Boeiende Persoonlijkheden IV

 

Antoine de Saint-ExupéryJohann Wolfgang von Goethe -

 

 

Antoine de Saint-Exupéry
(1900-1944)

 

 

Eén van de boeken uit mijn studententijd (toen verplichte lectuur) die heel veel indruk op me maakte, is ‘le Petit Prince’ – de Kleine Prins – van Antoine de Saint-Exupéry. Nog vaak heb ik het herlezen en zowel in het Frans als in het Nederlands heeft het een ereplaats in mijn boekenkast.
Vandaar deze pagina over een bijzondere auteur, tevens bijzonder mens.

 

 

Gedicht


Wanneer je een schip wilt gaan bouwen
breng dan geen mensen bijeen
om timmerhout te sjouwen
of te tekenen alleen.
Voorkom dat ze taken ontvangen,
deel evenmin plannen mee.
Maar leer eerst de mensen verlangen
naar de eindeloze zee.

 

A. de Saint-Exupéry, Citadelle, 1948[1].



[1] Postuum uitgegeven

Antoine de Saint-Exupéry stamt uit een oude, adellijke familie. Hij had drie zusjes en een broertje. Toen hij vier was, stierf zijn vader, waardoor het gezin in financiële moeilijkheden kwam. Hij groeide op in verschillende plaatsen in Frankrijk. In de vakanties verbleven ze vaak in de buurt van een vliegveld, en daar besloot hij piloot te worden.


Hij werd geboren op 29 juni 1900, in St. Maurice de Remens, Lyon, Frankrijk en overleed op 31 juli,  in 1944 toen zijn vliegtuig waarmee hij een verkenningsvlucht uitvoerde, werd neergehaald. Vele jaren bleef het wrak en zijn lichaam onvindbaar, tot het in 2004 werd gevonden in zee, bij de kust van Marseille. Op 15 maart 2008 bekende
Horst Rippert (°1920), de broer van zanger Iwan Rebroff, dat hij de auteur met zijn toestel in 1944 heeft neergehaald. Hij bewonderde de schrijver en betreurt zijn daad. Hij getuigde dat "De Saint-Exupéry op een bewonderenswaardige manier de hemel kon beschrijven en de gedachten en gevoelens van piloten. Zijn werk inspireerde velen om piloot te worden."

Na de middelbare school te hebben gevolgd in Zwitserland aan de universiteit van Freibourg volgde hij een opleiding tot piloot. In 1921 ging hij bij de Franse luchtmacht.


Hij werkte een poosje in een fabriek, maar keerde terug naar de luchtvaart en werd vrachtpiloot. Eerst in Afrika, later in Zuid-Amerika. Hij werkte vanaf 1926 als piloot in de burgerluchtvaart op vluchten tussen Europa, Afrika en Amerika. In Afrika stortte hij een keer neer in de woestijn. Deze gebeurtenis werd de achtergrond voor ‘le Petit Prince’.

 

In dit moderne sprookje vertelt schrijver en vliegenier over zijn ontmoeting met de kleine prins. Een piloot is neergestort in de woestijn en ontmoet daar de kleine prins. Deze prins is afkomstig van een hele kleine asteroïde, met drie vulkanen en een bloem. Op zijn weg naar de aarde is hij verschillende volwassenen tegengekomen, die hij allemaal maar wonderlijk vindt. Op de aarde aangekomen ontmoet hij een slang, een vos en ten slotte de piloot. Ze sluiten vriendschap, maar de prins moet weer weg. Het boek is een modern sprookje over kind zijn, over vriendschap en over de dood. Het zit vol met kritiek op volwassen mensen.

 

Hij is bij ons dan wel vooral bekend door zijn in sprookjesvorm geschreven ‘Kleine Prins’, maar hij  schreef veel meer dan dat. In zijn autobiografisch getinte romans en verhalen ("Courrier sud[1]", 1929; "Vol de nuit[2]", 1932; "Terre des hommes[3]", 1939; "Pilote de guerre[4]", 1942) beschrijft hij de ervaringen van mensen die door heroïsche daden proberen de menselijke waarden te beschermen die door de techniek en rationaliteit worden bedreigd. Ze mislukken ten gevolge van de door geweld en oorlog beheerste realiteit. Zijn tot nu toe populairste werk is het geïllustreerde kinderverhaal "Le petit prince[5]" (1943). Verdere werken: "Lettre à un otage[6] " (1943), "Citadelle[7] " (postuum, 1948).

 


In de jaren '20 onderscheidde hij zich als pionier bij de nachtvluchten boven Zuid-Amerika. Mede dank zij hem werd het mogelijk lijnvluchten voortaan ook 's nachts uit te voeren. De navigatie was uitermate gebrekkig en de techniek van de toestellen stond ook nog in de kinderschoenen. Zo waren de motoren onbetrouwbaar. Daardoor waren deze nachtvluchten een hachelijke onderneming. De vliegers moesten hun vliegrichting onder meer bepalen aan de hand van het licht van de steden onder hen. Boven de Afrikaanse woestijnen, waar hij ook vloog, moesten zij genoegen nemen met het kampvuur van nomaden.

Zijn Zuid-Amerikaanse ervaringen vormden het uitgangspunt voor zijn roman "Vol de Nuit".  Hierin schildert hij het conflict tussen de luchtvaartondernemer die de nachtvlucht ten koste van alles wil voltooien "in het belang van de toekomst", de vlieger die een race met de dood vliegt en de vrouw die wil dat haar man heelhuids thuiskomt.

  

De Saint-Exupéry's opvattingen over solidariteit en menselijkheid waren meer dan grote woorden. Hij nam, nadat Frankrijk in november 1942 door de nazi's was bezet, "vanzelfsprekend" dienst bij de geallieerden. Om precies te zijn: als vlieger bij  de Amerikaanse luchtmacht in Noord-Afrika. Hij was zich bewust van de tegenstrijdigheid van deze keuze. Om de menselijkheid te handhaven nam hij immers zijn toevlucht tot inhumane middelen.

Oorlog was in zijn ogen een afschuwelijke ziekte. Uit zijn dagboekaantekeningen uit die tijd blijkt dit overduidelijk

"(...) dat deze verschrikkelijke mensenwoestijn niets heeft dat mijn hart streelt. Ook dit, evenals de nutteloze  verkenningsvluchten zonder hoop op terugkeer in juni 1940, is een  ziekte waar men doorheen moet. Ik ben voor onbepaalde tijd "ziek".
Maar ik ken mijzelf niet het recht toe deze ziekte niet door te maken. Dat is alles. Vandaag ben ik diep treurig - het zit heel diep. Ik treur om mijn generatie, die van alle menselijke substantie is ontdaan.”

