Paracelcus

 

Toen ik een tijdje geleden in Amsterdam langs de tweedehands boekenmarkt wandelde viel mijn oog op een oud-ogend boekje. Het leek op mij te wachten, dus kocht ik het. Op deze pagina wil ik enkele hoofdstukken met jullie delen uit:

De Doolhof der Geneesleer
(Labyrinthus Medicorum)

                  

Uit het eerste en voornaamste boek der genees­kunde,

waaruit iedere genezer zijne kunst nemen en ervaren moet,

het boek dat zijn oorsprong uit den eenigen geest heeft.

I.

 

Het eerste en voornaamste boek aller geneeskunde heet wijsheid. Zonder dit boek zal niemand iets goeds en vruchtbaars uitrichten. Dat is wijsheid dat een weten is en geen meenen te weten, zoo, dat zij alle dingen verstaat en met verstand gebruikt. Het is een verstand en wijsheid zonder dwaasheid, domheid, dwaling en twijfel, die de dingen volgens den waren weg, grond, verstand, maat en hoeveelheid hun plaats geeft. In dat boek is de grond, de waarheid en de kennis aller dingen, door welke kennis alle zaken beheerscht, geleid en in hun volmaaktheid gebracht worden. Dat boek is God zelf. Want alleen bij hem die alle dingen geschapen heeft ligt de wijsheid en de grond in alle dingen. Door Hem weten wij wijslijk in alles wat wij doen te handelen en te wandelen. Zonder Hem is niets te beheerschen, te leiden, te ge­bruiken zooals dat moet, zonder hem is alles dwaas­heid. Evenals de Zon ons beschijnt, zoo moet ook de kunst ons van boven af beschijnen. Want wat is wijsheid anders dan de kunst dat ieder zijne gave en roeping weet en kent. Dat kunnen wij zoo min uit onszelf hebben,als wij dag en nacht, zomer en winter uit onszelf hebben.

 

En ofschoon het geneesmiddel natuurlijk is, dat wil zeggen dat het bij ons op aarde is, als het Argentum vivum, pokhout enz. zoo moet ons dat toch door het hoogste boek getoond worden. Zoodat wij door hetzelve leeren, wat het bevat, hoe het besloten is, hoe het uit de aarde genomen zal worden, hoe de zieken daarmede te helpen en welke zieken. Want het lichaam is geen geneesmiddel, het is de aarde, doch in het lichaam ligt het verborgen. Het is de aarde die noch door het vleesch, noch door het bloed herkend wordt. Hieruit volgt dat het ge­neesmiddel uit den geest die in den mensch is moet vloeien. Deze is van die tot wien hij wederkeert, dat is de leerling van de geneeskunst. Daarop volgt het eerste onderwijs en onderzoek, n.l. dat wij ten eerste het Rijk Gods zullen zoeken. Daar ligt de schat, de school van den grond der wijsheid voor een ieder mensch naar zijne roeping. Daarna worden ons alle dingen gegeven. Wat kan edeler zijn dan te zoeken, aan te kloppen en te vragen in het Rijk Gods? Wij zijn te zamen aardsch, hebben in onze aardsche school niets dan dwaasheid, daarom is ons geboden het Rijk Gods te zoeken waarin alle wijs­heid ligt. Van dit gebod mag de genezer zich niet uitsluiten. Meent hij soms dat de natuur niet in het Rijk Gods is, dan heeft hij het mis, want zij komt van God. En ofschoon de ongeloovige zich voor een genezer kan uitgeven zonder het Rijk Gods te zoeken, zoo wordt hier opgemerkt dat er zonder God niets wordt.

