Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL

 

Webstats4U - Gratis web site statistieken Eigen homepage website teller
Gratis teller
  

 

       
 

 


 

De geschiedenis van Tibet en het Tibetaanse boeddhisme.

 

- door Gaius Publius Cato -[1]

 

 

 

 

Voorwoord

In 1931 publiceerde de Engelsman Sir Charles Bell “The religion of Tibet”. Hij verbleef 19 jaar in Tibet, waarvan de laatste 12 jaar als diplomatiek vertegenwoordiger van de Indiase regering. Hij had contacten met Tibetanen op regerings- en diplomatiek niveau. Daardoor sprak hij ook met veel Tibetanen, en heus niet alleen over zaken van puur bestuurlijke of politieke aard. Deze gesprekken  hebben hem zeer geholpen bij het begrijpen van de oude geschiedwerken, biografieën, gedichten en legenden.

Zijn onderzoek naar de geschiedenis van Tibet en het Tibetaanse boeddhisme resulteerde in een studie die als één van de weinigen zeer diep ingaat op tal van aspecten van de Tibetaanse cultuur. Zo worden we ingelicht over de religie, die vòòr de komst van het boeddhisme in dat land in zwang was en daar nog steeds aanhangers telt. We lezen over de verschillende scholen binnen het Tibetaanse boeddhisme, alsook over de relaties die Tibet met zijn buurlanden onderhield. Ook de rol en betekenis van de dalai lama komt er uitvoerig in ter sprake.

Bell beheerste het Tibetaans als weinig andere buitenlanders. Hij publiceerde zelfs een lesboek met als titel “Grammar of Colloquial Tibetan”. Hij geldt als de grootste Tibetkenner van vòòr W.O. II. Door de vakkundige manier waarop het geschreven en gedocumenteerd is, behoort “The religion of Tibet” zonder meer tot de standaardwerken op dit gebied.  In dit artikel wordt het boek uitvoerig samengevat. Ik doe dat in de hoop dat iedereen, die zich in de geschiedenis en de godsdienst van ‘het dak van de wereld’ wil verdiepen, zich hiermee een objectief beeld kan vormen van een cultuur, die langzamerhand in de vergetelheid dreigt te verdwijnen.

 

 

Sir Charles Bell (midden) en enkele van zijn Tibetaanse gasten, die hij in augustus 1921

 in Lhasa ontving tijdens het ‘Ache Lhamo’, een muzikaal toneelspel.

 


 

DEEL EEN : HOE HET BOEDDHISME IN TIBET KWAM

 

 

Hoofdstuk 1: Een verborgen land

Geografisch gezien ligt Tibet zeer geïsoleerd. Bovendien ligt het grotendeels op een hoogte van tussen de drie en zesduizend meter boven zeeniveau. Met uitzondering van drie of vier maanden per jaar is het er zeer koud. Een groot deel van de bevolking bestaat uit nomaden die hun kudden laten rondtrekken.

Tibetanen en Mongolen zijn nauw aan elkaar verwant. Er zijn enkele kleine raciale verschillen tussen Tibetanen onderling, maar toch is Tibet cultureel gezien een eenheid: de geschreven taal is er overal hetzelfde. De veenomaden hoeden schapen, geiten en yaks. Er zijn wat meer boeren gekomen in de loop van de tijd.

 

De grote, open plaatsen van de aarde zijn altijd al broedplaatsen geweest van religie. Door het ontbreken van steden en intensieve contacten met andere landen is die religie erg introspectief: de Tibetaan contempleert veel. Dit i.t.t. het filosofisch materialisme van China met zijn bouwland.

Het geloof van de nomade is eenvoudig, sterk en streng; er zijn veel bedevaarten. Daarnaast bezit de Tibetaan een typische handelsgeest. Een nomadentrek van hem is zijn neiging om te roven en te plunderen, gecombineerd met het drijven van handel: dit wisselt elkaar af. Ook monniken doen hier soms aan mee. Toch heeft het Boeddhisme deze trek verzacht: het verbiedt nl. het doden van levende wezens. Dit is ook merkbaar geweest. De Tibetanen hebben hun buitenlandse militaire avonturen onder de invloed van het Boeddhisme geleidelijk aan opgegeven.

De Tibetaan is erg ordelijk. Daardoor kon hij een compleet systeem van hiërarchisch bestuur opbouwen, dat tot in elk detail geregeld is. Dat geldt niet in de laatste plaats voor de religieuze hiërarchie, zeer belangrijk vanwege het feit dat religie de voornaamste plaats inneemt in het leven van de Tibetaan.

 

 

 

Bell in November at Dochen, 15,000 feet above sea level, on his return journey from Lhasa in 1921. He is wearing a Depon's fur hat, face mask of silk, an extra heavy waterproof, Tibetan gloves of cats' fur lined with wool, Bedford cord riding breeches and Gilgit boots as well as snowgoggles  

 

Hoofdstuk 2: Het oude geloof

Vóór de komst van het Boeddhisme heerste er het Pön-geloof, een vorm van sjamanisme of natuurverering. Daarbij geloofde men in aarde- en luchtgeesten met een goede en slechte natuur. Maar dat was meer dan duizend jaar geleden. Resten en invloeden van deze oudere religie zijn nog steeds aanwezig in het Tibetaanse boeddhisme: deze twee hebben zich min of meer met elkaar vermengd. Toch moeten we voorzichtig zijn: het Boeddhisme zoals dat naar Tibet kwam was erg Tantristisch. Veel afwijkingen van de oorspronkelijke Boeddhistische leer zijn hieraan te danken. Maar dit Tantrisme met zijn magie en geheime spreuken paste goed bij de Tibetaanse mentaliteit, in elk geval beter dan de koele logica van de leer van Boeddha. De magische sfeer van het Boeddhisme in Tibet is dan ook vnl. aan het Tantrisme te danken. De magie werd door de mensen, die sterk afhankelijk zijn van de natuur, gezien als een middel om haar tevreden te stellen of gunstig te stemmen.

 

Het oude Pön-geloof werd gekenmerkt door waarzeggerij, het verdrijven van duivelse machten, het gunstig stemmmen van allerlei geesten en offers van dieren en mensen.

Volgens Tibetaanse annalen verbreidden Tibetaanse koningen de Pön-religie tussen 300 v.C. en 400 n. Chr. De sfeer die deze religie én de tijd waarin ze dominant was, uitademt is er één van vechten, jagen en de zucht naar heIdendom, waarbij men elkaar telkens de loef probeerde af te steken.

Nadat het Boeddhisme de heersende godsdienst was geworden, werden oorlogen bijna niet meer opgetekend: men interesseerde zich bijna alleen nog maar meer voor religieuze gebeurtenissen.

In de 6e eeuw n.Chr. dook het Boeddhisme - eerst nog aarzelend - in Tibet op. Door de boeddhistische invloed veranderde het Pön-geloof: men ging ook kloosters bouwen en vereerde goden, demonen en heiligen in navolging van de boeddhisten, zij het onder andere namen. De tak van 'Pön' die het dichtst bij het boeddhisme staat is 'Witte Pön'; de oorspronkelijke tak wordt de 'Zwarte Pön' genoemd:  hun priesters en tovenaars worden om hun occulte macht gevreesd.

Het Pön-geloof beïnvloedde op zijn beurt het binnendringende boeddhisme, evenals het Hindoeïsme ook zijn invloed heeft gehad op het Tibetaanse boeddhisme. In Z.O.Tibet en Sikkim (Het oostelijke gedeelte van de Himalaya-keten) is zijn invloed tegenwoordig nog erg sterk. Officiëel hangt men daar het boeddhisme aan, maar in de achtertuintjes bewaart men stiekem beelden van Pön-goden. Je kunt immers nooit weten...

 

Hoofdstuk 3. : Gotama, de Boeddha

Gotama leefde in de 6e eeuw v.Chr. als zoon van iemand uit de kaste van de krijgslieden. Hij kwam uit de staat van de Shakyas, op de grens van Nepal en India: zijn geboorteplaats ligt in het huidige Nepal. Waarschijnlijk werd dat gebied bewoond door Tartaren (Mongolen) en Ariërs: dit verklaart ook waarom het Boeddhisme de Tartaarse volken zo diep heeft beïnvloed. Gotama verwierp de  brahmaanse theologie en offerpraktijken en verving het door een theologie die meer verwant was aan die van Confucius, die bijna een tijdgenoot van hem was.

Zijn vader probeerde hem - volgens de traditie - verre te houden van alle ellende in de wereld, maar toen hij er toch mee werd geconfronteerd (met ouderdom, ziekte en dood) werd hij erg zwaarmoedig.

Hij trok erop uit als een bedelaar en zoeker naar waarheid. Na zes jaar kwam hij tot het inzicht dat deze weg geen oplossing bood. Hij ging contempleren onder een boom en ontdekte hoe het lijden ontstaat en hoe het kan worden opgeheven. Zo werd hij de Boeddha, de Verlichte. Dit gebeurde 11 km. van Gaya in Bihar, Noord-India. Het is nog steeds een geliefkoosde bedevaartplaats voor Boeddhisten, ook uit Tibet.

