Gnosticisme en Rozekruis - Historische gegevens

 

Onderstaande teksten op deze pagina zijn afkomstig uit: Tussen Schemering en Dageraad - Gids van de Niet-Zintuiglijk Waarneembare Werkelijkheid - J.P.Klautz

01. Gnosticisme - 02. Rozekruisers, hun geschiedenis - 03. Rozekruisers, hun leer


Uit het boek van Max Heindel ( begin 20ste eeuw ) 'De Wijsbegeerte der Rozekruisers', plaats ik enkele 'vragen en antwoorden' die, mijns inziens, nog steeds actueel zijn. De spelling heb ik aangepast.

01. verschil tussen orthodoxe kerk en rozekruis - 02. hebben wij al dan niet een 'Meester' nodig? - 03. gelovigen en ongelovigen -

GEBED VAN EEN ROZEKRUISER

Eeuwige en enige Bron van Liefde. Wijsheid en Geluk; de Natuur is het boek, waarin uw Wezen is geschreven, en niemand kan het lezen, tenzij hij het in Uw school geleerd heeft. Gij alleen zijt de Heer, want Uw Wil is de bron van alle krachten in het Heelal; niemand kan aan U ontkomen. Gij Zijt de helper van de armen, de bescheidenen en de deugdzamen. Gij zijt de Koning van de wereld. Uw woning is in de Hemel en in het heiligdom van het hart van de deugdzame. Enige God. Eén Leven. Eén Licht. Eén Kracht, gij Alles in Allen, ons uitdrukkingsvermogen en voorstellingsvermogen te boven gaand! O Natuur! Gij iets uit niets, gij symbool der Wijsheid! In mijzelf ben ik niets, in U ben ik die ik ben. Ik leef in U, ik die uit niets gemaakt ben; dat gij in mij leve en dat gij mij uit het gebied van mijzelf moge brengen in het eeuwige Licht. Amen.

Gnosticisme[1]

 

 

De grot

PLATO beschrijft in het zevende boek van Politeia (de Staat) een onder­grondse grotwoning welke haar opening gericht heeft op het licht. De bewo­ners van deze grot zijn aan benen en hoofd verzegeld, zodat zij niet van hun plaats kunnen komen en zij gedwongen zijn steeds vooruit te kijken.

Achter hen bevindt zich een lage muur, waarachter zich mensen bewegen die allerlei voorwerpen dragen, welke juist boven de muur uitsteken. Som­mige van deze mensen spreken, andere zwijgen. De grotbewoners zijn niet in staat iets anders waar te nemen dan de schaduwen welke het licht achter hen, zowel van de bewegende voorwerpen als een gedeelte van de mensen die deze dragen, op de tegenover hen liggende rotswand werpt. In de grote grot schalt een echo, welke de bewoners doet denken dat het de voorbij­gaande schaduwen zijn welke spreken. Daar de grotbewoners nimmer an­ders gezien hebben, aanvaarden zij de door hen waargenomen schaduwen als de werkelijkheid, waaruit zij hun wijsheid putten.

 

De twee delen der Werkelijkheid

Het wil mij voorkomen, dat het de moeite waard is om te overwegen of wij in soortgelijke omstandigheden verkeren als deze grotbewoners. Mogelijk wordt de werkelijkheid waaruit wij onze wijsheid putten, veroorzaakt door schaduwen. In zo'n geval vormt deze wijsheid schaduwwijsheid, welke slechts betrekking heeft op het leven binnen de grot. De Werkelijkheid ken­nen wij dan niet. Want zij is, ten aanzien van ons begripvermogen, gesplitst in twee Delen, namelijk in het Deel buiten de grot, dat ons geheel onbekend is en het Deel binnen de grot, waarvan wij kennis dragen. Dit laatste deel is geheel van het eerste afhankelijk.

 

De betekenis van esoterische wijsbegeerte

De Grieken bezigden de term esoteros om aan te duiden dat er achter een begrip steeds een ander schuilt; het tweede draagt het eerste en verleent er diepere betekenis aan; het tweede is "achter/binnen": esoteros, het eerste. Wanneer wij spreken van esoterische wijsbegeerte zal het duidelijk zijn, dat wij daarmede de begeerte tot wijsheid willen aanduiden welke zich tot doel stelt zoveel mogelijk gegevens te verzamelen omtrent de samenhang tussen het Deel der Werkelijkheid dat wij niet kennen en de invloed daarvan op het leven in het Deel (de grot), waarvan wij wel kennis kunnen dragen. Alle esoterische wijsgerige literatuur stelt vast, dat er sprake is van een tweede­ling van Werkelijkheid ten aanzien van het bewustzijnsvermogen waarover wij beschikken. De deling, welke de dood veroorzaakt in het bestaan van de grotbewoner, vormt daar een schaduw van.

 

De mogelijkheid tot Bevrijding

De vraag dringt zich op: op welke wijze kunnen wij bevrijd worden uit de ketenen welke ons hoofd en onze benen verzegelen? Waaruit bestaat de ver­zegeling; hoe kwam zij tot stand?

VALENTINUS, de grote gnosticus uit het begin van onze jaartelling, heeft zoals CLEMENS VAN ALEXANDRIË vermeldt in zijn Stromata gezegd:

"Wat u vrij zal maken is de kennis van degeen gij waart en van degeen gij geworden zijt, van datgene waarheen gij u spoedt en van datgene waarvan gij verlost dient te worden; de kennis van geboorte en van wedergeboorte".

 

Wanneer wij redenen aanwezig achten om deze uitspraken te aanvaarden als basis, waarop wij willen bouwen en wanneer wij aanvaarden dat wij be­horen tot de grotbewoners die aan hoofd en benen verzegeld zijn, reden waarom wij slechts de op de rotswand geprojecteerde schaduwen der Wer­kelijkheid kunnen waarnemen, kunnen wij tot enige conclusies komen.

  • Ten eerste: Bevrijding kan niet tot stand komen voordat de verzegeling aan hoofd en benen verbroken is.
  • Ten tweede: veranderingen binnen de grot, tot welke perfectie deze de grot­samenleving ook vermogen te brengen, zullen nimmer leiden tot Bevrijding.
  • Ten derde: het juiste inzicht in de aard van de grot, de aard van de schadu­wen en de aard van haar bewoners kan slechts verkregen worden met hulp van buiten de grot, welke de Werkelijkheid door middel van symbool, para bel, allegorie en paradox vertaalt in de schaduwtaal, welke door de grotbe­woners kan worden verstaan.
  • Ten vierde: men verwachte niet dat men, met behoud van het leven dat men in de grot deelachtig is, het Leven der Ongedeelde Werkelijkheid zal kunnen verwerven. De Bevrijding uit de grot vormt het resultaat van het langdurig proces der Transfiguratie, dat zich langzaam zal voltrekken en dat niet ge­richt is op enig voordeel van enig individu doch op de totaliteit van de Mensheid.

 

Gnosis

De Kennis, waarop Valentinus doelt, wordt gevormd door Gnosis. In de loop der tijden zijn wij de Sleutel, welke deze kennis kan ontsluiten, kwijtge­raakt; wij dienen alles in het werk te stellen om haar terug te vinden. Gnosis is te omschrijven als: de Kennis welke voortvloeit uit de geestelijke waarne­ming in de aard en in het wezen van de Werkelijkheid, onder de voorwaarde dat deze waarneming leidt tot het vormen van besef dat doordringt tot het bestaan, tot de waarheid, tot de billijkheid en juistheid van deze Werkelijk­heid. De sleutel tot Gnosis wordt van buiten de grot gereikt door Paralklei­tos, in het Nederlands vertaald met: Trooster, Bemoediger.

"... Die zal u alles leeren en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb." (Ioan. XIV. 26.)
LAO TSEU, de grote Chinese gnosticus, noemt Gnosis zelf: ‘Tao'.

"Een weg, welke gebaand kan worden, is niet de eeuwige weg; Tao, een naam welke uitgesproken kan worden, is niet de eeuwige Naam”. (Tao Tei King I.)

Wanneer de sleutel tot Gnosis de poort opent waarachter zich harde en hoogst onaangename feiten openbaren, mag dit geen reden zijn haar bij te vijlen teneinde haar aan te passen aan het slot van de poort, waarachter geheimenissen inzake het leven binnen de grot verborgen liggen. Zulks een Sleutel vervalsing heeft steeds plaatsgevonden. Reeds twintig eeuwen gele­den werd geschreven:

"Wee u, gij Wetgeleerden, want gij hebt de sleutel der kennis weggenomen... " (Luk. XI. 52)

 

Absconditus en occultus

Wanneer wij de verloren Sleutel trachten terug te vinden, dienen wij ons voor ogen te houden, dat er een groot verschil bestaat tussen het verborgene, dat niet geheim gehouden wordt, doch dat zich aan het oog onttrekt door zijn diepzinnigheid en het verborgene dat zijn schuilplaats vindt in het ge­heim, waarvan men al dan niet deelgenoot gemaakt kan worden. De eerste vorm van het verborgene zal zich slechts openbaren aan de gedachtegang welke het Licht der Ongedeelde Werkelijkheid zoekt, de tweede vorm wordt ontsluierd door inwijding in het geheimgehoudene. Het eerste begrip wordt in het Latijn weergegeven met de term absconditus, het tweede met de term occultus.

Wetenschappen en kunsten als astrologie, magie, tovenarij, exorcisme, waarzeggerij, bezweringskunst en dergelijke worden meestal samengevat onder de verzamelnaam: occultisme. De onverantwoordelijke wijze waarop deze grotendeels verloren gegane wetenschappen en kunsten maar al te vaak worden bestudeerd en toegepast hebben het occultisme de twijfelach­tige naam bezorgd welke het in wezen niet verdient.

De Sleutel der Kennis zal men echter niet in occultus, doch in absconditus vinden: de bron van de diepzinnige werkelijkheid, waaruit de wondere wer­ken van deze wereld spruiten. Op zijn weg zal men deze wondere werken ontmoeten, doch men zoekt hen niet en men zal slechts gebruik van hun diensten maken, indien zij een licht op het te volgen pad werpen, hetgeen maar zelden het geval zal blijken te zijn.

Zoekt men occultus, dan zoekt men deze wondere werken zelf om er zijn voordeel mee te doen. Kennis omtrent de bron waaruit zij opwellen, zoekt men niet, reden waarom men haar niet zal vinden, ook al staat men aan haar oever. Welke belangrijke voordelen een geslaagd zoeker van occultus ook mag genieten, de hem geopenbaarde geheimen zullen hem de weg naar de Vrijheid der Ongedeelde Werkelijkheid niet wijzen; zij zullen de weg des Heeren niet recht maken (Ioan. I. 23.), want de Sleutel der Kennis wortelt niet in occultus, doch in absconditus. LAO TSEU zegt daarover:

"Het enige middel om het Keizerrijk te ontvangen is niets te doen om het te verwerven. Steeds wanneer men een handeling verricht om er binnen te treden, kan men het Keizerrijk niet bereiken."

(Tao Tei King XLVIII. 2.)

 

Geschriften der diepzinnigheid

Hoe nu met absconditus, het geheimenis verborgen in diepzinnigheid, geconfronteerd te worden? Want daar komt het in de praktijk op neer.

Welnu, er bestaan vele geschriften welke de onuitputtelijke diepzinnigheid in zich dragen; steeds wanneer men meent één van hun schatten gevonden te hebben, ontdekt men onder de gevonden waarheid een andere, welke het inzicht dat uit de eerste verworven werd opnieuw verdiept of welke de on­juistheid van een aangenomen begrip aantoont en corrigeert. De aange­boorde bron blijkt bodemloos te zijn. Zulke geschriften treffen wij aan in het Sanskriet, het Chinees, het Egyptisch, het Hebreeuws en in talrijke andere talen. Zij hebben alle gemeen dat zij dezelfde absconditistische boodschap brengen, zij het meestal in geheel andere uiterlijke vorm. Dit vormt geen bezwaar, doch een voordeel; het voorkomt dat wij het gewaad aan zullen zien voor het lichaam."