“(...) Er is maar één enkel probleem: het komt erop aan weer te ontdekken dat er een leven van de geest is, dat nog hoger staat dan het leven van de rede en dat het enige is dat de mensen voldoening kan schenken.”

“(...)Het kan me weinig schelen in deze oorlog te vallen. Of wanneer ik ten offer zou vallen aan de razernij van die vliegende  torpedo's die niets meer met de vliegerij te maken hebben en van  de vlieger tussen zijn knoppen en wijzerplaten een soort
boekhouder hebben gemaakt (ook de vliegerij is een bepaalde  ordening van relaties). Maar voor het geval dat ik levend terugkom  van dit "noodzakelijke en ondankbare karwei", zal er voor mij nog maar één probleem zijn: wat kan, wat moet men tegen de mensen  zeggen?"

 

Juist door de enorme hoogten waar de luchtvaart de mens ook letterlijk bracht zag hij de betrekkelijkheid en de kleinhartigheid van onderlinge  strijd steeds duidelijker in. De techniek had de wereld één geheel gemaakt maar de armen van geest beseften dit nog niet en bleven elkaar en daarmee zichzelf beoorlogen.

"Er zijn ontelbare contacten, directe verbindingen. Wij zijn samengevoegd als de cellen van een zelfde lichaam. Maar dit lichaam heeft nog geen ziel. Dit organisme is nog niet ontwaakt tot bewustzijn van zichzelf..."

 

"Dan zal je dus over jezelf oordelen, antwoordde de koning. Dat is het moeilijkste. Het is veel moeilijker over jezelf te oordelen dan over anderen. Als het je lukt om een juist oordeel over jezelf te hebben, dan heb je de ware wijsheid gevonden."

 



[1] Koerier naar het zuiden

[2] Nachtvlucht

[3] Land van de mens

[4] Oorlogspiloot

[5] De Kleine Prins

[6] Brief aan een gijzelaar

[7] Bolwerk/burcht

 



Citaten en Uittreksels

De Kleine Prins

Hoofdstuk 2
Zo leefde ik dus alleen, zonder ooit met iemand echt te kunnen praten, totdat ik op een keer, zes jaar geleden, motorpech kreeg in de Sahara-woestijn. Er was iets stuk gegaan binnen in mijn motor, en omdat ik geen mecanicien en ook geen passagiers aan boord had moest ik proberen om helemaal alleen een moeilijke reparatie uit te voeren. Het was voor mij een kwestie van leven of dood. Ik had nauwelijks voor acht dagen drinkwater bij me. De eerste avond sliep ik dus in het zand, wel duizend mijl ver van de bewoonde wereld. Ik was veel eenzamer dan een schipbreukeling op een vlot midden op de oceaan. Je kunt je dus voorstellen, hoe verrast ik was bij het aanbreken van de dag, toen een grappig klein stemmetje me wekte.

Het zei: 'Toe, teken eens 'n schaap voor me.'

- Hé?

- Teken eens 'n schaap voor me.

Ik sprong op, alsof ik door de bliksem getroffen was - wreef mijn ogen uit en keek eens goed. En ik zag een héél uitzonderlijk klein kereltje, dat me ernstig aankeek. Kijk, dit is het beste portret, dat ik later van hem heb kunnen maken

 

Maar mijn tekening is natuurlijk véél minder aardig, dan het model. Dat is mijn schuld niet. Toen ik zes was hadden de grote mensen me afgeraden om schilder te worden en ik had niet leren tekenen, behalve dan dichte boa constrictors en open boa constrictors. Ik bekeek die verschijning dus met ogen die rond van verbazing waren. Vergeet niet, dat ik duizend mijl van de bewoonde wereld was. Maar dat kleine ventje zag er niet uit, alsof hij verdwaald was, of doodmoe of hongerig, of dorstig of angstig. Hij had niets van een verloren kind in de woestijn, duizend mijl van de bewoonde wereld af. Toen ik eindelijk een woord kon uitbrengen, vroeg ik hem: 'Wat doe je hier eigenlijk?'

En toen herhaalde hij héél zacht, alsof het iets héél ernstigs gold: 'Toe, teken eens ’n schaap voor me.'

Als het geheimzinnige al te veel indruk op ons maakt, moeten wij wel gehoorzamen. Hoe zinloos het mij ook leek, - op duizend mijl van de bewoonde wereld en in doodsgevaar - ik haalde een blaadje papier en een vulpen uit mijn zak. Maar toen bedacht ik, dat ik vooral aardrijkskunde, geschiedenis, rekenen en taal geleerd had en ik zei, een beetje humeurig, tegen het kereltje, dat ik niet tekenen kon.

Hij antwoordde: 'Dat doet er niet toe. Teken maar 'n schaap voor me.'

En omdat ik nog nooit een schaap getekend had, maakte ik nog maar eens een van de twee enige tekeningen waartoe ik in staat was voor hem. De dichte boa constrictor.

 

 

 

En stomverbaasd hoorde ik hem zeggen: 'Nee, nee! Ik wil geen olifant in 'n boa. 'n Boa constrictor is veel te gevaarlijk en een olifant neemt zoveel ruimte. Ik woon erg klein. Ik heb 'n schaap nodig. Teken nou een schaap voor me.'

Toen tekende ik het dan maar. Hij bekeek het aandachtig en zei: 'Nee, dat schaap is nú al zo ziek. Maak er nog maar een.'

 

 

 

 

 

Ik tekende. Mijn vriendje lachte vriendelijk en toegeeflijk.

- Je ziet toch wel dat dat geen schaap is: 't is een ram, hij heeft horens...

Nog eens maakte ik mijn tekening over. Maar die werd ook al geweigerd, net als de vorigen.

- Die is te oud. Ik wil een schaap, dat lang blijft leven.

 

Toen werd ik ongeduldig, want ik wilde gauw beginnen mijn motor uit elkaar te halen. Ik maakte dit krabbeltje en zei: 'Dat is de kist. Je schaap zit erin.' Tot mijn verbazing zag ik het gezicht van mijn kleine kunstcriticus stralen.

- Ja, zo wilde ik 't precies hebben!

- Denk je dat het schaap veel gras nodig heeft?

- Waarom?

- Omdat ik maar een héél klein tuintje heb.

