|
|
Leestips 5
Veronika's drievoudig licht - Manfred Kyber De schrijver Manfred Kyber geeft ons in dit boek een wonderlijk teer en mystiek beeld van het leven van enige mensen hier op aarde en wijst daarmee op het goddelijk verband der dingen. Veronika, de hoofdpersoon, is een teer en gevoelig meisje dat nog contact heeft met de subtiele wereld om haar heen, die voor de meeste mensen niet of niet meer waarneembaar is. Zo gaat zij haar lichtend levenspad, beschermd en bewaakt op deze aarde door haar oom Johannes, die met een band, die zich door vele levens heen uitstrekt, met haar verbonden is. Veronika is zich deze band niet duidelijk bewust, maar voelt wel steeds een sterke aantrekkingskracht naar haar beschermer en van tijd tot tijd tovert deze kracht haar beelden van fragmenten uit vorige levens voor ogen. Pas na haar overgang naar het andere leven, die op voorspraak van haar beschermer Johannes de Zwerver vroegtijdig plaats vindt om haar te sparen voor moeilijk te dragen leed in dit aardse leven, wordt zij zich van dit alles duidelijk bewust. Wonderlijk mooi is het te lezen hoe zij dan in staat is hulp en invloed te geven aan de omgeving hier op aarde, waarmee zij door banden van liefde en toewijding is verbonden. Dit verhaal, dat buitengewoon veel licht en wijsheid uitstraalt, heft ons op en maakt de beste gevoelens in ons wakker. Het ontroert bijna ieder die het leest, maar dat is wellicht een teken, dat de mystiek die er in besloten ligt, begrepen en aangevoeld wordt. Nog lange tijd na het lezen zal de lezer aan dit boek terugdenken en de behoefte voelen om het boek nogmaals ter hand te nemen en te herlezen. En zijn de boeken die deze behoefte in ons opwekken niet de beste boeken die er zijn? ISBN 906441002X - Uitgeverij Sirius en Siderius Uittreksel: Hoofdstuk 2 - De volgende morgen had kleine Veronika het gevoel dat zij heel diep geslapen had en dat er niet één nacht, maar een veel langere tijd lag tussen deze morgen en de vorige dag. Het leek haar dat ze herboren was in een nieuw leven en dat ze een nieuwe wereld betrad. Dat kwam omdat ze voor het eerst werkelijk wakker was geworden in het huis der schimmen. Zij had weliswaar vroeger ook in het huis der schimmen gewoond, maar haar ziel was er niet werkelijk aanwezig geweest. Geleefd had zij in de tuin der geesten en in het huis der schimmen had zij maar half bewust rondgelopen - ze had het ervaren als iets dat er toevallig was, waaraan ze zich niet gebonden voelde. Nu was echter de schemering gevallen en de tuin der geesten was in een nevel verdwenen. Het huis der schimmen drong thans in haar volle bewustzijn door. Dit is een van de drempels in het mensenleven, waar wij allen overheen moeten. De mensen vergeten het echter. Ze vergeten dat zij eens in de tuin der geesten zijn geweest en lachen ongelovig als iemand hen daarvan vertelt. Ja, velen vergeten ook wat zij later in het huis der schimmen hebben beleefd. Zij denken dan, dat er in dit leven alleen dat aanwezig is dat tastbaar genoemd kan worden en dat slechts tot deze wereld behoort. Het eigenlijke leven echter speelt zijn afwisselende spel met vele kleuren achter de dingen die tastbaar zijn en het noodlot weeft zijn onzichtbare draden tussen de tuin der geesten en het huis der schimmen met zijn vele vreemde gestalten. Wij moeten altijd iets van de tuin der geesten en van het huis der schimmen in onze gedachten houden, anders voelen we ons later in het ingewikkelde leven niet thuis. Ieder moet aan de drie lichten denken die op het altaar van het leven branden, want anders valt hij op de vele drempels en treden, die hij door de duisternis niet ziet. leder huis is immers een huis der schimmen en niet alleen Veronika heeft in een huis der schimmen gewoond. Wij allen wonen er, waar op aarde we ook leven en wij komen allen over treden en drempels die wij niet kunnen zien. Alleen een innerlijk licht kan ze ons tonen. Het is moeilijk over de treden en drempels te klimmen. Het is triest in een huis der schimmen te leven en misschien is dat juist het ergste voor hen die het helemaal niet opmerken. Zo is het echter niet altijd geweest. Er was eens een tijd dat de mensen in tempels en lichte gebouwen verbleven. In oude sagen en sprookjes klinkt die toestand nog door. Dat was de jeugd van de mensheid. Toen zijn de stervelingen afgedaald naar de diepte en uit hun daden weefde zich het wisselende lot. Ook de huizen der schimmen zijn uit de daden der mensen gebouwd. U allen, die nu leeft, woont in zulke huizen en dat is vaak drukkend en zwaar. Toch moet u daarom nooit treuren. Denk aan de kleine vlammen die voor u allen branden, zoals de drie lichten die voor kleine Veronika branden. Denk daaraan, allen die nu leven en verlicht met die lichten de huizen der schimmen. Eenmaal zullen het dan weer tempels en lichte bouwwerken zijn, die u als uw woning kunt betrekken. Het zijn lange wegen die u allen zo moet afleggen. Maar u moet niet denken dat het tevergeefs gebeurt. De tempels en de lichte bouwwerken waar u in gewoond hebt toen de mensheid nog jong was, had u niet zelf gebouwd. U hebt erin gewoond zoals kinderen leven in de tuin der geesten. De nieuwe tempels en de nieuwe lichte woningen, die uit de huizen der schimmen zullen verrijzen, zult u wél zelf gebouwd hebben. Met uw eigen gedachten zult u ze bouwen en u zult een bewuste jeugd erin beleven. Bewust kind zijn betekent gelukzalig zijn. Het is de moeite waard daarvoor over veel treden en drempels te stappen, ook al is de weg lang en het doel heel ver! Er is een verte die vroeger bestaan heeft: vandaar komen wij. Er is ook de verte van de toekomst: daar moeten wij heen. Bouwt uw tempels en lichte bouwwerken, u die in het heden leeft. Heiliging - J. Anker Larsen
Meer over de auteur op 'leestips 4' Uittreksel Een besluit nemen … Ik zal je een geschiedenis vertellen van iemand die een besluit nam - ofschoon hij heelemaal niet wist, waartoe hij besloot. Ik vertel het als een sprookje, maar het meeste van wat ik vertel, is werkelijk gebeurd en een van de twee mannen leeft nog. Er waren eens - voor jullie is het lang geleden, maar voor mij is het alsof het een paar dagen geleden gebeurde - er waren eens twee jonge mannen, die van twee jonge vrouwen hielden, twee zusters. De twee jonge mannen waren goede vrienden. Ze zouden spoedig trouwen en ze waren blij dat hun vrouwen zusters waren. Toen kwam er een hevige ziekte en greep de eene zuster aan, en zij besmette de andere. De twee jonge mannen hoopten natuurlijk, dat de twee zusters weer beter zouden worden, maar tenslotte werden ze bang. En op een dag kwam de dokter en zeide tot hen: "Gij moet op het ergste voorbereid zijn.” Toen konden ze nergens vrede vinden, maar liepen rusteloos rond. Eindelijk kwamen ze in een groot bosch. "Ik ben als iemand die bang in 't donker is,” zei de een, “en er is iets dat mij vervolgt. Het is de gedachte, dat zij die zoo jong en zoo mooi is, werkelijk zou kunnen sterven. Ik kan me niet verzoenen met die gedachte. Ik ben bang voor het leven.” "Ja,” zei de ander, “en dat is nog maar alleen de gedachte, - wat dan, als het werkelijk gebeurt!” Ze keken elkaar lang aan, toen zei de een: "Zullen we er niet voor bidden, dat ze in 't leven mogen blijven - misschien als we allebei bidden _” "Ja," zei de ander, "laten we allebei bidden!' Ze dachten beiden, dat het gebed van den ander misschien meer zou vermogen dan het eigen, want ieder van hen meende, dat de ander beter was dan hij zelf. Maar ze waren, zoover menschen kunnen oordeelen, even goed. Toen knielden ze neer en baden voor het behoud van haar die ze beminden. Ze waren niet gewend te bidden, maar er stond zooveel op 't spel en hun gebed was zeer innig. Toen ze gebeden hadden, keken ze op en er stond een man voor hen. Ze hadden later geen van beiden kunnen zeggen hoe hij er uit zag, of hoe hij gekleed was, want op dat oogenblik merkten ze alleen op, dat hij bij ’t bosch paste alsof hij daar thuis hoorde. En ze geloofden hetgeen hij zeide, zooals