Tot zover J.A. Fontein.

 

Vele auteurs delen ons mede dat er lang voor de komst van Christus op aar­de mensen waren, die door een religieuze ervaring "kennis" hadden verwor­ven, kennis in de betekenis van besef, inzicht. Deze kennis noemden de Grieken GNOSIS en in het Nabije Oosten stonden velen van hen die streef­den naar die geheime kennis open voor de woorden van JEZUS CHRISTUS. In Zijn Evangelie vonden zij veel terug van hetgeen zij zelf meenden door erva­ring te weten en er ontstonden christelijk-gnostische kerken. Tegelijk ont­stond door de prediking van de Apostelen, vooral door Paulus, een andere kerk, die wij gemakshalve de orthodoxe kerk noemen. Haar gelovigen ac­cepteren de canon van het Nieuwe Testament, zij erkennen de apostolische geloofsbelijdenis en zij houden zich aan een bepaalde vorm van kerkelijk gezag. Daaruit ontstond de Universele of Katholieke Kerk.

De gnostici gingen hun eigen weg.

"Al wie zijn eigen aard, zijn menselijke natuur leert ervaren als de bron van alle dingen, de oerwerkelijkheid, zal verlichting ontvangen. De gnosticus, die een besef had van het wezenlijke Zelf, het goddelijke binnen in hem, lachte het uit van vreugde, omdat hij was bevrijd van de dwingende machten van buiten en verheerlijkte zijn identiteit met het goddelijk Wezen."[2]

Hoewel, zoals de grote Britse geleerde ARTHUR DARBY NOCK heeft opge­merkt, het gnostische niet inhoudt dat men zich terugtrekt uit de maat­schappij, maar wel de mens dwingt zich te concentreren op het innerlijk welzijn, volgde de gnosticus in wezen de weg van een eenling. Volgens het Evangelie van Thomas prees Jezus deze eenzaamheid: "Gezegend zijn de een­zamen en de uitverkorenen, want jullie zullen het Koninkrijk vinden. Want jul­lie komen er vandaan en jullie zullen ernaar terugkeren".

Deze eenzaamheid van de gnosticus ontstaat door de nadruk die hij legt op het hoogste belang van de onmiddellijke ervaring. Niemand kan een ander vertellen welke weg hij moet volgen, wat hij moet doen, hoe hij dient te han­delen... Wie zich verlaat op getuigenissen uit de tweede hand, zelfs de getui­genissen van de Apostelen en de Schriften, zou dezelfde berisping verdienen die Jezus zijn discipelen gaf, toen zij in gesprek met Hem de profeten aan­haalden: "Jullie hebben de levende, die bij jullie is, veronachtzaamd en slechts over de doden gesproken".

Vergeleken met rechtstreekse ervaring valt al het andere in het niet. Sommi­gen verwierpen alle handelingen die te maken hadden met seksualiteit of met geld. Anderen huwden wel en werkten in een gewone betrekking, maar beschouwden dit, evenals godvruchtige boeddhisten, van secondair belang vergeleken met de eenzame innerlijke weg van de GNOSIS. Vele gnostici be­weerden dat onwetendheid en niet zonde iemand in een smartelijke situatie brengt. De gnostische beweging vertoonde enige. verwantschap met heden­daagse methoden om het zelf door middel van psychotherapeutische tech­nieken te onderzoeken. Al wie onwetend blijft, een "schepsel der vergetel­heid", kan geen vervolmaking ervaren. Uit het EVANGELIE DER WAARHEID:

"Als iemand kennis heeft, ontvangt hij wat hem toekomt en hij trekt het tot zich... Al wie deze kennis zal verkrijgen, weet waar hij vandaan komt en waar­heen hij gaat."

Het GETUIGENIS DER WAARHEID zegt dat de gnosticus een leerling van zijn eigen geest wordt... Hij leert wat hij moet weten op eigen kracht in de stilte van de meditatie. Hij beschouwt zich dus gelijk aan wie dan ook en hand­haaft zijn eigen onafhankelijkheid, van wiens gezag dan ook.

"Behoud veel vrienden, maar geen raadgevers... Maar als je je een vriend maakt, vertrouw hem jezelf niet toe. Geef je over aan de Goden alleen, als vader en als vriend."

De gnostici hielden zich vooral bezig met de dieper liggende betekenis van gebeurtenissen. Ook hier weken zij af van de orthodoxe traditie, waarin werd beweerd dat het menselijk lot afhangt van de gebeurtenissen der heils­geschiedenis.

De overtuiging dat wie de menselijke ervaring onderzoekt tegelijk bezig is de goddelijke werkelijkheid te ontdekken, is een van de elementen die ma­ken dat het gnosticisme een afzonderlijke religieuze beweging voorstelt. Uit het boek van Elaine Pagels waaraan wij het bovenstaande ontleenden, wordt wel duidelijk dat de gnosticus zichzelf zag als "één uit duizend, twee uit tienduizend"; een zuiver elitair gezichtspunt, terwijl de orthodoxe chris­tenen zich een lid van de algemene mensenfamilie en van een Universele Kerk voelden.

ORIGINES, de briljantste theoloog van de derde eeuw, bracht de orthodoxe visie onder woorden toen hij verklaarde, dat God nooit een heilsweg gebo­den zou hebben die slechts toegankelijk was voor een intellectuele of spiri­tuele elite. Wat de Kerk leert, zo gaf hij toe, moet eenvoudig zijn, eenslui­dend en toegankelijk voor iedereen. Zoals in hedendaagse artistieke kringen beschouwden de gnostici oorspronkelijke creatieve fantasie als het ken­merk van iemand die spiritueel tot leven komt. Ieder zag ernaar uit, evenals de leerlingen van een schilder of schrijver, zijn eigen waarnemingen tot uit­drukking te brengen door wat hem geleerd was te transformeren en om te werken. Wie louter de woorden van zijn leraar herhaalde, werd als onrijp beschouwd. De gnostici erkenden dat het nastreven van gnosis iedereen wikkelt in een eenzaam, moeilijk proces, waarin men strijdt tegen een inner­lijke weerstand. Volgens het EVANGELIE VAN THOMAS:

"Verkrijg inzicht in hetgeen zich voor je ogen bevindt, en dat wat verborgen is zal aan je geopenbaard worden".

Wij zien dus in de eerste eeuw na Christus een rijk religieus leven, een harts­tochtelijk zoeken naar kennis van de waarheid en van God. Dat zoeken treft men vooral aan bij vele ontwikkelden en erudieten, bij mensen met een creatieve geest, een zin voor spiritualiteit en een afwijzen van geloven op gezag van andere mensen.

Niettemin heeft de orthodoxe kerk de strijd met deze elite gewonnen en haar, als bestaande uit ketters, tot in de dood vervolgd. ELAINE PAGELS zegt over de orthodoxe kerk in De gnostische Evangeliën:

 

"De orthodoxe leiders die dergelijke elementaire gedachten verwierpen, probeerden in plaats daarvan een UNIVERSELE kerk op te bouwen. Zij had­den de wens dat die kerk open was voor iedereen, en zij verwelkomden men­sen van alle sociale klassen, van alle rassen, van elke culturele afkomst, ont­wikkeld of ongeletterd, dat wil zeggen iedereen die zich maar in wilde pas­sen in hun organisatiesysteem. De bisschoppen legden de grens daar, waar ook maar één van de drie elementen van dit systeem werd aangevochten: leer, rite en hiërarchie der geestelijkheid.

De gnostici deden een aanval op alle drie. Alleen door het gnosticisme te bedwingen, vestigden de orthodoxe leiders de organisatie die alle gelovigen in één enkele institutionele structuur verenigde. De gelovige hoorde de kerkleiders voortdurend waarschuwen tegen zonden die men in de meeste praktische dingen van het leven kon begaan: bedrog in zaken, liegen tegen­over de echtgenoot of echtgenote, het tiranniseren van kinderen of slaven, het veronachtzamen van de armen. Zelfs de heidense critici van de christe­nen merkten op, dat zij op de behoeftigen aantrekkingskracht uitoefenden, omdat zij twee van hun grote angsten verlichtten: de christenen verschaften de armen voedsel en begroeven de doden".

 

"... er ontstonden conflicten in de ontwikkeling van het christendom tussen de rusteloze zoekers die een eenzame weg van zelfontdekking voor zich uit­stippelden en de institutionele structuur die de grote meerderheid der gelo­vigen een godsdienstige bevestiging van en ethische aanwijzingen voor hun dagelijks leven gaf. Het orthodoxe christendom, dat voor eigen doeleinden het Romeinse politieke en militaire organisatiemodel overnamen dat in de vierde eeuw de steun van de keizer verwierf, geraakte in een steeds stabieler en duurzamer situatie. Het gnostische christendom bleek geen partij te zijn voor het orthodoxe geloof, noch in de grote aantrekkingskracht die de or­thodoxie op het volk uitoefende... noch in de effectieve organisatie van de orthodoxie. Beide hebben het voortbestaan van de orthodoxie door de tij­den heen zeker gesteld. Maar de wijze waarop de orthodoxie de gevestigde macht werd, sloot elk alternatief uit".

 

"... de godsdienstige opvattingen en methoden van het gnosticisme waren niet geschikt voor een grote godsdienstige beweging. In dit opzicht was het gnosticisme niet opgewassen tegen de effectieve organisatie van de katho­lieke kerk, welke een tot eenheid gesmede religieuze visie tot uitdrukking bracht, die gebaseerd was op de canon van het Nieuwe Testament, een belij­denis bood die van de ingewijde slechts eiste dat deze de eenvoudigste we­zenlijke punten van het geloof beleed en zich bij de vieringen aan riten hield, die zo eenvoudig en zo diep waren als de doop en de eucharistieviering. Het­zelfde fundamentele kader - als het gaat om leer, rite en organisatie - vormt de ruggegraat van bijna alle hedendaagse christelijke kerken, of dat nu de rooms-katholieke kerk is, de orthodoxe of de protestantse. Men kan zich nauwelijks voorstellen hoe het christelijk geloof zonder deze elementen had kunnen blijven bestaan, twintig eeuwen lang, en zoveel miljoen aanhangers over de hele wereld aan zich had kunnen binden. Want ideeën alleen maken een religie niet sterk, hoewel deze zonder ideeën geen kans van slagen heeft; even belangrijk zijn sociale en politieke structuren die de mensen in een gemeenschappelijk band verenigen en als leden van één groep identificeren. Door het onderzoek van de teksten van Nag Hammadi, samen met de bron­nen die al veel langer dan duizend jaar uit de orthodoxe overlevering bekend zijn, zijn we in staat te zien hoe politiek en religie samenwerken in de ont­wikkeling van het christendom. We kunnen bijvoorbeeld zicht krijgen op de politieke implicaties van zulke orthodoxe leerstellingen als de opstanding van het lichaam en hoe de gnostische opvattingen over de opstanding tegen­gestelde implicaties inhouden. Onderwijl is het ons mogelijk tot een nieuwe visie op de oorsprongen van het christendom te komen."

Tot zover Elaine Pagels.

 

De geschiedenis van de gnostici, waarmee wij door de vondsten van Nag Hammadi geconfronteerd worden, leert ons nog eens overduidelijk dat de stelling als zouden alle mensen gelijk zijn, volledig onjuist en verwerpelijk is. Er hebben altijd mensen geleefd met een aangeboren zin voor spiritualiteit, de solitairen of éénlingen, en mensen met een aangeboren behoefte om op te gaan in de massa. De verschillen in geaardheid waren aangeboren en niet door de maatschappij gevormd.

De massa heeft de solitairen altijd vervolgd, uitgeworpen of gedood. Toen in de loop der eeuwen de religie aan overtuigingskracht verloor en de poli­tiek in haar plaats geschoven werd, zag men dezelfde menselijke verschillen weer duidelijk naar voren komen: onverdraagzaamheid bij de massa, ver­volging van de andersdenkenden.



