Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL

 

Webstats4U - Gratis web site statistieken Eigen homepage website teller
Gratis teller
  

 

        

Verhalen van Hendrik.

 
 

Deel 4

01. Een leven in het verborgene - 02. Gesprek met de engel - 03. De Loods - een verhaal over de Griekse oudheid - 04. Bij het sterven van mijn moeder - 05. Manu en Hori: een verhaal over de tijd na de Grote Vloed - 06. Sluiten geloof en wetenschap elkaar uit - 07. Mannelijke en vrouwelijke eigenschappen van mens en God  - 08. Mission impossible voor de atheïstische zending -

 

 

 



01. Een leven in het verborgene
- Hendrik Klaassens –



Met in zijn gang iets plechtstatigs, als van een verbannen keizer die in zijn ballingsoord met een mengeling van trots en weemoed het tableau van zijn roemruchte daden overziet, ijsbeerde hij zijn kamer op en neer. Hij was voor een beter leven geschapen, zoveel was zeker. De onrust in zijn binnenste was zo sterk, dat hij alleen aan zee rust kon vinden. De posters van planeten en verre sterrenwerelden, die aan alle wanden van zijn studeervertrek waren opgehangen, vormden daarvoor slechts een mager surrogaat, een absoluut minimum aan ruimte en weidsheid als tegenwicht voor het gevoel opgesloten te zitten. Maar het was een opgeslotenheid in de wirwar van zijn eigen binnenste, in het verkrampte tasten en zoeken naar iets bruikbaars temidden van alle hele en halve plannen die voortdurend in hem opborrelden. Niets is vermoeiender, dacht hij, dan de hele dag niets te doen en onophoudelijk plannen uit te broeden waarmee hij de mensheid kon verblijden, zonder ooit zelfs maar de aanzet te geven om ze te realiseren. Je kon nog beter hout gaan sprokkelen in het bos of een partijtje voetballen met de jeugd uit de buurt dan je de hele dag onledig houden met fantaseren over de grandioze dingen die je allemaal zou kunnen doen. Wie zo leeft, verdwaalt op den duur onherroepelijk in zijn zelfgeschapen koninkrijk der verbeelding. Na elk niet of maar half uitgevoerd plan wordt de hoop op een echte doorbraak doffer, gaan de sappen langzamer stromen en wordt de blik droef en donker. Een eenzaam wegkwijnen in eigen spelonken is het resultaat, een leven dat drijft op de kurk van tranquillizers, voorgeschreven door meelevend kijkende medici met iets sussends in hun stem.

Hij opende een raam en hoorde vanuit de verte het gelach van een groepje mannen. In de tuin van een verre overbuur was een verjaardagsfeestje aan de gang. Onder een roodwit gestreepte partytent, die vage reminiscenties opriep aan middeleeuwse riddertoernooien, zaten enkele mannen in korte broek, een bierflesje loom in de hand, moppen te tappen. Barbecuegeuren vulden de straat en drongen zijn neusgaten binnen. Vol walging sloot hij daarop het raam. Toch bespeurde hij in zichzelf ook een sprankje jaloezie, de afgunst van de buitenstaander op de anderen die er wél bij horen.


Erg was dat echter niet. Hij had de afzondering immers welbewust gekozen. In de gewijde stilte van zijn studeervertrek bedreef hij de alchemie van de geest. Aan de hand van karrenvrachten boeken over mystiek, spiritualiteit, sterrenkunde, archeologie en bijna-doodervaringen trachtte hij de loop van de kosmos, de oorsprong en het doel van het al te doorgronden. Op die eenzame speurtocht was hij al een heel eind gevorderd. Gedurende de jaren waarin hij een meer actief leven had geleid en zelfs jarenlang met overgave de theologie had bestudeerd, was hij boeken op het spoor gekomen waarin ontdekkingen en verborgen samenhangen werden onthuld die zijn stoutste fantasieën van weleer in weidsheid en diepgang hadden overtroffen. Het enige wat hem nu nog ontbrak, memoreerde hij, was de vaste wil en het lef om volgens die moeizaam verworven inzichten te leven. Hij had de Ararat van de ziel bestegen en bedwongen. Nu restte hem de opgave om, beladen met al dat geestelijke goud, af te dalen naar het leven van alledag om te beproeven wat die jarenlange eenzaamheid uiteindelijk waard was geweest.


Hij ging achter zijn schrijftafel zitten en knipte de bureaulamp aan die hij nog van zijn vader had geërfd. Eigenlijk was het zijn vader geweest, zo moest hij tegenover zichzelf toegeven, die zijn bestaan als mystieke zoeker mogelijk had gemaakt. Tien jaar geleden was zijn vader gestorven na een leven van hard en verkrampt werken. Een klein vermogen had hij hem nagelaten waardoor elke dwingende reden om te werken was komen te vervallen. In plaats van de bloemetjes buiten te zetten had hij zich echter steeds meer in de leer van de mystieken verdiept. Onverdroten was hij steeds dieper door blijven boren naar de geheimen van het leven, naar doel en zin van zijn eigen bestaan. 'Door de steilten naar de sterren' was zijn devies dat immer in zijn hart geschreven stond. Gewapend met handenvol kennis was hij nu, maar toch bleef het binnenin hem knagen. Eigenlijk zocht hij mensen om zijn zielenroerselen mee te delen, om te vertellen wat hem bewoog en raakte. Groepen had hij opgericht, gespreksgroepen van geestverwanten, eenzame dolers zoals hijzelf, die alles op alles zetten om hun eigen leven en de wereld van de geest in het algemeen te begrijpen.
Jarenlang waren deze kringen bijeen gekomen, meestal in de beslotenheid van zijn eigen huiskamer. Niet alleen om over de eigen ervaringen te praten, maar ook om gezamenlijk spirituele werken te bestuderen die weinig bekendheid genoten, maar desondanks - of misschien juist daarom - vervuld waren van een diepe wijsheid. Een enkele maal was een paragnost uitgenodigd om tijdens zo'n avond het woord te voeren. Ook hadden ze een toneelavond bezocht waarop het leven van de mysticus Johannes van het Kruis werd uitgebeeld. Maar door animositeit - onderlinge ruzies die in achterkamertjes werden uitgevochten - én doordat men na verloop van tijd was uitgepraat, waren deze groepjes op den duur ter ziele gegaan. En zo zat hij weer alleen op zijn zolderkamer en staarde uit over de boze wereld die zichzelf zo slecht begreep.


Het enige dat uit die roerige periode van studeren en discussiëren overgebleven was, was het schrijven. Als hij daar de tijd en de rust voor vond, schreef hij korte verhalen en artikelen. Ook recenseerde hij af en toe nieuwe uitgaven op spiritueel gebied. Dat gaf hem een diepe bevrediging. Je kon daardoor immers een groot publiek kennis laten maken met boeken die niet alleen vragen opriepen, maar ook echte antwoorden gaven op de raadsels van het menselijk bestaan, zoals de fascinerende vraag naar het leven na de dood.


Zijn belangrijkste bezigheid bestond echter uit het vertalen van boeken van mystici, evenals het corrigeren van de ruwe vertalingen die door anderen waren opgesteld. Taai en moeizaam werk was dat, monnikenwerk zou je wel mogen zeggen. Toch gaf hem dat voldoening, omdat het tegemoet kwam aan zijn behoefte om mee te helpen bij de verspreiding van diepe geestelijke wijsheid. Daardoor kon hij ook het geduld opbrengen om maanden achtereen aan één en hetzelfde boek te blijven werken. Bovendien vulde het een deel van de eenzaamheid op die hem als een taaie kompaan vergezelde. Hij had, zo besloot hij, toch wat meer mensen om zich heen nodig om zich werkelijk gelukkig te kunnen voelen.



Hij knipte zijn bureaulamp uit en sorteerde de paperassen die voor hem lagen. Met het vaste voornemen zich wat meer onder de mensen te begeven kroop hij even later onder de wol. Al gauw sluimerde hij in.


Het feest bij de overburen was afgelopen. Er klonk zacht gerinkel en een enkele verwensing toen de bierflesjes bij elkaar werden geraapt. De witte tuinstoelen werden op elkaar gestapeld. Maar dat hoorde hij allang niet meer. Kalm lag hij op zijn rechterzij en gleed weg in de donzen stilte van de nacht.



Hendrik, 1998.



02. Gesprek met de engel

- Hendrik Klaassens -

 

Deel 1 : De verschijning



Het gebeurde na middernacht. Ik lag te woelen op mijn bed, ontwaakt uit een nare droom. De dekens lagen verfomfaaid om mij heen en met mijn transpirerende vingers draaide ik de elektrische wekker een halve slag, zodat ik kon zien hoe laat het was. Half drie. In de verte sloeg de torenklok van de kathedraal, dof en met een hese galm die ver droeg op de vlagen van de najaarswind.

"Wat maakt je zo onrustig? Waarom kun je de slaap niet vatten?"
Verschrikt draaide ik me om. Een man, in het wit gekleed, zat aan het voeteneind van mijn bed. Zijn ogen rustten vastbesloten op de mijne.
"Nee, wees maar niet bang." Zijn hand maakte een luchtig gebaar alsof hij mijn schrik daarmee weg wilde wuiven. "Nou?"
Ik herstelde me, keek tersluiks naar mijn vrouw, maar die sliep rustig door.
"Ik erger me", antwoordde ik. "Er zijn een paar mensen die me al maanden tegenwerken. Ik kan ze wel verrot slaan zo langzamerhand."
"Zo". Hij tuitte zijn lippen en keek me geamuseerd aan."Dat is niet zo mooi. Wat hebben ze jou dan aangedaan?"
De nonchalante en vrijpostige houding van de engel - of wat het ook maar was - begon me te irriteren, maar tegelijkertijd zag ik nu ook mijn kans schoon om mijn gal te spuwen over mijn kwelgeesten.
Met horten en stoten kwam het hele verhaal eruit. Meer dan een half jaar geleden was ik vol frisse en oorspronkelijke ideeën, barstensvol elan aan mijn nieuwe baan als hoofdredacteur begonnen. Mijn eerste aanzetten tot een andere beleid waren enthousiast ontvangen, maar al gauw was door persoonlijke rivaliteit de eerste oppositie tegen mijn nieuwe koers ontstaan. Langzaam maar zeker had die zich uitgebreid, totdat er een heuse strijd om de macht was ontbrand, die de redactie in twee blokken verdeelde die vochten om de hegemonie.

