor het groote festijn der verbroedering?

Men zal zeggen, dat deeze groote oorlog ontbrandde door hebzucht en heerschzucht,  en dat de gewilligheid der volken voortkwam uit angst voor hun stoffelijk welvaren, of uit hun belustheid op macht en buit.         

Maar geen enkel groot volk heeft kunnen strijden zonder de klinkende leuzen van echt of schijnbaar idealisme. Alleen waar de krijgs-trompetten schetterden van Vrijheid, Recht, Beschaving, Demokratie, dààr offerden de volken gewillig leeven en goed. Om stoffelijk goed alléén zou geen groot volk eendrachtig in den strijd zijn gegaan en het uiterste hebben verduurd, in rouwen honger.

Is daaruit af te leiden, dat alleen stoffelijk belang de menschheid tot zoo groote krachtsuiting kan brengen?

Neen! inteegendeel! - Alleen leuzen met geestelijk ide­aal, alleen klanken met schooner geluid konden een volk eendrachtig maken en voeren tot uiterste inspanning.

En wij zullen zuiverder toon laten hooren dan de krijgs­t:rompetten. Ons bedoelen is rein en oprecht en behoeft geen vervalsching.

Wat wij ontwerpen bedriegt niemand en sluit geen mensch uit. Een schooner en zuiverder leuze heeft nooit ge­klonken. Ooveral, op de gansche aarde, wordt ze reeds ge­hoord: Eenheid en Broederschap aller menschen.

De dooven zullen hoorende worden, en de laffen, de hal­ven, de ongeloovigen, de twijfelaars zullen worden ooverstemd.

Zoo willen wij dan ook niet anders, dan door woord en teekening doen begrijpen dat, wat zooveelen smachtend en twijfelend begeeren, uitvoerbaar is en binnen menrschelijke krachten, als God het gedoogt.

Ons werk zullen wij achterlaten als een sterke, luide ma­ning, als een nimmer verstommende roep: "Dit is uw be­geerte, menschheid! Weet dan ook, dat gij het in vroomen ernst bereiken kunt".

_________

 

II. OOVERZICHT

 

Ten tijde dat die menschen een leevend gemeenschappe­lijk geloof hadden, werden de steeden en groote tempelge­bouwen in hun geheel ontworpen en naar een vast plan gebouwd.

Op een geschikte plaats werd die ligging van de groote stad uitgemeeten. De heerscher der volken, de Keizer of Kooning, die de oppermacht bezat, ontwierp en beval, en blindelings gehoorzaamde de menschenmeenigte. Zoo was er orde en werd er eenheid in het stoffelijk werk bereikt, volgens den wil en de gedachte van één enkele ziel, in wien de godheid door de meenigte werd aanweezig geacht en geëerd en gehoorzaamd. - Thans is het gemeenschap­pelijk geloof verzwakt en verdeeld, omdat in iedere men­schenziel het gods-besef begint te ontwaken, en de godheid niet meer gezien wordt in éénen heerscher, maar in de innige diepte van iedere vrije ziel.

Daardoor is het verband tijdelijk verlooren, de orde ver­brooken en de steeden worden gebouwd als bij toeval, onder invloed van lagere begeerten, van neigingen naar winst en voordeel, naar welvaart, gezondheid en stoffelijke beha­gen.

De steeden groeyen omdat ze een goede ligging hebben voor handelsverkeer, of omdat ze 't centrum zijn van macht en weelde.

De tempels worden eraan toegevoegd, niet als het mid­den- en uitgangspunt van alle orde en bedrijvigheid, maar als vertoon van pracht en macht, ondergeschikt aan de be­langen van handel en verkeer, van heerzucht en weelde. De steeden zijn niet langer die aardsche woonplaatsen der God­heid, met den tempel als middenpunt en bron van geloof,­ maar het zijn ziekelijke uitwassen geworden, waarheen alle schatten worden gesleept.         

Het zijn nu weelde-plaatsen voor de rijken en machtigen, met hun gevolg van parasieten en slaven, die allen azen op wat er afvalt van den oovervloed. Zoo werd het oude Rome tot broedplaats van onzinnige, heidensche weelde, met een kern van weergalooze zondige pracht, omringd door groote wijken vol armoede, vol vuil, vol misdaad en zeedeloosheid.

Zoo zijn nu nog de groote steeden Parijs, Londen, Ber­lijn, New York. De beurzen en warenhuizen zijn er hoofd­zaak, de tempels zijn er ornamenten. Rechte kankergezwel­len zijn onze steeden, die hun goore buitenwijken als zieke­lijke cel-weefsels steeds uitbreiden oover de zuivere aarde, en die de leevenskracht der menschheid uitputten in een gestadigen brand van weelde en zonde.

Maar het Rome van den keizertijd, het brandpunt van be­derf, werd door de stichters van het Christendom juist ge­koozen als centrum van dee nieuwe Geloofs-eenheid, die de gansche aard-bevolking moest verbinden.

Schoone en verheeven gedachte! De sterke militaire orde van het Romeinsche rijk moest worden bezield door het leevend geloof aan den Christus, die van deeze zondige en waereldsche orde, uit  heerschzucht, hebzucht en weelde­dorst ontstaan, een heilige macht moest maken, waarin liefde allen verbond en het godsbesef van iedere ziel tot uiting kon koomen. [2]

Dit is tot nu toe niet geslaagd. Het Christendom heeft niet de staatsmacht doordroogen en vermeesterd, maar de staatsmacht heeft het Christendom dienstbaar gemaakt aan haar lagere begeerten.

In Byzantium werd het Christendom tot Staatsgodsdienst gemaakt, maar de leidende en ordenende macht bleef in handen van de waereldsche heerschers. Deeze strijd is nog niet uitgevochten. Door veele eeuwen heen heeft de kerk gekampt met den staat. En de kerk heeft niet ooverwonnen, omdat ook in haar de heerschzucht, de weelde-dorst, en de praalzucht is doorgedrongen. De priesterschap ontaard­de, Pausen en priesters werden zeedeloos en verlooren hun aanzien. Zij streeden niet met de zuivere wapenen van lief­de, deemoed en zelf-verloochening, maar ze deeden mee aan de jacht naar macht en weelde. De priesters waren niet langer de besten en eedelsten, voorgangers in alle Christe­lijke deugden, in eenvoud, offervaardigheid, zelfbeheer­sching en vroomheid. Maar de priesterlijke waardigheid en wijding werd toegekend aan onwaardigen.

Toen verzette zich de menschheid teegen hun heer­schappij. Er ontstonden secten, die de leer wilden zuiveren. De hervorming keerde zich teegen de Roomsche misbrui­ken, en de weetenschap, die waarheid en licht wilde bren­gen in het gedachte-leeven der menschen, voelde in de ont­aarde kerk een vijand, een macht die de duisternis wilde bestendigen en het licht der waarheid wilde beletten door te dringen. Hierdoor ontglipten de teugels der waereld aan de kerk, maar de weetenschap en de door deeze gesteunde Staatsmacht kreeg de leiding. De kerk bleek niet bij machte de orde in te voeren, die de gansche menschheid tot een groot gezin zal verbinden. Door weetenschap en staats­macht werd een groote sterke coalitie gevormd, die de kerk aan zich ondergeschikt wist te houden.

De groote zonde der menschheid, maatschappelijk on­recht, met al zijn schrikkelijke gevolgen, armoede, drank­misbruik, ontucht, diefstal, geweldpleeging, heerschzucht door de wapenen - werden niet rechtstreeks door de kerk bestreeden. Door de weetenschap  en Staatsmacht werd het kwaad aan het licht gebracht, rechts-orde ingesteld en de vrijheid van het geweeten, waardoor in iedere ziel het zui­vere Godsbesef kon ontwaken, tot zeegenrijk beginsel voor alle menschen en volken verheeven. De macht der  Vorsten, berustend op het geloof der meenigte aan hun god­delijken oorsprong, werd gekortwiekt, en de menschen meenden dat zij  aldus, zonder kerkelijke en vorstelijke leiding, door  eigen inzicht en verstand, tot die groote een­heid en de zuivere orde konden koomen. Finale scheiding van kerk en staat, heerschappij van het geheele volk, loo­chening van de goddelijke oppermacht der vorsten, dat zijn die zoogenaamd democratische leuzen, waaronder thans nog de volken elkaar beoorloogen. Daarvoor vloeit thans nog het bloed van miljoenen.

Maar in dien strijd zelf, ontstaan en volgehouden door heerschzucht en leugen, komt aan het licht de algeheele eenheids-wil der menschen. Al wat zij waarlijk willen is te­rug te vinden in Jezus' leer, waarvan de kerk de verwee­zenlijking en de verdeediging wilde zijn. Elk mensch zich voelend kind van God, en allen elkander helpend, dienend en liefhebbend. Daarbij is de scheiding van kerk en staat een onmoogelijkheid, een monsterlijke misvorming.

De massa kan zichzelf als massa niet leiden. En de heer­schappij, ontnoomen aan de valsche vorsten, die zich vertee­genwoordigers der Godheid noemden, kan niet worden  aan­vaard door die natuurweetenschap.

De natuurweerenschap heeft geen zeedelijke wil en geen leidend vermoogen. Ze is amoralisch. Ze kan den weg ver­lichten en het pad effenen, maar ze kan geen richting gee­ven. Uit natuurkennis alleen ontstaat geen zuivere rechts­orde, geen nieuwe schoonheid van menschelijk samenleeven. Natuurkennis en verstand geeft aan, wat geweest is en wat moogelijk is, maar niet wat behoort en wat koomen zal.

Leiding en richting geeven, gevoed en bezield door de hoogste autoriteit waaraan elk zich onderworpen voelt, dàt was het weezen der Kerk, zooals de Meester het heeft be­doeld. Booven het Kooningschap der erfelijke vorsten, of der gekoozen volksbestuurders, die eeven goddelijk en eeven menschelijk zijn als alle menschen, moest troonen de vol­strekt algemeen erkende macht der gemeenschap, voorge­licht en gesteund door goddelijke ingeeving. Elk der pries­ters dier kerk moesten zijn gewijde, waarlijk heilige men:schen, als mensohen eenvoudig en bescheiden, onzelfzuch­tig en belangeloos, vrij van vooroordeelen en begeerten, voor zoover een mensch dat zijn kan, steeds oopenstaand voor goddelijke inwerking, waarvan de uiterlijke teekenen, zooals verheevenheid, karakterkracht en wijsheid, voor iederen mensch zichtbaar zijn.

Paulus heeft het Oude Rome willen maken tot het Nieuwe Rome, de nieuwe orde, het nieuwe verbond der menschen, onmiddellijk geleid door den heiligen Geest, in Eenheid met de Almacht, en den Verlosser der Menschen.

­ Dit is niet geslaagd, en de strijd is nog niet uitgevochten. De oude zonden hebben zich nog weeten te handhaven, heerschzucht, weelde-dorst en dogmatiek hebben de zee­genrijke werking der Kerk oover de gansche waereld verhinderd en haar kracht verlamd.

Het Oosten met zijn schatten van wijsheid zou:zich voor het zuivere Christendom en de waarachtige Kerk liefdevol en dankbaar hebben oopengesteld, want Christendom en Oostersohe Wijsheid vullen elkaar aan, en steunen en ver­klaren elkander.

Maar inplaats van schoonheid en liefde brachten ont­aarde schijn-Christenen in het Oosten bittere ontgooche­ling. Ze brachten er gouddorst, heerschzucht, drank, wapen­geweld, afzichtelijke leelijkheid.

In de kerk zelve ontstond scheuring op scheuring, vooral door het onbegreepen woorden  der taal. De taal is geweest het machtigste werktuig des duivels, gestadige bron van tweedracht en verblinding. Door het gebrek aan taalkri­tische wijsheid, aan dat dieper inzicht, dat wij thans Signi­fica leerden noemen, zijn de woorden der grootste voor­gangers verdord en versteend, en het is moogelijk geworden voor de heerschzuchtigen en de gewelddadigen, de meenigte te verblinden en hen voor hun zeegekar te spannen.

Door het dogma wordt de ziel uit het woord weggenoo­men. De kracht der woorden wordt door ziellooze herhaling verlamd, en door de illuzie van een absoluut waar woord, een onfeilbare Reede, een dwingende logica, wordt de hei­lige Geest geschonden, en het vrije, oorspronkelijke gods­besef, dat in elke ziel leeft, verduisterd. Zoo ontstaat de doode rethorica, het versteende dogma, de valsche leuze, waarvan iedere heerschzuchtige voor zijn eigen zondige be­doelingen gebruik maakt. Alleen daardoor is het mooge­lijk, dat thans nog de volken elkander uitmoorden, onder geheel gelijkluidende leuzen.

Nauwelijks had het Christendom, het nieuwe Rome van Paulus, zijn eerste groote ooverwinning sohijnbaar bevoch­ten, of de volkeren begonnen elkaar te beoorlogen om the­ologisch-dogmatische kwesties als het Weezen der Drie­eenheid, of de substantie van Vader en Zoon - kwesties, die allen voortkwamen uit gebrek aan signifisch inzicht, en die in de diepe oude wijsheid van het Oosten reeds lang waren ooverdacht en verklaard. Het heerlijk woord van Jezus: "Daaraan zal ik U als de mijnen kennen, dat ge liefdehebt onder elkander" werd in zijn weezen vergeeten. De klan­ken waren er nog, maar de ziel was eruit.

Toch heeft het zich, als groot verblijdend wonder, het nieuwe verbond, de blijde  boodschap, het Evangelie, door alle eeuwen heen gehandhaafd. De kerk geeft den strijd niet op, en ze zal ooverwinnen. Want ze is toch niet anders dan de groote universeele eenheid, die het gansche mensch­dom samenbrengt en samenhoudt. Een andere leiding en richting is ondenkbaar. De strijd der heerschers uit Godde­lijk geslacht is voorbij; noch Reede, noch Weetenschap kan de menschenkudde richten.

Er is maar één Herder voor ons aard-bewooners, en wij zullen hem leeren volgen.

Daartoe is allereerst noodig een diepe grondige zuive­ring der kerk. En dat is, wat wij beoogen bij het bouwen van onzen Tempel, van onre Lichtstad, die zal zijn als het kris­tal, waaromheen die menschenzielen zich zullen groepeeren in een hooge, zuivere Harmonie.