[1] LITERATUUR:

DR. ERICH BISCHOFF: Het Rijk van de Gnosis, W.N. Schors, Amsterdam 1980

JEAN DORESSE: The Secret Books of the Egyptian Gnostics, The Viking Press, New York 1970

HANS JONAS: Het Gnosticisme, Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen 1969

MARTIN KRAUSE (ed.): Gnosis and Gnosticism, EJ. Brill, Leiden 1977

The Origins of Gnosticism, Colloquium of Messina, E.J. Brill, Leiden 1970

ELAINE PAGELS: De Gnostische Evangeliën. Gaade, Amerongen 1980

PROF. DR. G. QUISPEL: Het Evangelie van Thomas in de Nederlanden, Elsevier, Amsterdam/ Brussel 1971

 

[2] Elaine Pagels, de Gnostische Evangeliën.

 


De goddelijke wijsheid, Sofia, de Heilige Geest, als vrouwen moeder. Een uiting van de anima die in de ziel van de mens als een eeuwig beeld leeft.

 

Rozekruisers

 

HUN GESCHIEDENIS

 

Voor wie een antwoord zoekt op de vraag: "Wat waren en zijn Rozekrui­sers?" staat een onafzienbare rij boeken ter beschikking. Bij nader inzien blijken bijna al die boeken gebaseerd te zijn op een klein aantal oergeschrif­ten en de bestudering daarvan roept zoveel vragen op, laat zoveel geheimen onopgelost, dat hij met dr. FAUST kan zeggen:

Da steh' ich nun, ich armer Tor!

Und bin so klug als wie zuvor.

 

Wij willen trachten in dit hoofdstuk voor de lezer uiteen te zetten wat de op dit ogenblik voor de belangstellende leek beschikbare gegevens ons over de geschiedenis der Rozekruisers leren. Tevens zullen wij nader ingaan op de symboliek en de essentie der leer. Wat was een Rozekruiser?

 

Wij kozen drie auteurs onder velen, die getracht hebben dit uit te leggen. De eerste is GUSTAVE NAUDÉ, bibliothecaris van koning LODEWIJK XIII en de beschermeling van RICHELIEU. Hij zegt o.a.:

"De broeders van het Rozen-Kruis hebben op zich genomen de geneeskunst zonder enige beloning uit te oefenen en eenmaal per jaar hun geheime ver­gadering bij te wonen. Zij beweren dat de leer van hun meester de volmaaktste is die men zich kan voorstellen. Zij zijn vroom en bezitten de hoogste wijsheid. Zij kennen nooit honger of dorst en zijn nimmer ziek. Zij geven bevelen aan de machtigste geesten en demonen. Zij kunnen door hun mu­ziek en gezangen de kostbaarste parels en edelstenen doen ontstaan. Zij hebben een geheel eigen terminologie om de aard van alle dingen uit te drukken. Zij geloven dat de Paus de antichrist is..."

 

De tweede auteur is HARGRAVE JENNINGS. Hij leefde anderhalve eeuw na GUSTAVE NAUDÉ en schreef in zijn "The Rosicrucians, their rites and myste­ries" (1870):

"Hoewel over hun bestaan historisch niets met zekerheid vaststaat, is hun roem zo groot dat men slechts sympathie en bewondering voor hen heeft. Zij spreken over de mensheid alsof zij daar oneindig boven verheven zij n, zij zijn uitermate gereserveerd, hoewel zij zeer bescheiden leven. Zij geven de voorkeur aan de armoede en zeggen, dat deze voor hen noodzakelijk is hoe­wel zij over enorme rijkdommen kunnen beschikken. Zij wijzen de genegen­heid van andere mensen af. Zij gedragen zich hoffelijk tegenover vrouwen, hoewel zij niet tot enige tederheid in staat zijn en vrouwen als niet gelijk­waardig beschouwen. Zij zijn eenvoudig en het uiterlijk bestaan laat hen onverschillig, maar hun zelfvertrouwen dat hun hart doet zwellen, straalt steeds van hen uit.

Het zijn de meest serieuze mensen ter wereld, maar vergeleken met hun on­doordringbaarheid is graniet zacht te noemen. Bij hen vergeleken zijn vor­sten arm, geleerden dom. Zij doen nooit iets om roem te verwerven, want die verachten zij. Als zij toch bekend worden, is dat ondanks hen zelf. Zij stre­ven evenmin naar eer, want op geen enkele menselijke glorie stellen zij prijs. Hun grote wens is zich incognito in de wereld te bewegen; daarom keren zij zich van de wereldse mensheid af en wenden zich tot alle andere dingen. Met welke maatstaf kunnen zij gemeten worden? Daar men noch hun ziel noch hun doel kent, zeggen sommigen dat die onbeduidend zijn. Niettemin schrijven zij schitterende verhandelingen over alle mogelijke onderwerpen: over metalen, geneeskunst, het eigendomsrecht der eenvoudigen, over de godgeleerdheid en over het bestaan. Op al die gebieden verwijden zij de intellectuele horizon tot in het oneindige..."

 

EDWARD-GEORGE, Eerste Baronet van Bulwer-Lytton (1803-1873) is onze derde auteur. Zijn esoterische kennis bracht hij aan het licht via een perso­nage Zanoni, uit het gelijknamige werk. Hij stelt Zanoni als volgt voor:

"Behoorde Zanoni tot dat mystieke genootschap, de Rozekruisers, dat er zich vroeger op beroemde geheimen te bezitten waarvan de Steen der Wij­zen het minste was en dat zich beschouwde als de erfgename van alle lerin­gen van de Chaldeeërs, van de magiërs, de Indiase wijsgeren, en de pythago­reeërs? Maakte hij deel uit van die occulte sekte die van alle andere sekten verschilde door de beoefening van de deugd, de zuiverheid van zijn leer en de dubbele grondslag die onmisbaar is voor het bereiken van alle wijsheid: het beheersen van zijn zinnen en het geloof?"

 

Driemaal in de openbaarheid

De drie hierboven weergegeven meningen komen in grote lijnen overeen. Zijn zij juist? Waren de Rozekruisers bijna bovenmenselijke wezens, begif­tigd met evenveel kennis als deugdzaamheid? Hebben zij een grote invloed gehad op de evolutie van de mensen en hun denkbeelden? Waar kregen zij hun wijsheid vandaan? Wordt de draad van de authentieke inwijding nog tot in onze tijd gevolgd? En tenslotte... hebben de Rozekruisers zoals zij hierboven beschreven zijn werkelijk bestaan? In de bloedige en veelbewo­gen geschiedenis van ons Europa zijn de Rozekruisers driemaal uit hun ver­borgenheid in de openbaarheid getreden, vlak voor drie kritieke perioden van grote veranderingen en onmenselijk lijden.

 

  • De eerste maal in Duitsland voor en tijdens de Dertigjarige Oorlog, die van een onvoorstelbare wreed­heid is geweest, dus eind zestiende en begin zeventiende eeuw.
  • De tweede maal in Frankrijk vóór de Revolutie die ontzaglijke beroeringen in de westelijke wereld teweeg bracht.
  • De derde maal vóór de aanvang van de twintigste eeuw, waarin de Russische Revolutie en de Eerste en Tweede Wereldoorlog een leed veroorzaakten dat niet te peilen is.

 

Duitsland omstreeks 1600

Terwijl de Republiek der Verenigde Nederlanden met succes haar strijd te­gen Spanje en voor het Protestantisme, in 1568 begonnen, voortzette, viel Midden-Europa ten prooi aan een verschrikkelijke godsdienststrijd. Na de slag bij Nördingen (Nederbeieren) in 1634 werd deze welvarende streek, waar een half miljoen mensen woonde, zo grondig geplunderd door de troe­pen van Wallenstein die massaslachtingen aanrichtten, dat er enige jaren later nog maar 34.000 mensen over waren. Het lijden der bevolking was on­beschrijflijk.

Vlak vóór het uitbreken van de Dertigjarige Oorlog in 1618, verschenen er twee merkwaardige geschriften, de Fama en de Confessio, die herhaalde ma­len werden uitgegeven, becommentarieerd, vertaald, aangevallen en verde­digd, en in elk geval met de grootste belangstelling werden gelezen. De offi­ciële titels luidden: Fama Fraternitatis R.C., Das ist Gerücht der Brüder­schafft des Hochlöblichen Ordens R.C. (Duitse tekst, Kassei 1614) en Confes­sio Fraternitatis R.C. (Latijnse tekst, Kassel 1615). Het werk waarin de Fama was opgenomen droeg als titel: Universele en algemene hervorming van de hele wijde wereld (Allgemeine und General Reformation, der gantzen weiten Welt).

Tenslotte werd in Straatsburg in 1616 een hoogst belangrijk boek gepubli­ceerd: Chymische Hochzeit Christiani Rosencreutz Anno 1459. Hoewel de schrijver anoniem blijft, zijn de meeste critici het er wel over eens dat de auteur JOHANN VALENTIN ANDREAE was, zoals deze ook zelf in zijn autobio­grafie heeft toegegeven, en velen beschouwen hem ook als medeauteur van de Fama en de Confessio.

De Chemische Bruiloft is niet te verklaren. Het werk is volkomen te vergelij­ken met een schilderij van een schilder van het Fantastisch Realisme. Het deelt niet iets mede, maar het maakt iets wakker.

 

Volgens de terminologie van JUNG roept het fundamentele archetypen op van zowel het individuele als het collectieve onderbewuste. Het staat wel vast dat de Rozekruisers met hun geschriften, hun onderwijs en hun voor­beeld beantwoordden aan een onbewust, diep geworteld spiritueel verlan­gen bij de geestelijke elite in verschillende perioden van onze geschiedenis. Dat was in de allereerste plaats te danken aan het feit, dat zij zorgvuldig vermeden zich te mengen in de theologische controversen en spitsvondighe­den, die steeds in de christelijke kerken geheerst hebben. Zij keerden zich resoluut af van iedere woordenstrijd. Zeker in de zeventiende eeuw contrasteerde de geheimzinnigheid van hun persoon en hun genootschap, hun zui­verheid, hun ruime blik scherp met de bekrompen disputen van protestant­se en katholieke geestelijken. (Hoeveel engelen er bijvoorbeeld op de punt van een naald konden plaatsnemen.) Zij putten uit de Heilige Schrift de onderwerpen en symbolen voor individuele bezinning en meditatie.

"Wij getuigen openlijk met Christus, onze Verlosser, dat eerder de steenen zul­len opstaan en hunne diensten zullen aanbieden, dan dat het den Goddelijken Raad aan uitvoerders van Zijn Wil zal ontbreken."

(Confessio Fraternitatis.)

 

Zij bevalen bovenal de studie van het Liber Mundi aan, dat wil zeggen de natuur. Hier komt de band met de alchemisten voor den dag. In hun teksten en symbolen blijkt ook een psycho-theologie, die sterk verwant is aan die van Italiaanse denkers en dichters uit de vijftiende eeuw, waarvan De God­delijke Comedie van DANTE de zuiverste expressie was. Men dient de funda­mentele teksten van de Rozekruisers te benaderen met het volgende uit­gangspunt:

"In ieder mens sluimert een latente magische kracht, die door de zonde in­geslapen is. Zij kan echter uit haar slaap gewekt worden door de genade van God of door de koninklijke kunst (de alchemie). Wanneer wij erin slagen ons af te sluiten van alle invloeden van buitenaf en ons laten leiden door het innerlijk licht, zullen wij in onszelf de zuivere en heilige kennis vinden."

Dat innerlijke licht is de sleutel tot de leer der Rozekruisers en hun symbo­len. De redding van de mens komt niet van buitenaf, maar kan alleen van binnenuit komen door eigen geestelijk streven, niet door de praktische beoefeningen van rituelen en de deelnemingen aan liturgieën der kerken, maar wel door de religie van het hart en het mystieke vuur.

 

De naamgever

De meest voorkomende lezing is de volgende: In 1378 werd aan de oever van de Rijn ui t edele, doch arme ouders CHRISTIAN ROZENKREUZ (of Rosen­creutz) geboren, die van zijn zesde jaar af opgroeit in een klooster waar hij Grieks en Latijn leert en hem de beginselen der magie worden bijgebracht. Als hij 16 jaar is onderneemt hij een bedevaart naar het Heilige Land. Zijn metgezel sterft op Cyprus. Christian gaat alleen verder, maar in Damascus wordt hij ziek. Hij leert daar de geheime leer der Wijzen kennen. Deze gene­zen hem en vertrouwen hem vele inwijdingsgeheimen toe. Hij blijft driejaar in hun "Filosofische Stad".