 

De Geest gaat waar het hem belieft, hij is niemand eigen, hij heeft zijn vrijen wil. Daar0m moet de genezer zijn begin in hem nemen. Zonder hem is hij slechts een pseudo genezer, een dolende van eenen vliegenden geest. Doch wil hij de waar­heid der kunst leeren, dan moet hij op de aangegevén wijze beginnen, doet hij dat niet, dan blijft hij leeren zonder aan het einde der waarheid te komen. Zooals Paulus duidelijk aangeeft en menig onderricht geeft waaruit ieder zijne wijsheid zal putten. Dan baart een genezer kunst, als hij die zoekt zooals de apostel Jacobus leert, natuurlijke kracht van God en de verborgen mysterie te ervaren. Het zal niemand bevreemden als ik zeg dat God het eerste boek is.

 

Want wie kent het werk beter dan die het gemaakt heeft, die weet de werkkracht weer te geven en aan te toonen? Wie anders dan God zal nu het geneesmiddel gemaakt hebben, wie anders dan alleen God zal het weten? Nu vloeit het uit hem als de warmte der Zon die de bloemen te voorschijn lokt. Zoo zal onze wijsheid uit God vloeien. Wat wordt er op aarde ge­vonden dat niet door God tot ons gekomen is? Hij heeft alles in zijn hand gehouden. Willen wij het uit zijn hand nemen dan zal dat moeten zijn door bidden, zoeken en aan te kloppen. Zoo is de weg in de school. Met geweld, door te stelen en met streken, volbrengen wij daar niets. Die ons aangeeft om het dagelijksch brood te bidden, die beduidt ons ook te vragen om wat meer is dan brood. In het brood is niet alleen ons leven, doch ook de kunsten en de wijsheden die van den mond Gods uitgaan. In deze zullen wij ons verzadigen, het maagvulsel voor doodelijk achten, het andere voor eeuwig. Want die geleerd zijn zullen in het Rijk Gods schijnen als het schijnsel der Zon; deze leer moet uit God gaan.

 

Zoo is iedere volmaakte gave uit God, die ons zegt te bidden, te zoeken en aan te kloppen, zeg­gende: wat wij in zijn naam vragen zal ons gegeven worden. Hieruit volgt dat ons geen steenen of slan­gen voor brood gegeven zullen worden. Ieder leerling der natuur zal nu weten dat hij in dezen vorm de natuur ervaren moet. Want leert dat van mij: het woord dat hij spreekt moet vervuld worden of het kan als geen grond der waarheid worden be­vonden. Wat zonder Hem gevonden wordt is blind, een duister, zonder licht. Op die wijze moeten de geheimen en mysteriën der natuur tot ons komen en worden ons de groote werken Gods geopenbaard. Zoo komen de geheimenissen naar voren door Hem die ze in de natuur gelegd heeft, die zich verheugt zoo wij daarin leeren en het geschrift Gods doorzoeken dat ons alle dingen openbaart. Geeft Hij de vogelen wat hun van noode is, nog veel meer geeft Hij ons, die naar zijn beeld gemaakt zijn. Wat heeft de vogel nog meer dan God hem geeft, terwijl hij kan wat de mensch niet kan? Alle dingen komen van boven, zijn wij in dat boek niet bekend, dan zijn wij met ziende oogen blind.

 

Daarom heeft het mij goed gedacht, dat ik de boeken der geneesleer aantoonde, voordat ik de ziekten beschreef, opdat daarmede het eerste en ware Boek waarin alle eerste elementen en begin­selen staan, dat tot het goede en volmaakte einde voert, zou herkend worden. Hiermede gaat men het huis recht binnen, klimt niet door het venster, zoo­als de Humoristen gewoon zijn om van de zijde binnen te klimmen en van dit boek niets willen weten. Het is duidelijk genoeg dat zij eerst den schat zoeken die de roest invreet. Daarom wordt hun ook de roest gegeven, want wat ieder zoekt, dat wordt hem gegeven. Waar uw schat is daar is ook uw hart, daarin zult gij ook geworden. Zoo va11en zij onder de spreuk van Paulus: zij doen niets dan leeren en kunnen toch niet tot de kunst der waar­heid komen. Dat is tot diegenen gezegd die het Rijk Gods niet zoeken doch het aardsche.