Toen ik mijn hele verhaal had gedaan en mijn ogen waren beginnen te fonkelen van woede, hief de man zijn rechterhand. "Zo is het wel genoeg." Onverstoorbaar bleef hij mij aankijken. Een tijdje zaten we zo oog in oog. Plotseling begon hij echter te lachen. Het werd zelfs steeds erger. De engel sloeg zich op de dijen en snikte het uit van de pret. "Jij moet nog veel leren, neem dat maar van mij aan. Kom, geef me je hand."
De beelden om mij heen vervaagden en ik verzonk in een droom.

Ik was een klein jongetje van een jaar of vier. Samen met een paar leeftijdgenootjes speelde ik in een oude, vervallen garage. Eén was er de leider, een oudere jongen met een verschoten spijkerbroek aan. We speelden cowboytje. Twee bendes bevochten elkaar op leven en dood om een goudschat die in een vervallen werkplaats was verstopt.
De strijd golfde op en neer. Nu eens hadden wij de overhand en wisten wij de tegenpartij de goudschat te ontfutselen, dan weer drongen zij op en namen een paar van onze krijgers gevangen. Zo grepen ze ook Bert, mijn beste vriend, plotseling van achteren vast en sleurden hem mee naar een garagebox die hen tot rovershol diende. Ik probeerde hem uit alle macht daaruit te bevrijden, maar dat lukte me niet omdat de leider van de tegenpartij, een knaap die twee keer zo oud was als ik, zich bovenop me wierp en me tegen de grond drukte. Toch wist ik me te bevrijden; snel verstopte ik me achter een roestige trekker.
Even later hoorde ik mijn vriendje schreeuwen. Sloegen ze hem? Woedend greep ik een metalen stang en stormde daarmee naar voren, op het roversnest van de tegenpartij af. Wild om me heen maaiend met het gevaarte baande ik me een weg door de kluwen jongens, die Bert stompten en sloegen. Ik hief de metalen stang om zijn belagers uit te schakelen. Op dat moment verscheen er echter plotseling een man in het wit voor me. Dreigend stond hij voor me, met geheven armen. "Terug!", gebood hij. Ik schrok hevig en liet het wapen zakken.

Badend in het zweet werd ik andermaal wakker.
De engel zat nog steeds aan het voeteneind van mijn bed.
"Heb je het begrepen?", zei hij heel kalm en vriendelijk. Ik knikte.

 

 

Deel 2: Stroomuitval op de kermis. De barre tocht.



Andermaal viel ik in slaap. Ik droomde dat ik als jongetje van een jaar of twaalf 's avonds laat door de stad liep. Eigenlijk had ik al lang thuis moeten zijn, maar er was kermis op de Grote Markt en omdat ik verzot was op botsautootjes, wel eens een ritje wilde maken met het reuzenrad en een gokje wilde wagen bij het ballen gooien, was ik stiekem langer weggebleven dan mijn ouders hadden toegestaan.
Elf uur was het al. Overal flonkerden, schitterden en flikkerden de lampjes van de diverse stands en attracties op het kermisterrein. Het gebrul uit de speakers vormde één bonte kakofonie; alleen wanneer je je binnen een straal van drie meter van één van de attracties bevond kon je nog iets verstaanbaars opvangen van alle aanprijzingen waarmee de kermisbazen klandizie hoopten te trekken.



Als bij toverslag doofden echter plotseling alle neonlampjes, en van de ene seconde op de andere vervielen de overbelaste luidsprekers op het plein in een hardnekkig stilzwijgen. De stroom was uitgevallen! Ook de straatverlichting was gedoofd: de neonlampen hoog in de staalgrijze masten gloeiden nog dof na als waxinelichtjes die pas waren uitgeblazen.
Verward bleef de mensenmassa staan. Enkelen gingen naar huis, schuifelend, tastend, nog wat verblind door de lampen die pas waren gedoofd. De meeste mensen bleven echter waar ze waren, mompelend, samenscholend. Dit duurde echter niet lang, want wat gebeurde daar? Ik hoorde het geluid van brekend glaswerk en houten schotten die werden neergehaald.
Toen mijn ogen aan het halfduister waren gewend, zag ik wat er gaande was: een groepje opgeschoten jongelui was bezig de kassa van het reuzenrad te plunderen! Ook elders sloeg de massa aan het muiten. Her en der speelden zich verhitte gevechten af tussen de opdringende menigte en kermisbazen, die hun attractie tegen plundering en algehele teloorgang trachtten te beschermen. De hel was losgebroken, ik moest maken dat ik wegkwam!

In het gedrang en de paniek die zich van de menigte had meester gemaakt probeerde ik mij een weg te banen naar een aangrenzende winkelstraat, maar de massa drong zo op dat alle moeite tevergeefs was. Een nieuw Heizeldrama leek in de maak!

In mijn angst begon ik te bidden. Daarop ontstond er een opening in de bewolkte lucht boven het kermisterrein. Een lichtend platform daalde langzaam en statig af naar het plein. Op zo'n twintig meter hoogte bleef het roerloos boven de kraampjes en attracties hangen.
Niemand in mijn omgeving scheen dit vreemde gevaarte te hebben opgemerkt. Was het dan misschien een stand die op een eigen noodaggregaat was overgeschakeld en zo de strijd om de publieksgunst in zijn voordeel hoopte te beslechten? Maar nee, mannen in witte kleren, met blinkende vleugels op hun rug, wenkten me. Ze lieten een ladder neerdalen die als een telescoopantenne uitschoof. Vlak voor mijn voeten kwam het metalen gevaarte bonkend op de tegels van het marktplein tot stilstand .

Zo snel als mijn benen me konden dragen begon ik de ladder te bestijgen. Hoger en hoger klom ik, ik had het lichtend platform al bijna bereikt. Nog een paar treden en ik was in veiligheid. Maar wat was dat voor een vreemde gedaante die mij de weg versperde? Een engel met een gummiknuppel in de hand gebaarde mij om terug te gaan. Dreigend hief hij het gevaarte naar mij op als wilde hij mij terugdringen naar het marktplein.
Schichtig keek ik om en constateerde dat de situatie beneden nog even precair was als een paar minuten geleden. Het was zelfs nog erger geworden, want de politie was gearriveerd om de orde te herstellen.
Enkele volkswagenbusjes van de Hermandad hadden zich in een gesloten formatie aan één kant van het plein geposteerd. Ze trokken nu langzaam op in de richting van de kermisattracties, die al hun aantrekkelijkheid inmiddels hadden verloren. De vloekende en tierende menigte onder me was bezig de stands te slopen. Het dak van de ballentent kwam krakend naar beneden en de pandaberen van de gokstand vlogen buitelend door de lucht. De waarzegster werd door een lallend groepje nozems gejonast . Elders probeerden straatjongens de botsautootjes weg te slepen. Boven het razen van de plunderende massa uit klonken de scherpe commando's uit de megafoons van de politie, die de menigte - tevergeefs echter - probeerde te verspreiden.

Door dit alles werd ik aangegrepen door zo'n diepe angst, dat ik me met geweld langs de man in het wit probeerde te wurmen. Hij drong me echter terug. Dreigend hief hij andermaal zijn knuppel naar me op en gebaarde dat ik de ladder af moest dalen. Ik begreep er niets meer van. Waarom waren ze mij dan te hulp gekomen? Ze wilden mij toch redden?
Beneden op het plein raakte ik opnieuw bekneld in het gedrang. Opnieuw begon ik te bidden. Als ik er niet in slaagde om snel weg te glippen zou ik door de massa worden doodgetrapt. Gelukkig werd mijn gebed verhoord. Vóór me opende zich een donkere tunnel die door enkele zwakke lampjes werd verlicht. Aarzelend, wantrouwend geworden door mijn vorige ervaring, liep ik de tunnel in.
Aan weerszijden van deze diepe schacht bevonden zich kamers met gruwelijke gedaanten erin. Terwijl ik er langs liep, vielen ze naar me uit. Met hun blikkerende tanden hapten ze naar me. Anderen riepen me heftige verwijten na of zwaaiden dreigend met hun behaarde armen, alsof ze me wilden wurgen. Ik vocht, stompte en sloeg verwoed om me heen.
Terwijl ik door de tunnel liep en me een weg baande door de gedrochten die me de doorgang wilden versperren, werd ik geleidelijk ouder en ouder. In het begin had ik dat niet zo in de gaten, maar toen ik helemaal aan het eind van de schacht gekomen was, bereikte ik uitgeput, oud en kromgebogen de uitgang. Mannen in witte kleren wachtten me daar op. Juichend haalden ze me in en droegen me weg.