Tenslotte reist Christian over Libanon, Syrië en Marokko naar Fez, waar hij ingewijd wordt in de allerhoogste kennis en wijsheid. Voortaan zal hij "Va­der" genoemd worden. Hij krijgt de opdracht aan de christenheid de wijs­heid mee te delen die hij verworven heeft en een geheim genootschap op te richten dat "naar behoefte beschikken kan over goud en edelstenen en dat lering zal geven aan vorsten.

Op een afgelegen plaats trekt hij zich vijf jaar in eenzaamheid terug. Na deze beproeving kiest hij drie getrouwe medebroeders, G.V., LA. en I.O. Onder zijn leiding stellen die een aantal fundamentele geschriften samen. Zij bou­wen de nieuwe Tempel van de Heilige Geest, genezen zieken en troosten de wanhopigen. Zevenjaar later neemt de Vader nog meer leerlingen in de Hei­lige Wetenschap aan en sticht aldus "de Broederschap". Om toegelaten te worden, dient men vrijgezel te zijn en een gelofte van kuisheid af te leggen. De broeders, "edele reizigers", trekken door de wereld maar komen een­maal per jaar samen op een geheimzinnige plaats: de Tempel van de Heilige Geest. Twaalf jaar daarna, hij is dan 106 jaar oud, verlaat de Vader deze wereld. Hij sterft in Engeland (of Land der Engelen?). Drie teksten zijn fun­damenteel:

  • Axiomata - de leerstellingen
  • Rotae Mundi - het subtielste
  • Protheus - het meest praktische

 

Enige eeuwen later wordt zijn mausoleum ontdekt door de Imperator N.N., die er de volgende beschrijving van geeft:

Het graf bevindt zich in het midden van het huis van de Heilige Geest. Het heeft zeven zijden, ieder vijf voet breed en acht voet hoog. Het wordt eeuwig verlicht door lampen die niet te doven zijn. In het centrum staat een cilin­dervormig altaar met het opschrift: A.C.R.C. Hoc universi compendium vi­vus mihi sepulcrum feci, en heel groot: JESUS MIHI OMNIA (Jezus is mij alles). Voorts zijn er vier figuren in cirkels met deze inscripties:

  • Nequaquam vacuum (Er is geen leegte)
  • Legis ugum (Het juk der wet)
  • Libertas Evenalii (Vrijheid van het Evangelie)
  • Dei gloria intacta (De zuivere glorie van God)

 

Verder vindt men er raadselachtige figuren en driehoeken en citaten uit het boek Concentratum. Het gemummificeerde lichaam van de Vader houdt in de rechterhand het Liber T. Naast hem een bijbel, een woordenboek, een reisplan en zijn biografie in geheimzinnige tekens. Men leest het devies van de Broederschap: Ex Deo nascimur, in Jesu morimur, per Spiritum revivisdcimus. (Geboren uit God, gestorven in Jezus, zullen wij herrijzen door de Hei­lige Geest.)

 

Uit de hele geschiedenis komt één ding duidelijk naar voren, want het maakt de ware boodschap van de Rozekruisers duidelijk: Ieder woord, zelfs het onschuldigste, heeft een symbolische betekenis. Zodanig, dat men kan aannemen dat alles wat geschreven en gezegd is, de bedoeling heeft de leer die voor ingewijden geheel duidelijk is, want hij is geschreven in de stijl der alchemistische werken, te bewaren en over te dragen. Voor ons is deze stijl vaak niet te begrijpen of te ontcijferen, want wij hebben de sleutel van de code verloren.

 

De eerste generatie

 

De eerste authentieke Rozenkruisers waren zeker geen dromerige filosofen, kwakzalvers of kluizenaars, maar zeer actieve mensen, vervuld van ideeën die hun tijd ver vooruit waren. Zij bekommerden zich niet alleen om de gro­te sociale problemen van hun tijd, maar vooral om datgene dat te maken had met het tragisch lot van de mens. De auteur van de Chemische Bruiloft en waarschijnlijk ook medeauteur van de Fama en de Confessio was JOHANN-VALENTIN ANDREAE (of Andras), in 1586 in Herrenberg (Württem­berg) geboren. Het blijkt al spoedig dat hij bijzondere gaven bezit, waaron­der een grote mate van nieuwsgierigheid. Hij verhuist naar Tübingen, gaat studeren en wordt in 1605 magister. Hij maakt een crisis door en gaat rei­zen, op dezelfde wijze als PARACELSUS, geeft onderricht in Lauingen (Do­nau), maar vestigt zich daarna weer in Tübingen, waar hij musicus, peda­goog en horlogemaker is.

Zijn verblijf in 1610 in Genève, waar hij calvinistische theologen ontmoet, is van grote betekenis voor zijn verdere ontwikkeling. Tenslotte trouwt hij en vestigt zich in Vaihingen en daar publiceert hij zes werken die de voorlopers zijn van de Fama en Confessio. In het voorwoord bij zijn werk Menippus (1618) zegt hij: "Ik wens de vorsten meer vroomheid en minder verkwis­tendheid; de ministers meer moed en minder zelfzucht; de priesters meer erbarmen en minder huichelarij; de edelen meer durf en minder praal; de theologen meer deugd en minder eerzucht; de rechters meer rechtvaardig­heid en minder baatzucht; de doktoren meer ervaring en minder winzucht; de pedagogen meer soepelheid en minder hardheid; de staatslieden meer ernst en minder goddeloosheid; de studenten minder uitspattingen en meer werkzaamheid; de soldaten meer godsvrucht en minder godslasteringen..."

Zijn Rozekruisersboodschap is de volgende: "Ik weet maar één ding waar ik zeker van ben: dat men aan de Christus moet vasthouden, en aan hem alleen, in volmaakte gehoorzaamheid. De christenen moeten elkander liefhebben en zich verenigen in een totale gemeenschap, waarvan het ideaal is alle din­gen in Christus te laten samenkomen, opdat het op de aarde worde zoals in de hemel".

Dit geloof wordt door een metafysica ondersteund, die door PAUL VALÉRY drie eeuwen later in het politieke vlak als volgt wordt geformuleerd: "Iedere politieke opvatting houdt een bepaalde mening over de mens in en vooral een mening over de bestemming van de mens."

 

Voor VALENTIN ANDREAE is deze mening over de bestemming van de mens eenvoudig: "De mens is het gebed van de aarde". Door te bidden en lief te hebben, wist de mens de erfzonde uit en maakt hij van de onvolmaakte maatschappij een nieuwe Hof van Eden. De Rozekruisers vormen, omdat keizer en Paus gefaald hebben, het geestelijk gezag, de onzichtbare kerk, arm, zuiver, niet ambtelijk, onomkoopbaar. De waarachtige Ecclesia, echt­genote van de Christus.

Na VALENTIN ANDREAE zijn een aantal andere verkondigers van de leer der Rozekruisers bekend, van wie wij noemen:

  • JOHN HEYDON (1629-1667), die o.a. schreef "The Glory of the Rosy-Cross".
  • JAN AMOS COMENIUS, in 1592 in Moravië geboren en in 1670 in Naarden overleden.
  • ROBERT FLUDD (Londen 1574-1637).
  • RENÉ DESCARTES (1596-1650).

Hoewel DESCARTES steeds ontkende tot het Genootschap te behoren, zegt dat niets omdat alle Rozekruisers een belofte van geheimhouding moesten afleggen. Men neemt aan dat hij werd ingewijd door de mathematicus FAUL­HABER. Er is geen twijfel mogelijk of JOHN DEE heeft een rol gespeeld bij de Rozekruisers, terwijl de geschiedenis van Frederick Paltzgraaf van de Rijn en diens vrouw Elizabeth, geplaatst op de troon van Bohemen in Praag, een verhaal apart vormt. JOHN DEE verbleef enige jaren in Praag en Frederick en Elizabeth moesten uit Praag vluchten en leefden in ballingschap in Den Haag. Van Nederland uit gaan vele banden op esoterisch gebied naar an­dere landen, vooral Engeland.

Het wordt na de dood van zulke briljante geesten als ANDREAE, HEYDON en COMENIUS wat stiller. Frankrijk staat dan voor een tijdperk van grote moei­lijkheden. Ook in dat land hebben de Rozekruisers van zich doen spreken (GABRIEL NAUDÉ, 1600-1653).

 

De tweede generatie

In 1710 treedt een lutherse dominee uit Breslau naar voren, SAMUEL RICH­TER, die zich Sincerus Renatus noemt. Volgens de wijze traditie der ingewij­den blijft hij zelf in de schaduw van zijn werk, dat in 1710 in Breslau ver­schijnt en in 1714 herdrukt wordt en een lange titel draagt: "De waarachtige en volmaakte bereiding van de Steen der Wijzen van de Broederschap van het Gouden Kruis en het Roze-Kruis, etc."

Van de drie delen van dit werk zijn het eerste en derde aan de alchemie ge­wijd, het tweede bevat 52 artikelen, die de structuur vormen van een geheim genootschap. Het verschil met de manifesten van 1614 en 1616 is zeer groot. Terwijl deze manifesten geheel de geest van het Evangelie ademden, proeft men uit de artikelen van Sincerus Renatus strengheid, stilte, een koude lief­dadigheid. Het verwerpen van alle schoonheid, het celibaat en jaren van toewijding aan een onbekend doel worden dringend voorgeschreven. Het oorspronkelijke genootschap van de Fama en de Confessio was een onzicht­baar college, een broederschap, zonder administratieve organisatie, dat mensen met hetzelfde ideaal, aan wie de Allerhoogste een opdracht had ge­geven, verenigde: erudieten, geleerden, priesters, ingewijden. Zij ontmoet­ten elkaar weinig, maar hadden grote achting voor elkaar en vonden elkaar in het gebed en de gelijkheid van doel. Zij vormden geen "structuur". De organisatie van het Gouden Rozekruis was heel anders. Zij vormden geen vrije broederschap, maar een geheim genootschap met rangen en graden, een Imperator met een recht van veto. De historicus R. LE FORESTIER wijst er in zijn in 1932 in Parijs verschenen studie op, dat dit genootschap van het Gouden Rozekruis een apart soort geestelijke vrijmetselarij betekent.

De Rozekruisers van het Goud waren niet talrijk, maar hadden in de profa­ne wereld veel invloed. Men bewees eer aan ELIAS ARTISTA, maar men weet niet of deze werkelijk bestaan heeft of dat hij een symbool was.

 

Men is ervan overtuigd dat GOETHE een Rozekruiser was volgens de oude traditie. Het zou te ver gaan hier de lijst van belangrijke persoonlijkheden af te drukken die deel uitmaakten van het Gouden Rozekruis: de kring breidt zich steeds meer uit, er ontstaan vele geheime genootschappen, de band met de Vrijmetselaars wordt steeds inniger. Een heel geheimzinnig rol speelde JOACHIM MARTINES DE PASQUALLY, die in 1774 in Port-au-Prince overleed. Men neemt algemeen aan dat de filosofie der Rozekruisers in Engeland ge­leid heeft tot het ontstaan van de vrijmetselarij in dat land. De ideeën van de Rozekruisers komen weer sterk naar boven aan het einde van de vorige eeuw. Men ziet als aanhangers daarvan o.a. STANISLAS DE GUAÏTA, JOSÉPHIN PÉLADAN, PAPUS, PAUL ADAM. Eerstgenoemde richt de Kabbalistische Orde van het Rozekruis op. De Hermetische Broederschap van Luxor, de Orde van de Golden Dawn en een groot aantal andere genootschappen verkrijgen bekendheid.

 

Onze eigen tijd

Er bestaan op het ogenblik wijd vertakte organisaties die zich op de leer der oude Rozekruisers beroepen. Wij noemen enkele:

 

1. Lectorium Rosicrucianum te Haarlem, meestal de Rozekruisers van Haarlem genoemd.

Het aantal leden is beperkt. Ook in Frankrijk wonen leden van dit genoot­schap, voornamelijk in de Ariège. Het Lectorium doet prachtige boeken verschijnen, in 1946 Dei Gloria Intacta, in 1960 De Egyptische Oer-Gnosis (4 delen), in 1967 = 1969 De Alchemische Bruiloft van Christian Rozenkruis (4 delen). Van de hand van de voormalige Grootmeester, J. VAN RIJCKEN­BORGH, verschenen vele boeken welke alle bij het Lectorium zijn uitgege­ven. Deze boeken hebben betrekking op het esoterische deel van de Roze­kruiserboodschap. De plaats Orlouat-Ussat (Ariège) is beroemd om zijn berggrotten. Men zegt dat de Katharen daar hun diensten hielden en hun priesters wijdden. Onlangs vond men katharse symbolen op de muren van enkele grotten. Deze grotten behoren aan het Lectorium Rosicrucianum en de gids die u er rondleidt, doet u vermoeden dat er een verband bestond tussen het geloof der Katharen en de mysteriën van het Rozekruis.

 

2. De Antiquus mysticus ordo rosae crucis of AMORC.

De zetel is gevestigd in San Jose in Californië. Het genootschap werft open­lijk leden, o.a. door advertenties. Het maakt een onderscheid tussen de aan­hangers en de ingewijden, die niet talrijk zijn. Vooral in sommige Afrikaanse staten, zoals Kongo, hebben zij duizenden leden. De lering wordt in schrif­telijke cursussen bijgebracht. Ieder lid dient zich een plaats te scheppen waar hij zich dagelijks kan terugtrekken voor geestelijke oefening, meditatie en het lezen van spirituele lectuur en waar hij zich van de profane wereld kan afsluiten om zich tot de geestelijke wereld te wenden. Het lid doorloopt de etappen van een hiërarchie, is zelf inwijder en ingewijde. De Amorc werd opgericht - of hernieuwd - in 1908 door dr. H. SPENCER LEWIS. Hij overleed in 1939 en zijn zoon RALPH M. LEWIS volgde hem op. De inwijding van SPEN­CER LEWIS door een wijze in Parijs in 1908 vormt een interessant verhaal. Hij werd naar Toulouse gestuurd waar hem na veel ondervragingen authentieke documenten over de Rozekruisers ter hand werden gesteld van de grootste waarde. Tenslotte werd hij naar een groot oud kasteel in de omgeving van Tolosa, een Romeinse ruïne, gebracht waar in de middeleeuwen de grote tempel van de Rozekruisers in Frankrijk was gehuisvest. Daar werd hij inge­wijd en werd hem opgedragen de ideeën van de Orde in de Verenigde Staten te verspreiden.

 

3. Het Rozekruisers Genootschap van Max Heindel.

MAX HEINDEL werd in 1865 in Denemarken geboren en overleed plotseling in 1919. Hij stelde al op jonge leeftijd belang in de occulte kennis en kwam in contact met de Oude Broeders van het Rozekruis (Les Frères Ainés de la Rose-Croix). Deze vertrouwden hem de geestelijke erfenis van CHRIS­TIAN ROZENKREUZ toe.

Hij ging naar San Francisco, was heel arm, maakte daar de aardbeving van 1906 mee en ging vervolgens naar Seattle en later naar Minnesota. In 1908 reisde hij naar Berlijn om daar RUDOLF STEINER te ontmoeten. Hij keerde echter teleurgesteld naar Amerika terug, waar een missionaris van de Orde der Rozekruisers hem de geheimen meedeelde wier verklaring hij nog zocht, op voorwaarde dat hij deze geheim zou houden. MAX HEINDEL maakte daar bezwaren tegen, omdat hij met de verkregen informatie de mensheid zou kunnen helpen. Hij werd daarop aangewezen als leraar van zijn tijd. Hij begon nu met het te boek stellen van alle esoterische informatie die hij be­zat. Het was een enorm werk, maar toen hij het eindelijk gereed had, was het moeilijk er een uitgever voor te vinden. Tenslotte lukte dat in Seattle door bemiddeling van een vriend. Pas in 1911 kwam zij n Rozekruisers Orde van de grond, toen hij 120 km ten zuiden van Los Angeles een prachtig terrein verwierf waar hij een tempel, de Mount Ecclesia, bouwde. Daar vonden voortaan alle inwijdingen plaats, terwijl MAX HEINDEL talrijke cursussen schreef, o.a. over astrologie. HEINDEL legde er de nadruk op dat de echte inwijding niet een uiterlijke ceremonie is, maar een innerlijke ervaring. Wij kennen echter geen woorden om deze spirituele ervaring te beschrijven. De Orde telt duizenden aanhangers, over de gehele wereld verspreid.

 

4. L'Ordre des Frères Aînés de la Rose-Croix.

In tegenstelling tot de drie vorige genootschappen, die in de openbaarheid zijn getreden, is de Orde van de Frères Aînés geheim. Het enige lid waarvan de identiteit bekend is heet ROGER CARO. Hij woont in Saint-Cyr-sur-Mer en hij heeft in een kleine oplage een Legenda verspreid, waarin hij het bestaan van de Orde bevestigt. Op deze Legenda is de Taoïstische uitspraak van toepassing:

"Alles wat gezegd kan worden, is niet de moeite waard om te kennen".

De auteur verklaart de band tussen zijn Orde en die der Tempelieren, waar­van de Frères Aînés sinds de veertiende eeuw de geestelijke erfgenamen zijn. Na de opheffing van hun Orde in 1309 werden de Tempelieren ver­volgd en gemarteld. Enkelen wisten echter naar Spanje, Duitsland of Enge­land te ontkomen. De naar Engeland uitgeweken Tempelieren ondervon­den ook daar moeilijkheden, maar in Schotland werden zij met open armen ontvangen. Eén van hen, Baron GUIDON DE MONTADOR, wijdde de enige man die hij in staat achtte de verspreide Tempelieren weer bijeen te bren­gen, GASTON DE LA PIERRE PHOEBUS, in de geheimen der alchemie in. In 1316 slaagden beiden erin 25 Tempelieren ertoe te brengen naar Frankrijk terug te keren met een zeer speciale opdracht. Zij groepeerden zich onder een nieuwe leuze en noemden zich de Frères Aînés de la Rose-Croix. Omdat de alchemie als een universele filosofie werd beschouwd, was hun taak de alchemistische geheimen door te geven. Niettemin bleef voorzichtigheid ge­boden, om welke reden de Orde streng besloten bleef. De Legenda besluit:

a. De oprichters van de Orde van het Rozekruis zijn verspreide, vroegere Tempelieren, die gedwongen waren naar Schotland te vluchten.

b. Onder deze emigranten bevonden zich een alchemist, die zijn mede­vluchtelingen de geheimen der alchemie bijbracht.

c. De aard van het onderwezene maakte strenge geheimhouding noodzake­lijk.

 

Wat de Tempelieren zelf betrof, onder leiding van HASSAN en SALADIN be­studeerden zij allerlei filosofieën in een huis der wijsheid, waarin zij werden toegelaten. Daar de meeste Tempelieren krijgslieden waren, bezochten slechts enkelen dit huis. De ingewijden gaven hun kennis door aan hen, die zij daarvoor geschikt achtten. Op deze wijze instrueerde GUIDON DE MONTA­DOR zijn metgezel GASTON DE LA PIERRE PHOEBUS, die op zijn beurt de gehei­men weer aan anderen meedeelde. Van de aanvang af was het aantal leden beperkt tot 33, met aan het hoofd een Imperator. De keten van Imperators gaat door tot in onze tijd en van de schakels noemen wij ELIPHAS LÉVI, WIL­LIAM WESTCOTT, MACGREGOR MATHERS, Sir LEIGH GARDNER, dr. RUDOLF STEINER. In de Anthroposofische Vereniging, door dr. RUDOLF STEINER op­gericht, vormde hij een interne groep, die in drie graden verdeeld was.

 

Samenvatting

Uiteraard is het vorenstaande een hoogst onvolledige weergave van al dat­gene dat in de loop der eeuwen over de Rozekruisers is gezegd en neerge­schreven. In 1972 verscheen in Londen bij Routledge & Kegan Paul een boek van de hand van de Engelse historica FRANCES A. YATES, getiteld: "The Rosicrucian Enlightenment". In haar slothoofdstuk maakt zij deze opmer­king: "Ik zou graag redelijke mensen en redelijke historici ervoor willen winnen het woord 'Rosicrucian' te gebruiken". Wij zouden dit moeten ver­talen met rozekruiselijk, zoals christelijk, of, wanneer men dat liever wil, met rozecrustisch. Met dit woord kan een bepaalde manier van zien, van denken worden aangeduid, die in de geschiedenis der mensheid altijd herkenbaar is geweest, een manier van geloven, van weten, van levens beschouwen die van heel ver weg komt. Mag men over de historiciteit van bepaalde geheime Ro­zekruisgenootschappen zijn twijfels hebben - historisch staat er eigenlijk maar weinig vast - wel is het boven alle twijfel verheven, dat een bepaalde houding tegenover het mysterie van de mens van het begin der tijden af steeds weer is doorgegeven. Eveneens dat dit doorgeven niet zozeer via woorden geschiedde als wel door middel van symbolen. En dat het nimmer de bedoeling was via het denken en redeneren een inzicht bij te brengen, maar wel via beelden en rituelen iets in ons onderbewustzijn wakker te ma­ken, dat bij de meeste mensen nog sluimerend is.

 

 


Rozekruisers
[1]

 

ESSENTIE DER LEER

In 1785 werd in Altona een boek gepubliceerd, gebaseerd op de geheime symbolen van de Rozekruisers uit de 16e en 17e eeuw. In 1888 werd deze inmiddels vrijwel verdwenen uitgave in het Engels vertaald. Het is op dit boek dat de volgende beschouwing over de essentie van de leer der Roze­kruisers is gebaseerd.

 

Enkele eeuwen geleden, nauwkeuriger gezegd in het begin van de zeventien­de eeuw, bracht het woord "Rozekruiser" een grote opwinding in de wester­se wereld teweeg. Het ontstond plotseling, in een waas van geheimzinnig­heid gehuld, het verspreidde zich en op even mysterieuze wijze verdween het aan de horizon. Men beweerde dat de Rozekruisers over magische krachten beschikten, wonderen konden verrichten en een leeftijd van honderden ja­ren konden bereiken. De Rozekruisers zelf spraken die verhalen niet tegen. Zij hielden vol dat er vele occulte wetten en mysterieuze krachten beston­den, waarvan de mensheid geen weet had en die ook in de komende eeuwen voor de "wetenschap" verborgen zouden blijven. Immers, de wetenschap berust op het waarnemen van feiten die daarna kunnen worden bestudeerd; het menselijk vermogen echter om spirituele feiten op te merken is nog niet voldoende ontwikkeld om daaruit conclusies te kunnen trekken. Volgens de Rozekruisers zouden wij, als ons geestelijk waarnemingsvermogen volle­dig ontwikkeld was, zien hoe het universum gevuld is met leven, waarvan de volmaakte schoonheid onze stoutste verbeelding zou overtreffen. Wij zou­den geheimen leren kennen waarbij dat van het maken van goud in het niet zou verzinken.