men een zeeman gelooft op zijn schip, den landman buiten op 't veld en den houtvester in het bosch. Wat hij zeide was: "God heeft uw gebed verhoord.” In hun dankbaarheid wilden ze hem omarmen; maar er was iets in zijn blik, dat hen tegenhield en hen onzeker maakte. "Maar gij hebt te laat gebeden,” zeide hij, "de dood heeft reeds verlof gekregen om haar te halen." Toen bogen ze in vertwijfeling het hoofd. "God heeft uw gebed verhoord," zei de man. Ze keken op, maar begrepen hem niet. "God is machtig,” zeide hij, "en wil uw gebed vervullen. Den dood kan niet ontnomen worden wat hij gekregen heeft, maar gij kunt haar, die ge bemint, behouden. God geeft u nu een keus. De dood moet het zijne hebben maar gij kunt het uwe behouden. Indien gij kiest, dat de dood het lichaam der jonge vrouw neemt, zal het in 't vervolg in uwe ziel zoodanig zijn, dat er geen afstand is tusschen u en haar. Zij zal in elk van uwe gedachten wezen, zoodat gij niet weet, of zij of gij het zijt die denkt; en gij zult hier in de wereld levend, zoo nauw vereenigd met haar zijn, dat gii niet weten zult, of zij het is die nog leeft, of gij die reeds gestorven zijt. Ge kunt ook de genezing van haar lichaam kiezen. Dan zal de dood haar loslaten, en zij zal weer worden zooals ze was, toen gij voor 't eerst haar lief kreegt, en zij u haar jawoord gaf. Maar dan kunt gij haar ook niet nader komen. Er kan geen groei zijn in de liefde. Die mogelijkheid neemt de dood inplaats van haar lichaam. - Nu kunt ge kiezen.” Ik heb gezegd, dat de twee jonge mannen even goed waren. De een had zich nooit voor den ander behoeven te schamen. Maar er was verschil tusschen hen. In den een lag het eeuwige leven half in slaap; in den ander was het daar, waar men wel niet geheel wakker is, maar toch weet, dat het dag is. En de keus wekte hem geheel. Hij zeide:"Ik kies het eerste.” Toen zei de man:"Dan zijt gij één in alle eeuwigheid; de groei van den een is die van den ander en hij is dubbel, want de groei van den een wordt bij dien van den ander gevoegd. Maar als ge thuiskomt, is haar lichaam koud en stijf onder de hand des doods.” Toen verborg de andere jonge man zijn gezicht in de handen en riep: “Dat kan ik niet! Ik moet haar behouden, zooals ze was op den eersten dag toen ik wist, dat ik haar liefhad en op den dag, dat zij mij haar jawoord gaf. Ik verlang niet meer dan dat.” “Zij leeft" zei de man, “en over eenige dagen is ze zoo gezond en frisch als toen ge voor ‘t eerst zaagt hoe beminnelijk ze was." De twee jonge mannen keken elkaar aan, en de een beklaagde oprecht den ander, want ze waren beiden goed en ze waren vrienden. Toen ze zich weer tot den man wilden keeren, was hij verdwenen. Ze vroegen zich af, of ze alleen maar gedroomd hadden en haastten zich naar huis. De eene der twee zusters was dood. Bij het bed der andere stond de dokter en zeide: "Zij wordt beter." Dat gebeurde ook; ze trouwden en leefden eenige jaren in blijde jonge liefde, zooals pas getrouwde menschen hier op aarde leven. Jullie weet, hoe het met menschen gaat. Zoo nu en dan laten ze een knorrigen toon hooren, een boos of onbezonnen woord. Het is heel weinig, maar het is als het zaad van een paardenbloem dat in een grasveld valt. Het verbreidt zich als gewoonten zich verbreiden in 's menschen gemoed. Tenslotte is het een veld niet met gras maar met paardenbloemen. Er komt een ontevreden trek om den mond van man en vrouw, geteekend door alle kleine prikkels en booze woorden. Jullie kunt het rondom je heen in de huizen zien. Man en vrouw hebben te dicht bij elkander geleefd. Ze hebben elkaar te dikwijls in den weg gestaan; dat ze elkaar noodig hebben, maakt het niet beter. Ze zijn niet jong meer; de verliefdheid is verwelkt, al lang geleden. Alleen de gewoonte bindt, bovendien een slechte gewoonte. Ten laatste sterft de een en de ander leeft bevrijd op. Voor een jaar voorbij is, kan men zien, dat het een verlichting was van den echtgenoot af te zijn. Zoo ging het met deze twee. Zij stierf - een beetje laat, maar toch tijdig genoeg, dat hij nog eenige goede jaren in vrede kon leven. Er was zooveel dagelijksch gekibbel tusschen hem en zijn vrouw geweest, dat het onaangenaam was alleen maar aan haar te denken. Eindelijk werd hij dan zijn herinnering de baas en vergat haar geheel. Toen was hij een oude gerimpelde man. De ander bleef jong. Zijn jaren werden talrijk, zijn haar werd grijs, maar zijn oogen glansden als een pas ontwaakte dag. Hem te ontmoeten was als een voorjaar te ontmoeten. Eens, vele jaren na den dood van zijn vrouw, ontmoette de vriend hem. "Het geluk straalt van je uit,” zei hij, "het ligt als een glorie om je heen.” De ander antwoordde: "Dat moet het wel, het is grooter dan ik er plaats voor heb binnen in mij." "Wat beschouw je als je grootste geluk?” vroeg de vriend. De ander antwoordde zonder zich te bedenken: "Dat ik door liefde bevrijd werd voor mijzelf." Toen kwam deze gedachte bij den vriend op: "Geen grooter bevrijding heb ik gekend dan den dood van mijn vrouw. Hoe arm is mijn geluk en mijn leven tegenover het zijne." En hij kon het zien van het geluk van den ander niet verdragen, maar ging eenzaam heen. In het leven van deze twee, die ieder op zichzelf even goed waren, zien jullie het verschil tusschen de eeuwigheid, die slaapt, en die, die weet dat het dag is en besluit om wakker te worden en op te staan." Rasmus stond op en ging heen. De kinderen keken hem langen tijd na en ze dachten, dat hij zeker zelf de een van de twee was, maar ze wisten niet goed welke; want zijn oogen glansden wel, maar in zijn gezicht waren vele rimpels. Uit: Heiliging – J. Anker Larsen
EEN LICHTSTRAAL VAN DE ZON Anne en Daniel Meurois-Givaudan ISBN 90-202-8109-7 De royalty’s van dit boek worden integraal overgemaakt aan een of meerdere organisaties waarvan de doelstelling is om vrede te bewerkstellingen in de wereld en om het licht te verspreiden. Op de achterkant: Een stem vertelt het echtpaar Meurois dat ze naar Syrië moeten afreizen. Ze weten niet wat de bedoeling is, maar geven er gehoor aan. In hun hotelkamer in Damascus krijgen ze al meteen het antwoord: een wezen van licht verschijnt aan hen; zijn stem zullen ze de komende weken blijven horen. Zijn eenvoudige boodschap is er een van liefde, alles moet nieuw worden, vooral geen strijd of oorlog, laat het hart spreken. Hij noemt zichzelf slechts 'een lichtstraal van de zon'. Hij was de Jezus die gekruisigd werd onder Pilatus. Christus sprak, handelde toen door hem, maar zijn (huidige) persoonlijkheid verschilt wel van Christus. Als hij het over Jezus/Christus heeft, gebruikt hij hoofdletters; voor zichzelf volstaat hij met kleine letters. In het boek komt hij uitgebreid zelf aan het woord; de Meurois voegen hooguit korte inleidende of toelichtende alinea's toe. Het boek gaat over de situatie in onze huidige wereld en over een spiritualiteit die de tegenstelling goed/kwaad, licht/duister overstijgt. Het benadrukt: leef vanuit het hart, vanuit echte liefde; neem je eigen verantwoordelijkheid, maak werkelijke keuzen en laat de goddelijke vonk in je opvlammen. Dan blijft er hoop voor aarde en mensheid. UITTREKSEL 'Liefde. Liefde ... Ik wil liefhebben, zeggen de mannen en de vrouwen van deze Aarde, maar terwijl ze deze woorden uitspreken, spreken ze over een wereld die ze nog niet kennen en de emotie die ze verwoorden, drijft stuurloos in hen ...' Vijf minuten voor half tien 's avonds; in een kleine, misselijkmakende kamer van hotel S. komt de warme stem opnieuw tot ons. Krachtig en zacht dempt ze de scherpe geluiden van de kruidenmarkt, waarvan alleen de geuren nog even koppig blijven hangen, vermengd met de geur van een kolenvuurtje. Achter de muur van deze kamer is alles opnieuw een en allicht. Niets is nog van belang behalve de stem die zich in ons vastzet. 