- Dat zal best gaan. Ik heb je een héél klein schaapje gegeven.

Hij boog z'n hoofd over de tekening: 'Zo piepklein is het nu ook weer niet... Hé! Het is ingeslapen...'

En dat was dan mijn kennismaking met de kleine prins.

                                           

Citaten uit de Kleine Prins:

 

Grote mensen houden van cijfers. Wanneer je hun vertelt van een nieuwe vriend vragen ze nooit het belangrijkste. Ze zeggen nooit: 'Hoe klinkt zijn stem? Van welke spelletjes houdt hij het meest? Verzamelt hij vlinders?' Maar ze vragen: 'Hoe oud is hij? Hoeveel weegt hij? Hoeveel broertjes heeft hij? En hoeveel verdient zijn vader?' Dan pas vinden ze dat ze hem kennen. Als je tegen de grote mensen zegt: 'Ik heb een prachtig huis gezien van rose baksteen, met geraniums voor de ramen en duiven op het dak...' dan kunnen ze zich dat huis niet voorstellen. Je moet zeggen: 'Ik heb een huis van vijftigduizend gulden gezien' Dan roepen ze: 'Wat mooi!'

 

Zo zijn ze nu eenmaal. Je moet het ze maar niet kwalijk nemen. Kinderen moeten veel geduld hebben met de grote mensen.

 

Ik weet een planeet, waar een vuurrode meneer woont. Hij heeft nooit aan een bloem geroken, nooit naar een ster gekeken. Hij heeft nooit van iemand gehouden maar altijd alleen maar optelsommen gemaakt. En hij zegt de hele dag: 'Ik ben een ernstig man. Ik ben een ernstig man.' En dan zwelt hij van trots. Maar dat is geen man, dat is een paddenstoel!

 

 'Ik had natuurlijk niet naar haar moeten luisteren', vertrouwde hij me eens toe. 'Naar bloemen moet je nooit luisteren. Men moet ze bekijken en eraan ruiken. Mijn bloem geurde over de hele planeet maar ik wist er niet van te genieten. Die opmerking over klauwen waar ik zo kwaad om werd had ik juist grappig moeten vinden...'

En hij vervolgde: 'Ik heb er toen niets van begrepen! Ik had haar moeten beoordelen naar haar daden en niet naar haar woorden. Ze verspreidde geur en glans. Ik had nooit moeten weglopen. Ik had de tederheid moeten voelen achter haar armzalige streken. Bloemen spreken zichzelf altijd tegen. Maar ik was nog te jong om van haar te kunnen houden.'

 

Een paar rupsen zal ik wel moeten verdragen, als ik ooit vlinders wil zien. Die schijnen zo prachtig

te zijn.

 

Hij duldde geen ongehoorzaamheid. Hij was een absoluut monarch. Maar omdat hij een heel goed hart had, waren zijn bevelen redelijk. Hij zei wel eens: 'Wanneer ik aan een generaal bevel gaf zich in een zeemeeuw te veranderen, zou het niet de schuld van de generaal zijn als hij niet gehoorzaamde. Dat zou mijn schuld zijn.' Men moet van niemand meer eisen dan hij geven kan. Gezag steunt in de eerste plaats op verstand. Als je het volk beveelt zich in zee te storten, komt het volk in opstand. Ik heb het recht gehoorzaamheid te eisen omdat mijn bevelen redelijk zijn.'

 

De volgende planeet werd bewoond door een dronkaard. Dit werd een kort bezoekje maar het stemde de kleine prins heel bedroefd.

'Wat doe je daar?' zei hij tot de dronkaard, die hij stil vond zitten bij een verzameling lege flessen en een verzameling volle flessen.

'Ik drink', antwoordde de dronkaard met een somber gezicht.

'Waarom drink je?' vroeg het prinsje.

'Om te vergeten', antwoordde de dronkaard.

'Om te vergeten?' vroeg het prinsje weer, dat al medelijden kreeg.

'Om te vergeten dat ik me schaam', gaf de dronkaard met gebogen hoofd toe.

'En waarover schaam je je dan?' informeerde de kleine prins, die hem wilde helpen.

'Ik schaam me dat ik drink', besloot de dronkaard en zei verder niets meer.

En verslagen ging de kleine prins verder. 'Grote mensen zijn toch wel héél wonderlijk', zei hij bij zichzelf onder de reis.

 

- Ik heb ook een bloem.

- 'Bloemen noteren wij niet', zei de aardrijkskundige.

- Waarom niet? Dat is juist het mooiste.

- Omdat bloemen kortstondig zijn.

- Wat betekent dat, kortstondig?

- 'Aardrijkskundeboeken', zei de aardrijkskundige, 'zijn de kostbaarste boeken ter wereld. Ze raken nooit uit de tijd. Het gebeurt maar zelden dat een berg van plaats verandert of dat een oceaan leeg loopt. Wij beschrijven eeuwige dingen.'

 

'O', zei de slang. En toen zwegen ze.

'Waar zijn de mensen?' vroeg de kleine prins eindelijk. 'Het is wel een beetje eenzaam in de woestijn...

'Bij de mensen ben je ook eenzaam', zei de slang.

 

'Nee', zei het prinsje. 'Ik zoek vrienden. Wat betekent 'tam'?'

'Dat is maar al te zeer een vergeten woord', zei de vos. 'Het betekent 'verbonden'.'

'Verbonden?...'

'Ja zeker', zei de vos. 'Jij bent voor mij maar een klein jongetje als alle andere kleine jongetjes. En ik heb je niet nodig. Ik ben voor jou een vos als alle andere vossen. Maar als je me tam maakt, dan zullen we elkaar nodig hebben. Dan ben je voor mij enig op de wereld en ben ik voor jou enig op de wereld...'

'Ik begin het te begrijpen', zei de kleine prins.

 

Als jij me tam maakt, dan wordt mijn leven vol zon. Dan ken ik voetstappen, die van alle andere verschillen. Voor andere voetstappen kruip ik weg onder de grond, maar jouw stap zal me juist uit mijn hol roepen, als muziek. En kijk eens! Zie je daar de korenvelden? Nu eet ik geen brood. Ik heb niets aan koren en korenvelden zeggen me niets dat is heel verdrietig. Maar jij hebt goudkleurig haar. Dan zal het heerlijk zijn als je me tam gemaakt hebt! Door het goudkleurige koren zal ik aan jou moeten denken. En ik zal het geluid van de wind in het koren mooi vinden...' De vos werd stil en keek het prinsje lang aan: 'Alsjeblieft... wil je me tam maken?' zei hij.