 

Na deze Verlichting begon hij te preken in het hertenpark in Benares, allereerst aan vijf volgelingen die het geloof in hem verloren hadden toen hij zijn ascetisch leven had gestaakt. Hij leerde hen het Middelste Pad te volgen en daarbij zowel het zwelgen in genot en de overgave aan de eigen luimen als de zelfversterving in de ascese te vermijden. Dit wordt bereikt d.m.v. het Edele Achtvoudige Pad: daarmee kan het lijden worden opgeheven. Vier Edele Waarheden begeleiden dit pad.

 

Boeddhisme is een religie die zich richt op het feitelijke gedrag van mensen, niet op wat ze al of niet geloven. Bovendien is het een intellectuele religie, niet een emotionele. De oorzaak van het lijden is begeerte; deze begeerte is te wijten aan onwetendheid. Zij veroorzaakt telkens nieuwe incarnaties. Met 'onwetendheid’ wordt bedoeld onwetendheid over de ware natuur van de wereld en de werkelijke belangen van de mensheid.

De Tibetanen geloven, dat het oprechte verlangen van een monnik om in een volgend leven op een plaats naar keuze geboren te worden leidt tot wedergeboorte op die plaats. Dit in navolging van wat de Boeddha leerde.

Wie het Volmaakte achtvoudige Pad gevolgd heeft, krijgt de status van een 'Arhat' (in het Westen vooral 'Nirvana' genoemd).

 

Twee beschuldigingen t.o.v. het Boeddhisme moeten worden genoemd:

 1. Het zou pessimistisch zijn.

Het houdt zich inderdaad veel met het lijden bezig. Maar het doet dit juist om de mens ervan te bevrijden. Sterker nog: het gelooft dat de mens zichzelf kan bevrijden.

2. Het zou zelfzuchtig zijn: iedereen werkt aan zijn eigen redding. Toch geloven Boeddhisten dat onzelfzuchtigheid de basis is voor het morele leven. Ze denken dat noch het geloof alleen, noch alleen de liefde een mens kan bevrijden: die twee zijn wel noodzakelijk, maar ze moeten samengaan met kennis of wijsheid. Het Boeddhisme is dus meer een intellectuele dan een emotionele religie; bovendien is het erg tolerant.

3. De Boeddha zou vrouwen tenachter hebben gesteld. Toch hebben vrouwen in boeddhistische landen een opmerkelijk goede positie.

 

Door de prediking van het achtvoudige pad en het stichten van een religieuze orde - eerst bestaande uit rondtrekkende religieuzen, later vooral uit gesettelde monniken - kon het Boeddhisme erg lang bestaan.

Evenmin als christenen zoeken boeddhisten politieke (aardse) macht. Toch verwerpen boeddhisten het gebed en het offer; volgens hen is er geen vergeving van zonden.

 

De Boeddha schreef leken onthouding voor van vijf zonden: het doden van levende wezens, gebruik van sterke drank, liegen, stelen en onkuisheid. Ze moesten streven naar wellevendheid in de omgangstaal, vriendelijkheid, geduld, mededogen met anderen en genegenheid.

Het Boeddhisme werd de leidende godsdienst in India gedurende de regering van Asoka in de derde eeuw v. Chr.  Tot en met de eerste eeuw n. Chr. was het daar de dominerende religie. Later werd het door Hindoes en Moslims verdreven, ook in zijn laatste bolwerk Bengalen.

 

Hoofdstuk 4 : Het Boeddhisme komt naar Tibet

Het vroege Boeddhisme was vooral intellectueel: godheden en wonderen werden tot een minimum beperkt. Later ontstonden er twee scholen: het Mahayana (grote voertuig) en het Hinayana (kleine voertuig); de laatstgenoemde week het minst af van de oorspronkelijke leer. Het Mahayana introduceerde godheden, bovennatuurlijke wezens, rituelen en persoonlijke devotie. Daarom was het populairder. Het leerde ook de verering van de Boddhisattva's (bijna-Boeddha's)

en geloof - twee afwijkingen van de leer van de Boeddha.

 

In Tibet worden vooral vereerd Chen-re-Zi (Heer der Genade), Jam-pe-yang (Heer der Spraak) en Dor-je-Chang (Houder van de Bliksemschicht). Ze vormen voor de Tibetanen een soort drie-eenheid van almachtige godheden.

 

De hoofdmoot van de Mahayaanse leer zag er in het begin van de jaartelling a.v. uit:

1. het geloof in Boddhisattva's;

2. een ethische code, volgens welke iedereen goed moet doen in het belang van de mensheid als geheel en anderen moet laten delen in het karma dat hij zich verwerft door zijn deugden;

3. een doctrine dat boeddha's bovennatuurlijke wezens zijn;

4. verschillende metafysische scholen;

5. een canon die opgesteld was in het Sanskriet;

6. beeldenverering, uitgebreide rituelen, vertrouwen in formules en rituelen.

7. een doctrine, die zegt dat redding kan worden verkregen door het geloof in een Boeddha en het aanroepen van zijn naam.

 

De elementen 3, 4, 6 en 7 zijn allemaal afwijkingen van de oorspronkelijke leer van de Boeddha!

 

Het Boeddhisme zakte dus af; vanaf de 2e eeuw n.Chr. nam de kracht van het Hindoeïsme in India weer toe ten koste van het Boeddhisme. Toch kon het zich - vooral in het N .W. van India - nog lange tijd handhaven, vooral dankzij de steun van binnenvallende volkeren die het Boeddhisme bevoordeelden. N.W. India werd zo één van de allerbelangrijkste schakels tussen de religies van Tibet en India.

 

Omstreeks de 7e eeuw kwam het Tantrisme op in Noord-India. Het is een magisch mengsel van het Mahayana en de oude Indische natuurgodsdienst. Veel Tantrische adepten geloofden dat het nirvana door sexuele vereniging bereikt kon worden.

 

Song-tsen Gam-po, die in 642 de Tibetaanse troon besteeg, introduceerde het Boeddhisme in Tibet: hij wijdde de eerste priesters in. De oppositie was toen nog erg sterk, vooral van de Pön-priesters. Toch wist hij een priesterlijke organisatie van de grond te krijgen en in stand te houden. Zo'n honderd jaar na zijn dood kreeg het Boeddhisme in Tibet een nieuwe impuls t.t.v. Ti-song De-tsen's regering. Na een aanvankelijke poging van Shanti Rakshita (een Indische wijze) om Tibet te bekeren - wat mislukte - had Padma Sambhava meer succes.

In die tijd - de 8e eeuw n.Chr. - had Tibet betere relaties met India dan met China, waarvan men grote delen bezet hield. Het Indische boeddhisme was in die tijd echter bijzonder corrupt: men vereerde beelden, offerde, aanbad goden, deed veel aan magie enz. Daardoor sloot het natuurlijkerwijs beter aan bij de godenverering van het Tibetaanse volk.

Padma Sambhava was afkomstig uit een gebied waar het Tantrisme en het Mahayana welig tierden: magie en exorcisme voerden daar de boventoon. Met zijn occulte machten wist hij alle geesten en demonen in Tibet te onderwerpen. Daarna stichtte hij in 749 het eerste grote Tibetaanse klooster, Sam-ye, dertig km. ten zuidoosten van Lhasa. Hij werkte nauw samen met de meer puriteinse Sarvastivadin-sekte o.l.v. Shanti Rakshita. Dit alles vond plaats ten tijde van het koningschap van Ti-song De-tsen. De occulte kermis van het Tantrisme rukte op in Tibet.

 

Terzelfdertijd was er behoorlijk veel tegenwerking van Pön-aanhangers, vooral rijksministers, die soms de wil van de koning konden weerstreven. Zij presten de koning ertoe Padma Sambhava weg te sturen. Shanti Rakshita mocht blijven: collega's van hem, geholpen door Tibetanen, vertaalden enkele heilige boeddhistische boeken van het Sanskriet in het Tibetaans.

Na zijn dood nam de invloed van het door Chinezen gepropageerde geloof in de non-existentie snel toe. Met hulp van de koning wist Rakshita's opvolger Kamala Shila echter de overhand te krijgen. Deze leerde de middelste doctrine van het Mahayana, de Madhyamika. Volgens deze leer is alles schijn.

 

De kleinzoon van Ti-song De-tsen, Ral-pa-chan, regeerde in de 9e eeuw. Na afloop van zijn succesrijke veldtocht tegen China sloot Ral-pa-chan vrede met de Chinese keizer. Chinese boeddhistische priesters en Tibetaanse wijzen en vertalers bemiddelden hierbij: het was een historische gebeurtenis, omdat het geweldloze Boeddhisme feitelijk een einde aan de oorlog had gemaakt en voor een acceptabele vrede had gezorgd. Sinds die tijd heeft het Boeddhisme als een krachtige rem gewerkt op de Tibetaanse expansiedrang; het heeft de agressieve, dappere natuur van de Tibetanen tot nog toe altijd weten te weerhouden van militaire agressie.