 

 

Uit het tweede boek der geneesleer,

waaruit de genezer zal leeren wat het firmament is.

II.

 

 

Het moet niemand verwonderen dat ik niet naar boeken of geschriften verwijs om het begin der geneeskunde te leeren en men doet wel de oorzaak daarvan na te gaan. Met het dooreen schrijven van goed en kwaad door ongeleerde lieden, waardoor het goede met het booze besmet wordt, eerder die zaken geprezen worden, die niet deugen dan die goed zijn, maken zij daarmede een mengelmoes, waarop zij als op ongedurige baren her- en derwaarts drijven. Ieder trachtende zich mooi te maken met de veer en van een ander en zich een grooten naam te bezorgen. Door zulke schrijvers is de geneesleer geheel ver­brokkeld en zijn de papieren boeken niet te vertrou­wen. Hoewel enkele hunner wel eenige ondervinding, ervaring enz. gehad hebben was dit slechts zoo, dat zij in den grond der zaak misleid waren. Want de stijl toont aan dat er groote eenvoud met onver­stand in de geneeskunde geweest is. Weet dan dat er andere boeken zijn waaruit de genezer zal leeren, waaruit de ware grond voortvloeit. Zonder deze boeken is alles slechts doode letters, welke de zieken meer ten doode dan tot het leven brengen.

 

Merk nu bet tweede boek der geneesleer op n.l. het boek van het firmament. Dit boek moet in orde na het eerste geleerd worden. Want zooals aange­geven is dat, als gij bet Rijk Gods zoekt u alle dingen worden toegeworpen, zoo is ook dat toe te werpen, wat ons aantoont dat in het licht der natuur staat. Evenals door de letters in een boek een geheele leer kan gezet worden, zoodat een ieder door lezen deze kan doorloopen, zoo is er in bet firmament een boek dat zijn kracht en leer leert herkennen. Niet dat alle zaken door het alphabet hun begin hebben, doch in het geheel geen oorsprong. Hetgeen het alphabet bevat komt van buiten in het alphabet. Echter in het firmament is het in oorsprong en letter een ding. Bijv.: een boom geeft zonder het alphabet den naam van den boom en heeft geen alphabet noodig, toont uit zichzelf aan wat hij is, wat hij geeft, wat in hem is, waartoe hij dient, zonder papier, inkt en pen. Zooals die boom zich nu zelf beschrijft en ons zelf leert hoe hij is en wat daar is, zoo is het boek van het firmament ook. Hiermede komt de oorsprong in het alphabet. Doordat men het steeds op andere wijze wil zoeken, gebeurt het dat men het ééne ware niet meer gelooven wil. Met behulp van dit tweede boek zal men beproeven hoe het goud door het spies glans te maken is. Wie dit boek niet aanvaardt kan nog geen genezer genoemd worden.

 

De genezer wordt gedwongen evenals iemand een boek van het papier leest, de sterren van het firma­ment te lezen en den zin in volgorde daaruit te nemen. Evenals ieder woord zijn bijzonderen kracht heeft en toch in zichzelf geen zin is, doch door volkomen woorden den zin vormen, zoo moeten de sterren aan den hemel ook te zamen gevat en moet de hemelsche zin daaruit genomen worden, d. w. z. de geheele grond in eenmaal opgenomen en verstaan worden. Op dezelfde wijze als wij een brief, die honderd mijlen ver gezonden is juist zoo zouden verstaan zooals de schrijver daarin zijne meening aangegeven heeft, zoo komt het firmament ook briefsgewijze tot ons. Zie nu om naar den bode gij genezer, waar hij te vinden is die voor u heen en weder gaat.

Zoo zal dit tweede boek der geneesleer begrepen worden. Dat boek bedriegt niemand, is door geen bedriegelijken schrijver geschreven, maar door Hem die geen papier noodig heeft om ons te leeren. Hij heeft wel geweten dat er bedriegers zouden opstaan om met tekortkomende pen te schrijven.