De Lichtstad zal gebouwd worden op een klein deel der aarde, aan alle zijden door de zee omringd, een eiland, groot genoeg om ruim de menschen-meenigte te bevatten en te herbergen, die de gansche menschheid zal verteegen­woordigen. De ronde, zweevende aardbol stelt zelve een grens aan het aantal harer bewooners. Zoo kan er ook een grens gesteld worden aan dat kleine land, waarop alle vol­ken zich doen verteegenwoordigen, en waarheen een beede­vaart kan gedaan worden door zooveelen, uit alle landen, als er noodig zijn om de werking der bereikte eenheid te doen uitstroomen oover al wat mensch heet, in alle wae­relddeelen.

Dat eiland zal zijn een zelfstandige soevereine Staat, waarvan niemand agressie zal behoeven te vreezen, en waarvan geen andere macht dan geestelijke oover de menschheid zal uitgaan.

Dat eiland zal staan onder gemeenschappelijke bescher­ming der waereldsche machten, der volken en hun regeerin­gen. Die machten zullen zich verbinden om dat kleine terri­toor door hun steun en bijstand te behoeden als een gewijd en heilig oord, aan geen gezag onderworpen tenzij het eigene, zoo onmiddellijk moogelijk verkreegen uit godde­lijken oorsprong.

Het oude Hellas, de groep van kleine staten, die te samen droegen de Helleensche cultuur, kende en eerbiedigde zulk een gewijd territoor, Delphi, waar gereegeld samenkom­sten werden gehouden, en waar alle bezoekers, al verkeer­den zij met de andere staten in oorlog, hun vijandelijke ge­zindheid opgaven, hun veeten tijdelijk ter zijde stelden, en te samen kwamen in gemeenschappelijke vereering van de door allen erkende Godheid.

Wat Delphi was voor Hellas en Mekka is voor de Islam, dat zal de groote Tempel der Broederschap en de rondom haar gebouwde Lichtstad zijn voor de gansche menschheid.

Men vreest welligt, dat een zoo groote natuurlijke eenheid van Godsvereering als Hellas kende, in de thans leevende menschheid niet denkbaar is. Maar de vrees is ongegrond, en komt voort uit een beperkte blik in wat thans Schijn is, en wat Weezen. In schijn zijn de volken hoopeloos verdeeld, in weezen erkennen zij allen  reeds hetzelfde. Uit de tallooze kerken, sekten en stroomingen is wel zeer zeeker een Ge­meenschappelijke Eenheid te herkennen. Ook in de niet­christelijke volken is te vinden de neiging tot onderlinge liefde en dienstbetoon, tot eendracht in samenleeving en tot vreede in God, die de eenvoudige hoofdzaak is in het zui­vere Christendom. Geen volk, ook al heet het thans nog hei­densch, zal zich ronduit, met woord en daad durven verklaren teegen die eenvoudige leer: hebt elkander lief als broeders en zusters en eert de Almacht als ons aller Vader.

Meer is niet van node. Al het ooverige verschil is òf niet essentieel of schijnhaar, gevolg van loogen en misverstand, van bedriegelijke aanmatiging, onbeheerschte ondoor­vorschte neigingen en taalkritische blindheid. In onnoem­baar veele uitingen, in eindeloos geschakeerde vormen is verschil en zal verschil blijven bestaan. Die enkele eenvou­dige woorden, in zuivere daden en gedachten toegepast en verwerlkelijkt, vormen een alles ooverschaduwende, een allen beschermende en troostende eenheid.

Niemand, hetzij Boeddhist of Islamiet, hetzij Jood of Wijsgeer in de Helleensche, platonisch-socratische betee­kenis zal weigeren een Godshuis te betreeden, waar enkel de zuivere, lichte sfeer van liefde en vrijheid heerscht, van waaruit de heilige Geest van oprechtheid en waarheid u teegenstroomt, waar niets is als heldere eerbied voor het eeuwige Weezen, waar geen dwang, geen dogma, geen ritueel wordt opgedrongen, waar van niemand iets anders wordt gevraagd dan zijn eerbiedige aanweezigheid, waar enkel verdraagzaamheid en een mild verkeer tusschen menschen en menschen wordt verwacht en gevorderd.

 

Midden in de Lichtstad zal de groote Dom staan, de ge­weldige koepel, die booven alles uitrijst en van alle kanten zichtbaar is. Daarin koomen op gereegelde tijden de beede­vaartgangers en bezoekers te samen.

Die koepel is het symbool van de alle menschen omvat­tende Eenheid. Ze zal zoo groot zijn als menschelijke bouw­kunst gedoogt. Ze moet een aantal menschen kunnen bevat­ten, dat als verteegenwoordiging kan gelden voor alle aard­bewooners. Ze zal zijn het Waereld-huis, waar alle menschen samenkoomen, als broeders en zusters, goed gezind jeegens elkander, één in vereering der Godheid. Ieder mensch moet weeten, dat daar één groot Thuis is, waar ieder zich thuis kan voelen, tot welk ras of volk hij ook behoort.

Van daaruit moet oover de waereld stroomen de geest van welgezindheid en verwantschap. Daar zijn allen gelijk, en moeten allen hun gelijkheid voelen. Wie daar intreedt moet alle lage en booze voorneemens voelen wijken uit zijn hart. Daar zal blijde hoop en godsvertrouwen in alle harten doordringen.

Daar zal geen dienst zijn, die herinnert aan een der veele sekten. Daar zal alleen de plaats zijn voor muziek, eenvou­dig en plechtig, en gebed waaraan allen kunnen deelneemen zonder te voelen, dat het eigen persoonlijke geloof wordt geschonden of geweld aangedaan. Er zal worden gezongen en gebeeden, anders niet.

Waarvoor een koepel? zal men vragen, waarom een afgeslooten bouw, waar toch Gods zooveel schooner schep­ping, het heemelwelf en de wijde zee voor allen oopen ligt? Maar deeze Tempel wordt niet gebouwd om Gods schepping na te bootsen. Ze strekt tot teeken van ons onderling verbond.

Wij menschen willen ons daar vereenigen en ons voelen als onder één Dak, als in één Behuizing, wel zeer doordron­gen van onze kleinheid en broosheid, die bescherming noodig heeft en onderlinge hulp. Dat zegt die koepel, en ook de macht der menschen zal ze uitspreeken, de macht die ontstaat door liefde, geduld en samenwerking. Die koepel zal het bewijs zijn, van wat de mensch vermag als hij afziet van heerschzucht en afgunst en zich vrijwillig onderschikt aan de eischen dier gemeenschap en Gods oppermacht. Dan zal de mensch kunnen uitdrukken, in bouwkunstig schoon, hoe hij gelooft aan de nog veel grooter heerlijkheid die voor hem bereikbaar is. In steen en staal, in graniet en ijzer, in glas en brons zal hij getuigen van zijn geloof als het stoffe­lijk gebed, van den in stof leevenden mensch, dat als brand­punt van alle menschelijke streeven zal staan midden in landen en volken, zoolang als deeze aarde voor ons menschen bewoonbaar is.

Niet ver van de zee zal de Lichtstad worden gebouwd op het eiland, dat in zijn geheel zal uitmaken onschendbaar, internationaal territoor.

De Lichtstad zal bestaan uit drie deelen, in schoone en praktische eevenmaat gegroepeerd rondom het heilige Midden.

Die drie deelen zullen tot elkander staan als Ziel, Geest en Lichaam.

De ziel is de heilige Stad, met den grooten Dom in het midden en rondom een kring van gebouwen - de heilige Ring - die dienen tot tempels en plaatsen voor leering, meditatie, ritus en onderling verkeer van alle groote gods­diensten of vroome geestesstroomingen.

De geest is de middenstad, waar alle schatten van men­schelijke kennis en van schoone kunsten worden verzameld. Daar liggen de universiteiten, de biblotheeken, de musea en ook de muziek-paleizen en theaters.

Het lijf is de buitenstad, waar alles wordt bijeengebracht wat dienen kan tot stoffelijke welvaart, onmisbaar voor hooger geestesleeven. In die buitenstad, zal men vinden al wat in deezen tijd op de groote waereldtentoonstellingen te zien en te leeren is. Daar zijn de wooningen voor de blijvende ingezeetenen van de Lichtstad,en de hotels voor de bezoekers uit alle oorden der waereld. Minstens een miljoen menschen moet daar kunnen geherbergd worden en deze vlottende bevolking vereischt ook een blijvend personeel, dat in aantrekkelijke tuinstad-wooningen verblijf houdt. De buitenstad omringt de middenstad aan alle zijden, zooals de middenstad weer de heilige stad omringt. De grenzen van elke stad worden bepaald door terrassen, met ruime toegangen. Het verkeer wordt door een strenge orde gereegeld, zooals later zal worden aangegeeven.

Tusschen buitenstad en middenstad bevinden zich groote oopenlucht theaters, terreinen voor sport en liohaamsspel, en badhuizen met oopen zwembassins.

In de buitenstad is geldverkeer eeven als in alle steeden der waereld. Daar is een bank, daar zijn winkels, restau­rants, plaatsen van amusement. Alles vrij, zoo vrij als een gewoone stad uit onzen tijd, maar niettemin onder controle en beheer van uit de heilige stad, waar het hoogste gezag zeetelt oover het gansche eiland.

In middenstad en heilige stad wordt het gebruik van geld niet toegelaten. Daar is ieder bezoeker gast van de Lichtstad en ontvangt zijn eenvoudig leevensonderhoud gratis.

 In den Tempel woont niemand; al het personeel, al de tijdelijke of blijvende bewooners der heilige stad, woonen in den Ring, die den grooten Tempel omgeeft.

In de middenstad woonen de hoogleeraren en studenten, de kunstenaars, virtuozen, acteurs die daar tijdelijk werk­saam zijn. Ook daar wordt geldgebruik niet toegelaten.

De gebouwen in den heiligen Ring liggen tusschen uit­gestrekte bloemvelden.

De gebouwen in de middenstad, de stad: van weetenschap en kunst, liggen te midden van akkers en landhoeven.

Tusschen middenstad en  buitenstad ligt een breede strook wild bosch, vrijgelaten in zijn groei.

De buitenstad heeft havenwerken, terreinen voor lucht­scheepvaart, electrische centrale, fabrieken en gemeente­gebouwen, zooals noodig is in een welgeorganiseerde ge­meente van ten minste honderd-duizend vaste inwooners.

 

______

III. DE RICHTERS

 

 

De hoofdvraag van het geheele ontwerp is deeze: Waar zeetelt het centrale gezag, en hoe wordt dit gesticht en be­vestigd?

De ellende der menschen ontstaat door het valsche gezag en de misplaatste gehoorzaamheid daaraan. Zij ontstaat in alle eeuwen sints menschenheugenis op dezelfde wijze. De mensch voelt het aanweezen der Godheid en beseft, dat hij -daaraan onderworpen is. Maar hij wordt bedroogen door den schijn, dat die Godheid buiten hem is, als een ver­schrikkelijke, toornende en dreigende macht. Een macht, die hem kan beloonen en straffen, en die op allerlei wijzen moet verzoend en gesust en tevreeden gesteld worden.

Die macht gehoorzaamt hij, als een hond zijnen meester, zonder te trachten de diepe bedoelingen te peilen. Hij ge­hoorzaamt uit angst voor slagen, uit begeerte naar voedsel. De hond leert begrijpen wat de meester van hem verlangt, hij moet de kudde bijeen houden of het wild opjagen ­ - maar waarom de meester dit wil, kan hij niet doorgronden. Dat belet hem niet zijn plicht te doen, en zonder verder navraag waarvoor zijn werk dient, voelt hij zich tevreeden en deugdsaam, als hij zijn plicht goed doet, en de meester hem beloont en liefkoost. De hond, die gehoorzaamt, is braaf, voldaan en tevreeden, hetzij zijn baas een goedhartig herder is of een boosaardig roover. Daarbij zijn het niet enkel vrees en begeerte die hem tot gehoorzaamheid brengen, maar ook wel deegelijk liefde. De hond zal zijn baas verdeedigen en zich voor hem opofferen - zelfs al is het een wreede, ondankbare meester.

Deeze honde-gehoorzaamheid is ook den primitieven mensch eigen. Er wordt deugd en schoonheid in gevonden, en voorbeelden van gehoorzaamheid en verknochtheid worden hooggepreezen, van onderdaan tot kooning, van knecht tot meester, van soldaat tot veldheer, van vasal tot leen­heer, van priester tot superieur, van employé tot bedrijfs­leider. In al deeze verhoudingen is iets dat bewondering heeft gewekt. Want deeze onderwerping aan gezag is een deugd zonder welke geen gemeenschap van menschen tot orde en samenhang kan koomen. Maar er is een diep ver­schil tusschen de gehoorzaamheid van mensch tot mensch, en die van hond tot meester. De honde-gehoorzaamheid wordt veracht door den zelfstandigen mensch. En dat hangt samen met zijn godsbesef.

Voor dien hond is de meester God.

Voor den mensch is God de meester. Booven de godheid: "Baas" is er voor den hond niets. Er is geen autoriteit hoo­ger, er is geen hooger beroep, geen verhaal. Wat de baas doet is welgedaan. Goed en kwaad, deugd en ondeugd be­staan alleen voor den hond, de meester is er booven. Al des meesters grillen en nukken moeten verdragen worden, de vraag naar recht of onrecht komt bij den meester niet te pas.

Nu zegt de rationalist en materialist, dat wij menschen ook inderdaad eenen Baas dienen, die booven goed en kwaad verheeven is, en dat is het noodlot, of het toeval, de blinde, doode macht der natuurwetten. Deeze zou ons drijven, zonder gevoel of genade, en wij arme menschen speelen de droevige rol van den hond: die eenen struikroo­ver of booswicht als eenen God vereert en gehoorzaamt, of van den neeger die een klomp steen of hout tracht te ver­murwen door offerande en geschenk in onderwerping en vrees.

Dit zou volgens hen de oorsprong zijn van Godsdienst, Kerk en priestermacht. Het Lot, de Natuur, werd als mensch gedacht met menschelijke eigenschappen in het groot, Kerk en priesters onderhielden deezen waan tot eigen macht en voordeel. De priesters moedigden aan de honde-trouw voor den onzichtbaren Baas, en stelden zichzelven als bemidde­laars, als handige makelaars zorg dragend, dat zij het groot­ste deel kreegen van de offeranden waarmee de goede gunst van den Meester moest worden gekocht.

Het is door deeze voorstelling, en door de feiten die er een schijn van juistheid aan geeven, dat de mensch in zoo diepe ellende is geraakt. Hij onderwerpt zich aan een uit­wendig gezag, meenende dat God een buiten hem staande macht is, en hij gehoorzaamt de persoonen die deeze macht zeggen te verteegenwoordigen.