 

Ral-pa-chan verbood de vertaling van boeddhistische werken, waarin een andere leer werd verkondigd dan die van het Hinayana, en wel die van de sekte van de Sarvastivadins. Hun leer was intellectualistisch, puur, recht in de leer. De grote massa hield echter meer van de magie en tovenarij van het Mahayana en vooral van de Pön-religie. Uit een document uit de 9e eeuw, dat in Chinees Turkistan werd gevonden en afkomstig is van een Tibetaans garnizoen, blijkt dat de soldaten ter plekke waarschijnlijk niet boeddhistisch waren. Hoe dan ook: Ral-pa-chan voerde het boeddhisme in een geforceerd tempo in en ook in een té orthodoxe (=Hinayana)vorm om in brede kring te kunnen worden geaccepteerd. Machtige Pön-samenzweerders maakten daar misbruik van. Uiteindelijk werd hij door hen vermoord.

 

De Tibetaanse vertalers reisden gewoonlijk eerst naar Nepal. Daar maakten zij zich de Indiase taal eigen; ook probeerden ze te wennen aan het andere klimaat. In India aangekomen bestudeerden zij de nieuwe religie. De Tibetaanse vertalers maakten uiterst nauwkeurige vertalingen van de Indiase heilige boeken: vertaalfouten werden als misdaden beschouwd.

De Canon is de Kan-gyur ('de vertaalde geboden'), de commentaren zijn de Ten-gyur ('de vertaalde uitleggingen'). De eerstgenoemde kun je gerust als de bijbel van de Tibetaanse boeddhisten beschouwen. Het berust op zowel de Indiase als de Chinese versie van de Tripitaka (de boeddhistische canon), met veel tantristische en andere aanvullingen. Er zijn twee versies van: de ene bestaat uit 100 delen, de andere uit 108 delen.

De Ten-gyur bestaat uit 225 delen en bevat verhandelingen over grammatica, poëzie, logica, retoriek, recht, medicijnen, astrologie, waarzeggerij, scheikunde, schilderen en heiligenlevens. Deze Tibetaanse vertalingen van werken uit het Sanskriet zijn ook nu nog waardevol, niet in het minst omdat de originelen vaak door het hete Indische klimaat of door Moslims vernietigd zijn.

 

 

Hoofdstuk 5: De verdrijving en de terugkeer van het Boeddhisme in Tibet.

Ral-pa-chan had dus de pure leer van de Sarvastivadins bevorderd: dat moest hij met de dood bekopen. De Tantrische leer met zijn verwantschap met de Pön-religie maakte meer kans op succes.

Maar eerst werd het Boeddhisme op grote schaal onderdrukt. Aanvankelijk gebeurde dit onder Ral-pa-chan's broer en opvolger Lang Dar-ma, maar ook nog na zijn dood, toen het rijk uiteen was gevallen en door locale potentaten werd bestuurd.

Vanuit de provincie Am-do in N.O.-Tibet trokken tien boeddhistische monniken naar centraal Tibet om de leer weer systematisch te verspreiden. Ze betrokken verlaten kloosters en, naarmate de beroering vanwege de al te snelle hervormingen van Ral-pa-chan tot bedaren kwam, konden zij na verloop van tijd in vrede verkondigen wat zij zagen als de ware leer van de Boeddha. Na een periode van minimaal 70 jaren kon het boeddhisme weer enigszins gepredikt worden; opnieuw werden er vertalingen gemaakt. Tibetanen gingen weer naar India voor studie van de geschriften. Indische wijsgeren en leraren trokken weer naar Tibet. Vooral vanuit West-Tibet, waar een afzonderlijke dynastie heerste (afstammend van Dar-ma), werd gewerkt aan de herboeddhisering van Tibet.

Erg militant waren de Tibetanen in die tijd allang niet meer, tenminste niet t.o.v. andere volkeren. Daardoor vielen zij steeds meer ten prooi aan buitenlandse invallers; eerst aan de Mongolen en - nadat ook zij tot het geweldloze Boeddhisme waren bekeerd - later aan de Chinezen.

 

In de elfde eeuw trok de Bengaal Atisha naar Tibet (1039). Hij verspreidde er een Tantrische leer (Mahayana). Om eenheid te krijgen in de leer en om ketterse opvattingen te bestrijden, stelde hij een religieus commentaar op, dat over de plichten van priesters ging. Hij ging uit van de onwerkelijkheid van alle externe verschijnselen.

Atisha vertaalde veel boeken van het Sanskriet in het Tibetaans. Tot zijn verbazing trof hij in het klooster Sam-ye veel boeken in het Sanskriet aan, waar in India geen exemplaren meer van bestonden. Dat was waarschijnlijk te wijten aan het feit, dat ze in India in onbruik waren geraakt.

Atisha schreef veel verhandelingen, hield publieke voordrachten en gaf privé-les aan zijn drie voornaamste leerlingen. Aan de belangrijkste daarvan, Drom-tön, legde hij zorgvuldig de doctrines van een nieuwe sekte uit, de Ka-dam-pa. Deze Drom-tön werd de eerste leider van de Ka-dam-pa, die gekenmerkt werd door een uitgebreid ritueel en de macht om godheden gunstig te stemmen. Het was de eerste sekte die zich afscheidde van de hoofdmoot van het Tibetaanse boeddhisme; tevens was het de voorloper van de Geluk-pa of "deugdzame weg", die 300 j. later werd gesticht.

 

Hoofdstuk 6 : Het Boeddhisme wordt de nationale religie

In het midden van de 11e eeuw was de herleving van het Boeddhisme in volle gang. Drom-tön, de opvolger van Atisha, was een aanhanger van de Middelste Doctrine, die eerder gepropageerd was door Nagarjuna en koning Ti-song De-tsen. Hij leidde de Kad-am-pa sekte. Zijn favoriete leer was atheïstisch.

 

In 1011 werd in Zuid-Tibet Mar-pa geboren, één van de allergrootste vertalers en Tantristen uit Tibet. Op jonge leeftijd reisde hij via Nepal naar India en leerde daar Tantra’s van o.a. Naropa. Op grond van diens leringen stichtte hij de Ka-gyü sekte, gebaseerd op de Indiase filosofie van het Grote Symbool. Hij was sterk geïnteresseerd in magische en occulte praktijken.

Voor een lama die bevrijding zoekt van het Wiel van het Bestaan zijn er twee wegen: ófwel anderen leren hoe ze die weg moeten gaan, ófwel zich concentreren op zijn eigen geest. Drie van Mar-pa's leerlingen werden leraren, slechts één - Mi-la - werd asceet.

 

In de 13e eeuw kwamende opperpriesters van het klooster Sa-kya, dat tijdens het leven van Mar-pa gesticht was en inmiddels ook seculiere macht had gekregen, in contact met de Mongoolse keizers. Dro-gön (opperpriester) kwam als leraar van Kublai Khan naar het Mongoolse hof; ook na de troonsbestijging van Kublai Khan bleef hij zijn geestelijk leidsman. Hem werd gevraagd het Tibetaanse Boeddhisme in Mongolië te introduceren. Na de dood van Kublai Khan nam de boeddhistische invloed weer af, maar drie eeuwen later gelukte het definitief om de Mongolen te bekeren. (16e eeuw).

 

In 1270 kreeg de opperpriester van Sa-kya politieke zeggenschap over centraal-Tibet. Dankzij de macht van locale heersers en die van de af en toe binnenvallende Mongolen duurde dit maar 75 jaar. Desondanks waren de hiërarchen (opperpriesters) steeds beroemd om hun religieuze leringen: Sa-kya stond ook bekend om zijn vrijheid van denken en zijn breed gezichtspunt. In die tijd, nl. de 13e eeuw en wat later, was het magische en mystische Tantrisme erg machtig. De macht van het klooster Sa-kya ging verloren in 1345, evenals die van het klooster Dri-kung: Si-tu was de nieuwe machthebber over een groot deel van Tibet. Bijna vijfhonderd jaar na de regering van de laatste krijger-koning vochten de Tibetanen dus nog steeds onderling.

 

Vanaf ca. 70 jaar na Dar-ma’ s dood was het Boeddhisme als religie gaan herleven; door de invloed van Atisha en Mar-pa e. a. was het erg tantristisch geworden. De geheime plaatsen van de Tantristen spraken de Tibetaanse nomaden meer aan dan de agnostische pogingen tot het omver halen van alle illusies of de ingewikkelde metafysica van de vroegere boeddhistische scholen. De gewone mensen - veelal nomaden en boeren - wilden met hun religie de geesten en goden van de bergen, de woeste bergstromen en de hagel bespelen; zij hadden een religie nodig die de Pön-goden erkende. Die Pön-religie was nog steeds erg machtig. Dat bleek o.a. uit de subtiele en machtige invloed die het had op de Tibetaanse vertalingen van de boeddhistische geschriften.

 

Gedurende de 13e en 14e eeuw was er nog steeds een sterke zendingsdrang op het 'dak van de wereld': uit het gebergte in N.W.-India, de vlakten van de Punjab en uit China kwamen mensen naar Tibet om er de boeddhistische leer te vernemen. Toch vonden er terzelfdertijd ook herhaaldelijk invallen plaats van Mongoolse stammen, die moordend, plunderend en verwoestend rondtrokken. Dankzij de gebruikelijke bescherming van fortificaties en metersdikke muren konden de kloosters zich de indringers vaak van het lijf houden. Bovendien beschikte elk klooster over een aantal ‘dop-dop’: dat waren krijgers, die bij vijandelijkheden ingezet konden worden.

 

 

In de tijd waarover we nu spreken - de 13e en 14e eeuw - was Tibet slecht voorbereid op buitenlandse invallers; er was wel een staand leger, in oorlogstijd bijgestaan door burger-reservisten en het 'gouden leger', d.w.z. het monnikendom, maar door het ontbreken van een echt centraal gezag en de matigende invloed, die het Boeddhisme uitoefende op het Tibetaanse krijgsinstinct, was het toch vrij weerloos tegen buitenlandse agressie. Enige samenhang bij de strijd tegen de invallers was er niet.

In feite verwachtten de Tibetanen dat zij voor hun geloof zouden moeten vechten in het noordelijke land Sambhala, waar moslims de strijd op een beslissende manier zouden aanbinden met boeddhisten. Sommigen dachten daarbij aan Rusland.

 

Ondanks de sterke banden tussen Nepal en Tibet - waardoorheen het Indiase boeddhisme naar Tibet sijpelde en omgekeerd - ontwikkelde het Tibetaanse boeddhisme zich toch vrij zelfstandig. Het ontaarde Indiase boeddhisme in zijn laatste bastion in Bengalen was sterk beïnvloed door het Hindoeïsme; deze verwrongen vorm van het boeddhisme drong door in Tibet, waar het nog verder werd verbasterd door opname van elementen van de Pön-religie.

De Tibetanen hebben al hun goden, demonen en boeddha's in een ordelijk geheel ondergebracht, zodat de lama's bij het begin van elke menselijke onderneming precies weten welke god of geest moet worden aangeroepen voor hulp of bescherming. Het krijgsinstinct van de Tibetanen verplaatste zich van de seculiere naar de religieuze wereld: men vecht nu tegen tal van demonen en boze geesten, die mens en dier bedreigen met ziekte, ongeluk, misfortuin en dood.

 

Hoofdstuk 7 : De in katoen gehulde Mi-la (2e helft 11e eeuw)

Niemand wordt in Tibet meer vereerd dan de heilige en dichter Mi-la. Zowel zijn biografie als zijn 'Honderdduizend Liederen' worden door iedereen gelezen en aangehaald. Hij was Mar-pa's beroemdste leerling en lid van de Ka-gyü sekte. Zijn biografie en liederen geven ons een levendig beeld van het Tibetaanse leven

en de religie in de 11e eeuw. Ze zijn geschreven in een eenvoudige, heldere stijl.

 

Toen zijn vader gestorven was - Mi-la was nog maar 7 jaar oud - werden hij, zijn kleine zuster en zijn moeder toevertrouwd aan de zorgen van een neef; die maakte zich van hun erfenis meester. Het gezin verarmde; Mi-la zwoer wraak. Hi j vond uiteindelijk een zwarte magiër: van hem leerde hij occulte krachten te gebruiken. Bij een wraakoefening tegen zijn neef kwamen 25 mensen om.

Hij kreeg er spijt van. Uiteindelijk sloot hij zich bij Mar-pa aan, een groot boeddhistisch leermeester. Deze liet hem allerlei zinloze werken verrichten bij wijze van boetedoening; hij sloeg hem zelfs. Maar hij deed dit alles ook om diens vertrouwen in hem op de proef te stellen. Tenslotte verkreeg Mi-La van Mar-pa de initiatie en de geheime leer. Jaren van meditatie en studie volgden.

 

Op 44-jarige keerde hij naar zijn ouderlijk huis terug. Zijn moeder was gestorven, zijn zuster was weggegaan om haar dagelijks kostje bij elkaar te bedelen. Meer dan ooit besefte Mi-la toen het illusoire karakter van alle stoffelijke dingen: dat versterkte zijn hang naar het ascetisme.

 

Negen jaar lang mediteerde hij in een grot. In die periode leefde hij streng ascetisch. Hij ging ervan uit dat hij, omdat het leven erg onzeker was, alle beschikbare tijd moest gebruiken voor een bep. soort religieuze meditatie, samadhi, om het boeddhaschap te bereiken. Niet alleen jagers en dieven komen hem daar met een onaangenaam bezoek vereren, maar ook af en toe zijn zuster en het meisje waarmee zijn ouders hem op jonge leeftijd hadden verloofd.

 

Te langen leste verkreeg hij volledige contrôle over zijn eigen geest. Volgens de Tibetanen is dat de universele oorzaak van alle dingen. Het kan alle externe verschijnselen beïnvloeden omdat deze slechts illusoir zijn. Alleen de geest is echt.

Hij ontwikkelde het vermogen om zelf warmte te produceren, om zich te beschermen tegen de strenge kou. Daarnaast bezat hij ook talloze occulte vermogens. Om te voorkomen dat hij door zijn populariteit van het juiste pad zou worden afgebracht trok hij naar een ander gebied, na 9 jaar slechts op brandnetels te hebben geleefd.

 

Mi-la baseerde zich op het beginsel van het karma. De essentie van het geestelijke leven dat naar het nirvana leidt werd volgens hem gevormd door de absentie van gedachten, een toestand van de geest waarin het pure bewustzijn niet wordt aangeraakt door enigerlei gedachte en onbeperkt kan voortstromen.

Daarom bad hij ook onophoudelijk om te worden bevrijd van de hinderlijke gedachten die hem afhielden van het 'uiteindelijke doel'.

 

 Het Boeddhisme erkent 18 fasen van de ’leegheid' (‘voidness’);

het Tibetaanse Boeddhisme concentreert zich op vier ervan:

1. realisering van de vergankelijkheid van de vormen;

2. de begeleiding daarvan (van 1.) door een staat van extatisch geluk;

3. de tweede fase wordt begeleid door (of bekeken met) heldere ogen en een heldere geest, hij wordt super-bewust;

4. de toegewijde realiseert zich de natuur van deze staat van super-bewustzijn.

De aangewezen weg hiervoor is die van de volledige zelf-ontkenning. Daar hoort ook het vermijden van populariteit bij: Tibetanen denken dat iedereen een kwade, maar gedienstige geest heeft die hem influistert dat het zelf blijvend is.

 

Evenals zijn leermeester Mar-pa was Mi-la Tantrisch en occult: hij veroordeelde de Ka-dam-pa leringen van Atisha. De Mystieke Doctrine wordt door hem geprezen als een snelle weg naar het nirvana. Zijn instructies aan zijn volgelingen zijn a.v.:

Geloof in de wet van het Karma. Dan zal de gedachte aan de ellende van een lage wedergeboorte jullie begerig maken naar het verwerven van het boeddhaschap. Overpeins de heiligenlevens, de oorzaken en gevolgen van daden en het kwaad van het bestaan in de wereld. Herinner je dat het moeilijk is om herboren te worden in een positie die het mogelijk maakt om een religie (of religieuze leer) te volgen.

Leg je bij alles toe op de studie en de praktijk van de Middelste Doctrine.

Bell: de leer van veel Tibetaanse boeddhisten - incl. Mi-la - lijkt in een aantal opzichten op die van de gnostici.

 

Hoofdstuk 8:  De geelhoeden

Aan het eind van de 14e eeuw voerde Tsong-ka-pa een reformatiebeweging aan, die al te extravagante Pön- en tantrische elementen probeerde weg te zuiveren, evenals de sensuele elementen uit het Bengaalse. Weinig Tibetaanse priesters onthielden zich nl. meer van vrouwen of wijn.

Op 50-jarige leeftijd stichtte hij het klooster van Gan-den; zijn aanhangers gingen Ga-luk heten, de 'Deugdzame Weg'. Zij droegen gele hoeden om zich te onderscheiden van de rode hoeden van de oorspronkelijke priesterklasse. Tsong-ka-pa (de man van het uienland) werd op latere leeftijd Je Rim-po-che genoemd, "het hoofd van grote waarde"; zijn priesters leefden celibatair en streng. Hij wees niet alle Tantra's af, maar ging er wel selectief mee om.

De leer van de nieuwe "Deugdzame veg" volgde de hoofdlijnen die door Atisha waren uitgezet in zijn Ka-dam-pa school. Dat verlichtte zijn inspanningen om de hervormingen doorgevoerd te krijgen; hij had zeer veel succes, ook na zijn dood. De geelhoeden beschouwen hem als de tweede Boeddha.

Tsong-ka-pa was altijd goed bevriend met de Mongolen; zij waren zijn leer omgekeerd ook toegedaan. Ca. 1930 waren de hogepriesters van het klooster Gan-den de allerbelangrijkste priesters van centraal Tibet , m.u.v. een enkele levende Boeddha.

 

Zijn opvolger Ge-dün Trup-pa stichtte het klooster Dre-pung (rijsthoop), 4 mijl ten westen  van Lhasa. Dit geelhoedenklooster met meer dan 10.000 monniken was in 1930 het grootste ter wereld. Ook Ge-dün Trup-pa moest echter - zo blijkt uit kronieken - concessies doen aan de Pön-religie; ook hij kwam daar niet helemaal onderuit. Bij de stichting van een klooster moest hij bv. offeren aan de oude, locale Pön-goden om de onderneming van de grond te krijgen. Dat klooster was Ta-shi Lhün-po (De Berg van de Zegeningen). Samen met Dre-pung, dat eveneens door hem werd gesticht, was het aan het begin van de 20e eeuw het spiritueel en politiek machtigste klooster van Tibet. Zijn invloed strekt zich ook uit tot de leer: door zijn toedoen ging men ook geloven in incarnatie van mens tot mens, nadat men eerder al geloofde in incarnatie van een god in een mens. Het eerstgenoemde is afgeleid van het Hindoeïsme. De Boeddha zelf wilde niet zeggen wat het was dat van het ene leven overgaat naar het volgende.

Ge-dün Trup-pa loste met zijn gewijzigde reïncarnatiegedachte een bep. probleem op: in het klooster Sa-kya was de macht van vader op zoon overgedragen, maar na de Reformatie (celibaatl) was dit niet langer mogelijk. Door aan te nemen, dat de hogepriester korte tijd (maximaal enkele jaren) na zijn dood reïncarneerde en deze reïncarnatie objectief kon worden vastgesteld aan de hand van bep. regels, werd

er een oplossing gevonden voor de opvolgingskwestie, die gecompliceerd was door de onderlinge rivaliteit tussen de kandidaten.

 Feitelijk is dit opvolgingssysteem niet onmiddellijk na Trup-pa's dood ingesteld, maar pas zo'n 70 jaar later officiëel erkend. Als oorspronkelijke lama werd Ge-dün Trup-pa beschouwd; alle andere lama' s die hem opvolgden waren zijn reïncarnaties. Het eerst werd dit systeem gehanteerd voor de opvolging van de hogepriesters van

het klooster Dre-pung (die later Dalai Lama zouden worden); later gold dit ook voor alle andere kloosters. Geestelijke autoriteiten werden voortaan hergeboren en moesten kort na hun overlijden als kind weer worden opgespoord.

 

Hoofdstuk 9: Het Boeddhisme wortelt zich in Mongolië             

Sö-nam Gya-tso, de gereïncarneerde opvolger van Ge-dün Gya-tso, werd door Althan Khagan, heerser over oost-Mongolië, uitgenodigd naar zijn residentie te komen. Eerder al, t.t.v. de Sa-kya opperpriesters (13e eeuw),was het Tibetaanse Boeddhisme in Mongolië geïntroduceerd , met name door Drö-gon Pak-pa.

De Mongolen vervielen echter nadien tot hun oorspronkelijke sjamanisme, dat leek op het Pönisme in Tibet. Sö-nam Gya-tso bestreed dit door wonderen te verrichten; daardoor wist hij hen van zijn geestelijke overmacht te overtuigen, o.a. door rivieren andersom te laten stromen.

Sö-nam verklaarde ten overstaan van de Mongoolse keizer, Chinese gezanten en de Tibetaanse delegatie, dat voortaan de rituele verbranding van de echtgenote, slavenvolk, pony en vee van een gedode Mongool moest worden verboden. Het doden van mensen, ponies en vee werd voortaan zwaar bestraft; zelfs het brengen van dierenoffers werd verboden. Hun beschermgod werd vervangen door de Boeddha, en die lustte slechts melk, boter en yoghurt. Ze moesten periodiek vasten; raids naar Tibet en China werden verboden.

 

In de loop van tientallen jaren gingen de Mongolen zich ook inderdaad meer en meer aan deze geboden houden,  al was de verandering uiteraard erg geleidelijk. China en Tibet werden minder vaak lastig gevallen door binnenvallende horden Mongolen; er wordt zelfs beweerd dat China als staat dankzij dit ingrijpen van de Tibetanen is ontstaan. Bell beweert dat de Mongolen diep in hun hart nog altijd wild en krijgslustig zijn, maar dit weinig uiten door de pressie van hun godsdienst.

 

Altan Khagan (de krijgerkoning) gaf Sö-nam Gya-tso de titel Talai Lama. Zijn opvolgers dragen sindsdien ook die titel. De Tibetanen zelf prefereren echter hun eigen titels, 'Geheimste Beschermer', 'Al-wetende Aanwezigheid' enz.

Sö-nam stichtte later bet klooster Li-tang in oost-Tibet, een centrum van de Pönisten. Ondertussen streefde hij met succes naar goede betrekkingen met China.

In 1589 werd hij herboren als zoon van Seng-ge Du-gu-rung, de zoon

en opvolger van Altan Khagan; men noemde hem Yön-ten Gya-tso. Dat gegeven - de erkenning van zijn wedergeboorte als Mongool – vormde de garantie voor de samenwerking tussen Tibet en Mongolië op godsdienstig en politiek terrein. Mongolië vormt trouwens een geval apart binnen de kring van boeddhistische volkeren: als enig volk heeft zij haar religie van de Tibetanen ontvangen. Dat gebeurde evenwel zeer grondig. Tot op de dag van vandaag is er moeilijk enig volk of land te vinden dat haar godsdienst trouwer en consequenter aanhangt dan het Tibetaanse of het Mongoolse.

 

Hoofdstuk 10: de priester wordt op de troon geïnstalleerd

Tussen 1610 en 1642 werden de geelhoeden op de huid gezeten door de heerser van Tsang (westelijk centraal Tibet), die een aanhanger was van de Kar-ma-pa sekte; hij resideerde in Shi-ga-tse. In korte tijd werd hij de heerser over geheel centraal Tibet.

Tijdens zijn regering bezochten twee Portugese Jezuïeten hem, Cacella en Cabral. De koning behandelde hen vriendschappelijk. Dat deed ook de locale heerser van Tsa-pa-rang, die terzelfdertijd pater Andrade ontving en hem toestond een kerk te laten bouwen in West-Tibet.

Deze locale potentaat werd echter - mede door zijn steun aan de zendingsarbeid van de Portugees - verjaagd. Zelfs de koning van Tsang, die dus over heel centraal Tibet heerste, moest onder druk van de monniken zijn relaties met de beide Portugezen laten bekoelen. Zijn relaties met de geelhoeden waren sowieso al slecht; hij hield het met de Kar-ma-pa-sekte. De jonge Dalai Lama, die in 1615 was geboren, kon daardoor vrijwel geen erkenning krijgen.

Op iets meer dan twintigjarige leeftijd besloot hij echter van zijn connectie met de Mongoolse heersers gebruik te maken. In Mongolië waren de geelhoeden nl. dominant. De Mongoolse heerser Gusri Ten-dzin Chö-gyal versloeg daarop in 1642 de koning van Tsang. Deze invasie was dus een gevolg van interne Tibetaanse twisten en rivaliteit. Het had tot resultaat dat het geestelijke gezag van de Dalai Lama, die opperpriester was van het klooster Dre-pung,  nu weer in grote delen van Tibet werd erkend. In het kielzog van deze invasie werd ook geprobeerd - maar zonder succes - om Bhutan te veroveren: het was te ontoegankelijk. De Tibetaanse geelhoeden slaagden er dus niet in de Bhutaanse Ka-gyü sekte te verpletteren.

Vanaf die tijd - de regering van de vijfde Dalai Lama - is de Dalai Lama zowel de geestelijke als de wereldlijke heerser over Tibet, ook al kwam hij aan die laatstgenoemde functie vaak niet of maar gedeeltelijk toe. Een ander gevolg was, dat het Boeddhisme, vooral die van de geelhoeden, een krachtige impuls ontving in Mongolië.

 

Twee jaar vóór de nederlaag van de koning van Tsang zag de politieke situatie er a.v. uit:

In Tibet worstelden de geelhoeden zich omhoog tot een superieure positie; de bevolking erkende hun morele appèl en hun groeiende macht, maar wilde de oudere sekten der vaderen niet loslaten.

De Mongolen, die vnl. door de geelhoeden in aanraking waren gekomen met het boeddhisme, steunden hen militair. Bovendien hoopten ze dat de religieuze invloed van de lama's hen zou helpen om de Mongoolse heerschappij over China te herstellen.

