HET ROODE LAMPJE II

 

SIGNIFISCHE GEPEINZEN

 

 DOOR

 

 

 Frederik van Eeden

 

II

 

 

 AMSTERDAM – W. VERSLUYS – 1921

SCIENTES BONUM ET MALUM.

 

1. Nu komt de herfst, en daarmee de groote beproe­ving en het groote raadsel. Nooit is de stilte in het woud zoo veelzeggend. Welk een stemming in al wat leeft. 't Is of alles tot inkeer komt, alles peinst, alles verdiept zich. Het komt tot inzicht van een groote vergissing. Het woud, de neevel-omsluyerde weilanden, de diep-blauwe lucht, de blanke wolken, het bedenkt alles en voelt dwaling.

En wij armen, wij menschen, wij voelen de dwaling het sterkst, wij voelen haast niet anders, en wij zijn ver­wond, verbijsterd, verpletterd.

Het is of wij moeten smeeken tot woud en wolken, tot neevel en zonnegoud: 0 stilte! stilte! - om na te denken en te peinzen. Er is iets ontzettends gebeurd, wij hebben ons vergist. Het is alles waan en dwaling, onze vreugde, ons geluk, onze lusten en pretjes, alles waarvoor wij ge­worsteld hebben en gekampt. Alles fout! alles om niet! alles mis!

 

2. Hebt wat geduld, broeders en zusters, dit werk is geen werk der vertwijfeling. Wij dalen samen in de duis­tere diepten der gedachten. Wij zweeven ver weg, als een komeet, tot aan de ijle donkere grenzen van het Univer­sum. Ademloos wachten de heemelingen op den terug­keer, al is 't van één enkele arme ziel. Rustig wacht de eeuwige Minnaar, kennend zijn Liefde, die verder reikt dan de grenzen der oneindigheid. Langsaam doorzweeven wij de verre baan. Totdat de kreet weergalmt: "Hij keert! Hij keert!" Het gejuich vervult de heemelen, de Minnaar breidt zijn vertrouwelijke armen uit en de glimlach van zijn ont­zachlijke vreugde verlicht de duisterste ruimten van chaos.

En dat alles om één enkele arme ziel, die terugkomt.

 

3. Twijfel! - maar geen vertwijfeling. Het voor­naamste is vast. De goddelijke Graviteit werkt ooveral en kent geen grenzen. Maar wij moogen geen zeekerheid verlangen behalve die ééne.

Twijfel en bedrog zijn de kenmerken van onzen staat, den scheemerstaat, waarin wij de verste kromming van onzen loopbaan doorzweeven, in tragen gang door de eeuwen.

 

4. Het Roode Lampje zegt: "Er is geen dwaling! er is geen fout! Niets is mis! Niets is mislukt! Het is alles volmaakt. Alles is in orde."

Zegt de arme ziel: "Hoe kan ik dan zoo ongelukkig zijn? Ik ben al verder en verder gelokt. Ik volgde het mooiste en liefelijkste wat ik zag. Is dat niet de weg tot onzen Heer?"

Zegt het Lampje: "Ja, dat is de weg tot onzen Heer."

Zegt de arme ziel: "Ik heb God's lokstem gevolgd, waar ik die het zuiverst vernam. Waar ik het innigst en het duurzaamst zijn roepen hoorde, door lieflijke gewaar­wording. Ook waar anderen van zonde spraken, en mij wilden teegenhouden, daar heb ik de zoete stem gevolgd. Deed ik verkeerd? Had ik niet moeten volgen?"

Zegt het roode Lampje: "Je hebt gedwaald en verkeerd gedaan, en toch heb je goed gedaan met te volgen. Je deed wat onze Heer van je verwachtte."

De arme ziel: "Maar heeft God mij dan misleid en be­droogen? Hoe sta ik dan nu zoo naakt en sidderend voor de uiterste wanhoop? Ik heb hem willen volgen. Altijd."

Het Lampje: Onze Heer weet niets van dwaling, noch van mislukking, noch van bedrog. Je ellende heeft goede oorzaak en zal goede gevolgen hebben. Voel je dat zelf niet?"

De arme ziel: "Ik voel het somwijlen."

Het Lampje: "Maar zoo is het altijd. Anders kon je het nooit voelen."

De Arme ziel: "Ach, laat mij begrijpen! Als ik meer begrijp, zal ik meer liefhebben. Als ik meer lief heb, zal ik minder lijden of het lijden beeter dragen."

Het Lampje: "Tracht dan te begrijpen. Je kunt genoeg begrijpen om het lijden te dragen. Peins en mijmer en zoek - tot je den weg vindt, die vreedig maakt. Dan is de uiterste kromming der komeet doorzweefd, de verste afstand van de zon bereikt, en het gaat weer sneller en al sneller terug naar des Minnaars armen."

De arme ziel: "Ach! waarom zond Hij mij op die verre komeeten-baan? Kon ik niet bij Hem blijven als rustige planeet, niet afdwalend in die eindelooze verre sfeeren?"

Het Lampje: "Des te grooter Godsvreugde breng je Hem bij je terugkomst. Wees dankbaar om dat vertrou­wen in je liefde."

De, arme ziel: "Maar ach, zijn er ook niet komeeten met parabolische baan, die nimmer terugkeeren?"

Het Lampje: "Dat zijn zij, die niet naar Hem verlangen zoo als jij. Zij meenen vrij te zijn en zijn Macht en Liefde­sfeer te kunnen ontzweeven. Maar er zijn nieuwe wae­relden achter alle waerelden, en de Graviteit zijner Liefde omvat Alles."

 

 

5. De herfst is het symbool van de inkeer, van het besef van dwaling, van het deemoedige berouw, van de omkeer in richting, de terugkeer tot den Eeuwigen, die ons vrij liet, en nu juicht als wij den weg tot Hem weeder vinden.

De zon met haar trawanten is het symbool van den Min­naar, die de zielen aan zich verbonden houdt door de zwaarte-kracht Zijner Liefde, al dwalen zij zoo ver af, dat zij Zijn licht niet langer kunnen zien. Maar zijn Liefde laat hen niet los. Nooit en nimmer.

Dit kan men begrijpen zonder leerstelligheid, uit eigen stille beschouwing en ooverpeinzing. Ik zal trachten het neer te schrijven, in woorden, die zorgvuldig beproefd worden, om het gevaar van misverstand.

Hoe schoon is het herfstgevoel. Geen Godsvreugde is sterker op aarde, dan die ontstijgt aan het stille, schoon­ verkleurende herfstwoud - en daarin de aandachtige, diep ingekeerde ziel.

 

6. Zonde, schuld, berouwen boete in Christelijken zin zijn woord-begrippen, die den fieren, vrijen geest niet bevreedigen. Hij voelt zich verongelijkt, onrecht­vaardig beoordeeld.

Hij denkt aan menschelijke verhoudingen, waarbij die woorden te pas koomen, en vindt hun toepassing op de verhouding tusschen God en mensch onreedelijk, onbillijk. Dat is geen hoogmoed. Het is een schoone fier­heid, die oprechtheid wil, en op de Waarheid vertrouwt. Het begrip, "strafwaardige zonde" kan hij niet op den mensch toepassen, want de mensch is blind en onweetend ter waereld gekoomen, door God begaafd met heevige neigingen en driften. Als hij daardoor verdoolt, dan kan men dat in billijkheid niet zijn schuld noemen, waarvoor hij straf verdient. Want bij God is de macht en de wijsheid, en dus ook de schuld en de verant­woording.

Maar toch heeft de vroome en deemoedige Christen in zijn neederige houding gelijk. O, ik kan het alles toe­lichten en verklaren, voor zoover het menschelijke misverstanden betreft. Beiden hebben gelijk, de zich diep verneederende en de fiere hooghartige.

Het conflict ontstaat door de woorden en de woord­begrippen. Maar met geduld moeten de knoopen worden ontward en losgemaakt. Geef er uw tijd aan, broeders en zusters, uw geluk en dat aller menschen is er mee ge­moeid. Geen vreede, geen zielsrust is bereikbaar zonder signifische ooverpeinzing.

 

7. Laat ons eerst de situatie van ons menschen zoo eenvoudig moogelijk onder woorden brengen. Met niet meer diepzinnigheid dan eigen is aan een beschaafd mensch, die wat onderwijs heeft genooten.

Om zich heen ziet de mensch menschen, dieren, planten, en lagere weezens, die allen met elkander vechten om hun bestaan, en voedsel vinden op de aarde, de planeet, waaraan hij oppervlakkig beschouwd geen leeven kan toekennen.

Al die leevende weezens nu vertoonen bizonderheeden, die, met de grootste duidelijkheid, bewijzen zijn van ver­nuft en schrander ooverleg. Iedere plant, ieder dier is met verbazende vindingrijkheid en wijsheid ingericht voor zijn bestaan. Wonderbaar vernuft wordt bij voor­beeld getoond door de gal-wespen, die de cellen van een plant dwingen tot bescherming en voedsel te dienen voor de jonge wespen-larve. Dit te verklaren door toeval ­zooals kort na Darwin's werksaamheid door sommige geleerden werd beproefd - dat is onzin en dwaasheid. En als er geen toeval is, dan gebeurde het door ooverleg en vernuft. En wel ooverleg en vernuft, waarbij het men­schelijke nietig lijkt. De voortplanting van dieren en planten, hun bescherming teegen droogte, kou, hitte en vooral teegen elkander's agressie, dat is alles eeven ver­wonderlijk en verbazend. De structuur van een ei-cel, de zintuigen der insecten - dat alles is onnavolgbaar en onbegrijpelijk vernuftig.

Nu is men gewoon, daar de macht en de wijsheid Gods in te zien, en te zeggen, dat God zijn schepselen wonder­baar heeft toegerust en beschermd.

Maar hier begint de moeilijkheid. .

Want al die wonderbaar toegeruste en beschermde schepsels hebben zoo groote fouten in hun maaksel, en streeven allen zoo duidelijk naar het onmoogelijke en onbereikbare, dat ons menschelijk verstand niet kan ge­looven, dat die creatuuren onmiddellijk door God zouden zijn geschapen.

Laat ons nu niet in gedachtelooze loftuitingen ver­doolen. Dat God lofwaardig is, behoeven wij niet te ver­zeekeren of te herhalen.

Maar het direct toe te schrijven aan een lofwaardige daad Gods, wanneer - om iets te noemen - een echi­no coccus of blaasworm zijn weg vindt van een honde­tong tot in de hersenen van een wijsgeer of poeët, om dien daarmee den dood te berokkenen - dat is dwaas­heid. Het mooge alles geschieden met Gods wil ~ goed! maar het kan niet dezelfde wijsheid zijn, die de blaas­worm zoo vernuftig toerust om zich in het menschenbrein te nestelen en er den dood te veroorzaken - en die het wonderbaar gecompliceerde menschenbrein heeft inge­richt voor menschelijke functies, maar zeeker niet tot een asyl voor blaaswormen.

 

 

8. Ooveral rondom ons staat dus kracht teegenoover kracht, geest teegenoover geest, vernuft teegenoover ver­nuft. Het is een geweldige kamp, ieder ras, ieder individu vecht voor zichzelf en put zich uit in bedenksels, in vin­dingrijkheid, om zelf te blijven bestaan en anderen te doen ondergaan. Zoo ging het ook nog in den grooten menschen-krijg, waar ieder teegenstander steeds verder­ dragend geschut, steeds wreeder, doodelijker krijgs­middelen bedacht. Geleerden en ingenieurs peinsden en cijferden in hun laboratorien; op het slagveld werden hun vondsten beproefd en tot meerder moord benut. Zoo moet in elke plant, in elke diersoort een denkende geest rusteloos beezig zijn, om het eigen geslacht te handhaven en te doen ooverheerschen.

En dit doel, dat eigen is aan al wat leeft, is dwaas en onbereikbaar. Geen plant of diergeslacht kan ooverheer­schen en bereiken het doel waarvoor het blijkbaar is aan­gelegd.

Ieder ras legt er zich met wonderbare energie, met wonderbaar vernuft, op toe om zich in 't oneindige te vermeenigvuldigen.

Daarbij kan men niet spreeken van een blinde voort­plantingsdrift. Want kan men een macht blind noemen, die zoo ontzachlijk vindingrijk en vernuftig is?

Men denke aan het aantal zaden, door een boom voort­gebracht, duizenden en duizenden - allen geheel ge­schikt en bestemd om weer een boom te worden. Men denke aan de schrandere zorgen voor de verspreiding der zaadjes, door pluizige zeiltjes, ligte vleugeltjes, haakjes en krammetjes, waarmee ze zich aan de vacht van dieren hechten, of door kleurige, smakelijke bessen, waardoor voogels en menschen de onverteerbare zaadjes ooveral heen brengen, tot ze ergens ontkiemen.

Het is een merkwaardig voorbeeld van menschelijke domheid of blindheid, dat dit feit van grandiooze mislukking van al wat leeft, en de verwonderlijke scherp­zinnigheid, waarmee die ijdele poogingen worden beproefd en herhaald - nooit is opgemerkt en verstaan.

Eerst sprak men van de wijsheid van den Schepper. Toen kwam het inzicht, dat al het geschapene onvol­maakt en gebrekkig is - en dus niet aan een alwijzen Schepper kan worden toegeschreeven.

Dit inzicht begon met de renaissance, met de toe­neemende vrijheid van gedachten, met het werk van vrije geesten als da Vinci, Bruno, Huygens, Spinoza, Rousseau, Goethe.

Tot het verliep, na den arbeid van Darwin, in de onbe­grijpelijke dwaling van geesten als Haeckel, die ondanks hun enorme feitenkennis, meenden dat blind toeval het weezen van den grooten kamp der schepselen kon verklaren.

Wie het woord "toeval" signifisch onderzoekt, zal be­vinden dat het geen verklarende kracht heeft. Het ver­klaart niets. Al het waarneembare leeven is symbool en aanduiding van het onwaarneembare. Waar we voet­spooren zien, zeggen we: "daar heeft iemand geloopen" . Waar we ingebeitelde figuuren zien op een rots en er is orde en verband in die figuuren, zeggen we: "daar zijn menschen aan 't werk geweest" en we leiden er uit af, hoe die menschen dachten en leefden.

Toen we niet meer konden aanneemen, dat een alwijze Schepper gebrekkige schepselen zou maken, met dwaze, onbereikbare neigingen, toen kwamen we op het niet minder dwaze denkbeeld, dat die steeds vechtende en elkander vernietigende leevende weezens "van zelf", zonder ooverleg of gedachte zouden zijn ontstaan.

Dat is een geweldige dwaling, die toont hoe ook bij ons vernuft en dwaasheid vlak bij elkaar kunnen woonen.

Het is bekend, dat Helmholtz, de beroemde oog-arts en geleerde, van het menschelijk oog zeide, dat als een instrumentmaker hem zulk een gebrekkig werktuig had geleeverd, hij het terug-gestuurd zou hebben.

Helmholtz zag, dat het oog als waarneemings-werktuig fouten had en niet volmaakt was.

Maar ieder schoolier kan zien, dat de samenstelling van het oog met zijn doorzichtige vochten en lenzen, zijn kun­stig gebouwd netvlies, een wonder is van onbegrijpelijk vernuft, en de uiting van een fijn en diep verstand.

Maar God, het hoogste Weezen, de Schepper van alle zonnen, die alles weet en alles kan - die zal geen gebrek­kig werktuig maken. Het oog is gebrekkig, en dus geen onmiddellijk handwerk Gods.

 

9. Hoe is het moogelijk, - mijn verbazing neemt steeds toe - hoe is 't moogelijk, dat men aan het Hoogste verstand al dit gebrekkige werk toeschrijft - en hem Schepper noemt, zoowel van den boom als van den worm, die den boom doorknaagt - van den mensch en van het woekerbeest in zijn bloed, dat hem langsaam ter dood brengt.

Maar ook - hoe is 't moogelijk, dat men al die ver­nuftige vindingen en uitneemend schrandere bedenksels en inrichtingen toeschrijft aan het toevallige blinde be­weegen van leevenlooze doellooze materie?

En hoe is 't moogelijk, dat bijna niemand op de ge­dachte komt - de eenig denkbare gedachte - dat alle leeven het werk is van min of meer zelfstandige, en altijd buitengewoon schrandere en sterke weezens, - wel door God geschapen, maar tijdelijk zelfstandig, streevend naar zelfhandhaving en vermeerdering van de eigen soort, parend wonderbaar vernuft aan absurde bedoelingen en neigingen.

 

10. Dit zijn geen buitengewoon diepe bespiegelingen - het zijn vraagstukken, die ieder mensch dagelijks ont­moet, en te ooverdenken krijgt.

Duizende stemmen spooren ons dagelijks aan, de schoon­heid en wijsheid van den Schepper en zijn schepping te bewonderen. Maar andere duizende kritische en twijfe­lende zielen vragen heimelijk: "hoe kan God zoo dom zijn, zijn eigen kunstige werken door eeven kunstige para­sieten te vernielen? Kan het één Weezen zijn, dat den mensch schept, en ook de koorts-miasmen, die hem ver­moorden en de anopheles-mug, die onweetend de mias­men ooverbrengt?"

Zoolang op deeze reedelijke vragen de mensch geen antwoord krijgt, zoo lang zullen het ook enkel de blind­gehoorzamen, de gedweeën en onzelfstandigen zijn, die gedachteloos naspreeken wat hen de kerk als waarheid vóórhoudt.

Maar de fieren ,de oprechten, de waarlijk vrijen en vroomen kunnen met deeze voorstelling geen vreede heb­ben. En signifische ooverpeinzing alleen kan vreede brengen in hun hart en eendracht tusschen hun verstand en hun gemoed.

 

10. Wat zijn het dan voor weezens, die ieder de eigen soort met zooveel slimheid en toch zooveel dwaasheid trachten te dienen?

Zijn het geesten? Dier- of plantgeesten? Bewuste, mach­tige, voor ons onzichtbare weezens, waarvan wij alleen de physieke deelen kennen? Bestaat er voor ieder leevend ras een geest, die alle individuën samenhoudt, zoo als de Bijen-kooning, waarvan men zeide, dat hij het bijenras be­heerscht? Een soort-ziel?

Ik heb in dichterlijke fantasie zulke plant- en dier­geesten verbeeld. In het vizioen van Pan's dood en in "Minnestrai". Maar het schijnt mij of het onderzoek daaromtrent, als weetenschap, nog beginnen moet, eeven-­als de zielkunde.

Men weet er nog niets van, omdat de geleerden nooit in die richting gezocht hebben. Ze namen genoegen met de voorstelling van een God, die gebrekkige maaksels maakt, of van een schepping, die zich doelloos en toe­vallig, uit doode atoomen samen-klontert.

Ik ken een botanisch handboek, van Francé, waarin duidelijk gezocht wordt naar de leevens-verschijnselen der planten, hun aanduiding van schranderheid en oover­leg, in den strijd teegen elkander en teegen de ooverige natuur.

Zoo alleen kunnen wij iets meer te weeten koomen om­trent het geestelijke leeven van elke soort.

Men kan dit reeds zeggen, dat de soorten niet altijd scherp begrensd zijn, dat zij geleidelijk in elkander oover­gaan, dat ze ook geleidelijk uit elkander ontstaan, al is de sprong (mutatie) soms tamelijk groot.

Soms lijkt het alsof niet de soort, maar sommige eigen­schappen van de soort een duurzaam leeven hebben en een éénheid vormen.

Voorts kan men zeggen, dat alle soorten of rassen elkan­der nabootsen, en dat ieder ras gebruik maakt van de wijs­heid en de ervaring der anderen. Bijna alle rassen, plant of dier, beginnen met dezelfde vormen van ei-cel, met hetzelfde verloop van kiem-bladen ontwikkeling, zelfs is het embryo van mensch en weekdier in de eerste stadiën vrij wel uiterlijk gelijk.

De leevens-uitingen van sommige insecten en sier­voogels wijzen op een sterk ontwikkeld schoonheids-ge­voel. Niet altijd van het individu, maar soms alleen van de soort. En weer onvergelijkelijk vernuftig is de wijze waarop de vleugel-teekening of veederteekening is be­reikt.

Darwin bestudeerde dit wonder uitvoerig bij de Argus­fasant. Maar de beteekenis ervan kon hij niet benaderen, omdat hem het begrip van een soort-ziel ontging.

Het verschijnsel, dat men "mimicry" noemt, schijnt mij een eeuwig raadsel, zoolang men de soort-ziel niet er­kent. Hier is, behalve verbazend vernuft, ook gril en hu­mor in 't spel.

De soms zoo uiterst fraaye teekening van schelpen en bloemen schijnt er op te wijzen, dat de schoonheid der individuën niet altijd door de individuën zelf kan worden waargenoomen.

Waarvoor vertoonen de weekdieren uit de Middelland­sche zee hun wonderbare kleuren-pracht?

De individuën hebben er geen zintuig voor.

Maar wij moeten ook voorzichtig zijn met ons oordeel oover het bestaan van zintuigen.

We bemerken toch, dat er bij dieren en planten waar­neemingsmoogelijkheeden zijn, die ons geheel ontgaan, waarvan wij niets begrijpen.

Het leeven der bijen is een voortduurende aanduiding, zoowel van het bestaan van een soort-ziel, als van onbe­kende zintuigen.

 

12. Er is een geweldige gedachte, die zich bij het signifisch peinzen telkens in mij voordoet. Soms verschrik ik ervan, meestal brengt ze heerlijke verruiming mee.

Het is deeze gedachte: het moet alles zoo zijn, als ik zeide, want hoe zou het anders kunnen?

Dit is de onzinnige stoutheid dier gedachte, dat men zich stelt voor de opgave van God, een Heelal te bevolken en te bestieren.

En toch komt de gedachte steeds terug, met een zee­genrijk vertrouwen: dit is de eenige oplossing, voor zoover ons begrip reikt. Het moet zóó zijn.

Nooit herbergde ik in mijn ziel een denkbeeld zóó stout­moedig, en toch zoo kinderlijk eenvoudig.

En het kan God niet ongevallig zijn. De gedachte zegt: beproef het maar! bedenk maar eens iets beeters!

Hoe zou de schepping anders kunnen zijn?

Een doode waereld? - met ziellooze wetten en reegelen?

Een alwijze, almachtige God, die alles precies en on­middellijk laat gebeuren naar Zijn wil? Een Heelal zonder kwaad, zonder smart, zonder zonde, zonder leugen, zonder strijd, zonder waan? Dit ware eeven dood als het andere.

Maar een oneindige veelheid van leeven, in zich on­volmaakt, gebrekkig leeven, geschapen door eindige, on­volmaakte weezens, uit God ontsprongen, maar vrij ge­laten in hun wenschen en neigingen - die zich eerst in hun bandeloosheid van God verwijderen, om dan tot steeds vernieuwde vreugde van hunnen Heer, in zijn armen terug te keeren, in een eeuwig ritme, om in onderlingen strijd en disharmonie te samen de volmaakte Harmonie te vormen, dat is de eenige moogelijkheid. Hoe dieper doordacht, des te vaster en zeekerder geloofd.

O! de heerlijke verrukking - kortstondig – vluchtig ­maar toch telkens weerkeerend: het moet zoo zijn, het kan niet anders en Hij heeft mij dat begrip ingestort, mij deel­genoot gemaakt van dat geheim.

Het staat er nog ruuw en plomp en kinderlijk. Maar duidelijk voor wie signifisch denkt.

 

13. Deeze gedachte is geen abstractie, geen dialektisch doorgevoerd systeem, het is de eenvoudige formuleering van aan ieder bekende waarheeden.

Ieder weet, dat alle dieren en planten elkander bestrij­den, met énorm vernuftige middelen en eeuwig dóór­werkende énergie.

Ieder weet ook, dat al die weezens tevergeefs arbeiden en het onmoogelijke willen. Ze zoeken elk alle anderen te ooverheerschen en zelf eeuwig te duuren. Dat kan niet. Het zou strijden teegen de waereld-orde. Ieder begrijpt dat.

Ieder begrijpt ook, dat de Heerscher oover alles geen gebrekkig werk doet. Dat dus de schepselen, hoe vernuf­tig ook gebouwd en toegerust, geen direct maaksel van God kunnen zijn, omdat ze gebrekkig zijn.

Zij zijn allen onderling in eeuwigen strijd, in gesta­dige disharmonie, omdat ze door God zijn vrij en zelf­standig gelaten.

Te samen vormen zij, elk in zijn onvolmaaktheid, de volmaakte Harmonie.

Dit moet voor elk duidelijk zijn. Het kan niet anders.

En hoe is 't met den mensch?

 

14. In deeze Idee past de mensch nauwkeurig, Het hem kenmerkende is deeze gedachte zelf. Hij heeft de ontwikkeling bereikt, waarop de geweldige gedachte meer en meer zichtbaar wordt.

In alle dieren en planten zijn twee krachten bemerk­baar, twee richtingen, twee groote tendenzen.

Ten eerste de kracht van het ras, van de soort, zich uitend in elk individu, als een streeven tot al-ooverheer­sching en tot altijd-duur. Dus een dwaas en onmoogelijk streeven, dat eindigt in ondergang.

Ten tweede de kracht van God, die de oorspronkelijke driften gaf aan de soort, en alle werksaamheid dwingt, zich te voegen in de waereld-orde. Daarmeede worden de ijdele poogingen der soorten gefnuikt, maar al hun werksaamheid dienstbaar gemaakt aan het groote doel der schepping: de volmaakte Harmonie en allerhoogste Godsvreugde.

Beide krachten zijn noodig. Ze koomen oovereen met de natuurlijke en booven-natuurlijke krachten, waarvan de Kerk spreekt.

De eerste kracht, de natuurlijke, doet de soort zich ont­wikkelen tot steeds wisselende schoonheid, maar ze is zelf tot ondergang bestemd. De booven-natuurlijke of Goddelijke kracht werkt in het groote geheel der matérie, en beperkt, dwingt en vervangt de eerste kracht, ten be­hoeve van het groote doel van al wat is.

In den mensch werken ook beide krachten, en hij weet het.

Bij de planten en dieren is geen innerlijk conflict. De natuurlijke kracht werkt zonder weifelen, zonder omzien, zonder scrupule, alleen voor het eigen best. Dit is het kinderlijke en schuldelooze egoïsme der natuur-weezens. De werking der goddelijke macht wordt niet bespeurd. Vandaar geen zonde, geen berouw, geen schuld.

In den mensch worden beide krachten bewust, elk in hunnen aard en hun weezen.

De mensch kent het eigen dubbel weezen.

 

15. Hier past de fraaye gelijkenis van Tagore, die van de bloem. De bloem die zijn schoonheid dankt aan een eeuwen lang worstelen teegen vijandige natuurmachten en meededingers in den bestaans-strijd. Wie de bloem kon uitvragen naar haar verleeden, zou één lange klacht hooren oover droogte en hitte, kou en vocht, wreede dieren en menschen - een bittere, eeuwenlange lijdensweg.

Maar wie nu de bloem ziet, ziet enkel fijne schoonheid, harmonie en zuiverheid, teedere kleur en ranke vorm. De natuurlijke kracht van de bloemen acht zich mislukt en doelloos, omdat de bloem afvalt en de plant uitsterft. Maar de Goddelijke kracht bedoelde de schoonheid der bloem, en dat doel is bereikt.

 

16. Ik bezag gisteren aandachtig de in prachtige weer­schijn glanzende oogen op het veeder-kleed van de spie­gel-pauw, als metalen bolletjes van heerlijke changeant­kleur .

Toen ging ik ook een groote vlindercollectie bezien, vooral de Braziliaansche vlinders, met hun schitterend blauw-groen-bruine weerschijnkleur, zóó aangebracht, dat de wieken op verschillende afstand gezien, dof­bruine of fel-vlammend blauw-groene kleur vertoonen.

Ik ben nu nog onder den indruk van dat wonderbare schouwspel.

Het is alsof mij plotseling duidelijk werd, dat hier tot ons gesprooken wordt, met hoorbare stem en verstaanbare taal: "Zie je niet, wie ik ben? Bewonder je mijn werk niet? Is deeze kleur niet prachtig, en heb ik ze niet wèl­gekoozen en kunstig aangebracht?"

Zijn jullie menschen dan blind, dat je onze kunst niet ziet? Dacht je nu heusch, dat zulk kunstig weefsel, saam­gesteld uit miljoenen teedre schubjes, die ieder aan weers­zijden een andere kleur vertoonen en- tot een sierlijk patroon zijn aaneengevoegd - dat zulk weefsel door toe­val zou kunnen ontstaan? Idioot!"

"God! - zeg je? - God? - maar wie zal nu zoo dwaas zijn zijn eigen werk, dat toch altijd maar schepsel-werk is, aan God toe te schrijven?"

"Als je een huis bouwt of een boek schrijft, zeg je dan, dat God het doet? Wij doen ons best, maar andere vlinders doen ook hun best, en er zijn mooyen en ook heel leelijken-"

"Wij zijn nu mooi, en trotsch op onze schoonheid, want we hebben er eeuwen en eeuwen voor gewerkt. God zal ons werk goed vinden. Maar dat is geen reeden om te zeggen, dat Hij het zelf heeft gemaakt. Dan zou Hij ook al het leelijke en gebrekkige gemaakt hebben - en ook de slangen en roofvoogels en vliegende honden, die ons op­eeten. Ieder ras doet zijn best, en wat er mooi en goed van is, dat blijft en wordt door God aanvaard. Maar daarom zijn wij nog geen gooden, en is ons werk niet God's werk."

Geleerden zullen zeggen, dat die bewondering van ons menschen toch wel een toevallig verschijnsel kan zijn. Mooi vinden ligt aan ons, en ook een eedelsteen vinden wij mooi, al denken wij niet aan een zeekere goede smaak in den eedelsteen zelf.

Hierteegen voer ik aan, dat men wel deegelijk een ver­schillende aard van schoonheid, in alles wat schoon heet, ontdekken kan.

De eedelsteen doet ons aan met de schoonheid der na­tuurverschijnsels, zooals kristallen, bergen, wolken, meeren. Hierbjj denkt men aan het groote geheel, niet aan de willekeur van beperkte schepselen.       

Planten en bloemen-soorten toonen de beperktheid van zelfstandige weezens. Ze hebben eigenschappen van schepsels, zooals heersch-zucht, en ook zelf-zucht, ook­ volharding en vindingrijkheid; hun structuur verraadt al­tijd hoog vernuft. De wonderlijke schoone vormen, kleuren en geuren toonen grillige schoonheids-dorst, rijke fantasie. Zooals de orchideeën, die van gunstige omstandigheeden weeten partij te trekken tot bijna al te grillige­en weelderige schoonheid, tot schoonheids-excessen.

Het schoon van schelpen is iets geheel anders. Daar ziet men fraaye reegelmatige figuuren en zachte kleuren.. Maar die kleuren en die teekening op de schelpen, en ook het schoon-glanzende paerelmoer, het maakt niet den in-druk van een willekeurige inspanning, zooals bloemen,  vlinders, voogelveederen.

De schelpen zijn ook niet zichtbaar ter bewondering uitgestald, op den zeeboodem ziet de mensch ze niet.

Het schoon der schelpen is expressie van hun geduldig en volhardend bouwen, ter eigen bescherming, geen poo­ging tot sieraad. Maar wèl is sieraad wat die schoonste schepseltjes onzer aarde, de kleine gracelijke en uiterst fijne siervischjes vertoonen, die zich handhaven in de warme, tropische moerassen en vijvers, en die door de Chineezen worden bewonderd en gekweekt. Hun kleuren  zijn prachtig, hun teekening is eeven teeder als grillig. Zonder twijfel bewonderen ze elkander, zoo als ook de pauwin haar pronkende gade bewondert.

Meestal worden de kleuren in den paartijd het mooist, zoowel bij visschen, als bij voogels en insecten. Dit wijst op onderlinge bewondering en gewilde aantrekking en bekooring.

Op bewondering van den mensch reekenen zij stellig niet - en toch voelt de mensch hun schoonheid, zooals hij ook de schoonheid voelt van het nachtegaals-lied, al wordt het niet voor hem gezongen.

Maar hoe kan men meenen, dat een zelfde Weezen al deeze schoone diertjes en planten schiep - de schitte­rende colibrie's, de orchideeën, de weerschijn-vlinders, de sier-vischjes - en de afzichtelijke pad met zijn wrat­tenhuid, die de mooiste vischjes en insecten op-eet, als hij kan, - de giftige pof-adder, het logge, wreede en domme nijlpaard en de draken en monsters der voorwaereld, die sints aeonen alweer, als mislukte poogingen, zijn te niet gegaan en weg geruimd.