Maar de Kerk, die Christus op aarde heeft gesticht, is an­ders, en geen gebouw van schijn, blindheid en huichelarij.

Die berust op het vaste weeten, dat de Godheid in ons is, als de oergrond aller dingen. Dat is het Godsbe­sef, dat den mensch tot mensch maakt; dat is als een ontwaken van God in ons. Dat Godsbesef, eenmaal ont­waakt, gaat niet meer verlooren, want het ontstaat uit zuiver weeten, uit kennis en gevoel. Wij beseffen ons zelf, en wij voelen te zijn de substantie, die alles maakt en alles doet ­leeven. Geen macht teegenoover ons, die ons dwingt en mar­telt, die ons naar willekeur straft en beloont, maar het Weezen der dingen, dat wij zelven voelen te zijn, dat wij in ons gewaar worden als schoonheid, liefde en zaligheid ­- dàt is de grond waarop de Kerk van Christus is gebouwd. Die grond aller dingen, die wij zelven zijn, die is genoemd Tao, en genoemd Brahman, en door Jezus "de Vader". Die is niet buiten ons, maar in ons. Wij hebben zijn liefde, zijn vrijheid, zijn zaligheid zelf, en wij weeten het. Het kan niet anders zijn, dat voelen wij en weeten wij. Er is geen andere gedachte, geen andere oplossing of verklaring moogelijk.

In dat eigen Godsbesef is het antwoord te vinden op alle vragen, alle twijfelingen van ons zoekend verstand en onze angstige ziel. In de Oostersche wijsheid is dit reeds sints eeuwen begreepen, en het is een groote dwaling, dat de Kerk van Christus daar vijandig teegenoover staat. Inteegen­deel, de Oostersche Wijsheid en de Kerk van Christus vul­len elkander aan, verklaren en steunen elkaar. Wat de Kerk van Christus is, dat weet de arme van geest onmiddel­lijk, door rechtstreeks gevoel en besef. Het is de gemeen­schap der menschen, de eenheid in God - Brahman, Tao.

Maar hij die verder is afgedwaald op het pad der gedach­ten en des verstands, heeft den omweg noodig om tot het­zelfde rustige inzicht te koomen. Hij moet het weezen van zonde, schulden straf dieper doorgronden, en de beteekenis van Christus' kruisdood en offer dieper begrijpen. Alles uitgaande van dezelfde onwrikbare waarheid, dat in ons de oer-substantie leeft, en dat Jezus' leevenswerk niet anders beteekent dan ons wakker te maken en tot dit  Godsbesef - dat is tot den Vader zelf - te voeren. Nu verwerpt de mondige mensch, die deel uit­maakt van Christus kerk, en zelf voelt de Godheid te zijn, zooals Jezus het voelde, alle autoriteit die zijn da­den wil richten van buitenaf. Hij voelt in zich de hoogste en eenigste autoriteit, die bepaalt wat rechtvaardig is. Alle gezag van menschen is onderworpen aan het hoogste gezag in hemzelven, in zijn vrijen geest en goddelijke ziel. Hij wil niet blind gehoorzaam zijn aan menschen, noch liefde en trouwen eerbied huichelen, waar hij dit niet uit zichzelven voelt. Hij wil zich niet in honde-trouw onderwerpen aan een macht waarvan hij de bedoeling misschien niet zou goedkeuren. Hij zelf voelt zich de rechter, de keurmeester, in zoover als hij zich ook God voelt, - uit vrije erkenning.

Maar teevens erkent hij, dat die God, die hij zelf is, zich niet altijd, God voelt. En dit beseffend, weet hij zijn min­der weezen, zijn onontwaakt, tijdelijk weezen, aan die God­heid - die hij zelf is - ondergeschikt. Voor dat tijdelijk weezen bestaat er recht en onrecht, goed en kwaad, zonde en schuld, boete en offer. Voor den God in hem verdwijnt en verneevelt dat alles, en bestaat het niet of is het an­ders.

Maar de Kerk waarvoor wij den grooten tempel gaan bouwen, is de eenheid der zoekende menschenziel, het eenige goddelijke weezen. Naar den Vader in ons willen wij zoeken in eenvoud en oprechtheid, zoo rechtstreeks mooge­lijk. Is die kerk goed en zuiver verteegenwoordigd, dan kan geen strooming in de waereld vyandig teegenoover haar staan. Want dan is zij de vervulling en verwerkelijking van wat alle menschen min of meer welbewust begeeren.

In alle kerken van Duitschland werd de zeegen Gods door de priesters afgesmeekt voor de Duitsche wape­nen, en God dank gebracht voor de ooverwinningen, be­haald op vijanden die in hun kerken, door leeden van die­zelfde hiërarchie, God deeden afsmeeken, oover Duitsch­land de welverdiende neederlaag te brengen.

Is deeze onzinnige tweedracht niet het allerduidelijkst bewijs, dat de priester-organisatie ten onrechte beweert de waarachtige kerk van Jezus te verteegenwoordigen? Zou er zulk een diepe scheuring kunnen gaan door een zoo heilig lichaam?

Zoowel de Katholieke kerk als de sociaal-demokratische organisatie is in den grooten oorlog gebleeken onderge­schikt te zijn aan geldmacht en staatsmacht, verbonden met het weetenschappelijke intellect. Dit laatste verbond is nog de sterkste macht, het hoogste gezag op aarde, en vandaar onze ellende. Het heeft den menschen stoffelijke voordee­len verschaft, de veiligheid en voortbrenging doen toenee­men, een algemeen recht vastgesteld, gestreeden teegen misbruiken, teegen ziekten - en op die wijze, zooals de meester den hond dresseert met lekkernij, de menschheid tot samengaan en gehoorzamen gebracht.

Daarbij kwam de priester-organisatie steeds achteraan, en bewees daarmee, dat ze niet de Kerk van Christus ver­teegenwoordigde. De Kerk van Christus gaat vóór en be­strijdt het kwaad uit eigen gezag, teegen het gezag der wae­reld in. De priester-organisatie gehoorzaamde de vorsten en de geldschieters, bestreed een tijdlang de weetenschap ­om ook in dien strijd het op te geeven en de waereld na te loopen in plaats van haar te richten.

In zake drankmisbruik ging de weetenschap vooraan, de priester-organisatie volgde, na eeuwen van nalatigheid. Hetzelfde geldt van den woeker, het neemen van rente voor geleend geld, dat leidt tot winnen zonder werk[3]. De Kerk van Christus verbood het, de priester-organisatie heeft het toegelaten. Nog in de 18e eeuw hield ze vol, toen gaf ze aan den dwang der waereld toe.

Het socialisme, met name de georganiseerde sociaal-de­mocratie, erkende het kwaad, onder invloed van de in stilte werkende Kerk van Christus. Maar in plaats van te helpen die Kerk te bouwen, zocht zij toevlucht bij de wee­tenschap en verwachtte zij alles van het politieke gezag. Als zij dat politieke gezag kon verooveren zou zij, gesteund door de weetenschap, het groote rijk van vreede en ver­broedering op aarde stichten. Zij bestreed dus de priester­-organisatie, en zocht heil bij een politiek-weetenschappelijk verbond. Maar de eenige macht, die het Godsrijk op aarde kan voorbereiden, de ware Kerk van Christus, loochende en miskende zij.

Zoo is thans de loop der stroomingen. Uiterlijk schijnt het één en al chaos en verwarring. De natuurweerenschap kan de meenigte niet leiden of bevreedigen. Het verbond van politiek-machtigen en heerschzuchtigen, van geld en staatsmacht, heeft geleid tot de verschrikkelijkste aller oor­loogen. De sociaal-democratie beloofde redding door poli­tieke machten weetenschap, maar kan de massa eevenmin bevreedigen, al belooft zij stoffelijk voordeel, weelde en vrijheid, omdat zij het godsdienstig weezen der meenigte - de ware Kerk van Christus, die in haar de eigenlijke drijfkracht moest zijn - niet erkent, en haar kracht zoekt in intellekt en machtsverlangen.

Hoe zullen wij het hoogste gezag der menschheid, het geestelijk goddelijk gezag, dat de daden aller menschen door zuivere middelen leiden en richten zal, in dat Godshuis cen­traliseeren. De Ware Kerk is nooit machteloos geweest, heeft nooit haar stillen arbeid gestaakt. Door haar invloed is het, dat nu ooveral uit de volken dezelfde kreeten van verlangen, dezelfde zuchten om bevrijding oprijzen. Zij is er, nog altijd, zuiver en schoon, en op de zeekerheid van haar onverzwakt bestaan, ondanks alle uiterlijke verwar­ring, is onze stellige hoop gevestigd. Het Godshuis in de Lichtstad zal verrijzen en gaandeweg, in den loop van eeuwen, alle andere organisaties, de natuurweetenschappe­lijke, de sociaal-democratische, de staatkundige, en ook de priester-organisatie van thans, met haar heiligen geest doordringen en ten slotte vervangen.

Allereerst moet er dus zijn: een waardige verteegenwoor­diging, een priesterschap, die door zuivere betrachting van de hoogste mensehelijke deugden de kerk belichaamt en in de menschheid doet gelden. Die priesters zullen Richters heeten, omdat zij den gang der mensheid moeten richten, zoals de kompas-naald het schip richt, niet door uiterlijke macht, niet door dwang of geweld, maar door hun geeste­lijke wijzingen, door hun gedachte en woord, hun expres­sief vermoogen, en door het voorbeeld van hun zuiver, hoogstreevend leeven.

Er moet door de volken een twaalftal menschen, man­nen en vrouwen, gekoozen worden die hun zeetel hebben in de heilige stad, en in wier handen de hoogste autoriteit vertrouwend wordt gesteld.

Die twaalf Richters zullen gekoozen worden om hun eedele, zuiver-menschelijke eigenschappen, om hun karak­ter-adel, hun zelfstandigheid, hun geestesvrijheid, hun lief­devol hart, hun daden van zelfverloochening en eedelmoe­digheid, hun onbaatzuchtigheid, hun vroom en heilig lee­ven. Zij worden gekoozen uit alle volken, die willen deel­neemen aan het stichten en behoeden van de Lichtstad in het gewijde territoor.

Daartoe is het niet noodig te wachten tot dat er een sta­tenbond, of een federatie van staten aanweezig is. Ook vóór er een politieke federatie ontstaat, kunnen de verschillende staten oovereenkoomen, naar hun krachten bij te dragen tot de stichting en bescherming van de Eenheids-staat, rondom het Godshuis.

De politieke ontwikkeling en organisatie der reeds be­staande staten moet een langzaam, evolutionair verloop hebben. De beste staatsvorm moet geleidelijk worden ge­vonden door proefneeming en onderlinge navolging. Eco­nomische en legislatieve maatreegelen zullen beurtelings elkander steunen in den gemeenschappelijken vooruitgang.

De werksaamheid van regeering en wetgeeving, en van de individuën als staatsburgers, moet zich gaandeweg reege­len, zoekend naar het juiste midden tusschen centralisatie en decentralisatie. Dit kan voortgaan, terwijl de groote tem­pel wordt gebouwd en de Eenheids-staat er zich omheen kristalliseert. Er kunnen revolutiën, en oorloogen ontstaan, zonder dat dit den bouw op het gewijde territoor behoeft te vertragen. Zelfs de ouderwetsche monarchiën kunnen nog als staatsvorm gehandhaafd worden, zonder dat het de on­der dien vorm leevende burgers behoeft te beletten deel te neemen aan het groote werk der geestelijke Eenheid.

Aanvankelijk moeten de regeeringen der staten - ook al zijn ze niet politiek verbonden, en geheel onafhankelijk - ­de eerste daden doen. Geen andere georganiseerde mach­ten zijn er toe in staat. Zij moeten met elkander oovereenkoo­men, dat gewijde territoor te stichten, in hun aller belang, en de uitvoering ervan stoffelijk moogelijk te maken - zoo­als zij reeds gesticht hebben een Internationaal Recht, hoe gebrekkig dan ook gehandhaafd.

Booven het internationaal recht staat echter de interna­tionale eeredienst. Geen gemeenschappelijk recht kan be­staan zonder een gemeenschappelijk geloof. Er is reeds zulk een geloof, anders ware zelfs de idee van een Recht onbestaanbaar. Tot nu toe heeft dat geloof geen uiting, en geen stoffelijke expressie. Daartoe bouwen wij het Gods­huis in de Lichtstad.

De bestaande zeetel voor internationale wet en recht­spraak behoeft niet terstond daarheen verplaatst te wor­den. Is eenmaal de tempel voor het gemeenschappelijk ge­loof gesticht dan kan van daaruit geestelijke invloed wor­den uitgeoefend op de gemeenschappelijke rechtspraak en aansluiting worden gezocht.

Hoe zullen nu de twaalf Richters worden gekoozen die het gemeenschappelijk geloof zullen verteegenwoordi­gen?

Men bedenke, dat het er op aankomt persoon en te kiezen met eigenschappen die door alle menschen als goed en schoon worden geëerbiedigd en erkend. Tot zulke eigen­schappen behooren (1) geestesvrijheid, (2) zelfstandigheid en (3) oprechtheid, (4) zelfverloochening en (5) zelfbeheer­sching, (6) liefderijkbeid en (7)gevoeligheid, (8) sereeni­teit en (9) innerlijke harmonie.

Eigenschappen die men aanduidt met de woorden: Wijs­heid, vroomheid, geestkracht, zijn minder duidelijk te er­kennen, omdat de woorden veel onzeekerder van beteeke­nis zijn. Daden van vrijheid, zelfstandigheid, liefderijkheid en zelfverloochening zijn door alle menschen te onderschei­den. Maar wijsheid en vroomheid niet, terwijl geestkracht geen deugd is, als de wijsheid ontbreekt.

Daarbij komt als noodzakelijke, algemeene eisch: lee­venservaring. Ook voor den meest genialen mensch is een zeekere leeftijd, met rijke ervaring, noodzakelijk om zich tot zuivere en sterke uiting te kunnen brengen. De Rich­ters moeten dus niet jonger zijn dan veertig, misschien vijf­tig jaar.    