 

'De mensen hebben geen tijd meer iets te leren kennen. Ze kopen dingen klaar in winkels. Maar doordat er geen winkels zijn die vrienden verkopen, hebben de mensen geen vrienden meer.

 

'Vaarwel', zei de vos. 'Dit is mijn geheim, het is heel eenvoudig: alleen met het hart kunt je goed zien. Het wezenlijke is voor de ogen onzichtbaar.'

'Voor de ogen is het wezenlijke onzichtbaar', herhaalde de kleine prins, om het goed te onthouden.

'Alle tijd die je aan je roos besteed hebt, maakt je roos juist zo belangrijk.'

'De tijd die ik aan mijn roos besteed heb...' zei de kleine prins, om het goed te onthouden.

'Dat is een waarheid, die de mensen vergeten hebben', zei de vos. 'Maar die moet jij niet vergeten.

Je blijft altijd verantwoordelijk voor wat je tam hebt gemaakt. Je bent verantwoordelijk voor je roos...'

'Ik ben verantwoordelijk voor mijn roos', zei de kleine prins om het goed te onthouden.

 

'De woestijn is mooi', zei hij...

En dat was waar. Ik heb altijd van de woestijn gehouden. Men gaat op een duin zitten. Men ziet niets en hoort niets. En toch straalt er iets in de stilte...

'De woestijn is zo mooi doordat er ergens een put verborgen is', zei de kleine prins.

Tot mijn verbazing begreep ik ineens die geheimzinnige uitstraling van het zand.  

 

'Ik heb trek in dat water', zei de kleine prins, 'geef me te drinken...'

Toen begreep ik wat hij gezocht had. Ik bracht de emmer aan zijn lippen. Hij dronk met gesloten ogen. Het was als een feest. Dit water was heel wat meer dan voedsel. Het sproot voort uit onze tocht onder de sterren, uit het geluid van de katrol en de inspanning van mijn armen. Dit water deed het hart goed, als een geschenk.

En het prinsje voegde eraan toe: 'Maar ogen zijn blind. Met het hart moet men zoeken.'

 

'Wat bedoel je toch?'

'Als jij 's nachts naar de hemel kijkt zal het zijn alsof alle sterren lachen omdat ik een ster bewoon en omdat ik lach!'

En weer lachte hij.

'En als je eenmaal getroost bent (de mensen troosten zich altijd) dan zul je heel blij zijn, dat je me gekend hebt. Je zult altijd mijn vriend zijn en je zult met me mee willen lachen. En dan zul je van tijd tot tijd voor je plezier het raam open doen... En je vrienden zullen heel verbaasd zijn je te zien lachen, als je naar de hemel kijkt. Dan zeg je tegen ze: 'Ja, om de sterren moet ik altijd lachen!' En ze zullen denken, dat je gek bent - dan ben je er door mij lelijk ingelopen... '



Citaten uit ander werk:

Wie de weg tot innerlijke beschouwing vindt, ver­andert zich in een zaadkorrel.

Wie een licht ziet op­gaan, grijpt iedereen bij de arm, om het hem te to­nen.

Wie iets uitvindt, geeft zijn uitvinding meteen door.

 

De overwinning is de vrucht der liefde.

De liefde alleen kent het gezicht dat gevormd moet worden.

De liefde alleen voert daar naar toe.

Het verstand deugt slechts in dienst van de liefde.

uit: Oorlogsvlieger

----

Toen ik genoeg kreeg van bijval als een geluid zonder betekenis dat me niets meer kon vertellen, had ik deze droom:

Een steile en glibberige weg hing boven zee. De storm was losgebarsten en de nacht lekte als een volle waterzak. Koppig, klom ik op naar God om hem de reden te vragen van de dingen en mij te doen uitleggen waartoe de uitwisseling leidde die men mij had willen opleggen.

 

Maar op de top van de berg ontdekte ik slechts een zwaar blok graniet - dat God was.

'Dáár heb jij hem, zei ik tot mijzelf, onbeweeglijk en onvergankelijk', want ik hoopte nog mij niet terug te trekken in de eenzaamheid.

'Heer, zeg ik hem, geef mij onderricht. Zie, mijn vrienden, mijn makkers en mijn onderdanen stellen voor mij niet méér voor dan sprekende ledenpoppen. Ik houd ze in de hand en beweeg ze naar goeddunken. Ik word niet gekweld door het feit dat zij mij gehoorzamen, want het is een goede zaak dat mijn wijsheid in hen haar weerslag heeft. Maar door het feit dat zij deze weerspiegeling geworden zijn die mij eenzamer maakt dan een melaatse. Als ik lach, lachen zij. Als ik zwijg, worden zij somber. En mijn woord dat ik ken, vervult hen zoals de wind de bomen. En ik alléén vul hen. Er bestaat voor mij geen uitwisseling meer, want in dit mateloze gehoor beluister ik niet méér dan mijn eigen stem die zij mij terugkaatsen als de ijzige echo's van een tempel. Waarom schrik ik van de liefde en wat heb ik te verwachten van deze liefde die slechts vermenigvuldiging is van mij zelf?'

 

Maar het blok graniet, druipend van een glinsterende regen, bleef ondoorgrondelijk voor mij.

'Heer, zeg ik tot hem - want er bevond zich op een tak vlakbij een zwarte raaf - ik begrijp best dat het bij Jouw majesteit past te zwijgen. Ik heb echter een teken nodig. Wanneer ik mijn gebed beëindig, beveel deze raaf dan weg te vliegen. Dat zal dan zijn als de knipoog van een ànder dan ikzelf en ik zal niet meer alléén zijn op de wereld. Ik zal met Jou verbonden zijn door een vertrouwen, zelfs al is het duister. Ik vraag niets anders dan een teken te ontvangen dat er misschien iets te begrijpen valt.'

 

 

Ik observeerde de raaf. Hij bleef echter onbeweeglijk. Ik boog mij toen naar de muur.

'Heer, zeg ik hem, Jij hebt zeker gelijk. Het past niet bij Jouw majesteit Je te onderwerpen aan mijn bevelen. Wanneer de raaf weggevlogen zou zijn, had dat mij met meer droefheid vervuld. Want zo'n teken zou ik slechts ontvangen hebben van een gelijke, dus eens te meer van mijzelf, wéér een weerspiegeling van mijn verlangen. En opnieuw zou ik slechts mijn eenzaamheid ontmoet hebben.'

uit: Citadel

***

Maar Jij hebt me veroordeeld tot de stilte, opdat ik de betekenis ervan zou begrijpen boven de wind van de woorden uit. Het behoort immers tot mijn taak me te buigen over de angst van de mensen, want ik heb besloten hen daarvan te genezen.