Zeeker! alle leeven komt voort uit het hoogste Leeven, het is

“of God zijn zelfheid wil herhalen

en met zichzelf in wisselwerking treedt."[1] 

Maar het is eeven onzinnig te zeggen, dat God zelf alle dieren, planten en menschen geschapen heeft, als te zeg­gen, dat God alle huizen van Amsterdam gebouwd of alle boeken uit de stads-bibliotheek geschreeven en ge­drukt heeft.

 

17. Ik sprak van twee krachten of tendenzen, die be­merkbaar zijn in al wat wij leevend noemen: planten, dieren, menschen.

Het leeven van zonnen en planeeten bemerken wij niet, het ontgaat ons in zijn uitingen, al begrijpen wij, dat er niets geheelleevenloos is.

Maar er zijn eigenlijk drie tendenzen in het leevende.

Uit die drie kan het geheele leeven worden afgeleid.

De eerste tendens is de neiging van de door God vrij en zelfstandig gelaten soort. Dat is dus het rusteloos vol­hardend streeven van iedere soort naar zelf-handhaving, naar altijd-duur. Dit veroorzaakt wat men den "strijd om 't bestaan" noemt. Deeze neiging is eigen aan iedere soort en aan ieder individu. Ze is doelloos, of doel in zichzelf, ze kent geen ander doel waarvoor ze dienstig zou zijn. Ze kent geen liefde dan van individu tot soort en van soort tot individu. Ze staat vijandig teegenoover alle andere soorten. (Misschien met uitzondering van wat symbiose heet: het samen leeven en elkaar helpen van sommige mie­ren en planten, en van menschen en huisdieren.) Deeze eerste neiging is dus zelfzuchtig, hebzuchtig, heersch­zuchtig. Ze is hoogst vernuftig, maar toch dwaas, onree­delijk, liefdeloos en blind. Ze streeft naar de alleen-heer­schappij van haar eigen soort. Een doel dat haar eigen ondergang zou zijn. Ze offert - in lagere vormen ­roekeloos haar individuën op aan haar eigen soort-bestaan. (Darren-moord bij de bijën).

Wie nu alleen deeze tendens bij het leevende bestu­deerde, zou tot de conclusie koomen, dat zelfzucht en wreedheid eigen is aan de geheele schepping, en dat er geen ander doel bestaat dan eeuwige strijd om het bestaan, en ooverblijven van de geschiksten, die toch ook weer en zelfstandig gelaten soort. Dat is dus het rusteloos vol­hardend streeven van iedere soort naar zelf-handhaving, naar altijd-duur. Dit veroorzaakt wat men den "strijd om 't bestaan" noemt. Deeze neiging is eigen aan iedere soort en aan ieder individu. Ze is doelloos, of doel in zichzelf, ze kent geen ander doel waarvoor ze dienstig zou zijn. Ze kent geen liefde dan van individu tot soort en van soort tot individu. Ze staat vijandig teegenoover alle andere soorten. (Misschien met uitzondering van wat symbiose heet: het samen leeven en elkaar helpen van sommige mie­ren en planten, en van menschen en huisdieren.) Deeze eerste neiging is dus zelfzuchtig, hebzuchtig, heersch­zuchtig. Ze is hoogst vernuftig, maar toch dwaas, onree­delijk, liefdeloos en blind. Ze streeft naar de alleen-heer­schappij van haar eigen soort. Een doel dat haar eigen ondergang zou zijn. Ze offert - in lagere vormen ­roekeloos haar individuën op aan haar eigen soort-bestaan. (Darren-moord bij de bijën).

Wie nu alleen deeze tendens bij het leevende bestu­deerde, zou tot de conclusie koomen, dat zelfzucht en wreedheid eigen is aan de geheele schepping, en dat er geen ander doel bestaat dan eeuwige strijd om het bestaan, en ooverblijven van de geschiksten, die toch ook weer moeten ondergaan. Dit is de materialistische dwaling, in zich absurd en ondenkbaar.

Maar de tweede tendens is de goddelijke tendens, die de eerste, natuurlijke tendens gaandeweg aan zich onder­geschikt maakt. Deeze tendens is gericht op het eigenlijke doel van al wat bestaat. Dat doel kan niet anders zijn dan Godsvreugde, het onderhouden van het steeds vlammende vuur der goddelijke gelukzaligheid. Wie mij vraagt hoe ik dit weet, dien antwoord ik, dat het uit des vragers eigen woorden is af te leiden.

Als hij zegt: "vreugde", dan leert de significa dat hij zegt: "dat wat ieder begeert en waarheen alles streeft en wat dus het meest waarachtige, duurzame en werke­lijke is."

De eerste tendens verwekt ook vreugde, maar alleen als "genot", dat wil zeggen, als de lust, die ligt in het volgen der ingebooren neigingen. Deeze natuurlijke vreug­de ontstaat door het voldoen aan de natuurlijke neigingen, zich voeden en zich voortplanten.

Maar al die genietingen zijn voorbijgaand en bevree­digen niet. Eerst als resultaten van die natuurlijke vreugden van de eerste tendens, ontstaat een hooger eevenwigt en wordt er gevolg gegeeven aan een hooger tendens. Deeze tweede tendens harmoniseert al het leevende, beheerscht al de krachten van individu en soort, tot de Godsvreugde ontstaat, die duurzaam is en bevreedigt.

Dat dit zoo is, wordt door de plant- en diersoorten niet merkbaar beseft, zij volgen den eersten tendens zonder ophouden, totdat ze ten ondergaan, in wanhoopigen strijd. Uit hun strijd echter wordt als 't ware de sehoonheid ge­destilleerd, als wijngeest uit den wijn, de "geest" van hun moeilijk en pijnlijk bestaan, tot het einddoel der schepping: "Gods Harmonie en Zaligheid"

Bij den mensch nu wordt deeze tweede neiging door het individu zelf bemerkt en zelfs pijnlijk gevoeld als een conflict.

Dit is geen verzonnen theorie, het is een feit, waarvoor ieder mensch al van zijn geboorte af geplaatst wordt. Bij het zeer jonge kind begint al de strijd tusschen "stout zijn" of "zoet zijn". Dat wil zeggen het beperken en onderdruk­ken van den eersten tendens ter wille van den tweeden.

Wij menschen weeten, voelen en beseffen, dat er in ons tweeërlei neigingen zijn, die voortduurend met elkaar in heevigen smartelijken kamp zijn gewikkeld.

Ook wij menschen hebben, als alle dieren en planten­soorten, de neiging tot zelfhandhaving, tot ooverheerschen van alle anderen, tot altijd-duur. Dat is de eerste tendens..

Maar wij bemerken, door gevoel en verstand, wat plan­ten en dieren niet schijnen te bemerken, dat deeze tendens dwaas is, absurd, streevend naar het onbereikbare, zonder ­eenige kans op bevreediging. Ook de "wil tot macht" die door Duitsche filosofen tot einddoel werd verklaard, be­hoort tot die eerste, absurde tendens. Alle soorten zoeken macht, ooverheersching van alle anderen. Maar dit kan niet bereikt worden, eevenmin de oppermacht als het eeuwig bestaan, - door beperkte, zelfstandige weezens...

Zoo ook zocht de menschensoort oppermacht en altijd­duur , zoowel voor het individu als voor de soort. Maar dit is natuur!ijk te vergeefs.

Dat wat alles zoekt is genot en vreugde. Macht wordt alleen begeerd omdat het verkrijgen van macht vreugde geeft, maar vreugde alleen als genot.

Genot ontstaat door het voldoen aan de drang van de ­eerste tendens. Genot is als 't ware de belooning, door­ God verbonden aan het gehoorzamen van de eerste ten­dens.

En eerst als de natuurlijke (eerste) tendenzen in alle die­ren en menschen tot een zeeker eevenwigt zijn gekoomen, ontwolkt daaruit de Gods-vreugde, die de belooning is voor het volgen van de tweede (goddelijke) tendens. Tot die Gods-vreugde behoort ook de schoonheids-bewondering, in natuur en kunst, en ook alle stemmings-vreugde, en alle vreugde om het begrijpen, alle ethische, aestetische en intellectueele vreugden.

Deeze tweede, goddelijke tendens is telkens in strijd met de natuurlijke tendens, dit is niet te loochenen. De belooning, in genot, van de eerste tendens, verzwakt en vermindert in bevreediging. Door het drijven van die eerste tendens, ontstaat genotzucht, die tot zelfvernieling

voert. Voeden en voortplanten worden duidelijker absurd als einddoel.

De tweede, goddelijke tendens wordt steeds meer zicht­baar. Haar belooning is niet het genot van de eerste ten­dens - maar hooger vreugde, die men noemt religieus, of heilig of gewijd. En de schoonheid en de wijding, die bij dier- en plantsoorten volgt uit beheersching van de eerste tendens door de tweede, - zonder duidelijk besef van de soort zelf, maar tot bewondering voor hooger soor­ten - die wordt in de hoogste soort, de menschen-soort, welbewust waargenoomen, gezocht en versterkt.

Men kan niet met zeekerheid zeggen, dat de menschen­soort de hoogste soort is, alleen omdat we geen hooger soorten waarneemen. Want ons waarneemings-vermoogen is gebrekkig. Maar dit is zeeker, dat de menschen-soort zich van alle andere bekende soorten onderscheidt door het besef van een tweede, goddelijke tendens, waarvan de vervulling vreugde geeft, een soort genot, die mach­tiger is dan de belooning voor het volgen van de eerste tendens. De vreugde, die ontstaat door zelfverloochening, door onthouding, en matigheid, door bewondering van natuurlijke of kunstmatige schoonheid, door begrip van het spel der krachten in de schepping - en eindelijk door het gebed, het zich één-voelen met het Hoogste Weezen - al die vreugden zijn in gestadigen strijd met de genietingen van het zich voeden, het voortplanten en het zich behagelijk voelen, die ontstaan door het volgen van de eerste tendens.

In het eerste boek[2]   spreek ik oover den Trots en onderscheid goede en slechte Trots.

Welnu, de slechte Trots behoort tot de eerste tendens, die streeft naar zelf-handhaving, naar genot, naar macht en aanzien.

De goede Trots behoort tot de tweede, goddelijke ten­dens, die de verloochening van de eerste verlangt, en al het persoonlijke, natuurlijke en lagere ondergeschikt wil maken aan het gesamenlijk onderhouden van het groote vuur van Liefde en Zaligheid, en de harmonische vol­maaktheid van het Al.

Dat is de Trots, die weigert toe te geeven aan den Leu­gen, en zich verzet teegen de genot-belofte van de eerste tendens.

 

18. Ziehier het imperialisme, als het ooveral dreigende kwaad, duidelijk gemaakt.

Imperialisme, de zucht tot ooverheerschen en onder­drukken is kenmerkend voor de eerste, natuurlijke ten­dens. Ze is merkbaar bij planten, dieren, volken en indivi­duën. Het is de Wil tot Macht, de hoogmoed, die als sata­nisch en zondig wordt begreepen, zoodra het inzicht er is van het verschil tusschen eerste en tweede tendens. Lucifer, de gevallen engel, valt door hoogmoed, daar hij zijn eigen natuurlijke tendens, de zucht tot zelf-handhaving en altijd-duur stelt teegenoover de tweede goddelijke ten­dens, die tot volmaaktheid en zaligheid voert in God.

Tot aan het ontstaan van den mensch, met zijn zelf­inzicht, is de eerste tendens goed, zondeloos, onschuldig. De tweede tendens werkt reeds, doch onopgemerkt.

Maar zoodra het inzicht van de tweede tendens is ont­ staan, dan wordt ook de eerste begreepen als kwaad, als zonde, teegenstander van de goddelijke hoogere vreugde.

 

19. De derde tendens?....

Nogmaals betuig ik, dat dit geen abstracte theoriën zijn, maar de formuleering - met signifische bezinning ­van hetgeen iedereen kan weeten en waarneemen.

Zonder de derde tendens, kon noch de eerste, noch de tweede werken. Toch is ze de laagste van de drie.

Deeze derde kracht is wat men noemt de stof, de maté­rie (huulè).

Deeze derde kracht is, als alles wat leeft en wat is (visibilium et invisibilium), aan de Godheid ontsprongen en gehoorzaamt aan door God gestelde wetten. Die wetten zijn wat wij noemen de natuurwetten, eeuwig, onveran­derlijk, en in alles werksaam, eeven als de tweede tendens.

Deeze derde tendens is niet vrij, zooals de eerste. Ze is altijd slaaf, hetzij onderworpen aan de Godheid, hetzij onderworpen aan het vrije, leevende weezen, het schepsel der leevende natuur.

Ieder kan, bij eenig nadenken, zelf inzien, hoe schoon en wijs de samenhang deezer drie krachten is gereegeld.

De wetten van de stof, de natuurwetten - dat is de derde tendens - worden volkoomen beheerscht door Gods macht, maar de eerste tendens, de werking der vrije schepselen, krijgt er een toeneemende macht oover, al naarmate ze toegeeft aan de tweede tendens, die het op­ streeven naar de Godheid beloont door de hoogste vreugde.

De derde tendens, dat is alles wat ons leevenloos schijnt - zoowel de zonnen en zonnestelsels, als de mole­culen, ïonen en electronen. Altijd en ooveral heerschen haar wetten, maar het vrije, leevende schepsel (eerste ten­dens) weet er partij van te trekken, en komt er zelfs toe, als de tweede tendens bewust en sterk wordt, de derde tendens te beheerschen. Men zegt dan, dat de ziel meester wordt oover de stof, of zooals Paulus het uitdrukt: "de geest gaat heerschen oover het vleesch."

Deeze matérie, deeze derde tendens, is niet geheel lee­venloos, maar haar leeven is laag, en haar karakter is slaafs, laf, oneedel.

Haar teegenstand teegen de eerste tendens is volstrekt noodsakelijk. Alleen door den strijd er mee kan de eerste tendens tot hooger ontwikkeling geraken, tot de tweede, tot God voerende tendens. Door die derde tendens ont­staat het eevenwigt in de groeyende soort, die weerstand noodig heeft tot ontwikkeling.

Er kan nu tusschen eerste en derde tendens een soort verbond tot stand koomen, waardoor de tweede, hoogste tendens verwaarloosd wordt. Dat is het kwaad, de zonde. De eerste tendens wordt door de derde omlaag gehaald. "Het vleesch verlokt den geest," Paulinisch gesprooken. De derde tendens belooft haar vreugde (genot) aan wie haar volgt. Maar de eenige toekomst, die ze bieden kan, is Ouderdom en Dood.

 

20. Ouderdom en Dood, dat zijn de twee geweldige feiten, waardoor het aan de eerste tendens, aan het vrije schepsel, duidelijk wordt, dat niet de derde tendens, maar de tweede haar hoogste doel-eind aanwijst en omvat.

Wie het voorgaande niet erkent, wie het bestaan en de samenhang der drie krachten of tendenzen loochent, die zal nooit een bevreedigende waereld-beschou­wing - die toch ieder zoekt en wenscht - bereiken. En wel omdat hij onverbiddelijk geplaatst wordt teegenoover de vreesselijke raadsels van Ouderdom en Dood. Daarvan is geen oplossing moogelijk, en geen verzoening ermee is denkbaar. Men kan de oogen sluiten en het gezicht in de kussens verbergen, maar de dreiging van Ouderdom en Dood blijft grijnzen uit het diepste donker.

Men kan snoeven op zijn trots en zijn moed - geholpen door een opgeruimd gestel en een sterk lichaam - alles ontzinkt ons, zoodra de greep van de eerste tendens op de derde - van het schepsel op de stof - verzwakt. Dan baat geen lichaamskracht, geen blijheid.

Het aller-vreesselijkste dreigt en dwingt ons den twee­den weg te zoeken, den tweeden tendens te gehoorzamen, als de eenige die troost en verzachting brengt.

Maar die verzachting ontstaat alleen door onderdruk­king van de eerste tendens, hetgeen smartelijk is en zelf­verloochening vergt. Dit is wat de Katholieken "verster­ving" noemen.

 

21. Bij den Dood verliest het schepsel - (de eerste tendens) zijn macht oover de stof (de derde tendens).

De derde tendens, de matérie, herneemt zijn vrijheid. Dit is, naar ik uit hooger kennis-bron vernam, de oorzaak van de expressie van vreede op het gelaat van de afge­storvenen; niet de ziele-vreugd van de tweede tendens, die hoegenaamd geen invloed meer heeft op de stof.

De derde tendens verlangt vrijheid, eeven als alle schepsels, en als de eerste tendens haar macht oover ma­térie verliest, verheugt deeze zich oover de herwonnen betrekkelijke vrijheid, waartoe ze nu terug-keert. Die vrij­heid is chaotisch, laag-leevend - maar onder onmiddel­lijke macht van God door de natuurwetten.

De eerste tendens - haar macht en steun verliezend, moet Of oovergaan in de tweede tendens, Of terugzinken in chaos.

Heeft zij, in het leeven de tweede tendens gevolgd en de eigen neiging ooverwonnen, dan wacht haar de be­looning als Gods-vreugde, haar eigenlijk doel. Dan gaat zij, de derde neiging geheel verliezend, oover in het hoogere bestaan, dat de essens, de geest, omvat van al wat vreugde en schoonheid heet. Deeze Gods-vreugde wordt niet veroorzaakt door allerlei gelukkige omstandigheeden en gebeurtenissen - als daar zijn het weeder-zien der ge­liefden, het vrij-zijn van zonde en zorg, van kwaad en leugen - maar die Gods-vreugde is een wijze van bestaan, die uit al wat bestaat de vreugde en schoonheid distilleert en gewaar-wordt. Dit is de oneindige liefde, waarmee ­naar Spinoza's woord - God zichzelven bemint, de hei­ligheid en gelukzaligheid der katholieken.

Dit kan alles met zooveel zeekerheid gezegd worden, omdat in veele gevallen reeds tijdens dit leeven de eerste tendens zich geheel onderschikt aan de tweede - b.v. bij de Katholieke Heiligen - en ons dan volkoomen duidelijk wordt, hoe het volgen van de tweede tendens de belooning der Gods-vreugde met zich brengt.

Niet door allerlei uitwendig toestroomend geluk ­maar door een ziele-schat, die alles, ook het afschuuwe­lijkste en vreesselijkste, als vreugde ondervindt.

Dat leert ons het leeven van de groote heiligen, ook dat van mijn gezeegende tijdgenoot Sadhoe Soendar Singh.

 

22. Men lette wel op, dat ik de woorden "kracht", "tendens", " neiging " en "schepsel" soms afwisselend ge­bruik. Voor den niet-significus is dit verwarrend. Een "schepsel" vind hij iets heel anders dan een "kracht" of “neiging” of "tendens” .

Dit is echter niet juist. Hetzelfde wat ik "schepsel" noem, kan ik ook "kracht" of "neiging" noemen - omdat het verschil voorloopig onbepaalbaar is.

Een schepsel, zonder de derde tendens, dat wil zeggen zonder "matérie", is voor ons zoo iets onbegrijpelijks, dat wij het ook zeer goed alleen door het woord "neiging" of "kracht" kunnen aanduiden. "Tendens" is misschien nog het beste woord, om zijn uitheemsche klank, en door het niet ongewoone van expressie "bewuste tendens". De drie tendenzen, waarvan ik sprak zijn altijd als "bewuste ten­denzen" te verstaan. Signifisch doordacht heeft het woord "bewust" geen zin, daar wij van "onbewust" geen voor­stelling noch begrip hebben. Alles wat wij waarneemen, direct of indirect, is "bewust".

 

23. Het zou reeds een ontzaglijke vooruitgang voor ons menschen zijn, als wij allen, nauwgezet en zorgvuldig, onderscheid leerden maken tusschen "genot" (voldoening der eerste tendens) en "vreugde" of "Godsvreugde" (vol­doening der tweede tendens).

We zouden dan van zelf tot het inzicht koomen, dat "genot" moet worden bestreeden, naarmate "vreugde" wordt bereikt. Een eenvoudig inzicht der significa - dat bij ernstige toepassing het geheele weezen der menschheid kan veranderen. Tusschen "vreugde" en "Gods vreugde" is signifisch ook een scherp onderscheid te maken.

"Vreugde" is de persoonlijke voldoening van het beperkte schepsel door de tweede tendens. De mensch voelt vreugde als hij schoonheid en goedheid ondervindt, als hij innerlijk in eevenwigt is en, ondanks zorgen en bezwaren, een blijde toekomst na den dood verwacht. Maar dat geldt hem alles persoonlijk.

Het woord "Godsvreugde" zou ik alleen dan willen gebruiken waar een ligte scheemering begint van het booven-persoonlijke, waar is een gemeenschappelijk ver­heugen door het wegvallen der begrenzingen van het schepsel. Het sterkste ondervond ik dat waar veele men­schen in schoone en gemeenschappelijke aandoening bij­een zijn, in een kerk, maar ook in groote bijeenkomsten, zelfs bij een waereld-tentoonstelling, zoo als die in 1900 te Parijs. Dan is de welbesefte, heilige aandoening er wel niet, maar het gevoelige individu ondergaat de gewaar­wording van gemeenschappelijk geluk en verheugt zich met Gods-vreugde, en voelt zich één met den Schepper en al het geschapene. (Walt Whitman).

 

24. Hier een korte opmerking oover de derde tendens, die oovereen komt met wat men wel "matérie" noemt. Ik meen opgemerkt te hebben - maar dit is alles nog maar onzeekere bepaling - dat deeze derde tendens een eigen­aardig karakter heeft, dat men oneedel, laf en gedwee zou noemen. Het kwam mij namelijk vóór bij de psychothera­peutische behandeling van zieken, dat het voornamelijk toekomst na den dood verwacht. Maar dat geldt hem alles persoonlijk.

Het woord "Godsvreugde" zou ik alleen dan willen gebruiken waar een ligte scheemering begint van het booven-persoonlijke, waar is een gemeenschappelijk ver­heugen door het wegvallen der begrenzingen van het schepsel. Het sterkste ondervond ik dat waar veele men­schen in schoone en gemeenschappelijke aandoening bij­een zijn, in een kerk, maar ook in groote bijeenkomsten, zelfs bij een waereld-tentoonstelling, zoo als die in 1900 te Parijs. Dan is de welbesefte, heilige aandoening er wel niet, maar het gevoelige individu ondergaat de gewaar­wording van gemeenschappelijk geluk en verheugt zich met Gods-vreugde, en voelt zich één met den Schepper en al het geschapene. (Walt Whitman).

 

24. Hier een korte opmerking oover de derde tendens, die oovereen komt met wat men wel "matérie" noemt. Ik meen opgemerkt te hebben - maar dit is alles nog maar onzeekere bepaling - dat deeze derde tendens een eigen­aardig karakter heeft, dat men oneedel, laf en gedwee zou noemen. Het kwam mij namelijk vóór bij de psychothera­peutische behandeling van zieken, dat het voornamelijk door tusschenkomst deezer derde tendens is, dat de geest van een ander persoon beheerschend en geneezend kan werken op een zieke. Als men een mensch in diepen slaap brengt door suggestie, dan blijft de derde tendens toch wakker en gehoorzaamt gedwee elk woord van de sugge­reerende persoon. Deeze laatste spreekt dan met die derde tendens als met een persoon, en die persoon is moraal-loos (dus vrij van de tweede tendens) en toont een blinde honden-gehoorzaamheid. Ze is gewoon de eerste ten­dens te gehoorzamen, maar als nu een wilskrachtige de heerschappij oover neemt, dan gehoorzaamt ze die, zoo lang de gesuggereerde slaapt. Ze brengt dan som­tijds geneezingen tot stand. Bij de wonder-geneezingen der heiligen is het ook die zelfde derde tendens, die als werktuig dient en ook soms satanische machten verjaagt. Maar haar tot gehoorzaamheid dwingen kan alleen een zeer heilige of zeer wilskrachtige persoon. Het weezen van de meeste ziekten bestaat waarschijnlijk in een slecht beheerschen van de derde tendens.

 

25. Er is zulk een strenge discipline noodig om de drie tendenzen in heuchelijk en heilzaam eevenwigt te houden. Daarom bewonder ik een volk als het Japansche, dat zelf­verloochening, askese en doods-verachting als leevens­beginselen heeft.

Wel is waar, dat de Japanners niet de heilige tweede, maar de absurde eerste tendens als einddoel zien - ze zijn heerschzuchtig en hun zelf-verzaking is tot meerder gloorie van hun persoon, hun volk en hun keizer, niet ter eere Gods.

Maar met dat al verhoogen ze enorm de macht van de eerste tendens oover de derde. Het lichaam heeft niets in te brengen - de geest beheerscht het en laat zich door de wreedste behandeling, de afschuuwelijkste dood niet af­schrikken. (Hara-kiri). Het is hun liever vreesselijke pijn te verdragen dan af te wijken van de eerste tendens.

Hoe weinig doen wij, sentimenteele Hollanders, om dit eevenwigt der tendenzen te bereiken. Het leeven moet maar verzacht en behagelijk worden gemaakt. Ooveral pleisters en zoete kostjes en gemak en pretjes, - een geca­pitoneerd bestaan, opdat eerste en derde tendens recht goede maatjes worden - al gaat de Gods-vreugde ermee verlooren.

Alleen de monniken, mijn goede vrienden, die werken wijsselijk tot versterking der tweede tendens, tot beheer­sching en ondergeschikt houden van de derde - en tot oovergaan van de eerste in de tweede. Zij alleen leeven het leeven op reedelijke, doelbewuste wijze, ook al moogen zij zich vergissen in bijkomstigheden.

De volgers van de eerste tendens, die de tweede looche­nen en door de derde worden gebonden - die leeven als dwazen, een bestaan zonder welgeweeten doel.

Is er dan één dieren- of menschensoort, die alle anderen ooverheerschen kan en eeuwig duuren? En toch doet gij dwazen alsof het zoo ware en geeft nooit Uw absurde plan­nen tot al-ooverheersching en altijd-duur op. En het ijdele genot van de derde tendens neemt ge tot blijvend einddoel, hoewel het niemand bevreedigt. En door pijn en ongemak laat ge U afschrikken - al loopt ge de grootste pijn, de Doodspijn, en het ergste ongemak, de Ouderdom, rechtstreeks in den muil.

 

 

26. "Pijn" is de noodkreet van de derde tendens om de eerste geheel en al tot zich te trekken.

Hebt ge Uzelven wel eens aandachtig geobserveerd, onder heevige pijn?

Al wat wij voelen en denken, alles wat wij zijn, naar ons weeten, alles wat wij waarneemen - het gaat op in dat gloeyende punt dat wij pijn noemen.

Wij zijn pijn, niets anders - en ons poogen om ons weer los en vrij te maken mislukt jammerlijk.

De derde tendens, het stoffelijk lichaam, roept om hulp. Ze ondervindt weerstand, agressie, stoornis - en nu moet alles te hulp snellen. Gedachte, gevoel, alles schrom­pelt samen tot dit ééne: . . . pijn-pijn-pijn. Men kan niet denken en zich niets voorstellen. Eerst moet de pijn wor­den verzacht en verminderd.

De derde tendens is nu oppermachtig, wanneer de pijn niet kan worden verloochend of geduldig gedragen.

Wordt nu narcose toegepast, dan ontstaat er een kunst­matige scheiding tusschen de eerste en de derde tendens. Het natuurlijk weezen, ziel en geest van den mensch, wordt (van het vleesch) losgemaakt en gaat op in de droom­waereld. De noodkreet van de stof wordt niet langer ge­hoord.

Maar deeze scheiding kan ook gebeuren zonder narcose, alleen door de macht van de eerste tendens. Ook de na­tuurlijke slaap kan pijn ooverwinnen en min of meer ge­voelloos maken.

In sommige vormen van waanzin wordt ook geen pijn gevoeld. Dan schaden en verminken de zieken hun lichaam op vreesselijke wijze, met een glimlach op 't gelaat.

De suggereerende psycho-therapeut kan ook door zijn machtwoord de pijn niet meer doen voelen, en de derde tendens ooverheerschen.

Maar de beste en schoonste wijze om pijn te weerstaan en de derde tendens te beheerschen, dat is het volgen van de tweede tendens. Dat is de wijze der heilige martelaren, die zingend en biddend de vreesselijkste schending van hun lichaam verdroegen.

Dan wordt de derde tendens eerst recht ondergeschikt, niet aan chemische narcose, of aan suggestie van derden, maar aan het Gebed.

 

27. Signifische ontleeding en bepaling van het woord "gebed" is haastig vereischt.

Dikwijls staat het voor iets onwaardigs, waar de fiere, vrije mensch om glimlacht.

Zoolang het namelijk is het vragen om gunsten, of het bijgeloovig vertrouwen op de macht van vaak herhaalde, al of niet begreepen klanken.

Bidden om een zoek-geraakt dubbeltje, om voorspoed en gezondheid, om mooi weer, om een prijs uit de looterij, dat alles heeft niets uitstaande met het waarachtig gebed. Het waarachtige gebed is het wel-bewust volgen van de tweede tendens, met gelijdelijke verzaking van de eerste.

Het gebed van den vroomen mensch is een verwerping van zijn oude natuur - de eerste tendens - en een aan­vaarden van zijn nieuwe weezen, dat niet door genot of behagen, maar door vreugde en Godsvreugde wordt ge­lokt en beloond, de tweede tendens.

Tusschen deeze twee zaken: het looterij-gebed zal ik het noemen, en het gebed-van-de-tweede-tendens, is een ontzaglijk onderscheid. Ze hebben nagenoeg niets met elkaar te maken. Het gebruiken van hetzelfde woord voor die beide dingen is misleidend.

Zoo lang de Ecclesia Sancta dit signifisch onderscheid verwaarloost en de onwaardige geluks-beedelarij bevor­dert, en er denzelfden naam aan geeft als aan de heilige inkeer der vroomen - zoolang zal zij veel fiere, vrije, waar­dige menschen onnoodig buitensluiten.

In het waarachtig gebed vraagt de biddende geen andere gunst dan zijn oude natuur blijmoedig te moogen verwer­pen, en zijnen Schepper innig te moogen liefhebben, met geringachting van pijn, ongemak, stoffelijk verval en Dood.

De biddende weet en voelt, dat zijn natuurlijk weezen, de eerste tendens, hem gaat misleiden, hem lokt met on­moogelijke voorspiegeling, en beloont met onbevreedigend genot.

En dit weetend en voelend keert hij zich naar de tweede tendens, die hem het allerschoonste verschiet toont, de toenadering tot het Hoogste Weezen, dat hem liefheeft en vertrouwelijk is als een Vader, en dat hem alle smarten van zijn moeye1ijke inkeer vergoedt door de hoogste vreugde.

 

28. Vreugde, de hoogste Gods-vreugde, moet geboo­ren worden uit pijn en ongemak.

Hoe kunnen wij dit beeter verstaan? Wat maakt het ons waarschijnlijk? Wij zien lijden en smart ooveral, als een feit. Maar in ons rijst steeds de vraag: is het wel noodig, en waarom? Kan een almachtig Schepper niet een waereld maken, waarin het leelijke, pijnlijke en slechte niet voor­komt?

Het antwoord is eenvoudig, maar ondanks de eenvoud en de volkoomen afdoendheid, blijft het voor een aanvra­ger onbevreedigend - omdat hij een mensch is en uit menschelijk gezichtspunt schouwt.

Men onderzoeke signifisch deeze woorden "pijn", "kwaad", "leelijkheid" - en men zal bevinden, dat het niet anders zijn als wegwijzers, die een richting aanduiden welke de mensch heeft te gaan, om tot zijn einddoel te koo­men. Die woorden en begrippen vooronderstellen een zoekend, steeds veranderend menschengeslacht. Vanuit een ander beschouwingspunt gezien, is het kwade eeven noodig als het goede, omdat beide samenwerken tot de volmaakte harmonie, tot de volkoomen Gods-vreugde. Maar wij menschen voelen het kwade als afschuuwelijk, onnoodig en verwerpelijk, omdat wij den weg nog zoeken en de gansche harmonie niet kunnen begrijpen. Het kwade is noodig voor ons, om ons af te schrikken en op den juis­ten weg der volmaking te leiden. Het is de onmisbare keerzijde van het goede.