 

 

Deel 3 : De belofte van de engel

Inktzwart was het om mij heen. Hoe ik ook tuurde, nergens was er een spat licht te ontdekken. Ook voelde ik nergens vaste grond onder mijn voeten. Mijn vingers tastten slechts in de lege ruimte. Toch voelde ik zwaarte en massa in die donkerte. En van heel ver hoorde ik een gebulder, een dof gerommel dat langzaam aanzwol en allengs bezit nam van deze immense ruimte.
Een heel klein vlammetje maakte zich opeens uit die baaierd los. Speels, bijna dansend, bewoog het door die inktzwarte massa om mij heen. Het deelde zich in tweeën, en andermaal, nu in vieren. Steeds sneller vermenigvuldigde het zich. Golf na golf, puls na puls plantte het zich door de eindeloze ruimten voort. In de peilloze diepten voor me zwol het langzaam aan tot een flonkerend wiel van licht dat zich uit de donkere, wervelende massa losmaakte. Majestueus verhief het zich uit de wereldruimte en zweefde statig weg als een eiland van licht. Dit schouwspel herhaalde zich telkenmale, totdat de hele ruimte gevuld was met lichtende spiraalarmen waarin blauwe reuzensterren - pas geboren uit waterstofwolken - als blauwe diamanten fonkelden.

 


Uit één van die spiraalarmen maakte zich een miniem lichtstipje los. Toen ik me uit alle macht inspande om het goed te kunnen zien, ontdekte ik dat het een metalen voorwerp was dat schitterde in het diffuse licht van een spiraalarm. Het was een ruimteschip! Op deze ontdekking volgden er meer. Honderden, ja duizenden speldenknopjes bewogen zich door de ruimte en vulden het met hun gezoem en gebliep. Het leken wel bijen die op zoek waren naar bloemen die ze konden bevruchten, met het verse stuifmeel onder hun vleugels.

Met een glimlach op mijn lippen werd ik wakker.
De engel boog zich naar mij toe. Hij knipoogde. "Heb je het begrepen?" vroeg hij kalm. Ik knikte.

 

 

Hendrik Klaassens.

 

 

 

03. De loods – een verhaal over de Griekse oudheid


Nu de storm is geluwd en de rotsige contouren van de Ionische kust aan de einder zijn verschenen, lijkt er spoedig een einde te zullen komen aan de wonderlijkste oversteek over de Aegeïsche Zee die ik ooit als gezagvoerder van een koopvaarder heb meegemaakt. Alles aan boord is rustig. De enige geluiden die tot mijn hut doordringen zijn het klotsen van de golven en de ritmische cadans van de roeiers die, drie rijen sterk, met hun riemen het water doorploegen. De paar uren die mij nog resten voordat we afmeren aan de kade van Milete, onze eindbestemming, zal ik gebruiken om verslag te doen van alles wat ons is overkomen sinds wij het anker lichtten in onze thuishaven Piraeus.

 

 

De eerste maanden van onze tocht verliepen voorspoedig. Met een frisse bries in de zeilen voeren we steeds oostwaarts over de Aegeïsche Zee. Tal van eilanden deden we aan om te fourageren en handel te drijven met de stammen die wij er aantroffen, sommige Griekssprekend, andere brabbelend in een barbaarse tongval, veelal nazaten van Feniciërs en Kretenzers die nog rond hun haardvuur dromen van een roemrijk verleden.
Reeds waren wij naar schatting vijftienhonderd stadiën gevorderd en de Ionische kust tot op achthonderd stadiën genaderd, toen het weer omsloeg en Poseidon met zijn Nereïden de wateren begon te teisteren. Dag en nacht waren wij in de weer om ons schip de 'Piraeus' op koers te houden. We slaagden er, zij het met moeite, in om te voorkomen dat het kapseisde. Desondanks brak op de vijfde dag het roer, zodat wij ons genoodzaakt zagen aan te meren op het eerste eiland waarnaar de immer razende Poseidon ons voortdreef.
Zoals de contacten met de ingezetenen ons spoedig leerden, waren wij beland op Thera, een eilandje ten noorden van Kreta. In ruil voor een aantal vaten met wijn waren de eilanders bereid ons schip weer zeewaardig te maken. Vlijtig timmerend aan het roer en de masten, die ook aanzienlijke schade hadden opgelopen, en elkaar onderwijl aanwijzingen toeschreeuwend in hun uitheems dialect, klaarden zij het karwei in drie dagen, zodat wij al spoedig onze reis konden vervolgen.


Bij stralend weer en weinig zeegang navigeerden wij door het eilandenrijk van de Cycladen. Af en toe verschenen er groepjes dolfijnen. Soms begeleidden ze ons schip een tijdje, waarbij ze sierlijke sprongen uitvoerden en snaterden dat het een aard had. Eén fors uit de kluiten gewassen exemplaar maakte er zelfs een spelletje van om ons schip telkens tot op enkele manslengten te naderen, waarna hij, wiebelend op zijn staart, een eindje meezwom. De bemanning kreeg schik in het beest en een matroos sprong overboord in een poging het vrolijke dier te berijden zoals, naar men zegt, de Kretenzers in vroeger tijden deden. Maar na enkele duikelingen in het zilte water moest hij, onder het gejuich en gejoel van zijn collega's, zijn pogingen staken. Proestend en happend naar adem hees hij zich weer aan boord.

 

 

Na zo een week met gunstige wind en kalme zee te zijn gevaren, stak andermaal een storm op, heviger nog dan de vorige keer. Sombere wolken pakten zich boven ons samen en een gure noordenwind wierp ons ver uit koers. Toen wij na een doorwaakte nacht bij zonsopgang de ogen opsloegen over zee, waren wij getuige van het vreemdste schouwspel dat bij mijn weten ooit een sterveling heeft gezien.
Zo ver het oog reikte strekten zich kleine, bergachtige eilanden voor ons uit. Hun rotsige kusten, die steil oprezen uit de golven, waren gehuld in een blauwachtige nevel. Hoog daarboven ontwaarden wij de kegels van vulkanen. Ze brachten een dof gerommel voort en hulden de omgeving bij tijd en wijle in een vuurgloed, waarbij een kolkende stroom lava de hemel inspoot. Mijlen verder belandden de vuurregens sissend en spattend in zee. Groepjes watervogels cirkelden krijsend over. Ze probeerden het eilandenrijk te ontvluchten, maar de noorderstorm wierp hen steeds verder terug. Reeds tuimelden er een paar, getroffen door gloeiende brokstukken, in de golven. Wij vreesden hetzelfde lot te zullen ondergaan en smeekten Poseidon om het dreigende gevaar af te wenden, maar er gebeurde ogenschijnlijk niets dat verandering zou kunnen brengen in onze hachelijke situatie; met grote snelheid stevenden wij op de werkende vulkanen af.

 

Wij hadden de hoop op een behouden thuiskomst al opgegeven toen ik, spiedend over bakboord, een vreemd vaartuigje in het oog kreeg. Een klein schip, dat over slechts één zeil beschikte, dreef daar ogenschijnlijk kalm aan ons voorbij. Een bebaarde vreemdeling lag er op het dek te slapen. Kennelijk deerden de vulkanische vonkenregens hem niet. Doodgemoedereerd had hij zich op het dek van zijn nietig schuitje uitgestrekt.


Ik probeerde hem boven het razen van de storm uit te waarschuwen voor het naderende gevaar. Dat had succes. Ogenblikkelijk kwam hij overeind. Hij vroeg of we zijn hulp konden gebruiken. De man beweerde vertrouwd te zijn met deze omgeving en zich niet druk te maken over het woeden der elementen.
Vlug wierp ik een touwladder over bakboord, waarlangs hij verbazend handig naar boven klom. Eenmaal aan dek beland stelde hij zich voor als een arts uit Kythera die zich in deze contreien had gevestigd en bij gelegenheid passerende schepen in nood hulp placht aan te bieden. Ondanks zijn vriendelijk voorkomen en welbespraaktheid stond iets in deze vreemdeling me echter niet zo aan.


"Probeer u voor te stellen dat dit oord der verschrikking slechts in uw verbeelding bestaat", sprak hij, toen ik hem benedendeks had geleid, waar de galeislaven hun ongelijke strijd voerden tegen het woeden der elementen. "De vulkanen die u daar ziet zijn alleen maar producten van uw eigen angst; zodra u dat doorziet zal de storm gaan liggen en zullen de vulkanen oplossen als waren zij er nooit geweest", hield hij vol.
Omdat de man in deze archipel thuishoorde en tamelijk zeker leek van zijn zaak, op het arrogante af zelfs, besloot ik gehoor te geven aan zijn verzoek. Ik gaf de roeiers opdracht de spanen binnenboord te halen, zodat zij eindelijk hun gekromde ruggen konden rechten. Vervolgens probeerde ik me voor te stellen dat de kust veilig was, misschien wel tegen beter weten in.


Tot mijn eigen verbazing begon de storm daarop te luwen en verdwenen de vulkanen uit het zicht. De wind ruimde geleidelijk naar het westen en, hoewel nog steeds krachtig, vormde zij geen directe bedreiging meer. Door de krachtige storm was onze vracht, bestaande uit amforen en brons, echter gaan schuiven zodat het schip slagzij maakte. Met man en macht werd geprobeerd de wanordelijke toestand in het ruim weer meester te worden. Bovendien waren de zeilen, die we niet meer op tijd hadden kunnen binnenhalen, op diverse plaatsen gescheurd.

 

 

 

De grootste verrassing moest echter nog komen. De stuurman, die bij mijn gesprek met de grijsaard aanwezig was geweest en van meet af aan een afwachtende houding had aangenomen, maakte mij plotseling attent op een aantal eilandjes in het centrum van de archipel waarop, ondanks alle bezweringen van de vreemdeling, nog steeds vulkanen hun vurige lading de hemel in spoten. Weliswaar lagen wij niet direct in de vuurlinie, maar de gloeiende lavaregens stortten nog zó gevaarlijk dicht bij ons sissend en borrelend in zee, dat het me raadzaam leek onze koers iets te verleggen.