'Liefde ... Wat betekent dit woord, vrienden? Is het alleen maar een woord? Sommigen zullen zeggen: het is een concept. Maar een concept is niets anders dan een gedachte, iets in het bewustzijn wat maar al te vaak vaag blijft, een soort kiem die men zo zelden de ruimte geeft om te ontspruiten. Zelfs met de kracht die van het hart uitgaat, begrijpt de mensheid over het algemeen niet wat liefde is. De mensheid kent de impuls die de naam liefde draagt, ze kent een gevoel dat erop lijkt en dat de vrucht is van emoties. Daarom wil ik het nu hebben over de wereld van jullie emoties. Emoties zijn een van de remmen bij het bereiken van je doel. Vergelijk ze met make-up die over diepe waarheden is uitgesmeerd of met de toverstaf van een fantastische dirigent. De meesten onder jullie stellen zich voor dat gedachten in de hersenen zetelen, anderen situeren de bron ervan liever in de hartstreek. De waarheid is anders. Er is geen absolute plek voor gedachten, net zomin als er een is voor alles wat de ziel ervaart. Elk orgaan en elk lichaamsdeel kunnen het bevoorrechte netwerk worden van de uitingen van de persoonlijkheid en het bewustzijn. Elk onderdeel van ons wezen laat zichzelf groeien op en kan zich verregaand specialiseren afhankelijk van de noden van het leven en van het temperament waardoor het gestuurd wordt. Jullie mensen hebben het vermogen om te denken, te voelen, lief te hebben of niet lief te hebben met je hoofd, met je hart, maar ook met je buik, met je ingewanden. Komt dit verrassend over? Wekt dit een glimlach op? Toch moet je daar geen beeldspraak in zien, maar een werkelijkheid in de volle betekenis van het woord. De zetel van de emotionele werkelijkheid bevindt zich in die gevoelige zone tussen maag en navel. Jullie noemen dit centrum zonnevlecht, manipura chakra of astrale chakra. Het is inmiddels zo sterk ontwikkeld bij de meerderheid van de mensen, dat we gerust kunnen bevestigen dat het hun belangrijkste motor is. Wat ik jullie wil zeggen, vrienden, is dat de mensheid in eerste instantie nog altijd leeft op en zich uitdrukt via de krachtstroom van emoties. Emotie, zoals je haar in deze context moet bekijken, gaat uit van de lagere persoonlijkheid. Het is een heliocentrische, egocentrische macht die zich aan ieder opdringt als een instinct. Het betreft wel degelijk een instinctieve, zeer dierlijke energie. Deze energie houdt de persoonlijkheid, door wie ze wordt uitgezonden, voor een zon. Een zon die een heel universum voortbrengt en aan wie alles verschuldigd is. Als instinctief mechanisme is emotie te vergelijken met een weten, maar dan een weten gewijd aan de primaire krachten van de natuur, aan de krachten van voortplanting en zelfbescherming. Zuiver bekeken zijn dergelijke energieën geen vijanden van het leven; ze vertegenwoordigen noodzakelijke niveaus, fases waarin de lagere geïncarneerde persoonlijkheid leert om een samenhangende vorm te ontwikkelen. Dat je de emotionele realiteit moet beschouwen als niets anders dan een tijdelijk stadium van het leven in haar onderzoek naar zichzelf, is het enige probleem voor de mens. Ik zeg jullie: de mens moet nu reageren om boven de kronkels van zijn zonnevlecht uit te komen. Maar het feit dat hij maar al te vaak wegzakt in het drijfzand van zijn kleine persoonlijkheid vormt een van de hindernissen om die stap vooruit te zetten. Het complete ego lijkt op een moeras waarvan de emoties de troebele wateren vormen. Misschien, vrienden, zullen jullie nu zeggen dat er ook mooie emoties zijn die de menselijke ziel verheffen en dat ieder die ze ervaart zich gelukkig mag prijzen als ze zich aandienen. Maar die energieën komen voort uit gevoelens die vanzelf opwellen uit een directe band met de Geest van de Liefde. Begrijp goed dat ik met emoties iets anders bedoel. De dierlijke emotie lijkt op een springveer die de mens als geïncarneerd wezen slechts met moeite bedwingt. Emotie is synoniem voor een soort hartklopping van het beperkte bewustzijn, een ritme dat vaak heel handig is en schaduw makkelijk als licht vermomt, zwakheid als kracht, ongelijkheid als rechtvaardigheid. Vrienden van de Aarde, hoeveel oncontroleerbare ritmes zijn er niet ingeprent in je lijf! Ze tooien zich met de nobelheid van een groot gevoel, terwijl waarachtige gevoelens geboren worden uit versmelting met het Al en zelden voorkomen in het hart van mensen. Emoties daarentegen zijn als legertroepen die worden voortbewogen door een ander ideaal dan het ideaal dat ze uitdragen. In feite verbergen ze een automatisch streven om het ik-gerichte bewustzijn te roemen en te bestendigen. Wat betekent het dus meestal als de mens het heeft over houden van? Dat iets in hem de indruk wekt te geven vanuit de geheime hoop en de sterke behoefte om een beloning te ontvangen. Hij wil iets krijgen waardoor zijn opvatting van het leven bevestigd wordt. Emotionele liefde heeft veel weg van een handeltje. In zijn energetische vorm bevindt het emotionele lichaam zich in het fysieke lichaam; het beweegt zich tussen je bewustzijn en je materiële organisme en zorgt episodisch voor herhalingen. Je kunt het vergelijken met een afgrond die het waarachtige potentieel van het leven opzuigt. Het emotionele lichaam is een deel van je ego, het is een tiran met onlesbare dorst. De weg die naar mijn Vader voert, eist dat je dit erkent. De sfeer van de emoties en van de ik-gerichte impulsen spelen een sleutelrol op de weg naar hereniging met het goddelijke. In eerste instantie moet ieder van jullie dit feit erkennen als een werkelijkheid; pas dan kun je er een helder inzicht in krijgen en kun je een groot deel van de hindernissen wegruimen die deze sfeer zo zwaar maken, zo breekbaar en vaak ook zo onhandig. Een dergelijk feit als realiteit erkennen, betekent vóór alles dat je toegeeft dat het hier een concrete kracht betreft die verder reikt dan een metafysische of zelfs een psychologische realiteit. Vrienden, ik wil jullie op het volgende wijzen: de mens kan genieten van filosofische concepten. Maar daarbij gaat het toch altijd om een spel van het ego dat geniet van zijn intellectuele kracht. Het emotionele lichaam is geen "idee" in de betekenis die jullie aan dat woord hechten. Er is een hemelsbreed verschil tussen het bestaan ervan erkennen en het bestaan ervan met alle gevolgen van dien in jezelf voelen. Heel wat mensen die zich met esoterie inlaten of die beweren dat ze "op weg zijn", hebben dat immense verschil niet begrepen. Jullie lijken op duikers die het gebrek aan zuurstof niet meer aankunnen maar die niet echt iets ondernemen om uit hun moeilijke situatie te komen. Jullie verliezen je in een oceaan van emoties die ondanks de verstikking vaak zo aantrekkelijk is dat jullie bang zijn een deel van jezelf te verliezen als je naar de oppervlakte zwemt. En toch moeten jullie naar boven komen om je te ontdoen van alle valse voorwendselen. Mensen die de keuze maakten om zich te laten doordringen door de lessen van het hart, vinden deze beeldspraak misschien vervelend. Maar om een raderwerk uit elkaar te halen en er de nutteloosheid van toe te geven, moet je op zijn minst in grote lijnen de werking ervan begrijpen. Doe je dit niet, dan loop je het risico dat je het raderwerk alleen maar afbreekt en dat je het beeld in stand houdt van een vijand en een voortdurende innerlijke belegering. Maar net zoals je geen oorlog moet voeren tegen je tomeloze fysieke honger, zo moet je evenmin je emotionele eetlust aanvallen. Om te beginnen moet je die met een vredevolle blik bekijken, want als hij in je leeft, is dat ook omdat de eeuwige kracht heeft toegestaan dat hij zich manifesteert. Als liefde je doel is en niet rebellie, zie emoties dan niet als de despoten die ze ogenschijnlijk zijn, maar zie ze als simpele en echte bakens, als elementen van het landschap van je ziel die leert. Vanuit die innerlijke zekerheid kijk je als een toeschouwer naar het decor dat jou zo graag wil laten geloven dat jij het decor bent. Het licht dat jullie zoeken, vrienden, kun je zeker niet plukken op de hoge toppen van de passie. Maar door je ziel te observeren, begeef je je niet op het slagveld dat ze je vaak aanbiedt. Deze houding is zeker niet passief; zoals ik