 

Zeker, Jij hebt gewild dat ik spaarzaam om zou gaan met de tijd die ik anders aan kletspraat besteed zou hebben. De woorden besteed aan een verloren sieraard, zoals aan de vriendschap of de liefde, zijn een hel. Niemand ontsnapt immers ooit aan deze twistgesprekken, want het gaat niet om een sieraad maar om de dood. De band van liefde en vriendschap komt immers pas waarlijk in Jou tot stand. Jij hebt besloten om me daartoe slechts toegang te geven door jouw stilte.

 

 

uit: Citadel

----

 

Bronnen:

http://papierenman.blogspot.com/2008/03/vliegtuig-van-antoine-de-saint-exupry.html

http://www.antoinedesaintexupery.com/

http://nl.wikipedia.org/wiki/Antoine_de_Saint-Exup%C3%A9ry

http://imansolas.freeservers.com/ASExupery/Antoine%20de%20Saint%20Exupery.html

http://nl.wikipedia.org/wiki/De_kleine_prins

Johann Wolfgang von Goethe

 

Frankfurt am Main, 28 augustus 1749 – Weimar, 22 maart 1832

 

Goethe  was een Duits wetenschapper, toneelschrijver, romanschrijver, filosoof, dichter, natuuronderzoeker en staatsman. Hij was de schrijver van onder meer Faust, Die Leiden des jungen Werther en Zur Farbenlehre. In 1782 werd hij in de adelstand verheven.

 

Een zeer uitgebreide biografie is HIER te vinden en dus zal ik mij beperken tot het aanbieden van een aantal teksten van en over deze boeiende persoonlijkheid.
Mijn lievelingsgedicht van Goethe is Erlkönig. Het gedicht van Goethe werd in 1815 door Franz Schubert op muziek gezet en werd een van diens bekendste liederen.

 

 

Goethe’s wereldbeschouwing en levenswijsheid

 

‘Was Goethe een filosoof?’ – zo vraagt Dr. Herman Wolf zich af in een in 1932 verschenen boek over Goethe’s wereldbeschouwing en levenswijsheid -

‘Kan men bij hem van een wijsgeerige wereldbeschouwing spreken? Om deze vragen te beantwoorden, moet men zich eerst duidelijk maken, wat men onder een filosoof en onder een filosofische wereldbeschouwing wenscht te verstaan.

Beschouwt men als een wijsgeer een mensch, die alleen in een volledig afgerond stelsel de resultaten van zijn onderzoekingen en bespiegelingen mededeelt, waarin in afgetrokken begrippen een geheel wordt samengevat, dat, op den grondslag van de kennisleer en logica opgebouwd, achtereenvolgens alle problemen van de natuur, de menschelijke persoonlijkheid, de moraal en de ethiek, de aesthetica en den godsdienst behandelt, en die ten slotte in een "metaphysica" den sluitsteen en de kroon van het geheel ziet, dan is Goethe zeker geen filosoof te noemen, want er is bij hem geen sprake van een systematisch onderzoek van alle vragen op het gebied van de natuur en den mensch; nimmer heeft hij getracht zijn denkbeelden in verband met elkaar te brengen en van één beginsel uit te ontwikkelen.

 

Beschouwt men daarentegen als filosoof een mensch die, staande tegenover het Mysterie, een bepaalde verhouding tot de groote problemen van de werkelijkheid en het leven tracht te vinden, dan kan men Goethe zeker als een denker beschouwen en waardeeren. Immers van zijn jeugd tot aan zijn dood heeft Goethe altijd weer getracht zich rekenschap te geven van zichzelf en zijn bijzon­dere geaardheid, heeft hij gezocht naar een be­paalde houding tegenover de raadselen van het leven, heeft hij naar het wezen en den diepsten grond der natuur gevorscht, heeft hij het Mysterie beleefd en in zijn werken geopenbaard. Goethe heeft een wereldbeschouwing in de meest eigen­lijke beteekenis van het woord gehad. Weliswaar zal men vergeefs zoeken naar een antwoord op alle vragen, die de denkende en bespiegelende mensch zich kan stellen, maar wie zijn talrijke uit­latingen over de natuur, den mensch en het leven vermag te overzien, zal bemerken dat hij tot de grootste denkers en wijzen behoort.  

Terwijl tot ongeveer twintig jaar geleden alleen de dichter Goethe werd gewaardeerd, zien we in onzen tijd, dat de wijsgeer en natuurvorscher met groote nauwgezetheid wordt bestudeerd, en dat op deze wijze het universeele van zijn geniale per­soonlijkheid pas in het volle licht komt te staan.’

 

 

Hierna volgen teksten en citaten uit het werk van Goethe, zonder verdere commentaar.
Aan de lezer laat ik het over om Goethe’s levenswijsheid daarin te ontdekken.

 

 

01. De Natuur.

 

Natuur! We zijn door haar omgeven en worden door haar omarmd, we kunnen niet buiten haar treden, en zijn ook niet in staat in haar door te dringen. Zonder ons te vragen en ons te waarschu­wen, neemt ze ons op in den kringloop van haren dans, tot we vermoeid zijn en uit haren arm vallen.

Ze schept eeuwig nieuwe gestalten; wat bestaat, was er nog nooit, wat er was, komt niet weer: Alles is nieuw en toch steeds het oude.

We leven midden in haar en zijn toch vreemd voor haar. Ze spreekt onophoudelijk met ons en verraadt ons haar geheim niet. We doen onzen in­vloed steeds gelden en kunnen toch geen macht over haar uitoefenen.

Ze schijnt alles er op toe te leggen individuen te scheppen, maar deze individuen laten haar onver­schillig.

Ze bouwt steeds, en vernietigt weer, en haar werkplaats is ontoegankelijk.

Ze leeft in louter kinderen, en de moeder, waar is ze? - Ze is de eenige kunstenares: van 't eenvoudigste gaat ze over tot de grootste tegenstellin­gen; zonder dat ze zich schijnt in te spannen, be­reikt ze toch de grootste volmaaktheid Elk van haar werken heeft een eigen aard, elk van haar verschijnselen is een afzonderlijk begrip en toch is alles één.

Ze speelt een schouwspel; of ze het zelf ziet, weten we niet en toch speelt ze het voor ons, die "in den hoek staan".