Een andere algemeene eisch is, dat zij zich kunnen uiten, dat ze expressief vermoogen hebben. Zij moeten zich heb­ben doen kennen, hetzij door gesohrift, hetzij door kunst­werk, of zelfs ook door enkele toespraak, als menschen met wat men “beteekenis" noemt. Andere eischen van meer bizonderen aard moogen niet gesteld worden. Naar nationa­liteit, rang, stand, klasse of kaste, sexe mag niet worden ge­vraagd. Alleen het menschelijk voortreffelijke mag den doorslag geeven. De eedelste menschen moeten worden gezocht. Wie zal hen aanwijzen? En hoe zal voorkoomen worden dat ze op den duur in kwaliteit verminderen, min­derwaardigen bij zich opneemen, en als de priesters on­der politieken of waereldschen invloed koomen? De staats­regeeringen zijn niet onpartijdig en moogen hen niet kie­zen. Zij verteegenwoordigen nationale belangen. De groote volksmassa is veel onpartijdiger en veel meer geneigd tot internationalisme. Maar die volksmassa is ook veel meer vatbaar voor suggestie, voor den invloed van sterke per­soonlijkheeden. Ze laat zich ligt bedriegen en meesleepen.

Verkiezing door een plebisciet, een volksstemming zou wel­ligt geen goede uitkomst geeven. Ook de democratische sta­ten verkiezen hun hoofd niet door een volksstemming. De presidenten der Fransche en Amerikaansohe republieken worden niet direct door het volk gekoozen.

Door de grondwet der Vereenigde Staten wordt bedoeld, dat het volk kiezers zal kiezen en dat deeze kiezers dan, uit nieuwe, vrije keuze, het Staatshoofd aanwijzen. Dit plan heeft in de praktijk gefaald, omdat de eerst gekoozen kie­zers zich reeds bij hun candidaat-stelling verbinden een bepaald staatshoofd te benoemen, en zich tot nog toe aan die belofte houden, ook al zijn ze volgens de wet daartoe niet verplicht. Niettemin werkt het stelsel niet slecht, al was de oorspronkelijke bedoeling anders. Het aan 't be­wind koomen van mannen als Lincoln, Roosevelt, Wilson be­wijst de toeneemende geschiktheid der massa om de groote en bekwame leiders te vinden.

Bij het kiezen der Richters kan de oorspronkelijke be­doeling der Amerikaansche constitutie beeter worden ge­handhaafd, omdat er geen politieke belangen mee gemoeid zijn. Het is niet te doen om menschen te kiezen van bepaal­de politieke gezindheid met een of ander omlijnd program­ma, maar eenvoudig om bizonder begaafde, eedele en voor­treffelijke menschen aan te wijzen, die voor aller oogen uitmunten in deugd en goedheid. Daartoe kan in elk deel­neemend volk een corps van kiezers worden gevormd, uit de besten en eedelsten van elke provincie, of district of gemeente.

 

_____

 

IV. UNIE DER MONDIGEN

 

Dit kiezerscorps wordt gekoozen door volksstemming en hun keuze wordt door de regeeringen der deelneemende staten bekrachtigd. Zij vormen de Unie der Mondigen.

De benoeming tot lid van dit kiezerscorps wordt dan een eer, die hooger zal geschat worden dan eenige ridder­orde. In iedere groep worden de eedelsten, die naar de meening hunner meedeburgers het meeste blijk hebben gegeeven van menschelijke voortreffelijkheid, voor die eer bij hun regeering aanbevoolen.

De regeeringen bekrachtigen die keuze - ten minste in de democratische landen. Daarna organiseert zich dat kie­zerscorps, treedt in ooverleg met dezelfde organisatie in andere landen, en zoo wijzen zij na rijp beraad, in den loop van een jaar na hun verkiezing, de menschen aan die als de twaalf Richters het geestelijk bestuur der waereld zul­len aanvaarden, en zitting neemen in de Heilige Stad, in het centrum van de Eenheidsstaat.       

In de niet-democratische landen, bij die volken waarvan de regeering niet deelneemt aan den bouw en instandhou­ding van den Tempel, kan zich een kiezerscorps organi­seeren, dat zich aansluit bij de anderen. Aangezien er geen onmiddellijke politieke belangen in 't spel zijn, zal geen re­geering zich teegen die vorming van een kiezerscorps na­drukkelijk kunnen verzetten. Zelfs bij het meest achterlij­ke volk zal de meenigte dit niet toelaten.

Wij meenen, dat het niet noodig is, te voorzien in de wijze, waarop die twaalf zich dan verder organiseeren en aanvul­len. Een groep van twaalf goede menschen, vrij en deugde­lijk, verdeelt het werk onder elkaar. Is er een kooninklijk mensch onder hen, -zoo zal hij wel als ongekroond kooning erkend worden. Komt er een plaats oopen, dan zal de ver­standhouding tusschen de Richters en het georganiseerde kiezerscorps wel zoover gevorderd zijn, dat de oopen plaats onmiddellijk als van zelve door de waardigste wordt inge­noomen.

De naam Mondigen duidt aan, dat de menschheid nog in haar kinderjaren is en dat de meeste menschen nog onvrij en onzelfstandig zijn en dus geen gezag of autoriteit in al­gemeene zaken en gemeenschaps-bestuur verdienen. Wie dus benoemd wordt in -dit kiezerscorps, ontvangt daarmeede het bewijs, dat zijn meedemenschen - de menschen uit zijn omgeeving die zijn karakter en leeven kennen - hem beschouwen als een volwassen, mondig mensch, die een zeekere mate van gezag verdient, en dat mag uitoefenen door het aanwijzen van twaalf allerbesten. Hun keuze moe­ten zij dan voor de geheele waereld in geschrifte rechtvaar­digen, zoodat de gansche menschheid weet wie het zijn, die tot de twaalf eedelsten worden verklaard, en waarom zij die hoogste eer verdienen.

Het aantal der Mondigen kan niet vooraf worden be­paald. Alleen wordt als maximum vastgesteld een gelijk percentage van de geheele meerderjarige bevolking van elke natie, zoo groot dat ook de kleinste volken verteegen­woordigers in de Unie der Mondigen hebben. De verhou­ding van mannen en vrouwen in die unie blijft onbepaald.

 

_____

 

V.  WERKKRING DER RICHTERS

 

De twaalf Richters worden gekoozen om hun menschelij­ke voortreffelijkheid. Men kan zich daarin vergissen, maar de richtlijn blijft vastgesteld. Grooter waarborg tot het ver­heffen der eedelsten is niet te vinden. Men moet dus met zulk vertrouwen het gezag in hun handen stellen, als noodig is om de menschheid het rechte spoor duidelijk te maken. Dat gezag moet zijn: geestelijk gezag, dat dus nooit aanlei­ding geeft tot misbruik door stoffelijke macht, en dat den drager niet in gevaar brengt van de verleiding tot zelfver­heffing en willekeur, zooals tot nog toe steeds geschiedde, wanneer de hoogste autoriteit in handen van onwaardige Staats-vorsten of Kerk-vorsten werd gesteld.

De tot Richters gekoozen menschen zullen weeten, waar­om zij zijn gekoozen en wat van hen wordt verwacht. Zijn zij wijs en goed, zoo zijn zij ook bewuste kinderen van den Vader. Het godsbesef is sterker in hen dan in de meeste menschen. Maar zij weeten, dat, ook in hen, de Godheid kan samenwoonen met allerlei menschelijke zwakheid. Die zwakheeden kennende, zullen zij zich oefenen in zelfbe­heersching, in bescheidenheid en deemoed, en geen andere macht verlangen dan die, welke zij om hun wijsheid verdie­nen. Zij zullen weeten hoe al te groote en niet verantwoor­delijke autoriteit verderfelijk werkt op de eedelsten. Ze zullen dus alleen willen richten als ze zich bevoegd voe­len, en hun uitspraak willen onderwerpen aan het oordeel der gansche menschheid. Hun opdracht is alleen: een zoo goed moogelijk mensch te zijn tot voorbeeld voor alle ande­ren, en de geheele menschheid voor te lichten met de wijs­heid, die ze door ooverpeinzing en onderlinge samenspraak hebben verkreegen.

Daarin: moeten zij zich volkomen vrij voelen en alleen door de Godheid geleid. De geheele Lichtstad op het ge­wijde eenheids-territoor moet er op bereekend zijn, hun die volle vrijheid te geeven, die noodig is voorde allerzuiverste ontwikkeling hunner ziel.

Welligt zal men meenen, dat de menschheid haar eedelste verteegenwoordigers niet zal kunnen uitvinden, indach­tig aan het droevig lot, dat de meeste zeer voortreffelijke menschen hebben ondergaan, meestal juist door de lieden uit hun onmiddellijke omgeeving, indachtig aan de ondervin­ding van Jezus zelf, en het ongeloof van zijn naaste landge­nooten.

Maar de instelling van een Unie van Mondigen is de eeni­ge weg om miskenning te voorkoomen. De massa kan de waereldleiders niet onderscheiden, omdat ze onmondig is en verblind door enge, locale vooroordeelen. Maar zij kan wel de Mondigen onderscheiden als menschelijke voortref­felijkheid daarbij tot richtlijn wordt vastgesteld. En die Mondigen zullen verkeer pleegen met de leeden hunner organisatie oover de gansche waereld en daardoor hun blik verruimen. Een man als Leo Tolstoy zou misschien in zijn omgeeving niet naar waarde geschat worden, maar een waereldraad van Mondigen zou hem niet miskennen.

De twaalf Richters dan woonen in de Heilige Stad, in den ring van gebouwen, die voor vroome en gewijde doel­einden dienen. Naar hun eigen godsdienst wordt niet ge­vraagd. Hun persoonlijk leeven is vrij, zij kunnen zelf hun wooning kiezen en hun huisselijk leeven naar eigen neiging inrichten. Zij ontvangen geen salaris in geld, daar geldverkeer in Heilige Stad en Middenstad niet bestaat.

Wat ze noodig hebben, ontvangen zij naar eigen wensch. Als hoogste autoriteit in de Eenheids-staat, beschikken zij oover alle bezittingen van den staat. Hun eigen leefwijze moet oopen zijn voor ieder, en tot voorbeeld dienen voor de gansche waereld. Zij zorgen, dat de Eenheids-staat op rechtvaardige wijze wordt georganiseerd, en zenden hun geestelijke kracht in den vorm van meededeelingen en ad­viezen naar alle volken.

Zij worden bijgestaan door een Raad der Volken, be­staande uit verteegenwoordigers van elke deelneemende natie, gekoozen uit de Mondigen. In deezen raad zitten mannen en vrouwen die voor een bepaalden tijd – vier jaar of meer - zitting hebben en de belangen van hun volk bespreeken. Zij vergaderen in de Raadzalen der twaalf op gereegelde tijden, en doen meededeeling omtrent den toe­stand, de moeyelijkheeden, de wenschen en poogingen van hun volk. Zoodoende blijven de twaalf in contact met de geheele waereldbevolking.

_____

 

VI. DE GOEVERNEUR

 

De twaalf Richters behoeven niet te zijn praktische staatslieden. Ze behoeven alleen te zijn eedele, gave, recht­schapen en sterke menschen. Wijzen in vollen zin.

Voor het praktische werk der organisatie van hun ge­meenschap, de Eenheids-staat, benoemen zij een Goever­neur, die een rol vervult oovereenkoomend met die van president of eerste minister in de constitutioneele monar­chieën. Deeze goeverneur moet zijn een organiseerend talent van den eersten rang, die de orde van den gehee­len Eenheids-staat handhaaft, en alleen verantwoordelijk is teegenoover de Richters als hoogste autoriteit.

De twaalf Richters koomen zoodoende in de positie van een constitutioneel kooning, met dit verschil, dat ze niet aan­geweezen worden door erfelijkheid, maar door de keuze der volken. Zij dragen het stoffelijk gezag oover aan den goeverneur, die door hen wordt benoemd of ontslagen. De goeverneur woont in de buiten-stad en organiseert het ge­heele praktische leeven, onder toezicht en met goedvinden van de twaalf.

Ook voor de geheele Eenheids-staat moet een constitutie bestaan, waardoor alle bewooners, die vaste ingezeetenen zijn, deelneemen aan het bestuur van den staat, op dezelfde wijze als dit geschiedt in de democratisch georganiseerde gemeenten der bestaande volken.

De bewooners der buitenstad, vaste ingezeetenen, aan wie het burgerrecht der Eenheids-staat door den goever­neur, in ooverleg met de Richters wordt toegekend, kiezen dus ook een gemeenteraad, die onder voorzitterschap van den goeverneur de stoffelijke belangen der geheele Een­heids-stad behartigt.

Het centrale gezag is dus gevestigd in de heilige stad. De dienst in den tempel wordt gedaan door vrouwen, die hun leeven aan die taak wijden. De Richters woonen waar zij willen, doch hun bijeenkomsten houden zij in een paleis in den Heiligen Ring, waar ook een raadzaal is voor de bij­eenkomsten van den Raad der Volken.

In het geheele territoor, op het gansche eiland wordt de strengste orde gehandhaafd. Alle zakelijke en stoffelijke belangen worden verzorgd door den goeverneur, die bijge­staan wordt door een groep van ordebewaarders, een poli­tiemacht, waarvan hij het hoofd is. De steeds wisselende stroom van bezoekers wordt zorgvuldig geregistreerd en geordend.

Ieder bezoeker is welkom, maar moet zich onderwerpen aan de bestaande orde. De macht van den goeverneur wordt bepaald door de Richters, als hoogste autoriteit.

_____

VII. DE HEILIGE RING

 

Rondom den grooten Dom ligt een krans van gebouwen, elk in een wijd onreegelmatig zeshoekig terrein te midden van uitgestrekte bloemenvelden. Deeze gebouwen vormen als het ware een gewricht tusschen ziel en geest, de oover­gang tusschen het groote gebouw der Broederschap, waar niemand woont en waar de sfeer geheel vrij wordt gehou­den van waereldsche vlekken en zorgen, en het actieve menschelijke leeven, dat heerscht in middenstad en buiten­stad, tot waar de zee grenzen stelt aan den kleinen staat.

In die heilige ring woonen allen die behooren tot de heilige stad. Dus de twaalf Richters, indien ze niet een meer afgeleegen en eenzaam verblijf op het eiland verkiezen; en de tempel-dienaressen, die hun leeven gewijd heb­ben aan den dienst in den tempel, aan het rein en in orde houden van het hoofd-gebouw en aan het ontvangen en terechtwijzen van de duizende pelgrims en bezoekers, die zich in dien Dom vereenigen.

