Frederik van Eeden, Aan mijn zoon.

 

 

 



Frederik, Martha, Paul en Hans

 

Aan mijn zoon [eind 1887][1]

 

Mijn lief, klein jongetje! dat ik heb opgeroepen uit het verre, stille droomland, luister eens, ik ga je veel vertellen. Ik moet dat wel doen, want het is mijn schuld dat je niet meer droomt in het rijk van den eeuwigen herfstnevel, tusschen de groote blauwe bloemen aan het effen meer. Het is mijn schuld dat je mee moet doen in de wonderlijke onrust van een menschenleven. Ik heb je hier binnengebracht - nu moet ik toch ook vertellen hoe het er hier uitziet en wat er hier gebeurt. Ik heb al dikwijls verlangd het eens aan iemand te zeggen die het niet weet. Want ik ben hier ook nog niet lang, mijn jongen! ik verbaas mij nog elken dag en begrijp er heel weinig van. Maar ik zal trachten je wat op den weg te helpen, zoo als ik wilde dat men het mij gedaan had.

 

Je hebt wel recht wat boos op mij te zijn, arm ventje- want ik kan niet beloven dat je hier tevreden zult zijn. Daar waar je vandaan komt is het mooier dan hier, veel mooier. Jij zult dat nu niet gelooven, maar uw vader weet het heel goed. En als jij hier een poosje geweest bent zul je het ook begrijpen. Dan zul je dat half vergeten land weerzien met zijn stille, heilige pracht. Die herinnering zal komen als dit menschenleven ver is, in den slaap. En geen wakend uur zal op het geluk dier droomen gelijken. Als een droevig leed zal het je zijn dat je verder en verder weggaat van dat land - en dat je het niet meer zoo vaak en zoo duidelijk weerziet in den slaap.

 

Maar nu ben je een mensch, net als ik. Ik heb al gemerkt, dat je dat weet. Je weet dat je een ding bent als ik. Want toen ik tegen je lachte heb Je niet zoo'n leelijk gezicht getrokken als anders, maar ook gelachen. Je w0u zeggen: dat kan ik ook. Maar Hans! - wie vertelde je dat jou gezichtje toen net deed als het gezicht van je vader? Je hadt toch geen Spiegel. En je trekt wel duizend grimassen op een dag - waarom trok je toen dezelfde grimas als ik? Dat is zoo knap van je dat ik het niet begrijp.

 

Zulke wonderlijke dingen zul je nu hier telkens zien. Er zijn hier verschrikkelijk veel menschen, allemaal een beetje anders. En toch weet je, zonder dat iemand het je zegt, dat het allen juist zulke dingen zijn als jezelf.

En al die menschen rekenen er op dat je dat weet en dat je begrijpen zult wat zij denken en voelen, ook zonder dat zij het zeggen.

 

Als dat nu ook altijd waar was, dan zou je het hier makkelijk hebben. Maar ongelukkig zijn wij hier allen wel zoowat gelijk, maar niet precies. Je zult gauw weten hoe een ander mensch voelt als hij boos is of als hij lacht of als hij iets roods ziet of iets blauws. Maar een mensch voelt nog allerlei dingen meer en daarvan weet je het recht niet. En toch willen alle menschen dat een ander voelt wat zijzelf voelen. Zij nemen dat gewoonlijk van te voren aan - en als zij merken dat het niet zoo is worden zij boos.

Hierdoor komt het dat er zulk een geweldig rumoer onder al die menschen is. Het is een zee van geluiden, van gelach, gepraat, ge­schreeuw. Dit is hun ongelijkheid die zich tracht te vereffenen. In een weiland met koeien is het meestal zeer stil. Die beesten lijken allen veel meer op elkaar en denken volkomen hetzelfde. Tenzij zij gemolken moeten worden, - dan verschillen zij van meening met den melkboer die langer wegblijft dan zij wenschen.

 

Dat eerste lachen van je, Hans, is een teeken des verbonds tusschen jou en al die anderen. Er zal wel een tijd komen, dat je liever alleen wil zijn - en dat je het naar vind een ding te zijn zooals al die anderen. Dan moet je denken: ik heb mee gelachen met mijn vader toen ik heel klein was. Nu moet ik ook meelachen en meehuilen met al die anderen. Daar helpt niets aan.

 

Ja Hans! je bent een mensch en je gaat een menschenleven beginnen. Sommigen hier vinden dat allebei heel gewichtige en prettige dingen. Volgens de nieuwste meening is mensch zijn het voornaamste. Je zult het heel dikwijls hooren: wees mensch! wees mensch! - alsof je dat nog nooit geprobeerd had. Je moet dan niet antwoorden: 'mijn vader zegt dat ik het al ben' - want dan begrijp je ze niet. Je moet vragen: 'wat bedoelt u daarmee'. Dat vraag ik meestal, thans, - en ik krijg er dikwijls geen antwoord op. Dan merk ik dat zij zelf niet weten wat ze bedoelen.