 

Er is een eeuwig leven, worden en bewegen in haar. Ze verandert eeuwig van gedaante en er is geen oogenblik van stilstand in haar. Voor het be­stendige heeft ze geen woord en ze vervloekt alles wat stilstaat. Ze is sterk. Haar tred is rustig, haar uitzonderingen zeldzaam, haar wetten onwrik­baar.

Ze heeft gedacht en ze peinst voortdurend; maar niet als een mensch maar als natuur. Het doel van dit alles houdt ze voor zich, het geheim hiervan verklapt ze niemand.

De menschen zijn allen in haar en zij is in allen. Met allen speelt ze een vriendelijk spel en is des te blijder, hoe meer men het van haar wint. Ze doet dat met velen zóó in het geheim, dat zij het spel beëindigt voordat ze het merken.

 

Ook het onnatuurlijkste is natuur, ook in de grofste, kleinzielige bekrompenheid zit iets van haar genialiteit.

Wie haar niet overal ziet, ziet haar nergens goed.

Ze bemint zich zelve en zit eeuwig met tallooze oogen en harten aan zichzelf vast. Ze heeft zich zelf ontplooid om zichzelf te genieten. Steeds laat ze nieuwe genietend en opgroeien, want ze is on­uitputtelijk verzadelijk om zichzelf kenbaar te maken.

Ze vermeit zich in de illusie. Wie deze in zich en anderen verwoest, dien straft ze als de strengste tyran. Wie haar met vertrouwen volgt, dien drukt ze als een kind aan haar hart.

Ze heeft tallooze kinderen. Ze is voor niemand karig, maar ze heeft lievelingen, voor wie ze veel verkwist en voor wie ze veel opoffert. Ze beschermt het groote.

 

Ze doet haar schepselen uit het niets opspatten en zegt hun niet waar ze vandaan komen, noch waar ze naar toe gaan. Ze hebben slechts te gaan! zij kent den weg. . . .

 

Haar schouwspel is steeds nieuw, omdat ze steeds nieuwe toeschouwers schept. Leven is haar schoon­ste uitvinding en de dood is een kunstgreep voor haar om veel nieuw leven te scheppen.

Ze omgeeft de menschen met duisternis en spoort ze toch onophoudelijk aan naar het licht te stre­ven. Ze maakt den mensch afhankelijk van de aarde, traag en loom en schudt hem toch steeds weer wakker.

Ze schenkt behoeften, omdat ze van beweging houdt. Het is een wonder, dat ze al dat bewegen met zoo weinig middelen bereikt. Iedere behoefte is een weldaad: vlug bevredigd, vlug weer ont­staande.

Geeft ze er een meer, dan is dat een nieuwe bron van genot, maar het evenwicht wordt spoedig weer hersteld.

 

leder oogenblik begint ze haren langsten ren en is ieder oogenblik aan het doel.

Ze is de ijdelheid zelve, maar niet voor ons, voor wie ze zichzelf als 't belangrijkste heeft gemaakt.

Ze laat ieder kind aan haar knutselen, iedere dwaas over haar oordeelen, duizenden stompzinnig over haar heen gaan en niets zien en heeft in alles plezier [. . . .]

Men gehoorzaamt aan haar wetten, ook dan wan­neer men tegenstribbelt; men is werkzaam mèt haar, ook dan wanneer men haar tegenwerkt.

Ze maakt alles, wat ze geeft, tot een weldaad, want zij maakt het pas tot iets onmisbaars. Ze talmt, opdat men zal verlangen; ze haast zich, op­dat men niet genoeg van haar krijgen zal.

Ze heeft geen taal, maar ze schept tongen en har­ten, waardoor ze voelt en spreekt.

 

Haar kroon is de liefde. Alleen door deze nadert men haar. Ze maakt kloven tusschen alle wezens en alle wezens willen elkaar verslinden. Ze heeft alles geïsoleerd om alles samen te trekken. Door een paar teugen uit den beker der liefde stelt ze ons voor een leven vol moeilijkheden schadeloos.

Ze is alles. Ze beloont zichzelf en straft zich­zelf, verheugt en pijnigt zichzelf. Ze is ruw en zacht, liefelijk en verschrikkelijk, krachteloos en zéér geweldig. Alles is steeds in haar aanwezig. Verleden en toekomst kent ze niet. Het tegenwoor­dige is haar eeuwigheid. Ze is goed. Ik prijs haar met al haar werken. Ze is wijs en zwijgzaam. Men kan haar geen verklaring ontfutselen en geen ge­schenk met geweld ontnemen, dat ze niet uit zich zelf geeft. Ze is listig maar voor een goed doel, en het is het beste haar list niet op te merken.

 

Ze is een geheel en toch steeds onvoltooid. Zooals ze nu te werk gaat, kan ze het altijd doen.

Aan ieder verschijnt ze in een andere gedaante. Ze verbergt zich in duizend namen en termen en is steeds dezelfde.

Ze heeft me er in geplaatst, ze zal me er ook uit leiden. Ik vertrouw haar. Ze mag naar believen met me handelen. Ze zal haar werk niet haten. Ik matig me over haar geen oordeel aan. Neen, wat waar is en wat verkeerd is, alles heeft zij gezegd. Alles is haar schuld, alles is haar verdienste.

 

 

 

02. De mens/de persoonlijkheid

 

Als we ons de mogelijkheid kunnen voorstellen dat de schepper der wereld zelve de gestalte van zijn schepselen heeft aangenomen en op hun wijze zich een tijdlang op de wereld heeft bevonden, dan moet dit schepsel ons reeds oneindig volmaakt toeschijnen, omdat de schepper er zich zoo innig mee kon vereenigen. Er moet derhalve in de idee van den mensch en in die van de Godheid niets tegenstrijdigs bestaan; en al voelen we vaak ook een andere ongelijkheid en afstand ten opzichte van haar, zoo is het toch onze plicht om niet slechts, zoo als de pleitbezorger van den Booze, op de zwakheden en onvolmaaktheden van ons wezen te letten, maar veeleer alle volmaaktheden op te sporen, waardoor we de aanspraken op onze ge­lijkenis met de Godheid kunnen rechtvaardigen....