In den Ring kunnen worden gesticht tempelgebouwen van bizonderen aard, waar de aanhangers van verschillen­de godsdiensten geleegenheid vinden om te voldoen aan ritus en plechtigheid, die zij voor onmisbaar houden. Zoo zal er worden gebouwd een Sacramentskerk waar de zeven sacramenten volgens den katholieken eeredienst worden geëerd en gevierd. Zoo zal er zijn een Stoa, waar de wijs­geeren in Platonisch-Socratischen zin elkander kunnen ont­moeten en door bespiegeling en bespreeking tot gemeen­schappelijke verheffing kunnen koomen. Zoo zal er gelee­genheid zijn voor den Oosterling zijn hulde en aandacht te richten tot de groote Oostersche wijzen, Confucius, Lao-Tse, Boeddha, naar de behoefte van zijn hart. Ook zal er ruimte worden afgestaan voor hen, die zich het best bevreedigd voelen door den sooberen eenvoud van de protestantsche eeredienst.

Uiteenloopend zijn de neigingen en temperamenten der menschen. Men kan hen daarin niet dwingen, noch opzette­lijk vervormen.

Toch kunnen zij allen, hoezeer verschillend ook in smaak en behoefte, gemeenschappelijk samenkoomen in het groote Godshuis der algemeene Broederschap, waar hun bi­zondere neiging geheel geëerbiedigd wordt en ze zich toch allen voelen kinderen van één huisgezin.

Het voornaamste doel van den Ring is dan ook het bevor­deren van de goede verstandhouding en het hoffelijk ver­keer, tot weederzijdsche leering, van menschen die tot dus­ver meenden geheel vijandig teegenoover elkander te staan. Daar kan de Boeddhist spreeken en verkeeren met den Christen, de Protestant met den Katholiek, en elk van dee­zen kan leeren het schoone en goede in den Godsdienst des anderen te eerbiedigen.

Ook kloosters kunnen in dien Ring zijn, waar zij die zich daartoe geroepen voelen een leeven van onthouding en bespiegeling kunnen leiden, voor een korten tijd of, zoo zij willen, voorgoed. Mits dit alles vrij gehouden wordt van dweepzucht en misbruik, door de stads-orde waaraan elk bewooner of bezoeker zich te onderwerpen heeft, onder de autoriteit der twaalf.         

In den ring staan ook de paleizen, waarin de twaalf sa­menkoomen en de raadzalen waar zij ontvangen den Raad der Volken, de verteegenwoordigers van alle deelneemen­de naties.

In dien raad worden door de verteegenwoordigers van elk volk, elk op zijn beurt, meededeeling gedaan van den stoffelijken en geestelijken toestand hunner naties. De po­litieke en religieuse stroomingen en geschillen, de mate­riëele en geestelijke omstandigheeden, de behoeften en nooden van elk volk worden daar vrij uiteengezet en be­sprooken. De uitkomst wordt aan de geheele menschen­waereld bekend gemaakt.

In den heiligen ring, in de wijde bloemenvelden, bevin­den zich ook de schoone stille begraafplaatsen voor hen, die er aan hechten, aldus hun ooverschot in door de gan­sche menschheid gewijden grond te doen neederliggen.

_____

 

VIII. DE MIDDENSTAD

 

In de middenstad woont de geest, die tusschen ziel en lichaam is, als het gewricht, de bemiddelaar, machtig oover het lijf, afhankelijk toch van de zintuigen en ondergeschikt aan de ziel. Een slaaf, wondersterk, maar waardeloos zon­der de macht der richting-geevende ziel, en krachteloos zonder den steun van het lichaam, dat wortelt in den stoffe­lijken kosmos.

Zoo is de middenstad de plaats voor alle natuur-weeten­schappelijke kennis, voor al wat intelligentie vereischt, en wat zich verheeven voelt booven de lagere, lichamelijke eischen en nooden.

De middenstad is de plaats voor weetenschap en kunst. Daar zijn de academies, elk gewijd aan een der takken van menschelijk weeten, van natuur-onderzoek en schoonheids­verlangen.

De middenstad is gescheiden van de heilige stad; het streeven is er aardsch en waereldlijk, maar niettemin onmiddellijk aangeslooten bij de ziel, de heilige stad, die aan het zoeken en genieten die heilige richting geeft, en die ook in de schoonheid de hoogste harmonie brengt, in samen­hang met Gods-besef en ziele-wijding.

Maar hoewel aardsch en waereldlijk, geheel gebouwd op het weezen onzer zintuigen en afhankelijk van den arbeid op stoffelijk terrein, die voor onderhoud en krachtverdeeling en voedsel zorgt - zoo is de middenstad toch verheeven booven het drukke verkeer en het stoffelijk streevender buitenstad, waar men de voedsel-productie en distributie tracht tot hoqger volkoomenheid te brengen, opdat het geestdoodende gebrek en de demoraliseerende ooverdaad verdwijne en er vrije tijd ontsta voor den zoeker naar schoonheid en geluk.

In de middenstad is eevenmin geldverkeer als in de hei­lige stad. Het gebruik van  geld of ruilmiddelen is er on­noodig. Wie er komt is gast van de Eenheids-staat. Hij krijgt zijn leevensonderhoud voor niet, hetzij hij blijvend of tijdelijk bewooner is.

In de middenstad zijn museums, bibliotheeken, botani­sche en zoölogische parken, sterrewachten, academies, mu­ziekpaleizen en theaters, en eindelijk de wooningen voor hoogleeraren en studenten, kunstenaars en verder persoo­neel. Ook hier moet een organisatorisohe samenhang be­staan tusschen alle bewooners.

De Engelsche academies van Oxford en Cambridge zijn goede voorbeelden. Maar er behoort meer eenvoud en soo­berheid te worden gebracht. Een Academische Raad en een Raad van Kunstenaars steunen de autoriteit der twaalf Richters, en zorgen voor de samenwerking tusschen die ver­schillende takken van weetenschap en kunst. Bij geleegen­heid b.v. van de opvoering van een groot drama of muziekwerk, zullen de beste kunstenaars daarvoor worden uitge­koozen tot een volmaakte groep, en de geleerden en tech­nici zullen hun meedewerking geeven tot een zoo groot moogelijke sohoonheid van décor, vertooning en kostuum.

De oopen landen in de middenstad zullen niet zijn bloem­velden met begraafplaatsen, maar akkers met hoeven en intensieve cultuur, onmiddellijk partij trekkend van de na­bijheid der museums, der boekerijen en der natuuronder­zoekers.

Het eerste gebouw dat men aantreft in de middenstad zal zijn de academie voor taalweetenschap en letterkunde in den meest uitgebreiden zin. Daar moet men kennis kun­nen opdoen van alle talen der wereld. Niet enkel als wee­tenschappelijke filologie, maar ook als poëzie en wijsgeeri­ge significa. Daaraan moet een bibliotheek verbonden zijn waar alle talen der waereld zijn verteegenwoordigd.

Het is onnoodig nu reeds vast te stellen, welke taal op het eiland de heerschende zal zijn. Maar van alle bewooners of bezoekers zal gevergd worden, dat ze zich bekwamen in het verstaan en spreeken van de voornaamste cultuur-ta­len. Die taal-academie moet zijn het centrum van taal-wee­tenschap, waar alle talen kunnen bestudeerd worden en waar het verband der talen, het middel van verstandhou­ding van alle menschen, wordt gezocht en bevorderd.

De tooren van Babel heet niet voltooid te zijn, omdat vol­doende eenheid van expressie ontbrak. In de Lichtstad moet deeze moeyelijkheid allereerst worden onderzocht en uit den weg geruimd.

De muziek-paleizen en theaters bevinden zich in de mid­denstad, maar sluiten aan bij den heiligen Ring, daar dra­ma en muziek in onmiddellijk contact moeten blijven met het heilige en gewijde.

 Maar er moeten ook groote oopenlucht-theaters en mu­ziek-gebouwen zijn, waar de meenigte uit de buitenstad kosteloos toegang heeft. Daar worden volksconcerten en volksvoorstellingen gegeeven, die ook staan onder toezicht van de twaalf, en door hun wakende zorg in goede richting worden geleid.

Tusschen middenstad en buitenstad bevinden zich ook de stadions voor sport, dans en lichaams-spel. En de groote badhuizen (thermen) met oopen zwembassins. Niemand mag de middenstad betreeden zonder van de bad-inrichtin­gen te hebben gebruik gemaakt.

Gewaakt moet worden teegen verwijfdheid en onzeede­lijkheid in de badhuizen en teegen wedden in de stadions.

De muziek-paleizen en theaters liggen midden in akkers en hoeven, zoodat men, koomende uit de buitenstad in de centra van kunst en schoonheid, zich omringd ziet door de voortbrengende werksaamheid en door de beheerschte na­tuur.

_____

 

IX. DE BUITENSTAD

 

In de buitenstad is het gewoone leeven, zooals het zich ook in de ooverige waereld voordoet. Met dit verschil, dat de autoriteit der twaalf zich doet gelden en misbruik en misdaad door een strenge orde worden voorkoomen.

Een zeer zorgvuldige administratie en registratie houdt boek van alle bewooners en bezoekers. De groote oorlog van 1914 -18 heeft geleerd, hoe zulk een orde ook bij menschengroepen van miljoenen moogelijk is.

De buitenstad is de zeetel van de binnenlandsche en in­ternationale rechtspraak. In middenstad en heilige stad zijn gerechtshooven ooverboodig, aangezien bijna alle geschil­len en misdrijven voortkoomen uit hebzucht, hartstocht, ge­brek en ooverdaad. Hetzelfde recht zal natuurlijk gelden in de geheele Eenheids-staat, maar in de middenstad en hei­lige stad is er geen behoefte aan rechtspraak, eevenmin als in een welvarend liefdevol gezin. Ieder legt zich daar toe op zelf-tucht en zelf-beheersching, en bestrijdt uit eigen beweeging de kinderlijke neigingen en schadelijke harts­tochten, die voor de ooverige waereld nog gerechtshooven noodig maken. Het hoogste internationale gerechtshof moet in de buitenstad gevestigd zijn.

De aanweezigheid van alle gebouwen, die behooren bij het gemeente-weezen eener groote stad, spreekt van zelf: leeszalen, post, registratie en zoo voort.

Doch er is maar één bank, en wel die Staatsbank van de Eenheids-staat. Deeze zal internationaal georganiseerd zijn, en onder goede leiding van eerste krachten het geldverkeer oover de gansche waereld tot zich trekken. Dit zal mooge­lijk zijn, door het vertrouwen, dat gesteld zal worden in een Bank, die niet in 't geheim maar oopenlijk werkt, die geen belangen van aandeelhouders maar in het belang der gansche menschheid dient, en alle winsten besteedt voor het welzijn der gemeenschap. Dit zal ook de bron van steeds toenee­mende inkomsten zijn, een onuitputtelijke kapitaal-voor­raad doen ontstaan, die de verdere organisatie van de wae­red-productie en distributie zal moogelijk maken.

Belastingen worden in de Eenheids-staat dan ook niet ge­heeven. Alle onroerend goed is Staats-eigendom.

Particulieren moogen geen schatting heffen in den vorm van pacht, huur of rente. De Eenheids-staat alleen heeft recht tot verpachten, verhuuren of rente trekken.

In de buitenstad is een waereld-markt en een waereld-­beurs waar de producten van het eiland zelf en producten uit de gansche waereld worden verhandeld. De handel is vrij: in- en uitvoerrechten worden niet geheeven. Doch de Staat controleert de prijzen, grijpt in als 't belang der ge­meenschap en der gansche menschheid het noodig maakt, en verbiedt allen onzeedelijken handel, met name den geld­handel, den fondsenhandel, eevenals alle zwendel, specu­latie, dobbelarij of woeker.

Alle handel in schuldvordering is verbooden. De Een­heids-staat is schuldeischer, de burgers zijn de schulde­naars. De Staat leent kapitaal aan de burgers, niet anders­om. De Staatbank wordt een "clearing house" voor de gan­sche waereld, met oopenbare behandeling en afdoening van zaken. Spoedig zal zulk een Staat, al is ze klein, oovervloed bezitten, en het tot de stichting benoodigde geld terug kun­nen geeven.

De bronnen van rijkdom voor de Eenheids-staat bestaan dus in zijn onroerend goed, grond, wooningen, fabrieken, hotels enz., in den toevloed van bezoekers en in de staats­bank. Geld wordt zuiver ruilmiddel, geen machtsmiddel meer ; een zeegen in plaats van een vloek.

Ook arbeidskracht zal niet langer een handelsartikel zijn. Men heeft thans reeds in 1919, bij monde van de commissie voor arbeidswetgeeving, hooren constateeren, dat arbeids­kracht niet mag verhandeld worden, ten voordeele van groote, in 't geheim werkende firma's, trusts of maatschappijen. Arbeid is geen handelswaar en handelen in arbeids­kracht is eeven onzeedelijk als het houden van slaven.

De Liohtstad zal dan ook van zelve aangeweezen zijn om den arbeid oover de geheele waereld te olganiseeren, als een arbeidsbeurs, die de bizonderheeden van productie en behoefte kent en de arbeiders daarheen dirigeert, waar ze in 't belang der menschheid en dus ook van hun zelven noodig zijn. Ze zal dien arbeid en den arbeider doen respec­teeren, op haar eigen terrein geen werkkrachtigen in leedigheid dulden, noch hen hulpbehoevend laten als zij inva­lide worden. Ze zal de productie oover de gansche waereld organiseeren, zoodat de landverhuizer weet waarheen hij veilig trekken kan, en de werkeloosheid wordt voorkoomen.

Daarbij is de hulp van organiseerende krachten van den eersten rang noodig, die zonder aanzien des persoons wor­den uitgezocht en wier arbeidsveld den ganschen aardbol omspant. Wij weeten nu, dat dit bereikbaar is.

_____

 

 X. VOORBEREIDENDE ORGANISATIE

 

Men zal zich eenmaal ironisch verbazen oover een menschheid als de thans-leevende, die zulk een ingewik­kelde en uitvoerige geleerdheid als onze rechts-geleerd­heid behoefde, om te kunnen bestaan.

Welk een ontzachlijke verspilling van tijd, denkkracht en arbeid wordt veroorzaakt door de eindelooze kwesties oover erf-recht, handels-recht, staats-recht, om van oorlogs­recht niet te spreeken.

Onze beste menschen, onze schranderste koppen vermor­sen hun gansche kostelijke leevenaan geschillen oover een weinigje goed, wat leevensmiddelen meer of minder. Wat meer bezit, wat meer goederen, wat meer macht, wat meer dingen van twijfelachtige waarde.

Wat al inspanning en hoofdbreeken voor hetgeen den wijze ooverboodig of van geringere beteekenis toeschijnt!