Het kwade - insluitend waan, leugen, zonde, leelijk­heid, smart - is datgeene wat wij niet willen, en dat ons dus in teegengestelde richting drijft. In de richting van waarheid, deugd, schoonheid, vreugde.

Maar zoodra wij eenmaal zijn aangeland, dan is dat drij­ven onnoodig geworden, en dan voelen wij het niet meer als hinderlijk en ondragelijk, dan bemerken wij dat het nuttig en noodig was.  

Om dit te erkennen, moeten wij ook beseffen, dat ons beschouwingspunt veranderen kan, en steeds verandert. Wij hebben de wonderbare eigenschap, deeze verandering te kunnen bemerken. Wij neemen waar, dat de waereld ons iederen dag anders voorkomt, dat wij groeyen, ont­wikkelen, wijder schouwen - en wat wij heeden ontwaren vergelijken wij met hetgeen gisteren ons bood, en met wat morgen ons brengen zal.

Dat noemen wij toenadering tot God; en met recht, wanneer wij onder dien naam het hoogste geluk en de zui­verste harmonie en volkoomenheid begrijpen.

En eeven als het kwade zijn beteekenis verliest door ons stijgen op een hooger beschouwings-punt - zoo wordt ook de smart tot vreugde, als wij, de tweede tendens vol­gend, tot de Goddelijkheid naderen.

Voor de martelaren was het lijden een verheeven vreug­de - en veelen onzer zullen uit ervaring weeten, dat men in heevige lichaamssmart toch voldoening kan ge­voelen. Iedere moeder, die gebaard heeft, weet het. En Michel-Agniolo zeide het teegen 't eind van zijn zwaar en lang leeven, dat hij gelukkig was in en dóór zijn smarten.

In lichaamspijn gelukkig zijn - dat hebben veelen ge­toond te kunnen, wanneer hun gemoed vreedig en rus­tig was.

Het zwaarst is voldoening en vreede te gevoelen in de vreesselijke hel der melancholie, het vagevuur van naar­geestigheid en twijfel.

Maar ook deeze voldoening is altijd bereikbaar - als wij goed begrijpen, dat wij de eerste tendens, de natuurlijke begeerte, moeten teegen gaan en verloochenen. Uit die verzakingssmart stijgt dan de Gods-vreugde op, als uit het groenende land de blanke stille dauw, die het zeegent en beschut.

 

29. Ik stond op het verlaten kerkplein van Chartres, en keek op naar de kathedraal, die voor mij oprees in de blauwe lucht, met haar weelderige sieraden van steen, oud-ivoor-kleurig, rank en sterk - een machtige bloem van wijding en heiligheid, ontbloeyend op vruchtbaren geloofs-grond.

Het was doodstil in het kleine stadje, een heete zoomer­dag. Alles zweeg, als om de plechtig-zware en machtige taal van het steenen gewrocht niet te stooren.

De kleine menschengroep, voortleevend rond dit won­derwerk, had haar schoonste woord gesprooken in steen. Nu zweeg ze stil, zich koesterend in de zoomerzon, en eerbiedig haar werk opdragend aan de Macht, wier zeegen zij bij 't bouwen in zich had gevoeld.

En iederen zonnedag straalt weer het fonkelend licht oover het gevaarte, aan de oogen van vreemden het heilige besef ooverbrengend dat de bouwers bezielde.

De toorens wijzen op en streeven hoog in blauwe ver­ijling - het felle licht omsluit dit groote sieraad der aarde­ - binnen is koele scheemering. Dan heft dreunend klok­gelui aan, en verdrijft alle onheilige machten en gedachten uit dit gebied van vroome aanbidding.

Ik stond midden op het stille, verlaten plein, alleen ­opstarend naar omhoog.

En het Licht drong dóór tot in mijn innigste lijf en ziel. Ik voelde hoe het heete Licht mijn gansche lichaam door­boorde en vervulde met ongekende sterkte.

Toen begreep ik Goed en Kwaad.

De ongeloovige vraagt: "Waarom is er kwaad, en wie deed het ontstaan?"

Maar het Licht antwoordt hem, en zegt:- "Wie het Licht kent, vraagt niet waarom er Duisternis is."

Het Licht is begeerlijk - en wie naar de reeden der Duisternis vraagt, erkent de begeerlijkheid van het Licht.

En wie de begeerlijkheid van het Licht erkent, erkent de noodzakelijkheid van het Duister, als niet-Licht.

Licht en Duisternis zijn de symbolen van Goed en Kwaad.

Duister is de afweezigheid van het Licht, en de waar­schuuwende stem van het Licht roept elk mensch, ook den ongeloovigsten.

Niemand kan het Licht verloochenen, ook al tracht hij het te doen door woorden van twijfel.

De afweezigheid van Licht is nooit volkoomen, - maar de volheid van het Licht is volkoomen.

Ooverpeins de woorden "Licht" en "Donker",  in signi­fischen ernst en diepte.

Zij bewijzen U, dat gij, zelfs onweetend en onwillend, aan Gods weezen en goedheid gelooft.

Want het Licht is Richting; Richting naar Volkoomenheid.

Het Licht is geen ding, geen zaak,  geen stoffelijk feit.

Het is een symbool, het is een stem,  die een woord spreekt.

Het Licht zegt: "Volgt mij, en zoekt mij - omdat gij weet, dat ik begeerlijk ben. Gij toont het te weeten, door mij Licht te noemen, en niet Duister."

Het Licht doordringt alle schepselen. Het is nooit ge­heel afweezig.

Zoo bereikt en doordringt Gods liefde alle schepselen, zij is nergens niet.

Het goede wachten wij in volkoomenheid, maar het kwade is nergens volkoomen.

Wie is zoo dwaas, dat hij het bestaan van Richting ont­kent in ons weezen?

Ook het woord "Richting" beteekent een symbool. Want Richting presumeert ruimte, en onze ziel is ruimte­loos.  Maar ieder begrijpt dit symbool. Een macht is er, waar­door ons leeven, onze ziel en al ons doen en denken gericht wordt.

Van Duisternis tot Licht, van Haat tot Liefde, van Kwaad tot Goed, van Waan tot Waarheid, van Onrein tot Rein. . . dat alles is wijzende Richting.

En in de koele scheernering van ons weifelend weezen wenkt het lichtende Roode Lampje, het symbool der altijd brandende en de goede richting wijzende Liefde Gods.

 

30. Zoo klein als het vlammetje in het Roode Lampje is - zoo roept het ons toch eeven als de groote zon. Het is hetzelfde licht, hetzelfde vuur, waarmee de zon ons zee­gent. Alle vuur, alle Licht der Aarde komt van de zon, en het kleine vlammetje in het veelkleurig belichte scheemer­gewelf is de menschelijke ziel, nog opgeslooten en zwak, terwijl daarbuiten de oneindig veel grooter zon alles ver­warmt en verlicht. Maar het is hetzelfde symbool, ons richtend met dezelfde krachten.

En wij weeten, hoe al het wondere samenstel der schep­ping verbonden is door de zwaarte-kracht. Ook deeze is een symbool van Gods al-doorstroomende, ooveral werkende Liefde.

"Licht" schijnt mij toe wel "zichtbare zwaartekracht" te moogen heeten.

 

 

31. Wie de twee voorige paragrafen goed geleezen heeft, moet begrijpen, waarom wij zonde als zonde en smart als smart moeten gevoelen. Maar de blinden blijven natuurlijk blind en de dooven doof. Zij zijn nog te zeer in de eerste tendens gevangen.

Een Heelal zonder zonde en zonder smart, zou zijn als een orkest waarvan alle instrumenten maar één toon en hetzelfde geluid gaven. Als een schilderij met maar één kleur en zonder schaduw. Als een waereld, waar alles eeven licht was, waar alle zwaartekracht tot eevenwigt en tot stilstand was gekoomen.

Dus de volstrekte Dood.

Zulk een waereld leeft alleen als een fantasie-beeld in de voorstelling der kinderen, jong en oud. Ze droomen van een Paradijs met enkel deugd, waarheid en vreede.

O! als ze er eenige aeonen in geleefd hadden, hoe hun­kerend zouden ze uitkijken naar den volgenden zondeval­ - de herhaling van dien zondeval, dien ze op aarde eenmaal zoo bitterlijk hebben verwenscht en vervloekt.

Welk een gedrang zou het zijn, om uit het zondelooze, smartelooze vreede-oord het eerst weer weg te koomen.

De volgende gedachte, hoewel ietwat fantastisch, is welligt voor natuurkundigen interessant:

De zondeval, waarmee de Katholieken den oorsprong van het kwade verklaren, is het kosmische feit, dat in de physika genaamd zou worden een omkeer der onomkeer­bare processen, en de uiterst onwaarschijnlijke stooring der toeneemende entropie.

Dit zou een gebeurtenis zijn, die zich ritmisch herhaalde, met ontzachlijk lange périoden. In dit ritme zouden keerpunten zijn, waarbij het meest onwaarschijn­lijke gebeurde, daar het in de oneindigheid toch ook ge­beuren moet. Dan zouden de schepselen ver weg, in de verste duisternis van laag droomleeven, zijn uitgezonden om eerst langsaam tusschen goed en kwaad den weg naar het hart van alle Weezen terug te vinden.

Dit is maar een fantastisch denkbeeld. Maar het is beeter dan dat van een zonde-val, die ééns zou zijn ge­schied van uit een zondeloozen staat, tengevolge van een satanische kwaadwilligheid, die geheel onverklaarbaar blijft, en toch weer op reekening moet gesteld worden van den Almachtig en Alwijs genaamden Schepper.

 

32. Ik was bij Carl Spitteler, den grooten Zwitser­schen Dichter, die het gewaagd heeft Anangkè's opper­heerschappij te loochenen en die Prometheus teegenoover Epimetheus heeft gesteld. En wij spraken oover pacifisme, oover strijd en vreede.

Toen zei Spitteler: "Als een aantal menschen een bond vormen, met het doel om den dood af te schaffen, en zij koomen bij mij om mijn handteekening en mijn moreelen steun, dan zeg ik, “Uw Bond is mij zeer sympathiek en zal ongetwijfeld om haar hoog idealisme algemeen worden ge­preezen, maar mijn handteekening en moreelen steun kan ik U niet ge even eer mij door U getoond is, hoe de Dood afgeschaft zal worden."

"In denzelfden geest spreek ik teegen de welmeenende menschen, die een bond voor de vreede en teegen de strijd hebben gesticht."

Ondanks deeze wijze woorden kan men er zeeker van zijn, dat Carl Spitteler zoo zorgvuldig moogelijk den Dood uit den weg gaat en zelfs bekampt. Hij is er trots op, met zijn 75 jaren, ouder te zijn geworden dan eenig ander Zwitsersch dichter.

Zoo zal hij ook zeeker den oorlog niet zoeken of prijzen.

Maar wie, die begrijpt wat ik zeide omtrent den eersten tendens, en het opgroeyen van planten-, dieren- en men­schen-geslachten, kan meenen, dat leeven moogelijk is zonder strijd en sterven?

De eerste tendens is een verbitterde kamp tot het einde, zonder rust of genade.

Dat de mensch afkeerig is geworden van strijd, en ver­schrikt door de zeekerheid van te moeten sterven - dat is het gevolg van zijn besef van den tweeden tendens. Die tweede tendens drijft ons tot ontstijgen aan den strijd, tot ooverwinnen van den Dood - en tot nadering aan een volkoomenheid, waarbij de Dood zijn verschrikking ver­liest en strijd plaats maakt voor vreede en liefde.

Dus toch een zonde1ooze heemel, vol vreede?

Ja, voor het schepsel, dat in God is opgegaan. Niet zoolang het zelfstandig schepsel is.

En wij verglijden gestadig van onzen schepsel-toestand - eerste tendens - tot onzen goddelijken toestand -  ­tweede tendens -.

En naarmate wij in dien oovergang vorderen, wordt strijd en haat verzacht, vergeestelijkt en verijdeld.

Dit is geen fantasie, maar een voor ieder onzer duidelijk tastbaar feit.

 

33. Een van de voornaamste leeringen van de significa is deeze, dat de woorden en termen allerlei onuitgesproo­ken dingen onderstellen, presumeeren of impliceeren, en dat het altijd de onuitgesprooken bijgedachten zijn, die er het meest op aan koomen, die de sterkste werking heb­ben en wier werkend aanweezen telkens wordt vergeeten of verwaarloosd.

Dat de mensch de noodzaak van het kwaad en de smart voelt en erkent, al beweert hij het teegendeel, dat volgt uit hetgeen zijn woorden, onuitgesprooken impliceeren of presumeeren, als reeds vaststaand aanneemen ("take for granted").

Dat de mensch, die het woord "donker" uitspreekt, daarbij noodzakelijk het bestaan van het "Licht" onder­stelt, dat is niet moeyelijk te voelen. Andersom, dat het woord "Licht" ook het bestaan van " duisternis " stilzwijgend aanneemt, dat is minder vanzelf-spreekend voor de meeste menschen. Maar het is eeven waar. Want "duis­ternis" of "donker" of "schaduw" kan niet anders betee­kenen dan afweezigheid van "Licht".

"Geen duisternis" zou dus beteekenen "geen afweezig­heid van Licht" ~ dus compleete, volle aanweezigheid van Licht, zonder ongelijkheid of zwakte of verschil van intensiteit of kleur.

De bestaanbaarheid van dit laatste nu kan door niemand worden beweerd of volgehouden. De feiten zeggen dui­delijk genoeg, dat er verschil is van Licht en van licht­intensiteit. En waar ongelijkheid van Licht is, daar is ook donker. Beide begrippen, beide feiten "Licht" en "don­ker" zijn ondenkbaar zonder elkaar, neemen elkanders be­staan stilzwijgend aan. En dit geldt voor de ziels-feiten waarvoor de woorden "Licht" en "donker" symbolisch staan. Er is geen smart zonder vreugde, geen vreugde zonder smart denkbaar.

Zooals elk physisch vlak twee kanten heeft, en blijft hebben al is het oneindig dun, zoo heeft de schepping ook twee kanten, anders kon zij niet bestaan.

Ik houd niet erg van het woord "absoluut" omdat het veel meer schijnt te beteekenen dan het doet. Maar het woord invoerend voor een oogenblik zou men kunnen zeg­gen: er is geen absoluut Donker, maar er is wel absoluut Licht.

Dit is echter niet waar, want zoodra het bestaan van getemperd - dus niet-absoluut - Licht blijkt, hoe weinig ook, dan is daarmee het bestaan van absoluut - dat is on­eindig en volkoomen - Licht ontkend, want het kan niet tegelijk volkoomen en onvolkoomen zijn. Als men het woord "absoluut" vertaalt door "werkelijk bestaand" dan zou men kunnen zeggen: absoluut is alleen getemperd Licht, dus Licht-met-donker.

Maar toch bedoelt men iets, als men niet het donker maar wèl het Licht absoluut noemt. Men bedoelt - onge­veer - dat Licht werkelijk bestaat, in oneindige gradaties, maar altijd aanweezig. Terwijl donker eigenlijk niet bestaat, maar alleen is afweezigheid van Licht. Hieroover kunnen wij, door signifische onmacht, niet verder denken. Maar voor ons doel, het aantoonen van de noodzaak van smart tot volkoomen vreugde, is het voldoende.

Ook hier geldt het, dat vreugde niet volkoomen is, zoo­lang nog ergens getemperde vreugde bestaat. Wat alleen is,  absoluut en werkelijk bestaat, is Vreugde-in-smart.

Enkele, puure vreugde kan niet bestaan, want zoolang in het Heelal nog geleeden wordt, al was 't door één kleine vlieg of één weekdier - zoolang is de Gods-vreugde ook niet volkoomen.

En smart bestaat op zich zelve eevenmin als duisternis.

Smart is alleen afweezigheid van vreugde in eindelooze gradatie.

Wat ik in deeze paragrafen heb neergeschreeven is vol­doende voor elk mensch met eenige cultuur, om verder op dit punt vreede te hebben. Men kan de woorden nog wat omzetten, de hoofdzaak is er in vastgesteld, zoover ons menschelijk bevattings-vermoogen gaat.

Alleen moet er nog goed bij worden gedacht, dat ieder individu een eigen beschouwingspunt heeft, en dat de zwaar lijdende meestal niet bij machte is zijn smart als nuttig en rechtvaardig te voelen en geduldig te ondergaan. Dat laatste kunnen eigenlijk alleen zij, die den onmiddel­lijken steun van den Verlosser ondervinden.

Het beschouwingspunt van de bloem of de vlinder kan niet hetzelfde zijn als dat van den mensch, die haar be­wondert en hunnen maker prijst. Zoo kan ons schouw­punt van thans niet hetzelfde zijn als dat van ons goddelijk Zelf, als wij de tweede tendens hebben gevolgd.

Als een àl te diep raadsel doet zich bij ons de vraag voor,  hoe hier aan ons begrip van rechtvaardigheid wordt voldaan. Hoe wordt dat lijden van ons ooit geheel goedgemaakt, aan ons zelven, daar wij het toch met zooveel onderworpen­heid moesten ondergaan. Lijden voert soms tot hooge mate van verbittering. Wie kan dat in ons goed maken?

Ik spreek hier uit ervaring. Meenig malen klonk er een stem in mijn leed, die zei: dit kan niet worden goedge­maakt, dit is te bitter. Hier kreeg ik meer te dragen dan de maat van mijn krachten toeliet.

Hier kan ik geen ander antwoord geeven, als dit: dat ik niet kan gelooven aan een hoogste Macht zonder einde­looze Liefde, en een Heelal zonder eindelooze Harmonie. Licht-en-Donker, Vreugde-in-Smart, Waarheid-in-Waan, dat is het Eeuwig Weezen.

"Hij, die het uurwerk van het Al drijft, zal ook wel uit onze smart de vreugde-essens bereiden in volle maat", zoo spreekt het Roode Lampje.

 

34. Het woord "absoluut" bevalt mij slecht in 't ge­bruik. Ik zal het maar bij de onbruikbare denk-instru­menten gooyen. Gelijk met zijn broertje "relatief", dat al eeven pretentieus is. Dan kunnen ze een rondje dansen met "subjectief" en "objectief".

Ik roep andere helpers op, de drekvlieg en de mest­keever.

De laatste is al heilig verklaard, lang voor er Pausen en concilies bestonden. En om een reeden, die niet zijn werkelijke verdienste was. Men hield den mestkeever voor een thaumaturg, een wonderdoener. Hij kon nieuwe mest­keevertjes doen ontstaan, nieuwe individuën van zijn ge­slacht, midden in een koogeltje mest.

Dat is gejokt. De dier- en planten-soorten krijgen hun voorwaardelijke vrijheid van Gods hand, en elk individu moet den weg volgen, die door de derde tendens wordt ge­weezen. Zonder ei-cel ontstaat geen larve. Het zou een mirakel kunnen zijn, maar dat is niet beweezen en ook niet door de goede scarabee beweerd.

Heilig zou men hem alleen kunnen noemen om zijn merkwaardig vlijtig leeven. Hij leert ons boovendien zoo duidelijk dat alle dingen rein zijn - dat onreinheid iets geheel anders is dan wij gewoonlijk denken. Als ik het woordje "relatief" niet bij tijds verbannen had, zou het zich opdringen en zeggen: "zie je wel! reinheid is rela­tief."

 

Maar daarmee koomen wij niet verder. Dat zegt niets.

Een mestkeever voelt zich behagelijk en gelukkig – naar allen schijn - midden in de paardemest. De bruine drekvlieg kent geen schooner landschap dan een groote, versche, koeyehoop.

Wil dit nu zeggen, dat er geen onreinheid bestaat? Toch niet! Relatief of niet-relatief - ze is er, en zeer zeeker.

Maar ze is niet een eigenschap of een substantie ­ze is een wenk, een waarschuuwing, in een bepaalde richting.

De mestkeever en de drekvlieg worden niets gewaar van wat menschen onreinheid noemen.

Omdat in het streeven van dit diergeslacht, volgens de eerste tendens, de mest en de drek geen gevaar beteekenen, en niet alleen niet-vermeeden, maar zelfs gezocht moeten worden, omdat ze het diergeslacht behulpzaam zijn.

Maar voor dieren, die in de eerste tendens verder zijn gekoomen en tot de tweede oovergaan, wordt een waar­schuuwing gegeeven, een wenk, een teeken, dat er gevaar dreigt.

Die dreiging geldt niet alleen het streeven der eerste tendens - het streeven naar macht, duur en uitbreiding -, maar die dreiging begint eerst recht bij de tweede tendens, het streeven naar het boovennatuurlijke en Goddelijke. Hier is onreinheid het onveilig signaal, de strenge waarschuuwing teegen het afdwalen van den goeden weg. On­reinheid wijst aan de richting, die te volgen en die te ver­mijden is. De mensch leert te onderscheiden rein van on­rein - omdat het eerste zijn stijging bevordert, het andere hem erin belemmert. Waar de drekvlieg enkel lust waar­neemt, daar ondergaat de mensch heevige onlust, afkeer en walging.

Hier staat de ongeloovige verleegen. Hij kan het begrip onreinheid niet verstaan. Hij meent, dat het alleen in de eerste tendens reeden van bestaan heeft, omdat het nuttig is voor de "strijd om het bestaan" der soorten. Maar dat klopt niet, want voor drekvlieg en mestkeever bestaat geen onreinheid, en in de tweede tendens, waar de mensch op streeft naar God, daar wijst onreinheid met nadruk onzen weg, een weg die samenvalt met de Richting van het Goede, van het Licht, van Vreugde en Gods-vreugde, van Waarheid en Gerechtigheid. Op al die samenloopende weegen staat onreinheid als waarschuuwend begrip, als iets dat angstvallig moet vermeeden worden, wil de rechte weg worden gevolgd.

De ongeloovige kent Reinheid alleen als Zindelijkheid. Maar hoe hooger men komt in de tweede tendens, des te meer verliest het begrip Reinheid zijn beteekenis van zindelijkheid, en wordt het iets veel hoogers en verhee­veners.

Hier kan de geleerde ongeloovige geen verklaring vin­den. In zijn waereld-beschouwing is geen plaats voor be­grippen uit de tweede tendens. Niet voor Goed en Kwaad, niet voor rein en onrein, en goed-doordacht, ook niet voor Licht en Donker en Waarheid en Waan.

In dit alles is het begrip Richting en voor den geleerde ongeloovige is er geen Richting. Rechts of links is hem eeven goed. Waarom zou hij de voorkeur geeven aan Licht? en niet aan Donker?

Nietzsche waande zich reeds "jenseits Gut und Bösem". En onlangs hoorde ik de logische conclusie: "Ja, warum denn überhaupt Wahrheit?"

Nu zijn we eerst recht in 't moeras. Hier is het onge­loof hen geheel booven het hoofd gegroeid. "Warum überhaupt?"

De geleerden, die het leeven en de waereld verklaren willen, vergeeten, dat het woord "verklaren" weer stil­zwijgend het bestaan van een lichtende, volkoomen onbe­wijsbare, maar booven alles zeekere Waarheid onderstelt.

Als zij signifisch dachten, zouden ze al bij het uitspreeken van het woord "verklaren" beseffen, dat ze daarmee een credo uitspreeken, eeven stellig, eeven duidelijk als mijn Roode Lampje.

Ze weeten alleen maar niet wat ze doen.

Kan er klaarheid zijn zonder licht? En wie zegt iets klaar of helder te willen maken, bekent die dan daarbij niet, dat hij aanneemt het bestaan van een eeuwig en volkoomen Licht, een bron van alle helderheid en klaar­heid?

Kan "verklaren" iets anders zijn dan den samenhang toonen met dat centrale, al-doorstroomende Licht?

Uit dat Licht moet alles verklaard worden. Men kan het " Licht " noemen, naar het physieke licht, zijn symbool, men kan ook spreeken van volstrekte Waarheid, ook van tweede tendens, zooals ik deed, of van "Heilige Richting, linie van Genade" [3]

Altijd wordt er voor waar aangenoomen, dat het voor ons menschen niet onverschillig is of wij rechts of links gaan ­en dat wij één richting hebben te kiezen, en een andere te verwerpen, dat er dus waarachtig een hoogste Weezen bestaat, dat ons aan zich bindt en tot zich trekt.

En dat is niet de natuur, zooals dan wel gezegd wordt ­neen! juist niet, want wat gewoonlijk "natuur" heet, kent geen rein en onrein, geen goed of kwaad. De natuur spoort ons alleen door genot en behagen - en brengt ons tot ouderdom en Dood. En wij willen meer dan genot en be­hagen - en iets anders als Ouderdom en Dood.

Wij willen Gods-vreugde en het Eeuwige Leeven.

 

35. Natuur! - een uitsteekend signifisch probleem voor eerst-beginnenden. Heb ik er al vroeger niet op aan­gedrongen, dat de natuur-vrienden, natuur-geleerden en natuur-onderzoekers mij eerst eens stellig duidelijk zouden maken wat ze eigenlijk bedoelen, als ze oover die zoozeer beminde, bestudeerde en onderzochte natuur spreeken?

Wijze en beminnelijke menschen noemen zich gaarne "natuur-vrienden". Dat schijnt men zonder pedanterie van zichzelven te moogen zeggen. "Menschen-vriend" niet. Dat klinkt al verwaand. Waarom?

Mijn vader noemde zich met nadruk "natuur-vriend". Bij hem beteekende dat vrij duidelijk: "geen menschen­vriend". Graag citeerde hij het woord van Schiller, die de natuur ooveral mooi noemde als de mensch "mit seiner Qual", er maar uit bleef.

Na mijn vader is er in Holland een heele school van natuur-vrienden gekoomen. Ik geloof niet, dat één land er zoo rijk aan is. Zeeker kunnen alle landen ons een "na­tuur-vriend" als Jac. P. Thijsse benijden. Wie heeft ons volk zoo geduldig, zoo onuitputtelijk en zoo alleraardigst en gezelligst onderweezen? Maar ook hij heeft mij niet doen begrijpen wat hij nu eigenlijk onder "natuur" ver­staat. Hij moet zijn onderricht nog met een weinig signi­fica aanvullen.

Hij sprak eerst van de "leevende natuur". Is er dan ook een doode? Worden met de niet-leevende natuur bergen, wolken en rivieren, mineralen, meteoren en zonnestelsels bedoeld?

Maar in het tijdschrift "de leevende natuur" vinden wij ook geologie en mineralogie. Is dat een veranderd inzicht?

Hoe mild is men met loftuitingen als het de natuur geldt. Het is de "goede natuur", de "schoone natuur", de "vrije natuur", de "ongerepte, eeuwigjonge moeder-natuur, die haar kinderen met wonderbare hulpmiddelen toerust".

Wie zijn die kinderen? De planten en dieren? Maar dan is dat toch een vreemde moeder, waarvan de kinderen elkaar op de heevigste wijze benadeelen en vermoorden.

Vol bewondering voor de rijke en schoone, altijd zorg­same natuur beschrijft Thijsse ons de liefelijke streeken van de graafwespen, die rupsen vangen voor hun kinderen en hun buit daarbij niet dooden, maar verlammen door het juiste treffen van een zeenuwknoop, zoodat de slachtoffers niet sterven en terstond vergaan, maar verlamd blijven leeven totdat de jonge wespenlarve honger begint te krij­gen en de nog leevende eetwaar vóór zich vindt.

Hoe grenzeloos knap en vernuftig. . . en . . . hoe weer­galoos wreed.

Wreed? - welneen! zegt de natuur-vriend. De natuur is nooit wreed. Dat lijkt ons menschen maar zoo.

Dan vraag ik in alle bescheidenheid: Waar eindigt de natuur en waar begint de wreedheid? Hooren apen ook tot de natuur of niet? Hebt ge wel eens een mandril aandach­tig in het afschuuwelijk roode en blauwe gelaat gekeeken? Is daar niet wreedheid, ijdelheid en slechte smaak te lee­zen? Zijn soortgenooten vinden hem stellig mooi, en met plezier zal hij een voogeltje dood-martelen.

En hebt ge wel eens gezien, hoe een troep apen een arm klein aapje dood-liefkoozen? Is daar niet domme, belache­lijke, wreede sentimentaliteit?

En hoort dit nu tot de leevende onvolpreezen natuur?

 

36. Gisteren zag ik ongezocht het allerschoonste wat een mensch op aarde te aanschouwen krijgt. Een zons­ondergang aan zee, na een schoonen Septemder-dag. De zon had verblindend gescheenen aan een helderen heemel met wijd-strekkende schaapjes-wolken. De zee was rul en frisch, transparant groen, als een eedelsteen gevat in het blanke ivoor der branding.

De zonneblinding verzwakte en werd door de ligte neevellagen getemperd. De bol gloeide rooder en wij kon­den erin staren. Toen werd de fonkelend gouden loop er gelegd van het strand tot aan de rosse lichtkolk, waar de zon zachtjes-aan weg-deinsde. Het goud op de zee woelde en wielde rustig - buiten de gouden bevloering was ze egaal glanzend grijs. Langs de kim voer een enkel grauw scheepje door den ijlen neevel voorbij het zonnelijf, scherp­belijnd teegen het goud, een wonder-scheepje als op mysterieuze uitvaart.

Nu begon alles te kleuren. De zon werd donker rood, doorkliefd door een grauwe goud-gerande wolken-speer, aan de andere zijde dreigde een roode Draak - een troon­heemel met lichtend bloed-roode franje ooverkoepelde den weg-zwijmenden bol, die scheen te smelten in een diepe en lichtende spelonk. Toen ontstond er een ge­weldig rood-gloeyend kruis, waaraan de zon in 't midden genageld scheen.

Oover den ganschen wijden heemel bloosden de schape­wolkjes van ontzetting en vuurige liefde. Onder de zon was nog een strook vreemd, lichtend olijfgroen, geheel effen en ondoordringbaar. Daarop dreeven zilver-witte wolkjes, die geheimzinnige karakters scheenen af te teekenen.

Vervaarlijke, zeer dunne, gloeyend-roode vlamveegen werden plotseling zichtbaar, dwars teegen de richting van alle wolken in. Het scheen of de bloedige adem van een verschrikt monster oover den ganschen heemel werd geblazen en van einder tot einder namen de veeder­wolkjes de roode tint - in eindelooze reegelmatige reijen, doodstil en liefelijk wachten zij het einde van de groote afscheids- tragedie.

Toen gingen zij zich verneevelen en oplossen, de wie­lende gouden looper werd op eenmaal in-genoomen, de vreemde, onweezenlijke nacht doemde op uit het Oosten, en alle wolken bleeven nog in fijne nuancen van roze en grijs nazingen, tot het duister hen zwijgend bevangen had.

En is nu dit machtig woord van majesteit, dat nooit zwijgt" maar steeds rondtrekkend onze planeet oover­galmt, het woord van een "doode natuur"?

 

37. Ik kan deeze vragen oover de "natuur" wel beant­woorden. Als men maar begrijpt, dat alle raadselen en ge­heimen van de schepping niet anders "verklaard" kunnen worden als door het terug-brengen tot een groote, onbe­weezen en onbewijsbare, maar volstrekt stellige oer-waar­heid. Die waarheid is - en valt niet te bewijzen, eeven­min al we onze eigen persoon behoeven te bewijzen. Dit woord "bewijzen" kan signifisch beschouwd ook niets anders beteekenen als "wijzen in ware Richting". Dat on­bewijsbare is juist die Richting, die in ons zelven is, en waarvan wij weeten, met grootste zeekerheid, dat zij voert naar 't Licht - of wat door 't Licht symbolisch wordt voorgesteld - naar God. Naar datgeen wat begeerlijk is, zooals wij 't Licht begeerlijker vinden dan de duisternis.

Zoodra wij erkennen, dat er een macht is, die ons trekt, en die ik met "tweede tendens" heb aangeduid, om dat zij ons voorkomt als een wijziging van onze oorspronkelijke tendens, ons terugvoerend naar het mystieke Licht, de Godheid, die ons uitzond - zoodra ook kunnen wij ge­makkelijk die teegenstrijdigheeden omtrent de "Natuur" verklaren.

Maar niet zonder een grondig signifisch onderzoek van het woord, en het woord-begrip "Natuur". Men spreekt van de menschelijke natuur, de natuur, die booven de leer gaat - de "gewoonte" die een tweede natuur is - en bedoelt dan zooiets als "aard", "geaardheid" en wel "oor­spronkelijke geaardheid". Het woord "natuurlijk" is daar­aan het digtst verwant.