Niet alles was dus een product van mijn angstige fantasie, zoals de bebaarde vreemdeling had gezegd. Kennelijk vormde datgene, wat ik oorspronkelijk had gezien - een ononderbroken keten van eilanden met rokende vulkaantoppen - slechts een uitbreiding, een magische verdubbeling van de gevaren die er werkelijk schuilden in deze uithoek van de Aegeische Zee.
Dat maakte ik kenbaar aan de grijsaard. Daarop glimlachte hij slechts onder het mompelen van: "Maar dat heb ik u van meet af aan gezegd". Ik besloot om er, bij het horen van zoveel onbeschaamdheid, maar het zwijgen toe te doen. Nadat ik de man royaal - maar ook weer niet té uitbundig, daarvoor was hij te hooghartig - had beloond, liet ik hem op zijn eigen verzoek afzetten op een eilandje aan de rand van de archipel. Waarschijnlijk zou hij daar een nieuw schuitje bouwen, zodat het spelletje zich bij de passage van een volgend schip zou herhalen. Ik bedankte hem voor zijn adviezen.

 

 

Nadat de roeiers van de sloep weer aan boord waren gegaan, gaf ik bevel definitief koers te zetten naar de Ionische kust met als eindbestemming Milete. Vanaf het rotsige eilandje groette de grijsaard me nog een keer. Daarna draaide hij zich ongeïnteresseerd om en liep naar een grot, enkele meters boven de zeespiegel, wellicht om zijn eigen barbaarse goden aan te roepen. Vlak voordat hij aan het zicht werd onttrokken, loste zijn gestalte plotseling op in een groen schijnsel, dat nog een tijdje bleef hangen. Was de aanblik van de werkende vulkanen soms een drogbeeld geweest van Pallas Athene, die mij duidelijk wilde maken dat de gevaren, waartegen ik mij probeer te beschermen, minder groot zijn dan ik veronderstel? Of was de man misschien een afgezant van Poseidon die mij veilig door de storm wilde loodsen? Hopelijk wordt mij dat nog eens in een droom onthuld. Sinds die dag heb ik hem in elk geval nooit meer teruggezien.

 

Zoals ik aan het begin van mijn merkwaardig relaas al opmerkte, hebben we de archipel inmiddels achter ons gelaten en is de Ionische kust in zicht gekomen. De wit geplaveide kaden van Milete heb ik nog niet aan de einder kunnen ontdekken, maar dat is slechts een kwestie van enkele uren stug doorvaren, geholpen door de stevige westenwind. Met Zeus' hulp zullen we spoedig onze eindbestemming bereiken.

Hendrik Klaassens.

 

 

 

04. Bij het sterven van mijn moeder
- Hendrik Klaassens -


 

Op 7 oktober 2009 overleed mijn moeder. Ze was 89 jaar oud en verbleef sinds eind juli in een verpleeghuis. In de laatste maanden van haar leven had ik enkele gesprekken met haar over de dood en wat ons na de dood te wachten staat. Hoewel zij haar hele leven gelovig is geweest, begon ze af en toe toch te twijfelen aan een hiernamaals. Enkele dagen voor haar overlijden verdween die onrust.

 

In de nacht na mijn moeders overlijden had ik een overweldigend sterke ervaring waarbij ik heb gevoeld hoe het haar na haar dood verging. Ik voelde dat ze bij mij in de buurt was en zich afvroeg of ze tegenover mij alles wel goed gedaan had. In gedachten stelde ik haar gerust en liet haar duidelijk merken dat ik haar alle liefde, rust, geborgenheid en vrede toewenste die ze maar kon krijgen.
Ik zag haar daarop een tuin binnengaan met bloemen in allerlei schakeringen, een tuin die baadde in een oogverblindend sterk licht, dat een diepe, onaardse vrede uitstraalde. Zó intens waren dat licht en die liefde, dat ik erdoor werd overweldigd. Eén gedachte drong zich aan me op en stond me glashelder voor de geest: "Er is alleen maar liefde; liefde is de enige kracht in het heelal, buiten haar is er niets, alleen maar leegte. Liefde is de kracht die reikt van hier tot aan de uiteinden van het heelal."

Het maakte me sprakeloos en allerlei beelden trokken aan me voorbij. Ook kwam de gedachte in me op: "Het heeft geen zin om wie dan ook iets kwalijk te nemen, omdat je daardoor zowel je eigen leven als dat van anderen verzwaart". Die gedachte bevrijdde me, gaf me ruimte en betekende een geweldige opluchting voor me. Ik voelde me toen heel kalm, uitgebalanceerd en vredig van binnen, een vrede waarbij je de dingen accepteert zoals ze zijn en anderen in stilte accepteert zoals ze zijn, zonder ze meteen te willen veranderen. Het was een gevoel van liefdevolle, vredevolle acceptatie die rust en kracht geeft, wonden heelt en pijn volledig doet verdwijnen.

 

Hemel en aarde kunnen elkaar aanraken, soms, bij het sterven van iemand die héél veel voor je heeft betekend. De onaardse vrede die ik ervoer, was bijna niet te beschrijven. Het trilde diep van binnenuit door me heen, verlichtte alles, was een stralend licht in de nacht, een baken dat voor me uit ging.

Deze ervaring heeft alles in een ander perspectief geplaatst. Er is alleen maar continuïteit tussen leven en dood. Onze geest leeft in alle eeuwigheid, gaat over van de ene sfeer naar de andere, in onze oneindige opgang naar het stralende licht - totdat we weer verenigd zijn met onze goddelijke oorsprong en baden in een licht dat onze huidige voorstelling te boven gaat omdat we nog steeds glimwormen zijn vergeleken bij het machtige vuurtorenlicht van de hoogste geestelijke sferen.
Nederig maakt het ons, bescheiden, realistisch, nuchter... Maar soms kunnen we even bij God op tafel kijken, in een ondeelbaar moment, een bliksemflits in de nacht, bij het schijnsel van een vuurpijl die plotseling de hoogte inspuit en de weidse verten verlicht, zodat we ons kunnen oriënteren en het traject vóór ons zien dat we nog moeten afleggen.

 

Klein maakt zoiets, bescheiden, maar wel geeft het een gevoel van geborgenheid. De beklemming van de materie, het ingekerkerd zijn in het aardse, valt dan weg, verdwijnt, lost op om plaats te maken voor een verwijd bewustzijn: er is alleen maar liefde, al het andere is schijn.

Er schieten me een paar dichtregels te binnen. Ik schreef ze lang geleden, toen ik nadacht over de grens tussen leven en dood. Ze geven aan hoe ik dacht over de dood en de realiteit van de geest. Door deze ervaring heb ik ook op een intense manier ervaren wat de continuïteit tussen leven en dood inhoudt en wat het werkelijke doel is van ons leven:

 

“En eindelijk voor anker gegaan

voorbij alle leed en alle pijn

zullen wij als goden zijn,

de droom van het bestaan ontstegen.”     

 

 

05. Manu en Hori: een verhaal over de tijd na de Grote Vloed

 

 

Toelichting

Het verhaal dat nu volgt gaat over de wereld na de Grote Vloed, ergens in de verre toekomst. Het is een verhaal over de mensheid die teruggevallen is in het Stenen Tijdperk. De grote industrielanden konden het niet eens worden over een klimaatakkoord. Daardoor bleef de temperatuur op aarde alsmaar toenemen. De zeespiegel steeg tot ongekende hoogte en overstroomde grote delen van de aarde. Eeuwen later, toen het water terugviel naar het oude peil en de mensheid inmiddels tot een staat van barbarij was vervallen, vertelden de overlevenden elkaar mythen over de oorzaken van de vloed, die als een diepe wond in de ziel van de mensheid was blijven steken. Eén zo'n verhaal zie je hieronder. Zo ziet de mensheid eruit als onze moderne beschaving is weggevallen. Lees en huiver.

_______________________________________________________________

 

 

Manu en Hori

 

“Kijk”, zei Hori, en hij wees met zijn gebronsde armpje naar de oceaan die diep beneden hem tegen het rif klotste. “Zover het oog reikt, zie je water, blauwgroen tot de lijn waar de hemel en de zee elkaar raken. Toch is dat niet altijd zo geweest, Manu.”

De aangesprokene richtte zich loom op. Met zijn donkere oogjes knipperend tegen het zonlicht boog hij zich voorover. Dromerig staarde hij over de rotsen naar de woeste schuimkoppen die stuksloegen tegen de scherpe pieken van het rif.

“Er is een tijd geweest, Manu, dat de hele wereld bedekt was met water. Heb ik je dat verhaal al ‘es verteld?”

“Nee, maar je maakt me nieuwsgierig. Ga door.” Behaaglijk strekte Manu zich uit in het gras.

“Toen ik een week geleden langs de tent van Manichor de medicijnman kwam, hoorde ik hem op gedempte toon praten tegen Anchi, zijn leerling. Ik zette de emmer neer waarin ik water moest halen uit de bergbeek en sloop naar zijn tent om het gesprek goed te kunnen volgen. Wat ik hoorde was zó ongelofelijk dat ik het beslist aan iemand moet vertellen. Maar je mag er niet over doorpraten. Erewoord, Manu?”

“Erewoord”.

 

“Manichor zei dat heel lang geleden een slechte koning over de stam regeerde, Endor was zijn naam. Hij bezat wel vijftig vrouwen en had honderd zonen, de één nog slechter dan de ander. Overdag hield hij zich bezig met jagen en vissen. ’s Nachts hield hij woeste braspartijen, waarover af en toe nog wordt gefluisterd door de mannen van het dorp. Wie het waagde hem tegen te spreken sloot hij op in een donker hol waarin cobra’s leefden. Niemand kon daaruit ontsnappen.

Toch was hij een groot krijger. Van tijd tot tijd ondernam hij met zijn oudste zonen strooptochten naar naburige stammen. Daar roofde hij de schoonste vrouwen en de beste varkens. Goud en sieraden interesseerden hem niet, hij was een eigenaardig man. De allermooiste vrouwen die hij kon bemachtigen, sloot hij op in zijn harem, de rest van de buit verdeelde hij onder zijn zonen.

Na elke strooptocht bracht hij offers aan de stamgoden. Dan nodigde hij alle mannen van het dorp uit en liet de gestolen varkens slachten. Elke man mocht zoveel vlees eten als hij maar wilde en kreeg een geroofde maagd toegewezen voor de nacht. Zo genoot hij een zeker respect onder mensen en goden. Gevreesd en gehaat was hij, maar als je deed wat hij zei en hem geen strobreed in de weg legde, had je wel een goed leven.

 

Maar ook al bracht hij offers aan de goden en strooide hij, naar goed gebruik, bij volle maan een handvol stofgoud van de Drakenrots in zee, toch ging hij één keer zijn boekje te buiten, Manu.”

“Mmm.” Zijn vriendje lag met gesloten ogen te kauwen op een grassprietje.

“Luister je eigenlijk wel?”

“Ik ben één en al oor, klonk het dromerig, “ga alsjeblieft verder, Hori. Wat heeft Endor dan gedaan?”

“Iets heel ergs. Hij riep de toorn van de goden op, en wel op zo’n verschrikkelijke manier dat ze besloten om hem, samen met zijn honderd zonen, te doden.

Je weet, Manu, dat de priesteressen van de goden door geen man mogen worden aangeraakt. Endor liet echter, toen hij met succes een dorp in de vallei had overvallen, een priesteres in de boeien slaan en als buit meevoeren naar zijn harem. Lang, ravenzwart haar had zij en amandelvormige ogen. Zij was een dochter van het stamhoofd en al vanaf haar geboorte aan de goden gewijd. Haar gestalte was zó schoon dat geen man haar kon weerstaan. Om die reden moest zij haar dagen slijten in de tempel waar zij toezicht hield over de andere priesteressen, twaalf maagden uit de stamadel.

 

Al bij de eerste aanblik was Endor verloren en ook al kende hij de wetten die de goden hadden ingesteld, toch kon hij het niet laten om haar gevankelijk mee te laten voeren. Twee vertrouwelingen van hem, Esmerald en Loki, belastte hij in het diepste geheim met deze opdracht. Onmiddellijk nadat zijn mannen de tempel hadden bestormd, liet hij de priesteres afzonderen van de rest van de buit. Over steile bergpaden langs de kust bereikte het groepje drie dagen na de hoofdmacht het dorp. Daar werd de priesteres gevangen gehouden in een grot tot na het gebruikelijke offerfeest aan de goden.

Toen de mannen zich tegoed hadden gedaan aan het varkensvlees en de wijn en het hele dorp in diepe rust was verzonken, liet Endor de maagd uit haar schuilplaats halen. Het meisje verzette zich hevig toen hij haar wilde aanraken, maar tevergeefs. Haar smeekbeden en vervloekingen ten spijt verkrachtte hij haar, niet ver van de Drakenrots, een aan de goden gewijde plek.

 

Toen de goden dat zagen, ontstaken zij in toorn en overlegden hoe zij deze schanddaad moesten wreken. Na lang wikken en weken besloten zij om het land te plagen met een overstroming.

Daags na het offerfeest pakte een zware wolkenmassa zich samen boven de vallei en het berggebied langs de kust. Wekenlang gutste de regen neer. Men zegt dat, vòòrdat de eerste druppels vielen, alle beesten uit het gebied wegtrokken alsof zij van hogerhand voor de naderende catastrofe waren gewaarschuwd.

 

In hun nood begonnen de mensen tot de goden te bidden, maar al hun smeekbeden leken aan dovemansoren gericht. Zonder onderbreking bleef het hemelwater het land overspoelen totdat de zeespiegel zó sterk gestegen was, dat de vallei zich verenigde met de zee en de eerste visarenden opdoken. Bruinvissen en dolfijnen kwamen schools de bergkam overgezwommen, koraal en zeewier nestelden zich waar gazelles en springbokken hadden gegraasd en in de vergane resten van het dorp floreerden zeeanemonen en oesters met hun parelmoeren kleur.

 

Na twee maanden klaarde de lucht weer op; de goden hadden besloten hun wraakoefening te staken. Langzaam daalde het zilte water. Dag na dag kroop het over de berghellingen terug naar de vallei. Alleen rondom het laagste punt hield het stand. Daar vormde zich een meertje, het huidige Endormeer. Als een blijvende waarschuwing van de goden golft daar tot op de dag van vandaag het diepbruine water, vermengd met modder en gruis dat het water op zijn terugtocht van de berghellingen heeft meegevoerd. Men zegt dat bij volle maan soms nog de schim van de priesteres rondwaart op de noordelijke helling van de Drakenrots, waar zij door Endor werd verkracht. Daarom wordt die plek tot op de dag van vandaag door de dorpelingen gemeden.

 

Dat is het verhaal dat ik Manichor aan Anchi hoorde vertellen. De wereld vòòr de grote vloed noemden zij ‘de Oude Aarde’. We leven nu in ‘de Nieuwe Tijd’. Ze zeiden dat dit ook wel ‘njoe eets’ wordt genoemd of zoiets. Ze keken daarbij heel gewichtig, maar volwassenen kletsen wel meer, je kent dat. Wil je er verder met niemand over spreken, Manu?”

 

Zijn vriend richtte zich op. “Ik zal mijn mond niet voorbijpraten, dat weet je toch. Kom, laten we teruggaan naar het dorp. De zon staat al laag boven de oceaan en het wordt me hier te fris. Als we opschieten zijn we thuis voordat we in het donker de weg niet meer kunnen vinden.” Snel verwijderden ze zich van de Drakenrots. In de invallende duisternis spatten de golven van de oceaan onheilspellend stuk tegen de pieken van het rif. Eindeloos is de oceaan, en eindeloos is de wreedheid van de mensen.    

 

 

06. Sluiten geloof en wetenschap elkaar uit?

 

 

Sinds mijn studententijd heb ik me afgevraagd of geloof en wetenschap wel met elkaar kunnen samengaan en zo ja, waarom er desondanks vaak sprake lijkt van een onoverbrugbare kloof tussen die twee. Waarom verdragen ze elkaar toch vaak zo slecht? Zijn het dan twee volkomen van elkaar gescheiden gebieden, of is het mogelijk ze met elkaar te verenigen zonder dat één van beide tekort wordt gedaan? Omdat het ondoenlijk is om dat hele veld te bespreken, heb ik eerst ‘es geïnventariseerd wat er door de grondleggers van stromingen als de theosofie, de antroposofie en de nieuwe openbaringen (christelijke mystiek) tegen de wetenschap wordt aangekeken. Het waren alle drie mensen die veel over de relatie tussen die twee hebben nagedacht.

 

BLAVATSKY

Dr. Murdoch, een kenner van haar werk, schrijft over haar:

”Het voornaamste doel van H.P. Blavatsky was wetenschap, religie en filosofie te doen samensmelten, zoals blijkt uit de ondertitel van ‘De Geheime Leer’. Dit doel vindt men bovendien exact terug in het tweede Doeleinde van de Society.”

 

STEINER

Rudolf Steiner omschrijft het doel van zijn werk a.v.:

"wetenschap en godsdienst weer verenigen, God weer invoeren in de wetenschap, en de natuur in de godsdienst en zodoende de kunst en het leven opnieuw bevruchten."

 

JAKOB LORBER

Deze 19e-eeuwse mysticus schreef: "Pas in die tijd (d.w.z. de tijd van de wederkomst van Christus) zal Ik de oude boom der kennis zegenen en door hem zal de boom des levens in de mens weer zijn kracht terugkrijgen."

 

Als je dieper doorspit in deze materie, kom je veel meer voorbeelden tegen van zieners, theologen en mystici die beslist niet wars zijn van wetenschap, ontdekkingen of nieuwe inzichten. Ze zoeken eerder naar een synthese tussen de kennis van het hoofd en die van het hart, tussen magie en rede. Willekeur en subjectivisme horen daar zeker niet bij. Wél orde, systematiek en het open staan voor de wereld om ons heen. Een grappig voorbeeld daarvan is het feit dat het Vaticaan tegenwoordig over een eigen sterrenwacht beschikt waaraan wetenschappers van naam zijn verbonden.

 

Voor mijn gevoel is er niets mis met het verzamelen en systematiseren van wetenschappelijke kennis over de materiële wereld. Die kennis kan uitstekend worden gebruikt  om het leven van mensen aangenamer, gezonder en gelukkiger te maken. Toch zijn er ook grenzen aan wat ik nog acceptabel vind. Zo houden heel veel wetenschappers zich bezig met het ontwikkelen, verbeteren en testen van wapentechnologie. Wat daarbij vooral ontbreekt zijn algemeen aanvaarde normen over wat in ethisch opzicht wél en wat niet verantwoord is. Natuurlijk wordt daar wel over nagedacht, maar in de praktijk zie je dat in elke dubieuze industrie en veld van onderzoek geleerden werkzaam zijn, om over corrupte regimes maar te zwijgen. 

 

Wat de wetenschap blijkbaar te weinig heeft, heeft het geloof misschien wel te veel. Alle religies kennen een stelsel van normen, waarden, leefregels en sancties die het individuele en openbare leven reguleren. Ook kennen religies verschillende niveaus of dimensies van de werkelijkheid. Waar de reguliere wetenschappen alleen uitgaan van het bestaan van een fysieke wereld waarin vaste wetten regeren, gaan godsdiensten uit van verschillende bestaansniveaus.

 

 

Naast de fysieke wereld, die door de wetenschap wordt onderzocht, onderscheiden zij ook een geestelijke wereld, die het domein is van goden, hemelse en lagere geesten, evenals de zielen van de overledenen. Verder gaan religies uit van interactie tussen die bestaansniveaus. Zo kan God, een engel of de ziel van een overledene zich volgens alle religies aan een levend persoon kenbaar maken, bv. door een verschijning, het horen van een stem of materiële manifestaties.