De Chinezen wilden garen spinnen bij de politieke dominantie van de lama's; ze hoopten via goede contacten met hen de Mongolen te kunnen beheersen.

 

Met de installatie van de 5e Dalai Lama op de troon was de macht van de geelhoeden uiteraard verstevigd. Bovendien was hij iemand die het boeddhaschap had bereikt en niet meer naar de aarde hoefde terug te keren. Hij werd erkend als de incarnatie van Chen-re-zi, de berschermgod van Tibet. Al deze incarnaties werden beschouwd

als levende boeddha's, 'Sang-gye ' genoemd (‘de volledig gereinigden’) Met deze Tibetaanse term voor een Boeddha worden twee dingen bedoeld: ofwel worden daarmee voortreffelijken zoals Gotama en hun voorgangers en opvolgers bedoeld die met intervallen van duizenden jaren op aarde verschijnen, ofwel zij, die na vele levens ontwaakt zijn uit de sluimer der onwetendheid en zijn gereinigd.

 

De Dalai Lama verliet Dre-Pung en betrok de Rode Heuvel, waar de vroege Tibetaanse koningen hadden geresideerd. Hier werd het versterkte paleis, dat door koning Song-tsen Gam-po was gebouwd, maar later door de Chinezen was verwoest, op een veel grotere schaal herbouwd. Het werd Potala genoemd naar een heuvel op de zuidpunt van India, gewijd aan de cultus van Avalokita, de god der genade. De Tibetanen noemen hem Chen-re-zi; elke Dalai Lama is zijn belichaming op aarde.

 

 

De Potala is overduidelijk als een fort gebouwd. Aan de hand van de afbeeldingen in het interieur kunnen we vaststellen dat Tibet zijn Boeddhisme voor een groot deel ontving uit Kashmir, Afghanistan en naburige gebieden. Pas de dertiende Dalai Lama, die in de twintiger jaren van de 20e eeuw en later daar resideerde, verkreeg uiteindelijk ook de volledige wereldlijke macht over Tibet; zijn voorgangers bezaten die vnl. in naam. Afgezien van deze residentie in de Potala bleven de Dalai Lama’s ook nog officiëel hun appartementen behouden in het klooster Dre-pung.

De 5e Dalai Lama onderhield goede betrekkingen met de chinese keizer. In het binnenland hield hij flink huis: verscheidene locale machthebbers en kloosters moesten eraan geloven. Nog steeds getuigen talloze vernielde forten van de vewoestingen in deze periode, waarin de geelhoeden hun macht vestigden over een groot deel van Tibet.

De periode van de vijfde Dalai Lama markeert een keerpunt in de Tibetaanse geschiedenis. Voortaan kwam er een levendde Boeddha op de troon met zowel seculiere als geestelijke autoriteit. Hun luister was groter dan die van de hogepriesters van Sa-kya; die hadden weliswaar ook als koningen geregeerd, maar waren niet omgeven met hetzelfde aureool van goddelijkheid. Hun wereldlijk domein was kleiner; bovendien hield hun dynastie het maar 70 jaar uit.

 

Hoofdstuk 11: Christelijke zendelingen in Lhasa

Zelden kon een Dalai Iama op een afwijking van het pad der deugd worden betrapt. Waarschijnlijk had dit te maken met zijn strenge opvoeding, die al op zeer jonge leeftijd begon. De zesde Dalai Lama vormt hierop een uitzondering. Dit kwam misschien doordat de dood van zijn voorganger lang verborgen werd gehouden: pas op zijn tiende werd hij ‘herkend’. Hij hield van wijn en vrouwen. Bovendien dichtte hij vooral liefdesliedjes.

Velen, waaronder de keizer van China en de Mongoolse hoofdmannen die in Tibet gestationeerd waren, twijfelden aan de juistheid van zijn aanwijzing als de Dalai Lama. Toen hij die functie al op zich had genomen, complotteerde Sang-gye Gya-tso, die regent was onder de vorige Dalai Lama en ook tijdens de jeugd van de zesde het bestuur had waargenomen, tegen de Mongolen. Hij werd gedood. Een aantal werken over geneeskunde, astrologie en politiek worden aan hem toe geschreven. Korte tijd later werd ook de zesde Dalai Lama gedood. De Tibetanen bleven hem overigens tot het laatst trouw: de God-koning is boven alle menselijke kritiek verheven.

 

De Mongoolse commandant Latsang Khan probeerde tevergeefs een opvolger te benoemen. De Tibetanen vonden op de plaats, die de zesde Dalai Lama had genoemd, een opvolger. Die werd met hulp van een ander Mongools veldheer tot God-Koning benoemd, waarbij de Mongoolse garnizoenscommandant en zijn kliek werden gedood. Tegelijkertijd werden daarbij de oudere sekten en hun kloosters een kopje kleiner gemaakt; de suprematie van de geelhoeden werd hersteld. Chinese pogingen om de aanwijzing ongedaan te maken strandden. Daarop erkende de Chinese keizer de Dalai Lama. Vervolgens viel hij met succes Tibet binnen; de God-koning bevond zich in de legertros. (Tijdens de strijd tussen de beide Mongoolse veldheren had hij zich in gevangenschap in China bevonden). Met gemak versloeg het Chinese leger de Mongoolse troepen; China had zich nu werkelijke macht verworven in Lhasa. Dat gebeurde in 1720.

 

Na de dood van de vorige (=zesde) Dalai Lama in 1706 kwamen het jaar daarop twee Capucijner paters naar Lhasa. Zonder resultaat te hebben geboekt keerden ze in 1711 terug.

In 1716 herhaalden de Capucijnen hun pogingen; in 1724 (tijdens de regering van de 7e Dalai Lama) mochten ze zelfs een klein klooster en een kerk bouwen. Met steun van de regent , die voor de 7e Dalai Lama regeerde, en de Chinezen kon de volkswoede worden afgewend. In 1733 moest de Capucijner missie in Lhasa daardoor toch worden gesloten.

In 1716 arriveerde de Jezuïetenpater Desideri in Lhasa. Hij werd welwillend door de regent ontvangen. Desideri bood hem zelfs een samenvatting van de christelijke leer in het Tibetaans aan. De regent mocht hem wel en stelde hem alle mogelijke studiefaciliteiten ter beschikking. Hij wierp zich op de leer van het Tibetaanse boeddhisme en probeerde een tibetaanse verwerping ervan op te stellen. Dat lukte: veel tibetaanse geestelijken kwamen naar hem luisteren en met hem discussiëren. Desideri toonde op zijn manier in een driedelig werk de onjuistheid aan van de doctrine van de transmigratie, die van de 'leegte' (=maya?) en verder schreef hij over

de manier om de christelijke leer onder de knie te krijgen.

Hij verloor echter al in november 1717 de politieke steun van de regent ( die stierf) en moest in 1721 op last van Rome Lhasa verlaten. Hij gaf zeer accurate beschrijvingen van het leven in Tibet.

 

In 1740 kwamen weer een aantal Capucijner paters naar Lhasa, dat het exclusieve jachtgebied van de Capucijners was geworden (daarom had de Jezuïet Desideri het ook moeten verlaten). Ze raakten bevriend met de Regent en de vader van de Dalai Lama. Onder de druk van de monniken en dus later ook die van het volk moesten ze uiteindelijk in 1745 Lhasa verlaten.

Met uitzondering van het jaar 1846, waarin twee Franse Lazaristen het nog 2,5

maand uithielden, is sindsdien geen missionaris meer in Tibet geweest. De verhalen over de zendelingen stemmen dus allemaal overeen: door de wereldlijke heersers werden ze aanvankelijk welkom geheten, maar uiteindelijk moesten die hen - onder druk van de tibetaanse geestelijkheid - laten vallen, als ze tenminste niet kopje onder wilden gaan.

 

Toch was het niet publiek geweld waardoor de missionarissen het veld moesten ruimen. Andere problemen waren:

1. Het ruime toepassingsgebied en de ingewikkelde structuur van het tibetaanse boeddhisme, waar de meer getalenteerde priesters zich zeer in verdiepten. Om daartegen apologie te bedrijven vereiste een grote mate van deskundigheid. Men moest zich bv. toeleggen op metafysica, logica, retoriek, poëzie, liturgie, rituelen, geneeskunde, geschiedenis van de godsdienst, magie, yoga, waarzeggerij, meditatie enz. Men beschikte vaak niet over voldoende kennis en redeneerkunst om daar iets tegenin te brengen.

2. De vroomheid en het strenge ascetisme van veel Tibetaanse priesters. De enorme toewijding die hieruit spreekt maakte zeer diepe indruk: wat kon men daar als christen tegenover stellen? Van geen enkele missiepost of -huis is nog iets over in Tibet.....

 

Hoofdstuk 12: De moderne tijd (tot ca.1930)

De Tibetanen hebben altijd een sterke hang gehad naar onafhankelijkheid, wat nog versterkt is door de vrees wat buitenlandse invallers met hun geloof zouden kunnen doen.

 

De 7e Dalai Lama regeerde tot 1758 (vanaf 1721 , hoewel eerst het bestuur door de regent was waargenomen). In die periode nam de chinese invloed toe, al beperkte die zich meestal tot het bij gelegenheid manipuleren van het geestelijk gezag van de Dalai Lama ten eigen voordele en het ophouden van een schijn van chinese soevereiniteit over Tibet. Meer verwachtte men niet van een buitengewest aan de rand van haar invloedssfeer.

In 1788 vielen de Nepalese Gurkha's, gesteund door de roodhoed Hutuktu, Tibet binnen. De laatste wilde wraak nemen op zijn broer, een geelhoed, die een erfenis van een andere broer voor zichzelf had gehouden. De Chinezen sloegen deze invasie echter neer. Met hun toegenomen macht wilden zij zelfs contrôle uitoefenen op het aanwijzen van hoge incarnaties, zoals een Dalai Lama. Dat probeerden zij o.a. tevergeefs na de dood van de 8e God-Koning.

De 9e t/m de 12e incarnatie van Chen-re-zi leefde erg kort, waarschijnlijk dankzij intriges van de regenten. De 13e regeerde lang en krachtig; dat is de Dalai Lama die Bell ontmoette. Zoals gewoonlijk begon zijn seculiere en priesterlijke machtsuitoefening op zijn 18e jaar. Misschien - zo zegt Bell - werden de vier voorgaande Dalai Lama's wel door toedoen van de 'Amban', de chinese goeverneur, uit de weg geruimd.

 

Het aanwijzen van een nieuwe Dalai - Lama

Vó6r zijn dood geeft de Dalai Lama vaak aan waar hij zal worden herboren. Binnen 3 of 4 jaar daarna geven de orakels in Ne-chung en Sam-ye (staatsorakels) bijzonderheden daarover. De geleerdste lama's, waaronder die van de drie grote staatskloosters Se-ra, Dre-pung en Gan-den, gaan er dan op uit om kandidaten te onderzoeken. Deze kandidaten moeten ook bepaalde lichamelijke kenmerken hebben. De namen van drie of vier jongens worden in een gouden urn gedaan, waarna één ervan tijdens een religieuze plechtigheid eruit wordt gehaald. De aangewezene moet bep. voorwerpen uit zijn vorig leven kunnen herkennen. Vervolgens wordt de jongen door priesters opgevoed.

Op 16 of 17-jarige leeftijd (18 voor de Tibetanen) verkrijgt hij de macht. Zijn religieuze autoriteit strekte zich ca. 1930 ook uit tot Ladakh, Sikkim, Bhutan, Mongolië, delen van China en Chinees Turkistan (Sinkiang), het Buriatgebied in oost-Siberië en de Kalmoeken in Europees Rusland.

 

De huidige Dalai Lama werd in 1875 geboren. Zijn regent werd ervan beschuldigd een poging te hebben ondernomen hem te doden; dat was de hoofdlama van het grote Ten-gye-ling klooster in Lhasa. Hij zou de Dalai Lama hebben bestookt met zwarte magie. Zijn monniken steunden hem echter door dik en dun; in 1910, tijdens een Chinese inval, kozen zij de zijde van China. Toen de invasie 2 jaar later werd afgewend, werd het klooster verwoest. Bell: deze verdenking laat zien hoe diep het Pönisme zelfs in de geelhoeden-sekte is doorgedrongen.

De pientere en daadkrachtige 13e Dalai Lama is de eerste en enige die ook tijdens zijn regering wereldlijk gezag heeft uitgeoefend. Eén van zijn vroege leermeesters - een Buriat uit Oost-Siberië - kreeg een invloedrijke positie in zijn huishouding. Deze kwam aan het hof op voor de russische belangen, tot ongenoegen van Engeland, dat in 1904 Tibet binnenviel. De Dalai Lama vluchtte naar Mongolië. Hij moest Peking bezoeken, waar de keizer hem ontsloeg.

 

De Britse invloed in Tibet nam snel toe, vooral nadat er een verdrag was gesloten. De Chinezen zagen dit met lede ogen aan en probeerden in 1910 Tibet opnieuw te onderwerpen, nadat de Dalai Lama enkele maanden eerder in Lhasa was gearriveerd. De ‘Dierbare Beschermer' (Dalai Lama) moest opnieuw vluchten, deze keer naar India. In 1912 kon hij de regering weer op zich nemen: zijn verstandhouding met Engeland was erg goed.

 


 




Sir Charles Bell with
His Holiness the 13th Dalai Lama
(front row, third and fourth from left)
Photography by Johnston & Hoffman, Calcutta, 1910
Sir Charles Bell collection

 

DEEL TWEE : HOE HET BOEDDHISIME TIBET DOMINEERT

 

Hoofdstuk 13: De macht van de kloosters

Het monnikenschap is één van de weinige, maar veel gebruikte manieren voor arme Tibetanen om maatschappelijk op te klimmen. Elke incarnatie dankt zijn leiding over het klooster aan zijn heiligheid, maar de anderen zijn werkpaarden die dankzij hun vakbekwaamheid en het ontbreken van familiaire beslommeringen alle tijd en energie krachtig kunnen besteden aan hun priestercarrière. De abten van Dre-pung, Se-ra en Gan-den zitten bovendien in de Nationale Assemblee, het adviescollege van de Dalai Lama.

Dankzij hun grote macht durven de monniken, vooral die van de drie grote colleges, af en toe beslist wel eisen te stellen tegenover hun collega's of de Dalai Lama. Monniken worden overigens door andere geestelijken berecht, tenzij het om grote misdaden gaat.

Gedurende het 'Grote Gebeds-festival' in Lhasa (3 weken in februari-maart) en het 'Aanbieden van de Offergaven van de Assemblee' (10 dagen in maart of april) wordt het bestuur, evenals de politie taak, overgedragen aan twee monniken: 40-60.000 monniken zijn dan in Lhasa. Sommige priesters regeren districten. Lekenbestuurders doen vaak schenkingen aan kloosters; in geval van problemen kunnen ze dan op hun hulp rekenen. De 13e Dalai Lama probeerde trouwens een scheiding aan te brengen tussen seculiere en geestelijke macht: hij versterkte wereldlijke functies en bevoegdheden. Priesterlijke uitwassen bestrafte hij.

D.m.v. schenkingen aan de grote kloosters probeerde de Chinese keizer vroeger invloed te verwerven. Daar moesten uiteraard privileges tegenover staan (proviand en gratis transport voor Chinese ambtenaren bv.). Na 1912 hield dit uiteraard op.

 

De religie staat in Tibet in zo hoog aanzien, dat men gelooft dat de staat vergaat door buitenlandse oorlogen en interne strubbelingen wanneer de godsdienst niet meer ondersteund wordt. Het is niet voor niets dat de lama's als het derde lid van het Goddelijke Drietal worden beschouwd: de Boeddha, de Wet en de priesterstand.

 

Hoofdstuk 14: Priesters als burgerlijke en militaire functionarissen.

De civiele dienst van de centrale regering - 350 leden – telt ca. 175 priesters: de meesten zijn van lage kom-af. Zij worden al op jonge leeftijd gerecruteerd en opgeleid.

De priester-ambtenaar staat vaak aan het hoofd van een belangrijk district; hij heeft een collega met wie hij de macht moet delen, vaak een leek. Alleen onbelangrijke districten worden door één ambtenaar, een dzong-pön, geregeerd. De reden voor het instellen van dit tweekoppige bestuur is, dat ze elkaar kunnen controleren; alle taken nemen ze samen waar.

De vier Grote Secretarissen van de centrale regering controleren de priester-ambtenaren. Zij doen ook suggesties voor benoemingen aan de Dalai Lama, die ze al dan niet kan opvolgen.

 

Overigens durft de priester-ambtenaar van een groot district over het algemeen zijn mond meer te roeren dan zijn collega-leek, vooral als hij een geelhoed is. Het hoofd van alle priester-ambtenaren is de Kamerheer in het huishouden van de Dalai Lama. Allerlei hogere beroepschriften, smeekbeden en verzoeken van ambtenaren e. d. worden door hem afgehandeld.

De belangrijkste post was die van bevelhebber van de troepen in oost-Tibet. Hij moest steeds de chinese troepen in de gaten houden die in die omgeving gelegerd waren. Ambitieuze generaals, die loerden op een kans om Lhasa te bestormen en veroveren, moest hij resoluut afstoppen.

 

Hoofdstuk 15: een godheid als koning

De hogepriester van één van de vier kleine Ling-kloosters in Lhasa of de daaraan geassociëerde twee kloosters in centraal-Tibet werd traditioneel benoemd tot regent. Deze kloosters hadden een hoge incarnatie als abt. Alle hoge incarnaties verbleven trouwens gedurende een groot deel van hun jeugd in Dre-pung, Se-ra of Gan-den,

de 'Drie Zetels'. Daar kregen zij hun opleiding.