Dit is geheel iets anders als de vrije, de zorgzame, de schoone, de leevende natuur. Daarmee bedoelt men de schepselen, die voor ons leevens-verschijnselen vertoonen, en rondom ons op de aarde groeyen en onderling worste­len om ruimte en macht.

Dit komt dus vrijwel oovereen met wat ik de eerste ten­dens heb genoemd. De met elkander om den voorrang strijdende dier- en planten-soorten, die zich in den blinde trachten te vermeenigvuldigen, en al hun best doen, met uitneemend vernuft, om voort te bestaan en niet ten onder te gaan - al is het ten koste van alle anderen.

Het rijk van Pan, de natuur-god, onbewust van schuld, zonde of dood.

Ook de Katholieke Kerk spreekt van de natuur met na­genoeg dezelfde beteekenis, en onderscheidt natuurlijk en geestelijk leeven.

De Kerk leert het antagonisme tusschen natuur en hoo­ger geestelijk mystiek leeven. De eerste tendens staat vij­andig teegenoover de tweede. De mysticus, de God-zoeker, moet zich los-maken van de eerste en zich met martelaars­moed en zelf-verzaking oovergeeven aan de tweede tendens.

Het onlogische daarbij is, dat de religieuze mensch de Natuur prijst als de schoone schepping, en het vernuft en de wijsheid in de natuur bewondert, eevenals de niet­religieuze mensch van de eerste tendens dat doet.

Het is een algemeene fout, zoowel van religieuzen als natuurvrienden, om de ontzachlijke gebreeken van de na­tuur niet te willen opmerken, omdat men er eigenlijk . . . geen weg mee weet.

Het natuur-leeven is verkwikkend en verruimend voor den menseh, omdat het hem tijdelijk bevrijdt van de schuld-gevoelens, het zonde-begrip, het zware gevoel van verantwoording, dat het besef eener onsterfelijke ziel mee­brengt, in de tweede tendens.

Maar in het antagonisme tusschen eerste en tweede ten­dens, moet de mensch de tweede kiezen. Hij kan er niet aan ontgaan. En de gebreeken en mislukkingen der natuur, de zelfzuchtige kamp aller schepselen, hun jacht naar macht, hun imperialisme, hun blind volgen van genot, hun niet-beseffen van de onvermijdelijke ouderdom en dood - dat alles moet de mensch afkeuren. Want in hem is de tweede tendens ontwaakt en in conflict gekoomen met de eerste.

In hemzelven wordt de strijd voortgezet, en kan niet meer opgegeeven worden.

Dat hij de schepselen om hun gebreeken niet veracht, en de gift-slang, de tijger en de baviaan niet om hun boos­heid, wreedheid en leelijkheid veroordeelt, dat spreekt van zelve. Zij kennen zijn hooger schouw-punt niet. Maar de lof, door natuurvrienden en religieuzen gelijkelijk aan de natuur gegeeven, is onjuist en misleidend.

God heeft aan alle dier- en planten-soorten een zeekere mate van vrijheid en zelfstandigheid gegeeven, maar het kan onmoogelijk éénzelfde geest zijn, die alle schepselen heeft toegerust met wapens en verdeedigings-middelen om elkander op leeven en dood te bestrijden, tot het bittere einde.

En wie God prijst om de schoonheid en het vernuft van vlinders, pronk-voogels, orchideeën en sier-vischjes, zou hem ook moeten laken om de leelijkheid van padden, ba­vianen en nijlpaarden, de vuilheid van aasgieren, de wreed­heid van den bestaans-strijd, de onnoozelheid van hun aller streeven om elkander te verdringen of te vermoorden en zelf den dood voor altijd te ontgaan.

Dat kan niet God's onmiddellijk werk zijn. Hij schiep de schepselen, maar deeze, als beperkte weezens, hebben be­pèrkte gedachten en begeerten. Daardoor gedreeven, met lust en genot als belooning, hebben ze zichzelven met on­begrijpelijk vernuft gewapend. En door de harmonie van hun grootere strijd ontstond het verlangde doel, de Gods­vreugde. Die ontwolkt aan het krioelen der vechtende schepselen, en het is goed zoo.

En als wij in de natuur koomen,om éven te rusten van ons eigen zwaar gevecht - dan voelen we van die Gods­vreugde iets, omdat in ons de Godheid, de tweede tendens, is ontwaakt.

Maar wij moeten God niet prijzen om streevingen en daden, die alleen door beperkte schepselen worden gedaan. Het is zeeker goed, God zooveel moogelijk te looven. Maar Hem maar blind weg te prijzen, ook waar wij in oprecht­heid niets te prijzen vinden, dat is heilig-schennis.

Wie is eenen goeden Heer liever, de hooveling, die alles eeven mooi en goed vindt, wat de Heer doet, of de oprech­te dienaar, die eerlijk is, en in alle bescheidenheid toch niet anders spreekt dan hij waarachtig voelt?

De leevende natuur is schoon, in zijn geheel, zooals ook een zonsondergang schoon is. Beider schoonheid is door den Schepper gewild en bedoeld. Hij omvat alles door de macht Zijner wetten, die de mensch "natuur-wetten" noemt (derde tendens). Maar Hij wil zeeker niet geloofd worden om het werk van ratten en sprinkhanen.

Bespaar Hem Uw loftuiting dan en noemt niet godde­lijk wat, bij alle wonderbare schranderheid, toch maar werk van schepselen is.

 

38. Ik hoorde onlangs een priester God looven en danken omdat ons land buiten den grooten oorlog is ge­bleeven.

Recht menschelijk en natuurlijk niet waar?

Maar als wij nu eens niet buiten den oorlog waren ge­bleeven, hadden wij dan het recht gehad Hem te laken en te verwijten?

O neen! - ook dan hadden we moeten looven en danken. Hier voel ik iets onlogisch en oneerlijks.

Het ware misschien dankenswaard geweest als wij niet buiten den oorlog waren gebleeven, en ter deege geboet hadden voor onze zonden.

Maar dan behoefden wij ook niet dankbaar te zijn, omdat wij gespaard werden. De Goede Heer wil geen laffe vleijers, maar waarachtige oprechte dienaren. De dankbaarheid zou immers anders alle waarde verliezen.

 

39. Walt Whitman was een eerlijk en oprecht man. Homo justus. Ook een natuurvriend, eevenals John Bur­roughs en onze Thijsse. Maar hij verstond niet het mysté­rie van de tweede tendens.

Geen mensch heeft zoo intens gevoeld de Gods-vreugde, die opstijgt uit het menschelijk gewoel, als Walt. Hij was een trouwe en gehoorzame dienaar, met al zijn groote mis­slagen.

Had hij niet het volle recht, die zuivere en heerlijke ver­voeringen, die hij gevoelde bij het zien van zijn meede­-menschen, hun werken en woelen, hun strijden en lijden, te verstaan als wijzende wenken van God? Hoe kan God zich anders in ons kenbaar maken, als door zuivere, helde­re, liefdevolle en onbaatzuchtige vreugde?

Walt genoot het menschelijk samenleeven, met goed en kwaad, in de sterkste verrukking. Hij waardeerde ieder mensch, in alle rangen der maatschappij, hij had ze allen lief, of ze matroozen waren of koetsiers, arme kunstenaars, ligte vrouwen of miljonairs.

Wie heeft het menschdom, in zijn welslagen en zijn ver­doolingen, zoo verheerlijkt als Walt Whitman?

En toen de verschrikkelijke burgeroorlog kwam, kon hij de volle maat van zijn liefde uitstorten, twee jaren achtereen, in de bloedige hospitalen van Washington. Hoe ge­noot hij toen zijn intensief en vuurig lievend leeven. Blij­heid en liefde, weldoen en troosten uit zuivere motieven, wat schooner bestaan was voor een mensch denkbaar?

Maar Walt bewonderde het menschdom, zooals onze natuur-vrienden de natuur - in de eerste tendens - be­minnen. Hij bewonderde alles, het goed en het kwaad, en hij zag geen kwaad, waar sterk en blij leeven was. Zijn vreugde en vervoering was zoo machtig en heftig, dat hij niet bemerkte, hoe wij allen met het menschengeslacht een geweldige kentering doorleeven. Het opkoomen van de tweede tendens, te verstaan als een zwenking, een om­mezwaai, na de verre uitslag van het zelfstandige leeven der schepsels - hun wenkend, dat het tijd is tot terugkeer naar het Vaderhart.

Deeze tweede tendens kan de mystieke tendens heeten, en Walt, in zijn eerlijke vreugden, bemerkte haar niet; Hij volgde wat hij voor God's roepstem hield, de vreugde, de liefde, de vervoering. En wie duidt het hem euvel? Nog­maals vraag ik: kan God ons andere wenken geeven als de blijheid, de vreugde, de gemoedsrust en de liefdekracht?

Walt zag de zwenking niet, en bemerkte niet de mys­tieke tendens, en kantte zich zelfs volhardend teegen deeze ommezwaai in de scheppings-periode die eischt, dat de vreugden der eerste tendens worden gedood en verstikt terwille der tweede tendens. Hij duldde niet, dat vreugde werd verstikt en teegengegaan. En hij zag niet het geboo­ren worden der schaamte, waardoor de mensch eerst wordt tot het nieuwe schepsel op aarde, dat voelt zijn naakt­heid en de onreinheid kent, in besef van eigen goddelijke bestemming.

Walt wilde niets weeten van de schaamte voor onze naaktheid, van onreinheid in ons geslachtsleeven. Het was alles blij en gezond en goed - en hij haatte alle preutsch­heid als ziekelijk en huichelachtig. Toen schreef hij die be­ruchte verzen, zoo eerlijk in hun verwerpelijke obsceniteit, die zijn naam hebben bevlekt en zijn schoonen invloed hebben verzwakt. Want zelfs een zoo forsche en machtige figuur moet het afleggen teegen het diepe besef der mensch­heid, dat voorgangers zoekt om den weg der tweede ten­dens te bewandelen, den mystieken weg, die door pijn en zelf-verloochening, door ascese en versterving, door het mijden van onreinheid tot het hart des Heemels voert.

Twijfelt gij nog, natuur-vrienden, vóór-vechters van ongetemperde leevensvreugd, menschen van "genot is deugd", die preutschheid en zeedigheid als afgedaan willen beschouwen, zoo er maar aan de eischen der eerste ten­dens, de bestaans-strijd is voldaan; die de menschen wilt zien als bloemen, zonder schaamte of onreinheid- twijfelt gij nog aan het werkelijk bestaan en de noodwendigheid der mystieke tendens - wacht dan tot de Ouderdom na­dert en de Dood, en ziet wat er terecht komt van uw lee­vensvreugde, uw blijheid, uw voortplantingskracht, uw genot en uw streeven naar eeuwig leeven.

God's oordeel sprak en sloeg Walt Whitman neer, niet om hem te bestraffen, want hij was een trouwe dienst­knecht, maar om hem te beleeren. En hij heeft geleerd, zooals blijkt uit zijn deemoedige en vroome Ode aan Co­lumbus.

Schooner dan zijn middaghoogte, was Walt Whitman's ondergang. En al noemt hij Christus al of niet, hij getuigt van Hem Wiens komst op aarde het uiterste zwenk-punt aanwijst van de tweede tendens en van Wiens blijvend aan­weezen, als Herder onder Zijn kudde, mijn Roode Lampje getuigenis geeft.

 

40. Er is een geheimzinnig verband tusschen reinheid, humor en het besef van onze goddelijkheid en onsterfelijk­heid. Ik heb er veel oover gepeinsd, de verklaring zweeft mij nu en dan éven voor den geest. Maar de instrumenten voor ons denken, de woorden, zijn te plomp, te bot.

Niemand weet waarom wij eigenlijk lachen, wat het lachen beteekent[4].

Het schijnt mij zeeker, dat er verband is tusschen het gevoel van het komische, en het intreeden van de tweede tendens. De bestaans-strijd van de eerste ten­dens is ernstig. Het komische ontstaat in de période van ommezwaai, als de mensch teegenoover de natuur in op­positie komt, en smart leert verkiezen booven genot.

Alleen bij sommige met den mensch vertrouwde, hoog ontwikkelde dieren bemerken wij gevoelens van humor en reinheid - als zindelijkheid, - zooals bij de katten. De mensch, in het conflict van eerste en tweede tendens, doet niets liever dan lachen, en vindt den prikkel daartoe in on­reinheid, vooral bij kinderen en primitieve menschen. On­reinheid als onzindelijkheid, maar later ook als sexueele onreinheid.

Maar de toekomst, waarheen de tweede tendens wijst, schijnt den mensch niets tot lachen prikkelends te bieden.

De heiligheid is ernstig, bij de wijding vervalt alle humor.

Hiervoor is de mensch bevreesd, en de booze maakt daar gaarne gebruik van.

Een waereld zonder lach schijnt ons menschen ondra­gelijk. En toch, heel het verleeden van de aardsche schep­sels is ernstig, en al het verheevene van de lichtende toe­komst is ernstig.

Bij goddelijkheid past geen humor.

Waar verheevenheid en heiligheid is, daar wordt niet gelachen, daar ontstaat geen grap. Het fijne, prikkelende conflict van hoog en laag, dat ons verheugt (waarom?) dat ontbreekt in het gewijde, in het streeven van de tweede tendens.

De Booze noemt lachen en humor gezond en natuurlijk, en spot met de uitgestreeken kweezels, die altijd ernstig zijn.

Hij heeft ten deele gelijk - als altijd - want als wij het lachen te vroeg verzaken, in den grooten ommezwaai, dan mislukt onze stijging en vallen we in den put van schijn­heiligheid en dweeperij.

Maar toch is er niets zoo gevaarlijk voor den God-zoe­ker als een komische geest en een groote smaak in grappen. Hoe geestiger ze zijn, des te eerder verleiden ze ons tot God-verzaking. Want wij lachen zoo graag, en vreezen zoozeer al te ernstig te zijn. Ik ken menschen - zeer van nabij, rechte Hollanders - die nooit in ernst kunnen spreeken, dus ook nooit kunnen bidden, tenzij alleen of in groote verslagenheid - en die om een goede grap met het heiligste den spot drijven.

Ik zou haast denken, dat men spot als Duivels-vreugd teegenoover Gods-vreugde kan stellen.

En hoe onbewust sluuw weeten mannen en vrouwen elkander te trekken door de geestigheid, die uit sexueele onreinheid voortkomt. Daar zijn heel wat goede voornee­mens ondermijnd en vergeeten, door een kostelijke aar­digheid, en een fijn spel van scherts.

Kinderen en primitieve menschen, neegers vooral, die groote kinderen zijn, hebben vermaak alleen door het noemen van onreine of liever onzindelijke dingen.

Teegen de puberteit lachen ze ook graag om sexueel­-onreine dingen. Beide soorten van grappen zijn verwerpe­lijk, al lijken die van de eerste soort onschuldig. Lachen om onreinheid is gevaarlijk, want het is een ernstige zaak, in de tweede tendens. Lachen om sexueele onreinheid is niet alleen gevaarlijk, maar ook heiligschennis. Want in den grooten omkeer van eerste tendens (T 1) naar tweede ten­dens (T 2) is het loskoomen uit den voortplantingsdrang het moeyelijkste, gewigtigste en ernstigste probleem. Wie dat gevoelt, duldt geen ligt-vaardige woorden of gedachten daaroover.

Het is door geleerden reeds opgemerkt, dat in ieder indi­vidu zich de geschiedenis van het geheele geslacht her­haalt. Zoo hebben kinderen de eigenschappen van den primitieven mensch; en schijnen onbeschaafde volken ons als kinderen toe. Kinderen zijn als menschen in de eerste tendens. In hun eerste jaar zijn het ernstige diertjes. Met den eersten glimlach komt het menschelijke in hen. En dan vinden ze, eevenals primitieve menschen, het on­reine vermakelijk. Dan neemt hun ernst toe, ook ten aan­zien van het sexueel onreine, naarmate zij begrip krijgen van het verschil tusschen ziel en lichaam, van hun verhee­ven toekomst, en van het voorbijgaan en verval van het aardsche lichaam, en het eenmaal ophouden van de voort­plantingsdrift. En de ernst neemt nog toe, in den bejaarden mensch, als hij moeyelijk naar het Licht streeft op den tweeden weg. In de wijding van het Licht wordt alle vreugde, die doet lachen, alle grappigheids-vreugde, verre ooverstemt en geheel verdrongen door de veel zuiverder en reiner vreugde van het heilige en gewijde.

Dikwijls wordt "spel" teegenoover "ernst" gezet. Dit is signifisch een gevaarlijke verwarring. Kinderen en barba­ren speelen en de neevengedachte bij het woord "spel" is, dat spel nutteloos is. "Kinderspel" beteekent: iets ge­heel onbeduidends, iets dat waardeloos is.

Maar "waarde" en "nut" hebben alleen beteekenis ten opzichte van een groot doel, dat iedereen erkent. En als men het woord "spel" gebruikt teegenoover "ernst", dan bedoelt men die handeling, die geen nut heeft, geen praktisch nut voor het aardsche leeven, voor welvaart, gezondheid, voorspoed - (T 1).

Maar als het doel wordt begreepen als T 2, dan is juist "spel" het meest nuttige, omdat het schoonheid brengt. Van Schiller is het stoutmoedige woord: "Man soll mit der Schönheit nur spielen, und man soll nur mit der Schönheit spielen."

Als zoodanig staat "spel" niet teegenoover "ernst", maar is juist spel de hoogste ernst. Die beteekenis zit reeds in het woord "piano-spel" of "schouwspel". Kan er in het hooger Leeven, waar geen stoffelijke nood meer te oover­winnen valt, wel iets anders bestaan dan spel, schoon­heids-spel, en liefdes-spel? Is dat daar niet het eenige doel, het Goddelijk vreugde-spel, juist andersom als op aarde, waar "spel" heet ontspanning en tijdverdrijf, en alleen datgeene nuttig wordt genaamd, en geen spel, wat voor het waarachtige doel des Leevens er het minst op aan komt?

 

41. Doelloos slenter ik langs het strand, midden in de geweldige lijnen van horizon, oever en duinenrei. Doel­loos? - dat wil zeggen zonder voorafgemaakt plan met een praktisch bemerkbaar einde. Maar zonder doel is er geen seconde in mijn leeven, geen beweeging in mijn lijf, geen gedachte in mijn geest. Alles wil naar Hem en Zijn vreugde.

En zoo ga ik langs het strand, wachtend op Zijn Liefde. Hier is ruimte, hier zijn groote verheeven dingen om mij heen, hier is het eeuwig-ernstige geruisch en de fijne en toch zoo sterke kleur. Zal Hij nu nog niet koomen?

Het liefste schrei ik, dat zijn gelukkige momenten. Mijn tranen schijnen Hem toch wel iets te verteederen. Dan worden de strenge lijnen zachter, en de machtige kleuren van zee, aarde en heemel weeker. Maar o! het zijn zoo ge­heel andere tranen als voorheen, toen ik om vrouwe-liefde weende. Toen was het zoete pijn, en heerlijk schoonheids­spel, en melodische klacht. Nu is het vervaarlijke ernst en strenge tuchtiging. En dan somwijlen een korte genade, wat rust, wat vreede in een vloed van tranen.

Dat duurt niet lang, helaas! - ik wil de weemoed graag vasthouden, want ze is zooveel dragelijker dan de dorre naargeestigheid. Maar het mag niet. In het ruischen der zee is nog geen vergeeving.

Ik slenter langs de branding der leevenszee, en tracht het schoone lijnenspel te volgen. Het zand der feiten ligt voor mijn voeten, een breede vlakte met ongetelde mil­jarden. Methode-loos ga ik voort, en raap op wat ik zoo nu en dan vind. Wat is methode? Nu en dan doe ik een vondst, die waarde schijnt te hebben. Waarde voor het eenige doel.

Dan keer ik in en vraag het Roode Lampje. En als dat mij antwoordt, zoo teeder als een zachte vrouwehand, die mij het achterhoofd streelt, en de tranen breeken weer door, dan is het goed.

 

42. Wie weeten wil wat ik met de eerste tendens (T 1) bedoel, die leeze een van die boeken oover het wilde-dieren­leeven, die teegenwoordig zooveel opgang maken, vooral onder jonge menschen. "Helden onder de dieren", "Ka­zan de Wolfshond", “het Jungle-boek ", “The Call of the Wild," enz. Dat is het harde, zelfzuchtige, moordende leeven, vol blijheid en schoonheid, maar zonder zonde of schuld, en vol klachtloos gedragen wreedheid en pijn.

Daaraan deed ook de menschheid zonder wroeging mee[5], totdat Christus op aarde kwam. Zijn komst was voorgevoeld door enkele teederen. Maar eerst na zijn komst zette de tweede tendens (T 2) volmachtig in.

Maar nog lang niet is T 1 verdweenen, ook in het menschgeslacht nog niet. De geest van de wildernis is nog niet gestorven onder de menschen. En het schrijven en greetig verslinden van boeken als "Kazan de Wolfshond" bewijst, hoe die stem van de wildernis nog weerklank vindt onder jonge menschen. Ze hooren er de jeugd der mensch­heid in.

En de oude schriftuuren der volken, waarvan getuigen die anders als van moord en bloed en slachting, zonder spijt en zonder genade?

De "Ilias", de "Maha-Baratha", de "Edda", "Ossian", "Béowulf", het "Nibelungen-lied"- alles moord en dood­slag tot in het verveelende.

Teeder als ik ben, voel ik toch nog de aantrekking van de wildernis, van het wreede, vreeslooze, zorgenlooze lee­ven. Want T 2, de drang naar heiligheid, kan nog niet be­staan zonder de omgeeving van T 1, de drang naar macht en altijdduur der soorten. Uit het conflict tusschen beiden, ontstaat de meest verfijnde smart. Want T 1 blijft hard en wreed, en T 2 wordt bij zijn opgroei steeds teerder en wee­ker, en gevoeliger. Ach, ik voel alsof ik die vuurige liefde­pijl wel weer wilde uitrukken, die nu met zijn weerhaken vast zit in mijn ziel. Het is een gunst, een genade . . . een voorrecht - maar soms, in mijn vertwijfeling, zou ik dwaasselijk willen vragen: "neem Uw gave terug - en laat mij in de wildernis zondeloos leeven en vreesloos sterven.”

 

43. Ja, de meest verfijnde smart - onmisbaar voor de meest verheeven vreugd.

Ooverdenk dit woord van Broeder Soendar Singh, toen hij, afgemarteld en uitgeput, bezweek onder zijn last, "How sweet it is to suffer for Him". Hoort ge! het was wonder-zoet en ten uiterste smartelijk.

Dat is de Gods-vreugde, dat is de roep op den weg van T 2. Dat is het aller-begeerlijkste wat voor den mensch te bereiken is. Het genieten als heerlijke wellust, van het somberste lijden, - als Gods toenadering er maar door bevorderd wordt.

Dat is geen ziekelijke uitzondering, zooals geleerde Godloochenaars het wel zullen noemen, het is een algemeene en voor allen geldende waarheid.

 

44. Broeder Tagore is gekoomen. Al zeven jaar ge­leeden keek ik verlangend uit naar zijn komst. En nu ­ach! ik heb weinig dagen in mijn leeven gekend, zoo smart­vol als deeze. Niet dat zijn persoon, zijn weezen mij teleur­stelde. Maar zwarte schimmen stonden tusschen ons. Drie figuuren, ijl onvatbaar en toch wreed machtig en stil ge­weldig.

Maja, Fama en Mammon.

Maja is de zoete bekooring, de fraaye schijn, die onze neigingen en begeerten verzamelt en er ons door tracht te lokken en te misleiden. Die neigingen zijn ons als schep­selen Gods ingebooren en voeren ons door T 1. Maar als ze hun werking gedaan hebben en wij weer zullen stijgen in T 2, dan houdt Maja ons teegen door die begeerten.

En nu zie ik haar bedrog, door mijn hooger willen. En ik voel nu mijn kamp, onder gruuwelijke pijn. Het is ver­schrikkelijk - en ik voel, dat de wijsheid van Tagore hier machteloos is. Hoewel hij als Hindoe kan weeten wie Maja is. Hij vertrouwt nog op zijn innerlijke harmonie, zijn se­réniteit. En hij laat zich nog lokken door Maja. Hij hoopt de waereld te zullen verooveren door het woord, door zijn volharding, zijn schoone taal, zijn dichter-macht.

Ik ken deeze illuzie, maar ze is Maja. Ze is démonisch en moet worden bekampt, met leed, dat zoeter is dan al ons geluk en onze vreugde.

 

45. Fama, de groote naam, de autoriteit, het gezag ­- de orenda. Ook die stond tusschen broeder Tagore en mij.

Want Fama trekt de menschen tot elkander. Er vormt zich een centrum en daaromheen groepeeren de menschen zich, en niemand ontkomt geheel aan die werking.

Als de bijen zwermen, blijven zij altijd onder den ban van de kooningin, de moeder-bij. En als het avond wordt en ze hebben geen goed te huis gevonden, dan kruipen ze ooveral in klompjes op elkaar.

Zoo krioelden de menschen om Tagore, als bijen, die hun moeder-bij verlooren hebben, en het was onmoogelijk hem te naderen.

En Tagore toonde de weekheid van een goed en fijnge­voelig man, die zijn best doet zoo goed en liefdevol moo­gelijk te handelen. Ik ken eenigszins de situatie en had meelij met hem en met mijzelven.

Men moet wel uit liefde hard worden.

 

46. En de Mammom zat tusschen Tagore en mij en bood vriendelijk zijn bemiddeling aan. Hij had zelfs een evangelie-woord tot zijn beschikking, waarin ons geraden wordt, vriendjes met hem te worden, onrechtvaardig als hij is.

Ik erken, dat ik met sommige gelijkenissen min of meer verleegen zit. Die rentmeester, die beloond wordt omdat hij sluuwheid toonde in bedriegelijke praktijken. Moeten wij hem tot voorbeeld neemen? Wien moeten wij navolgen? Den heer, die den bedrieger beloont in plaats van hem te bestraffen? of den bedrieger zelf die zijn heer laat be­steelen?

Is het oneerbiedig te zeggen, dat Jezus met dit verhaal niet zeer gelukkig is geweest?

0, als hij de macht, de perfide, alles beheerschende en doordringende macht van Mammon had gezien, zoo als wij die nu kunnen zien. Als hij de schrikkelijke, stoffelijke, zoowel als geestelijke gevolgen van Mammon's ooverheer­sching had waargenoomen, zooals wij die waarneemen - ­zou hij niet wat strenger voor den omgang met onrecht­vaardige rentmeesters gewaarschuuwd hebben?

Jezus vermeed de rijken niet, Hij toefde graag bij hen en lag aan bij hun maaltijden. Zijn vriend Lazarus was rijk. Jezus had geen vooroordeel en ging waar Hij meende te kunnen helpen.

Maar hebben de eerlijken, oprechten en goedwillenden van onze dagen, geen reeden om Mammon bij tijds uit den weg te gaan?

Is de scheiding tusschen Mammonisten en niet-Mam­monisten niet eigenlijk de noodzakelijkste scheiding in de menschheid? Veel dieper dan tusschen kapitalisten en proletariers, tusschen katholieken en niet-katholieken?

De Mammonisten hangen als vleermuizen aan elkan­der, ze vertoonen alle moogelijke kristelijke deugden,  mildheid, zachtzinnigheid, naasten-liefde - en ze beder­ven den niet-Mammonist met de meest verfijnde perfi­diteit. Want ze wroeten met hun door vuil geld bezoedelde handen in ons zuiverste zieleleeven. Ze besmetten ons door hun zelfbedrog en maken ons meedeplichtig aan hun kwaad, eer wij 't weeten.

Zag ik het niet reeds bij mijn goede monniken, die toch ook leeven bij de genade Mammons, zonder het te voelen? - en kwam het niet weer aan 't licht bij den goeden, maar op Mammon's streeken niet ver­dachten Tagore?

 

De monniken zeggen, dat het niet verneederend is te beedelen, dat de heilige Benediktus, hun ordens-stichter, ook niet schroomde van weldadigheid te leeven, en alle geldelijke giften aannam, als ze uit liefde gegeeven werden.

Gij vergeet, lieve monniken, dat Mammon altijd koopt en handelt. Als hij U uit liefde en mildheid zijn aalmoezen geeft, dan koopt hij daarvoor kostbaar onstoffelijk goed, hij koopt Uw dankbaarheid, Uw geneegenheid, Uw blijd­schap, Uw tevreedenheid; hij stelt U in staat, niet alleen om zelf rustig voort te leeven, - bezit-loos, maar niet in armoede - maar ook om anderen bij te staan, het geloof te verbreiden, het geestelijk leeven te bevorderen. Is het menschelijk moogelijk voor die weldaden niet dankbaar te zijn? En als gij dankbaar zijt voor mildheid, die geen mild­heid is, omdat het geld bij elkaar geroofd en gestoolen is - ­zijt ge dan niet aan den Mammon verkocht met Uw eedelste bezittingen? Zoudt ge Uw weldoener, als hij blijkt een misdadiger te zijn, kunnen behandelen zooals hij verdient, naar recht en waarheid? Als Uw zieke moeder geneezen is door de vrijgeevigheid van een zwendelaar, zult gij hem hard kunnen vallen?

En Mammon is ook de aesteet. Hij duldt geen leelijkheid, geen onwaardigheid. Tagore, de eedele wijze, met zijn sta­tig en waardig gewaad in een sjoofel derderangs pension... ondenkbaar! om van te rillen!

"Wat zou er van Uw beschaving worden, wie zou schil­derijen koopen, Wagner-opera's subsidieeren, schoone ge­bouwen oprichten, zonder mijn hulp?" vraagt Mammon. "Is heel Amsterdam, met zijn ongebruikt en onbruikbaar pronk-paleis, zijn beurs en haven, zijn statige grachten, zijn reusachtige etablissementen voor vrouwenopschik, zijn weelde-huizen, zijn museums, zijn diamant-slijperijen, ja met zijn mooye en rijk gekleede vrouwen zelf - is heel die fraaye stad niet een creatie van mij, den Mammon? Hoe zouden bevallige maar onbemiddelde vrouwen aan een man koomen, en lieftallige kinderen groot-brengen, zonder mijn hulp?"

Broeder Tagore heeft niets hierteegen ingebracht en zich aan Mammon's leiding toevertrouwd.

Broeder Soendar Singh (dien ik nooit gezien of gesproo­ken heb) zal voorzichtiger zijn. Ik weet het. Ootmoedig en zijn menschelijke zwakten indachtig, gaat hij Mammon bij tijds uit den weg. Zijn waardigheid zal hem niet verhinde­ren bij armen zijn intrek te neemen, hij is thuis bij bolsje­wiki zoo goed als bij bank-directeuren. Hij is veilig, want hij vertrouwt op Jezus. Hij ziet het Roode Lampje, hij weet: de :Meester is niet ver.

 

47. Zestien miljoen lichtjaren!

Den ganschen dag blijf ik het hooren, des morgens ont­waak ik er mee. Het woord verlaat mij niet - ik lees een afschuuwelijk bericht in een dagblad, een lustmoord - hoe verfoeyelijk is de mensch. .. maar. .. zestien miljoen lichtjaren!

Wat beteekent dit? Het is de bereekende afstand van een spiraalvlek, een spiraalvormig vlekje sterren, misschien een ander melkweg-systeem - tot onze aarde.

Het Licht is een vlugge knaap.

Als ge samen met hem een reis om de aarde maakt, dan is hij ongeveer zeven maal rond geweest, als gij één schree­de gedaan hebt. Komt hij van de zon, dan gebruikt hij voor die reis niet veel meer tijd, dan gij noodig hebt om een ei hard te kooken. En nu wist ik wel, dat er afgeleegen zonnen zijn, wier licht niet eenige minuuten maar eenige jaren noo­dig heeft, om, reizende met een vaart van 300.000 KM. in de seconde, deeze aarde te bereiken.

Maar het zijn niet "eenige jaren", het zijn zestien mil­joen jaren. Dit is maar een klank, niemand kan zoo'n af­stand tot voorstelling maken. Denk U een miljoen jaren te hebben gereisd, met die vervaarlijke snelheid, en dan te zeggen: ziezoo! dat is één - nu nog maar vijftien miljoen.

Toen het licht, dat we vandaag zien, van die neevelvlek afreisde, waren menschen stellig niet op deeze aarde. Ook niet op andere aarden?

Maar als er geen oogen waren om dat uitgezonden licht te zien, was er dan wel zooiets als wat wij Licht noemen?