Terwijl juist door den bouw van Eenheids-staat, Lichtstad en Broederschaps-tempel, dagelijks meer aan 't licht zal komen, dat oovervloed, rijkelijke oovervloed, gemakkelijk te bereiken is voor alle aardbewooners, wanneer ze zich ordenen en zichzelve beheerschen, volgzaam aan de richting, geweezen door het Licht, dat als zonnestralen zich zal uitspreiden oover de geheele waereld, uitgaande van de God-bewuste mens.

Gebrek is onnoodig; niemand onzer behoeft honger te lijden, om tot de hoogste ontwikkeling, tot vergeestelijkt lee­ven, tot "het Kooninkrijk der Heemelen" te stijgen. Intee­gendeel, gebrek is daartoe eeven ondienstig, eeven schade­lijk als ooverdaad.

Een weinig meer liefde en verstand, ook verstandige eigenliefde, is daartoe noodig. Ook wat men noemt cultuur, opvoeding tot mondigheid, zonder groote zelfverloochening. Gaarne neemt de mensch die aan, als hij met wijsheid en liefde onderweezen wordt.

Zeeker zullen nog, geduurende lange jaren, misdaden plaats grijpen in de buitenstad, rondom de Lichtstad.

Er zal nog geroofd, gestoolen en bedroogen worden, dui­zende processen om bezit en macht zullen nog door het in­ternationaal gerechtshof in de buitenstad behandeld moe­ten worden, en een sterke macht van ordebewaarders zal nog lang vereischt worden, om orde en wet te doen eer­biedigen door den stroom van bezoekers uit alle landen.

Maar als een fonkelend, lichtspreidend juuweel zal mid­den in den half-barbaarschen chaos, de Heilige Stad met haar hoogen Domkoepel blijven stralen, om den doolenden den weg te wijzen uit het droeve moeras van hebzucht en gebrek, van ooverdaad, liefdeloosheid, dwaasheid en lieder­lijkheid.

Niet alleen de rechtspraak zal zich wonderbaar vereen­voudigen, naarmate ze doortrokken wordt van de goddelij­ke inwerking, maar ook de groote economische vraagstuk­ken zullen er hun oplossing vinden.

De kleine Eenheids-staat, beheerd en voorgelicht door de eedelsten van ons geslacht, zal als een laboratorium zijn, waar economische theorieën en dogma's op praktische wijze zullen worden beproefd.

Wat in de oude staten niet moogelijk was, door nationale verblinding, door de zwakke positie der eedelsten ,te mid­den van een groote meenigte van onmondigen, en door de

verouderde, maar nog steeds krachtige instellingen uit een barbaarsch verleeden - dat kan in de Eenheids-staat wor­den ondernoomen.

Het gemeenschappelijk bezit aller onroerende goederen zal daar niet de bezwaren vinden, die in een groot rijk met eeuwenoude misbruiken niet te ooverwinnen zijn.

De teegenwerking der behouders, die vreezen hun oude voorrechten te verliezen, zal in de Eenheids-staat geen kracht hebben.

De menschen gehoorzamen niet aan een theorie, een ge­dachte-beeld; alleen het praktische voorbeeld, het model kan hun de oovertuiging geeven van de moogelijkheid eener beetere samenleeving.

Wel kunnen theoriëen, opgenoomen en dóórgezet door min of meer bekrompen en fanatieke ijveraars, een tijd­lang de stroom der cultuur doen afwijken - maar de groo­te meenigte gaat dan niet mee, de reactie maakt gebruik van de dwaling, om zich te doen gelden, en de vooruitgang beschrijft een zig-zag-lijn, oover de zuivere richting heen.

Het is te doen om een beetere samenwerking. De mooge­lijkheid daarvan, ja het voordeel ervan, voor elk indivi­du, wordt meer en meer erkend.

De Eenheids-staat zal het meest volleedige voorbeeld zijn, op niet al te groote, uitvoerbare schaal, van zulk een vol­koomen samenwerking.

Daartoe heeft men een groep van deugdelijke werkers noodig. Geen engelen, geen ideaal-menschen, maar gezon­de, gave, werkkrachtige, bekwame persoonen, geschikt voor den uit te voeren arbeid.  

Zeeker niet een onsamenhangende, ongeorganiseerde meenigte proletariërs, die een theoretische leuze na­schreeuwen, en alle geschiktheid missen voor het groote werk.

Reeds bij den opbouw van den Tempel zal men prak­tisch te werk moeten gaan en een selectie maken van be­kwame arbeiders, die goed geleid en goed betaald worden.

Zulk een proef moet worden aangepakt met dezelfde kracht en orde, als waarmeede b.v. een groot werk als de doorgraving van het Panamakanaal is verricht door het Amerikaansche volk.

Is eenmaal tot het plan der stichting beslooten, en zijn de bestuurders der groote volkeren tot het inzicht gekoo­men van de noodzakelijkheid en schoonheid van de geheele onderneeming, zoodat ze hun macht en middelen er voor beschikbaar stellen, dan wordt tegelijk met het organiseeren van de verkiezing der twaalf, een staf van zeer energieke en bekwame menschen aangeweezen als voorloopig be­wind.

Een krachtig, ver vooruitziend staatshoofd, vermoedelijk wel een Amerikaansch president, kan het initiatief neemen en een voldoende samenwerking der machtigste volken be­werken.

Het zal de eerste, noodwendigste taak zijn van den vol­kerenbond, die thans is ontworpen.

Geheel onzinnig en zonder vooruitzicht zijn de poogin­gen, die thans door welmeenende maar aan een theorie ge­hoorzamende persoonen worden gedaan, om groote volken door politieke geweld-maatreegelen tot een communistisch geheel te organiseeren.

Dat kan niet gelukken, omdat het volstrekt onpraktisch is, wanneer men de eerste zakelijke beginselen van een groote onderneeming niet kent en in acht neemt.

Het vormen van een communischtische menschen-groep is een zakelijk ding, dat moet worden verwerkelijkt, zooals alle groote werken en onderneemingen, die in de oude maatschappij tot welslagen zijn gebracht.

 

Een staf van ingenieurs, geografen, geologen bepaalt de meest geschilde plaats voor het Eenheids-territoor.

Dan zoeken zij bijeen, uit alle volken een leeger van vrij­willige werkers, zonder eenige andere consideratie als hun bekwaamheid en geschiktheid.

Zulk een leeger kan gerecruteerd worden uit de mili­taire leegers der deelneemende staten.

En zouden de beste arbeidskrachten der staten: architec­ten, ingenieurs, steenhouwers, metaalbewerkers, timmerlie­den, metselaars, electriciens, landbouwers, decoratie-kunstenaars, beeldhouwers - zouden die allen zich niet met meer geestdrift aanmelden, dan bij een beroep om elkander te vermoorden, waartoe ze niet alleen aanvankelijk onbe­kwaam maar ook steeds innerlijk ongeneigd waren?

Goed betaald moeten zij worden en goed geleid, voorge­licht door meesters in hun vak, door de beste geleerden en industriëelen der oude maatschappij, en daarbij gesterkt door de allerzuiverste bedoeling van het schoone werk, waaraan ze zich wijden.

Zouden de arbeiders, die, met gevaar van hun leeven, zulke wonder-bouwwerken tot stand brengen als de wol­ken-krabbers van Wall-street, ten bate van geld-speculan­ten miljonairs - niet met meer toewijding werken aan een bouwwerk ten bate der geheele menschheid, waar­van zij en hun kinderen en kinds-kinderen de zeegenrijke invloed zullen ondervinden?

Uit dat eerste arbeids-leeger zullen de eerste vaste be­wooners der buitenstad worden saamgezocht.

Geschiedt dat met organisatorische bekwaamheid en praktischen zin, zooals men de werkers voor een groote onderneeming, een kanaal, een spoorweg, een metaal-be­drijf, een mijn-ontginning, een scheeps-werf bijeenzoekt ­ - dan zal daar ook geen werkeloosheid, geen afgunst, geen dienstweigering, geen staking en geen klassenstrijd kunnen voorkoomen. Want eenzelfde groot belang verbindt hen al­len, het hoogste gemeenschappelijke belang, dat persoonlijke belangeloosheid meebrengt.

Naar politieke theorieën behoeft men niet te vragen, en gewelddadige dictatuur is onnoodig - ja zou een gezonde ontwikkeling volkoomen verhinderen.

Een goed oganisator kent zijn menschen en wijst aan ieder de plaats waar hij met succes en voldoening werk­saam kan zijn.

Het mislukken van alle communistische groepjes was het gevolg van 't gemis aan goede organisatoren, goede leiders. Men meende het zonder leider wel te kunnen stellen, en alleen naar de politieke oovertuiging te moeten vragen. Teegen deeze onpraktische dwaasheid heb ik altijd ge­streeden: ze was de oorzaak van alle mislukkingen.

Nu meent men, door een gunstige geleegenheid - de gisting en onrust na een grooten oorlog - in staat te zijn de hervorming te kunnen forceeren, en toepassen direct op groote schaal, door een zoo verwerpelijk en misdadig middel als gewelddwang en politieke macht. Men raast tee­gen het militairisme en neemt er de ergste fout van oover.

Een groot werk als het opbouwen van een socialistische (rechtvaardige, christelijke) organisatie vereischt strenge, grondige voorbereiding en zakelijkheid. Werkkrachten van den eersten rang moeten er zijn, die weeten wat de mensch noodig heeft, om met liefde en lust te werken.

Niet uitsluiting van een klasse der maatschappij, maar uitsluiting - voorloopig althans - van minderwaardigen en ongeschikten.

De minderwaardigen koomen ook aan de beurt, maar niet in den aanvang. Eerst moet het blijken, dat het de so­ciale wanorde is, die de minderwaardigen maakt. Als men geleerd heeft, hoe hun ontstaan te verhoeden, dan eerst mag men slachtoffers der oude misstanden trachten te helpen.

_____

 

XI. BEZWAREN EN VERWANTE PLANNEN

 

Wij hebben ruchtbaarheid aan ons plan gegeeven, ten eerste om kritiek en opmerkingen uit te lokken, waarmee wij welligt de zaak kunnen dienen, en ten tweede om te weeten te koomen, of er soms reeds soortgelijke plannen bestaan, die zich bij het onze aansluiten en waaruit iets voor ons te leeren valt. De deugdelijkheid, schoonheid en noodwendigheid van het ontwerp gaan hier booven alle an­dere consideraties. Wij geeven onze plannen aan de menschheid en verrijken ze met hetgeen ons nuttig en goed voorkomt voor den eind-uitslag. Prioriteits-kwesties, per­soonlijke belangen, dit alles valt weg bij de groote zaak zelve.

Wij hebben meededeelingen gekreegen omtrent ontwer­pen van denzelfden aard, die nog ongepubliceerd bij de ontwerpers berusten.

Er zijn ons drie ontwerpen bekend, die gepubliceerd zijn en op 't eerst gezicht eenige oovereenkomst met het onze vertoonen.

Het eerste (A) is het plan van de heeren Eijkman en Horrix, reeds voor jaren in 't licht gegeeven, met teeke­ningen van den architect de Bazel, en gelocaliseerd op den Musschenberg bij den Haag.

Het tweede (B) is het Pantheon der Menschheid, ont­worpen door den architect Berlage, waarbij gevoegd werd poëzie van Henriette Roland Holst.

Het derde (C) is het ontwerp van den heer Hendrik An­dersen, gemaakt geduurende den grooten oorlog, naar men ons meedeelt reeds onder de oogen gebracht van president Wilson en gepubliceerd in een bouwkundig tijdschrift (The Architect 's Journal, march 26, 1919).  

Het komt ons voor, dat geen van deeze drie ontwer­pen een zoo wijde strekking en een zoo veel omvattende beteekenis heeft als hetgeen wij bedoelen. Het ontwerp van Berlage geeft een prachtig bouwwerk, maar bedoelt enkel te zijn een grootsch gedenkteeken en monument tot het in gedachtenis houden v:an den grooten oorlog en de daarop volgende vreede. Een praktische bedoeling, tot geestelijke reorganisatie en centralisatie der menschelijke bedrijvig­heid, met religieuze kern, is er niet in.

De beide andere plannen daarenteegen geeven wel die praktische bedoeling, maar zonder de religieuze kern. De groote Tempel als het uitstralend midden eener grondige, diepgaande reorganisatie der geheele menschelijke ge­meenschap, bij ons de hoofdzaak, wordt in de beide plan­nen niet gevonden.

Wij weeten zeer goed, dat hierin de grootste moeyelijk­heid zit, en toch moet en zal die moeyelijkheid worden ooverwonnen.

Dit staat vast, dat het groote motief tot dien bouw moet zijn een motief van religieus karakter. Het moet een ver­ééning worden van het godsdienstig besef der gansche menschheid.

Het voornaamste bezwaar teegen ons ontwerp is wel juist de schijnbare onmoogelijkheid van die religieuze eenheid. En toch komt het ons voor, dat praktische plannen, zooals (A) en (C), zonder vooruitzicht zijn, en niet duurzaam kun­nen slagen, juist omdat de religieuze centralisatie en het erkennen van de Vaderlijke macht en Liefde van het Albe­stuur erin ontbreekt.

Daarin juist ligt het bizondere, het kenmerkende van ons plan dat wij hij geen der andere projecten terugvinden. Die zijn daardoor ook niet te beschouwen als oovereenkomstig of van gelijke strekking. Het plan (B) van Berlage heeft nog het meest ideale karakter, maar stijgt als religieuze schepping niet booven het wijsgeerig peil der negentiende eeuw.

Wij gelooven aan die moogelijkheid van religieuze een­heid, ja aan de noodwendigheid ervan, en wel om deeze reeden: dat zoowel het volk, de massa als de hoogstaande individuen, de élite, het beiden willen. De élite heeft een tijd gedwaald, onder invloed van de natuurweetenschap; toen is er een scheuring gekoomen tusschen massa en élite, die nog steeds zijn verderfelijke werking doet gelden. Nu achten wij het moogelijk, dat de élite, de mondigen, elkaar leeren verstaan, en de eenheid erkennen van hun godsdien­stig besef. En dan zal de kloove tusschen massa en élite gedigt worden, omdat eerst dan de massa zal voelen in goe­de richting te worden geleid.

Daarom nog een woord aan hen allen, die zich Christen noemen en - met ons - de leeringen van Jezus van Naza­reth willen eerbiedigen en opvolgen.