Zoo is de weg om de geneeskunde te bestudeeren, zoo is het boek der hoogeschool van de geneesleer, zoo de schrijver van de geneesleer, zoo wordt het begin en het einde der ziekte gevonden. Hoewel een dergelijk boek van het firmament op papier be­schreven wordt, is dit slechts als een schaduw op den wand, of als een spiegelbeeld, dat niemand een volkomen onderricht geven kan. Die echter de vol­komen onderrichting wil kennen, moet datgene­ zien waardoor de schaduw of het spiegelbeeld ont­staat. Ziet hij dat goed, dan wordt hij niet bedrogen, heeft geen spiegel noodig, ziet dat levendig waaruit de grond voorkomt

 

De boeken der geneeskunde zijn niet volkomen in de pen, doch op de plaats zelf. Geen boom kan door de beschrijving, wel door zijne tegenwoordigheid herkend worden. Niet het uiterlijk moet men nagaan, doch wat daarin is, dat is de boom. De spijs is geen spijs voor zij vleesch en bloed wordt. Hetgeen de mond opneemt is geen spijs, maar wat door het vleesch en het bloed opgenomen wordt is voedsel. Daarom zullen wij niet in den spiegel leeren, want hetgeen wij moeten weten is daarin niet te vinden. Wel echter in die boeken waarvan het firmament er een is.

 

Het is meer dan belachelijk, dat de genezers de ware boeken van de geneesleer niet ter hand willen nemen, doch hun tijd aan nuttelooze en verdichte boeken verdoen, waarvan de letters dood zijn en de zin geen leven heeft, zooals zij dan ook door hun werk betuigen, zij trachten niet als iemand tot hen zegt, dat het boek van de geneesleer bedriegelijk is, na te gaan wat het ware is. Zal een dergelijk boek beproefd worden, dan moet dat gedaan worden met hetgeen waaruit het bestaat.

 

Het Evangelie uit Christus is uit hem; het natuur­lijk boek uit de natuur, is uit de natuur. Als nu het natuurlijk boek van het firmament niet in het weten bestaat, hoe kan het dan door het spiegelbeeld en de schaduw bewezen worden? Zal nu niet begrepen worden waarom het gaat? Hoe kan een timmer­man een ander boek hebben dan zijn kunst en het hout, een metselaar dan steen en cement, een ge­nezer dan het boek, dat de menschen ziek en gezond maakt? Het verstand moet voortvloeien, waaruit het is en het spiegelbeeld daarvan moet beproefd worden. Het lichaam is het boek, daarheen zal de genezer gaan. Evenals Christus zegt: “waar het lichaam ligt daar verzamelen zich de arenden", wordt dit gezegde in verband met de natuur gebezigd. Want waar het geneesmiddel is, daar zullen de genezers zich ook verzamelen.

 

Evenals ieder ding naar zijn aas vliegt en in het aas verzadigd wordt, zoo moet het firma­ment een boek zijn, waar het aas ligt van het natuur­lijk licht. Waar de kunst is daar verzamelen zich de kunstenaars. Zoo is het geneesmiddel en de kunst een lichaam en het firmament is een deel van dat lichaam. Daarom zullen de genezers zich op die plaatsen verzamelen. Versta dit tweede boek der geneesleer zoo, dat het niet genoeg is zich te verge­noegen om als een vledermuis rond te fladderen, doch men moet zich tot den waren grond en oor­sprong wenden. Zooals de arenden tot hun aas vliegen zal ieder tot zijn aas vliegen, waartoe hij behoort en waardoor hij gevoed moet worden, opdat daarmede de kunst volkomen zal worden ervaren. Zoo weinig men het spiegelbeeld kan leeren en doorgronden, zoo min kan de ware grond uit de pen vloeien. Doe daarom de oogen open en tracht naar het ware aas te vliegen.

  

 

Meer over Paracelcus

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL

 

        Website statistieken gratis, LetsStat X1