het voorstel, vormt ze de basis om je leven van nodeloos drama te ontdoen. Die instelling is niet koud of onverschillig, ze lijkt op een vuurtje dat knispert van vertrouwen. Als alles in je op vloedgolven lijkt en op aardbevingen, ga dan zitten, want dan kun je beter beschouwen wat er beweegt en voortgaat; kijk ook hoe het beweegt en voortgaat. Altijd zul je angsten ontdekken die op niets zijn gebaseerd maar die wel subtiele verdedigingsreflexen in werking zetten. Van jullie wordt waarachtigheid gevraagd, een werk dat authentiek is en vreugdevol, want ik zeg jullie: zonder vreugde kun je de terugkeer naar de bronnen niet aanvatten. Jezelf leren ontdekken en je ontdoen van ijdele opsmuk mag geen zware arbeid zijn. Het is een taak die je in vervoering brengt. Een diamant krijgt toch ook zijn schoonheid als hij uit het ruwe gesteente is gehakt en gepolijst wordt tot hij schittert? Ik kan niet genoeg herhalen: neem de moeite en de tijd om aan de rand van je weg te gaan zitten en wend je tot mijn Vader opdat hij je vreugde zal sturen. De vreugde die ik oproep is zeker geen emotie; zij is een van de wortels van de schepping. Die vreugde is enthousiast omdat ze eindelijk jullie leidraad terug wil en terug kan vinden. Zie in haar een van de krachten waar het zo erg aan ontbreekt in jullie wereld. Jullie wereld gaat slapen ... Maar dat jullie op dit moment mijn stem horen is het teken dat er in jullie en in wat jullie omringt al een andere wereld bestaat die ontwaakt en opstaat ... Eerlijk gezegd, in alle eeuwigheid zal vreugde de lichtbundel zijn voor hen die weten te luisteren. De herontdekking van de vreugde is niets anders dan de verzoening van de persoonlijkheid met het immanente Bewustzijn. Als je het geheel aan emoties met vreugde bekijkt, dat wil zeggen: met een echte kracht die vol vertrouwen is, open en kalm, dan kom je vanzelf bij de vraag naar het waarom van deze wereld, want je moet er niet aan twijfelen dat alles, hoe tijdelijk en vluchtig ook, een precieze functie heeft in de schepping. De bloem die uit het emotionele lichaam van de mensheid geboren moest worden, heet fijngevoeligheid. Ze begint nu te ontluiken in een vorm die je op geen enkele andere plek van onze Melkweg tegenkomt. De romanliteratuur van jullie beschavingen heeft in haar geheel een niet te verwaarlozen rol gespeeld in de uiteindelijke voltooiing van dit vermogen om te ervaren wat gevoeligheid is. Maar de bloem in kwestie is in zoverre heel bijzonder, dat ze met duizend voorzorgsmaatregelen gedoseerd moet worden toegediend, wil ze, net zoals met sommige geneeskrachtige bloemen het geval is, haar opbouwende werk kunnen verrichten. Het vermogen om te voelen kan een immense scheppende kracht voortbrengen en kan medeleven doen ontkiemen, maar kan ook het werktuig worden waarmee de ziel zichzelf vergiftigt. Het geschenk dat mijn Vader aan deze levensgolf gaf, bevindt zich grotendeels in het specifieke karakter van het ego, de onontkoombare vrucht van de vrije wil. Vrienden, broeders, zo bekeken zijn jullie problemen vóór alles de stenen waarmee je je wezen opbouwt, al lijken ze hindernissen uit het drijfzand van de ziel. Door dat te erkennen heb je een tegengif tegen het subtiele venijn van de emoties en kun je eindelijk het web ontwarren van een drama dat je niet langer in stand hoeft te houden. Ik zeg jullie: bekijk hindernissen zoals je zou kijken naar een karavaan die in de verte voorbijtrekt. Hoe meer je op die manier in jezelf kijkt, des te meer zul je leren houden van het leven dat je geboden wordt omdat je je niet meer identificeert met dat wat in je innerlijke centrum moeilijkheden ondervindt. Datgene waarvan je denkt dat jij het bent, is simpelweg een scherm waarop je ik-gerichte ziel haar illusies projecteert. Weet dus dat emoties beheersen hetzelfde is als de illusie beheersen. Wil je dit bereiken, maak dan van je ademhaling een echte ademhaling. Regelmaat aanbrengen in de zonnevlecht gebeurt niet alleen door het innerlijke werk van een heel leven, maar ook door de ademhaling, die slechts ogenschijnlijk een uiterlijk element is. De eerste stap naar liefde voor het leven waaruit je voortkomt, is leren om het leven te proeven in de golven van lucht die in de longen binnendringen. Als je roept: "Ik kan niet liefhebben", zeg ik: leer ademhalen terwijl je weet dat je ademhaalt. Daarvoor hoef je niet van de ene naar de andere yogi te lopen op zoek naar steeds ingewikkelder technieken; dat heeft geen zin als je bij jezelf het bewustzijn niet laat doorbreken van wat je inademt. Je ademt duizend keer meer in dan een combinatie van gassen die je cellen bij elke in- en uitademing herstellen; je ademt de bron van de liefde in. Maar hoe kun je die liefde ontvangen als je de deur van je woning niet opent of als je sommige kamers voor haar afsluit? De genodigde is de Zon. Hij verschafte je de bakstenen waarmee je je huis bouwde, het lichaam waarin je woont. Hij is het die langs de kanalen van je fijnstoffelijke wezen doordringt tot in het chakra van je emoties. Zo, vrienden, zal de kracht van de kleine zon van het ego met zijn emoties langzaam worden opgeslorpt door de kracht van de Totale Zon, de zon van mijn Vader. Je moet daar niets ingewikkelds in zien. De mensheid heeft de instrumenten voor haar genezing binnen handbereik en jullie allen die mijn woorden ontvangen, kunnen er, misschien meer dan anderen, vrij over beschikken. Maar willen jullie die instrumenten ook gebruiken? Die vraag stel ik jullie en wordt jullie ook nadrukkelijk gesteld door al mijn Broeders die voor het Al werken. Ik vraag jullie niet om wat informatie en lessen in bewaring te nemen of te houden; integendeel, ik vraag jullie deze lessen te beleven en uit te dragen. Zeg nooit meer: "Ik kan niet liefhebben", want daardoor veranker je een ontwrichtend element nog een beetje meer in je centrum. Dit proces van ontkenning strookt bovendien niet met de waarheid. Ik verzeker jullie dat het absoluut onwaar is dat iemand niet kan liefhebben. Wie beweert dat hij niet kan liefhebben, doet dit onvermijdelijk vanuit het concept zelf van de liefde dat hij al in zich draagt. De enige moeilijkheid die uit een dergelijke overtuiging blijkt, is een gebrek aan hoop. Zijn jullie bang dat je nooit de kracht zult hebben om de eeuwige vrede te ontdekken? Toch staan de poorten van die sfeer altijd wagenwijd open voor diegenen die in het hart van hun geest vrede toelaten. .. Als je met vragen zit, als je ontmoedigd bent, als je twijfelt aan jezelf, komt dat doordat het werk al een begin maakte met zijn blauwdruk in je en doordat je eigen bewustzijn al geraakt is door zijn licht. Leid daar vooral niet uit af dat je zwak en machteloos bent omdat de taak die je moet vervullen zo groot is. Een levensvorm die slaapt, vraagt zich niets af over deze slaap, maar zakt er helemaal in weg zonder zich te bekommeren om zijn wortels of om zijn toekomst. Durf, vrienden van deze Aarde, durf vanaf dit moment te roepen dat je liefhebt en niet dat je zult liefhebben. Draag het uit: "Ik heb lief! Ik houd van dit leven dat ons duizend kansen geeft om onszelf nog wat meer te smeden. Ik houd van dit leven omdat ik niet langer de stroom van impulsen ben die in mij voorbijtrekt, omdat ik ook nooit die stroom ben geweest. Ik houd van het leven omdat pijn van mijn ziel geen straf is maar een teken dat ik me op de verkeerde weg bevind." Neem dus de hand die ik jullie reik! Niet om jullie uit de afgrond te halen waarvoor jullie zo vaak bang zijn, maar om jullie je eigen hand terug te geven en om jullie hart met blijdschap te vullen. Wat ik jullie voorstel, is niet "mijn" hervorming voor de nieuwe tijden die eraan komen, evenmin is het "mijn" vrede. Ik treed alleen op als tolk voor het appèl dat uitgaat van de hervorming en van de kristallen vrede waarnaar jullie hart zo sterk verlangt. Je uiteindelijke Messias wacht in jezelf en zal opstaan als je tot actie overgaat. Vrienden, zo zal het uur komen waarop je je aan jezelf teruggeeft.'