Als geen enkele hogepriester van de genoemde zes acceptabel was als regent, werd soms de 'Geïnstalleerde van Gan-den' benoemd. Benoemingen van een regent geschiedden altijd door de Nationale Assemblee.

De Dalai Lama heeft echter veel meer macht en aanzien: hij is immers Chen-re-zi’s  aardse incarnatie: hij heeft zelfs de macht om te straffen of te verhogen voor een volgend leven van zijn onderdanen. Toch kost het hem soms grote moeite om de orde te handhaven tijdens de grote religieuze festivals wanneer 50.000 monniken in Lhasa verblijven, vooral tijdens het Grote Gebedsfestival. De Dalai Lama t.t.v. Bell probeerde de gemoederen in bedwang te houden via de hoofden van de kloosters. Opvallend is, dat hij de wereldlijke macht van de priesters inperkte. Tegelijkertijd zorgde hij voor een toename van de kennis van de godsdienst onder priesters. Rituelen, ceremonies en spektakels breidde hij in aantal en omvang uit. Alle belangrijke burgerlijke, inkomens- en administratieve aangelegenheden handelde hij zelf af. Verder brak hij met de regel dat familieleden van de Dalai Lama geen openbare ambten mochten bekleden: zijn eigen neef was premier.

Deze Dalai Lama staat ook geen grote macht toe van de Nationale Assemblee. Deze kan nl. alleen vergaderen als hij hem bijeen laat roepen; dan nog kunnen alleen die leden komen, die op een speciale lijst staan vermeld. Bovendien roept hij gewoonlijk alleen leden op van een commissie van de belangrijkste leden.

Het werkelijke overleg vindt plaats tussen de Dierbare Soeverein en zijn ministers. In religieuze zaken heeft de 13e Dalai Lama ook macht over Mongolië; zelfs in wereldlijke zaken interveniëert hij wel eens.

 

De status van de Pan-chen Rim-po-che t.o.v. de Dalai Lama is soms voorwerp van discussie. Als hogepriester van Ta-shi Lhün-po, gesticht door de eerste Dalai Lama, is hij de incarnatie van Ö-pa-me, de geestelijke vader van Chen-re-zi, wiens incarnatie de Dalai Lama is. Niettemin is Chen-re-zi, ook al is hij de geestelijke zoon, de beschermgodheid van Tibet. Ook de grote koningen uit de klassieke periode werden als zijn incarnaties beschouwd. Hun residentie  Lhasa is nog steeds de heiligste en meest respectabele plaats in Tibet.

 

De Pan-chen houdt zich meer met geestelijke zaken bezig en is zeer geliefd. Er bestaat echter wél frictie tussen zijn hofhouding en die van de Dalai Lama. De kritiek op de Dalai Lama wordt soms gevoed doordat hij zich ook veel met wereldlijke zaken bezig houdt, wat door Tibetanen als iets minderwaardigs wordt beschouwd vergeleken met de verhevenheid van religieuze zaken. Ook het voeren van oorlog wordt hem soms kwalijk genomen (1904: Britse inval; 1910 China) omdat het doden van levende wezens een zonde is voor een boeddhist. Daar kan echter tegenin worden gebracht, dat deze oorlogen nodig waren om het geloof te redden. Bovendien behield hij de onafhankelijkheid van Tibet! Ook moet gezegd worden, dat de 13e Dalai Lama vele uren per dag zijn religieuze taken vervult. O.h.a. is hij zeer geliefd; de meesten bekritiseren hem niet.




 

 

BIJLAGE: BRONNEN

 

A. Chinese

Tijdens het leven van elke chinese keizer werden alle gebeurtenissen van belang officiëel geregistreerd. Na de val van een dynastie werden deze kronieken verzameld en verwerkt in een geschiedkundig werk. Zeer belangrijk is de geschiedschrijving van de Tang-dynastie (618 - 908), waarvan twee versies bestaan.

Vanwege de gebruikelijke minachting van Chinezen voor Tibetanen is hun beschrijving van Tibet vaak wat verdraaid, ook al zijn hun kronieken op zich zelf respectabel. Daarnaast houden zij zich vnl. bezig met politiek en beschrijvingen van het uiterlijk van het land. Voor het Tibetaanse Boeddhisme interesseren zij zich niet. Voor het overige zijn hun kronieken toch nog wel de moeite waard.

 

B. Tibetaanse

Onder de oorspronkelijke Tibetaanse literatuur bevindt zich ook een aantal historische werken, veelal heiligenlevens. Gedurende de afgelopen 300 jaar zijn de wederwaardigheden van de heersers naar chinese trant tijdens hun leven opgetekend en na hun dood gepubliceerd. De Dalai Lama's maken ook hun eigen contemporaine aantekeningen, terwijl geleerden hun eigen algemene geschiedenissen schrijven over Tibet. Al deze historische werken houden zich grotendeels bezig met de lotgevallen van het Boeddhisme.

Een nadeel is echter, dat ze niet scherp onderscheid maken tussen geschiedenis en legende. Een ander nadeel wordt gevormd doordat men o.h.a. weinig oog heeft voor data: precieze jaartallen worden vaak niet gegeven. Een gunstige uitzondering daarop vormt de 'Blauwe Schat aan Verslagen'.

Ondanks deze beide nadelen is veel materiaal toch waardevol te noemen; veel beschrijvingen zijn accuraat. Tibetanen zijn o.h.a. vrij precies, wat o. a. blijkt uit hun zeer nauwkeurige vertalingen van Indiase boeddhistische werken. Bovendien worden boeken zeer gerespecteerd, omdat ze de religie van de Boeddha naar Tibet brachten.

 

Naast geschiedkundige werken en biografieën zijn er ook zgn. 'schatten', die geschreven zouden zijn door zeer hoge lama's. Volgens de traditie zijn ze zo verborgen dat ze worden ontdekt als de religie ze nodig heeft. Daarnaast bewaart de tibetaanse regering talloze verslagen over het wereldlijke bestuur: ze reiken tot wel 1100 jaar terug.

 

Wat religieuze historiën betreft: zeer belangrijk is de naam van Pu-tön Rim-po-che, geboren ca. 1290. Hij had een belangrijk aandeel in het samenstellen van de Kan-gyur, de tibetaanse Canon en de Ten-gyur, de Commentaren. Samen bevatten ze 330 delen en vormen ze de centrale autoriteit in de heilige boeken van het tibetaanse boeddhisme.

Bell citeert het meest uit de 'Blauwe Schat aan Verslagen'. De auteur is 'Vertaler Gö', een priester die het werk voltooide in 1476. Het doel van dit lange en nauwkeurige boek as om een uitgebreide geschiedenis samen te stellen van het boeddhisme in Tibet. Evenals zijn collega's gebruikte Gö materiaal uit bestaande geschiedenissen.

De ' Blauwe Schat ' behandelt de tibetaanse geschiedenis niet in zijn geheel chronologisch, maar wel elke doctrine of school van het tibetaanse boeddhisme. De stijl is voorzichtig en sober; data worden vaak wel gegeven. Gö accepteert niet voetstoots de vroegere geschiedwerken, maar controleert ze aan de hand van originele, betrouwbare documenten.

 

Een ander tibetaans geschiedwerk is de 'Heldere Spiegel van de Koninklijke Lijn', geschreven door Sö-nam Gyal-tsen. Het werk beschrijft niet de ganse loop van het tibetaanse boeddhisme. Na het verhaal over het leven van de Boeddha gaat het verder met de tijd van de vroege koningen: daar concentreert het zich op. Het stopt kort na de moord op koning Lang Dar-ma in ca. 900. Deze 'Spiegel' is van recentere datum dan de 'Blauwe Schat' en bevat meer mythologie.

De vijfde Dalai Lama, die in de 17e eeuw regeerde, schreef een kort geschiedwerk over Tibet, dat zowel over de wereldlijke als de geestelijke geschiedenis gaat. Het beschrijft gebeurtenissen tot de tijd van de Dalai Lama’s.

Bell baseert zich verder op biografieën en locale geschiedwerken.

 

c. Europese geschreven bronnen

De eerste Europeaan die voorzover we weten contact heeft gelegd met de Tibetaanse invloedssfeer was de Vlaamse monnik Willem de Rubruquis. Hij bezocht Karakoram, de Mongoolse hoofdstad, in 1253. Daar vond en beschreef hij monniken, die religieuze diensten hielden.

Tussen 1624 en 1721 bezochten missionarissen van de Jezuïeten Tibet. Tussen 1708 en 1711 en tussen 1716-1733 werkten Capucijner monniken in Lhasa. Ook daar zijn nog enkele verslagen van bewaard gebleven. Dat geldt eveneens voor de twee Franse Lazaristen die Tibet in 1846 bezochten.

 

d. Illustraties:
 
'The People of Tibet', Sir Charles Bell, Oxford: Clarendon Press, 1928

 




[1] Pseudoniem – auteur is gekend door de webmaster


Website statistieken gratis, LetsStat X1