Licht is een gewaarwording in onze ziel; om die te doen ontstaan, zijn er noodig uitgezonden lichtstralen en opneemende netvliezen. En als er nu nog geen oogen en geen netvliezen zijn, kan er dan al Licht zijn?

En toch is zestien miljoen jaar geleeden een lichtstraal naar ons afgezonden en heeft ons vandaag, eerst vandaag, bereikt, met een duidelijk bericht, bereekend voor men­schenoogen en voor telescoopen, hulp-oogen, gemaakt door menschelijk vernuft.

Het treft me, als door een wonderbaar vertrouwen, een groet uit de oneindigheid.

Want zulk een afstand is oneindig. Wij moogen het uit­spreeken en neerschrijven, wij begrijpen van die afstand niets. We hebben verstandelijk gedacht, dat aan het einde van de verste ruimte toch weer nieuwe ruimte zal moeten volgen. Op die ondenkbare groote afstand moet er toch iets zijn, dat wisten wij.

Maar dat we dien afstand kunnen peilen, meeten, be­reekenen en beseffen, dat ons een bericht uit die oneindig­heid wordt gezonden, als een klein, flauw vlokje licht ­- dat is het wat mij vervult van verwondering, van ontzag en troost. Want het treft mij als ondenkbaar, dat de mensch die oneindigheid zou peilen, en er verder geen deel aan hebben. Wie in het Heelal reedelijkheid en waarheid ver­wacht, moet ook wel aanneemen, dat zulk een buitenge­woon vermoogen niet nutteloos en spoorloos weer zal ver­dwijnen.

De theologen zullen zeggen, dat deeze nieuwe kennis, die bij de oude Christenen ontbrak, ook niet noodig was voor het geloofsleeven. Wie dit meent, vergeet dat zonne­stelsel en sterregroepen symboolen zijn van geestelijke werkelijkheeden.

De mensch, die de aarde voor een platte schijf houdt, en zon, maan en sterrenheemel denkt daar-om-heen wente­lend, op een gemoedelijk-kleine afstand, en dit alles ge­schapen voor zes duizend jaar - zulk een mensch kan de symboliek van de zon en sterren onmoogelijk juist ver­staan. Hij zal aan aarde, menschenras, sterren en heemel geheel verkeerde verhoudingen toekennen.

Zijn voorstelling, die hij niet na-laten kan te maken, zal pieterig kinderspel zijn, als een draai-moolen en een schiet­tentje, vergeleeken bij de ontzachelijke waereld-structuur.

Wie zich verdiept in dat enorme cijfer van zestien mil­joen lichtjaren, die zal van zelve een minder kinderachtig inzicht krijgen in God's Weezen. Die zal niet denken aan den Schepper als aan die Godheid, die Adam liep te zoe­ken in 't Paradijs, en wien het berouwde (berouwen!) den mens  gemaakt te hebben.

Ons weezen, onze ziel en onze geest groeit, wanneer de gedachte en de kennis grootscher feiten oopenbaren en wijder ruimten doen doorschouwen.

Een meditatie oover zestien miljoen lichtjaren is schoon, moeyelijk en noodig. Want het is een meditatie oover God's Weezen en de Oneindigheid. Het versterkt ons be­sef van eigen nietigheid en van den afstand tusschen God en ons. En toch kunnen wij daarbij bedenken, dat het onze kosmos is, die zich zoo oneindig ver uitstrekt, mijn kosmos waarvan ik het middenpunt ben.  In welk een do­mein ben ik geplaatst!

En toch is voor God die afstand tusschen mij en den spiraal-neevel niets, Hij ooverspant die met Zijn hand.

 

48. De signifische waarde van de voorige meditatie, oover de zestien miljoen lichtjaren, schuilt in de vraag: "Wat beteekent het woord "Licht"?"

Is Licht alleen een gewaarwording in onze oogen, dan was er ook geen licht voordat er oogen waren.

Het licht is van dien neevelvlek afgereisd, voordat er hier menschen, voordat er hier oogen waren. Was het toen ook nog geen Licht? Wanneer is het dan onderweg Licht ge­worden?

Kant zou zeggen: "het is incognito afgereisd, als Ding-­an-sich. En toen het onderweg bericht kreeg (hoe?) dat er oogen waren ontstaan op aarde, toen werd het Licht."

Of ontstond er eerst Licht, toen het Ding-an-sich den oogbol binnendrong? Wat was het dan vóór dat oogenblik? Dan kan men ook niet zeggen, dat Licht beweegt of snel­heid heeft - want buiten den oogbol is er dan geen licht.

 

49. Mediteerend oover dit incognito-licht kom ik eerst tot de vraag :"als ik een stomp op mijn oog krijg, zie ik licht. Is dat nu heusch licht of niet?"

Is het wèl Licht dan kan dus het Ding-an-sich, het in­cognito-licht, een vuist-stomp zijn.

Is het géén licht, waardoor onderscheidt het zich dan van werkelijk Licht?

 

50. Meditatie is geen logische bereekening. Meditatie is verwijding en verdieping van de intuïtie.

Als ik goed peins oover die zestien miljoen, dan geloof ik intuïtief, dat er altijd Licht is geweest. Ik geloof niet, dat het op een zeeker tijdstip geschapen is. En ik geloof ook, dat er altijd menschen zijn geweest, en niet, dat ze op een zeeker tijdstip zijn geschapen. Er waren altijd men­schen, altijd oogen en er was altijd Licht.

Niet op deeze aarde, niet op Géa, 0 neen! daar zijn ze eenmaal gekoomen, lang nadat de spiraal-neevelvlek in Andromeda onstond. Maar ze waren op andere aarden, in andere sterrensysteemen, en het licht verbond hen met den kosmos, op zestien of honderd miljoen licht-jaren afstands.

 

51. Niet waar? Het is al te gek, om aan te neemen,dat dit onnoemelijk kleine stipje in 't Heelal uniek zou zijn en het alleen belangrijke middenpunt van al het geschapene. Dat dit onmoogelijk is, laat zich niet bewijzen, maar is on­betwistbaar-stellig intuïtief te voelen. Gods natuurwetten gelden ooveral, ook op zestien miljoen lichtjaren afstands. En zouden ze nu ooveral gelden zonder eenige beteekenis of geestelijk resultaat - behalve op die kleine planeet Géa, die om de zon, Sol, heendraait? - één zon uit honderd miljoen zonnen van het melkweg-systeem - en dat sy­steem weer één uit de ongetelde melkweg-systeemen, die tot op 16 miljoen lichtjaren afstands nog door ons waar te neemen zijn?

Ooverpeins het, nietig menschje! Ge zult al spoedig niet meer kunnen volhouden, dat deeze Menschelijke Tragédie in zijn verloop van eerste en tweede tendens uniek is, en maar op één enkel bolletje is voorgekoomen. Wij zien, dat de derde tendens tot op zestien miljoen lichtjaren nog gel­dig is, zou dan deeze ontzachlijke opzet geen breeder uni­verseeler doel hebben dan enkel den toeleg om dit kort­stondig menschengeslacht op dit nietige planeet je te ont­wikkelen, van eerste tot tweede tendens te voeren en ein­delijk, door zelfverloochening en zelf-versterving, tot ver­lossing en eeuwige Godsvreugde terug te leiden?

Bedenk, ik zeg hier niets fantastisch of fanatisch, ik noem nuchtere, voor elk mensch kenbare feiten.

Maar het gevoel van reede en eevenwigt, dat door ons denkvermoogen niet gemist kan worden, verzet zich tee­gen de gedachte van zulk een weergalooze, grenzelooze wanverhouding: Een Heelal van zulke ondenkbare dimen­sies, dat bestaan zou en gegroepeerd zou zijn om een kort­leevend, klein en nietig menschenras.

 

52. Maar een neeven-gedachte moet terstond worden vastgehouden en uitgesprooken. Aanmerkend het men­schenras en ons eigen ziele-gang daarmee en daarin, kom ik tot de vaste intuïtie, dat God zich wel herhaalt in Zijn wetten en krachten, dat Hij wel regeert met univer­seele vastheid en rechtvaardigheid - zoodat men op Zijn toekomst vertrouwen kan, - maar dat Hij aldoor nieuw is en aldoor schept, rusteloos en ooveral, en nooit tweemaal geheel hetzelfde schept of doet.

Deeze gedachte oovervalt mij soms onverwacht en plot­seling en een huivering van Grootheid en Eerbied vaart voelbaar door mijn stoffelijk lijf.

Want ik heb deel in die schepping. En mijn daden en gedachten zijn een deel van dien eeuwig veranderenden, steeds nieuw-leeven barenden God. Het is duizelingwek­kend om te denken, maar het is zoo, het kan niet anders. Ik maak de schepping mee, ik heb iets van Gods vermoogen

en eigenschappen gekreegen, ik kan vinden en denken en voortbrengen. Ik ben een deeltje van Hem, een oneindig klein deeltje, maar toch van Hem. Mijn daden en gedach­ten zijn nieuw, eevenals die van alle menschen. Ze waren er nooit voorheen. En ze koomen nooit weer. En de herinne­ring dan? Ja, herinnering en voorspelling doen alles eeuwig leeven. Alles is Geest, zoo God als mensch, en Geest is onvernietigbaar. God is het Geheel, mensch is een nietig klein deel. Toch weeten we ons een deel van de oergeest, dus ook deel hebbend aan Gods zaligheid.

 

53. Het ligt alles heel ver. En veel meer er van zeggen baat niet. Menschetaal deugt er niet voor. Een enkele maal, als een genade-licht, zien we iets verder in de duisternis.

Nog eens ooverdenken en herhalen. Het behoort ons dagelijksch gebed te zijn.

De mensch als middenpunt, naar de kleinheid toe, be­staand uit miljarden cellen en iedere cel weer uit miljarden moleculen en ieder molecuul weer uit honderdduizende electroonen of ionen. En die ionen misschien weer zonne­stelsels.

Naar het groote toe, het menschenras zich ontwikkelend, in eenige aeonen, op een betrekkelijk zeer kleine planeet, Géa, veertigduizend kilometer in omtrek, trawant van Helios (Sol); Helios op 9 licht-minuuten afstands van Géa. Die zon weer één uit miljarden zonnen, samen vormend het melkweg-systeem, een spiraalvormige platte wolk van zon­nen, waaronder veel grootere dan Helios, zooals Algol. Die platte wolk heeft een doorsnee van 25000 lichtjaren. Maar ze is één uit ongetelde, miljarden systeemen, waarvan ons melkweg-systeem gemiddeld zestien miljoen lichtjaren verwijderd is.  

En dit alles saamgebonden tot één Eenheid, door de vlugge boode: het Licht, en ooveral voor zoover wij kun­nen zien, beheerscht door dezelfde wetten, van de derde tendens.

Deeze litanie behoorde bij ons morgen- en avondgebed.

Met groote aandacht uitgesprooken en doorvoeld.

Want God oopenbaart zich aan ons door het stoffelijke, daarmee zegt Hij ons wie Hij is. Zijn Liefde en Wijsheid staat tot de onze als Algol tot Electron.

Hij is ver van ons, meer dan zestien miljoen lichtjaren en Hij is bij ons en in ons weezen, want ieder celletje van ons lijf werkt en beweegt - in de eerste en tweede ten­dens.- door de macht die van Hem in ons is, en iedere cel bestaat uit molecuulen en ïonen, die gehoorzamen aan de wetten van de derde tendens. God is dus inniger, in ons, en met ons verbonden, dan de innigste innigheid.

 

54. Ik kan den mensch niet denken als een uitzonde­rings-weezen, - als het eenige geslacht in het gansche Heelal, waarop de groote Heerscher zijn bizondere Liefde en Aandacht heeft gevestigd. Als wij zien hoe ooveral, digtbij en ver, dezelfde wetten zich met kleine wijziging doen gelden, dan verwachten wij ook voor den mensch een universeel recht, in oovereenstemming met wat op andere plaatsen in 't Heelal geschiedt. De mensch schijnt een midden punt van 't Heelal. Maar ook ieder individu voelt zich zulk een middenpunt. Geen twee menschen hebben denzelfden horizon. En toch moet ieder mensch dit wel als bedrog - Maja - beschouwen. Zijn intuitie zegt hem, dat hij geen midden in de oneindigheid kan zijn. Omdat Oneindigheid geen midden heeft.

Maar dan ook moeten we wel verwachten, dat het gan­sche scheppingswonder , de strijd om het bestaan der soor­ten, (T 1) en ook de inkeer tot God, met het zonde- en schuld begrip, met de zelfversterving en de heemelsche redding en verlossing, (T 2) één geval is uit oneindig veelen, die zich afspeelden op miljarden plaatsen in 't Heelal, ooveral waar bestaansstrijd en stoffelijke omstandigheeden (T1 en T2) het opgroeyen van een zich zelf-beseffend menschengeslacht moogelijk maken. Hetgeen bij de ontzachlijke meenigte van zonnen en planeet en op tallooze heemellichamen te verwachten is.

De theologen zullen dit heftig ontkennen en veele bijbel­plaatsen citeeren, die met het gezegde in strijd zijn.

Maar mijneheeren theologen, niemand kan uit andermans. oogen zien. De bijbel is geschreeven voor menschen, die heusch meenden, dat de waereld voor zes duizend jaren geschapen is. Daaraan kan geen spitsvondigheid wat ver­anderen. De voorstellingen van zulke menschen, die hoe hoog ze ook moogen staan, een onjuist begrip van de ver­houdingen hadden, konden niet anders dan kinderlijk en onjuist zijn. Zij konden meenen, dat aarde en menschenras het middenpunt vormden van al het geschapene. Voor een oprecht en wijs mensch van onzen tijd schijnt mij zulk een voorstelling onhoudbaar[6].

Een logisch bewijs voor of teegen is niet te verlangen. Het is intuitie, die afhangt van onze Godsgedachten. Men kan ook niet mathematisch bewijzen, dat de aarde om de zon draait en niet de zon, met alle sterren, om de aarde. Men kan alleen zeggen, dat dit laatste niet waarschijnlijk is, en onze begrippen oover de waereld-structuur, ontzachlijk moeyelijk en oneenvoudig zou maken. Maar bewijzen kan men daaromtrent niet geeven.

 

55. Zou er een menschelijke soort-ziel zijn?

Dat wil zeggen: een voor ons direct onwaarneembare Eenheid, die alle individuën bindt tot één geheel.

Men moet hierbij heel voorzichtig denken en heel voor­zichtig spreeken. Onze grove woorden brengen soms op eens het gedachte-spinsel in de war. Als men niet oplet op de neevengedachten en associaties.

Dus eenvoudig dit: iets of liever Iemand, waardoor alle menschen worden saamgehouden, zonder dat wij Hem direct waarneemen.

Wat in de plantenwaereld de eenheid van de soort is, waardoor het begrip "soort" vastheid krijgt.

De soort-ziel zou dan zijn voor het menschenras, wat de persoonlijke ziel is voor het individu. Het lijf met zijn meenigte cellen wordt er door aaneengehouden, hoewel de cellen er waarschijnlijk geen weet van hebben.

Het is dat wat een bijen-kolonie bindt tot één geheel.

Dit behoeft niet alle individuën van het bijenras te omvat­ten. Misschien heeft elke zwerm een eigen ziel, die zich losmaakt van de kolonie. Staat niet de nieuw gevormde zwerm terstond in heftige vijandschap teegen de oer­kolonie? Ze heeft een eigen geur, die zich terstond oover alle leeden van den nieuwen zwerm verbreidt? Maar iedere zwerm blijft toch weer de soort-kenmerken bewaren, zoo als ze die al eeuwen en eeuwen getoond hebben.

Is het noodig hieroover te mediteeren?

Naar mijn inzicht is het onmisbaar. Want het hangt samen met het begrip van onze verantwoordelijkheid.

Dat begrip is weer in nauwen samenhang met ons geloof. En wat zoek ik anders in deeze ooverpeinzingen, dan vast­heid en helderheid in ons geloof, voor zoover ons begrip en inzicht reiken.

De vraag is: wie is verantwoordelijk voor onze daden, onze weldaden en onze misdaden?

Onder ons menschen geldt als algemeene reegel van rechtvaardigheid: wie de wijsheid en de kennis heeft, draagt ook de grootste verantwoording.

Daarom bevreedigt het ook niet, als wij hooren, dat wij de eeuwige straffen verdienen, voor daden waarvan wij het kwade óf niet wisten, óf niet in al zijn draagwijdte voor­zagen. Jezus heeft vergeeving voor zijn beulen gevraagd, omdat ze niet wisten wat ze deeden.

"Maar wanneer wééten menschen wat ze doen?"  vraagt Christus in de "Broederveete"[7].

Het zonde-begrip der katholieke kerk noemt dood-zonde wat gedaan wordt bij vol besef van het zondige der daad. Dus ook hier wordt de verantwoordelijkheid gereekend te beginnen bij de kennis, het heldere inzicht.

Hoe noodig; hier de significa is, kan men leezen uit Jacob Israël de Haan's geschriften. Ook de strafwet oordeelt strenger naarmate de kennis van den delinquent vollee­diger, zijn wijsheid dieper is.

Maar hoe is het dan moogelijk, dat wij de allerhoogste Wijsheid niet verantwoordelijk stellen voor het kwaad, dat wij, die in vergelijk met Hem geheel onweetend te noemen zijn, in onze dwaasheid bedreeven hebben?

God's daden heeten altijd weldaden; Hij is niet aanspra­kelijk voor ons kwaad, dat zijn wij arme menschen alleen. Zelfs het woord "arme menschen" is volgens de katho­lieke heiligen onvroom en opstandig. Wij zijn niet te be­klagen want wij zijn misdadig, en worden voor ons kwaad gestraft.

Dit klinkt niet alleen hard, maar ook onrechtvaardig.

Zelfs als wij gewaarschuuwd zijn, als wij de boodschap vernoomen hebben, wat goed is en wat kwaad, dan nog voelen wij, dat een eindelooze barmhartigheid - zooals die aan God wordt toegeschreeven - altijd en altijd verzach­tende omstandigheeden kan pleiten.

"Tout savoir c'est tout pardonner. Je ne crains pas Dieu s'il sait tout."[8]

Wie menschen beschouwt met het liefdevolle oog van een Vader, die zal in hen kinderen zien en ondanks strenge vermaning hen altijd in zijn hart vergeeven. Want Hij weet, dat er is weeten en weeten, en dat het naspreeken van het bericht omtrent goed en kwaad nog niet beteekent, de waarachtige kennis en het diepe besef van het kwade. Ook van den grootsten booswicht, die schijnbaar willens en weetens zondigt, kan men niet zeggen, dat hij de draag­wijdte van zijn daad volkoomen besefte, en dus alle ver­antwoordelijkheid moet dragen. Want in hen leeven de woedende begeerten nog van zijn ras in vroeger eeuwen, uit T1 .En wie zal zeggen, wat hij in zijn hart, eerlijk en oprecht, als zonde of als goede daad beschouwt? Ook de gemeenste straatroovers en inbreekers hebben hun ge­voelens van eer, van goed en kwaad. Hoe moeyelijk is het, zelfs voor den zeer goed-willenden, stellig te weeten, wat wij zelf afkeuren of goedkeuren! Hoe vaak leeven en han­delen wij onder invloed van anderen. En welk gevoelig zielkundige heeft niet de waarheid erkend van het woord in de Broederveete: "Er is geen and're slechtheid als ver­blinding" .

 

56. Deeze ooverweegingen brengen ons steeds weer tot de vraag: bestaat er zooiets als een soort-ziel, zoowel in menschen als in dieren en planten?

Een groep-geest, waarvan wij persoonen de arbeidende deelen zijn, doch wier hooger bewustzijnstoestand (besef) ons ontgaat, eevenals ons zielsbesef waarschijnlijk ontgaat aan de cellen van ons lijf.

De Engelsche dichter Yeats, spreekende met mij oover de vizioenen van sommige zieners, gebruikte de uitdruk­king "the memory of the race". Dus aanneemende een denkend weezen, dat alle heugenis der individuën bewaart en die soms in persoonlijke vizioenen oopenbaart. Ook de Fransche term "le genie de la race" is mij wel ter oore ge­koomen.

In "Schijn en Weezen[9]", tweede deel, spreek ik van "de Godheid mensch" en bedoelde daarmee, dat wat ik nu "soort-ziel" noem. Men zal den indruk gekreegen hebben, dat ik Christus bedoelde. En inderdaad heeft mij een tijd­lang de gedachte vervuld, of dat begrip Christus, als soort­ziel, als het hoogere intellect, dat alle menschen vereenigt, niet te identificeeren is met Jezus, onzen Heiland en Ver­losser. Dan zou de mensch-soort zich zelf éénmaal als individu hebben ge-incarneerd.

Christus, de Boom, waarvan wij allen de bladeren zijn.

"Er staat een Boom in lichten Hof geplant"[10].

Zeeker is dat beeld niet nieuw; de Boom, de Wortel, de Bladeren.

Maar in de Christus-gedachte, zooals ik die in Schijn en Weezen formuleerde, is toch iets, wat ik mij niet herinner van anderen te hebben gehoord.

Namelijk de naar mijn meening onvermijdelijke gevolg­trekking, dat Christus, als Hij werkelijk is de soort-ziel der menschheid, ook niet volmaakt kan zijn.

Wèl zeer hoog booven ons verheeven, onbegrijpelijk ver­nuftig, leevend met ons, in ons en door ons, en met een vorm van besef, die ons kleine cellen-besef verre oovertreft.

Maar. . . niet volmaakt. En zelfs zoo onvolmaakt, dat wij, nietige deelen van den grooten Geest, de onvolmaakt­heid duidelijk kunnen bespeuren.

Wij bespeuren fouten en gebreeken, die niet kunnen strooken met ons begrip van de hoogste wijsheid. Hetgeen ook volgt uit de beperktheid van het Groote en Heilige Weezen, dat de menschheid wel met wonderbare schran­derheid heeft gemaakt, maar toch zelf maar een schepsel is, geschapen en vrijgelaten door den Opperheerscher, eeven als al die andere schepsels, die met de menschheid leeven in de eerste tendens, opgroeyend in onderlingen zwaren strijd om macht en duur.

Veelen zullen meenen, dat dit identificeeren van Christus, de zoon Gods, met de groep-ziel der menschen, een ver­needering is voor Christus, en een oneerbiedige gedachte.

Ik geloof het niet. Zijn verheeven zelfbesef staat tot de onze als Algol tot Electron, de symbolische afstand tusschen zijn wijsheid en de onze is zestien miljoen licht jaren. Toch is Hij gebrekkig teegenoover God.

Wat is daar teegen? Heeft Hij niet zelf gezegd: "wat noemt ge mij goed? (d.i. volmaakt). Niemand is goed als Eén alleen."

 

57. Rustig ooverdenken. Voorzichtig weegen en wik­ken. Geen denkfunctie door haast of hartstocht vertroebe­len of omneevelen. De denkbeelden in goede meditatie zijn niet logisch verbonden, maar door zuivere, sterke en fijne gevoelsdraden aanéén gehecht.

Men kan Jezus' weezen en optreeden begrijpen als nood­zakelijk bij het wisselen van T1 tot T 2, de oovergang van vrije, onderling kampende natuur-rassen tot het welbe­wust zoeken naar den terugkeer tot God. Het is begrijpe­lijk, dat deeze ommezwaai, die toch Gods wil en bedoeling was, wordt bewerkt door een Hem booven alles dierbaar Weezen, dat den menschen voorgaat in het ooverwinnen van de heevigste smart, om de kudde den weg te wijzen.

In dit begrip van onze Verlossing door Christus is niets theologisch of dogmatisch. Een schrander kind, dat wat biologie en beschavingsgeschiedenis heeft gestudeerd, kan deeze voorstelling begrijpen, als verklaring van ons gees­telijk weezen, die in geen enkel opzicht strijdt teegen onze weetenschappelijke kennis.

 

58. Hét treft mij, dat de vorm van die ontzachlijke sterren-wolken, die op oneindigen afstand toch voor ons zichtbaar zijn, de spiraal-vorm is.

Want die vorm is de symbolische uitdrukking van der menschheid ontwikkeling. Geen cirkel, geen kringloop, maar een spiraal, waarvan iedere omloop hooger is, en nieuw.

Wij leeven ook in een spiraal-vlek, onzen melkweg, 25000 lichtjaren breed. En zouden wij daarin het eenigste ras zijn, dat ook op den terugweg van T1 tot T2 was, en besef had gekreegen van zijn goddelijken oorsprong?

En al waren wij in ons systeem de eenige zoo hoog ont­wikkelde soort, zouden er dan in de ontelbare meenigte van spiraal-neevels niet minstens in ieder één zelfbeseffend en God-eerend ras zijn ontwikkeld?

Ik moet de toestand op aarde wel begrijpen als zóó be­doeld voor der menschen ontwikkeling en terugkeer tot den Vader. Schuilt er niet duidelijk opzet in die zoo merk­waardige inrichting, dat ijs ligter is dan water, zonder welke inrichting de planeet voor menschen, dieren en planten onbewoonbaar zou zijn?

Zoo heeft God ons T3  gegeeven tot onmisbaren weer­stand en tot eindelijke ooverwinning.

Maar de Godheid mensch, of mensch-geest, of soort­ziel, of hoe men die groote en verheeven Macht noemen wil, die het menschenlijf zoo kunstig samenstelde, die heeft de T3 meer en meer aan zich ondergeschikt ge­maakt (de natuur beheerscht) en tracht nu geleidelijk zijn gansche kudde te drijven in de richting van T2, de heilige verééning met den Schepper, die de aarde bewoonbaar en de soort-ziel tijdelijk zelfstandig heeft gemaakt.

Hierbij denk ik steeds aan de zeven ontwikkelings-sta­diën, door Jezus ons indirect meegedeeld in het boekje oover zijn leer en verborgen leeven[11].

Of nu Jezus identiek is met de soort-ziel, dat behoeft niet te worden uitgemaakt. Wij kunnen het nu toch niet doorgronden of als zeeker stellen. En het is ook niet in ons onmiddellijk belang het te weeten.

Jezus is in elk geval een Weezen, dat oneindig booven ons menschen verheeven is, en door ons begreepen wordt, door indirecte waarneeming, als bestaande zonder stof­felijk lichaam, en voortduurend om en bij ons, al of niet door ons bespeurd. Hetzelfde zou ook van de soort-ziel kunnen gezegd worden. Maar wij weeten het niet, en kun­nen het niet goed onder woorden brengen.

 

59. Gisteren, het weezen van de derde tendens oover­denkend, vond ik er iets vrouwelijks in. T3 is de natuur en de natuurwetten, maar niet zonder een zeeker eigen­aardig karakter. Men kan ook spreeken van "de stof" of "het vleesch". Het is dat weezen, dat in ons menschelijk lichaam wakker en actief blijft, terwijl de geest en de ziel afweezig of onwerksaam zijn, in slaap. In de hypnose is dat het best te bestudeeren.

Welnu, die stof, die huulè, T3, heeft een karakter, en wel een vrouwelijk karakter; ze is onderworpen en heeft het noodig om beheerscht en soms ook gekastijd te worden.

Het is niet mijn bedoeling, dat de zaak ook omgekeerd kan worden, en dat de vrouw bizonder stoffelijk of vlee­schelijk is. Neen, vrouwen zijn soms juist zeer sterk tee­genoover T3 en ver gevorderd in T2. Maar ik wil alleen zeggen, dat T3 op een vrouw lijkt, op een niet-hoogstaande on-eedele vrouw.

 

60. Wat mij treft in de soort-ziel als duidelijkst teeken van haar onvolmaaktheid, dat is haar zoekend poogen.

Haar ontzachlijk moeyelijke opgaaf is, de menschelijke individuën, door algemeen geldende inrichtingen, te wa­penen in den strijd met de natuur, en in de beheersching van T3.

Hierbij kan ze geen individueele uitzonderingen maken. De inrichting, die beschermt en versterkt, moet bij elk in­dividu op dezelfde wijze werksaam zijn, terwijl de geva­ren en moeyelijkheeden op talrijke en zeer verschillende wijze hen bedreigen.

Om een eenvoudig algemeen bekend voorbeeld te kiezen: uitermate vernuftig is de wijze, waarop wonden in het lichaam geneezen. Ook tot een zeekere hoogte zeer doel­treffend; zoolang het kleine wonden zijn. Het stollen van 't bloed, het onmiddellijk toesnellen der witte bloed­celletjes, het vormen van een roof uit de lymphe - dat alles is prachtig en bewonderenswaard, vooral als men denkt aan de tallooze moogelijkheeden van verwonding, die allen door dezelfde, voor elk individu gelijke methode, moeten worden bestreeden.

Maar niettemin is de gansche geneezingskunst van het gewoone lichaam een gebrekkig, zoekend poogen, dat bij eenigszins uitgebreide of zware verwondingen geheel ontoereikend blijkt.

Het stollen van 't bloed gelukt bij groote wonden alleen wanneer de wond gescheurd is en niet gesneeden, de toe­vloed van witte bloedcellen wordt bij groote wonden een gevaar in plaats van een bescherming, omdat die cellen alle weefsels aangrijpen en verteeren; het vormen van een roof gelukt bij diepe wonden in het geheel niet of werkt schadelijk.

De geheele geneesmethode van de soort - die men bij alle zoogdier-soorten herhaald vindt - is bereekend op toestanden van T1. In de vrije natuur geneezen wonden wonderlijk vlug, en zijn ook meestal gescheurde wonden, terwijl de witte bloedcellen (pus) door het gewonde zoogdier meestal voortduurend worden weggelikt.

In T2, zoodra de mensch inzicht krijgt in zijn hooger en verheevener aard en zelf met scheppend vernuft in­grijpt in de stof, daar zijn de genees-methoden uit T1 en T3 geheel ontoereikend. De soort-ziel werkt niet meer alleen door de ingebooren driften en instincten, die ze aan de individuën meegeeft, maar ook door het vernuft der individuën zelve. En deeze, hoewel de natuur­genees-methoden niet verwerpend en er steeds op ­terugkoomend, moeten toch op allerlei wijzen het ge­brekkig en ontoereikend werk der soortziel aanvullen en bijstaan.

Merkwaardig vernuftig is ook het moeyelijk probleem opgelost, om de maagwand te beschermen voor de invree­tende kracht van het scherpe maagzuur. Om dus te zorgen dat het maagsap wel het ingebrachte voedsel, maar niet de maagwand zelf verteert.

Dit schijnt een zeer moeyelijk probleem. Het is opgelost door den alkalischen aard van het bloed, dat het maagzuur neutraliseert. Maar ook deeze vernuftige inrichting faalt zeer vaak, zoodra de bloeds-toevoer vermindert, in het cir­kelronde gebied van een klein bloedvat. Dan verteert het maagsap de maagwand en er ontstaat de zoogenaamde ronde maagzweer, waaraan veele lijders sterven.

 

61. Een sterk voorbeeld van vruchteloos poogen is te vinden in de steeds toeneemende grootte van de hersen­ruimte.

De voor-historische mensch had een veel kleiner schee­del dan wij. In T1 was deeze ruimte voldoende. Maar T2 had er niet genoeg aan. De complicatie der hersenstruc­tuur werd zoo ingewikkeld, dat er hoog noodig ruimte moest worden geschaft. Dit was noodig voor de verfijnde eischen van het vernuft en voor de communicatie der indi­viduën onderling. In T2 wordt ook de werksaamheid der individuën veel meer gespecifieerd. Het is verbazend, hoe de mensch zich aanpast aan de enorm samengestelde ver­richtingen, die door de toeneemende cultuur worden ge­vorderd. De arbeid van ingenieurs, machinisten, electri­ciens, vereischt een intellectueele inspanning, die nooit in één hoofd kan vereenigd worden. De geleerde, de staats­man, de technicus, zij staan voor elkanders arbeid als on­weetenden en hulpeloozen. Alleen in 't eigen vak zijn ze be­kwaam, maar dan ook zoo geweldig bekwaam, dat een ver­eeniging van hun bekwaamheid in één hoofd ondenkbaar is.

Zoo drijft alles tot een veel hooger en samengestelder ontwikkeling der hersenstructuur , die blijkbaar onmisbaar is voor ons groot, gesamenlijk doel: zelf-besef, een­heids en broederschapsgevoel, Gods-vereering en Gods­vreugde.

Dit alles is de weg van T 2, en vereischt grooter hersen­ruimte. De reeden is wel te verstaan. Mits men signifisch acht geeft op de uitgebreide kracht van de woorden: "ver­ééning", "verstandhouding", "verkeer", "broederschap" en "liefde". Hun beteekenis is, dat hooger Gods­besef hooger technische bekwaamheid en arbeid tot onder­linge verstandhouding vereischt.

De ontwikkeling van den scheedel is nu zoover gekoo­men, dat er schijnbaar onooverkoomelijke bezwaren be­staan voor een nog grooter worden van de hersenruimte.

Doch de Soort-ziel gaf het niet op en herhaalde zijn vruchtelooze poogingen om nog meer plaats voor den scheedel te vinden. En wat was het gevolg?

Ge kunt het zien, leezer, aan die vrouwen, die aan beide zijden mank gaan, de lijderessen aan wat men noemt: dubbelzijdige heup-luxatie.

Die patienten zijn de offers, gebracht bij de poogingen van de Soort-ziel om de scheedelruimte grooter te maken.

Er is in het moederlichaam niet veel ruimte voor het groeyende kind. Men begrijpt nauwelijks hoe de groote scheedel door den nauwen weg naar buiten kan koomen..

En toen er zooveel ruimte voor den scheedel werd ge-­vorderd, toen werden door de eigenaardige ligging van het­ kind en door de inrichting van het heupgewricht - vooral bij de vrouw - de dijbeenderen van het ongebooren kind, teegen de geboorte, uit de holte gedrongen, waarin zij be­hooren en nauwkeurig passen.

Is hier niet duidelijk te bespeuren een zoekend poogen, tot nu toe vruchteloos, en naar ons begrip zonder uitzicht op welslagen?

Maar ons begrip is veel te klein om hieroover uitspraak te doen. Het is moogelijk, dat het doel toch bereikt wordt, dat de scheedelruimte wordt vergroot en toch de gewrichts­hoofden niet uit de holten in het bekken worden gedron­gen. En misschien zullen nog veele vrouwen daaraan wor­den geofferd en hun leeven lang kreupel moeten gaan.

 

62. Ooverdenk dit treffend voorbeeld van het ruste­loos zoeken naar voltooying van het menschengeslacht, en mediteer oover tal van dergelijke merkwaardige feiten, die allen getuigen van wonderbaar vernuft en tegelijk van mis­lukking en gebrekkige uitkomsten. Denk aan de plotseling optreedende melk-vorming na de geboorte, met de nauw­keurig juiste verhouding van noodzakelijke voedings­stoffen. En denk daarbij weer aan de duizende gevallen, waarin zelfs dat ideale voedsel niet verdragen wordt.

Denk aan de vocht-omloop van bloed en lymphe, en de wonderbaar vernuftige inrichting van de hartspier met haar kleppen. Maar denk daarbij ook aan de ontelbare meenigte van hart-gebreeken, tot wier kennis een gansch leeven niet voldoende is. Denk aan het rots-been, waarin het gehoor-orgaan plaats vindt met een complicatie van holten, kanalen, aderen en zeenuwen, die niet te beschrijven en eerst door jarenlange studie goed te kennen is. En denk

daarbij ook aan de honderde kinderen, die aan oor-aan­doeningen bezwijken, of alleen door mes en beitel van zeer bekwame artsen kunnen gered worden.

Denk aan het centraal zeenuwstelsel, tot welker grondige kennis geen menschenleevens ooit zullen toereiken – en aan de droeve reien van zoogenaamde "zeenuwlijders", bij wie stoornis in de functie van hersenen, bron is van lee­venslange ellende.

Kan men dan daarbij blijven spreeken van een onmiddel­lijke schepping Gods? Kan dit in harmonie zijn met onzen eerbied voor het Hoogste Weezen? Zooveel vernuft, met zooveel tekortkooming?

 

63. Nu luiden de Kerstmis-klokken, om den démon te verjagen. Welke wonderbaar zachte en vriendelijke Kerstdagen. De heemel heeft de tinten van fijne, grijze, Chineesche zijde, zoowel ooverdag in het be­floerste zonnelicht, als des nachts onder de blanke maan, die straalt in een aureool van uiterst fijne paerel­moertinten.

En alles rondom zoo ontzachlijk stil, de boomen, de wolken, de lucht. Wij weeten nu hoe streng Gods toorn kan zijn, het was winter en wij kleumden en schoolen weg in warme deekens en bij 't vuur. Maar nu toonde de Min­naar weer Zijn lieflijkheid, midden in den winter -, als een onverwachte genade.

 

64. In wintersche verten zweeft nu onze planeet, schuin vallen de stralen van onze Liefdezon, hun kracht schampt af op 't wentelend oppervlak. Het is solstitium, zonnewende, een kort tijdperk van ademlooze spanning.

Maar de verlichte geesten voelen het, het punt van schijnbaren stilstand is reeds voorbij. Wij zijn op den terug­weg naar des Vaders Tehuis, naar het Zoomerland, naar Lente en Licht.

Nu grijpt T2 aan, met stijgende kracht, en daarmee ontwaakt het begrip: zonde - schuld - boete - berouw.

Dat wil zeggen, dat de Richting der zweevende zielen verandert. Wat eenmaal goed en geoorloofd was, is het nu niet meer.

 

En deeze wijziging heeft terugwerkende kracht. Ook wat wij vroeger in alle onschuld deeden, lijkt ons nu schan­de en boosheid. Van onze voorouders, die zondeloos leef­den in natuurstaat, erfden wij lusten en neigingen, die in onze gewijzigde koers leelijk en boos zijn, omdat ze ons teegenwerken in de thuisvaart. Dit doet spreeken van erf­zonde.

Zoo onbillijk en absurd als dit woord in menschelijk be­grip schijnt, zoo duidelijk is ook, signifisch beschouwd, zijn verheeven waarheid, als men den gang der zielen van T1 tot T2 begrijpt.

Alles is symbool van een verborgen werkelijkheid. In den tijd der Evangelisten was het platte aardvlak en de koepelvormige heemel, het symbolisch beeld van de ware gedaante der waereld. - Voor ons zijn het de vrij-zwee­vende zonnen, en de trouwe, om elke zon rond-zwierende planeeten.

En de oorzaak van den afval der schismatieken is na te speuren in een signifische beschouwing deezer zware, on­heilvolle en toch wáár en zeegenrijk bedoelde woorden: zonde - schuld - boete - berouw.

 

65. Het "kwade" zal men hooren omschrijven als het "niet-goede". Dus datgeene wat wij niet wenschen, niet willen. Of - wanneer wij het wenschen en willen, is het uit domheid, want het niet-goede schaadt ons in onze sterkste en duurzaamste neiging.

Zonde is kwaad-doen, zondigen is dus het handelen teegen onze sterkste en duurzaamste neiging.

Het "berouw" is het met smart en spijt beseffen, dat een gebeurde handeling teegen het goede inging, en dus kwaad en zondig was.

"Boete" is het willen goedmaken, door een smartelijke handeling, hetgeen in een verkeerde richting gedaan is.

Nu is "smartelijk" iets wat pijn doet, en pijn en smart gaan teegen ons weezen in, zijn dus kwaad, niet-goed. Dat "boete" smartelijk moet zijn, dus ook in teegenspraak met wat men "goed" noemt, dat kan men verklaren door te bedenken, dat er geringe smarten kunnen zijn, die heevige smarten voorkoomen.

Tot zoover is deeze geheele § 65 duidelijk, begrijpelijk en onweederspreekelijk.

Maar bij signifisch onderzoek blijkt, dat deeze geheele § 65 alleen gelden kan in T1.

En wel om deeze reeden, dat in T1 "goed" en " kwaad " alleen wordt begreepen als datgeene wat ingaat teegen het individu, teegen de handhaving, machts-uitbreiding en altijd-duur van de soort.

In T1 is alles goed wat het leeven, de macht en de duur van het schepsel bevordert.

In T1 is het schepsel egoist, imperialist, machtdorstig en onverbiddelijk wreed voor al wat niet tot de soort be­hoort, soms ook wreed voor de individuën van de eigen soort, als de geheele soort het vereischt.

Dus het schepsel, in T1, kent alleen als zonde, wat de soort benadeelt, en alleen als deugd, wat de soort machtiger en duurzamer maakt.

Maar met de verschijning van den mensch op aarde, be­gint langsaam aan duidelijk te worden, de werking van een andere tendens, die de schepselen tot elkaar brengt, in plaats van ze van elkaar af te stooten. En met de komst van Jezus op aarde wordt deeze diepe tendens plotseling als een sterke en heilige werkelijkheid geoopenbaard.

En nu is al wat deugd was in de andere schepselen, de zelfhandhaving en de onderwerping van andere schepsels, niet meer deugd, maar zonde.

Zelfzucht, haat, heerschzucht, wreedheid, wraakzucht zijn niet meer goede dingen, zooals ze waren in T1, maar ondeugden, en hen te bedrijven is zondig.

Een geweldige, diep-gaande wijziging dus. Symbolisch uit te drukken door de wijziging in de loopbaan van een planeet, die steeds getrokken wordt door de zwaartekracht van haar zon, de Liefdes-graviteit.

En nu spreekt de mensch van zonde, en wel van zonde teegen God, waar hij in de natuurlijke waereld (T1) van deugd zou spreeken.

En al deeze uitingen van schuld-gevoel, van verlangen

naar boete, van berouw, van zelf-verneedering, van diepe smart om de eigen onwaarde, van spijt om het beleedigen van de God-heid - en van uitbundig looven en danken en God prijzen om zijn oovergroote Liefde - dat alles zijn woorden, begrippen, en gevoelens, die den natuurlijken mensch (T1) dwaas, onbegrijpelijk en onbillijk voorkoo­men, maar die voor den christelijken mensch (van T2) machtelooze en veel te zwakke uitdrukkingen zijn voor de schitterende waarheeden, die hij in zich voelt opkoomen.

 

66. 0 lieve leezer! voor wie ik het voorgaande schreef - mijn hart is brandende in mij zooals het was bij de Emmaus-gangers. Want met een zuivere klaarheid begin ik te merken, dat Hij het is, die mijn brood breekt en de zeegen spreekt. Mijn tranen wellen, omdat ik voel een weinig, - een zeer klein weinig, te hebben gezegd van zijn groot wonderwerk.

Het is ongeveer zoo, ongeveer zooals mijn arme stun­telige woorden het hebben gezegd.

Hij speelde op het aardrijk en vermaakte zich met de kinderen der menschen. Hij speelde voor den Heer, zijnen Vader[12]. En toen is Hij, die de Wijsheid is, gekoomen om de hei­lige tweede tendens in het menschengeslacht te oopen­baren en los te maken. Deugd is zonde geworden, en al de neigingen van onze voorgeslachten, dragen wij nog in ons als erfzonde, die wij hebben te boeten.

Ooverdenk het, en ge zult bevinden, dat het alles sluit en uitkomt. De natuurlijke mensch, van T1, verbaast zich oover deeze woorden. Hij voelt geen zonde, want nei­gingen sterk en klaar, van Gods wil afhankelijk, dreeven hem. Hij kan enkel deugd voelen zoo lang hij zijn soort niet benadeelt. Zijn sterkte is deugd. Hij deugt als hij sterk is.

Waarom zou hij berouw hebben? Hij volgde zijn natuur.

 

Waarom zou hij schuld voelen? Zijn Schepper is ver­antwoordelijk voor zijn maaksel.

Waarom zou hij zijn neigingen verloochenen, boete doen, zichzelven kwellen, God prijzen, ook waar hij on­reedelijk gestraft wordt? Heeft hij zichzelven gemaakt?

Waarom zou hij het schoon der aarde minachten, waarom zou hij zijn zinnen niet hun volle bekomst geeven? Is hij niet op aarde geplaatst om te genieten?

 

67. Maar het oude rijk van T1 gaat ten einde, en twee vervaarlijke wachters staan bij den uitgang. Dood en Ouderdom.

 

68. En ieder weet, dat ieder aan die twee onderwor­pen is.

Hier baten geen uitvluchten, geen verbergen van 't ge­laat in de kussens. Men kan van mijn woorden niet zeggen: ze gaan mij niet aan, of: het is mij te diepzinnig, of: ik houd mij niet op met zulke bespiegelingen en gepeinzen.

Weet, gij allen, dat mijn woorden allen aangaan, daar allen aan Dood en Ouderdom vervallen zijn.

Gij wilt niet diepzinnig peinzen, maar weet, dat ge zeer diepzinnig zult moeten voelen en handelen, wanneer oogen en ooren U worden afgenoomen, wanneer ge zult moeten voortleeven zonder spieren en huid, zonder zeenuwen en hersenen - en toch zult ge moeten leeven. Is er iets diep­zinniger dan de Dood?

Dan zult ge moeten leeren wat ruimte is, wat afstand is, wat taal is zonder geluid, wat licht is zonder oogen, wat kou en warmte is zonder huid, zonder eenige beschutting voor de weerlooze ziel.

Dat alles zult ge moeten leeren, zooals de zuigeling leert spreeken en loopen.

Wie durft zeggen, dat deeze vragen hem niet aangaan? Ik kan het niet helpen, dat mijn woorden zoo gewigtig en noodig zijn. Waarom worden ze niet door beeteren gezegd?'

Maar niemand zegt ze, terwijl ze toch iedereen aangaan.

De geleerde heeft genoeg te doen met de wetten van T3, de ingenieur gebruikt de geleerdheid voor T1 – tot machtsvergrooting en altijd-duur -, de koopman heeft geen tijd zich met iets anders te bemoeyen dan met zijn zaken - alles T1, met de Dood aan 't eind. En de Priester? Ach, priesters zijn theologen en geleerden; voor de mee­nigte hebben ze hun vastgestelde leer ~ en eerlijke vol­gelingen verliezen ze soms, omdat ze niet zien hoe het weezen hunner woorden signifisch verandert, omdat ze de misverstanden niet bemerken, en schrandere, eerlijke en rechtvaardige zielen afschrikken door het onverklaarde ge­bruik van woorden als zonde, berouw, schuld, boete, recht­vaardigheid, genade, straf. . . allen zonder zorgvuldig aan­duiden van hun kracht en waarde.

 

69. En daarom moet ik dit werk doen, omdat ik geen geleerde ben en geen theoloog, maar een gewoon mensch met wat gevoel en verstand, zooals het gemiddelde der menschen.

Daarom moet ik zoo onweetend zijn, al ware ik veel liever geleerd, en daarom moet ik zeeker ook zooveel ellendige zwakheeden hebben, om mij toch vooral niet beeter te voelen dan de rest.

 

70. Lady Welby, die het woord en het begrip Significa het eerst beschreef en het mij leerde, sprak altijd van "vertalingen", die zij wenschte gemaakt te zien. En het duurde vrij lang eer ik haar bedoeling begreep.

Maar wat ik nu geef, in dit boek, is zulk een vertaling. Wel gebruik ik dezelfde taal - in grammatischen en eth­nologischen zin -, maar ik bedien mij van andere termen, beelden en symboolen, om uit te drukken die waarheeden, die tot nog toe vooral in de bekende Kerkelijke termen worden gezegd, maar door onzeekere en verraderlijke werking der woorden op veele menschen - en daaronder van de besten - een hinderlijk, dwaas of komisch effect teweeg brengen.

Het verhaal van Genesis en de Kerk; God-vader die na een oneindigheid van alleen-bestaan, menschen schept naar zijn beeld, die teegen zijn gebod handelen en daar­door zich met erfzonde beladen, en den Schepper laten berouwen dat hij menschen gemaakt heeft, terwijl de schepselen moeten gered worden door het offer van Zijn eigen Zoon, die van de menschen deemoed vraagt en zachtmoedigheid en gehoorzaamheid, en berouw en schuldge­voel en boete, enkel dankbaarheid. . . .

Dit verhaal, als de expressie van concreete feiten, IS alleen aanneemelijk voor kinderen, of voor menschen, die de waarheeden waarvan het verhaal spreekt uit eigen er­varing kennen. Menschen voor wie T 2 een ervarings­werkelijkheid is. En dat zijn weinigen.

Maar het kan aldus worden vertaald: De Alziel of Oergeest, die al het bestaande veroor­zaakt en omvat, moet tot Zijn eindelooze zaligheid steeds nieuwe weezens scheppen, die zelf van Hem schep­pende kracht, vrijheid en zelfstandigheid ontvangen. Die schepsels, waarvan naar ons weeten de menschen de hoogste zijn, zwerven als planeeten om God's Liefdezon, door Hem verlicht, en door Zijn Liefde in vaste banen gehouden.

De schepsels van God, zich vrij en eigenmachtig voe­lend, trachten Hem na te bootsen en wanen zichzelf be­stemd voor oppermacht en altijdduur. Alle dieren en plan­ten trachten elkaar te verdringen en hun soort-leeven te bestendigen. Bij de planten en dieren geschiedt dit zonder besef van hooger Leeven, schuldeloos, met sterke zelf­zuchtige tendens.

Maar bij den mensch wordt een tweede tendens bewust, die terugdrijft naar den Schepper, en die begrijpt, dat al het worstelen der schepselen toch uitloopt op ondergang, op ouderdom en dood.

De zielen der leevende weezens zijn toegerust met sterke driften en hartstochten, die hen dwingen tot zelf-hand­having en altijd-duur, - maar in het volgend stadium, T 2, worden die driften, - oorspronkelijk schuldeloos en naar Gods wensch - gevoeld als kwaad, dat bestreeden moet worden. Want ze voeren naar Ouderdom en Dood, terwijl de menschelijke ziel zich van zijn eeuwig bestaan bewust wordt, en nu het Goddelijk bestaan, waaruit het is voortgekoomen, zoekt met de eenige en heevige liefdes­hartstocht, liefde van het schepsel tot den Schepper.

Dan ontstaat er een omkeer, een ommezwaai in het lee­ven der hoogste schepselen. En om die crisis veilig te boo­ven te koomen, zond de Schepper uit een Hooger Weezen, dat Hem zeer lief was en ook één met Hem - om den menschen te toonen, hoe ze die omkeer konden volbren­gen, en ze het voorbeeld te geeven. Dus nam het Hooger Weezen menschelijke gedaante aan, en leerde de kinderen der menschen, hoe ze hun driften uit T1 moeten teegen­gaan, verloochenen, om alle hartstocht te concentreeren op den geliefden Schepper en zijn Afgezant. Deeze missie is volvoerd door Hem, die Jezus genoemd werd. En na diens komst is er geen teruggang tot T1 meer moogelijk. De crisis is doorstaan, de ommezwaai is volbracht. Juist door de volkoomen oovergave is de zending van Jezus ge­slaagd, naar den eeuwigen wil van den Schepper.

In dit geheele verhaal, aldus uit de kerkelijke termino­logie vertaald, komt niets vóór van zonde, straf, schuld, genade, boete -. Men zou kunnen zeggen, dat de ver­taling is: uit het Paulinisch, in het modern wijsgeerig­ weetenschappelijk dialect.

En elk dier woorden, die zoo onwaarschijnlijk-mensche­lijk geleeken, die zulke bijna belachelijke toestanden onder­stelden en aannamen, geheel onaanneemlijk voor het ver­licht verstand - al die woorden dragen toch een zeekere waarheid, en zijn bruikbaar om den weg te vinden, van T1 tot T2.

 

71. De kudde is op weg naar de schaapsstal. Ze ver­langt naar de veilige rust. Vooraan gaat de Goede Herder.

Zijn taak is volbracht en voleindigd. Van mislukking weet Hij niet. Het is alles gegaan naar den wil des Hoogsten.

En al loop en aan de buitenkant van de kudde nog wilde, eigenzinnige schapen, al schijnt het of de geheele kudde nog niet bijeen is, ja! al zou men vreezen, dat ze nooit bij­een bleeven. Geen nood! De Goede Herder is zeeker van zijn zaak, er gaat geen lam verlooren.

Er zijn ook vuurige en vlugge honden noodig, die de dwaze en onwillige schapen in de pooten bijten. Zie, hoe de dwalende schapen verschrikt opdringen om de witte tanden van den hond te ontwijken. Toch is hun best be­doeld .

Zeeker is de hond in de kudde niet zeer geliefd. Hoort hij wel tot de kudde?

Maar de Herder heeft een liefkoozing en een vriendelijk woord, als de hond aamechtig rust aan zijn Voeten.

 

72. Sints ik dit boek begon, schijnt het wel of alle ge­beurtenissen mijns leevens de beteekenis hebben van bouwstoffen voor dit werk.

In ieder klein gebeuren vind ik toelichting voor de nog onbeantwoorde vragen en stof voor de gepeinzen. Er zijn geen onbeduidende dingen meer in mijn leeven, het min­ste heeft beteekenis.

Gister nam ik deel aan een Joodenbegrafenis. Welk een stemming, welk een sterke ontroering, welk een grootsche  ­indruk.

Woest en verwilderd het doodenveld. Wind en reegen en een duistere dag. Een droef, naargeestig landschap.

Maar grootsch!! Hier geen keurige tuintjes, geen ge­harkte paadjes, geen wel onderhouden bloemperkjes, als in het fatsoenlijk dorp, of in de welbestuurde stad. Hier alles­ wild en ruig, bruin gras, een weelde van kleine varens en een enorm verschiet, - ooveral wildernis en zware steenen, geweldige brokken marmer, sommigen nog hoog en streng, anderen als vermoeid vooroover of scheef gezakt.

Verweerd door geele korstmos en grauw leevermos -­ eeuwig reeds staande, met een onveranderlijke eeuwig­heid in 't verschiet.

En geen triviaal "rust zacht!" of "tot weerziens, lieve­ doode", maar het strenge onverstaanbare Hebreeuwsch met de forsche karakters. En hier en daar de geheimzinnige symboliek der uitgespreide, elkaar beroerende handen.

Toen de tocht naar het oopen graf. De zwarte, glim­mende, hooge hoeden aandoenlijk-potsierlijk, bedoeld als ­eer-bewijs.

En het Hebreeuwsch gebed. Ik voelde de kracht, die er van uitging. Het zingt niet mélodisch, maar het klaagt en dwingt met magische kracht. Soms neemt het toe in snel­heid als een onbeteugeld paard - en dan schiet het uit, 'met heftig opstreevenden klaagtoon, om weer terug te vallen in de monotoone klanken van droefenis en aan­bidding. Het is hard, doordringend, wreed en soober, verwant aan de eeuwigheid, in vreemde harmonie met het ruige, woeste landschap en de reusachtige, verweerde steenen, die daar staan voor alle eeuwen der eeuwen.

Toen zag ik dat sombere groepje menschen, met hun wonderlijke zwarte hoofddeksels, met hun eenvoud en af­keer van alle pronk, met hun sterk gebed, rondom het graf, waarin ze de kist van ruuwe ongeschaafde planken neer­lieten - ik zag hen als de stugge, hardnekkige volhouders van het geloof hunner vaderen, taaye weederstanders van den Christus - niet uit haat maar uit onbuigsaamheid -, als trouwe handhavers van de Wet, die zij voor eeuwig hielden.

Op hen rust de vloek, dat zij den Menschenzoon heb­ben vermoord. Hier is hun erfzonde, of ze 't erkennen of niet.

Maar heeft de Menschenzoon, zijn volk kennend, den moord niet uitgelokt? Wilde Hij het offer niet brengen, en had Hij daartoe den teegenstand der Wets-getrouwen niet noodig? Was het Hem er niet om te doen, de Wet te ver­nieuwen en wist Hij niet, dat Hij daarmeede de handha­vers der Wet dwong óf hun geloof in de onveranderlijke eeuwigheid van Jahwè's gebod op te geeven, voor hen toch de duisterste zonde, óf den Vernieuwer der oude wet­geeving te vatten en onschadelijk te maken?

Zijn dit slechte menschen geweest, of kampioenen voor het onveranderlijke Woord?

Welk een contrast: de gulden Hoogmis, of de Kerst­vigilie, met de flonkerende praal van goud-brokaat en hon­derde kaarsen, van mystisch glans-licht op zacht-opkron­kelende wierookwolken, van geurende bloemen en schit­terende mis-sieraden, van donderend orgelspel, triom­fantelijk ingezet, met het innig gebed en het dankbare gezang eener blijde hoopvol gestemde menigte . . . . en het kleine, droefgeestige groepje in den killen reegen, zwarte figuurtjes op het vale kerkhof, met de hooge hoeden en het gezang, sterk als een verbeeten hoon teegen de Christenheid, die hen uiteendreef en vervolgde, teegen den God hunner psalmen, die zijn volk verliet en den Wet­breeker verhief tot op Zijn troon, zittende aan Zijn rech­terhand.

 

73. "Vader, vergeef hen, want ze weeten niet wat ze doen."

Hijzelf heeft vrijspraak gevraagd voor zijn beulen. Zou Hij dat gedaan hebben als Hij niet zeeker wist, dat zijn ge­nade-verzoek zou worden aangenoomen?

 

74. Maar hoe zou het ook anders kunnen zijn? Vergeeven wij onze kinderen niet hun stoutigheeden, omdat zij er de beteekenis niet van voelen?

En wat wij menschen, zoo zwak in liefde, toch zoo ge­makkelijk doen, omdat we het onrechtvaardig vinden, een kind om zijn onweetendheid te straffen, - dat zou onze Vader in den heemel niet kunnen?

Maar het kind moet niet te snel bemerken, dat het ver­geeven wordt. Voor zijn best. Want de vrees voor de straf moet het op 't rechte pad houden, totdat de wijsheid is ge­koomen, en het weet wat het doet.

En zijn wij niet allen nog kinderen? Hebben we niet reeds een voorstelling van den volwassen mensch, het kind Gods, dat geen straf meer vreest, maar goed doet uit Liefde?

 

75. Ik geloof, dat eenmaal alle - of bijna alle scha­pen in den éénen schaapsstal zullen verzameld worden.

Maar dan moeten de herders begrijpen, dat het niet uit puure bal-oorigheid is geweest, dat de schismatieken zich afscheidden, maar door schuld van de al te wilde en te felle honden, die de kudde uiteenjoegen.

Een diep rampzalig mensch, die lijdt aan zwaarmoedig­heid, en de vreugde, die in de voor God gedragen smart schuilt, niet kent . . . zoo een mensch zal niet getroost, maar verbitterd worden als men hem spreekt van een on­eindig liefderijk God, dien hij eeuwig dankbaar moet zijn voor zijn kostelijke gaven.

Dat is brandende ironie in 't oor van den geplaagde. Ik heb er gekend, die uit afkeer en walging van zulk een leugenachtige slaafsheid het Christendom vervloeken.

Ja, de monnik, de heilige, die kan Gods goedheid in heevig leed erkennen. Maar de gewoone, goede, oprechte, eerlijke mensch vindt zulk een houding verachtelijk. Hij heeft misschien zijn leeven lang, ter wille van het recht en om zijn meedemenschen, leed gedragen, en hij vindt nog maar enkel droefheid en zorg als belooning. Om dit leeven heeft hij niet gevraagd, het is hem een zware last - wat voor reeden tot dankbaarheid kan hij voelen?

Dit den armen, geplaagden mensch te willen opdringen, hem van zijn diepe schuld en Gods oneindige goedheid en Almacht te spreeken, dat is dwaas en wreed. Hij voelt geen schuld, en kan dus ook geen berouw voelen. Den priester napraten lijkt hem laf en oneerlijk. Kan het dus wel anders of zulk een man moet zich losmaken en het met zijn ge­weeten alleen uitvechten?

Zoo'n mensch is niet slecht; niet hoogmoedig, en zeer zeeker zal God hem om zijn oprechtheid vergeeven.

Honderde malen heb ik het woord van Jezus gehoord: "Kom tot mij, die belast en beladen zijt!"

En ik heb honderde malen gezien, dat de beladene on­getroost weer keerde. Als het anders ware, hoe zouden er nog droeven en ellendigen zijn? Wil niet ieder graag van zijn last ontheeven worden?

"Ik verdien geen straf," hield Hiob vol teegenoover zijn vrienden. "De Heer doet wat Hij wil. Hij heeft mij ge­slagen, maar dat is geen straf, want ik heb op Gods weegen gewandeld en niet misdreeven."

En Jahwè beloonde den Rechtvaardigen, en beschaamde Jobs vrienden.

Zie nu, hoe het geloof signifisch inzicht behoeft.

Want de woorden straf, zonde, schuld, berouw, hebben in de verhouding tusschen God en mensch een gansch andere beteekenis dan tusschen menschen onder elkaar.

 

76. Wat troost kan men geeven aan den lijdenden mensch, die zich van geen schuld bewust is, die om dit zware leeven niet heeft gevraagd, die van Gods hand nog maar enkel kwelling heeft ondervonden, en die nooit be­waarheid heeft gezien, dat men zijn hart maar heeft oopen te stellen om troost te vinden bij God, en eevenmin, dat het goede geweeten en de reine wandel vrijwaart voor geesteskwelling en pijnlijke zorg? Welke troost is er voor den Job van onze dagen, - die niet beloond werd door hernieuwde voorspoed en een gelukkig leevens-eind "der dagen zat"?

De eenige troost is: begrijpen. Hier is de hulp van het verstand noodzakelijk. Daarom gaf ik die drooge, abstracte beschouwingen, als oover de drie tendenzen. Mijn vrien­den zeggen, dat ik verveelend word, als ik daaroover begin, ik moet liever spreeken van voogels, wolken, bloemen ­de schoonheeden der aarde.

Wacht maar, vrienden! tot de alsemkelk ten halve is leeg gedronken. De kelk van leevens-bitterheid. Wacht tot Uw leevenslust en leevensmoed verteerd is door naargees­tigheid en eindelooze zwaarmoedigheid. Wacht tot ge geklopt hebt aan de poort, vertrouwend op het woord, dat er zal worden oopen gedaan. Maar de poort blijft digt.

Dan vertwijfelt het hart en moet het verstand te hulp koomen. En feiten moeten gezien worden om duidelijk te maken en te verklaren.

Praat den gefolterde niet van Gods eindelooze Goed­heid! De zachtzinnigste hond zal den veearts, die hem vast­bindt, willen bijten. En als een mensch onder 't mes is van den chirurg~ wie spreekt hem dan van zijn zonden, en van de straf, die hij verdient, en van de genade, die hem te beurt valt? Hij zal U in 't gezicht spuuwen van ergernis.

Maar vergeef hem, dat hij bitter is in zijn oprechtheid en leer hem, wat zijn kwaal beteekent, en hoe het alles ten goede strekt.

En als hij dat niet gelooft of begrijpt, dan zijn er de leevens der Heiligen, als een glanzende snoer van juuwee­len, die doen bewonderen en begrijpen.

 

77. De leevens der Heiligen - daarin ligt de kracht en de macht van het katholieke geloof. Geen wonder, dat ze ter studie worden aanbevoolen. Geen wonder, dat ze door de protestanten worden geloochend, als bijgeloovig en afgodisch. En hoe onzegbaar droevig en jammer, dat ze niet met de grootste zorg zijn vrij gehouden van leugen en verdichtsel. Ook de officieele Kerkelijk goed­gekeurde Leevens der Heiligen zijn vol verzinsels en vaak onleesbaar.

Toch kunnen zij het bewijs vormen van de juistheid mijner voorstelling van de eerste en tweede tendens.

Het geluk der Heiligen, onder pijn, ongemak en vervol­ging - dat is de proef op de som, Dat geeft de zeekerheid van verlossing, voor wie getrouw volharden.

Zie nu, hoe deeze gepeinzen strekken om het geloof te versterken en de ware Sancta Ecclesia te eeren en te be­vorderen.

Weet ik dan niet, uit langduurige en bittere ondervin­ding, hoe men er toe komt de kerk los te laten en eigen weg te zoeken? Waarlijk dit is niet uit boosheid, niet uit hoog­moed - het is uit trouw aan God in ons, die oprechte, vrije, liefderijke mensch en wil.

Wie zou niet gaarne behooren tot een machtig en heilig lichaam als de Sancta Ecclesia, als hij hare waarachtigheid maar erkennen kon?

 

78. Warm, stil en rustig schijnt de zon in mijn schrijf­vertrekje. Het goede Licht dringt dóór. Er is genoegsame vreede in mij om gelaten en kalm het innigste te be­spreeken.

De jaarkring is bijna voleindigd sints ik begon. Heb ik genoeg gezegd van de hoofdzaken?

Nu komt weer de zoele, vochtige lente. De ruischende reegen van Maart, de woest-dreigende zwartgrijze wol­ken, de vinnige witte hagel - en de heerlijke kleurenboog booven dampende akkers. 0 zoete voorjaarsgeur, 0 boog van beloften, brug der zielen, zinnebeeld van verzoening!