De geheime geschiedenis van de wereld geheime genootschappen van 3000 V.C. tot nu Jonathan Black Op de achterflap: De invloed van geheime genootscf1appen is veel groter dan we denken. . . De geschiedenis wordt geschreven door de winnaars. Maar wat als alles wat ons verteld is slechts een deel van het verhaal is? En als dit het verkeerde deel is? In dit opzienbarende nieuwe boek maakt Jonathan Black een fascinerende intellectuele reis. Met als uitgangspunt dat veel van wat wij geleerd hebben onwaar is, geeft hij een alternatieve wereldgeschiedenis. Die is namelijk behouden gebleven in het gedachtegoed van geheime genootschappen en mysteriescholen vanaf de vroegste tijden tot nu - als je er maar oog voor hebt. Met talloze gegevens uit natuurwetenschap, religie, psychologie, historiografie en filosofie haalt hij een gedeelte van ons culturele erfgoed dat lange tijd verborgen is geweest terug naar de oppervlakte. Hij vindt voorbeelden in Griekse en Egyptische mythologie, joodse folklore, vroeg-christelijke genootschappen, rozenkruisers en vrijmetselaars. Black toont aan dat de geschiedenis zoals we die kennen op een revolutionaire manier herzien moet worden, en komt met bewijzen uit duizenden jaren aan verborgen wijsheid… 'De meeslepende verteltrant en de overvloed aan verbijsterende nieuwe feiten die het hart vormen van dit boek tonen een wereld die echt bestaat: vreemd en mysterieus, vol met geheimen en codes, en met de mens centraal in een groot kosmisch raadsel. Sinds Madame Blavatsky's The Secret Doctrine is er geen dergelijk boek geschreven en Black kan zich met haar meten in stijl, oorspronkelijkheid en overtuigingskracht.' - GRAHAM HANCOCK, auteur van Het ontstaan en het einde van alles en Het teken, het zegel en de wachters. 608 pagina's | Kosmos Uitgevers | juni 2008 184x52x246 mm Gewicht 1671 gr ISBN10 9021584751 ISBN13 9789021584751 Biblion recensie Mijn leeservaring:
Dit boek heeft me zo geboeid dat ik me heb voorgenomen er een project voor Spirituele Vrienden van te maken door de belangrijke persoonlijkheden, die ik tijdens deze reis door de tijd tegenkwam, op een rijtje te zetten en om van elk van hen enkele voorbeelden, die op deze kennis/wijsheid duiden, uit hun werk als illustratie te plaatsen.
Marianne Fredriksson
Beschrijving Ondanks de dreiging van de Tweede Wereldoorlog heeft Simon in het niet-bezette Zweden een geborgen jeugd bij zijn adoptiefouders. De ontdekking dat hij, net als zijn beste vriend Isak, van joodse afkomst is, is bepalend voor zijn groei naar volwassenheid. Met de onthulling van de waarheid begint voor hem een zoektocht naar zijn identiteit. Recensie De bijzonder succesvolle Zweedse schrijfster (1927) laat deze sterk autobiografisch getinte roman rond de Tweede Wereldoorlog spelen in Goteborg, haar geboortestad. Het joodse jongetje Simon wordt uit een geheime relatie geboren en geadopteerd door de kinderloze Ingrid en Erik. Ondanks de liefdevolle en rechtvaardige opvoeding blijft hij een buitenstaander, met een eigen wereld van dromen, mystiek en muziek. Door de vriendschap met de eveneens joodse Isak ontstaat een indringende zoektocht naar volwassenheid, waarheid en identiteit. Gemeenschappelijke ervaringen en verlangens scheppen hechte banden tussen de jongens en hun families. Een innerlijk verzet tegen schuldgevoelens en chaos leidt uiteindelijk tot bevrijding en harmonie. Voor de herkenbare, vanzelfsprekende maar moeilijk grijpbare gevoelens tussen de generaties en tussen mannen en vrouwen vindt Fredriksson de juiste woorden. Haar kracht ligt minder in literaire aspecten dan in het indringend verwoorden van universeel herkenbare ervaringen. Om die reden ontving haar roman 'Anna, Hanna en Johanna' ook de Publieksprijs 1998. Pocket; kleine druk. (Biblion recensie, Redactie) ISBN: 9044506684 Uittreksels I 'Gewoon een stomme eik', zei de jongen tegen de boom. 'Nauwelijks vijftien meter hoog, daar hoef je niet zo verwaand om te doen.' 'En je bent ook geen honderdduizend jaar.' 'Niet eens honderd', zei hij en hij moest denken aan zijn grootmoeder, die al bijna negentig was en gewoon een knorrig oud wijf. Benoemd, gemeten en vergeleken verwijderde de boom zich van hem. Maar de jongen kon nog horen hoe de grote kroon zong, weemoedig en verwijtend. Toen nam hij zijn toevlucht tot geweld; hij slingerde de ronde steen, die hij al zo lang in zijn broekzak had bewaard, recht tegen de stam. 'Nu zul je je mond wel houden', zei hij. Op dat ogenblik verstomde de grote boom en de jongen, die begreep dat er iets essentieels was gebeurd, slikte de brok in zijn keel weg en wilde het verdriet niet voelen. Die dag nam hij afscheid van zijn kindertijd. Omdat hij dat op een bepaald moment en op een bepaalde plaats deed, zou hij het zich altijd blijven herinneren. Nog jarenlang zou hij piekeren over wat hij op die dag, lang geleden in zijn kindertijd, achter zich had gelaten. Tegen zijn twintigste zou hij er een vermoeden van beginnen te krijgen, waarna hij zijn hele leven bezig zou blijven om te proberen het opnieuw te veroveren XXXVII Begin december kwam Ruben voor een boekenbeurs naar Londen. Hij bleef het weekeinde en ze reden met de rode Kever naar het platteland. Ze vonden een herberg met een geschiedenis die ver terugging en die knus was ingericht. 's Zondags gingen ze wandelen in de omgeving; over velden en door inmiddels kaal geworden bosjes. Het was mistig. 'Ik wilde het graag eens met je over Karin hebben', zei Ruben. 'Over hoe ze die laatste periode was.' Het kostte Ruben moeite, maar Simon wilde zo veel mogelijk weten van wat ze had gedacht en gevoeld. Ruben vertelde over het gesprek over de pan. Dat was de eerste keer geweest dat hij het gevoel had gehad dat er in Karins geest iets nieuws bezig was zijn beslag te krijgen. 'Ik citeerde toen een oude rabbijn die altijd predikte dat je iedere dag zo moet leven alsof je van alles afscheid neemt, van mensen en voorwerpen. Dat maakte een enorme indruk op haar.' Simon keek Ruben verwonderd aan. 'Daarna zei Mona dat Karins wandelingen steeds langer werden', vervolgde Ruben. 'Ik werd een beetje ongerust en op een dag vroeg ik haar waar ze aan dacht tijdens het wandelen. Toen zei ze dat ze opgehouden was met denken en dat ze nu helemaal vrij was van zowel gevoelens als gedachten.' Simon bleef midden op het pad staan om wat Ruben vertelde goed tot zich door te laten dringen. 'Er was iets vreemds aan haar, iets nieuws', zei Ruben. 'Toen ik 's avonds thuiskwam heb ik geprobeerd om het te begrijpen, om de uitdrukking in haar ogen te duiden.' 'En?' 'Ik kwam tot de conclusie dat Karin gelukkig was', zei Ruben. 'Het nieuwe maakte haar gelukkig; voor het eerst sinds ik haar kende had ze geen verdriet. Je weet toch dat er verdriet bij haar bestond ?' 'Daar ben ik meer van overtuigd dan van wat dan ook in mijn leven', zei Simon. 'Dat dacht ik al.' 'Denk je dat ze wist dat ze zou sterven? Dat het daarom was?' 'Ik weet het niet. Ze wist het misschien wel, maar niet met haar hersenen. Ik geloof niet dat ze daaraan dacht.' Simon huilde, maar in de mist maakte dat niets uit en Ruben ging verder: 'Ik heb veel nagedacht over het feit dat er een diepere betekenis in de dood moet liggen dan dat het lichaam vernietigd wordt. Dat het erom gaat om psychisch een einde te bereiken. Alles wat ik heb beleefd, al mijn kennis, mijn geluk en mijn lijden, mijn herinneringen en doelstellingen moeten naar een einde toe. Het bekende, je gezin, je kinderen, je huis, ideeën, idealen, alles waar je je mee hebt geïdentificeerd, moet je achter je laten.' Simon dacht aan de golf die op de rotsen van Bohuslän haar dood vond en al haar ervaringen aan de grote zee moest geven voordat ze opnieuw geboren kon worden. 'Dat moet het zijn, wat de dood betekent', zei Ruben. 'Dat afstand doen. En waarschijnlijk is dat het ook waar alle doodsangst om draait, niet waar?' 'Dat zal wel.' 'Ik wilde dat je dit zou weten,' zei Ruben weer, 'dat Karin vrij gestorven is. Ze liet alles achter zich en was gelukkig voordat ze stierf.' Toen Ruben vertrokken was kwam het Verdriet bij Simon. Een groot en melancholiek verdriet. Maar waar het Verdriet was kon geen Schuldgevoel zijn; ze sloten elkaar uit. Ten slotte dacht hij dat hij Karins verdriet had geërfd. Dit is haar land, dacht hij, dit is waar zij leefde en werkte. Het is een groot en eenzaam land, maar het is niet onverdraaglijk. Je kunt hier wonen en leven en de dagelijkse bezigheden met zorg verrichten.