Zoo goed als een politiek imperialisme - dat nu zijn tijd gehad heeft - zoo goed is er ook een kerkelijk imperia­lisme, dat eevenzeer tot ondergang is gedoomd. Dat im­perialisme ontstaat door het stellige besef van de meer­derheid van de eigen leer. Die meerderheid wordt zoo vast gevoeld, dat men zonder schroom, zonder scrupule of bescheidenheid, het eigen geloofs-ideaal, met al de daaraan verbonden ritueele bizonderheeden, aan de gansche wae­reld wil opleggen. Vroeger was deeze neiging die oorzaak van afschuuwelijke oorloogen en vervolgingen. Onze ge­neratie is dankbaar, dat thans alom de eerbied voor het religieus besef van anderen tot algemeen-menschelijke lee­vensreegel is geworden. Daarbij wordt dan ook eigenlijk stilzwijgend aangenoomen, dat de menschheid wel tot ver­draagzaamheid, - dat wil zeggen tot eenheid - kan koo­men, wanneer men die eenheid maar zoekt in het aller­eenvoudigste, allerinnigste van het zielsleeven, en niet in liturgische of ritueele bizonderheeden.      

Twee Christenen kunnen elkaar liefhebben en goed ver­dragen, al gelooft de eene in de sacramenten, aan doopsel en eucharistie, aan het leergezag en pauselijke onfeilbaarheid, - en de andere verwerpt al die dingen. En ook kun­nen Aziaten, Hindoe's, Mohamedanen, Boeddhisten en Shintoïsten elkaar liefhebben en met elkander omgaan, ook al gelooft de eene in Boeddha en de ander in Allah of Brahman.

En nu behooren de christenen toe te geeven, dat zij tot nog toe hun oovertuiging niet zoo aanneemelijk en eerbied­waardig hebben weeten te maken, dat elk ander volk en elke andere priesterschap gedwongen werd, door de inner­lijke waarheid van dat Christendom, de meerderheid er­van te erkennen.

Dit is niet de schuld van het Christendom zelve, van de zuivere kerk, en de zuivere leer van Jezus, maar wel van de imperialistische dragers ervan.

Zooals de anarchisten en revolutionairen hun zaak - die op zichzelven schoon mag heeten - benadeelen en vertra­gen door de min of meer kinderlijke neiging om die zaak spoedig en desnoods met geweld door te drijven – zoo schaden de Christenen het Christendom door het, in een of andere bizondere vorm, volgens een bepaald ritueel en met bepaalde namen, dogma's ,en formulen, aan alle menschen op te dringen.

Wij gelooven aan de meerderheid van Jezus' leer, maar alleen dan als slechts het allerinnigste en het meest alge­meene ervan wordt vastgehouden.

Dat algemeene is zoo diep, zoo eenvoudig en zoo beschei­den, dat het winnen moet, door de daad, bij alle volken en alle godsdiensten.

Maar dan, - indachtig aan het kwaad, gesticht door on­waardige dragers, - zal het tevreeden moeten zijn met een woordelooze stilwerkende uiting, die niets heeft van propa­ganda of preediking, maar die zichrelve handhaaft door da­den van goedheid, verdraagsaambeid, rechtvaardigheid en liefde.

Daarom zien wij af van elke uitbeelding, in den grooten Tempel, en van een of ander bizonder ritueel. Daarom rui­men wij plaats, rondom den grooten Tempel, aan elk bouw­werk, dat geleegenheid geeft, tot het eeren en toepassen van elke uiterlijke vormendienst, - mits dat ritueel en die liturgie bescheiden en niet-imperialistisch is, en het de uitingen, die door andere godsdiensten en hun dragers worden verkoozen, eerbiedigt en als gerechtvaardigd erkent. Daarom willen wij in dien grooten Tempel geen beelden, geen symboolen, die niet door alle menschen, ­omdat zij mensch zijn - worden gevolgd en gehuldigd.

Zoolang blijft bestaan het religieuze imperialisme, zoo­lang zal de eenheid der menschen niet worden bereikt. Toch is die eenheid er reeds, onuitgesprooken, ongefor­muleerd. Wij willen er vorm en uiting aan geeven.

Maar wat tot nog toe ontbrak, de Christelijke schoonheid van het leeven zelf, de Christelijke daad, het Christeliike gemeenschapsleeven, dat moet allereerst gezocht en ver­werkelijkt worden, zonder daarbij het meer bizondere, van ritueel en vorm, op bepaalde wijze te willen handhaven.

Daarin moet ieder mensch vrij gelaten worden. En willen wij een Tempel bouwen, die de religieuze een­heid der menschen symboliseert, dan moeten daarin geen beelden, namen of symboolen voorkoomen, die aan groote religieuze groepen aanstoot geeven, die een minach­ting zouden inhouden van de vormen, die anderen dierbaar zijn. Daarvoor kunnen andere gebouwen worden gesticht. Het hoofdgebouw moet alleen werken door het meest alge­meene, door de daad, door de schoonheid van vorm, die ieder mensch kan bewonderen en eerbiedigen.

Dit is het hoofdbezwaar. En teegen deeze moeyelijkheid moeten wij ons toerusten. Wie dit niet-imperialistisch, waar­lijk deemoedig Christendom met ons belijdt, die zal ons wil­len volgen en kunnen helpen. Zonder strijd komt niets tot stand, maar onze strijd moet zijn om de meest zuivere, in­nige en algemeene waarheid.

Alle andere bezwaren, die ons ter oore kwamen, zijn van minder beteekenis. Natuurlijk verheffen de twijfelaars hun stem, en praten van utopie en hyper-idealisme. Die twijfe­laars moeten er zijn, en zij zijn er om beschaamd te worden, zooals zij er waren bij alle groote werken, en zooals zij dan ook steeds daarbij beschaamd zijn door de Daad.

_____

 

XII. DE TAAK DER ONZICHTBAREN[1]  

OPROEP

Met de gedachte aan een groot en machtig werk kom ik tot de aarde.

Als ik de waereld zie, vervult me slechts een ontzaglijk groote gedachte, namelijk, dat de aarde aan alle menschen gegeeven is om haar tot een verblijf van geluk en vreede te maken, dat de stof aan den mensch onderworpen is, opdat zij hem diene tot welvaart en zeegen, dat hem een geest geschonken is om wijs en rechtvaardig te zijn.

Liefde en Eenheid leert het Heelal.

Laat nu de tijd gekoomen zijn, dat oogen en harten oopengaan voor die almachtige les, dat een onvermoeid streeven ontstaat naar het groote, machtige doel: aller geluk, aller eenheid.

Aan de menschheid zelve de taak een nieuwe maat­schappij, een gelukkiger menschdom te vormen.

Het is een geslacht, jong naar den geest, ervaren in het lijden, dat ik op aarde vond, het heeft rijkelijk ge­offerd aan den démon, het heeft woeste smart en wanhoop gekend, het heeft wreedheid en haat gezaaid en bloed en tranen geoogst. De duivel heeft de menschen geroepen en zij hebben gehoorzaamd, waar toch niets dan ellende de belooning was.         

Thans menschen der aarde, menschen van liefde en vreede, spreekt de geest van het goede tot u. Ontwaakt tot een bewust streeven naar het goede en rechtvaardige, opdat wij een vreede stichten voor altijd en een liefde grondvesten, die de basis voor alles zal zijn. Gaat op tot een reuzen arbeid en sticht een Stad der Menschheid, een Lichtstad.

In de jaren dat deeze waereld in de ellende en ver­deeldheid van oorlog was, is ons de gedachte verscheenen tot de stichting van een Lichtstad meede te werken.

Nu roepen wij u op tot meedearbeid.

En dan in de allereerste plaats de vrouwen.

Van u wacht de waereld de bevrijding, moeders, echt­genooten, meisjes, in uw verzet zal de kracht zijn, die de toekomst draagt.

Uw deel in het leed was groot, de hartewond u ge­slagen is ongeneeslijk, de tranen door u geweend zijn de bittersten.

Moeders, het teere kind door uw armen omvat, dat eens een man zal weezen, dat omgeeven van uw liefste droomen aan uw borst sluimert, mag niet in bloed en slijk zijn einde vinden.

Daarom vrouwen gaat uw man, gaat uw zoon voor naar het groote doel: de maatschappij rechtvaardig, de vreede eeuwig en werkt meede tot stichting van een Lichtstad.

Op de rookende puinhoopen van een troosteloos verleeden zal dit bouwwerk van liefde en broederschap verrijzen. En trotsch en heerlijk zal het getuigen van 's menschen wil ten goede.

En nu een stem u roept om op te gaan ter grondvesting van het Godshuis, dat als vijand van onrecht en oorlog verrijzen zal, zult ge volgen om te bereiken, de verzeekerde rust, het waardig geluk, waarop ieder mensch recht heeft.

Niets is eenvoudiger als het stellen van deeze daad wanneer allen willen. Wij hoopen hieroover veele meede­deelingen te doen en wenschen dat het fundament ook in uw geest zal worden gelegd.

Wij spreeken dus hier van een gemeenschappelijk, reus­achtig eigendom, één groot belang, één streeven van alle volksstammen, alle individuen.

Het eerste doel der Lichtstad is: een waereldvreede op werkelijke gronden te baseeren, een beetere maat­schappelijke orde te doen gebooren worden, een recht­matige plaats aan een ieder te verzeekeren, waarheid en wijsheid te verspreiden, op te voeden en de strijd aan te binden teegen dwaling, domheid, slechtheid, waanzin, ziekte en armoede, teegen alle slechte, ongeluk versprei­dende krachten, die samenwerken om orde en rust on­moogelijk te maken.

Deeze Stad zal zijn het centrum van 's menschen beste en eedelste vermoogen en streeven. Want niet de haat, noch de afgunst, noch de verbittering van een socialisme of van een communisme, zooals dat nu bekend is, zal de waereld verbeeteren, niet het materialisme, maar de liefde, de nooit geheel verloochende, eeuwige band tusschen mensch en mensch.

De volkerenkrijg is de blindheid van het menschdom, tot een opperste wanhoopsdaad gedreeven. Het droevig kleine, het om te glimlachen-zoo-kleine is, dat men strijdt en sterft en een oorlog vreest en verschrikkelijk waant, terwijl allen toch willig de massadood aanvaarden, zoodra een macht die geen macht is optreedt.

Waar dan zijt gij gekoomen, Menschheid, dat gij als een ouderloos kind, een reedeloos, verlaten, liefdeloos leeven leidt?

Is niet Uw woonstee de aarde, is ze niet daar met haar rijkdom van voedsel, haar dierenschat, haar planten weelde, biedt ze U niet al wat ge behoeft? Hoe dan is het, dat ge in wanhoop en donkere nacht uw einde zoekt? De aarde zendt u haar liefste glimlach, de voogels zingen hun mooiste lied, de zon is een blijdschap van licht en warmte, en in Uw hart is de plaats waar dat alles zijn weerklank vinden moet.

En toch, uw oogen zijn dof van tranen of wreed van begeeren, wild van wanhoop, leeg van blijde gedachten.

Van al het Goddelijke hebt ge het hoofd gewend om in een duistere poel te staren. Uw tranen, Uw verwrongen gelaat, Uw saamgeklemde handen, zij wijzen de leevens­vreugde af die gebooden is, en Uw sidderende stem roept haat en verdoemenis oover Uwen broeder.

Wat is het ter waereld dat Uw hiertoe bracht?

Het is het onbelangrijkste, minstwaardige. Neem het kleinste geldstuk in den hand, zie er lang naar en weet, dat dit de oorzaak van het lijden is, weet dat om dit kleine stukje brons miljoenen menschen stierven, weet dat hieraan een menschheid stervende is, dat het liefde in haat veranderde, broederschap in vijandelijkheid en ontelbare leevens rampzalig maakte. De oorzaak van bijna ieder sociaal en maatschappelijk, zelfs familiaal lijden is daar. De machtigste, ongerechtigste kooning is tusschen Uw vingers, daarvoor knielt ge in het stof, het is Uw onverbiddelijk heerscher van wiens zwarte heerschappij ge U bevrijden moet tot elken prijs. De slavernij van het geld moet ten einde zijn, wil het menschdom waarlijk gelukkig worden.

Het is als in het sprookje, waarin de vrouw dag en nacht water moet scheppen in een boodemloos vat.

Zoo geeft de menschheid dagen en nachten, ieder uur aan het vat der begeerten naar geld, naar weelde, doch nooit bereikt zij het einddoel de heerlijke voldoening en rust van het begeerde volkoomen te bezitten, omdat er geen volkoomen bezitten, geen rust en voldoening zijn in dit materialistisch doel.

Dat een geweldige evolutie, gebooren en dragende op het ware Godsbegrip, op wijsheid en weetenschap, leiden zal tot een groot waerelverbond is ons een zeekerheid, de reeds bestaande doch zeer zwakke volkenbond is hiervan een der symptomen.

Een blik slaande in de economie zien wij, dat het inter­nationaal bankweezen een groote stap zal zijn tot de waereldvreede. Een zoodanig bankweezen, met één kapitaal werkend, aan allen behoorend kan geen reeden hebben een oorlog te bevorderen.

Zoo droomen wij ons ook de handel grooter, noobeler in de Toekomststaat. Handel zal zijn de energie, die oover zeeën en door woestijnen gaat, de band, die volkeren onderling verbindt, zal zijn de uitwisseling van producten op de waereldmarkt. Naar dien handel, verlangen wij, die eerlijk en oprecht zijn weg gaat, die niet kruipt of liegt, die geen concurrentie moogelijk maakt, omdat alleen het billijke gevraagd wordt. De wooningen zoowel als de ver­sieringsartikelen zullen een ware en eenvoudige vorm aanneemen. Er zal een tijd aanbreeken, dat het leelijke door menschenhanden gewrocht, den mensch zal doen lijden.

Dan zullen gemeenteraden met landraden en waereld­raad samenwerken om dit beschamende van de aarde te verwijderen.

De wooning van den mensch zal in den toekomst het middenpunt worden van zijn geestelijke veroovering: zij zal zijn helpster zijn, zijn bron van zuivere kracht en bezieling.

Alleen ware kunst mag geoorloofd worden: geen wetten echter kan men hiervoor maken. Doch de macht der onderscheiding, die in oervorm in den mensch aanweezig is, moet weeder door opvoeding ontwikkeld worden: een reuzenarbeid, aan de Lichtstad toevertrouwd.

Arbeidersreegeling en eerlijke verdeeling der inkomsten zal er moeten koomen, zoodat geen mensch in luiheid zijn leevenskrachten verslijt, en niemand te veel en te zwaar werk verricht, want naast de arbeid moet er een tijd oover zijn om van kennis en kunst en van het leeven te genieten. Dit is rechtvaardig.