De Rozekruisers spreken over de bewoners van de vier koninkrijken van de natuur - over nymfen, undines, gnomen, sylphen, salamanders en feeën als­of zij daar dik bevriend mee zijn en alsof deze wezens niet tot het rijk der fabelen behoren, maar levende schepselen zijn, een etherische wereld bevol­kend die te subtiel is om met onze grove, op de materie gerichte zintuigen te kunnen worden waargenomen; maar zij bestaan, leven, hebben een bewust­zijn en zijn bereid de mens te dienen. In alle ernst houden de Rozekruisers vol dat als de mensen de goddelijke krachten kenden die in hun binnenste sluimeren en zij zich tijdens hun kortstondige doorgangsperiode hier op aarde op de ontwikkeling van die krachten toelegden, in plaats van al hun levensenergie te richten op naar verhouding onbeduidende en platvloerse zaken, zij na verloop van tijd gelijk zouden worden aan die planetaire gees­ten of goden. Hoewel de oude Rozekruisers normaal uitziende mensen wa­ren die in sterfelijke, zichtbare lichamen woonden, waren zij in hoge mate geestelijk uitgegroeide wezens, waarin de occulte krachten die in ieder mens sluimeren, sterk ontwikkeld waren. Daardoor konden zij het universele le­vensbeginsel en bepaalde geheime krachten in de natuur beheersen. Zij wa­ren in staat daden te verrichten die wonderbaarlijk leken voor diegenen die deze krachten niet kenden.

De onbekendheid met de geheime natuurkrachten is de reden waarom alle moderne onderzoekingen naar de ware aard van de Rozekruisers tot niets hebben geleid; hun aard en afkomst worden niet onderkend omdat men de ware aard en natuur van het wezen dat wij mens noemen niet begrijpt, noch diens geschiedenis. Wanneer men de vraag stelt wie en wat de Rozekruisers waren, wordt die vraag door de echo beantwoord. Wie en wat is de mens? Zolang wij van de mens alleen maar de uiterlijke kenmerken kunnen be­schrijven, mogen wij niet hopen ooit de goddelijke attributen te leren ken­nen, die de werkelijke innerlijke mens - de herboren geest - bezit. Eerst moe­ten wij onszelf leren kennen.

 

Wie en wat is de mens?

De mens leidt drie soorten van bestaan:

1. Als foetus in de baarmoeder, een volkomen negatief bestaan, alleen maar groeiend.

2. Als hij geboren is en opgroeit, zijn zintuigen zich ontwikkelen, en de illu­sie van zijn eigen besef ontstaat, waar zijn hele bestaan op gericht is.

3. Wanneer hij wedergeboren wordt in het "licht van het eeuwige leven van de geest". De mens in deze toestand verschilt evenveel van de mens in de normale toestand als deze laatste verschilt van het foetus.

 

De christelijke leer en de leer der Brahmanen, die dateert uit prehistorische tijden, vertellen hetzelfde verhaal in verschillende allegorische vormen. V0lgens beide leren was de mens in het begin een zuiver geestelijk wezen. De geestelijke Adam was de Christus, of het Woord in wezen gelijk aan God in alle eeuwigheid. "In hem was leven, en dat leven was het licht der mensen".

Geleidelijk werd deze geestelijke mens in de war gebracht door de illusie van zijn zintuigen en wel naarmate zijn structuur meer stoffelijk werd. Hij kreeg het vermogen na te denken en een eigen wil te ontwikkelen die begon af te wijken van de Wil van God. Hij at van de Boom der Kennis, werd stoffelijk en verzonk in de materie. De oorspronkelijke geestelijke mens had alle man­nelijke en vrouwelijke elementen in zich; maar na de materialisatie, de "ver­aardsing", splitsten de mensen zich in mannen en vrouwen; zij werden onderworpen aan lijden en verdriet en moesten de hardheid van het aards be­staan ondergaan.

Het doel nu van het menselijk bestaan op aarde is de lagere, dierlijke instinken, de materiële gerichtheid, te overwinnen, zich daarvan te bevrijden, zodat de mens daardoor terug kon keren tot zijn oorspronkelijke zuivere geestelij­ke staat en weer terugkeert tot God. De uiteindelijke vereniging van de god­delijke elementen in de structuur van de mens met de goddelijke elementen in de natuur wordt door alle grote religies gepredikt. Men gaat bij die reli­gies echter in hoofdzaak uit van twee uitersten: de mens in zijn opperste geestelijke staat, een god gelijk, en de mens als een aardegebonden geest die door zijn lusten en verlangens steeds dieper dreigt weg te zinken in animali­teit en materie.

 

Tussen deze twee uitersten echter komen een ontelbaar aantal bestaansvor­men voor, waarin mensen een bewust leven kunnen leiden, bevrijd van de banden van de grove materie, in een min of meer etherische vorm, onder vele betere omstandigheden dan die waaraan zij tijdens hun aards bestaan gewend waren; in een wereld waarin zij vreugde of smart beleven, al naar gelang de aard van de geestelijke krachten die zij tijdens hun aardse loop­baan hebben losgewoeld en in beweging gezet. Evenzeer als het leven op aarde in een ontelbaar aantal vormen voorkomt, zijn er evenzoveel wijzen van bestaan in de geestelijke staat; sommige van deze bestaansvormen zijn zoveel verhevener dan onze huidige situatie op aarde, dat deze laatste ons een verbanningsoord schijnt, een straf voor onze zonden.

 

Er bestaat een oneindig aantal gradaties in de geestelijke wereld; ook zijn er amfibieachtige wezens in die wereld, die nu eens in een voor ons zichtbare, dan weer in een voor ons onzichtbare vorm verschijnen. In deze astrale we­reld kunnen sommige wezens gezien worden door mensen die hun innerlijke zintuigen daartoe ontwikkeld hebben. Onder zeer bepaalde omstandighe­den worden sommige etherische wezens plotseling veel compacter, meer stoffelijk, zodat de mens hen met de normale zintuigen kan waarnemen. Om dit goed te kunnen begrijpen, dienen wij ons los te maken van de illusie die onze zintuigen in onze geest geschapen hebben. Wij moeten dan beseffen dat het gehele universum, met al zijn vormen, slechts bestaat uit gemateria­liseerde gedachten van de Schepper. Wanneer onze structuur meer ethe­risch zou zijn, zouden wij ons de grove materie waarschijnlijk niet bewust zijn, maar wij zouden de zielen, de kernen van mensen, planten, dieren en mineralen zien en wij zouden een gedachte kunnen waarnemen zodra die zich in het brein van een menselijk wezen had gevormd.

 

Wat is dat "licht" waarin de mens kan worden wedergeboren?

Als we iets zien, voelen, horen, ruiken of proeven, weten wij over dat "iets" zelf nog niets, maar alleen over de sensaties die wij ondergaan. Wij weten alleen de relatie, waarin wij zelf tot dat iets staan, door onze zintuigen. Wat wij van "eeuwige dingen" kennen, is alleen de relatie waarin wij staan tot hun uiterlijke verschijningsvorm, maar van datgene dat die uiterlijke ver­schijningsvorm tot stand brengt, weten wij niets. Met behulp van ons intellect kunnen wij weliswaar deduceren en combineren op grond van hetgeen wij denken waar te nemen, maar het blijft dan bij speculaties, theorieën en meningen, die bij het ontdekken van andere gegevens weer overboord ge­gooid worden. Dat is niet de kennis waarop geestelijke wetenschap geba­seerd is.

Werkelijke kennis is het resultaat van directe waarneming en begrijpen van de waarheid; alleen wanneer die waarheid ook in onszelf aanwezig is, kun­nen wij haar begrijpen, vindt zij weerklank in ons eigen wezen. De mens bezit, echter latent sluimerend, een aantal zintuigen waarmee hij geestelijke verschijnselen kan waarnemen. Deze laatste zintuigen kunnen door oefe­ning worden ontwikkeld. Daardoor kan de mens bepaalde dingen horen, zien, voelen, proeven en ruiken die ver uitgaan boven hetgeen hij met zijn gebruikelijke zintuigen waarneemt.

Tot op zekere hoogte bezit ieder mens de mogelijkheid om met die andere zintuigen "waar te nemen". De intuïtie, het aanvoelen van een waarheid, is, hoe rudimentair ook, bij verreweg de meeste mensen aanwezig, maar zij wordt overheerst door het intellect. Maar bij diegenen, die zich bewust ge­worden zijn van de goddelijke kern van hun wezen, begint het licht van de intuïtie steeds sterker te schijnen. Wat dit "licht" betreft, wordt de vergelij­king gemaakt van de zon, die door haar stralen het gehele aardse leven door­dringt, licht en warmte geeft en de zaden van de planten doet opkomen en uitgroeien tot bloemen, bomen en struiken, met een "geestelijke" zon in het universum die het hart van de mens kan doordringen en hem tot een onster­felijk wezen maken. Dit geestelijk licht nu, dat zich alleen richt op het hart en waarvoor het hart als het ware het oog is, noemt men de Christus of de "Verlosser der Mensheid". Het is universeel, er is geen andere "verlosser". De wijzen van alle volkeren kenden het, zij het onder verschillende namen.

 

Het licht wordt ook wel "Christus" genoemd

Alle religies op aarde zijn gegrondvest op die uiteindelijke vereniging met God. De ingewijden hebben door alle tijden heen geweten van de komst van de "Christus", niet van een man die men Christus noemde, maar van die straal van het eeuwige licht, die in het hart van ieder mens kan schijnen. De natuur brengt van licht die "Christus" voort. Zij is een eeuwig barende moe­der, want alle vormen komen voort uit de natuur en keren terug in haar schoot.

Deze waarheden zijn oud als de wereld en waren al duizenden jaren bekend voor de opkomst van het moderne Christendom. Zij zijn herhaalde malen door leraren en profeten met nadruk verkondigd en weer even zoveel malen vergeten. Er wordt gezegd dat in bepaalde tijdperken, wanneer de mensheid in meerderheid deze oude waarheden begint te vergeten en religies zich op wereldse zaken richten, de betekenis van het geheim van hun symbolen niet meer kennen en een blind vertrouwen stellen in uiterlijke vormen, er een nieuwe "Avatar" of Christus op deze aarde zal komen om het geheugen van de mensen op te frissen. Deze zal via woord en voorbeeld de oude waarhe­den opnieuw verkondigen.

 

Zover wij weten, was Jezus van Nazareth zo'n verkondiger, doordrongen van het licht van de Logos. Hij was geheel vervuld van het goddelijk licht van de Christus en daarom zelf een Christus, zoals iedereen kan zijn, die van het eeuwige licht vervuld is. Jezus was een mens, in wiens ziel de Godheid had plaatsgenomen.

 

Hoe verkrijgt men het licht?

De natuur is één groot geheel en de geestelijke kracht die in haar werkzaam is, is almachtig en eeuwig. Wie de universele natuur en die geestelijke kracht wil leren kennen, dient zich los te maken van zijn persoonlijke verlangens en belangen, uit het omhulsel van zijn beperkte persoonlijke bewustzijn te tre­den, om op de top van de berg de geestelijke kracht, die alles doordringt, te kunnen aanschouwen. Wie die kracht ziet - zeggen de Rozekruisers - weet en kent alles, Al. Het kleine kan niet het grote omvatten, het eindige kan zich niet het oneindige voorstellen. Wanneer de sterfelijke mens datgene ver­langt te kennen dat oneindig boven hem verheven is, moet hij uit zichzelf treden en door de kracht van de Liefde het oneindige Al in zich opnemen. Hoe weinigen echter van hen die streven naar occulte kennis, zijn bereid afstand te doen van hun eigen ik, dat hen zo dierbaar is en waar al hun hoop, verlangens en toewijding zich op richten? Want het eerste beginsel van de occulte leer is dat er een universele geest is, en dat wij leven en bestaan door hem en door zijn kracht. En dat wij deze geest, de Wijsheid, boven alles moeten liefhebben en daarnaast alle mensen en levende wezens, alsof zij een deel van onszelf zijn. Die verloochening van zichzelf, van het eigen ik met al zijn intellectuele redeneringen en theorieën is het grote struikelblok op de weg naar het licht op de drempel van de ziel. Het is "de steen die de bouwlie­den verwierpen", het is "de steen die de hoeksteen is".

Dat afstand nemen van zichzelf, dat verwerpen van aardse, materiële opvat­tingen is de absolute voorwaarde om het eeuwige leven deelachtig te wor­den. Op de erkenning van deze waarheid zijn alle grote godsdiensten der wereld gebaseerd, het is de rode draad die door alle religies loopt, van de oudste tijd tot op heden. Het is de rots (petra) waarop de universele geestelij­ke kerk der mensheid is gebouwd. In de Bhagavad-Gita wordt zij allegorisch voorgesteld door het gevecht dat Ardjoena moet voeren met zijn eigen Ego, teneinde één te kunnen worden met Krishna.

 

Wat werkelijk sterft aan het kruis

Zij wordt eveneens symbolisch voorgesteld door het christelijk kruis, waar­aan een stervende man genageld is; want het is niet het Christusbeginsel dat aan het kruis sterft, maar het dierlijke in ons eigen wezen dat moet lijden en sterven, opdat de werkelijke mens in glorie kan herrijzen en verenigd kan worden met het licht van de Logos - de Christus. Niet de fysieke dood wordt hier allegorisch voorgesteld, maar de mystieke dood, de dood van persoon­lijke verlangens, eisen, overwegingen. Deze fysieke dood is weinig belang­rijk wanneer men die met de geest van de mens vergelijkt; het is een van de vele gelijksoortige incidenten die de mens moet ervaren op zijn eeuwige pad. De fysieke mens sterft en wordt weer herboren en sterft nog vele malen voordat hij die toestand heeft bereikt, waarin hij niet behoeft te sterven en te worden wedergeboren.

 

In de gehele westerse wereld komt men het kruissymbool tegen, op de toren­spitsen van de kerken, in de bedehuizen en woonkamers, in kapelletjes langs de wegen. Voor de grote meerderheid van priesters en leken is dit kruis niet anders dan een memento om ons te herinneren aan een gebeurtenis die bijna 2000 jaar geleden in Palestina heeft plaatsgevonden en waarmee een vol­maakt en goddelijk mens als een misdadiger werd ter dood gebracht. Wan­neer men echter de allegorieën van de christelijke religie vergelijkt met die van de oosterse religies, wordt het duidelijk dat het symbool van het kruis een nog veel dieper en verhevener geheim bevat. Het stelt een gebeurtenis voor in de geschiedenis van ieder mens die een "christen" is geworden: het is het symbool van de geestelijke wedergeboorte, waaraan iedereen zich moet onderwerpen die in een hogere staat van bewustzijn wil leven. Voor de op­pervlakkige denker is het kruis het symbool van martelaarschap en dood; voor de verlichte mens is het het symbool van de overwinning op zichzelf, iets triomfantelijks, het begin van onsterfelijkheid. Onder het teken des kruises zijn ontzaglijke misdaden begaan, hebben stromen bloed gevloeid, roof, moord en plundering werden onder dat teken bedreven. Zouden deze dingen ooit gebeurd zijn als men de ware symbolen van het kruis begrepen had?

 

Wat is de zin van mijn bestaan?

Wanneer een opgroeiend mens ophoudt kind te zijn en begint na te denken over zijn eigen leven, stelt hij de groten vragen: "Wie ben ik eigenlijk? Wat is de zin van mijn bestaan, met welke bedoeling ben ik in de wieg gelegd?" De jonge mens verwacht van zijn ouders en school of kerk een antwoord.

Dat antwoord zou eigenlijk in het middelpunt moeten staan van iedere religieu­ze of wetenschappelijke opvoeding.

 

Maar hoe beantwoorden de wetenschap en de kerk van vandaag deze vra­gen? De wetenschap leert hem alles over zijn uiterlijke vorm, zijn anatomie, zijn psychologie en zijn relaties met de wereld om hem heen. Maar dat is niet alles wat hij wil weten. Hij weet dat zijn uiterlijke vorm zal sterven en de kennis over het kortstondige bestaan van dat lichaam is maar klein en vrij onbeduidend vergeleken met die enorme schat van kennis die betrekking heeft op zijn innerlijk geestelijk wezen, dat misschien nog miljoenen jaren leeft of voor altijd onsterfelijk zal zijn. Een mens wil enige zekerheid hebben over zijn spirituele zelf en de omstandigheden waaronder dat zelf kan be­staan, onafhankelijk van zijn uiterlijke verschijningsvorm. De wetenschap zwijgt hierover. Daarom wendt de jonge mens zich tot de kerk - wat ant­woordt deze?

 

De ongeveer tweehonderdvijftig christelijke kerken, sekten en groeperingen - en waarschijnlijk nog veel meer niet-christelijke - vertellen hem de meest tegenstrijdige dingen. Bijna al hun getuigenissen spreken elkaar tegen, zij geven geen bewijzen voor deze getuigenissen, noch een aanvaardbare reden om deze te geloven. Maar iedere kerkgemeenschap of sekte beweert de enige waarheid in pacht te hebben en iedereen die iets anders gelooft, zal voor eeuwig verdoemd zijn. De zoekende jonge mens wordt aldus van het kastje naar de muur verwezen.

Vele opgroeiende mensen brengen de stemmen der rede en van de twijfel tot zwijgen, hangen blindelings een geloof aan in de verwachting dat hen op deze wijze het eeuwige leven deelachtig wordt. Anderen, vooral de intellectuelen, komen tot de conclusie dat het antwoord op hun vragen niet gege­ven wordt en wel nooit gegeven zal worden. Daarom denken zij voortaan alleen nog maar aan zichzelf en proberen hun verblijf op aarde in materieel opzicht zo prettig mogelijk te maken.

 

Wanneer wij alleen maar één religieus systeem aanhangen en zijn dogma's blindelings aanvaarden, worden wij gemakkelijk ertoe gebracht te geloven dat alleen en uitsluitend dit systeem de volledige waarheid onthult. Maar wanneer wij in alle redelijkheid, met ons nuchtere verstand, los van emoties, de meeste andere religieuze systemen in de wereld bestuderen, hun symbo­len en allegorieën met hun geheime betekenis met elkaar vergelijken, kun­nen wij met zekerheid vaststellen, dat al die religies één fundamentele waar­heid gemeen hebben, hetgeen de meeste aanhangers van al deze geloofsop­vattingen niet beseffen, namelijk de eenheid van de natuur en de goddelijke, eeuwige geest die in haar werkzaam is.

Deze God van het Universum, veel onbegrensder dan de God van de Ker­ken, behoeft niet te worden aangeroepen en gevleid door priesters. Hij is een eeuwige kracht, even onwrikbaar als de wet. De God der meeste kerken is een rechtvaardige, straffende of vergevende God, waar de mensen in hun hart bevreesd voor zijn. De God der mensheid is volgens de oude Rozekrui­sers de eeuwige kracht van de liefde, de bron van al het bestaande. Er zijn ontelbare christenen of mensen die zich zo noemen, die een zelfzuchtig le­ven leiden, in de hoop tegen eind van hun leven de God van hun kerk te kunnen ompraten en vergiffenis te ontvangen voor hun fouten. Maar de universele God plaatst in het hart van ieder mens diens eigen rechter, die niet door woorden kan worden omgepraat, maar die de geheimste gedach­ten van die mens kent en hem oordeelt op zijn werkelijke waarde. De univer­sele religie leert dat de mensheid één geheel is en dat wij ons bij onze daden altijd moeten laten leiden door overwegingen van het belang voor allen, bo­ven ons eigen belang uit.

De moderne wetenschap en de moderne religie leren, dat het vooral gaat om het persoonlijk geluk, hetzij in dit, hetzij in een toekomstig leven.

De occulte wetenschap leert dat de mensheid een eenheid is, dat de persoon niet meer dan een voorbijgaande illusie is en dat blijvend geluk niet eerder kan worden bereikt dan voordat die illusie is vernietigd. De zin van ons le­ven is het bereiken van dat inzicht, met vallen en opstaan, met vreugde en pijn. En tenslotte, niet alleen het veroveren van deze waarheid, maar ook het ernaar leven en handelen.

 

De ware Rozekruisers hadden dit inzicht

Het is een historisch feit, dat zij hebben bestaan; maar hun ware aard kan alleen maar door diegenen doorzien worden die zelf op deze geestelijke hoogte aangekomen zijn. Mensen op een dergelijk geestelijk niveau als de oude Rozekruisers hebben altijd bestaan en zij leven nog onder ons. Wij lezen over hen in de Heilige Boeken van alle religies en in de middeleeuwse en moderne occulte literatuur. Om in termen van symbolen te spreken: zij hebben de Universele Panacee gevonden, het geneesmiddel dat alle aardse kwalen heelt; zij staan op de rots van het levende Geloof en bezitten daar­door een direct geestelijk waarnemingsvermogen. Zij bezitten de Steen der Wijzen, die hen boven het gebied van de twijfel uittilt en in hun harten heb­ben zij de Levenskubus gevestigd, de Hoeksteen van de tempel der wijsheid.

Daar de leer die zij verkondigen, in strijd was met die van de Rooms Katho­lieke Kerk en zij steeds het gevaar liepen wegens ketterij vervolgd te worden, gaven zij hun leer zoveel mogelijk door in symbolen, wier betekenis voor de niet-ingewijde geheim moest blijven. Uit die symbolen komen de volgende essentiële punten naar voren:

Geen mens bezit zijn eigen leven; zijn leven is hem maar geleend voor de kortstondige duur van zijn bestaan. Het is afkomstig uit de universele op­slagplaats van het leven en hij moet het teruggeven wanneer hij van het aards toneel verdwijnt. Er is slechts één bron van kennis, er is slechts Eén die alles kent en er is maar één manier om die hogere kennis deelachtig te worden, namelijk door één te worden met die bron, met die Ene, die alles kent. Slechts dan kunnen wij alles zien in het licht van de Logos, de hoogste werkelijkheid. In alle andere gevallen nemen wij slechts illusies waar.

 

De symbolen maken iets wakker

De symbolen van de hermetische filosofen uit de oudheid zijn overgenomen door de moderne christelijke kerken. Veel van deze symbolen bestonden al sinds onheuglijke tijden, hoewel de namen van de beginselen die zij voor­stellen herhaalde malen veranderden. In de Rooms-katholieke Kerk treft men symbolen aan die de Egyptenaren al hadden, evenals de nog oudere Brahmanen en mogelijk zelfs de bewoners van het oude Atlantis, waarvan de geschiedenis vervaagt in de nacht van het vergeten verleden. Priesters en leken buigen zich ter aarde voor deze symbolen want hun is geleerd dat het historische herinneringen zijn aan de dood van Jezus van Nazareth.

Indien men alleen maar naar de uiterlijke vorm van deze symbolen kijkt, is hun waarde gering. Ook de Bijbel zou van weinig betekenis zijn, indien men haar slechts als de geboekstaafde geschiedenis van het joodse volk zou be­schouwen. Maar wanneer wij deze symbolen en verhalen met het oog van de geest in de onzichtbare wereld beschouwen, leren wij hun diepste betekenis kennen en beseffen wij hoe belangrijk de kennis daarvan voor ons is.

De afgodsbeelden van de Grieken en Romeinen stelden geen personen voor, maar universele krachten in de natuur. Op dezelfde wijze zijn bepaal­de personen, waarover in de Bijbel gesproken wordt, de personificaties van krachten in het universum, die evenzeer vandaag bestaan als vroeger toen in de Bijbel nog niet geschreven was. Wij komen deze krachten tegen in de Mahabharata en de Bhagavad-Gita van de Hindoes, in de gedichten van HOMERUS en in vele andere geïnspireerde boeken. Wanneer een religie in verval geraakt, gaat de geheime betekenis van de symbolen verloren. Het is het bewijs dat de geest, die de religie tot leven bracht, verdwenen is. Het weten is vervangen door het geloven en het geloven door het hebben van een mening. De uiterlijke vorm van zo'n religie kan zich nog enige tijd handhaven, maar uiteindelijk zal die ook te gronde gaan.

Dat is bij de Grieken en Romeinen gebeurd, bij de Egyptenaren en het ge­beurt thans bij de huidige christelijke kerken.

 

Wat komt er voor in de plaats?

De schrijver van bovenstaande regelen is zich het paradoxale van zijn ver­slag over de leer der Rozekruiser terdege bewust. Immers, hij moest begrip­pen in woorden uitdrukken, die niet te verwoorden zijn, een moeilijkheid waar de mens al sinds de oudste tijden mee geworsteld heeft. Vandaar dat de mens steeds zijn toevlucht nam tot beelden om het hoogste uit te drukken dat voor hem bestond. Maar ook de impact van beelden, van symbolen, is in de loop der tijden aan wisselingen onderhevig geweest.

De oude Rozekruisers gebruikten een schitterend stelsel van symbolen, waarvan de geheime betekenis zich verliest in de grijze oudheid. De hier afgedrukte afbeeldingen vormen daar een bewijs van.



[1] LITERATUUR:

PIERRE EN J.P. BAYARD: Les Rose-Crois, Cal, Parijs 1971

FRANCES A. YATES: The Rosicrucian Enlightenment, Routledge & Kegan Paul, Londen 1972

MAX HEINDEL: De wereldbeschou­wing der Rozekruisers, Haarlem 1936

CHRISTlAAN ROSENKREUTZ: Mysteriën van het Roze­kruis, (bewerking van dr. A. Kerdijk), Laren 1912

J. VAN RIJCKENBORGH: De Belijdenis der Rozenkruisers Broederschap, Rozekruis-Pers, Haarlem 1966

 

Voor verdere studie:

RICHARD VAN DÜLMEN: Die Utopie einer christlichen Gesellschaft, Johann Valentin Andreae, Frommann Holzboog, Stuttgart-Bad Cannstatt, Teil I 1978 

KARL R.H. FRICK: Die Erleuch­teten, Gnostisch-theosophische und alchemistisch-rozenkreuzerische Geheimgesellschaften bis zum Ende des 18. Jahrhunderts - ein Beitrag zur Geistesgeschichte der Neuzeit, Akademische Druck- u. Verlagsansta1t, Graz-Austria 1973 

CHRISTOPHER MCINTOSH: The Rosy Cross Un­veiled, The Aquarian Press 1980 (Foreword by Colin Wilson)

DR. J.W. MONTGOMERY: Cross and Crucible, Johann Valentin Andreae, 2 din. Martinus Nijhoff, Den Haag 1973

WILL­ERICH PEUCKERT: Das Rozenkreutz, Erich Schmidt Verlag, Berlijn, 2e dr. 1973

A. SANTING: De Manifesten der Rozenkruisers, herdr. Uitg. W.N. Schors, Amsterdam zj. 

A. SANTING: De Historische Rozenkruisers, Uitg. W.N. Schors, Amsterdam (1977)

ARTHUR EDWARD WAITE: The Brotherhood of the Rosy Cross, University Books, New York z.j. (1ste dr. Londen 1924).

 

  de slapende mens

.

Wijsbegeerte der Rozekruisers - Max Heindel.

.

01. Vraag: Wat is het essentiële verschil tusschen de leringen der Roze­kruisers en de orthodoxe Kerk?

 

Antwoord: Er zijn vele verschillen, maar het voornaamste verschil bestaat waarschijnlijk in de orthodoxe leer, dat bij elke geboorte een pas geschapen ziel zo uit Gods hand ma­terieel bestaan binnentreedt, dat zij korter of langer tijd hier in een stoffelijk lichaam leeft en dan bij de dood naar het onzichtbare hiernamaals overgaat, waar zij tot in eeuwigheid in een staat van zaligheid of ellende moet blijven, afhangend van wat zij tijdens haar verblijf hier in het lichaam gedaan heeft.

 

De leer der Rozekruisers is, dat elke ziel een integrerend deel van God is, trachtend door herhaalde bestaanstoestanden in geleidelijk volmaakter wordende stoffelijke lichamen onder­vinding op te doen, en dat zij daarom vele malen afwisselend in en buiten materieel bestaan doorbrengt; dat zij iederen keer iets meer ondervinding opdoet, dan zij te voren bezat en dat zij na verloop van tijd door middel van die ondervindingen van onwetendheid tot alwetendheid - van onvermogen tot al­macht - opgeleid wordt.

 

Ons rechtvaardigheidsgevoel komt in opstand tegen een leer, die de ene ziel naar een beschaafde omgeving en een hoogstaande familie zendt, waar zij het voordeel heeft van rijk­dom en waar morele voorschriften in het opgroeiende kind ingeplant worden, terwijl zij een andere naar een achterbuurt zendt, waar de vader misschien een dief en de moeder onzede­lijk is, en waar niet veel anders geleerd wordt dan liegen, stelen en dergelijke. Als men hier maar éénmaal leeft, behoorden allen dezelfde kansen te hebben, als zij door dezelfde wetten geoordeeld worden, en wij weten maar al te goed, dat geen twee mensen dezelfde ervaringen in het leven hebben. Wij weten, dat terwijl de een aan allerlei verleiding blootstaat, de ander betrekkelijk onberoerd door de stormen des levens voortleeft. Wanneer dus de ene ziel in een morele omgeving geplaatst wordt en een andere in onzedelijke omstandigheden, dan is het niet rechtvaardig de ene naar een hemel vol genie­tingen en eeuwige zaligheid te zenden, vanwege het goede, dat zij niet laten kon te doen, en evenmin is het rechtvaardig de andere als straf voor diefstal en moord naar een hel te sturen, wanneer de omgeving en de omstandigheden, waartoe zij ge­dreven was, zodanig waren, dat zij er niets tegen doen kon.

 

Daarom leert de leer der Rozekruisers, dat wij juist op de plaats komen, die door onze vroegere ondervindingen in voor­afgaande levens het meest geschikt voor ons is; dat wij precies krijgen, wat wij in alle gevallen verdienen, en dat alle ervarin­gen, die op onzen weg komen, juist zijn wat wij nodig hebben, om ons de vereiste impuls te geven voor de volgende stap in onze ontwikkeling.

.

02. Vraag: Wat verstaat gij onder het woord Meester, en wordt de Roze­kruisersbeweging door Meesters bezield?

 

 

Antwoord: In het verre Oosten zoekt de leerling, die naar het hogere leven streeft, een "Meester", en is dan, figuurlijk gesproken, met handen en voeten aan hem gebonden. Hij moet de voorschriften van zijn Meester blindelings volgen, zonder de minste aarzeling of vertoon van nieuwsgierigheid aangaande de bedoeling van de aanwijzingen, welke ook, die hem gegeven worden. Hij moet zijn Meester alle mogelijke persoonlijke diensten bewijzen, ten koste van wat voor ongelegenheid voor hemzelf ook; kortom hij wordt feitelijk de slaaf van een dik­wijls zeer veeleisende lastgever.

 

Dat lijkt een zeer barbaarse methode, maar het is zonder twijfel de enige manier om de traagheid van den Oosterling te overwinnen, en daar zij een minder gevorderde klasse van Ego's vormen, zijn zij aan dienstbaarheid en slaafsheid ge­wend, zodat dit hun fijnere gevoelens geen geweld aandoet. Hier in het Westen echter zou een dergelijke methode absoluut verlagend zijn, want wij zijn tot zulk een stadium van individua­liteit gestegen, dat wij alleen maar door activiteit van binnenuit vorderingen kunnen maken, en als wij al iets beloven of enige gelofte op ons nemen, behoorden wij ons niet aan iemand anders te verbinden, maar onze beloften en verbintenissen onszelf op te leggen, want als wij onze geloften tegenover ons­zelf niet houden kunnen, kunnen wij ze zeker tegenover ande­ren niet houden.

 

Bovendien kunnen wij een belofte aan een ander breken en hem toch in den waan laten, dat wij trouw gebleven zijn, maar wij kunnen onszelf niet misleiden. Als wij een gelofte breken, die wij aan onszelf gedaan hebben, dan weten wij dat dadelijk, en daarom leert men de leerling in het Westen zijn geloften alleen maar aan zichzelf te doen, want dat is sterker dan enige gelofte aan een buitenstaander. De leraar in het Westen is de beste vriend en raadgever van den leerling, want hij volgt het voorbeeld van den Christus, die tot zijn discipelen zei: "Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijkerwijze ik u liefgehad heb. . .. Gij zijt mijn vrienden, zo gij doet wat ik u gebied. Ik heet u niet meer dienstknechten; want de dienst­knecht weet niet, wat zijn heer doet; maar ik heb u vrienden genoemd; want al wat ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb ik u bekend gemaakt." (Joh. XV, vers 12, 14, 15.)

 

Het Rozekruisers Genootschap wordt niet door dergelijke leraren gesteund of bezield; zij gaven aan schrijver dezes bepaalde leringen op voorwaarde, dat hij ze naar zijn beste krachten zou verspreiden, en zij verklaarden zich bereid ook anderen te helpen, die zich voor dat onderricht geschikt maakten. Bestudeerders van deze leringen hebben zich aaneengesloten ter wille van gemeenschappelijke studie, maar er bestaat geen vast omlijnde, hechte organisatie, noch ligt het in de bedoeling er een te vormen: ieder kan die leer krijgen, waar hij maar wil. Wij geven er zelfs de voorkeur aan, dat een ieder in zijn kerk blijft.

.

03. Vraag: Indien iemand, die in de door de Rozekruisers verkondigde leringen gelooft, in alle ernst beweert dat zij wáár zijn, loopt hij dan geen gevaar dogmatisch te worden en onverdraagzaam voor de meningen van anderen? En hoe moet zijn houding zijn tegenover hen, die deze leringen weigeren te aanvaarden?

 

Antwoord: Het is van het hoogste belang, dat wij het feit erkennen, dat men tenminste in ons huidige, beperkte bestaan, onmogelijk de absolute waarheid kan bereiken. Daarom is datgene, wat ons "waarheid, en niets dan de waarheid" toe­schijnt, waarschijnlijk per slot van rekening slechts een ge­deelte van de waarheid. Naarmate wij evolueren en meer en meer gaan begrijpen, veranderen onze begrippen ten opzichte van het leven, de wereld en God. Daarom moeten wij ten allen tijde blijven openstaan, zodat wij nieuwe waarheden kunnen opnemen, en, alhoewel wij nooit lauw moeten zijn, maar altijd met vuur bezield voor dat, wat wij voor de waarheid houden, moeten wij toch nooit het feit vergeten, dat er nog grotere waarheden zijn, die wij nog niet geleerd hebben. Dan blijven wij ruim van denken en kunnen niet dogmatisch of bekrompen worden.

 

Sommige mensen worden zoo hevig geestdriftig, wanneer zij iets gevonden hebben, dat zij voor de waarheid houden, dat zij terstond een ware kruistocht gaan ondernemen, om ande­ren er toe te dwingen hun waarheid te delen. Dat is een grote fout. Als wij in een kerkgenootschap komen en vragen beginnen te doen, die twijfel wekken in de hoofden der leden en hun geloof aan het wankelen brengen, dan is het niet moeilijk een betreurenswaardige toestand van verwarring te stichten. Als dat wat wij te geven hebben, hen aantrekt en een steun voor hen wordt, zodat zij in een nieuw en verhevener geloof rust vinden, dan is het alles goed en wel..

 

Maar als het zo uitvalt, dat wat wij te geven hebben, boven hun bevatting ligt, of on­aannemelijk schijnt, dan kunnen wij hen in een hoogst ramp­zalige gemoedsstemming brengen, en het is zelfs mogelijk, dat zij tot materialisme, atheïsme of een andere droevige, scep­tische geesteshouding vervallen. In dat geval is dat onze schuld. Als regel behoorden wij altijd in de wereld uiterst kalm te zijn omtrent wat wij geloven of niet geloven, nooit nalatend een kleinigheid te pas te brengen, waar de gelegenheid zich voordoet, en als die enkele woorden tot een vraag aanlei­ding geven, moeten wij die zonder schroom beantwoorden. Op die wijze kunnen wij geleidelijk den vrager op weg helpen. Hij zal niet zo ver gaan, tenzij hij zoekende is, en zodra wij inzien, dat hij inlichtingen wenst, moeten wij hem alles geven, wat hij nodig heeft, en dat vrijuit. Maar wij herhalen, dat het een ernstige verantwoordelijkheid is, onze mening toe te vertrouwen aan oren, die onwillig of nog niet rijp zijn.

.

 

  Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  
**********

Stem Spirituele Vrienden in de
Top 100 NL



**********
Tellers

 

 LetsStat website statistieken