De geschiedenis van ‘De Steen en de Fluit’ en dat is nog niet alles… Een sprookjesroman.
Flaptekst Dit is het verhaal van Spitsoor, zoon van de Grote Bruller, die meer naar zijn grootvader, de Zachte Fluiter, aardt. Het lot is Spitsoor gunstig gezind: op zijn omzwervingen ontvangt hij een geheimzinnige stralende steen die angst wegneemt, en een zilveren toverfluit waarmee hij macht over mensen krijgt. Maar dat is nog niet alles: ten slotte geeft een oude stenenzoeker hem een stok met eigenaardige eigenschappen. De geschenken van het lot stellen te hoge eisen aan Spitsoor. Steen, fluit en stok zouden hem moeten helpen zijn eigen weg te zoeken en zijn ware bestemming te vinden. Maar Spitsoor begrijpt dat niet en is van mening dat de drie giften er zijn om de wereld aan zijn wensen aan te passen. Zo komt het dat hij steeds weer in nieuwe avonturen verstrikt raakt. Als in een ontwikkelingsroman wordt het leven van Spitsoor verteld. Maar dat is nog niet alles. 1989, Amsterdam: Bert Bakker, 708p., 24cm, ISBN 90-351-0421-8
Hij bleef nog een poosje bij de beek naar het water zitten luisteren dat met klokkende geluiden tussen de bemoste stenen spoelde en naar de geluiden die uit het bos kwamen. Maar hij hoorde niets bijzonders, geen onverwachts kraken van takken, geen opgewonden kijvende vogels. Toen Jalf ging liggen om te slapen wist Spitsoor zeker dat hier geen gevaar dreigde. Naast zijn ezel rolde hij zich in zijn deken en sliep weldra in. Op een gegeven moment in de nacht werd Spitsoor wakker omdat Jalf zijn kop ophief. De ezel leek niet onrustig te zijn, maar hij keek alleen over Spitsoor heen naar de beek, die achter diens rug over de gladde stenen kabbelde. Spitsoor draaide zijn hoofd om en zag op de oever een dikke pad zitten, die hem met haar mooie gouden ogen aandachtig aankeek. Terwijl hij zich nog afvroeg of het dezelfde pad was als vroeger, giechelde ze op haar vochtige, borrelende manier en zei: 'Ben je daar weer, Spitsoor. Er wordt verteld datje inmiddels heel wat van de wereld hebt gezien. ' 'Dat kan wel zo zijn, Goudoogje’, zei Spitsoor. 'Maar het komt mij voor dat ik daarbij geen stap verder ben gekomen. ' 'Zo, denk je dat?' zei de pad en ze zwol een beetje op, zodat Spitsoor de indruk kreeg dat ze boos was. 'Is het soms niet zo?' zei hij. 'Ik zit hier nu weer aan dezelfde beek en ik ben weer op weg naar mijn grootvader, nadat ik drie jaar lang als dienaar door de wereld moest rijden, zonder dat iemand mij heeft gevraagd waar ik eigenlijk naartoe wil.' 'Weet je dan wel waar je naartoe wilt?' zei de pad en keek hem spottend aan. 'Je hebt kennelijk nog niet veel geleerd, want je bent nog altijd ongeduldig, alsof het zo belangrijk is om ergens aan te komen. ' 'Is dat dan niet zo?' vroeg Spitsoor en hij begon zich te ergeren aan de geringschattende toon waarop de pad hem toesprak. Nu begon dit opgeblazen, met wratten bezaaide kwabbeldier ook nog te lachen, en wie ooit een pad heeft zien lachen moet toegeven dat dit je behoorlijk van je stuk kan brengen: de toch al aanzienlijk brede bek gaapt zover open dat je bang bent dat de platte kop in twee stukken uiteenscheurt en middenin die gapende opening wappert de lange, beweeglijke tong als bij een balladezanger die zijn lied te hoog heeft ingezet. Spitsoor keek er vol verwondering naar en voelde zich onzeker omdat de pad zijn vraag zo bespottelijk vond. Tenslotte bedaarde ze en zei: 'Je doet me denken aan een oom van mij die net zo was als jij. Altijd onderweg, steeds verder willen komen, om zijn doel te bereiken, zoals hij placht te zeggen. Van al dat lopen was hij al behoorlijk mager geworden, de dunste mannetjespad die ik ooit heb gezien. Hij ving immers maar zelden een vlieg, want hij dacht alleen maar aan de fantastische vliegen die hij de volgende dag wilde vangen. "Je zult nog eens zien," zei hij op een dag tegen mij, "wat voor een hoge vlucht ik zal nemen." En hij had deze woorden nauwelijks uitgesproken of een ooievaar pakte hem, slingerde hem met zijn lange snavel hoog in de lucht en slikte hem door.' 'Wat zielig voor je oom,' zei Spitsoor uit welgemeend medelijden met deze eerzuchtige oom, en hij beschouwde de pad als een harteloos dier omdat ze het zo grappig vond dat ze weer op haar verschrikkelijke manier begon te lachen. Maar de pad trok zich niets aan van Spitsoors afkeurende blik en zei: ‘Je hoeft niet te treuren. Het volgende ogenblik spuugde de ooievaar mijn oom weer uit in het gras. Waarschijnlijk was deze knokige pad hem in zijn keel blijven steken. Hoe dan ook, mijn oom zat weer op dezelfde plek, snakte eerst naar adem en zei toen: "Zo'n hoge vlucht hoeft van mij nu ook weer niet." En vanaf dat moment nam hij de dingen zoals ze waren en niet zoals ze morgen misschien zouden zijn. Zijn doel zou hij nog vroeg genoeg bereiken, zei hij sinds het ongeluk altijd en hij voegde er meestal nog aan toe dat het nog maar de vraag was of je werkelijk wel daar wilde zijn waar je met zoveel moeite had willen komen. Dat waren de woorden van mijn oom en hij heeft op die manier nog een lang en gelukkig leven geleid. Hij werd snel weer dik en rond zoals dat een behoorlijke paddeman betaamt.' Spitsoor vond het een irritant verhaal. 'Wil je dat ik als een pad leef?' zei hij. 'Als ik jou zo aanhoor, krijg ik bijna de indruk dat jij het het beste vindt dat ik hier blijf zitten wachten op wat er verder gebeurt.' ‘Jij bent echt traag van begrip,’ zei de pad en ze schudde afkeurend haar kop, wat er weer uitermate gek uitzag, aangezien padden geen nek hebben. 'Van blijven zitten wachten heb ik met geen woord gesproken, wel over ontevreden zijn met wat je hebt. ' 'Komt dat niet op hetzelfde neer?' zei Spitsoor. 'Misschien denken padden zo, maar ik ben geen pad, ik ben een mens. Anderen hebben allang genoeg voor mij bepaald wat ik moest doen en ik heb ze laten uitmaken waar ik heen zou gaan. Nu wil ik eindelijk daar naartoe waar ik zelf heen wil.' Deze laatste uitspraak ontlokte aan de pad weer een giechelbui die haar kwabberige huid deed trillen. 'Ik kreeg meer de indruk dat je nog helemaal niet wist waar je naartoe wilde,' zei ze. 'Daar kom ik nog wel achter,' zei Spitsoor en hij ergerde zich nog meer toen hij de pad gelijk moest geven. 'Vraag het toch aan je steen,' zei de pad. Je wilde immers naar zijn geheim zoeken. ' 'Dat heb ik al vaak genoeg gedaan,' zei Spitsoor, 'die steen heeft me alleen maar dromen voorgetoverd. Nu wil ik een doel zoeken dat tastbaar is.' ‘Je bent nog geen steek veranderd sinds de laatste keer dat we elkaar hebben ontmoet,' zei de pad. 'Is je steen je dan niets meer waard?' 'Ik ben bang dat hij me alleen maar op een dwaalspoor heeft gebracht,' zei Spitsoor. 'Arni is hem zo lang gevolgd tot hij met een pijl in zijn borst moest sterven. Misschien heeft hij zijn leven lang alleen maar gedroomd. Maar ik wil nu proberen op eigen kracht iets te ondernemen.' 'Manhaftige taal,' zei de pad spottend. 'Pas dan maar goed op dat het je niet. zo vergaat als mijn oom.' Na deze woorden schudde ze nog een keer haar kop en kroop weg tussen de struiken. Spitsoor hoorde haar nog een poosje in het dorre loof ritselen en sliep daarna in. Maar rust vond hij nog steeds niet want hij raakte onverhoeds verzeild in …. De droom van de pad. Hij reed, gehuld in een fleurig, zijden gewaad, op een kostbaar getuigd paard door het bos en speelde op een gouden fluit en iedere keer als hij de fluit van zijn mond nam, hoorde hij de vogels dezelfde melodie zingen die hij zojuist had gespeeld. Het klonk als een veelvuldige echo die tegelijkertijd van alle kanten werd weerkaatst, vanuit de struiken rondom hem, van boven uit de boomtoppen en vanuit de lucht, die hij tussen de takken en bladeren door kon zien. Boven in de lucht vlogen vogels rond die zijn lied herhaalden. Het was net alsof alle vogels hun eigen lied waren vergeten en alleen nog naar zijn fluit luisterden. Zo reed hij fluitend voort tot hij bij een beek kwam waar hij op de oever de pad zag zitten. 'Zie je,' zei hij tegen haar, 'wat een hoge vlucht ik heb genomen? Zelfs de vogels aan de hemel zingen mijn lied na. Nu moet ook jij zingen.' Maar de pad zei alleen: 'Wat een onzin, kwak!' en ze zwol aanzienlijk op. 'Wacht maar,' zei hij, 'ik zal je leren mijn fluitspel na te zingen.' Hij zette zijn fluit weer aan zijn lippen en blies de meest verleidelijke melodieën waarover hij beschikte. Maar hoe langer hij floot, des te meer groeide de pad, tot haar gouden ogen als twee reusachtige karbonkels op dezelfde hoogte stonden als zijn gezicht. Hij blies en blies, alsof het er alleen nog op aankwam de pad in de macht van zijn tonen te krijgen, maar daarop opende de pad haar brede bek en begon te lachen met haar verschrikkelijke, breed gapende paddegelach. De donkere holte van haar keel opende zich steeds verder tot hij het hele bos omvatte en de hemelboog leek te raken. Toen zei de pad nog eenmaal: 'Wat een onzin, kwak!' en hetzelfde moment had ze ook hem al verslonden. Rondom hem was niets anders dan zwarte leegte, geen paard meer, geen fluit, geen kostbaar gewaad. Naakt en blind zweefde hij in het ongrijpbare dat nergens houvast bood en hij werd onherroepelijk opgezogen in de razende ontzetting van het niets. Hij probeerde te schreeuwen, maar terwijl hij schreeuwde voelde hij meteen dat zijn schreeuw in zijn borst bleef steken en geen weg vond in de oneindige lege huivering die hem omgaf. 'Laat me los uit je keel, pad!' schreeuwde hij geluidloos vanuit zijn hart en hij had deze woorden nog amper gedacht of hij werd al uitgespuwd uit het duister van deze afschuwelijke bek en lag, zo naakt en behaard als hij was, in het dorre loof op de grond van het bos. 'Nu weet je eindelijk wat voor een hoge vlucht je op eigen kracht zult nemen,' hoorde hij de pad zeggen. Ze giechelde nog een keer, maar ditmaal joeg haar gegiechel hem de koude rillingen over zijn rug. Hans Bemmann 27 april 1922 - 1 april 2003
Hans Bemmann studeerde Duitse taal-en-letterkunde en musicologie in Innsbruck. Hij werkte sinds 1954 als redacteur bij de Oostenrijkse Borromäuswerk, een vereniging van katholieke bibliotheken en bleef daar werken in deze functie in Bonn van 1956 tot 1987. Van 1971 tot 1983 was hij docent Duits aan de Pädagogische Hochschule in Bonn. Hij was ook werkzaam als docent aan het Bonner Bibliothekar-Lehrinstitut tot 1993. In de jaren 1960 gebruikte hij het pseudoniem Hans Martinson voor zijn publicaties. Bibliografie Hans Bemmann’s literaire doorbraak kwam met de sprookjesachtige roman De steen en de fluit in 1983. Het boek vertelt de avonturen van een jonge man, genaamd Spitsoor (of de luisteraar) in een idyllische sprookjesachtige wereld. Een magische steen en een magische fluit zijn bedoeld om hem de weg naar geluk te wijzen, maar vanwege zijn gebrekkige kennis van de menselijke natuur en zijn naïviteit maakt hij misbruik van zijn macht en maakt noodlottige keuzes. Fantastische ontmoetingen en lange ontberingen schenken hem nieuwe perspectieven en diep menselijk inzicht. Het verhaal van Spitsoors leven is verweven met zijn liefdesverhaal. Zijn volgende roman: Erwins Badkamer, is geschreven in de vorm van een reeks brieven en brengt de lezer in aanraking met een dictatuur die de bevolking controleert door haar taal stelselmatig te vereenvoudigen. Het idee van manipulatie door systematisch gebruik van taal is ook aanwezig in George Orwell 's Dystopia 1984. Ster van de broers speelt ook in een moderne wereld en toont het levenspad van twee broers in een samenleving die afstevent op een dictatuur. Het zijn een muzikant en een geoloog, zij beiden kiezen tegengestelde richtingen van het politieke spectrum, om elkaar bij het eind weer te nader te komen. De gebroken Godin voert een sprookjesonderzoeker op een reis van de werkelijkheid naar een sprookjesachtige wereld. Een bijzondere ontmoeting met een betoverende vrouw zet hem aan haar daar te zoeken, en haar daar ook te vinden. De roman vermengt realiteit en sprookje en laat de held de wereld minder koud en mechanisch te zien. De tuinen van de leeuwin kan worden gelezen als een aparte roman, maar is toch ook een vervolg op De gebroken Godin, waarin de heldin haar verhaal vertelt. Het derde deel in deze trilogie is Massimo Battisti, van iemand die wilde leren toveren. Hierin worden veel onduidelijkheden tot klaarheid gebracht in de persoon van de magiër Massimo Battisti.
DIERENVERHALEN vol wijsheid en symboliek
Manfred Kyber Dierenverhalen of fabels kennen wij al sinds de fabels van Aesopus uit de Griekse oudheid. Toch blijft dit soort verhalen altijd weer boeien en zeker als een schrijver als Manfred Kyber dit genre beoefent. Overigens schreef hij déze verhalen al aan het begin van onze eeuw, maar wonderlijk genoeg zijn ze nog even fris en leesbaar in onze tijd als toen ze geschreven werden. In een wereld die ons regelmatig doet denken aan die van meester-verteller Kipling, laat Kyber zijn dieren diepzinnigheden uiten, die meestal op het mensdom en haar eigenaardigheden betrekking hebben. Zo verpakt in deze fabels biedt Manfred Kyber ons dezelfde wijsheid aan die wij ook in zijn prachtige en fijngevoelige boek VERONIKA'8 DRIEVOUDIG LICHT aantreffen. Het zijn juweeltjes van schrijfkunst, waarin vaak zeer actuele onderwerpen als bijvoorbeeld antivivisectie en dierenliefde op indringende wijze worden behandeld. Een bundel meesterlijke verhalen van een groot en wijs schrijver, die al veel te lang niet meer in een Nederlandse uitgave beschikbaar waren. ISBN 9064410402
Een van de verhalen uit het boek HET HOOFD DER APEN De Indische ochtendhemel spande blauw over de Indische vlakten en hulde alle wonderen des levens in het licht van de jonge dag onder Brahma' s Zonnezegen. "Zeer wijs en vol licht is deze wereld," zei de olifant Nalagiri Lappenhuid, kwam overeind uit de slaap en ging op zijn zuilbenen staan om na te denken, het brede hoofd naar het Oosten gekeerd, want hij had veel ervaring en zijn ziel was rustig. Rondom hem was het echter niet rustig. Tussen de takken der bomen krioelde het van koppen, benen, handen en staarten. Een apenvergadering koos haar Hoofd. Waar apen vergaderen, kiezen zij altijd een Hoofd, anders was het geen echt apentheater en dat willen de apen overal hebben, in Indië en over de hele wereld, waar er maar echte apen zijn en er zijn er een heleboel. Tot Hoofd wordt steeds die aap gekozen, die de grootste mond en de sterkste tanden heeft, en een dergelijke keuze is, als alle verkiezingen over de hele wereld waar apen wonen, een gebeurtenis met zeer levendige bijkomende verschijnselen. Eerst ontstaat een ontzettend gesnater, zodat niemand meer verstaan kan wat de ander zegt, want dat is bij een verkiezing ook absoluut niet nodig. Daarna beginnen zij elkaar te bijten, en ontstaan er verwarde kluwens van vechtende apen, tot zich kluwen na kluwen loswikkelt en uit het laatste, dat zich uit alle kluwens heeft los gebeten, het aldus gekozen Hoofd verrijst. Zo was het ook ditmaal geschied en het Hoofd van deze schone dag heette Krakelius Krekkekkek. Hij ging op de allerhoogste boomtop zitten en liet zijn tanden zien, waardoor hij vele rimpels op zijn neus kreeg, wat een buitengewoon onaangename indruk