 

Uiteraard staat men daar in de wetenschap over het algemeen heel gereserveerd, om niet te zeggen sceptisch of zelfs cynisch tegenover. Gelukkig zijn er uitzonderingen. De parapsychologie bv. onderzoekt verschijnselen als bv. telepathie, telekinese, bandstemmen en geestverschijningen. Je kunt zulke verschijnselen alleen onderzoeken als je ervan uitgaat dat er méér bestaansniveaus of frequenties zijn dan alleen de materiële. Naast de parapsychologie wordt ook in de theologie uitgegaan van een geestelijke wereld, die in wisselwerking staat met de concrete werkelijkheid.

Het grootste probleem dat zich voordoet in de relatie tussen de wetenschappen en religies is nu voor mijn gevoel dat vooral binnen de wetenschappen, die materieel of biologisch zijn georiënteerd (bv. de natuurwetenschappen en de medische wetenschap) ervan wordt uitgegaan dat alleen het concrete, fysieke bestaansniveau  het werkelijke is. Andere bestaansniveaus worden als niet-bestaand beschouwd. Preciezer gezegd: daar wordt volstrekt geen rekening mee gehouden.

 

Zo wordt binnen de medische wetenschap al vrij lang vastgehouden aan het paradigma (algemeen aanvaarde uitgangspunt), dat het bewustzijn het product is van de hersenfuncties. Dat betekent concreet, dat bij afwezigheid van aantoonbare hersenactiviteit géén bewustzijn meer mogelijk is. Desondanks heeft de cardioloog Pim van Lommel op een overtuigende manier laten zien dat het menselijke bewustzijn ook onafhankelijk van de hersenen kan functioneren. Mensen die tijdens een bijna-dood-ervaring geen enkele hersenactiviteit meer vertoonden (zgn. ‘flatliners’, bij wie het EEG een vlakke lijn vertoont, wat wijst op de hersendood), rapporteerden later, als ze gereanimeerd waren, vaak dat hun geest zich tijdens zulke momenten buiten het lichaam bevond. Vanuit die positie nam men allerlei dingen waar die later geverifieerd konden worden. Dat roept de vraag op of dit een bewijs is voor een voortbestaan na de fysieke dood. Het maakt het bestaan van een hiernamaals in elk geval wel aannemelijk.

 

De felle weerstanden die de resultaten van dit BDE-onderzoek bij veel van zijn collega’s hebben opgeroepen, geven duidelijk aan dat in dit geval een paradigma onder vuur is komen te liggen. Zijn conclusies zijn immers moeilijk te loochenen. Daarom haalt men alles uit de kast om zijn werk te torpederen. Zelfs aanvallen op zijn persoonlijke integriteit schuwt men daarbij niet. Blijkbaar is men bang dat een heleboel uitgangspunten, die met het paradigma van het bewustzijn samenhangen, op de helling moeten als men aanvaardt dat het bewustzijn ook onafhankelijk van de hersenen kan functioneren. Zelfs het accepteren van een hiernamaals komt dan immers binnen bereik. Het onderzoek naar bijna-dood-ervaringen, waar Van Lommel zich mee bezig heeft gehouden, zou daarom de scharnier kunnen betekenen tussen de materieel en biologisch georiënteerde wetenschappen aan de ene kant, en disciplines als bv. de theologie en de parapsychologie aan de andere kant, omdat zij verschillende bestaansniveaus onderscheiden, waarvan de fysieke wereld er maar één is.

 

 

De verschillen tussen de theologie en de natuurwetenschappen laten zien dat ook het begrip ‘wetenschap’ maar een verzamelnaam is voor een heleboel disciplines die onderling sterk kunnen verschillen. De theologie als de wetenschap die allerlei verschijnselen, teksten en uitingen op het gebied van de religies bestudeert, mag gerust uitgaan van een geestelijke wereld, terwijl daar in bijna alle andere disciplines – de parapsychologie uitgezonderd – geen rekening mee hoeft te worden gehouden. De verschillen tussen geloof en wetenschap kom je dus in zekere zin ook binnen het terrein van de wetenschappen zelf tegen, al worden ze daar niet zo sterk als echte tegenstellingen gevoeld. Je kunt bv. ook theologie studeren zonder dat je in God gelooft; je bestudeert dan alleen uitingen van het geloof van anderen, zoals teksten en rituelen, en probeert daar theorieën over op te stellen.

 

Groter is de tegenstelling tussen de religies zelf en de meeste wetenschappelijke disciplines. Dat heeft vooral te maken met de bron van de kennis waar ze uit putten. Godsdiensten baseren zich op openbaringen, terwijl wetenschappen zich bezig houden met het verzamelen, beschrijven en classificeren van kennis die door onderzoek is verkregen; daarbij mogen alleen methoden worden gebruikt die binnen die disciplines als geldig worden beschouwd.

 

Als je godsdienst puur opvat als de verzameling kennis die door openbaringen is verkregen, dan moet ook heel goed gekeken worden naar de eigenschappen, sterke en zwakke punten van de persoon die de openbaring heeft ontvangen. Ook de tijd en de cultuur waarbinnen de openbaringen zijn verkregen is van belang. Die menselijke factor mag nooit uitgeschakeld worden, maar ook niet overschat.

 

Zo heb ik de afgelopen jaren bv. gekeken in hoeverre de openbaringen van verschillende mystici over het heelal te rijmen zijn met natuurwetenschappelijk onderzoek. Daarbij kwam ik heel grote verschillen tegen: sommige mystici deden uitspraken over het heelal, die verrassend goed overeenkwamen met wat later door sterrenkundigen is ontdekt, terwijl anderen een beeld van de kosmos gaven dat daar sterk van afweek. In het laatste geval is er vaak sprake van het gebruik van allerlei symbolen en mogen de beschrijvingen niet letterlijk worden opgevat.

 

Als voorbeeld van het eerste wil ik o.a. mystici noemen als Lorber en Swedenborg; zij beschreven in de 18e en 19e eeuw structuren in het heelal, die sterk aan sterrenstelsels en clusters (groepen sterrenstelsels) doen denken. Ook wisten ze dat alles uit atomen is opgebouwd. Hildegard von Bingen, een Duitse mystica uit de 12e eeuw, gebruikte veel symbolen uit de toenmalige astrologie, waardoor haar uitspraken over de kosmos veel moeilijker toegankelijk zijn. Toch zit er een duidelijke systematiek in. Haar enorme kennis van de werking van geneeskrachtige kruiden, waarover zij veel heeft geschreven, laat zien dat ze een heel praktisch ingesteld iemand was. De symbolen zijn dan wel wat gedateerd, maar haar scherpe manier van denken doet toch heel modern aan.

 

Veel uitspraken van deze mystici kun je vrij goed verifiëren; ze zijn vaak betrouwbaar. Ook in deze tijd kun je ze nog wel toepassen. Toch zijn er ook wel openbaringen met een (voor mijn gevoel) dubieus karakter. Altijd blijkt dan weer dat de kwaliteit van een openbaring sterk afhankelijk is van de eigenschappen van de persoon die de openbaring ontvangt. Kortom: de geestelijke wereld heeft mensen nodig om zich kenbaar te maken, maar die openbaringen hullen zich dan wel in de gedaante van de tijd en de persoon in kwestie. Vaak wordt dat vergeten.

 

 

 

Dat brengt me meteen bij een ander punt, dat bij een vergelijking tussen wetenschappen en religies héél belangrijk is: de taal van openbaringen en van mystici verschilt sterk van de taal van wetenschappers. Een woord of begrip binnen de mystiek kan bv. een heel andere betekenis hebben dan in de natuurwetenschappen. Zo wordt binnen de mystiek onder de term ‘licht’ meestal het geestelijke licht – dus de wijsheid – verstaan, terwijl de natuurwetenschappen daarbij denken aan het fysieke licht van een aardse of kosmische bron.

 

Daar liggen nogal wat addertjes onder het gras. Om een simpel voorbeeld te noemen: de beide scheppingsverhalen in Genesis (er staan immers twee scheppingsverhalen in het Oude Testament) beschrijven het ontstaan van de wereld, waarbij elke fase een ‘dag’ wordt genoemd. Die dagen staan voor perioden of tijdperken, niet letterlijk voor een periode van 24 uur. Jammer genoeg zijn er hele volksstammen die toch vasthouden aan die letterlijke interpretatie. Het spreekt vanzelf dat dit op de buitenwacht heel ongeloofwaardig overkomt. Willen wetenschap en geloof ooit op een zinvolle manier met elkaar in gesprek raken, dan zal er allereerst gekeken moeten worden naar de taal en de betekenis van de begrippen die men hanteert, want daar zitten haast nog de grootste problemen.

 

 

Om te kijken in hoeverre religie en wetenschap elkaar verdragen op het internet, heb ik twee jaar geleden een rondje gemaakt langs verschillende forums over het Oude Egypte en over sterrenkunde. Wat me daarbij opviel, was dat noch sterrenkundige, noch archeologische sites uitingen met een religieus of politiek karakter accepteerden. Wie daarover begon, liep het risico dat zijn forumbericht werd verwijderd. Een discussie over de raakvlakken tussen geloof en wetenschap, spiritualiteit en rationaliteit, was daardoor onmogelijk.

 

Ik ben ook het tegenovergestelde tegengekomen, nl. dat op spirituele sites wetenschappelijke info - zeker als het in strijd was met de opvattingen van de beheerders - niet erg werd gewaardeerd. Ook uitingen met een christelijk karakter werden soms verwijderd.

 

In feite waren dat een paar steekproeven, maar helemaal toevallig was dat natuurlijk niet. Wat ik daarmee bedoel is, dat het vaak schort aan de wisselwerking tussen die twee. Men wil ófwel puur 'wetenschappelijk' blijven, maar neemt daarbij dan een houding aan van "Ben je religieus? Prima, maar doe dat dan maar bij een ander voor de deur", ófwel men blijft in spirituele sferen hangen, maar laat dan niet of slechts mondjesmaat gedegen informatie uit de hoek van de wetenschap toe. Men spreekt vaak niet met elkaar en houdt de boot zelfs af.

 

Dat vind ik jammer. Op die manier blijven het twee volkomen van elkaar gescheiden gebieden. Eigenlijk zou er véél meer uitwisseling en contact moeten zijn. Mijn hele leven ben ik al op zoek naar een synthese tussen die twee, naar een harmonisch evenwicht tussen verstand en gevoel, hoofd en hart, emotie en verstand, magie en rede. Ik denk wel dat zoiets mogelijk is, maar het is binnen spirituele kringen vaak verhipte moeilijk om de inhoud van een bepaald geloof te confronteren met wetenschappelijk onderzoek, zoals wetenschappers vaak ook de boot afhouden als het erom gaat hun kennis te vergelijken met de inhoud van religies.

 

De tijden lijken sinds de middeleeuwen niet echt veranderd. Nog steeds is er die kloof. Nog steeds is er veel onwil om de dialoog aan te gaan. Dat is jammer. Niet alleen voor mijzelf, maar vooral omdat er een tijd zit aan te komen waarin die kloof zal worden overbrugd. Ik geloof vast en zeker dat de komende transformatie van de aarde óók een transformatie van de wetenschap zal inhouden en dat er dan eindelijk wetenschap zal worden bedreven die een duidelijke ethiek kent en doordrongen is van het bestaan van een geestelijke wereld.

 

Er zullen technieken worden ontwikkeld om mensen sneller en effectiever te genezen. Misschien zullen ooit alle ziekten worden uitgebannen. Ook zullen er meer ontdekkingen in Egypte worden gedaan - ontdekkingen waardoor we sommige inzichten over die cultuur zullen moeten bijstellen. Het heelal zal beter in kaart worden gebracht. Nieuwe planeten zullen worden ontdekt, veraf en dichtbij, naast de ruim 300 die al door telescopen vanaf de aarde en in de ruimte (zoals de Hubble en de Spitzer) zijn waargenomen. Op den duur zal men ook met aardse instrumenten leven op andere planeten ontdekken. Het verleden zal steeds meer open voor ons komen te liggen en misschien zullen mensen ooit nog reizen ondernemen naar andere sterren.

 

Dat alles wordt pas mogelijk als éérst die kloof wordt gedicht, waardoor de wetenschap de geestelijke dimensie herontdekt, en ook de liefde met wijsheid wordt verbonden. Vaak is het nu óf het één, óf het ander. Beide polen – aarde en hemel, lichaam en geest – hebben elkaar nodig, horen onverbrekelijk samen. Pas als ze weer worden samengebracht krijgt ook de wetenschap de diepgang die nodig is om de mensheid verder te brengen. Door de eenzijdige gerichtheid op de materie staat ze nu immers nog vaak in dienst van allerlei kortzichtige doelen.

 

Hendrik Klaassens.

 

 

 

 07. Mannelijke en vrouwelijke eigenschappen van mens en God

 

 

In spirituele kringen wordt af en toe de vraag gesteld waarom vrouwen in het christendom stelselmatig worden ondergewaardeerd t.o.v. mannen.
Daarbij worden o.a. Maria en Maria Magdalena genoemd. Hun rol zou zijn onderschat.
Ook wordt vaak gesteld dat de leer van het christendom getuigt van minachting jegens vrouwen.
Is dat terecht? In hoeverre spelen sekseverschillen een rol in de christelijke leer?

 

 

In de christelijke traditie bezit God zowel mannelijke als vrouwelijke eigenschappen. Vrijwel altijd wordt Hij als een man afgebeeld. Toch moeten we wel bedenken dat we God eigenlijk helemaal niet in een beeld kunnen vangen. Dat betekent ook dat het beeld van God als een oude man per definitie al gebrekkig of zelfs verkeerd is. God is toch geen bejaarde met een lange baard? Dat traditionele beeld drukt alleen maar uit dat God over gezag beschikt en eerbiedwaardig is. Hij is de onbetwiste autoriteit en schepper van het heelal. Ook drukt dat beeld uit dat Hij een rechter is over levenden en doden, d.w.z. dat Hij staat voor de orde.
Dat laatste betekent trouwens niet dat Hij mensen veroordeelt, maar alleen dat Hij de orde van de kosmos heeft ingesteld, waardoor alle ontwikkeling volgens bepaalde wetten en regels verloopt. Het is dan ook logisch om dat met mannelijke principes te verbinden.

In de bijbel komen we nog veel meer beelden van God tegen. Zo verschijnt God aan Mozes op de berg Sinaï als een oogverblindend licht. In het Nieuwe Testament (I Tim. 6) is sprake van God als iemand die woont in ‘het ontoegankelijke licht’. Op twee plaatsen van het Oude Testament wordt hij geassocieerd met ‘een koelte’ die voorbijtrekt. Dat zijn mystieke beelden die niets met sekse-verschillen te maken hebben.

Naast de mannelijke eigenschappen, die vaak aan God worden toegeschreven, bezit Hij ook vrouwelijke kenmerken. Zo heeft Hij het vermogen om de mens geestelijk en lichamelijk te genezen. Mensen die verdriet hebben, worden getroost en bemoedigd.
Bij Jezus zien we dat ook heel duidelijk. Hij genas steeds mensen en troostte hen. Ook zat Hij met tollenaars (mensen die als belastingambtenaar voor de Romeinen werkten en daarom werden veracht) aan tafel en zocht Hij bedelaars op. Hij zorgde er zelfs voor dat een menigte van 5.000 mensen te eten kreeg. Allemaal troostende, verzorgende eigenschappen die heel kenmerkend voor Hem waren.

 

De vrouwelijke, verzorgende eigenschappen van God komen o.a. tot uitdrukking in Zijn vermogen om te genezen. Hier zie je een afbeelding van Jezus terwijl Hij een verlamde geneest in het bad Bethesda.

 

 

Die eigenschappen heeft Hij nog steeds, want ze behoren tot zijn wezen: God is ook in een aantal opzichten vrouwelijk. Het mannelijke en het vrouwelijke principe behoren tot zijn Geest. Als Hij geen vrouwelijke eigenschappen bezat, hoe had Hij dan ooit vrouwelijke wezens kunnen scheppen? Iets wat zich in geestelijk opzicht niet in Hemzelf bevond, had Hij dan toch nooit buiten zichzelf vorm kunnen geven?

Maria was de lichamelijke moeder van Jezus. Ze heeft Hem ook opgevoed. Dat is een enorme verdienste van haar en mag nooit worden vergeten. Toch zie ik niet in waarom zij – zoals in sommige spirituele kringen gebruikelijk is - op één lijn zou mogen worden gesteld met Jezus.
Ik geloof wel dat Maria een bijzonder zuivere, liefdevolle geest had. Anders zou zij nooit de moeder van Jezus kunnen zijn geweest. Het feit dat zij de fysieke moeder van Jezus was en Hem heeft opgevoed, is m.i. nog geen reden om haar op hetzelfde geestelijke niveau te plaatsen als haar zoon. Maria maakte het mogelijk dat Hij op aarde geboren kon worden en er zijn taak kon verrichten. Ze kon Jezus’ goddelijke persoonlijkheid echter niet bevatten, nóch Hem daarbij werk uit handen nemen.

Ook Maria Magdalena heeft in de geschiedenis van het christendom een belangrijke rol gespeeld. In de traditie werd zij als een hoer afgeschilderd. Misschien is dat waar, maar dat is een beoordeling volgens wereldse normen en maatstaven. Het enige wat bij een mens telt, is zijn hart. De rest is in geestelijk opzicht veel minder belangrijk. En in dat opzicht had zij een hart van goud. Haar liefde voor Hem was ongelofelijk sterk, zelfs zó sterk dat zij de eerste was die Jezus in Zijn opgestane, geestelijke ('verheerlijkte') gestalte mocht zien! Dat was een onvoorstelbaar grote genade. Haar liefde voor Hem had nog een sterk fysiek karakter. Zo omklemde ze zijn voeten toen ze Hem na zijn opstanding had herkend. Jezus corrigeert haar daarop en zegt tegen deze van oorsprong Romeinse Maria: ‘Noli me tangere’ (Ik wil niet dat je me aanraakt). Nu Hij de dood heeft overwonnen en puur Geest is geworden, zijn sekseverschillen niet belangrijk meer en telt alleen het innerlijk.

 

Maria Magdalena was de eerste mens die Christus na Zijn opstanding heeft gezien.

 

 

In de traditie is het belang van Maria Magdalena’s ontmoeting met Jezus nooit ontkend. Wél heeft men de allereerste, belangrijke vrouwen uit de christelijke gemeenten tekort gedaan door hun rol en positie te marginaliseren. Niet God, maar de mens heeft vrouwen echter ten achter gesteld en hun rol in de geschiedenis van het christendom onderbelicht. God stoort zich immers niet aan menselijke maatstaven en zal nooit minachting opbrengen voor de vrouw en voor vrouwelijke eigenschappen.

Het is niet God, maar de kerkelijke traditie die de vrouw heeft ondergewaardeerd. Denk maar 'es aan de heksenvervolgingen! Ook mochten vrouwen heel lang geen ambten bekleden in de kerk. Zo mocht een vrouw als Anna Maria van Schurman in de 17e eeuw alleen bij de gratie Gods achter een gordijn colleges theologie volgen in Utrecht. Afstuderen kon ze niet, ook al was ze zonder meer geniaal! Later werd zij één van de leiders van de beweging van de 'Labadisten'.
In de nieuwe tijd, die op het punt staat om aan te breken - en in zekere zin al aangebroken is - zullen man en vrouw gelijkwaardig zijn aan elkaar. Terecht, als je de geschiedenis bekijkt. Terecht ook, als je kijkt naar de eigenschappen die God Zelf bezit.

Op een hoger, geestelijk niveau, tellen sekseverschillen niet meer, maar zijn ze opgenomen in de éénheid van geest, die alle zuivere zielen met elkaar verbindt. In de hemel is het niet van belang of iemand man of vrouw is. Daar wordt gekeken naar het hart en niet naar het uiterlijk.
Sekseverschillen zijn daarom voor mijn gevoel vooral van belang in de materiële wereld. In het hiernamaals telt alleen de innerlijke staat, niet het uiterlijke voorkomen. Sterker nog: het uiterlijk van een geest in het hiernamaals is een zuivere weerspiegeling van het innerlijk. En dat innerlijk wordt bepaald door de staat van liefde voor de ander en voor God. Daarom ben ik ervan overtuigd dat de verschillen tussen die beide principes steeds minder belangrijk worden naarmate we geestelijk steeds verder rijpen.

In het werk van de ziener, uitvinder en theoloog Emanuel Swedenborg komt een schitterend beeld voor van voleindigde zielen in de hemel. In zijn boek “Hemel en hel” beschrijft hij, hoe twee gelukzalige zielen die in de hemel in de echt zijn verbonden, er van een afstand uitzien als één hemelse mens. Alleen als men dichterbij komt, kan men beide zielen van elkaar onderscheiden. Hen helemaal van elkaar scheiden is echter niet mogelijk: geestelijk zijn ze een eenheid geworden.

Treffender kan niet worden uitgedrukt hoe de scheiding tussen de seksen, die bij de val in de materie heeft plaatsgevonden, in de hoogste hemelen weer bijna wordt opgeheven. De cyclus is dan voltooid, de cirkel is weer rond. De mens heeft dan een vrijwel androgyne staat bereikt. Op een hoger niveau is de mens dan opnieuw een zuivere engel geworden, die alle mannelijke en vrouwelijke eigenschappen bezit waarover een vergeestelijkt mens in potentie kan beschikken.

Hendrik Klaassens


08.  Mission impossible voor de atheïstische zending

 

- Hendrik Klaassens -

 

Wie tegenwoordig openlijk voor zijn geloof uitkomt, wordt al snel voor 'gestoord', 'achterlijk' of - op zijn gunstigst - voor 'niet meer bij de tijd' uitgemaakt. Er is een sterke atheïstische tendens merkbaar. Die zie je niet alleen in het alledaagse leven, die zie je ook op het internet. Gelovigen vormen binnen deze visie een soort achtergebleven levensgolf, de Neanderthalers van de 21e eeuw die de grotten van hun irrationale manier van denken verkiezen boven het heldere licht van de rede.

Toch is dat een optisch overwicht: in werkelijkheid is er maar een héél kleine minderheid - niet meer dan 14% - van de Nederlanders die helemaal niets gelooft. Te oordelen naar hun volume op het internet zou je bijna geneigd zijn te denken dat de verhoudingen precies andersom liggen. Niets is echter minder waar.

Gisteravond keek ik naar een programma waarin Richard Dawkins, de patroonheilige van de congregatie der atheïsten, zich uit de naad werkte om aan te tonen dat christenen onwetenschappelijk en onredelijk zouden zijn.
Zo beschreef hij, staande tussen een menigte gelovigen in Lourdes, de bedevaartgangers zoals een bioloog een bavianenkolonie op Madagascar zou beschrijven. Mariabeeldjes en rozenkransjes, daar krijgt deze botte Brit spontaan bijtneigingen van. Later zag je hem in gesprek met een predikant uit de V.S. Hatelijk was zijn opmerking aan het adres van die dominee, waarin hij de manier waarop deze de gemeente toesprak vergeleek met de toespraken van de Nazi-ideoloog Joseph Goebbels. Op zulke momenten verstrakte zijn gezicht en kon je de haat er wel van af scheppen

.

 

Richard Dawkins, de koene ridder die ten strijde trekt tegen het geloof, hier poserend met een Ammoniet. Dat is een fossiel dat 65 miljoen jaar geleden is uitgestorven.

.

 

Het is niet alleen het fanatisme wat me bij mensen als Dawkins opvalt. Wat ik nl. steeds mis in de opvattingen van atheïsten is de erkenning dat hun standpunt in feite ook een geloof is, een aanname die ze niet rationeel kunnen beargumenteren. Zo geloven ze dat het menselijk bestaan met de dood ophoudt, hoewel inmiddels al door Pim van Lommel en andere medici is aangetoond dat het bewustzijn ook onafhankelijk van de hersenen kan functioneren. Andere verklaringen voor BDE's - 'zuurstoftekort', 'vergiftiging', 'hallucinaties' e.d. - zijn al lang ontkracht door mensen als Michael Sabom. Toch wordt op alle mogelijke manieren geprobeerd de onderzoeksresultaten van Van Lommel onderuit te halen. Dat gaat zelfs zó ver dat men hem op de persoon gaat aanvallen. Toen ik vorig jaar februari bij een lezing van hem was, hoorde ik hem daar krasse staaltjes over vertellen. Sommige atheïsten gaan blijkbaar tot elke lengte om een theorie, die hen onwelgevallig is, te ontkrachten.
Voor een deel hangt dat ook samen met het conservatisme van veel wetenschappers. Het was niemand minder dan de natuurkundige en Nobelprijswinnaar Max Planck die stelde dat een wetenschappelijke theorie pas uitsterft als de laatste wetenschapper, die hem aanhangt, onder de groene zoden ligt.  

Dawkins en consorten hebben de ijdele hoop dat ze het geloof kunnen overwinnen met de rede. Dat zal hen nooit lukken. In de eerste plaats niet omdat hun eigen positie ook niet 'redelijk' is. Verder is in de hele geschiedenis van de mensheid nooit meer dan een kleine minderheid werkelijk ongelovig geweest. Belangrijker nog is het feit dat de mens van nature voelt dat z'n bestaan niet eindigt met de dood. Tekenend daarvoor zijn de BDE's van fervente atheïsten: ook zij zien tijdens een BDE een geestelijke wereld, komen overleden familieleden en vrienden tegen en ontmoeten een opperwezen, in welke gedaante dan ook.

Ik denk dat het atheïstische geloof dat het heelal spontaan uit het niets tevoorschijn is geplopt, de hele wereld van 'toevalligheden' aan elkaar hangt en ons bestaan met de dood ophoudt, zijn langste tijd heeft gehad. De meest vooruitstrevende takken van wetenschap ontdekken tegenwoordig immers dingen die meer traditionele opvattingen aan het wankelen brengen.  De kwantummechanica is daar een mooi voorbeeld van. Het onderzoek naar BDE's is een ander voorbeeld dat laat zien dat allerlei gevestigde ideeën toch niet zo zeker zijn als men lang had gedacht. 

Tekenend voor het religieuze karakter van het atheïsme à la Dawkins is zijn geloof in de evolutietheorie. Men heeft nog nooit een echte missing link tussen twee diersoorten gevonden. Dat weerhoudt deze zuilenheilige van de atheïsten er echter niet van om heilig in de evolutietheorie te blijven geloven. In dit verband is het aardig om te vermelden dat zelfs een atheïst als de geoloog Salomon Kroonenberg in zijn boek "De menselijke maat - de aarde over tienduizend jaar" met stelligheid beweert dat de evolutietheorie volstrekt onbewezen is; de tussenschakels zijn immers nooit gevonden.

Dawkins geloof dat de ontwikkeling van planten- en diersoorten op aarde volgens de principes van de evolutietheorie verloopt, lijkt me even hardnekkig als het geloof van fundamentalistische christenen dat de wereld letterlijk in zeven dagen zou zijn geschapen. Beide groepen lijken me behoorlijk irrationeel. Ze geloven immers in dingen die op alle mogelijke manieren kunnen worden weerlegd. Ik denk daarom dat het geloof van de toekomst er één zal zijn waarin hoofd en hart, gevoel en verstand, samengaan. Wat men als waarheid aanvoelt, moet ook door het verstand beredeneerd en geaccepteerd kunnen worden, en omgekeerd moet datgene, wat men kan beredeneren, ook overeenkomen met het gevoel. Een geloof waarin één van beide polen ontbreekt, zal voor mijn gevoel langzaam uitsterven. Het geleidelijke verdwijnen van de meeste kerken en de opkomst van nieuwe religieuze bewegingen laat duidelijk zien dat deze trend onomkeerbaar is.

.

 

Een fraai T-shirt met een pakkende tekst. Wat wil je nog meer in de strijd tegen het atheïsme. Normaal zou je die tekst niet op je gemak  durven lezen, maar hieronder staat ‘ie dan toch maar:

.

 

ATHEISM

The belief that there was nothing
and that nothing happened to nothing
and that nothing magically
exploded for no reason, creating
everything and then a bunch of
everything magically rearranged
itself for no reason whatsoever
into self-replicating bits which
then turned into dinosaurs,
The o­nly Logical Belief

 

 

 

Toevallig lees ik vandaag, 18/05/2010 - net nu ik dit artikel plaats - een artikel in Trouw dat aansluit  bij bovenstaand artikel van Hendrik: Extremen haten de gulden middenweg.  

 

Lees ook

 

Deel 1 
Long tall ships -
Het monster
- Het land Nimmermeer - Aan de andere kant van de   spiegel - Op vleugels van verbeelding  De tijd, de herinnering


Deel 2
Ruiter op de sterren -  De zee, de stilte en God - Ervaring bij een kloosterruïneDe Duivelskunstenaar - Gezicht op een zomeravond - Op weg naar het licht


Deel 3
Het verhaal van Avakhti - An Inconvenient Truth - Tussen Wierook en Wicca - Jan Zijlstra 

 

Lees ook: Gedichten van Hendrik

 



 

Hendrik