Die ijle, schoone reegenboog is vol symbolische waarde.

Ik zal trachten duidelijk te maken, welke beteekenis de reegenboog voor mij gekreegen heeft. Het is alles diepe, teedere, rijke symboliek.

Noach zag er in een belofte, dat God nimmermeer zijn schepselen zal uitroeyen. Die belofte geldt ook nog voor ons.

De geleerde Fransche schrijver Gobineau toont aan, dat alle cultuurperioden eindigen in ontaarding en ver­derf, als er geen nieuwe bloedsmenging gebeurt. En daar er nu geen nieuwe bloedsmenging meer moogelijk is, daar alle volken onderling reeds totaal gemengd zijn, zoo is het menschengeslacht op weg naar den ondergang. Eerst zullen nog alle rassen zich min of meer vermengen tot één éénvormig en gelijk ras, dat de gansche aarde ooverspant, en dan na weinig eeuwen, na weinig jaren misschien, komt de ontaarding, waarvan wij al hier en daar locale ver­schijnselen hebben gezien.

Gobineau zegt: het einde is niet te vreezen, maar wel de toestand waarin wij het einde bereiken.

Hij heeft gelijk. Alle leeven is vergankelijk, alle soorten van plant en dier hebben hun opgang, hun hoogtepunt en hun ondergang. Zoo ook de mensch. Ook ons geslacht sterft uit.

Maar bij den mensch gebeurt iets nieuws, iets geheel eenigs. Hij ontwaakt als uit een sfeer van half-bewustheid tot het besef van eigen weezen. En als hij op het hoogte­ punt van zijn ontwikkeling is gekoomen, dan gevoelt hij zijn verband met een hooger bestaan, hij gevoelt zijn eigen Goddelijkheid, hij voelt de oer-substantie waaruit hij is geschapen, en hem wordt een moogelijkheid getoond om niet te sterven, maar zich weer te vereenigen met het eeuwige Weezen, waaruit hij is voortgekoomen.

Dat besef, dat is het besef van zijn eigen onsterfelijke ziel, dat ontstaat op het hoogtepunt van zijn ontwikkeling, het kritische punt, waar de needergang begint, welk punt ook samen valt met hetgeen ik de "ommezwaai" , de "zwen­king" noemde, het verste punt van de ellips die de schep­selen om hunnen Schepper beschrijven.

Vergeet niet, leezer, dat al deeze mechanische en biolo­gische vergelijkingen maar zinnebeelden zijn.

En van hetgeen daar op dat kritische punt den mensch wordt ge-oopenbaard, daarvan is de reegenboog het sym­bool.

De reegenboog is de belofte van redding, van verzoe­ning - na de vreesselijke uiting van Gods toorn.

Als een reegenboog is de brug, die de ruimte tusschen waereld en eeuwigheid ooverspant. Oover die brug wan­delen de onsterfelijke zielen heemelwaarts. Zoo zagen het reeds de heidenen.

Voor ons is het symbool nog rijker. Want wij weeten hoe die schoone kleuren ontstaan uit het witte, en voor ons ondragelijk helle licht van God, dat zich breekt in schoonheid ter wille van onze zwakte.

En de ijle onbepaalbaarheid van het wonderbare kleur­fenomeen, dat een vaste plaats in te neemen schijnt en toch een ontastbaar beeld blijkt te zijn, dat leert ons hoe onjuist wij waarneemen en schatten.

De menschheid zal uitsterven, de aarde zal vergaan ­maar op het hoogtepunt van onze ontwikkeling wordt ons een uitweg geweezen, en een bonte, ijle brug oover den afgrond geslagen. En dit is wat Jezus deed en nog doet, en als wij angstig weifelen en de schoone brug, gebouwd uit Leed en Liefde, niet wagen te betreeden, omdat ze zoo ijl lijkt en omdat wij het einde er niet van kunnen zien, en de afgrond ons zoo schrikwekkend voorkomt - dan komt Hijzelf tot ons, oover het kristal­len bouwwerk, dat Hij voor ons maakte, en voert ons door Leed en Liefde tot Zijnen gelukzaligen Vader, die ons weer in zich opneemt als verlooren en her­vonden kinderen.

Wil dit zinnebeeld zeggen, dat zij die Jezus niet genoeg vertrouwen en geen moed hebben om hem op de hooge brug  te volgen - daardoor voor goed verlooren zijn? Stellig niet.

Er kan immers geen weezen, dat uit Gods substantie gebouwd is, verlooren gaan. Maar de eeuwigheid is lang en zij die het juiste oogenblik lieten voorbijgaan zullen lang moeten toeven in duisternis - in "buitenste duister­nis" naar Jezus woord - tot bij een nieuwe verhef­fing van een nieuw geslacht, het kritische punt is bereikt.

 

79. Andere gelijkenissen zijn er nog voor deeze aller­grootste gebeurtenis, die oovereenkomt met het laatste oordeel der Katholieken. En alleen in gelijkenissen kan men er oover peinzen. Maar toch ben ik door die zinne­beelden, hoe onvolleedig en gebrekkig ze zijn, digter ge­koomen bij het Vaderschap van God.

Jezus was bij Hem en Zijn aandacht was gericht op de stijgende golf der menschheid en Hij vroeg Zijnen Vader ons te moogen helpen in de bange uure, bij den vervaarlij­ken sprong oover den afgrond.

De hoogte van de leevensgolf wachtte Hij af en trad toen uit Zijn eigen eeuwig en goddelijk land ons tegemoet, of wij met Hem den sprong dorsten wagen. En toen wij niet dorsten, heeft Hij te midden van ons gewoond en deed den sprong vóór.

En het is met ons als met den acrobaat, die op het juiste moment zijn rek loslaat om een ander rek te vatten, dat hem tegemoet wordt gezonden. Een angstig oogenblik zweeft hij geheel vrij, alles moet hij los laten, alles laten varen, in dat moment des Doods. Durft hij niet of grijpt hij mis, dan stort hij in 't duistere diep, waar niemand weet wat hem wacht.

Dit zinnebeeld belicht alleen het zich geheel geeven, het volkoomen vertrouwen, het alles laten varen - om in Jezus' reddende armen te koomen.

Een beeter zinnebeeld is de boot, die op de hooge gol­ven deint, en waaruit de loods aan boord van een groot schip moet koomen. Hij wacht de hoogte-golf van het zeetje af, om den touwladder te grijpen, en oover te sprin­gen uit zijn boot.

Zijn boot is het aardsche leeven. Hij springt oover op het groote schip, de heemelsche waereld van begrip en schoonheid. En Jezus reikt hem de hand bij 't aan boord stijgen.

 

80. Nog heb ik niet eerlijk en oprecht genoeg gesproo­ken. Nog kan ik dit boek van het Roode Lampje, de uiting van deeze leevensperiode, niet afsluiten.

Ik wil nog spreeken oover de vreemde en raadselige verschijnselen van de ontaarding, de decadentie, die dui­delijk den ondergang voorspellen van ons geslacht, - en die zoo moeyelijk oprecht te bespreeken zijn.

Ik wil nog spreeken oover de verwarring van goed en kwaad, die bemerkbaar wordt bij die ontaarding.

Ik wil nog mediteeren oover de grenzen van het geoor­loofde en bespreekbare, die zoo vaak ooverschreeden wor­den door de niets-ontziende natuurweetenschap, die die­ren martelt om meer te weeten, en het teederste en meest delicate der menschenziel ontleedt en aan 't licht brengt, met dikwijls heiligschennende weetgierigheid.

En ik wil ook nog trachten te zeggen wat mij het waar­schijnlijkste voorkomt van ons voortleeven na den grooten oovergang, zonder daarbij de termen te gebruiken der theologische voorstellingen en dogma's.

Want in iedere leevensperiode heeft men toch het ge­voel, de dingen nu eindelijk recht goed en innig te bena­deren, zoo oprecht als men het nooit te vooren heeft ge­daan.

En dan voel ik het als noodzaak en plicht, die nu zoo bizonder juiste en harmonisch schijnende meeningen nog eens in denkwoorden te vertalen.

 

81. Hier komt een wondere, verrassende gedachte bij mij op. Zeer eenvoudig, begrijpelijk en onweerspreekelijk. Maar verbijsterend voor den niet signifisch denkende:

            Al wat wij doen met de allerbeste bedoelingen voor de menschheid, is ook het allerslechtste wat we voor het mensch­geslacht kunnen doen.

Men zal dit paradoxaal noemen, maar dat is het eigenlijk toch niet. Want het is niet minder wonderlijk dan het schijnt. Het is eenvoudig waar.

Het menschengeslacht is bestemd om uit te sterven, het zal zijn opgang, zijn hoogtepunt en zijn ondergang heb­ben, als alle schepselen Gods.

Maar het zal ook tot volleedigen bloei koomen, het zal de aarde ooverdekken en een groote broederschap vormen, waarin eenheid heerscht en vreede, en veiligheid, en on­derlinge hulp. Alles wat de vuurigste idealist zich maar als wenschelijk kan voorstellen, dat zal verwerkelijkt worden.

Maar dan, als die blijde waereld is bereikt, dan zal juist daaruit en daardoor de ondergang beginnen.

Want dan zijn alle omstandigheeden aanweezig, die wij biologisch weeten, dat verderf, ontaarding en uitsterven van het ras ten gevolge hebben.

Nieuw bloed zal er dan niet meer koomen. En de uiter­ste voorspoed, de grootste veiligheid, de meest volmaakte vreede - kan geen ontaarding verhinderen of voor­koomen.

De militairisten hebben volkoomen gelijk als ze zeggen, dat universeele vreede den ondergang van het ras ten ge­volge zou hebben.

Maar toch komt die vreede, onvermijdelijk en daarmee de ondergang van het ras.

 

82. Let op de idealen, die de menschen voor zich uit stellen. Hoe weinig denkt men toch aan de onvermijdelijke toekomst.

Staatslieden, geleerden, ingenieurs zijn tevreeden en welvoldaan als zij hun leeven wijden aan welvaart, voor­spoed, gezondheid, veiligheid, lange leevensduur, zorg voor het kind, het nageslacht, en bevordering van weetenschap en kennis.

Ze vragen niet meer, ze denken niet verder. Deeze leu­zen en termen geeven hen bevreediging. Niemand twij­felt eraan of deeze dingen wel goed zijn en de moeite van het leeven waard.

Hoogstens twijfelen ze of al dat begeerlijke ook bereik­baar is. Maar de pessimist, die twijfelt, werkt daarom niet minder ijverig; en men prijst hem daarvoor.

Doktoren hebben als ideaal: het gezonde, langleevende individu. Alle hervormers, filantropen, hebben tot ideaal: het gezonde, welvarende, voorspoedige ras.

Dit achten de menschenvrienden de moeite waard. Maar hoe onreedelijk en kortzichtig is dit alles, als het als einddoel wordt gesteld. Want ondanks alle hygiëne, ondanks de uiterste voorzorg vergaat het individu en ver­gaat het ras. Al verlengde men den persoonlijken leevens­duur tot twee of driehonderd jaar, de ouderdom moet toch ééns koomen en daarmee wordt alles afgebrooken wat met zooveel moeite is gebouwd.

Het individu, al is het nog zoo gezond en gehard, moet verpleegd en vertroeteld worden in den ouderdom, als een kind.

De groote staatslieden, als Bismarck, hebben tot ideaal: het Rijk, het Machtige Vaderland - heel de volkswil erkent en verheerlijkt dat ideaal.

Maar hoe kort duuren zulke rijken en hoe onvermijdelijk is hun ondergang.

Al deeze idealen hooren nog tot T1, de natuurlijke eerste tendens.

En dat meest verheeven ideaal, dat om vreede en een­heid en geluk aller volken roept - ook dat is absurd in 'zichzelve, want het bevordert een toekomst die ook den ondergang van het geslacht naderbij brengt.

Niemand kan zich reedelijker wijs de illuzie maken, dat het menschenras voor alle eeuwen blijft voortbestaan en den ganschen aardbol ten eeuwigen dage zal blijven be­woonen.

En toch spreeken bijna alle menschen in dien dwazen geest. De dokter zorgt voor het individu, als ware het on­sterfelijk te maken. De man van zaken denkt alleen aan de voorspoed van zijn gezin of zijn geslacht, de staatsman denkt aan het vaderland of den staat, de hervormer aan de gansche menschheid.

Maar dit alles is onreedelijk, geen wijd-schouwende wijsheid, maar blind instinct, dat niet verder ziet dan de naaste eeuwen. Het ziet als einddoel: aardsch geluk voor zooveel moogelijk menschen. Maar het is wel eeven zeeker, dat het menschenras eenmaal totaal ophoudt en verdwijnt, als dat het individu aftakelt en afsterft.

Het hoogste ideaal der hervormers is volkoomen bereik­baar. Waarom ook niet? Een blijde waereld, een gelukkige menschheid, zal niet uitblijven. De knop is er, en zal een bloem worden. Dit is nu reeds met groote zeekerheid te verwachten.

Maar met niet minder zeekerheid is te voorzien, dat de bloem zal verwelken en afvallen.

En wie den bloei der menschheid bevordert, brengt ook het verwelken naderbij. In de sfeer van volmaakte vreede, van zachtzinnigheid, van schoonheid en zuiverheid, zal ook de vrucht van 't verderf het eerst ontstaan. Wij zien het nu reeds, de bloeitijd is nabij. In een paar eeuwen is de menschheid op haar hoogtepunt. Dan is er algemeene vreede, onderlinge broederschap, schoonheid en welvaart allerweege.

En dan gaat het berg-af, met vermoedelijk vervaarlijke snelheid.

Ziehier de paradox verklaard, dat de dienaren der menschheid ook de gevaarlijkste vijanden van de mensch­heid zijn.

Hoe eer alle teegenstand is weggenoomen, alle strijd beslecht, alle gebrek verdweenen, des te eer ook ontstaat de décadence, de verfijning, de verzadiging, het bederf.

Signifisch beschouwd is het woord "menschheid" niet alleen het vergankelijke ras, maar ook het onsterfelijk wee­zen, dat nu nog mensch heet, dat deel heeft aan den Schep­per en Zijn Schepping, en dat eeuwigheid in zich heeft.

Dat begrijpen de vroomen en de heiligen. Zij vreezen het verderf niet. Zij zoeken het eerder, omdat het onver­mijdelijk is. Zij laten vrij de bloem verwelken, weetend, dat ze het zaad der eeuwigheid verbergt.

Daarom zijn de eenige menschen, die reedelijk en ver­standig leeven, de vroome en heiligen, de monniken en priesters. Zij hebben God in de menschheid lief en daarom achten zij het menschelijk geluk alleen de moeite waard, wanneer het eeuwigheidskiemen in zich draagt.

Zij zien den schoonen reegenboog van goddelijke be­lofte, de veelkleurige brug van aardsch tot heemelsch ge­luk. Zij trachten bijtijds daar vasten voet te zetten, eer de schoone menschheidsbloem aan 't verwelken gaat.

Al het zoeken naar lichamelijke onsterfelijkheid, naar het lang en gezond leeven der individuen, naar het scheppen van groote rijken, naar een machtig vaderland, ook naar een universeele "Menschheid", naar een eeuwigduurend menschenras - dat alles is ijdel en kortzichtig, zonder toekomst.

Toch moet de mensch-bloem bloeyen en weer afvallen. En de Hoovenier zal het zaad der Godsvreugde oogsten uit den schoonen bloei en de verrotte vrucht.

 

83. Décadence!

Ontaarding, bederf, verrotting.

Een verschijnsel vol wonderlijke raadselen. Alleen te verklaren door het besef der 1ste  en 2de  tendens en uit het begrip van Jezus' zending.

Als de golf van menschelijke cultuur op haar hoogte­punt is gekoomen, dan ontstaat een verwarring van goed en kwaad, die verbijsterend is. De ziel heeft zijn kans ver­zuimd, zij is niet oovergegaan op den schoonen brug. Ze zinkt terug om in miljarden lichtjaren misschien weer een kans te krijgen.

Maar de elementen van liefde en hartstocht, de schoon­heidsaandoeningen, die blijven haar bij.

En de ziel ondergaat die werkingen en begrijpt niet waarom ze slecht zijn, waarom ze uitgediend hebben, als de hulp van Jezus is afgeweezen en verzuimd.

Zoo vinden de décadenten schoonheid in het allerlee­lijkste, het meest ontzettende, het vuile en onreine, het rottende.

Ooverdenk dit, mijn lieve vrienden, het is moeyelijk goed te begrijpen. Het vereischt diepe meditatie. En het is toch zoo gewigtig, en naar ik meen is het ook door mijn onbeholpen woorden zoo goed moogelijk gezegd.

Ik had een vriend, een groot dichter en een goedhartig mensch. Maar ook een geweldig décadent.

De reddende hand van Jezus sloeg hij af. Hij walgde van de slaafsheid der Jezus-volgers. Hij wilde alleen den weg vinden, volgend de schoonheid en de vreugde.

En let nu eens wel op, waartoe deeze hoogmoed hem voerde. Hij loochende God niet, maar hij loochende Jezus, met zijn deugdsaamheid, zijn moraal, zijn scheiden van goed en kwaad.

Hij zocht schoonheid, maar de lessen en waarschuu­wingen van Jezus verwierp hij.

En tot God sprak hij de volgende woorden:

            Vergeef het mij genadig

            dat ik wensch goed en braaf te zijn

            en niet misdadig.

Hoor goed! Hij vroeg God om vergeeving, dat hij niet slechter kon zijn, dat hij geen neiging had tot misdaad, tot boosheid en wreedheid.

Ontzettend, niet waar? Onbegrijpelijk! Waanzinnig!

Maar toch te verklaren, in den décadent.

Want is er niet gezegd, dat er meer vreugde in den hee­mel zal zijn om één bekeerde zondaar, dan om duizend die de bekeering niet van noode hebben?

En wat kan dus de vrije, sterke mensch beeter doen dan misdadig zijn, om op die wijze de grootste vreugde in den heemel te brengen?

Wat is hier teegen in te brengen, met ons menschelijk verstand? Is het niet volkoomen juist en logisch, en van menschelijk standpunt onweerspreekbaar?

Dus zijn, volgens décadenten-begrip, de grootste mis­dadigers ook de eedelste en beste menschen.

Ziehier de wonderlijke en ontzettende gevoels-ver­warring, die ontstaat als de reddende hand van Jezus is afgeweezen, en het menschenras zijn ondergang tegemoet snelt, berg-af.

Ziehier de teekenen der décadentie.

Het meest vuile wordt aantrekkelijk, het leelijke wordt verfijnd schoon, het aller-wreedste wordt goed en eedel.

En let op, hoe nu reeds, nog eer de golf zijn hoogtepunt heeft bereikt, de vreesselijke verschijnselen der ontaarding zich vóórdoen.

In de boeken van Dostojewski vindt men die teekenen duidelijk. De wreede misdadiger wordt er met deernis besprooken, als een merkwaardige held. De liefde van de arme prostitué tot den wreeden moordenaar wordt er met gevoelige sympathie beschreeven.

Nog sterker ziet men het in het boek "Der Golem" van Meyrink.

Daar wordt de allerwreedste misdaad, de lust-moord, in een geheimzinnig mystiek licht geplaatst, en de misda­diger beschouwd als een verheeven martelaar, onbegree­pen door den gewoonen, braven, moreelen mensch.

Deeze afkeer van het brave en moreele kenmerkt den décadent. Nietzsche heeft er de sterkste uitdrukking aan gegeeven. Verachtelijk spreekt hij van de "moraline" als een vergif; hij acht zich booven goed en kwaad verheeven.

Hij is vervallen in de geestelijke nacht voor eeuwen en eeuwen denk ik. Aan een eeuwig-brandend hellevuur kan ik niet gelooven. Maar wel moet ik gelooven aan een "bui­tenste duisternis," een allerdiepste nacht, vreesselijker dan het felste vuur - voor hen die de liefdevolle hulp van onzen Verlosser hoogmoedig van de hand weezen.

Heer, ontferm U onzer!

 

84. Het zijn de jonge menschen, die het eerst in ont­aarding vervallen. Op hen loert de démon, de heer van het rijk der nacht. Want in ondergang en verderf is zijn wel­lust. Men denke aan den jongen Willem Kloos, die den Bijbel noemde: ,,'t vervloekte boek van laffen deemoed klein" en Satan verheerlijkte.

In den jongen mensch woelt sterk de vrijheids-neiging en de voortplantingsdrift. Hij voelt deugd en vroomheid in deeze driften. Het schijnt hem het beste en het mooiste. En het waren ook heerlijke impulsen. Alleen de Liefde van een vrij, oprecht mensch kan God gevallig zijn, en waar zijn schooner emoties dan in de liefde van man en vrouw.

Maar ook dit alles moet geofferd worden. De kritische tijd breekt aan, de ondergang dreigt onvermijdelijk. Mo­raal en deugd worden niet meer gevonden in het roekeloos volgen der driften, zoo als in T1. De zwenking begint en de grootste weldoener der menschheid wordt haar grootste vijand. De Goede Richting gaat niet meer naar mensche­lijke voorspoed, menschelijk geluk, menschelijke kennis - maar naar God alleen.

Dit doet ook begrijpen, waarom Jezus gehaat werd, en vermoord door hen die de oude wet wilden handhaven. Als vijand werd Hij gezien, Hij die de menschheid tot goddelijkheid wil verheffen. En Hij was ook de vijand van den ouden mensch.

Het moeyelijkst is dit voor den jongen mensch te ver­staan, die nog beladen is met oover-erfde driften. Hij ver­acht de gedweeën, de slaven van Gods nieuwe wet. Hij verstaat Gods roepstem niet, door het gerucht der be­geerten. Het juk der tucht en der moraal, de zuivering van zonde en onreinheid, schijnt hem onnoodig en laf. In zijn oovermoed wil hij het vuur der driften laten voortbranden. Het zijn toch Gods gaven en het is toch vroom en moedig die gloed tot het verste einde te laten oplaayen.

En de Booze, waarvan het "onze Vader" spreekt, voert hem al verder en verder, tot aan de buitenste duisternis.

Zal Gods vergeeving en barmhartigheid zóó ver reiken? Mijn hart zegt: arme, arme menschen! Maar zien ze dan niet, dat Jezus geen lafaard is en het geen slaafsheid is Hem te volgen?

Oovermoedigen! - die de tucht in Uw jeugd verwaar­loost, de ouderdom zal het U des te moeyelijker maken.

 

85. De sexualiteit is het fijnste en subtielste probleem van den nieuwen mensch, in zijn ommezwaai.

Twee opmerkelijke verschijnselen treffen mij bij 't me­diteeren oover Goed en Kwaad, en de voortplantings­drift.

Vooreerst: de bizondere, heftige en algemeene vrees, onder alle vroomen, voor het gevaar der sexueele liefde.

Die vrees blijkt al uit de vereering der kuischheid. Het altijd-maagd zijn van Maria, haar ontbeeren van alle sexu­eele impuls, haar wonderbaar ontvangen en baren, dat is als een verachting van wat toch zoo natuurlijk en schulde­loos schijnt, huuwelijk en paring.

Niet enkel de onkuischheid en onreinheid, maar ook de zuivere en reine parings-daad wordt zoo niet geminacht, dan toch laag gesteld. Trouwen is goed, maar niet-trou­wen is beeter, zegt Paulus. En voor de Allerheiligste Vrouw zou het reinste huuwelijk een schande en een ver­needering geweest zijn.

Het schaamte-gevoel van het eerste menschenpaar duidt reeds daarop. Zoodra de mensch ontstond, werd ook de paring voor hem iets schandelijks. Hetgeen zeggen wil, dat de menschheid het ophouden van alle voortplanting tegemoet ziet, in het uur van volkoomen verlossing.

Het mensch-geslacht moet te gronde gaan, opdat de menschheid goddelijk worde.

Het tweede merkwaardige verschijnsel waarop ik doelde, is de groote zachtheid en vergeevingsgezindheid van Jezus voor sexueele zwakheid en oovertreeding.

De zondares uit Magdala werd zijn heilige en innige volgeling, vereerd door de liefde van Hem en van zijn Moeder.

En de ooverspeelige vrouw werd niet harder gestraft dan door het liefderijke woord "ook Ik veroordeel U niet, ga heen en zondig niet meer!"

En wat beteekent dat stille geheimzinnige, meditatieve letters schrijven in het zand, terwijl de beulen, die al klaar stonden, volgens de Wet te dooden, stillekens hun steen laten vallen, in het besef van eigen zonde?

Hoe zeeker van zijn zaak was Jezus, toen hij den zonde­looze opriep om den eersten steen te werpen. Niemand in Jeruzalem ging vrij uit.

De oude leer (T1) wilde sexueele zonde met den dood bestraffen. Het welzijn van 't ras stond op 't spel. Homo­sexueelen moesten uitgeroeid.

Maar de nieuwe leer (T2) vraagt naar Liefde, vóór alle anderen dingen. En waar veel Liefde is, daar worden veel zonden vergeeven.

Hoe noodig is echter, bij dit schoone woord-begrip Liefde, signifische bezinning. Wij misbruiken het schrik­kelijk - en verwarren de drie beteekenissen: Eroos, Amor en Caritas.

Men waagt het zelfs, bij de grofste ontucht, het woord Liefde te gebruiken. De Franschen spreeken van "faire l'amour" .

Hoe moeyelijk is het voor hen, die in het moeras der on­tucht hebben geploeterd, met hun zware modder-voeten den ijlen kleurenboog heemelwaarts te bestijgen.

Denk aan het zoo vaak herhaalde symbool der voetwas­sching in het Evangelie.

             

86. Toen ik het boek schreef, dat ik Johannes Viator noemde - de Reiziger - toen wilde ik al het laatste woord zeggen 't welk thans onder menschen gesprooken kan worden oover Liefde.

En toen voelde ik, bij het eindigen, dat mijn taak niet volbracht was. Mijn machteloosheid voelde ik, en mijn laatste woord was de erkenning, dat ik gefaald had, en mijn werk niet goed gedaan.

En nu - nu moet ik weer in ootmoed het hoofd neigen. Weederom ben ik te kort gekoomen.

 

87. Het Roode Lampje vraagt:

En als het nu toch alles eens wáár ware?

Als nu toch waarlijk een Hoog Weezen, uit eigen liefde­volle aandrift, den Albestuurder had gevraagd ons men­schen bij te staan in onzen zwaren oovergang?

Als nu toch waarlijk die liefdevolle Jezus het zwaarste menschelijk Leed heeft willen ondergaan, om ons den weg te wijzen en terug te voeren tot het zalig Godsbestaan, zou het er dan veel op aan koomen of de Priesters wel eens dwalen, en onaanneemelijke dingen zeggen, en ab­surde woorden en termen beezigen, en hun eigenlijke taak gebrekkig verrichten?

Als in al die litanieën en liturgie, in al dat ceremonieel nu toch een geheimzinnige waarheid verborgen ligt, moo­gen wij dan niet dankbaar erkennen, dat door dat ceremo­nieel die duistere en zoo gewigtige waarheid is ooverge­leeverd van geslacht op geslacht door de eeuwen?

Het mooge dan door kinderlijke bizonderheeden, door naïve opvatting en gebruiken, verduisterd en bedorven zijn, de hoofdzaak is er nog in bewaard - zouden anders zooveelen er hun vreugde en toevlucht vinden?

Alles is moogelijk. Geen feit is te vreemd, te onwaar­schijnlijk om a priori geloochend te worden.

Gods scheppingskracht is eindeloos en onbeperkt. Iedere seconde, iedere duizendste seconde wordt een geheel nieuwe waereld geschapen, elke zandkorrel wordt vernieuwd, niets blijft geheel gelijk, niets herhaalt zich volkoomen.

Waarom zouden wij weigeren de verzeekeringen van onzen Redder en Verlosser aan te neemen? Waarlijk zou dit beleediging zijn van het eedelste Weezen, dat wij, in zijn uitingen en zijn daden gekend hebben en nog kennen.

En als het wonder van zijn Weezen, van zijn Geboorte, van zijn Opstanding waar is - wat kunnen wij dan beeter doen dan Hem eeren, en aanroepen, en liefhebben ooveral waar Hij zich manifesteert - al is het in kinderlijke cere­moniën en naïef gebed?

 

88. De Paaschklokken luiden en zeggen: het wonder is waar, Hij is opgestaan, Hij was de wondermensch die wij noodig hadden.

Zeeker kan het voor den mondigen, verlichten, oprechten mensch moeyelijk zijn, schuld te bekennen, berouw te voelen, boete te doen - waar hij zich toch van geen schuld bewust is, waar toch God de oorzaak is van zijn dwalingen, waar God alleen verantwoordelijk mag heeten voor al de gebreeken en tekort-koomingen en onvolmaaktheeden van Zijn schepselen.

Zeeker is het onder menschen liefdeloos en onrecht­vaardig te achten, als wijze ouders het kind laten lijden, omdat het niet verstandiger is dan een kind kan zijn.

Zeeker is het geen liefderijk heerscher onder menschen, die boete eischt en zich beleedigd acht, als arme, hulpe­looze, geheel van hem afhankelijke onderdanen naar ver­keerde en dwaze driften handelen.

Zeeker zou het een zonderlinge rechtvaardigheid moo­gen heeten, als een menschelijk rechter één schuldelooze strafte voor het kwaad dat miljoenen hebben bedreeven, alleen om aan een blinde wet, door hemzelf ingesteld, te voldoen.

Maar kan dit alles niet worden begreepen door de men­schelijke onmacht om het booven-natuurlijke uit te spree­ken?

Heeft dit gevoel van schuld, zonde, berouw en boete niet een veel dieper beteekenis - die onuitspreekbaar is, maar die aan 't licht komt door de zeegenrijke ziels-ver­heffing en heerlijke troost, als het gevolg van deeze, schijn­baar dwaze en onrechtvaardige zelfverneedering?

De leevens der heiligen geeven het antwoord. Rustig brandt het Roode Lampje, het heeft reeds zoo veel mil­joenen den juisten weg geweezen, en zeegevierend booven alle menschelijke woordgeruchten luiden de Paasch - klokken.

Het is waarheid. Hij is uit een maagd gebooren. Hij is den menschelijken dood gestorven. Hij is opgestaan en heeft een verheerlijkt Lichaam gekreegen.

En wie Hem volgt, vertrouwend en zonder vrees, zal met Hem deelen in des Vaders glorie.

 

89. Maar als wij toch nog meer bevreediging zoeken voor ons gevoel van recht en oprechtheid - dan moeten wij door veel signifische gepeinzen tot het inzicht koomen dat Ik en Gij in Weezen hetzelfde is, en dat alle verhou­dingen van schuld gansch anders worden wanneer schul­denaar en schuldeischer een en dezelfde zijn.

Want "schuld" onderstelt geeven en neemen, onder­stelt ruil, en wel een eevenwigtige ruil.

Maar tusschen mijzelven en mijzelven kan geen sprake zijn van geeven en neemen, noch van ruil.

Jezus is één met den Vader, en verlangde van ons, dat wij volmaakt zouden worden, zooals God volmaakt is. En wie die woorden ooverpeinst, voelt de schijnbaar onrecht­vaardige verneedering verdwijnen. Alle schuld geldt ons­zelven, alle boete betalen wij aan onszelven, en wij dragen de verantwoordelijkheid zoover als wij zelve Goddelijk zijn. Dan is er geen sprake meer, noch van Recht, noch van Ruil. Alles lost zich dan op in Liefde. Dezelfde zwaar­tekracht verbindt al het bestaande, het niet-ik wordt Ik, het schijnbare wordt weezen.

 

90. Nogmaals wil ik een pooging doen, en trachten te zeggen, in onbewoogen taal, wat ik in alle eerlijke op­rechtheid verwacht van mijn voortbestaan.

Het mysterie van ons God-zijn blijve hierbij onbesproo­ken. Wij weeten het, maar kunnen het niet altijd gevoelen. De weg tot eindelijke verklaring is ons geweezen. Het gebed en het uitvoerig ceremonieel steunt ons, door het bewaren van de hooge wijding, door de ziele-spanning der vroomheid, door het vasthouden van deugd en het be­kampen van onreinheid en verwildering.

Maar wij willen, als gewoone verstandige menschen, iets denken bij het zorgen voor onze toekomst.

Wat ons wordt voorgespiegeld door de Christelijke reli­gie, door liturgie en ceremonieel, is voor de groote meer­derheid genoeg. Wij moogen dankbaar zijn voor wat de katholieke leer der menschheid gaf.

Maar veeler gedachten en voorstelling worden er niet door bevreedigd. Het is te kinderlijk, te naief, te weinig in oovereenstemming met onze verder reikende kennis van ziel en stof, van waereldsche en heemelsche dingen.

"Wij zullen nog wel vreemd opzien, na ons ontwaken uit den Dood" zoo zeide het een vroom priester.

 

91. Wij moeten worden als de kinderkens, om het kooninkrijk Gods in te gaan. Maar er zijn toch ook domme en wijze kinderkens. In ons geloof moogen wij blind ver­trouwend zijn en argeloos als de kinderen. Maar wij hebben toch ons verstand gekreegen om het te gebruiken.

Ik weet ongeveer hoe het is, als wij uit den slaap van ons aardsche leeven ontwaken tot hooger besef. Dat weet ik, ongeveer, als ik in diepen slaap van het lijf, in den morgenslaap, als ziel en lichaam los verbonden zijn, ont­waak tot wat onder menschen "droom" heet. Maar een bizonder soort droom, die alleen komt in morgen-uuren, als de zwaluwen beginnen te kweelen, zooals Dante het aangeeft.

Dan ligt het lichaam zonder uiterlijke waarneeming, alle zintuigen zijn afgeslooten, het hoort niet, noch ziet, noch proeft, noch tast. Het lijf werkt door als een weezen­loos werktuig, de ziel voelt zich vrij en neemt waar, en is zich van 't eigen weezen helder bewust.

Die toestand ken ik, uit herhaalde ervaring. Het is een soort ontwaken. Ik weet wie ik ben, en herinner mij geheel of ten deele, wat er met mij gebeurd is en waar ik mij bevind.

Ik noemde deezen toestand "heldere droom". Maar het is geen droom, het is een ontwaken in andere sfeer, meer vizioen dan droom. En ik kan niet anders denken of wij zullen een dergelijk ontwaken in andere sfeer bij ons sterven tegemoet gaan.

Hoe zou het ook anders? Mijn besef is dan enkel ziele­besef. Van mijn lijf bemerk ik niets meer. Ik heb geen enkel lijfs-gevoel. En wat ik voel en waarneem is geheel vrij van de gevoelens van het lichaam. Zoo had ik zulk een heldere droom terwijl ik sliep aan boord van een schip, in heevigen storm. Ik wist, dat ik op zee was, en angst had uitgestaan om den storm - maar ik bemerkte er niets meer van. Ik wandelde in zalige vreede in een prachtig berglandschap, terwijl de golven neerdonderden op het dek van het schip.

En ik wist het. Ik was mij van alles nauwkeurig bewust. En ik was volkoomen rustig, zonder angst - en voelde mij heerlijk gelukkig, met geen anderen wensch dan dat deeze schoonheid en zielsrust mocht voortduuren.

Daarbij zag ik, maar de oogen van mijn lijf waren in slaap geslooten. Ik zag bergen en meeren en groene strui­ken, met de oogen mijner ziel. En ik hoorde. Ik hoorde voogelgekweel en beek-geruisch. Maar de ooren van mijn lichaam waren digt. En ik voelde. Zalige warme zonne­schijn. Maar mijn lichaam lag weezenloos in duistere storm-nacht.

En ik had ook een lichaam, maar een ander dan hetgeen daar sliep. Ik kon mijn lichaam waarneemen, mijn handen en voeten, mijn kleederen, want ik had kleederen aan. En dat lichaam was ligt en leenig en bewoog zich zweevend en gemakkelijk, als een zaadpluisje op een zoomerkoeltje.

In dien toestand juichte en juubelde ik van geluk.

Ik zong, zoo zuiver en schoon als ik nooit in 't ge­woone leeven heb kunnen zingen. En met verwondering ooverdacht ik, of dit zingen nu gehoord zou worden door mijn meede-passagiers op het schip. Maar ik wist, dat dit niet zoo zou zijn.

In dien heerlijken toestand had ik maar één zorg. Ik wilde in die zaligheid verblijven, ik wilde dat schoone vasthouden. Ik wilde ook weeten, wat dit voor een lijf was, waarmee de ik waarnam en bewoog.

De heerlijkheid duurde hélaas niet lang. Zooals altijd in zulke heldere droomen of vizioenen was alles vluchtig, vlottend, vliedend. Er was geen vastheid, geen stelligheid in. Het ging ras voorbij en liet - als altijd - weemoedig verlangen achter. En toch was er ook weer dankbaarheid, toen ik in het aardsche lichaam was teruggekeerd. Het was mij toch dierbaar, om zijn stelligheid, ondanks angst en ongemak.

Wat zegt nu het verstand, na veele zulke ervaringen? Wat zou Uw verstand zeggen, leezer?

Hier is ervaring, empirie, zoo als de geleerden die voor hun weetenschap verlangen. En ik kan niet anders be­grijpen of deeze ervaring is de eerste flauwe scheemer van het bestaan hiernamaals. Het is een vluchtige proef van wat de ziel zal gevoelen als het lijf in den eeuwigen slaap van de stof is teruggezonken. Dan zijn ook alle zintuigen werkeloos geworden, maar de onsterfelijke ziel ziet, voelt, hoort, ruikt en tast daarom eeven goed.

 

92. Nu is de vraag, die het eerst in ons opkomt: Wat is dat voor een vizionaire waereld, waar bergen, voogels, planten, beeken en meeren zijn? Het gelijkt alles op de aardsche waereld, maar het is meer vlottend, meer vaag, minder vast en stellig.

Een droom-waereld zullen de geleerden zeggen. Maar dat is geen verklaring. Want wat is de droom? En dit is een droom vol expressie, vol werkelijkheid, want de ziel is wakker en begrijpt, en denkt en ooverlegt. Er is ruimte, maar een andere ruimte als die des daags.

En als men het veele malen heeft ondervonden, dan komt men tot de oovertuiging, dat die droomen symbo­lisch zijn, dat ze een bedoeling hebben. Ze beantwoorden, of trachten te beantwoorden aan vragen en gedachten, die den geest vervullen. Er zal bij voorbeeld een lichtver­schijnsel waargenoomen worden en de ziel begrijpt wat het bedoelt. Het is troostend, of waarschuuwend, of ver­klarend. Het zonlicht zie ik nooit direct, wel den afglans ervan. Ik begrijp, dat dit zeggen wil, dat de Godheid voor mij niet direct waarneembaar kan zijn. Ik zal iets wenschen of vragen en een ligte wolk zal zich voordoen, die afkeu­rend antwoord geeft. Ik gevoel het geheele landschap als een woord, uitgesprooken door een machtig weezen, dat mij iets beduiden wil.

En ik kan niet anders dan het zóó verstaan: een symbo­lische taal door een voor mij onwaarneembaar weezen.

Nu komt er nog een merkwaardige zaak bij. Ik heb die droomen opgeschreeven en statistisch gerangschikt[1]. En dan blijkt, dat ze bijna altijd worden vooraf gegaan en ge­volgd door het zien van spookige, démonische weezens, die mij den weg versperren of op andere wijze plagen en lastig zijn. Aanvankelijk was ik er bevreesd voor en be­nauwd. Maar later verdween die angst geheel, en ver­heugde ik mij zelfs als ik die démonen zag, omdat ze altijd een voorboode zijn van heldere waarneemingen. De waar­neeming leert, dat er samenhang is tusschen démonen­droom en de schoone vizioenen van den morgenslaap. En wie het heengaan van mijn lieven zoon kent, zoo als ik het beschreeven heb, die weet ook dat juist teegen het sterven die démonen hun boosaardig spel speelen en door gebed en krachtig optreeden te verjagen zijn. Een reeden te meer om in de morgen-vizioenen een begin van de scheiding van ziel en lijf te zien.

De lagere weezens, die ik démonen noem, schijnen dan hun macht te moogen uitoefenen en vertoonen zich in bizarre, vieze en lascieve gestalte - maar de hoogere wee­zens schijnen zich te oopenbaren in symbolische schoon­heid, in landschap, in licht en kleur, in harmonie van ge­zang en welluid.

Ik ben tot de oovertuiging gekoomen, dat mijn schoone vizioenen allen de expressie zijn van hooger weezens, die mij leiden en voorlichten.

En ik doe hierbij opmerken, dat de meest belangrijke weetenschappelijke ontdekking der heedendaagsche psy­chologen daarop neerkomt, dat elke droom symbolisch is. Dit is het gewigtigste wat door Freud in Weenen is ont­dekt. De beteekenis ervan moest echter deezen ongeloo­vigen geleerde noodwendig ontgaan. Maar het gevonden feit blijft, en past geheel bij mijn ervaringen.

En bedenk nu het woord van Jezus, dat Hij niets zegt of het is gelijkenis, dat wil zeggen: zinnebeeld, symbool.

Daarbij begrijpen zijn discipelen dit niet en ver­bazen zich oover zijn wonderspreukige woorden. Dat is 't wat den Verlosser dan bedroeft en doet zwijgen.

Ik verwacht dus ook, dat wij, na den oovergang, zullen toegesprooken worden, en waarschijnlijk zullen wij dan die taal, die zoo zeer verschilt van onze menschelijke taal, niet dadelijk verstaan, eevenmin als het pasgebooren kind de taal van zijn moeder dadelijk verstaat. Wij zullen een leertijd noodig hebben.

"Alles vergängliche

ist nur ein Gleichniss"

zeide Goethe. En dit is ook wel het gewigtigste voor ons om te bedenken, teegen ons afscheid van de waereld.

Maar het schijnt mij juister, het zoo te formuleeren : dat hoogere, heemelsche weezens tot ons aardsche men­schen alleen in gelijkenissen kunnen spreeken.

 

93. Hier komt nu nog een nieuwe ooverweeging bij. Wij hebben maar vijf zintuigen en al wat wij van aarde en heem el weeten, kennen wij alleen door het bizondere as­pect, dat de waereld voor een vijf-zintuigelijk waarneemer heeft.

En nu blijkt mij, uit mijn vizioenen, dat ook in de hee­melsche onstoffelijke - of anders-stoffelijke - waereld, datzelfde aspect der dingen blijft bestaan. De zonneschijn, de verlichte bergtoppen, het blauwe meer, de muziek van loover en voogelzang - dat alles gelijkt op het aardsche. En hoe zou het ook anders? Van meer-zintuigelijke waar­neeming kunnen wij geen ervaring hebben, eer de meer­dere zintuigen er zijn.

Misschien krijgen wij die eenmaal. Maar vooreerst zul­len wij het met de beelden uit ons aardsch bestaan moeten doen.

Met die beelden wordt er tot ons gesprooken. Zoo is bijvoorbeeld de blauwe kleur in het vizioen zeer veelzeg­genden heeft een gunstige beteekenis. Als ik de blauwe kleur zie; dan kan ik blij en hoopvol zijn.[1]

En nu komt het mij voor - maar men versta dit wel als een geheel persoonlijke onderstelling, dat ons leeven op aarde, met die vijf zintuigen, ook vooral daartoe dient om ons te verrijken in expressie.

De aardsche schoonheeden en harmonieën dienen den Engelen tot taal. Zij spreeken in kleuren, en harmonieën, in licht-verschijnsels, in landschappen. En door ons aard­sche bestaan hebben wij een grooten voorraad vijf-zintui­gelijke indrukken opgedaan, die het den Engelen moogelijk maken tot ons te spreeken.

Dat is het wat Jezus moet bedoeld hebben, toen Hij er nadrukkelijk op wees, dat al zijn woorden symbolen, beel­den zijn. Hij beloofde ons eevenwel, eenmaal niet in gelijke­nissen te spreeken, maar onmiddellijk, vrij uit. (Joh. XVI vs. 25).

 

94. Zeer moeyelijk zal het voor de meeste vroome menschen zijn aan te neemen, dat een Engel, een hooger en machtiger Weezen, zich in een landschap, of in een zee, of in een kleur zou uitdrukken. Zij verwachten meestal, dat alle hoogere weezens menschelijke gestalten hebben en, eevenals Jezus na zijn opstanding, een menschelijk lichaam zullen toonen.

Maar een weinig ooverweeging, een weinig meditatie doet dit onwaarschijnlijk, onmoogelijk voorkoomen. Hoo­gere weezens zijn niet aan menschelijke beperking onder­worpen en uiten zich zeeker op voor ons nog onwaar­neembare wijze.

Maar zij hebben ook scheppend, creatief vermoogen, en eeven goed als Jezus in staat was in een paar seconden tijd duizende brooden en visschen te scheppen, eeven goed zal een Engel in staat zijn, zich voor te doen als een ge­bergte, een lichtende zon of een geweldige muziek.

Het zal dus ook moogelijk zijn, dat de heemelsche waereld zich geheel voordoet in het aspect, dat de vroome Katho­liek verwacht. Welligt zal hij een vagevuur met martelende vlammen, een berg van zuivering, en een Heemel vol Engelengestalten zien, muziek hooren en zoete aandoenin­gen ondervinden, geheel in den trant der Danteske vizi­oenen. Ook de hel en de duistere démonen zal hij welligt waarneemen, al of niet op veiligen afstand.

En dan kan het toch zijn, dat deeze geheele heemelsche waereld maar een schijnbeeld is, een vorm van expressie, die hij moet leeren verstaan in waarachtige beteekenis.

Laat ons voorbereid zijn en deemoedig, onderworpen aan de hoogste Waarheid.

 

95. Het belangrijkste in onzen oovergang schijnt mij de vraag, hoe wij onze geliefden ontmoeten en herkennen zullen.

Het vraagstuk der persoonlijkheid.

Het denkbeeld der eenzaamheid is verschrikkelijk. En de vroegere middelen tot herkenning en verstandhouding begeeven ons.

Het is alsof wij steeds zullen vragen: "Ben jij het werke­lijk? of is het een zelfbedrog, en ben je een door mij zelve gemaakt schijnbeeld?"

Die vraag vervult ons ook al aan deeze zijde, zoodra wij Jezus en de Heiligen aanroepen, en ook wanneer wij be­richten krijgen van andere zijde, door tusschenkomst van sensitieven of mediums.

De moogelijkheid van auto-suggestie, van zelf-bedrog, beklemt ons vóór den oovergang, en zal ons waarschijnlijk ook daarna nog vervolgen.

 

96. Is het niet merkwaardig, dat juist in deezen ge­weldigen en kritischen tijd ook de zielkundige begrippen van suggestie en psycho-plastie zijn gekoomen? Het zijn werktuigen van den démon. Want voor den ongeloovige is suggestie het middel waardoor alles schijnbaar kan wor­den verklaard. Voor alle mirakelen heeft de scepticus het woord suggestie en massaalsuggestie gereed. Hier staat geloof teegenoover ongeloof, beweezen kan er niets worden.

Maar tegelijk ontkiemde het relativiteits-begrip. En zij die het vonden, weeten er geen weg mee.

Dit staat nu eevenwel vast voor de ongeloovige geleer­den, dat de tijd betrekkelijk is, en dat ieder individu zijn eigen tijd en zijn eigen kosmos heeft.

Daardoor is de moogelijkheid van alle mirakelen erkend. Om een bouwwerk als de Pieters-kerk te bouwen, had­den de menschen veele jaren noodig. Er moesten jaren verloop en tusschen de conceptie in het brein van Bra­mante en de inwijding van de voltooide kerk. Maar voor een ander, hooger weezen, kan dit tempo zoozeer versneld zijn, dat de Pieterskerk in drie seconden voltooid tot stand komt. Al wat voor den mensch eeuwen noodig heeft, kan ook in duizendsten van seconden geschieden. Dat zegt het relativiteits beginsel, en de moogelijkheid van mirakelen, bij volkoomen behoud van Gods natuurwetten is eens voor al erkend.

 

97. Hier is het geloof oppermachtig en de logica onzer termen en woord-verbindingen machteloos.

In welk versneld tempo schijnen ons nu de waereld­gebeurtenissen te geschieden!

Wat is er in de laatste eeuw geworden!

De geweetens-vrijheid - die neerkomt op de eerbied voor ieder individu, als hebbend een kiem van Goddelijk­heid in zich - de beetere kennis van den kosmos, - de strijd tusschen de ongeloovige weetenschap en het Chris­tendom, dat de terugkeer tot God's Weezen begrijpt, T2 - en de oppositie teegen het natuurleeven, de strijd tus­schen het beperkte schepsel en de goddelijke kern zijner ziel.

Dan de wonderen der techniek, de beheersching van de stof, T3. En daarnaast het begrip, dat alle menschelijke logica misleidend is. En dat er werkelijk dingen kunnen geschieden, die voor menschelijk verstand mirakelen zijn.

Het begrip, dat alle droomen symbolen zijn en uitingen van andere weezens, met het doel om ons iets te beduiden.

En nog iets anders werd door Freud ontdekt, waarmee hij ook, als ongeloovige, geen weg weet. Dat namelijk de sterke driften van den mensch, als een door God gescha­pen schepsel, niet alleen de voortplanting tot doel hebben, maar zich meer en meer booven het zinnelijk en sexueel­erotische verheffen. Freud, die alles uit de sexueele ero­tiek verklaarde, als voortplantingsdrift, heeft moeten er­kennen dat er verheffing plaats vond tot eedeler en hooger doel. Hij spreekt van "sublimeering" en Zwitsersche ziel­kundigen (Jung en Maeder) zijn tot het inzicht gekoomen, dat deeze sublimeering een religieus karakter heeft.

Dan het relativiteits beginsel, dat uit de mathesis is ontstaan - en zulke ver-reikende gevolgen voor ons den­ken heeft.

En de significa, die de kracht en de zwakheid onzer Het is zeeker, dat lichaamloozen, of met een voor ons onwaarneembaar lichaam begaafden, ook invloed op onze gedachten, droomen en voorstellingen hebben. Op die wijze hebben ze krachtigen invloed op den gang der men­schelijke en waereldsche dingen. Een gedachte, door hen op die wijze in-gegeeven, kan geweldige en machtige uit­werking hebben.

Zoo is in ons de gedachte aan de Licht-stad[2] ontstaan.

Een tempel en een modelstaat te samen.

Die enkele gedachte, onder hooger invloed, kan in eenige eeuwen tot een werkelijkheid worden, als zij dóór­dringt en anderen bezielt.

Ik kan nu reeds veele gebeurtenissen opnoemen, die door invloed van hooger weezens zijn ontstaan.

Het boekje oover Jezus' Leer is op die wijze ontstaan.

En de uitwerking van dat boekje gaat steeds voort.

De ongeloovige geleerde vraagt: "hoe weet je, dat het een hooger weezen was?"

Ik weet het door de meenigte van zijn berichten, waaruit ik zijn weezen, zijn karakter, zijn aard leerde kennen.

"Kan dat geen. bedrog zijn? Hoe stel je vast, dat zulk een weezen geen schijnbeeld, geen autosuggestie is?"

Door een algemeenen indruk, een intuïtief weeten. Eevenals ik weet, als ik een brief krijg van een onbekende, dat die onbekende waarlijk als een ander weezen bestaat. Ik geloof het, en het lijkt mij waarschijnlijk.

Een andere wijze van oordeelen hebben wij niet, en is ook niet noodig.

"Weetenschappelijke" bewijzen kunnen wij in deeze dingen niet vragen, noch geeven.

En zoo zal het ook zijn in het hiernamaals, naar mijn meening.

 

101. Maar het is troostrijk en zeegenrijk, als er oover­eenstemming blijkt te zijn in verschillende berichten, uit verschillende bronnen.

Die oovereenstemming is er dikwijls niet, maar dat be­wijst niets. Als ze er wèl is, versterkt dit ons geloof.

Het volgende is door mij, als min of meer zeeker vastgesteld:

1ste  dat de gewoone spiritistische vertooningen, als tafeldans en dergelijke, samengaan met oneedele, spot­tende, rouwe, démonische berichten, blijkbaar gegeeven door zeer laag staande en eenzaam zwervende weezens.

2de  dat er een gemeenschappelijke actie moet zijn, zoowel van hen, die de berichten geeven, de lichaamlooze weezens, als van hen, die de berichten ontvangen. De men­schen, die door zulke berichten worden verlicht, moeten ernstig, van eedele, liefdevolle bedoeling en vroom karak­ter zijn.

3de  zijn de goede voorwaarden vervuld, zijn de berich­ten op zuivere wijze verkreegen, dan zijn ze ook altijd waardevol en zeegenrijk.

4de  eenstemmig zijn alle goede en betrouwbare be­richten ook van vroom-christelijken aard, zij spreeken allen van Gods goedheid en van Jezus' liefde. Zij erkennen Hem als Heiland en Verlosser. Zij brengen rust en seréni­teit, zij steunen ons in het goede. Zij versterken het geloof. Ook als zij koomen van hen, die op aarde ongeloovig wa­ren. Dan toonen deeze berouw van hun ongeloof en droef­heid oover hun dwalingen (Multatuli, Nietzsche, Zola).

Opmerkelijk is deeze oovereenkomst, dat in alle be­richten, van de meest verschillende afkomst, gewaagd wordt van een "zoomerland" waar de zielen leeven na hunnen oovergang, en schoone tafereelen zien en waar­neemen. Dit kan geen toeval of coïncidentie zijn.

102. Het Roode Lampje wijst mij ook hier den weg. Des Heeren zachte en zuivere aanweezigheid.

Het is alles tot oovereenstemming te brengen. Veel kin­derlijks moet worden verdragen, maar de Heilige Kerk, de Sancta Ecclesia, kan en zal zich steeds zuiveren. Ze om­vat alles wat wij van onze toekomst weeten. En een eere­dienst, al is ze nog maar gebrekkig, is altijd beeter dan een onverschillig en onheilig voortleeven.

 

103. Prachtig vertoont ons het leeven der heiligen hoe de aardsche, zinnelijke liefde, de voortplantings-éro­tiek, oovergaat tot de Liefde voor Jezus en den Vader.

Sommigen zijn kuisch van den beginne. Zoo bij voor­beeld Sadhoe Soendar Singh en Marie Thérèse. Bij hen is hun gansche liefde-kracht gericht op Jezus en den Vader.

Anderen zijn aanvankelijk sexueel érotisch, zooals Ma­ria Magdalena, Augustinus, Franciscus, zij leefden, tot hun bekeering, in T1.

De vraag is of er na den oovergang iets sexueels blijft. Of Heiligen en Engelen vrouwelijk of mannelijk kunnen zijn. Ik acht dit moogelijk, al heeft het niets meer met voortplanting te doen.

De katholieke begrippen oover het huuwelijk acht ik juist. Het huuwelijk is bestemd om twee weezens tot hei­ligheid op te voeren. Als daarbij het leeven van nieuwe menschen (kinderen) zich voordoet, dan is dat een schoo­ne, gelukkige, maar bijkomstige zaak.

Het weederkeerig elkander heiligen van gehuuwden blijft de hoofdzaak. Daarom is er maar één huuwelijk moogelijk voor ieder gehuuwde.

Ja, het is onverbreekelijk, tenzij door den dood, en in enkele gevallen ook niet door den dood.

En hoe schoon en intens vreugdevol is het huuwelijk bedoeld. De eerste toenadering is al het fijnste en schoon­ste wat de mensch kan ondervinden. Dan is er de zoete verneedering, die als een licht van stille innigheid alles verheerlijkt en verguldt, ondanks - of juist door de ge­meenschappelijke schande, die gedoogd wordt.

En ziet! uit al die fijne vreugden komt dan weer het Wonder, dat de hoogste lusten geeft aan de moeder, en de beste voldoening aan den vader: het kind!

Hoe vreugdevol is het alles bedoeld! Maar hoe zelden is deeze bedoeling geheel verwerkelijkt.

 

104. De kleine Marie Thérèse - en de meeste nonne­kens - aanbidden Jezus met termen van sexueele liefde. Hij is de Bruidegom, de echtgenoot, en de gloeyendste woorden van het Hooglied worden gekoozen om haar Liefde te uiten.

Hier zullen de ongeloovige geleerden spreeken van "verdrongen sexueele drift".

Maar het is verheffing, sublimeering. Het is liefde uit T2, die nooit met voortplanting te maken heeft. Het is de Liefde, die blijft bestaan, ook al sterft het menschenras volkoomen uit.

De kleine Marie Thérèse was kuisch van den beginne, al was zij gevormd als een normale vrouw. De ongeloovige geleerde zal ietwat meewarig glimlachen om haar ver­liefde termen. Die meewarigheid ontstaat door het blijven beschouwen als iets gewoon dierlijks, wat zich als heilig­heid, kuischheid en verheevenheid vóórdoet. Dus erken­nen de geleerden, al is het onbewust, dat in de verliefd­heid, in T1, iets schandelijks schuilt. Ze zullen dit echter ontkennen. In T1 is verliefdheid ook inderdaad niet schandelijk, en ook de voortplanting niet.

Maar in T2 is de voortplanting wel deegelijk schan­delijk. En de nonnekens, die de drift uit T1 nog in zich voelen, zullen die met alle macht bekampen. En door hun meewarigheid toonen de geleerden, dat zij iets van die schande voelen, en dus het heilige weezen van T2 er­kennen.

Het sublimeeren, het verplaatsen van de richting der verliefdheid op hoogere weezens, met volkoomen ont­breeken van de voortplanting, dat is eigen aan alle eedele, christelijke zielen. In het leeven van Michaël Agniolo is deeze oovergang schoon en duidelijk waar te neemen.

Deeze inzichten verklaren ook de homo-sexualiteit van zooveele voorname en hoog-staande menschen. Michaël Agniolo en Shakespeare richtten hun schoonste liefdes­dichten aan een man.

 

105. Ik heb twee tooneelspeelen geschreeven, die deeze liefdes-sublimeering tot motief hebben. Ik vrees, dat zij tijdens mijn leeven niet zullen verstaan worden. Het eerste heet Eponina, en beeldt den jongen man, die met een jonge vrouw in zuivere en waarachtige liefde gaat trouwen, en dan tot ergernis van allen die hem kennen een a-sexueele Liefde van hooger soort gaat gevoelen voor een veel oudere vrouw, zonder dat dit, voor hem, zijn huuwe­lijksliefde verminderen doet.

Het tweede tooneelspel heet Isméa en beeldt de liefde van een elve, een weezen uit andere sfeer, waar sexueele voortplanting niet bestaat, tot een mensch, die bedroefd en ongelukkig is. Zij laat zich om zijnentwil met een men­schelijk lichaam bekleeden en wordt mensch. Doch de voortplantingsdrift kan zij niet gevoelen, en haar liefde is dus in de menschenwaereld machteloos en zonder uit­werking, zoodat ze haren geliefden mensch ooverlaat aan een jonge vrouw, die hem op aardsche wijze bemint.

 

106. Twee groote misverstanden moet ik nog trachten te voorkoomen.

Het verlangen naar Eeuwig Leeven in T2 heeft niets gemeen met de drift tot altijd-duur in T1.

Wat het schepsel in T1 verlangt, is het lichamelijk voortbestaan van het individu, het aardsche voortbestaan van de soort. Dit nu is onbereikbaar en een ijdel verlangen. Het lichaam sterft af en de soort sterft uit.

Maar teegenoover genot van T1 stelt T2 Godsvreugde, en teegenoover het voortbestaan van individu en soort, het opgaan der zielen in God, hun Oorsprong en hun Doel.

Daartoe moet het aardsche verwelken.

 

107. Het tweede misverstand is de beteekenis van het Kruis in T2, als de menschheid haar voltooying nadert.

Er zijn er die meenen, dat smart en lijden om hunzelfs' wil moeten gezocht worden.

Dit is misverstand. Smart en lijden zijn nooit om hun zelfs wil goed en begeerlijk. Zij zijn alleen goed als ze den weg bereiden tot hooger vreugde. Alleen vreugde is be­geerlijk, maar dan ook de hoogste Vreugde, die alleen in smart en lijden gevonden wordt.

Ook zijn er die zeggen: waartoe nog moeite doen tot het stichten van een blijde waereld en een gelukkige mensch­heid? Die dingen zijn niet het hoogste en moeten dus niet met zooveel ijver gezocht worden. Alle aardsche vreugde is vergankelijk en kan dus verwaarloosd worden.

Dit is misverstand. De blijde waereld en de gelukkige menschheid, voltooid in T2, moeten met allen ijver ge­zocht worden. De onderlinge liefde, de gemeenschappe­lijke Godsvereering, de vreede op aarde moet verwerke­lijkt worden. Het kruis moet niet moedwillig zwaarder gemaakt worden, door onderlinge haat en wanorde. Alle sociale bemoeyingen, die uit zuiveren aandrang voortkoomen, zijn goed en voeren tot T2, al maken ze het Kruis ligter.

Het Kruis komt toch, ondanks alle poogingen om het te verligten.

De individuën sterven af, de menschensoort sterft uit ­ - alleen in het Kruis zal redding zijn, in T2.

Maar geen vreugde mag worden verwaarloosd, tenzij ze door hooger vreugde wordt vervangen.

Alleen vreugde is goed, de heiligste smart moet toch vermeeden worden, als er niet vreugde uit voortkomt.

En zij die het leed zoeken, moeten innig en waarachtig voelen, dat er heilige, goddelijke vreugde uit ontstaat. Daarom is alle zelfkwelling slecht, als ze niet volgt uit den krachtigen drang, de noodzaak tot hooger geluk. Alle op­geschroefde, fanatieke, dweepsche smart-liefde is slecht, omdat ze niet uit echte liefde en Godsvereering voort­komt, maar uit démonische verleiding, met ijdele beloften van genot, zonder heilige en sereene vreugde. Dus ook in T1 kan smartenzucht voorkoomen, als genot, maar niet als Godsvreugde. Men ooverdenke wat ik omtrent ont­aarding zeide.

Smartliefde, om uit die smart geen Godsvreugde, maar prikkelend genot te trekken, is décadence, ontaarding, verwaarloozing van T2, den Kruisweg der Liefde.

Maar ook in de zuiverste, hoogste bloei der menschheid, als alles op aarde tot vreede en eendracht en orde is ge­worden, is het Kruis noodwendig en niet te ontwijken. Sterven blijft altijd vreesselijk en somber, zoowel voor de soort als voor den enkeling.

Ouderdom en Dood vormen het Kruis, dat alleen door Jezus' zending en zijn voorbeeld te dragen is, en tot eeuwige zaligheid in den Vader zal leiden.

Er is door Jezus gezegd, dat de Heilige Geest ons zal verlichten.

Maar aan ons staat het om den invloed van den Heiligen Geest te onderscheiden van valsche inblazingen en bedrog.

Aan ons, aan den goddelijken Arbiter in ons, is het oovergelaten het heilige van het onheilige te onderscheiden.

Zoolang wij leeven als beperkte schepselen, moeten wij op dien Arbiter vertrouwen. Wij hebben niet anders om ons te zeggen, wat waarheid is en wat loogen.

Maar ook de Kerk heeft geen ander licht. Ook Pausen en Prelaten moeten ten slotte toch weer op dat licht ver­trouwen om te beslissen wat heilig en onheilig is.

Mooge die Heilige Geest ons vóórlichten. Amen!



[1] Kleine Johannes III pag. 135.

 

[2] Godshuis in de Lichtstad. Boekje van FvE

 



[1] A Study of Dreams. Proceedings S. P. R. Part LXVII Vol. XXVI.

 

 



[1] Uit Schijn en Weezen

[2] Het Roode Lampje, deel I

[3] Schijn en Weezen. Eerste Boek, tweede zang.

 

[4] Ook Henri Bergson niet.

 

[5] Men leeze ook het tweede hoofdstuk van Johannes Viator.

 

[6] Ik meen, dat alleen A. R. Wallace - die toch een vrije en schrandere geest was - deeze geocentrische waereld-beschouwing heeft volgehouden, ondanks zijn geheel los staan van alle dogmatiek.

 

[7] Toneelstuk van FvE

[8] Alles begrijpen is alles vergeven. Ik vrees God niet wanneer Hij alles weet

[9] Het lied van schijn en weezen – dichtwerk van FvE

[10] Dante en Beatrice XIII.

[11] Jezus' Leer en Verborgen Leeven. W. Versluys. – Werkje van FvE naar aanleiding van spiritistische bijeenkomsten na de dood van Paul

 

[12] Boek der Wijsheid, hoofdstuk 8 vs. 30.

 

 

 

 

Deel I

  Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  
**********

Stem Spirituele Vrienden in de
Top 100 NL



**********
Tellers

 

 LetsStat website statistieken