maakte. Daar was hij Hoofd voor. "Zeer lawaaiig zijn vele der aardse schepselen," zei de olifant Nalagiri Lappenhuid, sloot pijnlijk en berustend de grote oren en verwisselde de positie van zijn zuilbenen om na te denken, het brede hoofd naar het Oosten gekeerd. "Ik aanvaard thans de Regering," zei Krakelius Krekkekkek en liet nogmaals zijn tanden zien. "Een Regering bestaat hieruit, dat zij anderen beperkingen oplegt, vóór alles dus. . ." "Wij willen geen beperkingen, wij willen vrijheid!" brulden de apen. "Bek houden!" zei Krakelius Krekkekkek, "er bestaat geen vrijheid voor apen en evenmin voor een werkelijke apenregering. Alles moet beperkt worden. Jullie moeten beperkt worden en ik ben al beperkt, omdat ik ambtshalve beperkt ben. Daarvoor ben ik het Hoofd!" Groot gekakel. " Vóór alles behoeven de jonge apen niet altijd in de armen van hun moeders te liggen en geflikflooid te worden. Dat verwent het komende geslacht, wij hebben standvastige en dappere apen nodig, zoals ik." "Wat weet jij eigenlijk van kinderopvoeding?" grijnsden de apenmoeders, "wij laten ons onze lieve kleintjes niet afnemen. " "Ik weet heel veel van kinderopvoeding, omdat ik een Regering ben," zei Krakelius Krekkekkek, "ik weet overal wat van, want ik weet het ambtelijk. Daarvoor ben ik Hoofd!" "Je weet overal wat van en je weet absoluut niets," zei een jonge apenmoeder en toonde haar tanden. "Verder," zei Krakelius Krekkekkek, "moeten de jongeren mekaar niet zoveel krabben. Dat hoort niet. Laten zij liever beenoefeningen maken, daar komt de soort jeugd van, die wij nodig hebben. Onze toekomst ligt in onze benen." Groot gesnater. "Wij krabben ons, als we jeuk hebben," riepen de jonge meisjes en jonge mannen, "jij krabt je ook." "Dat is iets anders," zei Krakelius Krekkekkek, "als ik jeuk heb, heb ik ambtelijk jeuk, en als ik mij krab, krab ik ambtelijk. Daarvoor ben ik Hoofd!" Daarbij had hij juist jeuk en krabde zich ambtelijk. " Voorts mogen de apen niet rondlummelen, maar zij moeten ijverig vruchten verzamelen. Dat is onze voorraad in tijden van nood en dat is een regeringsmaatrege1." "Wij willen eten en niet verzamelen!" riepen de apen. "Dat zou een kolfje naar jullie hand zijn," zei Krakelius Krekkekkek, "zo maar altijd van de poot in de snuit te leven, maar dat kan een Regering niet dulden. Jullie moeten verzamelen, en wat je verzamelt, breng je mij. Een ware apenregering steekt alle vruchten die anderen verzamelen in de zak. " "Om ze zelf op te eten!" brulden de apen. "Ja zeker," riep Krakelius Krekkekkek, "en al eet ik alles zelf op, dan nog doe ik het ambtelijk. Daarvoor ben ik Hoofd!" Heftig toenemend gesnater van alle apen en apinnen. Men kon geen woord meer verstaan. Plotseling verstomde het gesnater. Uit het struikgewas kwam in een elegant gestreept leren jasje en met een woedende uitdrukking op haar gezicht, de tijgerin, vrouw Miesemissa Pofpoot. Alles kroop weg, hogerop in de bomen, want een tijger heeft voor lieden, die geen tijger zijn, heel gauw iets onbehaaglijks. "Wat is dat voor een afgrijselijk lawaai?" siste vrouw Miesemissa Pofpoot, "mijn lieve kindertjes, de kleine Pofpootjes, kunnen niet slapen door jullie dom gesnater!" "Wij moeten zoveel snateren, omdat wij een Regering en een Hoofd hebben," zei een klein aapje, een heel onschuldig ding. "Waar is jullie Hoofd?" zei vrouw Pofpoot en sloeg met haar klauw bedenkelijk op een boomstam. "Het Hoofd, het Hoofd," riepen de apen angstig en liepen zoekend door elkaar, "het Hoofd moet ons verdedigen, hij moet met vrouw Pofpoot spreken. Waar is het Hoofd?" Maar het Hoofd was niet meer te zien. Eindelijk ontdekte men in een holte van de boom een achterpoot, die verlaten en angstig naar buiten stak. Aan die ambtelijke achterpoot trok men Krakelius Krekkekkek uit het gat te voorschijn en zette hem op zijn bibberende ledematen overeind. Hij probeerde in het gat terug te kruipen en zwaaide heftig met armen en benen, maar de andere apen hielden hem tegen. "Ben jij het Hoofd?" vroeg vrouw Miesemissa Pofpoot en likte op zeer onaangename wijze haar snuit. Krakelius Krekkekkek strekte één hand en één been in de hoogte, om te zweren. "Nooit ben ik Hoofd geweest," betuigde hij, "nooit. Hoe zou ik Hoofd kunnen zijn? Ik ben veel te zwak en te ziekelijk. Mijn vlees is ook niet gezond en ik ben veel te mager. Ja, en zelfs mijn vel is niets waard, de mot is er in gekomen. Nee, het is werkelijk niet de moeite waard, dat u zich om mij bekommert. Ik ben de minste en erbarmelijkste van alle apen. U ziet zelf, hoe men mij uit de boomholte te voorschijn heeft moeten trekken, ik was uit louter zwakte erin gevallen, alleen uit zwakte." "Heb je het dan zoëven niet over kinderopvoeding gehad? Heb je niet pas gezegd, dat je standvastig en moedig bent?" vroeg Miesemissa Pofpoot. "Hoe zou ik? Ik heb niets geen verstand van kinderopvoeding. Ik heb er nooit iets van geweten," z~i Krakelius Krekkekkek met trillende armen en benen. "En ik en moedig? Ach lieve help, lieve help. .." Krakelius Krekkekkek jammerde luidruchtig. "Heb je niet zoëven gesproken over het jeuken en krabben van de jeugd?" vroeg Miesemissa Pofpoot en gromde beangstigend. Krakelius Krekkekkek zette koortsachtig zijn bezwerende hand en zijn bezwerend been in beweging. "Nooit, nooit," verzekerde hij, "ik ben al dankbaar, wanneer ik zelf geen jeuk heb." "Je wou toch vruchten binnenhalen, die anderen verzameld hebben," meende Miesemissa Pofpoot, "dan ben je dus toch een Hoofd." De bezwerende hand en het bezwerend been kregen bepaald zenuwtrekkingen. "Bij de tempel van Benares, bij de huid mijner Vaderen, ik zweer het met armen en benen, nooit heb ik zulke dingen gezegd. Hoe zou ik het in mijn hoofd halen? Och, ik arm, zwak schepsel. Geloof dat toch niet van mij, lieve vrouw Pofpoot!" "Ik ben je lieve vrouw Pofpoot niet, jij domme aap," zei Miesemissa, "ik zal je de vlooien uit je vel kloppen." Vrouw Miesemissa Pofpoot was een dame. Het is pijnlijk het te moeten zeggen, maar zij gebruikte inderdaad die uitdrukking. Uit de diepte van het oerwoud klonk zacht klagend een miauwend, veelstemmig gehuil. ,,0 Hemel," zei Miesemissa Pofpoot, "mijn lieve kinderen, de kleine Pofpootjes, die jullie gestoord hebt, huilen om mij. Zij hebben honger. Ik moet naar huis. Maar ik stuur mijn man naar jullie toe, als hij van de jacht thuis komt. Hij moet deze zaak onderzoeken. Hij zal jullie wel krijgen, jullie apengebroed!" Miesemissa Pofpoot verdween in het struikgewas en spoedig daarop lagen de kleine Pofpootjes tussen de moederlijke klauwen, dronken met gelukzalig dichtgeknepen ogen en sponnen luid en overgelukkig. Begrijpelijkerwijze besloten de apen de komst van de aangekondigde heer Pofpoot liever niet af te wachten. Nauwelijks was Vrouw Miesemissa Pofpoot verdwenen, of een ongeordende vlucht begon, een verward gekrioel van koppen, armen, benen en staarten - als eerste en ver vooruit vluchtte Krakelius Krekkekkek, want hij vluchtte ambtelijk. Daarvoor was hij het Hoofd. Tussen de takken der bomen werd het stil. De Indische ochtendhemel spande blauw over de Indische vlakten en hulde alle wonderen des levens in het licht van de jonge dag onder Brahma' s Zonnezegen. "Zeer wijs en vol licht is deze wereld," zei de olifant Nalagiri Lappenhuid en verwisselde de houding van zijn zuilbenen, om na te denken, het brede hoofd naar het Oosten gekeerd, "maar zeer onwijs en zeer lawaaiig zijn vele schepselen. Zeer onwijs en zeer lawaaiig is vooral het apentheater op deze aarde en het meest onwijs en het allerlawaaiigst zijn de apen-Hoofden."
Gastenboek van Spirituele Vrienden.
|