 

Het blijft de grootste verdienste van den mensch, dat hij de omstandigheden zooveel moge­lijk beheerscht en zichzelf zoo weinig mogelijk door deze laat beheerschen. De geheele wereld ligt als een groote steengroeve voor den bouwmeester, die slechts dan dezen naam verdient, als hij uit de ongeordende massa's in de natuur een, in zijn geest ontstaan oerbeeld zoo economisch, doelmatig en stevig mogelijk verwerkelijkt. Alles buiten ons is slechts element, ja, ik mag wel zeggen ook alles in ons; maar diep in ons ligt deze scheppende kracht, die dat vermag te scheppen, wat er moet komen en ons, rust noch duur laat voor we het buiten of in ons zelve hebben uitgebeeld. . . .

 

- - - - -

Het eerste en laatste in den mensch is activiteit en men kan niets doen zonder den aanleg er toe te bezitten. Men geeft toe dat iemand voor dichter geboren moet zijn, men geeft dit bij alle kunsten toe, omdat men moet en omdat die werkzaamheden kunnen worden nageaapt; beschouwt men het evenwel nauwkeurig, dan wordt iedere vaardig­heid, ook de geringste, ons aangeboren en bestaat er geen aanleg zonder meer. Slechts onze twee­slachtige, onsamenhangende opvoeding maakt de menschen onzeker; ze wekt wenschen op, inplaats van den drang tot bezigheid; inplaats van den wer­kelijken scheppingsdrang te bevorderen, richt ze het streven op zaken, die niet vaak overeenstem­men met den aard van dengeen, die er zich mee bezighoudt.

 

Een kind, een jong mensch die dwalen op hun eigen weg, zijn mij liever dan menig ander die op een hem vreemden weg goed vooruitkomt. Als de eerstgenoemden óf door zichzelf óf door aanwijzing (van anderen) den goeden weg vinden, dat wil zeggen: den weg, die met hun wezen over­eenstemt, dan zullen ze dezen nimmer verlaten, de anderen daarentegen loopen ieder oogenblik ge­vaar een hun vreemd juk af te werpen en zich aan een onbeperkte vrijheid over te geven.

 

Het is niet de plicht van den opvoeder iemand voor dwaling te behoeden, maar: den dwalende te leiden, ja hem zijn dwaling uit volle bekers te doen ledigen; dàt is de wijsheid van dengeen die onderwijst. Wie maar iets van zijn dwaling bemerkt kan het er lang bij uithouden, hij verheugt er zich over als over een zeldzaam geluk, maar wie absoluut dwaalt, die moet deze dwaling inzien, als hij niet krankzinnig is.

 

Men moet overal van zijn rede gebruik maken: het weefsel dezer wereld is uit noodzakelijkheid en toeval samengesteld; de rede van den mensch gaat tusschen beide instaan en weet hoe ze haar moet beheerschen; ze beschouwt het noodzakelijke als de grondslag van haar bestaan; ze vermag het toevallige te leiden en er gebruik van te maken. Slechts omdat de rede sterk en onwankelbaar is, verdient de mensch de god der aarde te worden genoemd. Wee dengeen, die van zijn jeugd af aan er aan went in het noodzakelijke iets willekeurigs te zien en die aan het toevallige een soort van rede zou willen toeschrijven, die hij als een religie zou willen aanhangen. Beteekent dat iets anders, dan van zijn eigen verstand afstand te doen en zich aan zijn lusten onvoorwaardelijk overgeven? We verbeelden ons vroom te zijn, wanneer we zonder nadenken rondslenteren en ons door aangename toevalligheden laten beïnvloeden en ten slotte aan het resultaat van zulk een leven den naam van een goddelijke bestiering geven.

 

 

03. De mens/karakter

 

leder wezen, dat zich als een eenheid voelt, wil blijven wat en waar hij is en wil dezen toestand voortdurend bestendigen. Dat is een eeuwige, noodwendige gave der natuur, en zoo kan men zeggen, dat ieder afzonderlijk wezen karakter bezit tot zelfs de worm toe, die zich kromt als men hem trapt. In dezen geest mogen we aan den zwakke, ja aan den lafaard zelfs karakter toe­schrijven: want hij geeft prijs, wat anderen boven alles waardeeren: eer en roem, alleen maar om zijn persoonlijkheid te handhaven. Toch gebruikt men het woord "karakter" gewoonlijk in een diepere beteekenis: namelijk wanneer een persoon­lijkheid met belangrijke eigenschappen zich op haar wijze handhaaft en zich er door niets van laat berooven.

 

Een sterk karakter noemt men dat, wat zich met alle macht verzet tegen hindernissen van buiten en zijn bijzonderen aard, zelfs als het gevaar loopt, zijn persoonlijkheid te verliezen, tracht door te zetten. Men spreekt van een "groot" karakter als zijn kracht gepaard gaat met groote onoverzien­bare, onmetelijke eigenschappen en talenten, en als er geheel oorspronkelijke, onverwachte bedoe­lingen, plannen en daden uit te voorschijn komen.

 

Hoewel nu ieder dadelijk inziet dat hier feitelijk het geestdriftige, zooals in het algemeen steeds, het Groote doet ontstaan, moet men zich toch niet vergissen en gaan gelooven dat hier van iets zede­lijks sprake is. Hèt fundament van het zedelijke is de goede wil, die volgens zijn aard alleen op het goede kan zijn gericht; hèt fundament van het karakter is het vastberaden willen, [energie] zonder dat er rekening wordt gehouden met recht of onrecht, goed en kwaad, waarheid of dwaling; het is dat wat iedere partij in haar aanhangers zoo hoogelijk waardeert. De wil behoort tot de vrij­heid; hij heeft op het innerlijk van den mensch betrekking, op het doel; het willen houdt verband met de natuur en heeft betrekking op de wereld van buiten, op de daad en omdat het aardsche willen steeds slechts een beperkt willen kan zijn, kan men bijna veronderstellen, dat in de uitoefe­ning er van het hoogere, dat het goede is, nimmer of alleen door toeval kan worden gewild.

 

Men heeft volgens onze overtuiging nog lang niet genoeg bijvoegelijke naamwoorden gezocht om de verscheidenheid der karakters uit te drukken. Bij wijze van proef willen we de verschillen die zich in de leer van de coherentie en de natuur­kunde voordoen, door een gelijkenis toepassen en aldus zouden er dan sterke, vaste, gecomprimeer­de, buigzame, plooibare, starre, taaie, vloeibare en wie weet wat voor karakters nog meer bestaan. . . .

We behandelen op dit oogenblik alleen het ka­rakter in zijn betrekking tot waarheid en dwaling. Het karakter blijft hetzelfde, al geeft het zich aan de eene of aan de andere over. . .. Hier doet zich nu een ethisch raadsel van den eersten rang voor, dat echter voor dengene die het zou wagen in de afgronden van den menschelijken geest af te dalen, niet onoplosbaar blijft. . . .

 

De mensch is aan dwaling onderworpen en daar hij zich voortdurend vergist, wordt hij dadelijk onoprecht tegenover zichzelf en anderen; deze dwaling kan zich in meeningen of in neigingen voordoen. Bij neigingen wordt het ons duidelijker, omdat er niet licht iemand zal zijn, die zulk een ervaring niet bij zichzelf heeft opgedaan. Als men aan een persoon meer liefde, meer achting schenkt dan hij verdient moet men dadelijk onoprecht tegenover zichzelf en anderen worden; men is genoodzaakt opvallende gebreken als voortreffe­lijke eigenschappen te beschouwen en deze bij zich zelf en anderen als zoodanig te laten gelden.

 

De rede en het geweten laten zich daarentegen niet van hun rechten berooven. Men kan tegen ze liegen maar men kan ze niet bedotten. Ja, we be­weren niet te veel als we zeggen dat, hoe zede­lijker, hoe redelijker de mensch is des te leugen­achtiger is hij, zoodra hij dwaalt; des te monster­achtiger moet de dwaling worden, zoodra hij daarbij blijft; hoe zwakker de rede is en hoe afge­stompter het geweten, des te meer past de dwaling bij den mensch, omdat hij niet gewaarschuwd is. Het dwalen wordt nu beklagenswaardig, het kan zich zelfs beminlijk voordoen.

Angstwekkend is het echter om aan te zien, wanneer een sterk karakter, om aan zichzelf trouw te blijven, trouweloos tegenover de wereld wordt en, om innerlijk waar te zijn, het ware als leugen verklaart en zich daarbij geheel onverschil­lig toont of men hem als halsstarrig, koppig, eigen­zinnig of belachelijk beschouwt. Desniettegenstaan­de blijft een karakter steeds een karakter, of het nu het ware of het verkeerde wil en er ijverig voor werkt.

 

- - - - -

 

Het karakter berust op de persoonlijkheid, niet op het talent.

Het karakter is een psychische gewoonte, en volgens-zijn-karakter-handelen beteekent: volgens zijn psychische en geestelijke gewoonte handelen, want deze alleen passen bij hem en dat wat bij ons past dat behoort eigenlijk bij ons.

Wie niet toegeeft, al ziet hij in, dat de ander gelijk heeft, wordt als een koppig karakter be­schouwd. Het valt hem echter gemakkelijker niet toe te geven. . .. het is zijn gewoonte. Men moet gewoonte echter aldus opvatten: we kunnen ons eigenlijk niets aanwennen, niets wat niet eigenlijk reeds ons eigendom is. Het is slechts het herhalen van het eerste oorspronkelijke handelen en het karakter is er eigenlijk vóór alle aanwendsel en gewoonte. Het verschijnt ons slechts als gewoonte, want we moeten iets zien terugkeeren, als we zul­len weten, dat het er is en dit terugkeeren, dit herhalen van het eerste en eene noemen we ge­woonte.

 

- - - - -

 

De gewone manier van denken is absurd. Men zegt: omdat hij dit of dat zoo dikwijls heeft ge­daan, is het hem tot gewoonte geworden. . .. Het is alsof ik zou zeggen: omdat ik den handschoen zoo dikwijls aan- en uit heb getrokken is hij wijd geworden. Als het niet de aard van het handschoen­leer was om wijder te worden had ik hem duizend en nog eens duizend maal kunnen aandoen en hij zou niet wijder geworden zijn. . .. Neen hij heeft het gedaan, zoo vaak en zoo dikwijls omdat hij het moèst, omdat het zijn eigenschap is en deze eigen­schap verschijnt ons als gewoonte, omdat we ze herhaaldelijk zien. Karakter is dus eigenschap èn gewoonte tevens.

 

 

 

04. De mens/onsterfelijkheid

 

 

In vele slapelooze nachten heb ik iets beseft, dat ik niet bepaald duidelijk kan beschrijven. Het scheen me alsof mijn ziel zonder begeleiding van mijn lichaam dacht, ze zag het lichaam zelve aan als een wezen, dat haar vreemd was, zoo als men een kleedingsstuk bekijkt. Ze stelde zich met buitengewone levendigheid de tijden en de gebeur­tenissen voor, die geweest waren en had daardoor een voorgevoel van wat zou volgen. Al deze tijden zijn voorbijgegaan en wat volgt, zal ook voorbij gaan; het lichaam zal als een kleedingsstuk stukscheuren, maar Ik, het welbekende Ik, Ik ben.

 

Licht, zooals het met de duisternis samen de kleur tot stand brengt, is een schoon symbool van de ziel, die met de materie aan het lichaam vorm geeft en het doet leven. Zooals de purperen glans van de avondwolk verdwijnt en het grijs van de stof achterblijft, zoo is het sterven van den mensch. Het is een ontsnappen, een verbleeken van het levenslicht. Daarom kijk ik niet naar een doode. Al mijn overleden vrienden zijn op deze wijze voor mij gestorven en hun schijngestalte blijft nog in mijn oog achter.

 

Het bewijs voor de onsterfelijkheid moet ieder in zichzelf dragen, van buiten af kan het niet wor­den geleverd. Wel is alles in de natuur verandering, maar achter die verandering rust iets wat eeuwig is.

 

Het is voor een denkend wezen volstrekt onmo­gelijk, zich een niet-zijn, een ophouden van het denken en leven voor te stellen; in dit opzicht heeft ieder het bewijs voor de onsterfelijkheid in zichzelf en geheel onwillekeurig. Maar zoodra men objectief uit zichzelf wil treden, zoodra men dogmatisch een persoonlijk voortbestaan bewijzen, begrijpen wil, die innerlijke overtuiging op een burgermansmanier gaat opsmukken, dan raakt men in tegenstrijdigheden verward. De mensch wordt er echter desondanks steeds toe gedreven het onmogelijke met het mogelijke te willen ver­eenigen. Bijna alle wetten zijn synthesen van het onmogelijke, bijv. de instelling van het huwelijk. En toch is het goed dat dit zoo is, want daardoor wordt het mogelijke nagestreefd, omdat men het onmogelijke eischt.

 

 

word vervolgd

  Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  
**********

Stem Spirituele Vrienden in de
Top 100 NL



**********
Tellers

 

 LetsStat website statistieken