In de Lichtstad zullen wij zien, hoe zich het leeven in den mensch wijzigen zal, hoe de godsdienstige gedachte dieper zal doordringen en verheffend zal werken in alle lagen van de maatschappij. De geest van den mensch is nog als een zaadje, gezaaid door den goddelijken Beheerscher der waerelden, doch in het menschenlichaam met zijn veele stoffelijke keetenen is het in een donker hoekje blijven liggen, ver van de geestelijke zon: begrip en wijsheid.

In den onvruchtbaar geworden boodem van het mate­rialisme kan het niet opschieten tot weeligen groei.

En nu veele dingen beroerd hebbende op de waereld der menschen, hebben wij nog een ding te bedenken: De menschheid is heeden op weg zichzelf te verdelgen. Wanneer het haar niet gelukt om zich van de booze machten, die haar bedreigen te bevrijden, dan gaat on­feilbaar zeeker die menschheid ten onder, dan zullen heemel en aarde samenwerken om dit ongelukkig geslacht te vernietigen.

Ontwaakt dus, rukt de blinddoeken af. Boort den blik in de duisternis en onderscheidt den weg, die ge gaan moet, naar welvaart en geluk van allen.

Gij allen, verstrooiden in deeze dorre geestelijke toestand, zoekt weeder den Christus, zoekt de steun van Zijn kracht.

Ge staat op een kruispunt: kiest den goeden weg. Wil de harmonie in Uw ziel terugvinden, streef naar waar­achtige schoonheid en gaat op tot een groote arbeid. Sticht een Lichtstad, en laat dit Uw eenheid zijn, laat dit Uw deemoed en Uw trots zijn, Uw strijd teegen de démonen, die dreigen geheel de aarde ten verderve te voeren.

 

De Lichtstad zal de eerste steenlegging zijn voor het gebouw der toekomstmaatschappij.

Een toestand van waarheid of geluk is nooit bereikt zonder offer. Nimmer ontstond het schoone zonder strijd. Aarde en menschheid zijn samengegroeid als lichaam en ziel, het geloof moet door de stof tot God stijgen.

Wanneer ooit de gezeegende waereld van liefde aan­breekt, moeten kerk en maatschappij opnieuw een reine en zuivere eenheid vormen. Een bad van liefde moet beiden drenken. De stoffelijke maatschappij en de gees­telijke heerschappij zullen dan in één hand berusten.

En eer de vrijwillige liefde als een krachtige boom in het menschenhart groeit, is de liefde, die geleidt en ge­vormd en vastgehouden wordt, noodig. Een zuivere ge­meenschap kan eerst dan ontstaan als een machtig, liefdevol en daadkrachtig Christendom voor alle menschen op aarde moogelijk is.

De ziel, op aarde aan stof gebonden, heeft bijna altijd een steun in de stof noodig en een wegwijzer om tot God te koomen.

Het groote werk heeft een welkomsgroet voor allen. Ieder zal er een geliefkoosd plekje vinden, waar zijn persoonlijk ideaal verweezenlijkt is. En daar de Lichtstad geeft een godsdienstig, zoowel als een maatschappelijk ideaal, kan het niet anders of de waereld zal juichend begroeten wat het zoo zeer van noode heeft. Ik bouw hier geen verwachtingen op persoonlijk geliefkoosde ge­dachten, ik heb een ernstige studie gemaakt van den mensch, zijn maatschappelijk, moreel en godsdienstig leeven. Mijn conclusie is: De mensch is een weezen, dat steeds naar eevenwicht zoekt, doch dit alleen vinden kan in een zuivere, rechtvaardige sfeer. Daar die echter hoogst zelden gevonden wordt, leeft de mensch meestal in een geestelijke en stoffelijke sfeer, die de wanhoop nabij voert.

Zoo zal dus de Lichtstad, die dadelijk streeft naar eeven­wigt, de eerste harmonisch gelukkige menschenstad zijn. Uitgaande dus van dit standpunt moet ik er toe besluiten, dat de Lichtstad geen utopie is, geen onbereikbaar ideaal, doch geëischt wordt door het menschzijn.

Aan deeze geweldige 20ste eeuw om het uit te voeren, eeven weergaloos schitterend, als de oorlog weergaloos afzichtelijk geweest is.

Dit werk heeft in de sfeer van heilige gemeenschap weerklank gevonden, het is door de schoonste weezens aanschouwd.

Weest dus vertrouwensvol, zij, die hooger dan menschen zijn, juichen deeze gedachtevorm toe.

Ge hebt meer dan iedere aardsche steun, de geestelijke hulp van voor menschen onzichtbaren noodig. Wij zullen als het ware een leeger van goedwillenden tesamen roepen, en onze soldaten zijn de zielen, die rein en eedel in de waereldbrand omkwamen en wier eenige behoefte is, leed te herstellen. Zoo bereiden wij in de sfeeren des heils voor, wat de aarde aan schoonheid zal dragen. Zooals de duistere démonen miljoenen en miljoenen in getale, de groote oorlog voorbereid hebben, zoo willen en zullen wij dit rijk des vreedes voorbereiden.

Er is meer kracht in oovereenstemmende zielen dan in een leeger soldaten. De band is tusschen ons gelegd en we gelooven hem onverbreekbaar, we hebben de gelofte afgelegd om niet tot de heemel der Godsverheerlijking in te gaan voor we het weezen der menschheid een blijvende steun gegeeven hebben, dit om der wille Gods, die het geluk Zijner kinderen verlangt.

Wij zullen daarom krachtig zijn en onkwetsbaar. Het ver­vult ons met vreugde te weeten dat we onooverwinnelijk zijn.

Zoo zien wij dan verrijzen de Lichtstad. Er zal één plek op aarde zijn, van wilde wateren omstuuwd, daar bewaart het menschdom zijn schoonst bezit, zijn Gods­geschenk. De blanke Tempel van 's menschen eedel willen rijst hoog!

 

Denken en dan licht ervaren, dit is de ontmoeting der zielen.

Ik wensch de bewooners van dit duistere deel van het Heelal een verwerkelijking van de schoone droom van vreede en liefde, die als een schat door u gedragen wordt. Welligt zal ik eens de trotsche koepels aanschouwen en de diepe, donkere koelte der zuilengangen vinden.

Ik zag eens toen ik ver was, daar waar alles licht en vreugde is, een neevelachtige vorm van de toekomststad op aarde: het heilig rijk van vreede en rust.

Wie mij dit schoon vizioen zond weet ik niet.

Was het de mensch of was het des menschen Schepper? Het land was hoog en blauwen ruischende koelte was in de lucht.

In kleur van zilverig grijs verrees op de glooying van een groene berg een machtige, geweldige koepel, die zoo door zon bestraald was, dat uit het lichtend dak de stralen scheenen op te schieten. Om deeze groote Dom groepten zich kleinere koepels, fijner en teerder van structuur. Ik naderde dit schoon vizioen. Ik meende, dat het van een verre ster was.

De machtige poort trad ik binnen en zeegevierend rees voor mijn oogen het kruis. Zacht, gedragen door de ge­welven, klonk mij het lied des vreedes toe.

Ik herkende de klanken van mijn aarde.

Geen andere wil dan die des Vaders heeft mij naar u gezonden.

Weet dus dit: waar een menschheid zoekt naar ver­lossing op menschelijke wijze, door liefde en schoonheid, heeft Hij de leiding der zielen op zich genoomen, door u tot een waardige vorm in geest en stof op te leiden. Treedt op in de groote arbeid der Godsverheerlijking, als de mensch, die in neederigheid weet, het hoogste te willen wat menschen volbrengen kunnen: Het bouwen van een stad des Lichts voor menschen, die kinderen Gods zullen zijn, in daad en gedachte. Dit besef moet u uit hooger sfeer gebracht worden. Een zoo groot moogelijke wel­willendheid moet in al uw handelen zijn en Christus' verdraagsaamheid en liefde moet u geheel vervullen.

Ik huldig noch roem u, ik juich noch beklaag u, doch ik zeg u nogmaals het eenig noodige te betrachten: Gods werkers te zijn op aarde, in de taak waar Hij u tot riep.

Het is in de loop der dingen beschreeven, dat deeze Lichtstad op aarde zal gebooren worden. Wij streeven hier naar verweezenlijking, lijnrecht.

Eeuwige zaligheid in God bestaat uit eeuwige werk­saamheid in vreede en geluk en een eenheid in God blijft waar de veelheid niet in verlooren gaat.

Een lichte zoete blijdschap wordt gebooren, want er is schoonheid waar harmonie is, en harmonie is de hoogste blijdschap.

Een zachte taak is de mijne, ik wil u ervan spreeken.

Om de wiegen van kinderen vertoef ik en in dit teere leeven weef ik mijn gedachten en maak het zieltje vrucht­baar om de hoogheid der nieuwe waereld te ontvangen. Ik ben daar waar moeders en vaders hun plicht verzuimen. Ik ben daar, waar eenzame kinderzieltjes hoopeloos de waereld tegemoet zien. Ik ben er als een liefkoozing voor het kind, dat nooit is geliefkoosd, en in de schoonheid van een bloem of de zoetheid der zoomerkoelte streel ik hen zachtjes, want droeve zielen zien geen schoon als daar niet een is, die hun bewust maakt.

Dan zal er dus opgroeyen, een geslacht van jonge menschen, die hun leeven lang zullen hunkeren naar de verweezenlijking van de gedachten, die ik zaaide in hun gemoed. Mijn kleine pleegkinderen zullen eens forsche menschen weezen en de kracht en steun van dit werk zijn.

Ik zeg u dit opdat ge weeten zult, dat ook ik steeds meedearbeid en dat er voor mij hierin veel vreugde is. Want Hij die zeide: Laat de kinderkens tot Mij koomen, heeft zelf mij deeze taak opgedragen. En dit maakt het alles zoo vreugdevol voor me.

Het aardsch bestaan is de mensch gegeeven als de groote strijd. Ge zijt allen ridders, die ten strijde trekken om draken en monsters te bevechten, doch ieder moet weeten, dat het tooverland bestaat en den weg erheen voortduurend zoeken.

Met liefde en vreede wil ik boosheid ooverwinnen, doe alzoo mijn vrienden.

Ik wil u een kleine geschiedenis verhalen.

Een kindje werd gebooren op een lentedag toen de eerste milde stralen der zon de menschen koesterden. Toen het 't licht zag wist het niet, dat het licht was, en steeds leefde het omgeeven van het licht en het niet kennende.

Een kindje werd gebooren in een diepe grot en het groeide op in de duisternis en leerde de vaagheid en be­perktheid der vormen kennen. Toen bracht zijn moeder hem eens aan de oopening der grot en het daglicht be­groette hem in groote weelde. Toen juichte het kind en dankte voor het licht.

Zoo is de menschenziel. In duister gebooren opdat het licht erkend en genooten worden kan.

Onthoudt mijn kleine geschiedenis, en begrijp er uit, waarom het duister voor uw ziel noodig is. Hoe meer ge weet, dat het om u duister is, hoe heerlijker zal de lichtende dag aan uw geestesoog opgaan als ge in den heemel eindelijk de Godsliefde aanschouwen mag.

Geen beeter en geen liefdevoller hulp kan ik u noemen dan die van onzen Heiland, die duivelen uitwerpt en heir­scharen ooverwint. Tot Hem wil ik gaan en voor u vragen, vreede en blijdschap, want gij menschen hebt een ziel die vaag onderscheiden kan en als ik in het volle licht sta en u met blinde oogen tastend zie gaan, dan roep ik den goeden Herder en Hij komt ter hulpe.

Nu wil ik nog geeven eenige waarheeden, die wij met onze geestelijke kennis en ons aardsch meeleeven gevonden hebben.

De mensch neemt steeds aan, hoewel onweetend, dat iets hem bestuurt, het is in duizend gevallen de duivel. De keuze tusschen God en duivel is in het onbewuste, doch is toch zoo helder, dat het resultaat dadelijk bewust wordt.

Wat onbewust is in den mensch dat is de heemel en de hel en toch zijn het de grootste werkelijkheeden der ziel. De machten der duisternis geeven daarom tijdelijk voldoening, omdat de ziel des menschen zoo misvormd en lichtschuuw is geworden, dat ze niet meer zuiver onderscheiden en waarneemen kan.

Niet in de aarde wortelt de oorsprong der kunst, zij is een uitbloeying van Gods schoonheid in menschenzielen. Daarom kan Kunst meer ontroeren dan natuur, wanneer ze zeer verheeven is.

Kunst booven natuur, het klinkt welligt vreemd van een weezen in God opgegaan.

Ik zie echter de kunst als een hooger vorm natuur, als de verdubbelde schepping van God in de menschenziel.

Natuur is stofschepping. De mensch is de uitstraling der goddelijke Ziel. En kunst is het samen stijgende, het uitvloeyende van deeze vereeniging in den mensch.

Dit moest ik u zeggen, ik móest het u zeggen omdat mijn weezen de kunst ziet, die gebooren zal worden, en dit begrip zal u het ware kooningschap van het mensch­zijn oopenbaren.

Bedenk ook dit: Alle verkeer met de weezens aan géne zijde is verbooden, mits daar een verheeven reeden toe bestaat.

Met toewijding, oovergave en liefde bieden wij ons heerlijk werk den Schepper aan.

Bouwende de Lichtstad, bouwt de mensch zijn eigen geluk in God.

Het wonder zal zijn: in de menschen der slechte waereld, die dit goede gaan doen.



[1] Het nu volgende is niet mijn werk. F.v.E.



[1] In 1921 ontvouwt Frederik van Eeden zijn plannen tot het stichten van een heilstaat in het boek 'Het Godshuis in de Lichtstad'. Architect J. London (1872-1953), met wie Van Eeden bevriend was, ontwerpt de architectuur ervoor. Net als bijvoorbeeld het Pantheon der Menschheid van Berlage en de Wereldhoofdstad van De Bazel, is het een pleidooi voor de eenheid en broederschap van de volkeren, en tegelijkertijd een monument voor de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog. Het is een groots opgezette symmetrisch aangelegde stad met als centrum een 'Middentempel', uitgevoerd in Oriëntaalse stijl. De lichtstad moest gesticht worden op een eiland, aan alle zijden omringd door water, afgeschermd van het verderf. Het zou een soevereine staat zijn, waarin alle wereldse machten vertegenwoordigd zouden zijn.

[2] Dit is de beteekenis van het samenbrengen van Petrus en Paulus te Rome. Zie "De Gesehiedenis van het Katholicisme" van A. Pierson.

 

[3] Zie hierover ook: waarvan leeft gij?

 

 

 

  Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  
**********

Stem Spirituele Vrienden in de
Top 100 NL



**********
Tellers

 

 LetsStat website statistieken