 

Leven vind men hier ook heel belangrijk. Als iemand het heel akelig heeft dan zegt hij 'dat is geen leven!'. Anderen zeggen weer 'leven en laten leven'. Dit vind ik ook altijd heel moeielijk te begrijpen. Je zou denken, dat men bedoelde: je moet in 't leven zien te blijven en niemand doodmaken. Maar het is heel anders. Als je dat alleen deed, zou niemand tevreden met je zijn.

 

Dit schrijf ik nu voor u, mijn lieve jongen, heelemaal alleen voor u. Er zijn zooveel menschen en zij vermoeien mij zoo, - ik wil graag schrijven maar ik kan het niet meer om al die menschen. Zij staan om mij heen en kijken op mijn handen en naar mijn mond. - Zij hinderen mij en ik kan hen niet velen. Dit is nu niet voor hen - dit gaat hun niet aan, - dit is voor jou, mijn jongen, - mijn Goudhansje. O jij mag met ronde blauwe oogen naar mijn pen kijken en naar mijn lippen. Ik ben alleen met jou en zoo gelukkig.

 

Ga nu maar heen, gij allen - gij zult er niets aan hebben. Wendt u maar af en luister naar anderen, - ik wil nu heel rustig zijn en vrij. Ik spreek nu zacht en naar den innigsten diepsten lust mijns harten, - maar mijn kind alleen mag aandachtig luisteren naar het heimelijk fluisteren van mijn pen.

 

Als ik denk, Hans, dat jij mij dat geluk geven kunt, dat groote geluk: alleen te zijn en vrij, en rustig de dingen uit te kunnen spreken, die ik graag zeggen wil, dan zegen ik je, mijn jongen. En ik zal je ook veel goed doen daarvan. Ik zal jou doen, wat ik wilde dat men mij gedaan had. Ik was hier eerder dan jij in de wereld - toen heb ik je geroepen uit het verre land. Je kent het wel dat land, het moet er heel mooi zijn en wij zien het soms weer als wij droomen, maar al minder hoe ouder wij worden - en ik weet niet, arme jongen, ik weet niet of je het wel goed zult vinden dat ik je geroepen heb. Of je niet liever gebleven was in het nevelland, in het heerlijke droomland met de groote bloemen aan het vlakke meer, met de stille luchten van goud en blauw - ik weet het niet, arm ventje, of het hier beter zal zijn naar je kleine zin. Moet ik je dan niet eens vertellen, zoo precies als ik kan, hoe het er hier uitziet en wat ik hier gevonden heb in den tijd dat ik eerder hier was dan jij. Dat zal ik nu doen.

 

O Hans, mijn jongen - het is hier een vreemde vertoning. Kom bij mij, hou je dicht aan mij, wees voorzichtig en let goed op. Het is hier een rare boel- ik ben er al vrij lang en nog zit ik als een vreemde, verwon­derd in 't rumoer. En ik weet nog niet recht of ik zal gaan lachen of schreien. Maar ik houd niet op mij te verbazen. En dat zul je ook omdat je mijn kind bent. Daar zijn er, die zich niet verbazen - die zijn mij zeer vreemd.

 

Je zult het eerst bemerken dat er twee soorten van dingen zijn ­prettige dingen en verdrietige dingen. Dat weet je nu al- er zijn twee Hanzen, Hans in vreugde en Hans in verdriet. En wij willen altijd Hans in vreugde zijn. Maar zie, daar begint het rare al, dat kan niet - en al kon het dan zouden wij het toch eigenlijk niet willen. Want het zit zoo, dat het een verdriet is altijd door plezier te hebben. Is dat niet wonderlijk, Hans? Toch is het zoo.

Maar luister, - er zijn geen twee, maar wel honderdduizend Hanzen.

 

En dikwijls zul je volstrekt niet weten of het nu Hans in vreugde of Hans in leed is - heel veel zijn tusschenbeide of heel anders en er zijn ook dikwijls veel Hanzen tegelijk - van allerlei soort.

En onder al die Hanzen zijn er waarvan je heel duidelijk voelen zult: dit zijn de besten. Die zijn niet allen in vreugde, ook niet in mooi - maar je zult weten dit zijn de besten. En die nu moet je goed en aandachtig uitzoeken, en goed vastprenten in je hoofdje - en dan zorgen dat zij dikwijls komen en lang blijven.

Wanneer gij de menschen hoort spreken van goed zijn, of van Gods wil doen, dan bedoelen zij ditzelfde.

 

 

Bron: Onzekerheid is leeven – Beschouwingen over Frederik van Eeden – ISBN 90 247 9151 0

Verschenen in ‘Mededelingen’ XXVII  



[1] Hans van Eeden, eerste zoon van Frederik van Eeden,  werd geboren op 12 mei 1987

 

 

Hans van Eeden

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL