Leestips 5

 

Veronika's drievoudig licht  - Heiliging - Roes - De ontembare vrouw -  De pelgrimstocht naar Santiago   - De Tocht naar morgen - Een lichtstraal van de zon - De Geheime geschiedenis van de Wereld - Simon - De Steen en de Fluit - Dierenverhalen vol wijsheid en symboliek - De Hermiet - Aldus sprak Zarathoestra - Hansen -

 

Veronika's drievoudig licht  - Manfred Kyber



De auteur

 

De schrijver Manfred Kyber geeft ons in dit boek een wonderlijk teer en mystiek beeld van het leven van enige mensen hier op aarde en wijst daarmee op het goddelijk verband der dingen. Veronika, de hoofd­persoon, is een teer en gevoelig meisje dat nog contact heeft met de sub­tiele wereld om haar heen, die voor de meeste mensen niet of niet meer waarneembaar is. Zo gaat zij haar lichtend levenspad, beschermd en bewaakt op deze aarde door haar oom Johannes, die met een band, die zich door vele levens heen uitstrekt, met haar verbonden is. Veronika is zich deze band niet duidelijk bewust, maar voelt wel steeds een sterke aantrekkingskracht naar haar beschermer en van tijd tot tijd tovert deze kracht haar beelden van fragmenten uit vorige levens voor ogen. Pas na haar overgang naar het andere leven, die op voorspraak van haar beschermer Johannes de Zwerver vroegtijdig plaats vindt om haar te sparen voor moeilijk te dragen leed in dit aardse leven, wordt zij zich van dit alles duidelijk bewust. Wonderlijk mooi is het te lezen hoe zij dan in staat is hulp en invloed te geven aan de omgeving hier op aarde, waarmee zij door banden van liefde en toewijding is verbonden.

 

Dit verhaal, dat buitengewoon veel licht en wijsheid uitstraalt, heft ons op en maakt de beste gevoelens in ons wakker. Het ontroert bijna ieder die het leest, maar dat is wellicht een teken, dat de mystiek die er in besloten ligt, begrepen en aangevoeld wordt. Nog lange tijd na het lezen zal de lezer aan dit boek terugdenken en de behoefte voelen om het boek nog­maals ter hand te nemen en te herlezen. En zijn de boeken die deze behoefte in ons opwekken niet de beste boeken die er zijn?

 

ISBN 906441002X  - Uitgeverij Sirius en Siderius

 

 

 

Uittreksel:    Hoofdstuk 2  - HET HUIS DER SCHIMMEN -  

 

De volgende morgen had kleine Veronika het gevoel dat zij heel diep geslapen had en dat er niet één nacht, maar een veel langere tijd lag tussen deze morgen en de vorige dag. Het leek haar dat ze herboren was in een nieuw leven en dat ze een nieuwe wereld betrad. Dat kwam omdat ze voor het eerst werkelijk wakker was geworden in het huis der schimmen. Zij had weliswaar vroeger ook in het huis der schimmen gewoond, maar haar ziel was er niet werkelijk aanwezig geweest. Geleefd had zij in de tuin der geesten en in het huis der schimmen had zij maar half bewust rondgelopen - ze had het ervaren als iets dat er toevallig was, waaraan ze zich niet gebonden voelde. Nu was echter de schemering gevallen en de tuin der geesten was in een nevel verdwenen. Het huis der schimmen drong thans in haar volle bewustzijn door.

 

Dit is een van de drempels in het mensenleven, waar wij allen overheen moeten. De mensen vergeten het echter. Ze vergeten dat zij eens in de tuin der geesten zijn geweest en lachen ongelovig als iemand hen daarvan vertelt. Ja, velen vergeten ook wat zij later in het huis der schimmen hebben beleefd. Zij denken dan, dat er in dit leven alleen dat aanwezig is dat tastbaar genoemd kan worden en dat slechts tot deze wereld behoort. Het eigenlijke leven echter speelt zijn afwisselende spel met vele kleuren achter de dingen die tastbaar zijn en het noodlot weeft zijn onzichtbare draden tussen de tuin der geesten en het huis der schimmen met zijn vele vreemde gestalten. Wij moeten altijd iets van de tuin der geesten en van het huis der schimmen in onze gedachten houden, anders voelen we ons later in het ingewikkelde leven niet thuis. Ieder moet aan de drie lichten denken die op het altaar van het leven branden, want anders valt hij op de vele drempels en treden, die hij door de duisternis niet ziet.

 

leder huis is immers een huis der schimmen en niet alleen Veronika heeft in een huis der schimmen ge­woond. Wij allen wonen er, waar op aarde we ook leven en wij komen allen over treden en drempels die wij niet kunnen zien. Alleen een innerlijk licht kan ze ons tonen. Het is moeilijk over de treden en drempels te klimmen. Het is triest in een huis der schimmen te leven en misschien is dat juist het ergste voor hen die het helemaal niet opmerken. Zo is het echter niet altijd geweest. Er was eens een tijd dat de mensen in tempels en lichte gebouwen verbleven. In oude sagen en sprookjes klinkt die toestand nog door. Dat was de jeugd van de mensheid. Toen zijn de stervelingen afgedaald naar de diepte en uit hun daden weefde zich het wisselende lot. Ook de huizen der schimmen zijn uit de daden der mensen gebouwd. U allen, die nu leeft, woont in zulke huizen en dat is vaak drukkend en zwaar.

 

Toch moet u daarom nooit treuren. Denk aan de kleine vlammen die voor u allen branden, zoals de drie lichten die voor kleine Veronika branden. Denk daaraan, allen die nu leven en verlicht met die lichten de huizen der schimmen. Eenmaal zullen het dan weer tempels en lichte bouwwerken zijn, die u als uw woning kunt betrekken. Het zijn lange wegen die u allen zo moet afleggen. Maar u moet niet denken dat het tevergeefs gebeurt. De tempels en de lichte bouwwerken waar u in gewoond hebt toen de mensheid nog jong was, had u niet zelf gebouwd. U hebt erin gewoond zoals kinderen leven in de tuin der geesten.

 

De nieuwe tempels en de nieuwe lichte woningen, die uit de huizen der schimmen zullen verrijzen, zult u wél zelf gebouwd hebben. Met uw eigen gedachten zult u ze bouwen en u zult een bewuste jeugd erin beleven. Bewust kind zijn betekent gelukzalig zijn. Het is de moeite waard daarvoor over veel treden en drempels te stappen, ook al is de weg lang en het doel heel ver!

 

Er is een verte die vroeger bestaan heeft: vandaar komen wij. Er is ook de verte van de toekomst: daar moeten wij heen. Bouwt uw tempels en lichte bouwwerken, u die in het heden leeft.

 


Heiliging - J. Anker Larsen

Meer over de auteur op 'leestips 4'

Website

Uittreksel

Een besluit nemen …

 

Ik zal je een geschiedenis vertellen van iemand die een besluit nam - ofschoon hij heelemaal niet wist, waartoe hij besloot. Ik vertel het als een sprookje, maar het meeste van wat ik vertel, is werkelijk gebeurd en een van de twee mannen leeft nog.

Er waren eens - voor jullie is het lang geleden, maar voor mij is het alsof het een paar dagen geleden gebeurde - er waren eens twee jonge mannen, die van twee jonge vrouwen hielden, twee zusters. De twee jonge mannen waren goede vrienden. Ze zouden spoedig trouwen en ze waren blij dat hun vrouwen zusters waren.

 

Toen kwam er een hevige ziekte en greep de eene zuster aan, en zij besmette de andere.

De twee jonge mannen hoopten natuurlijk, dat de twee zusters weer beter zouden worden, maar tenslotte werden ze bang. En op een dag kwam de dokter en zeide tot hen:

"Gij moet op het ergste voorbereid zijn.”

Toen konden ze nergens vrede vinden, maar liepen rusteloos rond. Eindelijk kwamen ze in een groot bosch.

"Ik ben als iemand die bang in 't donker is,” zei de een, “en er is iets dat mij vervolgt. Het is de gedachte, dat zij die zoo jong en zoo mooi is, werkelijk zou kunnen sterven. Ik kan me niet verzoenen met die gedachte. Ik ben bang voor het leven.”

"Ja,” zei de ander, “en dat is nog maar alleen de ge­dachte, - wat dan, als het werkelijk gebeurt!”

Ze keken elkaar lang aan, toen zei de een: "Zullen we er niet voor bidden, dat ze in 't leven mogen blijven - misschien als we allebei bidden _”

"Ja," zei de ander, "laten we allebei bidden!'

 

Ze dachten beiden, dat het gebed van den ander misschien meer zou vermogen dan het eigen, want ieder van hen meende, dat de ander beter was dan hij­ zelf. Maar ze waren, zoover menschen kunnen oor­deelen, even goed.

Toen knielden ze neer en baden voor het behoud van haar die ze beminden. Ze waren niet gewend te bidden, maar er stond zooveel op 't spel en hun gebed was zeer innig.

Toen ze gebeden hadden, keken ze op en er stond een man voor hen. Ze hadden later geen van beiden kunnen zeggen hoe hij er uit zag, of hoe hij gekleed was, want op dat oogenblik merkten ze alleen op, dat hij bij ’t bosch paste alsof hij daar thuis hoorde. En ze geloofden hetgeen hij zeide, zooals men een zeeman gelooft op zijn schip, den landman buiten op 't veld en den houtvester in het bosch.

Wat hij zeide was: "God heeft uw gebed verhoord.”

In hun dankbaarheid wilden ze hem omarmen; maar er was iets in zijn blik, dat hen tegenhield en hen onzeker maakte.

"Maar gij hebt te laat gebeden,” zeide hij, "de dood heeft reeds verlof gekregen om haar te halen."

Toen bogen ze in vertwijfeling het hoofd.

"God heeft uw gebed verhoord," zei de man.

Ze keken op, maar begrepen hem niet.

 

"God is machtig,” zeide hij, "en wil uw gebed ver­vullen. Den dood kan niet ontnomen worden wat hij gekregen heeft, maar gij kunt haar, die ge bemint, behouden.

God geeft u nu een keus. De dood moet het zijne hebben ­maar gij kunt het uwe behouden.

Indien gij kiest, dat de dood het lichaam der jonge vrouw neemt, zal het in 't vervolg in uwe ziel zoodanig zijn, dat er geen afstand is tusschen u en haar. Zij zal in elk van uwe gedachten wezen, zoodat gij niet weet, of zij of gij het zijt die denkt; en gij zult hier in de wereld levend, zoo nauw vereenigd met haar zijn, dat gii niet weten zult, of zij het is die nog leeft, of gij die reeds gestorven zijt.

Ge kunt ook de genezing van haar lichaam kiezen. Dan zal de dood haar loslaten, en zij zal weer worden zooals ze was, toen gij voor 't eerst haar lief kreegt, en zij u haar jawoord gaf. Maar dan kunt gij haar ook niet nader komen. Er kan geen groei zijn in de liefde. Die mogelijkheid neemt de dood inplaats van haar lichaam. - Nu kunt ge kiezen.”

 

Ik heb gezegd, dat de twee jonge mannen even goed waren. De een had zich nooit voor den ander behoeven te schamen. Maar er was verschil tusschen hen. In den een lag het eeuwige leven half in slaap; in den ander was het daar, waar men wel niet geheel wakker is, maar toch weet, dat het dag is.

En de keus wekte hem geheel.  Hij zeide:"Ik kies het eerste.”

Toen zei de man:"Dan zijt gij één in alle eeuwigheid; de groei van den een is die van den ander en hij is dubbel, want de groei van den een wordt bij dien van den ander gevoegd. Maar als ge thuiskomt, is haar lichaam koud en stijf onder de hand des doods.”

 

Toen verborg de andere jonge man zijn gezicht in de handen en riep:

“Dat kan ik niet! Ik moet haar behouden, zooals ze was op den eersten dag toen ik wist, dat ik haar liefhad en op den dag, dat zij mij haar jawoord gaf. Ik verlang niet meer dan dat.”

“Zij leeft" zei de man, “en over eenige dagen is ze zoo  gezond en frisch als toen ge voor ‘t eerst zaagt hoe be­minnelijk ze was."

 

De twee jonge mannen keken elkaar aan, en de een beklaagde oprecht den ander, want ze waren beiden goed en ze waren vrienden.

Toen ze zich weer tot den man wilden keeren, was hij verdwenen. Ze vroegen zich af, of ze alleen maar gedroomd hadden en haastten zich naar huis.

De eene der twee zusters was dood. Bij het bed der andere stond de dokter en zeide: "Zij wordt beter."

Dat gebeurde ook; ze trouwden en leefden eenige jaren in blijde jonge liefde, zooals pas getrouwde menschen hier op aarde leven.

 

Jullie weet, hoe het met menschen gaat. Zoo nu en dan laten ze een knorrigen toon hooren, een boos of onbezonnen woord. Het is heel weinig, maar het is als het zaad van een paardenbloem dat in een grasveld valt. Het verbreidt zich als gewoonten zich verbreiden in 's menschen gemoed. Tenslotte is het een veld niet met gras maar met paardenbloemen. Er komt een ontevreden trek om den mond van man en vrouw, geteekend door alle kleine prikkels en booze woorden. Jullie kunt het rondom je heen in de huizen zien. Man en vrouw hebben te dicht bij elkander geleefd. Ze hebben elkaar te dikwijls in den weg gestaan; dat ze elkaar noodig hebben, maakt het niet beter. Ze zijn niet jong meer; de verliefdheid is verwelkt, al lang geleden. Alleen de gewoonte bindt, bovendien een slechte gewoonte. Ten laatste sterft de een en de ander leeft bevrijd op. Voor een jaar voorbij is, kan men zien, dat het een verlichting was van den echt­genoot af te zijn.

 

Zoo ging het met deze twee. Zij stierf - een beetje laat, maar toch tijdig genoeg, dat hij nog eenige goede jaren in vrede kon leven. Er was zooveel dagelijksch ge­kibbel tusschen hem en zijn vrouw geweest, dat het onaangenaam was alleen maar aan haar te denken. Eindelijk werd hij dan zijn herinnering de baas en vergat haar geheel.

Toen was hij een oude gerimpelde man.

De ander bleef jong. Zijn jaren werden talrijk, zijn haar werd grijs, maar zijn oogen glansden als een pas ont­waakte dag. Hem te ontmoeten was als een voorjaar te ontmoeten.

 

Eens, vele jaren na den dood van zijn vrouw, ontmoette de vriend hem.

"Het geluk straalt van je uit,” zei hij, "het ligt als een glorie om je heen.”

De ander antwoordde: "Dat moet het wel, het is grooter dan ik er plaats voor heb binnen in mij."

"Wat beschouw je als je grootste geluk?” vroeg de vriend.

De ander antwoordde zonder zich te bedenken: "Dat ik door liefde bevrijd werd voor mijzelf."

Toen kwam deze gedachte bij den vriend op: "Geen grooter bevrijding heb ik gekend dan den dood van mijn vrouw. Hoe arm is mijn geluk en mijn leven tegenover het zijne."

En hij kon het zien van het geluk van den ander niet verdragen, maar ging eenzaam heen.

In het leven van deze twee, die ieder op zichzelf even goed waren, zien jullie het verschil tusschen de eeuwig­heid, die slaapt, en die, die weet dat het dag is en besluit om wakker te worden en op te staan."

Rasmus stond op en ging heen.

De kinderen keken hem langen tijd na en ze dachten, dat hij zeker zelf de een van de twee was, maar ze wisten niet goed welke; want zijn oogen glansden wel, maar in zijn gezicht waren vele rimpels.

 

Uit: Heiliging – J. Anker Larsen

 

 

 

Roes - J. Anker Larsen

Meer over de auteur op 'leestips 4'

Website

Uittreksel

Gudum was den nacht, de eenzaamheid ingeloopen, niet na rijp overleg, maar als een man die een gebod volgde; hij moest doodeenvoudig alleen zijn, en toen liep hij den landweg op - weg van alles wat het zijne geweest was.

Als 's menschen kleine wereld in elkaar stort en zijn levende ik aan alle kanten omhuld wordt door het leege doode niets, tuimelt hij soms in die leegheid neer en kan zich het leven benemen om er één mee te worden; hij kan verharden en versteenen; maar het kan hem ook gaan als Gudum: onzichtbare muren achter welke hij zich veilig had opgesteld, stortten om en hij wandelde er over heen een nieuwe wereld binnen. Die kwam te voorschijn uit zijn eigen gemoed z00 snel en schijnbaar wonderbaarlijk, zooals de mangaboom van den fakir uit den grond opgroeit. Henzelf was het duidelijk, dat hij een wonder beleefde, hij had het gevoel of hij op een anderen aardbol liep. Natuurlijk wist hij, dat hij op de arme, oude aarde was, maar die was oud noch arm. "Het oude was voorbijgegaan, alles was nieuw geworden.”

Er is geen "religieuze voorbeschiktheid" noodig om dezen gemoedstoestand te beleven en deze leidt den belever niet vanzelfsprekend tot enige religie; eerder bevrijdt hij hem van alle religie; maar woorden uit de "heilige boeken" der geheele wereld komen uit zichzelf bij hem op in dat oogenblik, dat hij wil trachten het ken­merkende van zijn beleving in het licht te stellen; woorden die onnut in zijn geheugen hebben gelegen, als munten zonder gangbare waarde, worden levende werkelijkheid voor hem: dit is het immers wat nu gebeurt!

 

Gudum was zich nuchter bewust, dat hij liep in zijn oude bekende lichaam op de oude bekende aarde; maar toch was hij nieuw, hij had geen grenzen, zijn wezen was overal aanwezig, het drong in alles door en werd zelf door alles doordrongen; een diepe vrede zeeg in hem neer als een tastbare stof, in hem zelf en in de heele wereld; een innerlijke atmosfeer, als men het zoo zeggen kan. Het wezen van den vrede was vrijgevigheid, deze zou zich over de heele wereld willen verspreiden: "Vrede laat ik u, mijn vrede geef ik u"; Gudum voelde, dat een mensch zich almachtig kan voelen tot het geven van zulk een gave. In dezen toestand weet men dat "het hemel­rijk nabij is gekomen", en het geloof, dat het einde van allen strijd onmiddellijk nabij is, kan men moeilijk ont­gaan - de tijd wordt zoo kort tegenover dit eeuwigheids­gevoel - een zegenend contact van zielen, ongeacht lichamelijke afstand, maakt zijn werkelijkheid geldig, en het stadium waarin de kracht wordt geschonken om "zonden te vergeven" en de "zonden" van anderen te dragen, komt in 't verschiet.

 

Zulk een beleving kan een enkelen keer in een men­schenleven voorkomen; zij kan zich ook herhalen en duurzamer worden, dan geeft zij voor altijd een bestem­ming aan het leven; maar ze kan ook in de herinnering verbleeken, de golfslag van vluchtige oogenblikken kan haar uitwisschen, de neiging tot expansie scheidt zich af van de verinnerlijking en richt zich op het gewemel van uiterlijke doeleinden, de strijd begint, de vrede is een schim, een verlangen dat niet gestild kan worden en daarom gaat de oude strijd tusschen wereldverovering en wereldoverwinning verder in het menschelijk ge­moed - kleinzielig of geweldig al naar het formaat van het gemoed.

P 145 – 147

 

Hansen - J. Anker Larsen

 

 

Website

 

Op de achterzijde:
Hansen, de laatste roman van Anker Larsen die met deze uitgave voor het eerst in het Nederlands verschijnt, mag beschouwd worden als zijn geestelijk testament. Het is één van die boeken, die iets te geven heeft aan veel - en aan veel verschillende - lezers.

 

Hansen is een man van 64 en leraar Engels en Frans. Het verhaal over zijn ervaringen wijst er op een wonderlijk levendige manier op, hoe men het bestaan van alledag kan verenigen met het vermogen om momenten mee te maken, die de tijd opheffen en de eeuwigheid en het huidige nu laten versmelten. Het is die vereniging van het alledaagse met dat, wat buiten het tastbare ligt, wat het boek zijn bijzondere diepte geeft.

 

Veel mensen bezitten, zonder dat ze het zelf weten, dezelfde eigenschap als Hansen en dit boek ondersteunt het proces van bewustwording van die vermogens, zodat een eeuwigheidsondervinden van het bestaan in alledaagse ontmoetingen geopend kan worden.

 

Zijn boodschap die vanuit een grote overtuigende ernst, met humor en een voelbare warme, diepe menselijkheid is geschreven, heeft niets aan actualiteit ingeboet.

 

 

Uittreksel:

Het is eigenlijk wel lachwekkend - zou hij misschien niet eens met een psychiater moeten praten over zijn vele abnormaliteiten? Nee, die zullen verdorie alleen maar met medicijnen of een operatie proberen hem er van af te helpen. Maar het is wel grappig dat hij een overledene niet als echt dood kan beschouwen. Neem Jens nu eens, die stierf enkele dagen geleden: het staat voor hem vast dat die nog steeds existeert. Hij kan zich weliswaar gemakkelijk diens lijk voor de geest halen, maar Jens zelf blijft net zo levend als daarvoor! Daar helpt geen enkele redenering tegen, ze kunnen hem niet de overtuiging afpakken, dat Jens er nog is. Dat is toch dwaas! Maar zo ervaart hij dat bij al zijn gestorven vrienden en bekenden. Zou dat nog een restant van zijn christengeloof zijn? Nee, dat kan niet, want alle lijken die hij zag in de tijd dat hij zijn kindergeloof nog had, zoals dat van "oude Godtfred", oma, en alle andere lijken waarvoor hij, naar boerengebruik uit die tijd, uitgenodigd was om te bekijken, waren zo onverbiddelijk dood, dat hij zich niet voor kon stellen dat ze "in het hemelrijk" waren. Maar nu hij allang niet meer "gelovig" is kan hij zich niet voorstellen, dat iemand dood is, uitgeleefd. Het is absoluut zeker dat ze eeuwig leven. - Hetzelfde zou dus ook wel voor hem gelden. Nou ja, daar kon je het verder wel mee eens zijn, als je het er met jezelf over eens was geworden om dit leven te leiden, maar verder kan hij er niets betreurenswaardigs in zien als het leven volledig uit zou doven. Dan kan er absoluut niets onprettigs meer gebeuren. En er zou geen tijdsprobleem meer zijn!

 

Maar waarom is het voor hem onmogelijk om de gestorvenen als niet levend te beschouwen? Aderverkalking? In dat geval is hij al heel lang, voordat hijzelf of anderen het in de gaten kregen, bezig te verkalken, want hij mist al verscheidene jaren het vermogen overleden mensen als niet-bestaand te beschouwen.

 

Nu is hij bij het hek en moet oversteken, dus nu moet hij Oppassen, zoals zo vaak tijdens het peinzen, in elk geval tot hij Svineryggen bereikt heeft, waar noch auto's, trams of fietsers zijn. Maar op Svineryggen is Jens weer zo levend, alsof ze hier samen liepen, niet hier natuurlijk, maar daar, waar Jens zich nu moet bevinden, hij is in elk geval levend, zo gek als het lijkt.

 

Natuurlijk kan niemand bewijzen dat de mens leeft na de dood; en als men eens aanwezig is geweest bij een varkens- of kalverslacht, is het al erg genoeg dat geëist wordt in een leven na de dood te geloven; maar erger is het, dat men die zekerheid niet kwijt kan raken. Men kan dat niet eens verkopen aan een moedeloze christen, wiens "geloof' er heel vaak uitziet als een hoop, vervuld van angst.

 

Het christendom - ja, dat verwierp hij als een oud kledingstuk in de studentengemeenschap waar het evangelie van het vrij denken en van de vrije liefde werd verkondigd, wat er dus toe leidde dat er voor hem geen god bestaat. En dit moet hij wel bekennen, dat hij vandaag de dag zichzelf zeker niet beschouwd als meer dan gewoon begaafd, het is voor hem heel helder, dat die god, die de gelovigen aanbidden, op geen andere plek bestaat dan alleen in hun eigen verbeelding en als ze er over praten hoeveel ze van hem houden, dan toont dat een bedenkelijke overeenkomst met henzelf.

Maar - als hij naar zichzelf kijkt, hij, die niet bidt en zich geen enkele god voorstelt - een zodanige voorstelling kan hoogstens je reinste godslastering worden - ja, dan vindt hij "bij god", dat hij zelf in de loop van de jaren een onafgebroken gebed is geworden!

 

Hij was daar als kind al naar op weg, dagelijks bad hij zijn Onzevader en vaak woordloze gebeden tot die god, die in de hemel boven de sterren woonde - en die onvermijdelijk dakloos moest worden, toen er geen verschil bleek te zijn tussen onder en boven de sterren.

 

Maar de gewoonte om in stille overpeinzingen te vervallen of zo maar wat voor zich uit te staren bleef in hem zitten – zelfs in die zeer immorele periode, waar hij zijn deel van heeft gehad, omdat hij absoluut "mee moest doen" met alles wat mogelijk was, ontdekte hij allerlei soorten leven in zichzelf. Wat voor nut heeft hij er van gehad, wanneer hij toch later het meeste weer verworpen heeft? Ja, waarschijnlijk heeft hij zich in elk geval eigen gemaakt om niet te snel te oordelen. Om redenen die zeer dicht aan zijn eigen ervaringen raken.

 

Maar die overpeinzingen - daar is de vakantie goed voor, men krijgt de tijd om zichzelf eens goed onder de loep te nemen ­net als een leerling die je irriteert, maar van wie je het toch, merkwaardig genoeg, niet laten kunt om hem te mogen, ­ die overpeinzingen - over wat? Ja, over iets "hogers", iets onbestemds, maar uiterst reëel, want je kunt het voelen, het geeft antwoord en vertroosting. Aan wat? Ja, dat zal dan wel ten opzichte van het bestaan zijn. - Jawel, maar dan niet ten opzichte van het deel dat men kan horen, zien, voelen en proeven, het "reële" dus, zoals men dat gewoonlijk noemt. Nee, maar vertrouwen ten opzichte van iets dat niet zichtbaar is, maar uiterst reëel is, dat men kan waarnemen, voelen, en dat voortdurend grotere levensvolheid geeft en een verlangen wekt naar nog meer van dat wonderbaarlijke, dat zo gewillig komt wanneer men het aanneemt als - als, ja, eerlijk gezegd, zo onschuldig en trouwhartig als een klein kind.

 

Als een klein kind! Dat heeft die merkwaardige Jezus, wiens woorden zo vaak in hem opgedoken zijn na de één of andere bijzonder rijke innerlijke ervaring, dus geweten. ­Waarschijnlijk heeft hij iets geweten wat de schriftgeleerden uit die tijd niet konden weten, omdat ze het via een weg zochten waarop ze het niet vonden - net zoals de geleerden in onze tijd doen. Er is veel te vinden via die weg. Maar niets van eeuwigheid. Van eeuwigheid! Ja, dat is het verlossende woord voor dat, wat steeds zijn aandacht vraagt. Maar geen eeuwigheid in de betekenis van eindeloze tijd. Het is een eeuwigheid die zich openbaart, zich meedeelt aan iemand op dit moment zelf! Men voelt, kent zijn eigen eeuwigheid. Dat hij daar vroeger nooit aan gedacht heeft! Maar dat is ook weer niet zo onbegrijpelijk, want het is niet iets wat je kunt denken, het is slechts iets wat je kunt beleven - en het daarna weten, omdat men het geworden is. In dat beleven is een voortdurend worden; en na ieder nieuw worden weet men meer - nadat het tot beleven is geworden. Het beleven, het weten, dat te weten en diegene zijn die het weet, zijn één en dezelfde eenheid.

 

Maar er is dus ook een weten van een heel andere soort dan het meer of mindere weten dat men heeft. Dat andere is een weten dat men is - en met onwrikbare zekerheid.

Zekerheid. En dat is ook wat hem belemmert de dood als eindpunt te zien! Omdat de mens een eeuwig wezen is - of hij het nu weet door" er in te geloven" of niet. Wat alleen maar tijdelijk is vergaat, en wat eeuwig is bestaat, omdat het is. Maar de tijd komt en gaat. ­

Hij ontdekt dat hij zelf is blijven staan en zet zijn wandeling naar Vesterbro voort.

 

 

ISBN 978 90 78500 05 6

Bestellen: arjanbos @ ankerlarsen.nl  (spaties rond @ weghalen)

 

Via de WEBSITE

 

 

De ontembare vrouw als archetype in mythen en verhalen

 

 

Clarissa Pinkola Estés
befaamd Jungiaans psychoanalytica en auteur

 

Over de auteur

 

 

* Beschrijving

 

In elke vrouw zit een krachtige drijfveer, vol goede instincten, gepassioneerde creativiteit en tijdloos weten. Dat is de Ontembare Vrouw, die de instinctieve natuur van vrouwen representeert. Maar zij is een bedreigde soort. Hoewel de gaven van een wilde natuur ons bij onze geboorte zijn toebedeeld, heeft de poging van de maatschappij om ons te 'civiliseren' naar een star rolpatroon de diepe, levengevende boodschappen van onze ziel gesmoord.

 

In De Ontembare Vrouw sprokkelde Clarissa Pinkola Estés, ervaren Jungiaans-analytisch therapeute en cantadora (bewaarder van oude verhalen), vele stokoude sprookjes, mythen en verhalen uit de hele wereld bijeen, die onze blik verscherpen en oude, in vergetelheid geraakte bronnen van kennis ontsluiten. Ieder verhaal - van 'La Loba, de Wolfsvrouw' tot 'Het meisje zonder handen' - wordt meeslepend naverteld en vervolgens haarscherp ontleed.


Een gezonde vrouw heeft veel weg van een wolf: zij is robuust, vol levenskracht, levenschenkend, zich bewust van haar territorium, inventief, loyaal, zwervend. Maar raakt een vrouw gescheiden van de wilde natuur, dan wordt haar persoonlijkheid schraal, zwak, schimmig en spookachtig. Als het leven van een vrouw wordt gekenmerkt door stagnatie en verveling, is het de hoogste tijd dat de wilde vrouw te voorschijn komt, dat de scheppende functie van de psyche de delta bevloeit. De verhalen in dit boek zijn gekozen om vrouwen moed te geven. De Ontembare Vrouw is niet voor niets symbool van het lichamelijk welzijn van alle vrouwen; zonder haar heeft de psychologie van vrouwen geen grond. Deze 'wilde' vrouw is de oervrouw - ze verandert niet, ongeacht de cultuur, het tijdperk, de politiek. Ze is wat ze is, en ze is volmaakt.

 

 

* Uittreksel op de sprookjespagina

 

* Bestellen bij bolcom

 

De ontembare vrouw als archetype in mythen en verhalen
De ontembare vrouw als archetype in mythen en verhalen
C.P. Estes

 



De pelgrimstocht naar Santiago


Paulo Coelho

De pelgrimstocht naar Santiago
De pelgrimstocht naar Santiago
Paulo Coelho

 

 

Flaptekst:

 

Deze roman verhaalt over een pelgrimage naar Santiago de Compostela. Een man is op zoek naar zijn zwaard, het ereteken en magische symbool dat hem werd onthouden in het genootschap waarvan hij lid is. Alvorens het in ontvangst te kunnen nemen moet hij bewijzen dat hij het waard is. Wat volgt is een ontdekkingstocht naar zijn eigen falen en redding, een louterende reis naar zelfbewustzijn, zelfontdekking en ten slotte zelfverwerkelijking. Zijn weg voert niet alleen langs de Jakobsroute, maar ook dwars door de Bijbel, met name de brieven van Paulus. Aldus legt Coelho in dit boek de verbinding tussen het mystieke, het magische en het christelijke geloof, en verzoent hij esoterie en religie tot een eigentijdse levensleer.

 

Uittreksel:

 

De eigen ondeugden

 

We bevonden ons in een immens vlak korenveld dat zich zo ver het oog reikte over de hele breedte uitstrekte. Het enige wat de saaiheid van het landschap brak was een middeleeuw­se zuil met een kruis erop, een wegwijzer voor de pelgrims. Toen Petrus bij de zuil aankwam, zette hij zijn rugzak op de grond en knielde neer. Hij vroeg mij hetzelfde te doen.

'We gaan bidden. We gaan bidden voor het enige wat je als pelgrim kan verslaan wanneer je je zwaard hebt gevon­den: je eigen ondeugden. Hoe goed de Grote Meesters je ook leren om te gaan met het zwaard, een van je handen zal altijd je grootste vijand blijven. Laat ons bidden opdat je je zwaard, wanneer je het vindt, altijd in de hand houdt die je niet te schande maakt.'

 

Het was twee uur 's middags en in de totale stilte die heerste, bad Petrus:

Heb medelijden, Heer, want wij zijn pelgrims op weg naar Compostela, en dat kan een ondeugd zijn. Zorg in Uw eindeloze barmhartigheid dat wij onze kennis nooit tegen onszelf zullen richten.

 

Heb medelijden met hen die vol zelfmedelijden zitten en klagen over de onrechtvaardigheid van het leven, omdat ze de dingen die hun overkomen zijn niet verdiend hebben - want zij zullen nooit in staat zijn om de goede strijd te strij­den. Maar heb ook medelijden met hen die wreed zijn voor zichzelf en alleen maar het slechte in hun eigen daden zien, en zich schuldig achten aan al het onrecht op aarde. Want zij kennen niet Uw wet die zegt: "Zelfs de haren op uw hoofd zijn geteld."

 

Heb medelijden met hen die zich afbeulen tijdens lange werkdagen en zich opofferen in ruil voor een zondag waarop alles dicht is en ze nergens heen kunnen. Maar heb ook medelijden met hen voor wie werken heilig is en die de grenzen van hun eigen gekte overschrijden, en die ten slotte verafgood worden of aan het kruis genageld door hun eigen broeders. Want zij kennen niet Uw wet die zegt: "Weest dus omzichtig als slangen en argeloos als duiven."

 

Heb medelijden met hen die het durven opnemen tegen de hele wereld en de goede strijd met zichzelf niet voeren. Maar heb ook medelijden met hen die de goede strijd met zichzelf gewonnen hebben, en thans op de straathoeken en in de kroegen van het leven hangen, omdat ze de wereld niet aankonden. Want zij kennen niet Uw wet die zegt: "Wie deze woorden van mij hoort en ernaar handelt, kan men ver­gelijken met een verstandig man die zijn huis op rotsgrond bouwde."

 

Heb medelijden met hen die bang zijn pen, penseel, muziekinstrument of gereedschap op te pakken, omdat ze menen dat anderen het veel beter kunnen en ze zich niet waardig achten om binnen te treden in het prachtige huis van de kunst. Maar heb nog meer medelijden met hen die onbevangen pen, penseel, instrument en gereedschap ter hand nemen, hun prutswerk kunst noemen en zich beter wanen dan de rest. Zij kennen niet Uw wet die zegt: "Niets is verborgen wat niet openbaar gemaakt, niets geheim wat niet bekend zal worden en aan het licht zal komen."

 

Heb medelijden met hen die overvloedig eten en drinken, maar ongelukkig en eenzaam zijn in hun overvloed. Maar heb nog meer medelijden met hen die vasten, laken en ver­bieden, die zich heiligen wanen en Uw naam prediken in de straten. Want zij kennen niet Uw wet die zegt: "Als ik over mijzelf getuig, heeft mijn getuigenis geen waarde."

 

Heb medelijden met hen die bang zijn voor de dood en niet de vele koninkrijken kennen die ze reeds achter zich hebben en de vele doden die ze reeds gestorven zijn, en die zich ongelukkig voelen omdat ze denken dat er ooit een eind aan alles komt. Maar heb nog meer medelijden met hen die hun vele doden kennen en zich thans onsterfelijk wanen, want zij kennen niet Uw wet die zegt: "Als iemand niet we­dergeboren wordt, kan hij het rijk Gods niet zien."

 

Heb medelijden met hen die zichzelf binden met de zij­den boeien van de liefde, die zich heer en meester over ie­mand wanen en sterven van jaloezie, die zichzelf vergiftigen en zich kwellen omdat ze niet in staat zijn te zien dat liefde zo veranderlijk is als de wind. Maar heb nog meer medelij­den met hen die doodsbang zijn om te beminnen en de liefde verwerpen in naam van een grotere liefde die ze niet kennen, want zij kennen niet Uw wet die zegt: "Wie van dit water drinkt, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer."

 

Heb medelijden met hen die de kosmos herleiden tot een verklaring, God tot een toverdrank en de mens tot een we­zen met elementaire behoeften die bevredigd moeten wor­den, want die zullen nooit de harmonie der sferen horen. Maar heb nog meer medelijden met hen die blind geloven en in hun laboratoria kwik veranderen in goud, en omringd worden door boeken over de geheimen van het tarot en de macht der piramiden. Want zij kennen niet Uw wet die zegt: "Het rijk der hemelen behoort aan de kinderen."

 

Heb medelijden met hen die alleen zichzelf zien, voor wie de anderen een vaag decor zijn wanneer ze in hun sleeën door de straten rijden en zich opsluiten in hun aircondi­tioned kantoren en penthouses, waar ze in stilte lijden onder de eenzaamheid van de macht. Maar heb eveneens medelij­den met hen die aan iedereen met gulle hand geven en het kwaad pogen te overwinnen met enkel liefde, want zij ken­nen niet Uw wet die zegt: "Wie geen zwaard bezit, verkope zijn mantel en schaffe er zich een aan."

 

Heb medelijden, Heer, met ons die het zwaard dat U beloofd hebt zoeken en durven op te pakken, wij die een heilige en zondige groep zijn, verspreid over de aarde. Want wij kennen onszelf niet, we denken dat we gekleed zijn en in feite zijn we naakt, denken dat we een misdaad hebben begaan en in feite hebben we iemand gered. Vergeet in Uw medelijden met ons allen niet dat wij het zwaard vasthouden met een hand die tegelijkertijd de hand van een engel en die van een duivel is. Want wij zijn en blijven mensen en hebben U nodig. Wij zullen altijd Uw wet nodig hebben die zegt: "Toen ik u uitzond zonder beurs, reiszak of schoeisel, hadt ge nergens gebrek aan.'"

 

Petrus hield op met bidden. Het was opnieuw doodstil. Hij staarde naar het korenveld om ons heen.

 

Citaten uit het boek:

 

  • Er bestaan geen uitverkorenen. Alle mensen zijn uitverkoren, als ze, in plaats van zich aft e vragen ‘wat doe ik hier’, ervoor kiezen iets te doen wat geestdrift wekt in hun hart. Dáár, in die geestdrift, ligt de poort van het paradijs.

  • De wil en de bereidheid om het leven als een wonder te beschouwen maken dat er wonderen gebeuren, en niet de zogenaamde ‘geheime rituelen’.

  • Je hoeft een berg niet te beklimmen om te weten dat hij hoog is.
  • Het schip is het veiligst wanneer het in de haven ligt, maar daarvoor zijn schepen niet gebouwd.

  • Jij gelooft dat God bestaat, en dat geloof ik ook. Dus God bestaat voor ons. Maar als iemand niet in Hem gelooft, houdt Hij niet op te bestaan. (…) In de prehistorie school God in regen, storm en onweer; toen de mens ontdekte dat dit natuurverschijnselen waren, verhuisde Hij naar dieren en heilige bossen. Er is een tijd geweest dat Hij alleen maar bestond in de catacomben van de grote steden uit de klassieke oudheid. Maar al die tijd leefde Hij in de vorm van liefde in het hart van de mens.

  • God is geen wraak, God is liefde. Zijn enige straf is iemand die een werk van liefde heeft onderbroken te verplichten dat voort te zetten.

  • Je mag nooit ophouden met dromen. De droom is het voedsel van de ziel, zoals eten het voedsel van je lichaam is. Vaak spatten je dromen uiteen en draaien je wensen op niets uit, maar toch moet je doorgaan met dromen, anders sterft je ziel.

  • Van alle manieren die de mens heeft uitgevonden om zichzelf pijn te doen, is de liefde de ergste. We lijden altijd omwille van iemand die niet van ons houdt, of iemand die ons heeft verlaten, of iemand die juist niet weg wil. Als we alleen zijn is dat omdat niemand om ons geeft, als we getrouwd zijn veranderen we het huwelijk in slavernij.

  • Toen de Zoon van God neerdaalde op aarde, bracht Hij de liefde. Maar omdat de mens liefde altijd verbindt met lijden en opoffering, werd Hij aan het kruis genageld. Anders zou niemand in Zijn liefde geloofd hebben, want de mensen zijn niets anders gewend dan dag in dag uit te lijden onder hun eigen hartstocht

    Een dichter heeft ooit gezegd dat niemand een eiland is. Om de goede strijd te strijden hebben we hulp nodig. We hebben vrienden nodig, en als onze vrienden niet in de buurt zijn, moeten we van de eenzaamheid ons belangrijkste wapen maken. Alles om ons heen moet ons helpen de nood­zakelijke stappen te zetten om bij ons doel te komen. Alles moet een persoonlijke uiting zijn van onze wil om de goede strijd te strijden. Als we dat niet snappen, als we niet inzien dat we alles en iedereen nodig hebben, worden we arrogante strijders. En die arrogantie zal ons uiteindelijk de das om­doen, omdat we zo zelfverzekerd worden dat we de valkuilen op het slagveld niet zien.'
     

 

De tocht naar morgen.

 

Doris Heinemann


Flapteksten:

Doris Heinemann
is er in de grootse epische trilogie De tocht naar morgen in geslaagd de wonderlijke wereld van de Koningin en Haar helpers, het onderaardse rijk van de Vorst en het ruige bergrijk van de Grote Gemach­tigde kleurrijk en overtuigend zowel voor jongeren als volwassenen tot leven te wekken. De voortdurende tegenstelling tussen licht en donker begeleidt de soms harde, maar steeds rechtvaardige strijd van de Koningin en Haar medestanders naar een climax, die de kiem voor een betere toekomst voor de meeste betrokkenen in zich draagt.

 

De tocht naar morgen

Vanuit kasteel Nazonsopgang over­straalt de prinses met de Gouden Roos het gelukkige en vredige rijk van koning Sudon. Op enkele uitzonde­ringen na zien alleen kinderen het gouden wonder van de prinses. Toch weet heel het volk dat deze grote schat afkomstig is van een Koningin, die niemand ooit heeft gezien.

Als er een oorlog uitbreekt, trekt de prinses met de Gouden Roos met Pandon en enkele kinderen door een onderaardse tunnel naar het land van de Koningin. Daar worden de kin­deren voor de keus gesteld: terug naar huis en dan Pandon in de IJzeren Berg laten opsluiten of zeven jaar de Koningin dienen. De kinderen kiezen het laatste en beginnen hun leven op Nooit Volmaakt.

 

De macht van de Roos

leder voor zich proberen zowel de Grote Gemachtigde en meester van de IJzeren Berg als de Vorst en het Vuurhoofd zoveel mogelijk voordeel uit hun bondgenootschap te halen.

Het Vuurhoofd slaagt erin zijn grote bedrog tot stand te brengen en de kinderen van Nooit Volmaakt te ver­plaatsen naar Volmaakt, waar niets is wat het lijkt. Een van de kinderen is inmiddels door de Koningin naar het glazen kasteel gehaald om daar het werk van Pandon voort te zetten, die zelf met Rodan voor een grote taak naar de IJzeren Berg is gegaan.

 

Het zwaard van de Koningin

Met de kinderen, Pandon en Rodan voert de Koningin een ongewone, uitgekiende strijd tegen Haar vijanden. Een van hen heeft Zij als helper weten aan te trekken. Met zijn ongewone vermogens legt hij zijn tegenstanders het vuur aan de schenen.

Maar de Grote Gemachtigde heeft al jarenlang zijn overwinning op de Koningin en Haar helpers voorbereid. Samen met de Vorst, die over zeer vooruitstrevende verworvenheden beschikt, slaat hij telkens terug en de onbesmetten krijgen het in het be­schermde gebied van de Koningin zwaar te verduren.

De ware toedracht van de zevenjarige strijd blijft tot het laatste moment van dit intrigerende epos een verrassing.

 

Uittreksels:  

     

De Tocht naar Morgen.

Vroeger waren de tijden woelig geweest, maar sinds koning Sudon het rijk regeerde heerste er vrede. Zijn gezanten waren in de buurlanden graag geziene en goede diplomaten en hij had geen vijandige overvallen te vrezen. Zelf was hij niet geïnteresseerd in veroveringen: zijn aanspraak op macht beperkte zich tot zijn eigen rijk.

Dat koning Sudon ondanks zijn conservatisme niet achterliep, bewezen de drukkerij en de bibliotheek in de vesting. Dit was het werk van enkele priesters, die twintig jaar geleden, vervolgd om hun geloof, uit hun eigen land gevlucht waren, en aan wie koning Sudon het recht had verleend om zich in het rijk te vestigen en een vergunning om overal scholen op te richten. Jong en oud had leren schrijven en lezen en de boekenuitleen floreerde.

Het was dus altijd druk en heel levendig in de vesting, maar het ware hart van het rijk vormde het kleine kasteel Nazonsopgang. Het stond op de zuidelijke hellingen van de wijngaarden en stak zijn ene torentje als een sierlijke vinger de lucht in.

De uitgestrekte tuinen rond het kasteel waren de mooiste in heel het rijk en, volgens de mensen die veel gereisd hadden, ook ver daarbuiten. In de tuinen bloeiden niet alleen het hele jaar de zeldzaamste en prachtigste bloemen, maar er floten ook de wonderlijkste vogels de wonderlijkste liederen. Wie in de tuinen vertoefde en luisterde, leerde meer wijsheid dan in alle boeken stond. De tuinen werden onder­houden door de prinses met de Gouden Roos en door de kinderen, die er altijd waren. Hun zingen en lachen was soms tot in de vesting te horen.

Alle poorten naar de tuinen stonden onbewaakt en wagenwijd open. Door het land trekkende reizigers, nieuwsgierig geworden door alle verhalen, maakten graag gebruik van het feit dat iedereen vrijelijk de prachtige tuinen mocht binnenlopen. Maar een prinses met een Gouden Roos zagen ze nooit. Klein en tenger als ze was, altijd omringd door kinderen, viel ze niemand op. Er werd dan ook beweerd dat de prinses met de Gouden Roos een mooi sprookje was, dat de kinderen hadden verzonnen. De kinderen lachten nooit over de ongelovige vreemdelingen: zij wisten dat geen enkele volwassene de Gouden Roos zag.

Maar tijdens hun kinderjaren hadden velen, die nu volwassen waren, met de kleine prinses in haar tuinen gespeeld en het gouden wonder op haar borst gezien. En met hun herinneringen daaraan wandelden ze nu in de sporen van het verleden door de tuinen van Nazonsopgang, die hun nog een vage glans van het eens aanschouwde schonken.

Ook de koning, die de Roos van zijn rijk natuurlijk wel zag, vertoefde graag in Nazonsopgang, als zijn druk bezette leven dat toeliet. Prinses Edfeïl bezocht hem nooit op de burcht; zij mocht haar tuinen niet verlaten. Maar ze kwam nooit in opstand tegen dit verbod van de koning. Haar dagen waren gevuld met de liefde voor de kinderen, die in de tuinen van Nazonsopgang speelden. In de glans van haar Gouden Roos leerde zij de kinderen spelenderwijs de geheimen van het bestaan. De prinses was de parel in 's konings kroon, een zeldzaam juweel, dat hem en zijn rijk gegeven was en waarover hij jaloers waakte. Niemand van zijn onderdanen wist er het fijne van. De meesten herinnerden zich niet eens meer de dag dat er een koningin op de burcht was geweest, want niemand had haar toen gezien. Wel had de burcht tijdens haar korte verblijf gestraald als een zon. En sindsdien was er de prinses, die met haar geheime glans het rijk overstraalde; niemand vroeg om een koningin of miste er een.

Koning Sudons onderdanen hadden een goed leven in het mooie rijk, en zorgeloos als ze waren, dachten ze dat het altijd zo zou blijven.

 

 

De Macht van de Roos.
Met het Vuurhoofd in haar nabijheid kon ze de Gouden Roos niet zien

als ze haar ogen dichtdeed. Dat lukte pas weer als hij vertrokken was. In haar dromen zag ze de Roos heel stralend, zij het klein en ver weg. Zij was voor Ana, die weer alleen stond met haar weten, de enige troost en houvast, waarmee ze het opnam tegen alle leugens waardoor zij en de anderen omringd waren. Ze deed dit niet met beweringen, die alleen een vernietigende reactie opgeroepen zouden hebben, maar met haar vertrouwen in de kracht van de Gouden Roos. Die kracht was sterk genoeg om te kunnen verdragen wat er door de gaatjes van haar bescherming binnendrong, zelfs als het Vuurhoofd er niet was.

Ana was zich nu ten volle bewust van de wisselwerking die hij opgeroepen had om haar in zijn macht te krijgen. Hij stond er nooit bij stil waarom hij zich in Ana's nabijheid zo wel en onbezwaard voelde en schreef dat toe aan haar aandoenlijkheid, die geen van de anderen voor hem had. Want hoe moeilijk Ana's positie ook was, er ging iets van haar uit, waar hij zich in kon koesteren en wat hem zelfs een beetje warmte schonk. Op avonden waarop er eens geen feest gevierd werd en hij naar Volmaakt kwam om over de gang van zaken te vertellen ­helaas erg moeilijk allemaal, deed hij even onduidelijk als spijtig ­stuurde hij het gesprek steeds in een bepaalde richting. Ana, die anders niet veel zei, kwam aan zijn wens tegemoet en vertelde wat ook de anderen graag wilden horen. Omdat haar herinnering eraan nog heel levendig en stralend was, kregen haar verhalen over de prinses met de Gouden Roos, Nazonsopgang en de mooie tuinen een geheime glans, die het Vuurhoofd hongerig naar meer maakten. Zijn verlangen naar de Gouden Roos werd dan zo intens, dat zijn geurende parfums overstemd werden door een bijtend brandlucht je. De anderen waren zo gewend geraakt aan die geur, dat het hun niet eens opviel.

Ana wist wat er in het binnenste van het Vuurhoofd omging, omdat zij het zelf ook voelde. Dat hij uit een schrijnend gebrek loog en bedroog en hen wilde gebruiken om aan de Gouden Roos te komen, die zijn gebrek kon genezen, was voor Ana geen reden hem te veroordelen. Ze wist dat hij juist door zijn gebrek niet anders kon handelen. Hoewel zij door zijn gemis, dat van hem op haar overging, diep gekwetst werd, bleef een stralend plekje in haar binnenste ongedeerd. Wat daarvan uitging was datgene wat het Vuurhoofd aantrok en als een weldaad onderging. Als een klein, behoedzaam vingertje begon het het litteken op zijn borst af te tasten en een opening te zoeken.

Ana, zich bewust van dit stille werk waar hij niets van merkte, overwon haar aanvankelijke angst, dat zij niet tegen het Vuurhoofd met al zijn macht, zijn arrogante trots en zijn koude schittering opgewassen was. In een uur van stille verlichting was ze zich ervan bewust geworden, hoe oneindig rijk zij met die kleine, stralende glans in haar binnenste was en dat die alles genezende warmte zich uitbreidde, naarmate ze kon uitstromen. Ana groeide niet zonder pijnlijke ervaringen in haar moeilijke taak. Maar nu ze de innerlijke krachtbron ontdekt had die elke vorm van eenzaamheid tot een leugen maakte, had ze een stevig houvast, waaraan ze zich na elke klap weer kon optrekken. Net als Pandon vroeger kreeg ze iets stralends over zich, waardoor niet alleen het Vuurhoofd zich aangetrokken voelde.

De bedienden hielden graag een vertrouwelijk praatje met haar en waar ze geweest was, liet ze een wolkje van behagen achter. De schepsels van het Vuurhoofd waren wel wat beducht voor dat meisje met de voor hen niet erg aangename uitstraling, maar werden anderzijds gecharmeerd door haar aandoenlijke uiterlijk. Het Vuurhoofd zonde zich in Ana's succes bij zijn schepsels en schreef het toe aan zijn invloed op haar. Haar toegeeflijkheid tegenover hem maakte hem even zeker als blind. Hij waande Ana geheel in zijn ban en verbeeldde zich dat zij straalde omdat hij straalde. Wat er werkelijk gaande was tussen hen ontging hem volslagen. Misschien was hem dat niet overkomen, als hij minder zorgen, die hem afleidden, aan zijn mooie hoofd had gehad.

 

Het Zwaard van de Koningin (volgt nog)


 

 

 

 

 

EEN LICHTSTRAAL VAN DE ZON

Anne en Daniel Meurois-Givaudan

ISBN 90-202-8109-7

De royalty’s van dit boek worden integraal overgemaakt aan een of meerdere organisaties waarvan de doelstelling is om vrede te bewerkstellingen in de wereld en om het licht te verspreiden.

 

 

Op de achterkant:

Een stem vertelt het echtpaar Meurois dat ze naar Syrië moe­ten afreizen. Ze weten niet wat de bedoeling is, maar geven er gehoor aan. In hun hotelkamer in Damascus krijgen ze al meteen het antwoord: een wezen van licht verschijnt aan hen; zijn stem zullen ze de komende weken blijven horen. Zijn eenvoudige boodschap is er een van liefde, alles moet nieuw worden, vooral geen strijd of oorlog, laat het hart spreken.

Hij noemt zichzelf slechts 'een lichtstraal van de zon'. Hij was de Jezus die gekruisigd werd onder Pilatus. Christus sprak, handelde toen door hem, maar zijn (huidige) persoonlijkheid verschilt wel van Christus. Als hij het over Jezus/Christus heeft, gebruikt hij hoofdletters; voor zichzelf volstaat hij met

kleine letters.  

In het boek komt hij uitgebreid zelf aan het woord; de Meu­rois voegen hooguit korte inleidende of toelichtende alinea's toe. Het boek gaat over de situatie in onze huidige wereld en over een spiritualiteit die de tegenstelling goed/kwaad, licht/duister overstijgt. Het benadrukt: leef vanuit het hart, vanuit echte liefde; neem je eigen verantwoordelijkheid, maak werkelijke keuzen en laat de goddelijke vonk in je opvlam­men. Dan blijft er hoop voor aarde en mensheid.

 

 

UITTREKSEL
De valkuil van emoties

'Liefde. Liefde ... Ik wil liefhebben, zeggen de mannen en de vrouwen van deze Aarde, maar terwijl ze deze woorden uitspreken, spreken ze over een wereld die ze nog niet kennen en de emotie die ze verwoorden, drijft stuurloos in hen ...'

 

Vijf minuten voor half tien 's avonds; in een kleine, misselijkmakende kamer van hotel S. komt de warme stem opnieuw tot ons. Krachtig en zacht dempt ze de scherpe geluiden van de kruidenmarkt, waarvan alleen de geuren nog even koppig blijven hangen, vermengd met de geur van een kolenvuurtje. Achter de muur van deze kamer is alles opnieuw een en allicht. Niets is nog van belang behalve de stem die zich in ons vastzet.

 

'Liefde ... Wat betekent dit woord, vrienden? Is het al­leen maar een woord? Sommigen zullen zeggen: het is een concept. Maar een concept is niets anders dan een gedachte, iets in het bewustzijn wat maar al te vaak vaag blijft, een soort kiem die men zo zelden de ruimte geeft om te ontspruiten. Zelfs met de kracht die van het hart uitgaat, begrijpt de mensheid over het algemeen niet wat liefde is.

De mensheid kent de impuls die de naam liefde draagt, ze kent een gevoel dat erop lijkt en dat de vrucht is van emoties. Daarom wil ik het nu hebben over de wereld van jullie emoties. Emoties zijn een van de remmen bij het bereiken van je doel. Vergelijk ze met make-up die over diepe waarheden is uitgesmeerd of met de tover­staf van een fantastische dirigent.

De meesten onder jullie stellen zich voor dat gedachten in de hersenen zetelen, anderen situeren de bron ervan liever in de hartstreek. De waarheid is anders. Er is geen absolute plek voor gedachten, net zomin als er een is voor alles wat de ziel ervaart. Elk orgaan en elk li­chaamsdeel kunnen het bevoorrechte netwerk worden van de uitingen van de persoonlijkheid en het bewust­zijn. Elk onderdeel van ons wezen laat zichzelf groeien op en kan zich verregaand specialiseren afhankelijk van de noden van het leven en van het temperament waardoor het gestuurd wordt. Jullie mensen hebben het vermogen om te denken, te voelen, lief te hebben of niet lief te hebben met je hoofd, met je hart, maar ook met je buik, met je ingewanden.

Komt dit verrassend over? Wekt dit een glimlach op? Toch moet je daar geen beeldspraak in zien, maar een werkelijkheid in de volle betekenis van het woord. De zetel van de emotionele werkelijkheid bevindt zich in die gevoelige zone tussen maag en navel. Jullie noemen dit centrum zonnevlecht, manipura chakra of astrale chakra. Het is inmiddels zo sterk ontwikkeld bij de meerderheid van de mensen, dat we gerust kunnen be­vestigen dat het hun belangrijkste motor is.

Wat ik jullie wil zeggen, vrienden, is dat de mensheid in eerste instantie nog altijd leeft op en zich uitdrukt via de krachtstroom van emoties.

Emotie, zoals je haar in deze context moet bekijken, gaat uit van de lagere persoonlijkheid. Het is een helio­centrische, egocentrische macht die zich aan ieder op­dringt als een instinct. Het betreft wel degelijk een in­stinctieve, zeer dierlijke energie. Deze energie houdt de persoonlijkheid, door wie ze wordt uitgezonden, voor een zon. Een zon die een heel universum voortbrengt en aan wie alles verschuldigd is. Als instinctief mecha­nisme is emotie te vergelijken met een weten, maar dan een weten gewijd aan de primaire krachten van de natuur, aan de krachten van voortplanting en zelfbe­scherming. Zuiver bekeken zijn dergelijke energieën geen vijanden van het leven; ze vertegenwoordigen noodzakelijke niveaus, fases waarin de lagere geïncar­neerde persoonlijkheid leert om een samenhangende vorm te ontwikkelen.

Dat je de emotionele realiteit moet beschouwen als niets anders dan een tijdelijk stadium van het leven in haar onderzoek naar zichzelf, is het enige probleem voor de mens. Ik zeg jullie: de mens moet nu reageren om boven de kronkels van zijn zonnevlecht uit te ko­men. Maar het feit dat hij maar al te vaak wegzakt in het drijfzand van zijn kleine persoonlijkheid vormt een van de hindernissen om die stap vooruit te zetten. Het complete ego lijkt op een moeras waarvan de emoties de troebele wateren vormen.

Misschien, vrienden, zullen jullie nu zeggen dat er ook mooie emoties zijn die de menselijke ziel verheffen en dat ieder die ze ervaart zich gelukkig mag prijzen als ze zich aandienen. Maar die energieën komen voort uit ge­voelens die vanzelf opwellen uit een directe band met de Geest van de Liefde. Begrijp goed dat ik met emoties iets anders bedoel. De dierlijke emotie lijkt op een springveer die de mens als geïncarneerd wezen slechts met moeite bedwingt. Emotie is synoniem voor een soort hartklopping van het beperkte bewustzijn, een ritme dat vaak heel handig is en schaduw makkelijk als licht vermomt, zwakheid als kracht, ongelijkheid als rechtvaardigheid. Vrienden van de Aarde, hoeveel oncontroleerbare ritmes zijn er niet ingeprent in je lijf! Ze tooien zich met de nobelheid van een groot gevoel, terwijl waarachtige gevoelens geboren worden uit ver­smelting met het Al en zelden voorkomen in het hart van mensen. Emoties daarentegen zijn als legertroepen die worden voortbewogen door een ander ideaal dan het ideaal dat ze uitdragen.

In feite verbergen ze een automatisch streven om het ik-gerichte bewustzijn te roemen en te bestendigen.

Wat betekent het dus meestal als de mens het heeft over houden van? Dat iets in hem de indruk wekt te ge­ven vanuit de geheime hoop en de sterke behoefte om een beloning te ontvangen. Hij wil iets krijgen waar­door zijn opvatting van het leven bevestigd wordt. Emo­tionele liefde heeft veel weg van een handeltje. In zijn energetische vorm bevindt het emotionele lichaam zich in het fysieke lichaam; het beweegt zich tussen je be­wustzijn en je materiële organisme en zorgt episodisch voor herhalingen. Je kunt het vergelijken met een af­grond die het waarachtige potentieel van het leven op­zuigt. Het emotionele lichaam is een deel van je ego, het is een tiran met onlesbare dorst.

De weg die naar mijn Vader voert, eist dat je dit er­kent. De sfeer van de emoties en van de ik-gerichte im­pulsen spelen een sleutelrol op de weg naar hereniging met het goddelijke. In eerste instantie moet ieder van jullie dit feit erkennen als een werkelijkheid; pas dan kun je er een helder inzicht in krijgen en kun je een groot deel van de hindernissen wegruimen die deze sfeer zo zwaar maken, zo breekbaar en vaak ook zo on­handig.

Een dergelijk feit als realiteit erkennen, betekent vóór alles dat je toegeeft dat het hier een concrete kracht be­treft die verder reikt dan een metafysische of zelfs een psychologische realiteit. Vrienden, ik wil jullie op het volgende wijzen: de mens kan genieten van filosofische concepten. Maar daarbij gaat het toch altijd om een spel van het ego dat geniet van zijn intellectuele kracht.

Het emotionele lichaam is geen "idee" in de betekenis die jullie aan dat woord hechten. Er is een hemelsbreed verschil tussen het bestaan ervan erkennen en het be­staan ervan met alle gevolgen van dien in jezelf voelen. Heel wat mensen die zich met esoterie inlaten of die be­weren dat ze "op weg zijn", hebben dat immense ver­schil niet begrepen.

Jullie lijken op duikers die het gebrek aan zuurstof niet meer aankunnen maar die niet echt iets ondernemen om uit hun moeilijke situatie te komen. Jullie verliezen je in een oceaan van emoties die ondanks de verstik­king vaak zo aantrekkelijk is dat jullie bang zijn een deel van jezelf te verliezen als je naar de oppervlakte zwemt. En toch moeten jullie naar boven komen om je te ontdoen van alle valse voorwendselen. Mensen die de keuze maakten om zich te laten doordringen door de lessen van het hart, vinden deze beeldspraak misschien vervelend. Maar om een raderwerk uit elkaar te halen en er de nutteloosheid van toe te geven, moet je op zijn minst in grote lijnen de werking ervan begrijpen. Doe je dit niet, dan loop je het risico dat je het raderwerk al­leen maar afbreekt en dat je het beeld in stand houdt van een vijand en een voortdurende innerlijke belege­ring.

Maar net zoals je geen oorlog moet voeren tegen je to­meloze fysieke honger, zo moet je evenmin je emotione­le eetlust aanvallen. Om te beginnen moet je die met een vredevolle blik bekijken, want als hij in je leeft, is dat ook omdat de eeuwige kracht heeft toegestaan dat hij zich manifesteert. Als liefde je doel is en niet rebel­lie, zie emoties dan niet als de despoten die ze ogen­schijnlijk zijn, maar zie ze als simpele en echte bakens, als elementen van het landschap van je ziel die leert.

Vanuit die innerlijke zekerheid kijk je als een toeschouwer naar het decor dat jou zo graag wil laten geloven dat jij het decor bent.

Het licht dat jullie zoeken, vrienden, kun je zeker niet plukken op de hoge toppen van de passie. Maar door je ziel te observeren, begeef je je niet op het slagveld dat ze je vaak aanbiedt. Deze houding is zeker niet passief; zoals ik het voorstel, vormt ze de basis om je leven van nodeloos drama te ontdoen. Die instelling is niet koud of onverschillig, ze lijkt op een vuurtje dat knispert van vertrouwen.

Als alles in je op vloedgolven lijkt en op aardbevingen, ga dan zitten, want dan kun je beter beschouwen wat er beweegt en voortgaat; kijk ook hoe het beweegt en voortgaat. Altijd zul je angsten ontdekken die op niets zijn gebaseerd maar die wel subtiele verdedigingsre­flexen in werking zetten.

Van jullie wordt waarachtigheid gevraagd, een werk dat authentiek is en vreugdevol, want ik zeg jullie: zon­der vreugde kun je de terugkeer naar de bronnen niet aanvatten. Jezelf leren ontdekken en je ontdoen van ij­dele opsmuk mag geen zware arbeid zijn. Het is een taak die je in vervoering brengt. Een diamant krijgt toch ook zijn schoonheid als hij uit het ruwe gesteente is gehakt en gepolijst wordt tot hij schittert?

Ik kan niet genoeg herhalen: neem de moeite en de tijd om aan de rand van je weg te gaan zitten en wend je tot mijn Vader opdat hij je vreugde zal sturen. De vreugde die ik oproep is zeker geen emotie; zij is een van de wortels van de schepping. Die vreugde is enthousiast omdat ze eindelijk jullie leidraad terug wil en terug kan vinden. Zie in haar een van de krachten waar het zo erg aan ontbreekt in jullie wereld. Jullie wereld gaat slapen ... Maar dat jullie op dit moment mijn stem ho­ren is het teken dat er in jullie en in wat jullie omringt al een andere wereld bestaat die ontwaakt en opstaat ... Eerlijk gezegd, in alle eeuwigheid zal vreugde de lichtbundel zijn voor hen die weten te luisteren. De herontdekking van de vreugde is niets anders dan de verzoening van de persoonlijkheid met het immanente Bewustzijn.

Als je het geheel aan emoties met vreugde bekijkt, dat wil zeggen: met een echte kracht die vol vertrouwen is, open en kalm, dan kom je vanzelf bij de vraag naar het waarom van deze wereld, want je moet er niet aan twij­felen dat alles, hoe tijdelijk en vluchtig ook, een precie­ze functie heeft in de schepping.

De bloem die uit het emotionele lichaam van de mens­heid geboren moest worden, heet fijngevoeligheid. Ze begint nu te ontluiken in een vorm die je op geen enke­le andere plek van onze Melkweg tegenkomt. De ro­manliteratuur van jullie beschavingen heeft in haar ge­heel een niet te verwaarlozen rol gespeeld in de uitein­delijke voltooiing van dit vermogen om te ervaren wat gevoeligheid is.

Maar de bloem in kwestie is in zoverre heel bijzonder, dat ze met duizend voorzorgsmaatregelen gedoseerd moet worden toegediend, wil ze, net zoals met sommige geneeskrachtige bloemen het geval is, haar opbouwen­de werk kunnen verrichten. Het vermogen om te voelen kan een immense scheppende kracht voortbrengen en kan medeleven doen ontkiemen, maar kan ook het werktuig worden waarmee de ziel zichzelf vergiftigt.

Het geschenk dat mijn Vader aan deze levensgolf gaf, bevindt zich grotendeels in het specifieke karakter van het ego, de onontkoombare vrucht van de vrije wil. Vrienden, broeders, zo bekeken zijn jullie problemen vóór alles de stenen waarmee je je wezen opbouwt, al lijken ze hindernissen uit het drijfzand van de ziel.

Door dat te erkennen heb je een tegengif tegen het sub­tiele venijn van de emoties en kun je eindelijk het web ontwarren van een drama dat je niet langer in stand hoeft te houden.

Ik zeg jullie: bekijk hindernissen zoals je zou kijken naar een karavaan die in de verte voorbijtrekt. Hoe meer je op die manier in jezelf kijkt, des te meer zul je leren houden van het leven dat je geboden wordt omdat je je niet meer identificeert met dat wat in je innerlijke centrum moeilijkheden ondervindt.

Datgene waarvan je denkt dat jij het bent, is simpelweg een scherm waarop je ik-gerichte ziel haar illusies pro­jecteert. Weet dus dat emoties beheersen hetzelfde is als de illusie beheersen. Wil je dit bereiken, maak dan van je ademhaling een echte ademhaling. Regelmaat aanbrengen in de zonnevlecht gebeurt niet alleen door het innerlijke werk van een heel leven, maar ook door de ademhaling, die slechts ogenschijnlijk een uiterlijk element is. De eerste stap naar liefde voor het leven waaruit je voortkomt, is leren om het leven te proeven in de golven van lucht die in de longen binnendringen. Als je roept: "Ik kan niet liefhebben", zeg ik: leer adem­halen terwijl je weet dat je ademhaalt. Daarvoor hoef je niet van de ene naar de andere yogi te lopen op zoek naar steeds ingewikkelder technieken; dat heeft geen zin als je bij jezelf het bewustzijn niet laat doorbreken van wat je inademt.

Je ademt duizend keer meer in dan een combinatie van gassen die je cellen bij elke in- en uitademing herstel­len; je ademt de bron van de liefde in. Maar hoe kun je die liefde ontvangen als je de deur van je woning niet opent of als je sommige kamers voor haar afsluit?

De genodigde is de Zon. Hij verschafte je de bakstenen waarmee je je huis bouwde, het lichaam waarin je woont. Hij is het die langs de kanalen van je fijnstoffe­lijke wezen doordringt tot in het chakra van je emoties. Zo, vrienden, zal de kracht van de kleine zon van het ego met zijn emoties langzaam worden opgeslorpt door de kracht van de Totale Zon, de zon van mijn Vader.

Je moet daar niets ingewikkelds in zien. De mensheid heeft de instrumenten voor haar genezing binnen handbereik en jullie allen die mijn woorden ontvangen, kunnen er, misschien meer dan anderen, vrij over be­schikken. Maar willen jullie die instrumenten ook ge­bruiken? Die vraag stel ik jullie en wordt jullie ook na­drukkelijk gesteld door al mijn Broeders die voor het Al werken. Ik vraag jullie niet om wat informatie en les­sen in bewaring te nemen of te houden; integendeel, ik vraag jullie deze lessen te beleven en uit te dragen.

Zeg nooit meer: "Ik kan niet liefhebben", want daardoor veranker je een ontwrichtend element nog een beetje meer in je centrum. Dit proces van ontkenning strookt bovendien niet met de waarheid. Ik verzeker jullie dat het absoluut onwaar is dat iemand niet kan liefhebben. Wie beweert dat hij niet kan liefhebben, doet dit onver­mijdelijk vanuit het concept zelf van de liefde dat hij al in zich draagt. De enige moeilijkheid die uit een derge­lijke overtuiging blijkt, is een gebrek aan hoop.

Zijn jullie bang dat je nooit de kracht zult hebben om de eeuwige vrede te ontdekken?

Toch staan de poorten van die sfeer altijd wagenwijd open voor diegenen die in het hart van hun geest vrede toelaten. ..

Als je met vragen zit, als je ontmoedigd bent, als je twijfelt aan jezelf, komt dat doordat het werk al een be­gin maakte met zijn blauwdruk in je en doordat je ei­gen bewustzijn al geraakt is door zijn licht. Leid daar vooral niet uit af dat je zwak en machteloos bent omdat de taak die je moet vervullen zo groot is. Een levensvorm die slaapt, vraagt zich niets af over deze slaap, maar zakt er helemaal in weg zonder zich te bekomme­ren om zijn wortels of om zijn toekomst.

Durf, vrienden van deze Aarde, durf vanaf dit moment te roepen dat je liefhebt en niet dat je zult liefhebben.

Draag het uit: "Ik heb lief!  Ik houd van dit leven dat ons duizend kansen geeft om onszelf nog wat meer te smeden. Ik houd van dit leven omdat ik niet langer de stroom van impulsen ben die in mij voorbijtrekt, omdat ik ook nooit die stroom ben geweest. Ik houd van het le­ven omdat pijn van mijn ziel geen straf is maar een te­ken dat ik me op de verkeerde weg bevind."

Neem dus de hand die ik jullie reik! Niet om jullie uit de afgrond te halen waarvoor jullie zo vaak bang zijn, maar om jullie je eigen hand terug te geven en om jullie hart met blijdschap te vullen. Wat ik jullie voorstel, is niet "mijn" hervorming voor de nieuwe tijden die eraan komen, evenmin is het "mijn" vrede. Ik treed alleen op als tolk voor het appèl dat uitgaat van de hervorming en van de kristallen vrede waarnaar jullie hart zo sterk verlangt.

Je uiteindelijke Messias wacht in jezelf en zal opstaan als je tot actie overgaat. Vrienden, zo zal het uur ko­men waarop je je aan jezelf teruggeeft.'


De geheime geschiedenis van de wereld

geheime genootschappen van 3000 V.C. tot nu

 

Jonathan Black



Op de achterflap:

 

De invloed van geheime genootscf1appen is veel groter dan we denken. . .

De geschiedenis wordt geschreven door de winnaars. Maar wat als alles wat ons verteld is slechts een deel van het verhaal is? En als dit het verkeerde deel is?

 

In dit opzienbarende nieuwe boek maakt Jonathan Black een fascinerende intellectuele reis. Met als uit­gangspunt dat veel van wat wij geleerd hebben on­waar is, geeft hij een alternatieve wereldgeschiedenis. Die is namelijk behouden gebleven in het gedachtegoed van geheime genootschappen en mysteriescholen vanaf de vroegste tijden tot nu - als je er maar oog voor hebt.

 

Met talloze gegevens uit natuurwetenschap, religie, psychologie, historiografie en filosofie haalt hij een gedeelte van ons culturele erfgoed dat lange tijd verborgen is geweest terug naar de oppervlakte. Hij vindt voorbeelden in Griekse en Egyptische mythologie, joodse folklore, vroeg-christe­lijke genootschappen, rozenkruisers en vrijmetselaars. Black toont aan dat de geschiedenis zoals we die kennen op een  revolutionaire manier herzien moet worden, en komt met bewijzen uit duizenden jaren aan verborgen wijsheid…

 

'De meeslepende verteltrant en de overvloed aan verbijsterende nieuwe feiten die het hart vormen van dit boek tonen een wereld die echt bestaat: vreemd en mysterieus, vol met geheimen en codes, en met de mens centraal in een groot kosmisch raadsel. Sinds Madame Blavatsky's The Secret Doctrine is er geen dergelijk boek ge­schreven en Black kan zich met haar meten in stijl, oorspronkelijk­heid en overtuigingskracht.' - GRAHAM HANCOCK, auteur van Het ontstaan en het einde van alles en Het teken, het zegel en de wachters.

608 pagina's | Kosmos Uitgevers | juni 2008

184x52x246 mm

Gewicht  1671 gr

ISBN10  9021584751

ISBN13  9789021584751

 

 

Biblion recensie
Deze vuistdikke, rijk geïllustreerde (in kleur en in zwart-wit) en kunstmatig oud vormgegeven publicatie presenteert een tegendraadse kijk op de geschiedenis aan de hand van de ontwikkeling en sturing van het menselijk bewustzijn door geheime genootschappen en mysteriescholen. Die sturing gebeurt vanuit een geest-voor-stof benadering. De auteur presenteert een staalkaart van de ontwikkeling van de 'esoterische filosofie' als een als reëel ervaren inwerking van strijdende goddelijke krachten. Deze zou doelbewust via afstemming op verborgen wetten van het universum (vaak via initiatie of tranceopwekking) zijn verkregen en in het geheim gedragen door genieën in kunsten, politiek en wetenschap (van Plato via Da Vinci tot en met Ghandi), die ze codeerden in hun scheppingen (Pantheon). Prettig leesbaar met vele verrassende dwarsverbindingen in tijd en tussen personen, geschriften en gebeurtenissen. Een feest van herkenning en ontdekking voor de lezer die is geïnteresseerd in het (neo)platonisch gedachtegoed, de theosofie en met name de antroposofie (met uitstapjes naar darwinisme, Jung etc.). Met aanbevolen literatuur en register.

(NBD|Biblion recensie, J. Hodenius)

 

Mijn leeservaring:

Een boek dat ik bijna zonder stoppen gelezen heb en graag wil aanbevelen aan eenieder die, net als ik, al vele jaren op zoek is naar de samenhangen tussen alle wereldreligies, mythologieën en filosofieën.
Het is een wonderlijke ervaring om – doorheen dit boek – een voor een al deze samenhangen te ontdekken en te zien dat de aloude wijsheid, dezelfde waarop elke religie gebaseerd is, telkens weer – in de hele mensengeschiedenis -  als een fakkel wordt doorgegeven door mensen die méér zagen, méér hoorden, méér doorzicht hadden, dan wat onze stoffelijke zintuigen te bieden hebben.
Het lijkt op een steeds doorgaande estafette die de ene keer openbaar verloopt, om dan weer een tijdje ondergronds door te gaan en ten gepaste tijde weer zichtbaar op te duiken.


Onder deze mensen zijn wijzen, geleerden, profeten, zowel als wetenschappers, filosofen en kunstenaars (waaronder componisten, beeldhouwers, schilders, dichters) te vinden en zelfs, in onze tijd, filmregisseurs (bv de Matrix-films) en auteurs van wat meestal als kinder/jeugdboeken gezien worden (bv In de ban van de Ring, Harry Potter, De Kronieken van Narnia) die allen op hun manier, openlijk of via symboliek, in hun werken deze oude kennis vrijwaarden voor vergetelheid.

Het deed me bijzonder veel genoegen om, tijdens het lezen, steeds weer namen tegen te komen van mensen in wier werk ik deze kennis al had vermoed. Hoe meer je hier immers op gaat letten, des te meer worden deze signalen zichtbaar.

Dit boek heeft me zo geboeid dat ik me heb voorgenomen er een project voor Spirituele Vrienden van te maken door de belangrijke persoonlijkheden, die ik tijdens deze reis door de tijd tegenkwam, op een rijtje te zetten en om van elk van hen enkele voorbeelden, die op deze kennis/wijsheid duiden, uit hun werk als illustratie te plaatsen.

 

Simon

Marianne Fredriksson

 

 

Beschrijving

Ondanks de dreiging van de Tweede Wereldoorlog heeft Simon in het niet-bezette Zweden een geborgen jeugd bij zijn adoptiefouders. De ontdekking dat hij, net als zijn beste vriend Isak, van joodse afkomst is, is bepalend voor zijn groei naar volwassenheid. Met de onthulling van de waarheid begint voor hem een zoektocht naar zijn identiteit.

 

Recensie

De bijzonder succesvolle Zweedse schrijfster (1927) laat deze sterk autobiografisch getinte roman rond de Tweede Wereldoorlog spelen in Goteborg, haar geboortestad. Het joodse jongetje Simon wordt uit een geheime relatie geboren en geadopteerd door de kinderloze Ingrid en Erik. Ondanks de liefdevolle en rechtvaardige opvoeding blijft hij een buitenstaander, met een eigen wereld van dromen, mystiek en muziek. Door de vriendschap met de eveneens joodse Isak ontstaat een indringende zoektocht naar volwassenheid, waarheid en identiteit. Gemeenschappelijke ervaringen en verlangens scheppen hechte banden tussen de jongens en hun families. Een innerlijk verzet tegen schuldgevoelens en chaos leidt uiteindelijk tot bevrijding en harmonie. Voor de herkenbare, vanzelfsprekende maar moeilijk grijpbare gevoelens tussen de generaties en tussen mannen en vrouwen vindt Fredriksson de juiste woorden. Haar kracht ligt minder in literaire aspecten dan in het indringend verwoorden van universeel herkenbare ervaringen. Om die reden ontving haar roman 'Anna, Hanna en Johanna' ook de Publieksprijs 1998. Pocket; kleine druk. (Biblion recensie, Redactie) ISBN: 9044506684

 

Uittreksels

I

'Gewoon een stomme eik', zei de jongen tegen de boom. 'Nauwe­lijks vijftien meter hoog, daar hoef je niet zo verwaand om te doen.'

'En je bent ook geen honderdduizend jaar.'

'Niet eens honderd', zei hij en hij moest denken aan zijn groot­moeder, die al bijna negentig was en gewoon een knorrig oud wijf.

Benoemd, gemeten en vergeleken verwijderde de boom zich van hem.

Maar de jongen kon nog horen hoe de grote kroon zong, weemoedig en verwijtend. Toen nam hij zijn toevlucht tot geweld; hij slingerde de ronde steen, die hij al zo lang in zijn broekzak had bewaard, recht tegen de stam.

'Nu zul je je mond wel houden', zei hij.

Op dat ogenblik verstomde de grote boom en de jongen, die begreep dat er iets essentieels was gebeurd, slikte de brok in zijn keel weg en wilde het verdriet niet voelen.

 

Die dag nam hij afscheid van zijn kindertijd. Omdat hij dat op een bepaald moment en op een bepaalde plaats deed, zou hij het zich altijd blijven herinneren. Nog jarenlang zou hij piekeren over wat hij op die dag, lang geleden in zijn kindertijd, achter zich had gelaten. Tegen zijn twintigste zou hij er een vermoeden van be­ginnen te krijgen, waarna hij zijn hele leven bezig zou blijven om te proberen het opnieuw te veroveren

 

 

XXXVII

Begin december kwam Ruben voor een boekenbeurs naar Londen. Hij bleef het weekeinde en ze reden met de rode Kever naar het platteland. Ze vonden een herberg met een geschiedenis die ver terugging en die knus was ingericht. 's Zondags gingen ze wandelen in de omgeving; over velden en door inmiddels kaal geworden bosjes. Het was mistig.

'Ik wilde het graag eens met je over Karin hebben', zei Ruben.

'Over hoe ze die laatste periode was.'

Het kostte Ruben moeite, maar Simon wilde zo veel mogelijk weten van wat ze had gedacht en gevoeld.

Ruben vertelde over het gesprek over de pan. Dat was de eerste keer geweest dat hij het gevoel had gehad dat er in Karins geest iets nieuws bezig was zijn beslag te krijgen.

'Ik citeerde toen een oude rabbijn die altijd predikte dat je iedere dag zo moet leven alsof je van alles afscheid neemt, van mensen en voorwerpen. Dat maakte een enorme indruk op haar.'

Simon keek Ruben verwonderd aan.

'Daarna zei Mona dat Karins wandelingen steeds langer wer­den', vervolgde Ruben. 'Ik werd een beetje ongerust en op een dag vroeg ik haar waar ze aan dacht tijdens het wandelen. Toen zei ze dat ze opgehouden was met denken en dat ze nu helemaal vrij was van zowel gevoelens als gedachten.'

Simon bleef midden op het pad staan om wat Ruben vertelde goed tot zich door te laten dringen.

'Er was iets vreemds aan haar, iets nieuws', zei Ruben. 'Toen ik 's avonds thuiskwam heb ik geprobeerd om het te begrijpen, om de uitdrukking in haar ogen te duiden.'

'En?'

'Ik kwam tot de conclusie dat Karin gelukkig was', zei Ruben. 'Het nieuwe maakte haar gelukkig; voor het eerst sinds ik haar kende had ze geen verdriet. Je weet toch dat er verdriet bij haar bestond ?'

'Daar ben ik meer van overtuigd dan van wat dan ook in mijn leven', zei Simon.

'Dat dacht ik al.'

'Denk je dat ze wist dat ze zou sterven? Dat het daarom was?'

'Ik weet het niet. Ze wist het misschien wel, maar niet met haar hersenen. Ik geloof niet dat ze daaraan dacht.'

Simon huilde, maar in de mist maakte dat niets uit en Ruben ging verder: 'Ik heb veel nagedacht over het feit dat er een diepere betekenis in de dood moet liggen dan dat het lichaam vernietigd wordt. Dat het erom gaat om psychisch een einde te bereiken. Alles wat ik heb beleefd, al mijn kennis, mijn geluk en mijn lijden, mijn herinneringen en doelstellingen moeten naar een einde toe. Het bekende, je gezin, je kinderen, je huis, ideeën, idealen, alles waar je je mee hebt geïdentificeerd, moet je achter je laten.'

Simon dacht aan de golf die op de rotsen van Bohuslän haar dood vond en al haar ervaringen aan de grote zee moest geven voordat ze opnieuw geboren kon worden.

'Dat moet het zijn, wat de dood betekent', zei Ruben. 'Dat afstand doen. En waarschijnlijk is dat het ook waar alle doodsangst om draait, niet waar?'

'Dat zal wel.'

'Ik wilde dat je dit zou weten,' zei Ruben weer, 'dat Karin vrij gestorven is. Ze liet alles achter zich en was gelukkig voordat ze stierf.'

Toen Ruben vertrokken was kwam het Verdriet bij Simon. Een groot en melancholiek verdriet. Maar waar het Verdriet was kon geen Schuldgevoel zijn; ze sloten elkaar uit.

Ten slotte dacht hij dat hij Karins verdriet had geërfd.

Dit is haar land, dacht hij, dit is waar zij leefde en werkte. Het is een groot en eenzaam land, maar het is niet onverdraaglijk. Je kunt hier wonen en leven en de dagelijkse bezigheden met zorg ver­richten.

 

De geschiedenis van ‘De Steen en de Fluit’ en dat is nog niet alles…  

Een sprookjesroman.



- Hans Bemmann –


 

Flaptekst

 

Dit is het verhaal van Spitsoor, zoon van de Grote Bruller, die meer naar zijn grootvader, de Zachte Fluiter, aardt. Het lot is Spitsoor gunstig gezind: op zijn omzwervingen ontvangt hij een geheimzinnige stralende steen die angst wegneemt, en een zilveren toverfluit waarmee hij macht over mensen krijgt. Maar dat is nog niet alles: ten slotte geeft een oude stenenzoeker hem een stok met eigenaardige eigenschappen. De geschenken van het lot stellen te hoge eisen aan Spitsoor. Steen, fluit en stok zouden hem moeten helpen zijn eigen weg te zoeken en zijn ware bestemming te vinden. Maar Spitsoor begrijpt dat niet en is van mening dat de drie giften er zijn om de wereld aan zijn wensen aan te passen. Zo komt het dat hij steeds weer in nieuwe avonturen verstrikt raakt. Als in een ontwikkelingsroman wordt het leven van Spitsoor verteld. Maar dat is nog niet alles.

De geschiedenis van de steen en de fluit is ook het symbool van een andere werkelijkheid, die zich onder het oppervlak van de dingen verscholen houdt, en waarover men alleen in beelden spreken kan. Met zijn rijke fantasie en een door zijn menselijkheid overtuigende verteltrant is het Hans Bemmann gelukt een boeiende complexe roman in drie delen te scheppen. Een vertelling die een overvloed aan kleinere verhalen in zich bergt. Maar bovenal is het, het geloofwaardige verhaal van een atypische held: Spitsoor is een mens, die zich voortdurend vergist, steeds de verkeerde weg inslaat en toch bij zijn doel uitkomt.

 

1989, Amsterdam: Bert Bakker, 708p., 24cm, ISBN 90-351-0421-8

 Uittreksel: 

Hij bleef nog een poosje bij de beek naar het water zitten luisteren dat met klokkende gelui­den tussen de bemoste stenen spoelde en naar de geluiden die uit het bos kwa­men. Maar hij hoorde niets bijzonders, geen onverwachts kraken van takken, geen opgewonden kijvende vogels. Toen Jalf ging liggen om te slapen wist Spitsoor zeker dat hier geen gevaar dreigde. Naast zijn ezel rolde hij zich in zijn deken en sliep weldra in.

Op een gegeven moment in de nacht werd Spitsoor wakker omdat Jalf zijn kop ophief. De ezel leek niet onrustig te zijn, maar hij keek alleen over Spits­oor heen naar de beek, die achter diens rug over de gladde stenen kabbelde. Spitsoor draaide zijn hoofd om en zag op de oever een dikke pad zitten, die hem met haar mooie gouden ogen aandachtig aankeek. Terwijl hij zich nog afvroeg of het dezelfde pad was als vroeger, giechelde ze op haar vochtige, borrelende manier en zei:

'Ben je daar weer, Spitsoor. Er wordt verteld datje inmiddels heel wat van de wereld hebt gezien. '

'Dat kan wel zo zijn, Goudoogje’, zei Spitsoor. 'Maar het komt mij voor dat ik daarbij geen stap verder ben gekomen. '

'Zo, denk je dat?' zei de pad en ze zwol een beetje op, zodat Spitsoor de indruk kreeg dat ze boos was.

'Is het soms niet zo?' zei hij. 'Ik zit hier nu weer aan dezelfde beek en ik ben weer op weg naar mijn grootvader, nadat ik drie jaar lang als dienaar door de wereld moest rijden, zonder dat iemand mij heeft gevraagd waar ik eigenlijk naartoe wil.'

'Weet je dan wel waar je naartoe wilt?' zei de pad en keek hem spottend aan. 'Je hebt kennelijk nog niet veel geleerd, want je bent nog altijd ongeduldig, alsof het zo belangrijk is om ergens aan te komen. '

'Is dat dan niet zo?' vroeg Spitsoor en hij begon zich te ergeren aan de ge­ringschattende toon waarop de pad hem toesprak.

Nu begon dit opgeblazen, met wratten bezaaide kwabbeldier ook nog te lachen, en wie ooit een pad heeft zien lachen moet toegeven dat dit je behoorlijk van je stuk kan brengen: de toch al aanzienlijk brede bek gaapt zover open dat je bang bent dat de platte kop in twee stukken uiteenscheurt en middenin die gapende opening wappert de lange, beweeglijke tong als bij een balladezanger die zijn lied te hoog heeft ingezet. Spitsoor keek er vol verwondering naar en voelde zich onzeker omdat de pad zijn vraag zo bespottelijk vond. Tenslotte bedaarde ze en zei:

'Je doet me denken aan een oom van mij die net zo was als jij. Altijd onderweg, steeds verder willen komen, om zijn doel te bereiken, zoals hij placht te zeggen. Van al dat lopen was hij al behoorlijk mager geworden, de dunste mannetjespad die ik ooit heb gezien. Hij ving immers maar zelden een vlieg, want hij dacht alleen maar aan de fantastische vliegen die hij de volgende dag wilde vangen.

"Je zult nog eens zien," zei hij op een dag tegen mij, "wat voor een hoge vlucht ik zal nemen."

En hij had deze woorden nauwelijks uitgesproken of een ooie­vaar pakte hem, slingerde hem met zijn lange snavel hoog in de lucht en slikte hem door.'

'Wat zielig voor je oom,' zei Spitsoor uit welgemeend medelijden met deze eerzuchtige oom, en hij beschouwde de pad als een harteloos dier omdat ze het zo grappig vond dat ze weer op haar verschrikkelijke manier begon te lachen.

Maar de pad trok zich niets aan van Spitsoors afkeurende blik en zei:

‘Je hoeft niet te treuren. Het volgende ogenblik spuugde de ooievaar mijn oom weer uit in het gras. Waarschijnlijk was deze knokige pad hem in zijn keel blijven ste­ken. Hoe dan ook, mijn oom zat weer op dezelfde plek, snakte eerst naar adem en zei toen: "Zo'n hoge vlucht hoeft van mij nu ook weer niet."

En vanaf dat moment nam hij de dingen zoals ze waren en niet zoals ze morgen misschien zouden zijn. Zijn doel zou hij nog vroeg genoeg bereiken, zei hij sinds het ongeluk altijd en hij voegde er meestal nog aan toe dat het nog maar de vraag was of je werkelijk wel daar wilde zijn waar je met zoveel moeite had willen komen. Dat waren de woorden van mijn oom en hij heeft op die manier nog een lang en gelukkig leven geleid. Hij werd snel weer dik en rond zoals dat een behoorlijke paddeman betaamt.'

Spitsoor vond het een irritant verhaal.

'Wil je dat ik als een pad leef?' zei hij. 'Als ik jou zo aanhoor, krijg ik bijna de indruk dat jij het het beste vindt dat ik hier blijf zitten wachten op wat er verder gebeurt.'

‘Jij bent echt traag van begrip,’ zei de pad en ze schudde afkeurend haar kop, wat er weer uitermate gek uitzag, aangezien padden geen nek hebben. 'Van blijven zitten wachten heb ik met geen woord gesproken, wel over ontevre­den zijn met wat je hebt. '

'Komt dat niet op hetzelfde neer?' zei Spitsoor. 'Misschien denken padden zo, maar ik ben geen pad, ik ben een mens. Anderen hebben allang genoeg voor mij bepaald wat ik moest doen en ik heb ze laten uitmaken waar ik heen zou gaan. Nu wil ik eindelijk daar naartoe waar ik zelf heen wil.'

Deze laatste uitspraak ontlokte aan de pad weer een giechelbui die haar kwabberige huid deed trillen.

'Ik kreeg meer de indruk dat je nog helemaal niet wist waar je naartoe wilde,' zei ze.

'Daar kom ik nog wel achter,' zei Spitsoor en hij ergerde zich nog meer toen hij de pad gelijk moest geven.

'Vraag het toch aan je steen,' zei de pad. Je wilde immers naar zijn geheim zoeken. '

'Dat heb ik al vaak genoeg gedaan,' zei Spitsoor, 'die steen heeft me alleen maar dromen voorgetoverd. Nu wil ik een doel zoeken dat tastbaar is.'

‘Je bent nog geen steek veranderd sinds de laatste keer dat we elkaar hebben ontmoet,' zei de pad. 'Is je steen je dan niets meer waard?'

'Ik ben bang dat hij me alleen maar op een dwaalspoor heeft gebracht,' zei Spitsoor. 'Arni is hem zo lang gevolgd tot hij met een pijl in zijn borst moest sterven. Misschien heeft hij zijn leven lang alleen maar gedroomd. Maar ik wil nu proberen op eigen kracht iets te ondernemen.'

'Manhaftige taal,' zei de pad spottend. 'Pas dan maar goed op dat het je niet. zo vergaat als mijn oom.' Na deze woorden schudde ze nog een keer haar kop en kroop weg tussen de struiken. Spitsoor hoorde haar nog een poosje in het dorre loof ritselen en sliep daarna in.

Maar rust vond hij nog steeds niet want hij raakte onverhoeds verzeild in ….

De droom van de pad.

Hij reed, gehuld in een fleurig, zijden gewaad, op een kostbaar getuigd paard door het bos en speelde op een gouden fluit en iedere keer als hij de fluit van zijn mond nam, hoorde hij de vogels dezelfde melodie zingen die hij zojuist had gespeeld. Het klonk als een veelvuldige echo die tegelijkertijd van alle kanten werd weerkaatst, vanuit de struiken rondom hem, van boven uit de boomtoppen en vanuit de lucht, die hij tussen de takken en bladeren door kon zien. Boven in de lucht vlogen vogels rond die zijn lied herhaalden. Het was net alsof alle vogels hun eigen lied waren vergeten en alleen nog naar zijn fluit luisterden.

Zo reed hij fluitend voort tot hij bij een beek kwam waar hij op de oever de pad zag zitten.

'Zie je,' zei hij tegen haar, 'wat een hoge vlucht ik heb geno­men? Zelfs de vogels aan de hemel zingen mijn lied na. Nu moet ook jij zin­gen.'

Maar de pad zei alleen: 'Wat een onzin, kwak!' en ze zwol aanzienlijk op.

'Wacht maar,' zei hij, 'ik zal je leren mijn fluitspel na te zingen.'

Hij zette zijn fluit weer aan zijn lippen en blies de meest verleidelijke melodieën waarover hij beschikte. Maar hoe langer hij floot, des te meer groeide de pad, tot haar gouden ogen als twee reusachtige karbonkels op dezelfde hoogte stonden als zijn gezicht. Hij blies en blies, alsof het er alleen nog op aankwam de pad in de macht van zijn tonen te krijgen, maar daarop opende de pad haar brede bek en begon te lachen met haar verschrikkelijke, breed gapende paddegelach. De donkere holte van haar keel opende zich steeds verder tot hij het hele bos omvatte en de hemelboog leek te raken.

Toen zei de pad nog eenmaal: 'Wat een onzin, kwak!' en hetzelfde moment had ze ook hem al verslonden.

Rond­om hem was niets anders dan zwarte leegte, geen paard meer, geen fluit, geen kostbaar gewaad. Naakt en blind zweefde hij in het ongrijpbare dat nergens houvast bood en hij werd onherroepelijk opgezogen in de razende ontzetting van het niets. Hij probeerde te schreeuwen, maar terwijl hij schreeuwde voel­de hij meteen dat zijn schreeuw in zijn borst bleef steken en geen weg vond in de oneindige lege huivering die hem omgaf.

'Laat me los uit je keel, pad!' schreeuwde hij geluidloos vanuit zijn hart en hij had deze woorden nog amper gedacht of hij werd al uitgespuwd uit het duister van deze afschuwelijke bek en lag, zo naakt en behaard als hij was, in het dorre loof op de grond van het bos. 'Nu weet je eindelijk wat voor een hoge vlucht je op eigen kracht zult nemen,' hoorde hij de pad zeggen. Ze giechelde nog een keer, maar ditmaal joeg haar gegiechel hem de koude rillingen over zijn rug.

 

Hans Bemmann

27 april 1922 - 1 april 2003

 

 

Hans Bemmann studeerde Duitse taal-en-letterkunde en musicologie in Innsbruck.  Hij werkte sinds 1954 als redacteur bij de Oostenrijkse Borromäuswerk, een vereniging van katholieke bibliotheken en bleef daar werken in deze functie in Bonn van 1956 tot 1987.  Van 1971 tot 1983 was hij docent Duits aan de Pädagogische Hochschule in Bonn.  Hij was ook werkzaam als docent aan het Bonner Bibliothekar-Lehrinstitut tot 1993.  In de jaren 1960 gebruikte hij het pseudoniem Hans Martinson voor zijn publicaties.

 

Bibliografie

 

Hans Bemmann’s literaire doorbraak kwam met de sprookjesachtige roman De steen en de fluit in 1983. Het boek vertelt de avonturen van een jonge man, genaamd Spitsoor (of de luisteraar) in een idyllische sprookjesachtige wereld.  Een magische steen en een magische fluit zijn bedoeld om hem de weg naar geluk te wijzen, maar vanwege zijn gebrekkige kennis van de menselijke natuur en zijn naïviteit maakt hij misbruik van zijn macht en maakt noodlottige keuzes.  Fantastische ontmoetingen en lange ontberingen schenken hem nieuwe perspectieven en diep menselijk inzicht.  Het verhaal van Spitsoors leven is verweven met zijn liefdesverhaal.

Zijn volgende roman:  Erwins Badkamer, is geschreven in de vorm van een reeks brieven en brengt de lezer in aanraking met een dictatuur die de bevolking controleert door haar taal stelselmatig te vereenvoudigen.     Het idee van manipulatie door systematisch gebruik van taal is ook aanwezig in George Orwell 's Dystopia 1984.

Ster van de broers speelt ook in een moderne wereld en toont het levenspad van twee broers in een samenleving die afstevent op een dictatuur.  Het zijn een muzikant en een geoloog, zij beiden kiezen tegengestelde richtingen van het politieke spectrum, om elkaar bij het eind weer te nader te komen.

De gebroken Godin voert een sprookjesonderzoeker op een reis van de werkelijkheid naar een sprookjesachtige wereld.  Een bijzondere ontmoeting met een betoverende vrouw zet hem aan haar daar te zoeken, en haar daar ook te vinden.  De roman vermengt realiteit en sprookje en laat de held de wereld minder koud en mechanisch te zien. 

De tuinen van de leeuwin kan worden gelezen als een aparte roman, maar is toch ook een vervolg op De gebroken Godin, waarin de heldin haar verhaal vertelt.  

Het derde deel in deze trilogie is Massimo Battisti, van iemand die wilde leren toveren.  Hierin worden veel onduidelijkheden tot klaarheid gebracht in de persoon van de magiër Massimo Battisti.   

 

DIERENVERHALEN

vol wijsheid en symboliek

 


Manfred Kyber

 

 

Dierenverhalen of fabels kennen wij al sinds de fabels van Aesopus uit de Griekse oudheid. Toch blijft dit soort ver­halen altijd weer boeien en zeker als een schrijver als Manfred Kyber dit genre beoefent. Overigens schreef hij déze verhalen al aan het begin van onze eeuw, maar wonderlijk genoeg zijn ze nog even fris en leesbaar in onze tijd als toen ze geschreven werden. In een wereld die ons regelmatig doet denken aan die van meester-verteller Kipling, laat Kyber zijn dieren diepzinnigheden uiten, die meestal op het mensdom en haar eigenaardigheden betrekking hebben. Zo verpakt in deze fabels biedt Manfred Kyber ons dezelfde wijsheid aan die wij ook in zijn prachtige en fijngevoelige boek VERONIKA'8 DRIEVOUDIG LICHT aantreffen. Het zijn juweeltjes van schrijfkunst, waarin vaak zeer actuele onderwerpen als bijvoorbeeld antivivisectie en dierenliefde op indrin­gende wijze worden behandeld.

Een bundel meesterlijke verhalen van een groot en wijs schrijver, die al veel te lang niet meer in een Nederlandse uitgave beschikbaar waren.

 

ISBN 9064410402

 

Een van de verhalen uit het boek

 

 

HET HOOFD DER APEN

 

 

De Indische ochtendhemel spande blauw over de Indische vlakten en hulde alle wonderen des levens in het licht van de jonge dag onder Brahma' s Zonnezegen.

"Zeer wijs en vol licht is deze wereld," zei de olifant Nalagiri Lappenhuid, kwam overeind uit de slaap en ging op zijn zuilbenen staan om na te denken, het brede hoofd naar het Oosten gekeerd, want hij had veel ervaring en zijn ziel was rustig.

Rondom hem was het echter niet rustig. Tussen de takken der bomen krioelde het van koppen, benen, handen en staarten.

Een apenvergadering koos haar Hoofd. Waar apen ver­gaderen, kiezen zij altijd een Hoofd, anders was het geen echt apentheater en dat willen de apen overal hebben, in Indië en over de hele wereld, waar er maar echte apen zijn ­en er zijn er een heleboel. Tot Hoofd wordt steeds die aap gekozen, die de grootste mond en de sterkste tanden heeft, en een dergelijke keuze is, als alle verkiezingen over de hele wereld waar apen wonen, een gebeurtenis met zeer levendige bijkomende verschijnselen. Eerst ontstaat een ont­zettend gesnater, zodat niemand meer verstaan kan wat de ander zegt, want dat is bij een verkiezing ook absoluut niet nodig. Daarna beginnen zij elkaar te bijten, en ontstaan er verwarde kluwens van vechtende apen, tot zich kluwen na kluwen loswikkelt en uit het laatste, dat zich uit alle kluwens heeft los gebeten, het aldus gekozen Hoofd verrijst.

Zo was het ook ditmaal geschied en het Hoofd van deze schone dag heette Krakelius Krekkekkek. Hij ging op de allerhoogste boomtop zitten en liet zijn tanden zien, waardoor hij vele rimpels op zijn neus kreeg, wat een buitengewoon onaangename indruk maakte. Daar was hij Hoofd voor.

"Zeer lawaaiig zijn vele der aardse schepselen," zei de olifant Nalagiri Lappenhuid, sloot pijnlijk en berustend de grote oren en verwisselde de positie van zijn zuilbenen om na te denken, het brede hoofd naar het Oosten gekeerd.

"Ik aanvaard thans de Regering," zei Krakelius Krekkekkek en liet nogmaals zijn tanden zien. "Een Regering bestaat hier­uit, dat zij anderen beperkingen oplegt, vóór alles dus. . ."

"Wij willen geen beperkingen, wij willen vrijheid!" brul­den de apen.

"Bek houden!" zei Krakelius Krekkekkek, "er bestaat geen vrijheid voor apen en evenmin voor een werkelijke apen­regering. Alles moet beperkt worden. Jullie moeten beperkt worden en ik ben al beperkt, omdat ik ambtshalve beperkt ben. Daarvoor ben ik het Hoofd!"

Groot gekakel.

" Vóór alles behoeven de jonge apen niet altijd in de armen van hun moeders te liggen en geflikflooid te worden. Dat verwent het komende geslacht, wij hebben standvastige en dappere apen nodig, zoals ik."

"Wat weet jij eigenlijk van kinderopvoeding?" grijnsden de apenmoeders, "wij laten ons onze lieve kleintjes niet afnemen. "

"Ik weet heel veel van kinderopvoeding, omdat ik een Regering ben," zei Krakelius Krekkekkek, "ik weet overal wat van, want ik weet het ambtelijk. Daarvoor ben ik Hoofd!"

"Je weet overal wat van en je weet absoluut niets," zei een jonge apenmoeder en toonde haar tanden.

"Verder," zei Krakelius Krekkekkek, "moeten de jongeren mekaar niet zoveel krabben. Dat hoort niet. Laten zij liever beenoefeningen maken, daar komt de soort jeugd van, die wij nodig hebben. Onze toekomst ligt in onze benen."

Groot gesnater.

"Wij krabben ons, als we jeuk hebben," riepen de jonge meisjes en jonge mannen, "jij krabt je ook."

"Dat is iets anders," zei Krakelius Krekkekkek, "als ik jeuk heb, heb ik ambtelijk jeuk, en als ik mij krab, krab ik ambtelijk. Daarvoor ben ik Hoofd!"

Daarbij had hij juist jeuk en krabde zich ambtelijk.

" Voorts mogen de apen niet rondlummelen, maar zij moeten ijverig vruchten verzamelen. Dat is onze voorraad in tijden van nood en dat is een regeringsmaatrege1."

"Wij willen eten en niet verzamelen!" riepen de apen.

"Dat zou een kolfje naar jullie hand zijn," zei Krakelius Krekkekkek, "zo maar altijd van de poot in de snuit te leven, maar dat kan een Regering niet dulden. Jullie moeten ver­zamelen, en wat je verzamelt, breng je mij. Een ware apen­regering steekt alle vruchten die anderen verzamelen in de zak. "

"Om ze zelf op te eten!" brulden de apen.

"Ja zeker," riep Krakelius Krekkekkek, "en al eet ik alles zelf op, dan nog doe ik het ambtelijk. Daarvoor ben ik Hoofd!"

Heftig toenemend gesnater van alle apen en apinnen.

Men kon geen woord meer verstaan.

Plotseling verstomde het gesnater.

Uit het struikgewas kwam in een elegant gestreept leren jasje en met een woedende uitdrukking op haar gezicht, de tijgerin, vrouw Miesemissa Pofpoot. Alles kroop weg, hogerop in de bomen, want een tijger heeft voor lieden, die geen tijger zijn, heel gauw iets onbehaaglijks.

"Wat is dat voor een afgrijselijk lawaai?" siste vrouw Miesemissa Pofpoot, "mijn lieve kindertjes, de kleine Pof­pootjes, kunnen niet slapen door jullie dom gesnater!"

"Wij moeten zoveel snateren, omdat wij een Regering en een Hoofd hebben," zei een klein aapje, een heel onschuldig ding.

"Waar is jullie Hoofd?" zei vrouw Pofpoot en sloeg met haar klauw bedenkelijk op een boomstam.

"Het Hoofd, het Hoofd," riepen de apen angstig en liepen zoekend door elkaar, "het Hoofd moet ons verdedigen, hij moet met vrouw Pofpoot spreken. Waar is het Hoofd?"

Maar het Hoofd was niet meer te zien.

Eindelijk ontdekte men in een holte van de boom een achterpoot, die verlaten en angstig naar buiten stak.

Aan die ambtelijke achterpoot trok men Krakelius Krek­kekkek uit het gat te voorschijn en zette hem op zijn bibbe­rende ledematen overeind. Hij probeerde in het gat terug te kruipen en zwaaide heftig met armen en benen, maar de andere apen hielden hem tegen.

"Ben jij het Hoofd?" vroeg vrouw Miesemissa Pofpoot en likte op zeer onaangename wijze haar snuit.

Krakelius Krekkekkek strekte één hand en één been in de hoogte, om te zweren.

"Nooit ben ik Hoofd geweest," betuigde hij, "nooit. Hoe zou ik Hoofd kunnen zijn? Ik ben veel te zwak en te ziekelijk. Mijn vlees is ook niet gezond en ik ben veel te mager. Ja, en zelfs mijn vel is niets waard, de mot is er in gekomen. Nee, het is werkelijk niet de moeite waard, dat u zich om mij bekommert. Ik ben de minste en erbarmelijkste van alle apen. U ziet zelf, hoe men mij uit de boomholte te voorschijn heeft moeten trekken, ik was uit louter zwakte erin gevallen, alleen uit zwakte."

"Heb je het dan zoëven niet over kinderopvoeding gehad? Heb je niet pas gezegd, dat je standvastig en moedig bent?" vroeg Miesemissa Pofpoot.

"Hoe zou ik? Ik heb niets geen verstand van kinderop­voeding. Ik heb er nooit iets van geweten," z~i Krakelius Krekkekkek met trillende armen en benen. "En ik en moedig? Ach lieve help, lieve help. .." Krakelius Krekkekkek jam­merde luidruchtig.

"Heb je niet zoëven gesproken over het jeuken en krabben van de jeugd?" vroeg Miesemissa Pofpoot en gromde be­angstigend.

Krakelius Krekkekkek zette koortsachtig zijn bezwerende hand en zijn bezwerend been in beweging.

"Nooit, nooit," verzekerde hij, "ik ben al dankbaar, wan­neer ik zelf geen jeuk heb."

"Je wou toch vruchten binnenhalen, die anderen verzameld hebben," meende Miesemissa Pofpoot, "dan ben je dus toch een Hoofd."

De bezwerende hand en het bezwerend been kregen be­paald zenuwtrekkingen.

"Bij de tempel van Benares, bij de huid mijner Vaderen, ik zweer het met armen en benen, nooit heb ik zulke dingen gezegd. Hoe zou ik het in mijn hoofd halen? Och, ik arm, zwak schepsel. Geloof dat toch niet van mij, lieve vrouw Pofpoot!"

"Ik ben je lieve vrouw Pofpoot niet, jij domme aap," zei Miesemissa, "ik zal je de vlooien uit je vel kloppen."

Vrouw Miesemissa Pofpoot was een dame. Het is pijnlijk het te moeten zeggen, maar zij gebruikte inderdaad die uit­drukking.

Uit de diepte van het oerwoud klonk zacht klagend een miauwend, veelstemmig gehuil.

,,0 Hemel," zei Miesemissa Pofpoot, "mijn lieve kinderen, de kleine Pofpootjes, die jullie gestoord hebt, huilen om mij. Zij hebben honger. Ik moet naar huis. Maar ik stuur mijn man naar jullie toe, als hij van de jacht thuis komt. Hij moet deze zaak onderzoeken. Hij zal jullie wel krijgen, jullie apen­gebroed!"

Miesemissa Pofpoot verdween in het struikgewas en spoe­dig daarop lagen de kleine Pofpootjes tussen de moederlijke klauwen, dronken met gelukzalig dichtgeknepen ogen en sponnen luid en overgelukkig.

Begrijpelijkerwijze besloten de apen de komst van de aan­gekondigde heer Pofpoot liever niet af te wachten. Nauwelijks was Vrouw Miesemissa Pofpoot verdwenen, of een ongeor­dende vlucht begon, een verward gekrioel van koppen, armen, benen en staarten - als eerste en ver vooruit vluchtte Kra­kelius Krekkekkek, want hij vluchtte ambtelijk. Daarvoor was hij het Hoofd.

Tussen de takken der bomen werd het stil. De Indische ochtendhemel spande blauw over de Indische vlakten en hulde alle wonderen des levens in het licht van de jonge dag onder Brahma' s Zonnezegen.

"Zeer wijs en vol licht is deze wereld," zei de olifant Nalagiri Lappenhuid en verwisselde de houding van zijn zuil­benen, om na te denken, het brede hoofd naar het Oosten gekeerd, "maar zeer onwijs en zeer lawaaiig zijn vele schep­selen. Zeer onwijs en zeer lawaaiig is vooral het apentheater op deze aarde en het meest onwijs en het allerlawaaiigst zijn de apen-Hoofden."

 

 

 

 


Barend van der Meer - De Hermiet

ISBN 9062717551

 

Uitgangspunt en leidraad voor Van der Meer is de uitspraak van Jezus 'Het licht is in een ieder komende in deze wereld'. Maar hij was ervan overtuigd dat ieder mens zelf op zoek moest gaan om dit te ontdekken.

 

In 'De Hermiet' zegt hij daarvan: Het binnengaan in een nieuwe wereld is een wilsomkeer... je geestkracht werkend en vertrouwend richten op de oorsprong van jezelf in je zelf.

 

Uittreksel.

 

Door zijn geboorte hier op de wereld heeft de mens zich van een lichaam moeten voorzien en daardoor zich moeten verstrengelen met de animale noden dezer wereld op een wijze dat hij er helemaal door begoocheld werd en vergat hoe in hem een beginsel is dat hem tot heer en meester maakt over zijn eigen situatie. Hij laat zich eenvoudig voortdurend door het mensendier verblinden zonder het te beseffen. Alleen wanneer het hem tè bar wordt, zijn lijden tè ondraaglijk, zijn angsten ten aanzien van de dood tè dreigend, kan het gebeuren dat hij een werkelijk beroep doet op een verlosser, die hoe dan ook zich aan hem moet manifesteren. De mensen geloven in een macht vol goedertierenheid, vol barmhartigheid en bevrij­dende liefde, maar het moge dan een geruststellende idee zijn dat die voor hen zorgt en zij in dat geloof geborgen zijn, dat neemt niet weg, wanneer deze barmhartigheid en goedertierenheid en bevrij­dende kracht zich niet aan henzelf mededeelt als een ervaarbare en mogelijke levensinstelling in de werkelijkheid van het dagelijks leven, die henzelf zo doet zijn, dat dan een dergelijke opvatting en aangenomen 'geloof slechts een verdovingsmiddel zijn t.o.v. de realiteit.

Het ligt alleen aan onszelf. Ieder heeft zijn eigen diertje te temmen, of dat nu een wilde olifant is, een tijger of een krolse kat, hij en hij alleen heeft te zorgen dat het lastige geval hem niet voortdurend parten speelt. Een ander wie die dan ook is, doet het niet voor ons. Het is alles in onszelf. De hoogste macht en de verachtelijkste slavernij.

Als ik een tijger in mij te overwinnen heb dan moet ik zorgen dat ik overwicht over hem krijg. Voorwaarde is dat ik hem opzoek in zijn hol en hem nader, niet als een vijand maar als een verschijning die verwant is aan de zijne. Naar vorm en gestalte moge ons lichaam van de apen afstammen, maar waarom niet van een tijger?

Hoe kan het anders dat er mensen in de wereld rondlopen met tijgerachtige en verscheurende affecten. Deze eigenaardige ver­wantschap draagt de mogelijkheid in zich dat ik niet bang voor hem ben. Ik weet instinctief dat iedere angst onmiddellijk door het dier geregistreerd wordt en hij er met feilloze zekerheid op reageert waardoor hij mij tot slachtoffer kan maken. Het eerste dus wat mijn tijger gevoelt: er is een ander (misschien ziet hij mij als een supertijger) die geen angst voor mij heeft. Hierin is de mogelijk­heid van een nieuwe instelling. Want in dat gevoel n.l. is er plaats' voor vertrouwen. Indien ik mij t.o.v. het wilde dier angstloos  gedraag, is er een ontwapenende macht aanwezig die instinctief gevoeld wordt en herkend. Daarin ligt het beginsel van vertrouwdheid en het is uit dit beginsel dat de operatie haar voortgang vindt. En ofschoon de tijger een tijger blijft en in mij de mogelijkheid is hem meer en meer te onderwerpen is er toch steeds een grens die de hoogste waakzaamheid vereist zelfs al wordt het beest zo mak als een schoothond. Natuurlijk zal hij in mij zijn meester vinden en zelfs zijn vriend maar onverslapte waakzaamheid blijft geboden.

De wereld is een wildernis en daarin bevinden zich ontelbare dieren die de mensheid bevolken. Dit leidt niet alleen tot een buitengewone studie, een groot en onvergelijkelijk avontuur, maar ook tot de erkenning, het vaste geloof en vertrouwen, dat in ons de kracht en het vermogen is in onszelf de wildernis te herscheppen in een kostelijke tuin, een land waarin vrede heerst over 'gans het gebergte'. Daarin wordt het visioen van Jesaja begrijpelijk waarin het kindje 'zich zal vermaken over het hol van een adder' en 'koe en berin samen weiden'. Daar zijn alle geboden opgeheven omdat zij er niet meer van kracht zijn. Het is er eenvoudig zo, het land der levenseenheid waar alle mensen broeders zijn. Dit land is er al reeds, wij moeten het alleen ontdekken en. .. herkennen.

Nu wordt misschien ook duidelijk waarom de vier klassieke elementen, toestanden aanduiden die alle bevolkt zijn: de aarde, het water, de lucht en het vuur zoals dat is verzinnebeeld in het rund, de engel, de adelaar en de leeuw. In de vier letters van de onuitsprekelijke naam Gods, in de vier stromen van het Paradijs en hoe dit viertal als een realiseringsvermogen tot aanzien wordt gebracht. Het is alles de verborgen orde in de mens die over de wildernis zegeviert en waaruit de werkelijke schepping Gods plaats grijpt.

Het is het geheim van het grote tetragrammaton. In deze al­macht is geen enkele dwang. D.w.z. men kan deze dingen niet in de wereld of op de wereld toepassen ten einde haar te verbeteren. De wereld behoeft niet verbeterd te worden door ons evenmin als onze buurman. Er is maar één mogelijkheid. Dat wij ons in onszelf dit 'land' bewust worden: de kracht van het monster in de wildernis te temmen hoe het zich dan ook aan ons voor zal doen. Wij behoren niet tot de ordebewaarders in de wereld noch tot hun verstoorders maar willen doen doorbreken hier en nu een straal van het lichtland dat wij liefhebben en waarop al ons vertrouwen is gevestigd en waar de barmhartigheid heerst die wij zelf willen beleven en in ons omdragen en de goedertierenheid die het leed van de mensen verzacht en ons eigen leed te niet doet.

De Hermiet verlicht zijn eigen weg met een licht uit alle licht. Het licht laten vallen niet om wantoestanden aan de kaakte stellen en al maar in en onder het oordeel te leven, maar om te leren zien wat licht is en zich daarin hullen en er van uitgaan, opdat het onszelf op onze weg zal begeleiden en het in staat blijkt onze ogen te openen. Daarom zeggen wij: wij hebben het licht lief want daardoor en daaruit leven wij. Het schijnt in de duisternis.

Wat voor ons van zo groot belang is, is niet wat mensen weten en denken, maar wat wij zijn. Dus: wat ik ben. Het moge waar zijn dat uit de mens een ontwikkeling is begonnen die ogenschijnlijk geen einde neemt en die om haar bij te houden een grote rusteloosheid veroorzaakt, maar ik weet ook dat deze ontwikkeling met hem op de loop kan gaan en zijn verstand er door op hol kan slaan. En dit is beslist niet wat ik bedoel. Het moet mogelijk zijn terug te keren tot ons zijn, een toestand die een besef met zich medebrengt van niet meer te ontwikkelen maar een verblijven in onze oorsprong, onze origine en werkelijk tehuis. Zoals Lao Tse zegt: 'mijn huis niet uitgaande ken ik de weg des hemels'.

Dit nu komt mij voor als een voortreffelijk bezit en het herkennen daarvan veroorzaakt een merkwaardige aantrekkings­kracht omdat het blijkt dat er vele mensen zijn die wel gaarne dit deelachtig zouden willen wezen. Wij noemen deze merkwaardige eigenheid in de mens zijn ondeelbaar beginsel, zijn eenheid en het ware Zelf.

 

 

Aldus sprak Zarathoestra - F. Nietzsche


Biografie Nietzsche

 

Over het boek

 

Muziek:

De Duitse componist Richard Strauss baseerde zich in 1896 op dit boek bij het componeren van het gelijknamige symfonische gedicht: Also sprach Zarathustra. Dit werk werd wereldberoemd

Flaptekst:

De ideeën van Friedrich Nietzsche oefenen een grote invloed uit op het gedachtegoed van onze tijd. Als klassiek filoloog, dichter, wijsgeer en moralist heeft hij een enorme betekenis voor onze cultuur. Aldus sprak Zarathoestra is zijn belangrijkste werk. Nietzsche vereenzelvigt zich hierin met een heel vroege Perzische wijsgeer, de eerste die een onderscheid maakte tussen licht en donker tussen goed en kwaad. Het is een verzameling briljante spreuken, zonder intellectuele toespelingen, vol directe levenswijsheid. Wijsheid omtrent het leven zoals hij dat verstaat, leven dat op de spits gedreven wordt en dat tenslotte moet culmineren in zijn ideaal van de ´Uebermensch´.

 

Enkele uittreksels die me aanspreken:

 

Lang sliep Zarathoestra en niet alleen het morgenrood gleed over zijn gelaat, maar ook de voormiddag. Eindelijk opende hij de ogen: verwonderd zag Zarathoestra in het woud en in de stilte, verwonderd schouwde hij in zichzelf. Daarna richtte hij zich snel op, gelijk een zeeman, die almeteen land ziet, en juichte; want hij zag een nieuwe waarheid. En aldus sprak hij toen tot zijn hart:

Een licht is mij opgegaan: metgezellen heb ik van node, en levende, - geen dode gezellen en lijken, die ik met mij draag, waarheen ik wil.

Juist levende gezellen heb ik nodig, die mij volgen, omdat zij zichzelf willen volgen - en daar, waarheen ik wil.

Een licht is mij opgegaan: niet tot het volk zal Zarathoestra spreken, maar tot gezellen! Niet herder en hond van kudden zal Zarathoestra worden!

Velen weg te lokken van de kudde - daarvoor kwam ik. Toornen over mij moeten volk en kudde: een rover wil Zarathoestra de herders zijn.

Herders zeg ik, maar zij zelf noemen zich de goeden en recht­vaardigen. Herders zeg ik; maar zij noemen zich zelf: gelovigen in het ware geloof.

Ziet deze goeden en rechtvaardigen! Wie haten zij het meest? Hem, die verbrijzelt hun stenen tafelen der waarden, de dader, de euvel­dader: - hij echter is de scheppende.

Ziet die gelovigen van elk geloof! Wie haten zij het meest? Hem, die verbrijzelt hun waardetafelen, de dader, de euveldader: - hij echter is de scheppende.

Gezellen zoekt de scheppende en geen lijken en ook geen kudden en gelovigen. De mede-scheppenden zoekt de scheppende, hen, die nieuwe waarden op nieuwe tafelen schrijven.

Gezellen zoekt de scheppende en hem die mede oogst: want alles staat bij hem oogstensrijk. Maar hem ontbreken de honderd sikkels; nu rukt hij aren uit en is vol ergernis.

Gezellen zoekt de scheppende, en dezulken, die hun sikkels weten te wetten. Verdelgers zal men hen heten en verachters van goed en kwaad. Maar oogstenden zijn zij en vierenden.

Mede-scheppenden zoekt Zarathoestra, mede-oogstenden en mede­vierenden zoekt Zarathoestra: wat heeft hij met kudden en herders en lijken te maken!

En gij, mijn eerste gezel, vaar wel! Goed begroef ik je in je hollen boom, goed verborg ik je voor de wolven.

Maar ik neem afscheid van je, de tijd is voorbij. Tussen morgen­rood en morgenrood kwam een nieuwe waarheid tot mij.

Noch, herder zal ik zijn, noch doodgraver. Spreken wil ik zelfs niet meer met het volk; voor 't laatst sprak ik tot een dode.

Bij scheppenden, oogstenden, vierenden wil ik gezel met gezellen zijn: de regenboog wil ik hun tonen en alle trappen van de Übermensch.

De eenzamen zal ik mijn lied zingen en de twee-zamen; en wie nog oren heeft voor het ongehoorde, diens hart wil ik zwaar maken van mijn geluk.

Naar mijn doel wil ik, ik ga mijn weg; over de weifelenden en aarzelenden zal ik heenspringen. Aldus zij mijn gang hun onder­gang!

 

Van de weg des scheppenden

 

Wilt gij, mijn broeder, in de eenzaamheid gaan?

Wilt gij de weg naar u zelf zoeken? Talm nog een wijle en hoor naar mij.

'Wie zoekt, raakt licht zelf verloren. Alle eenzaamheid is schuld': zo spreekt de kudde. En gij hebt lang tot de kudde behoord.

De stem van de kudde zal ook in u nog klinken. En als gij zeggen zult: 'ik heb niet meer één Geweten met u', - dan zal dit een klacht en een smart zijn.

Zie, deze smart zelf was nog vrucht van dat éne Geweten: en de laatste lichtglans van dit geweten gloeit nog op uw droefenis. Doch gij, die de weg uwer droefenis wilt gaan, welke is de weg tot u zelf? Toon mij uw recht en uw kracht daartoe!

Zijt gij een nieuwe kracht en een nieuw recht? Een eerste bewe­ging? Een uit zichzelf voortrollend rad? Kunt ge ook sterren dwingen zich te wentelen om u?

Ach, er is zoveel belustheid naar hoogte! Er zijn zoveel krampen van eergierigen! Toon mij, dat gij niet een van de belusten en eergierigen zijt!

Ach, er zijn zoveel grote gedachten, die niet meer doen dan een blaasbalg: zij blazen op en maken leger.

Vrij noemt gij u? Uw heersende gedachte wil ik horen, en niet 'dat gij een juk zijt ontdoken'.

Zijt gij er een, die een juk ontduiken m6cht? Menigeen heeft zijn laatste waarde weggeworpen, toen hij zijn dienstbaarheid van zich wierp.

Vrij waarvan? Wat bekommert zich Zarathoestra daarom! Klaar echter moeten mij uw ogen kond doen: vrij waartoe?

Kunt gij u zelf uw kwaad en uw goed schenken en uw wil boven u hangen gelijk een wet? Kunt gij u zelf tot rechter zijn en wreker van uw wet?

Ontzettend is dit alleen-zijn met de rechter en wreker der eigen wet Zo wordt een ster uitgeworpen in de lege ruimte en in de ijzige adem van het alleen-zijn.

Heden lijdt gij nog aan de velen, gij enkeling: heden hebt gij nog al uw moed en uw verwachtingen.

poch eenmaal zal u de eenzaamheid moede maken, eens zal uw trots zich krommen en uw moed tandenknarsen. Schreeuwen zult

gij eens: 'ik ben alleen!'

Eenmaal zult gij uw hoogmoed niet meer zien en uw kleinheid al-te-nabij; uw verhevenheid zelve zal u vrees aanjagen, een geest gelijk. Schreeuwen zult gij eens: 'Alles is leugen!'

Er zijn gevoelens, die de eenzame willen doden; gelukt het hun niet, welaan, dan moeten zijzelf sterven! Doch zijt gij daartoe in staat, moordenaar te zijn?

Kent gij reeds, mijn broeder, het woord 'verachting'? En de kwelling uwer gerechtigheid, hunner gerechtig te zijn, die u verachten? Gij dwingt velen tot een nieuw oordeel over u; dat rekenen zij u hard aan. Gij kwaamt hun nabij en gingt toch voorbij: dat vergeven zij u nooit ende nimmer.

Gij gaat boven hen uit: doch hoe hoger gij stijgt, des te kleiner zal het oog van de nijd u zien. Het meest echter wordt de vliegende gehaat.

'Hoe wilt gij jegens mij gerechtig zijn! - zo moet gij spreken ­ik kies mij uw ongerechtigheid als het mij toegemeten deel. Ongerechtigheid en vuil werpen zij naar de eenzame: edoch, mijn broeder, zo gij een ster wilt zijn, moet gij er hen niet minder om voorlichten!

En hoed u voor de goeden en rechtvaardigen! Zij kruisigen gaarne hen, die hun eigen deugd weten te ontdekken, - zij haten de eenzame.

Hoed u ook voor de heilige simpelheid! Alles is haar onheilig, wat niet simpel is; zij speelt ook gaarne met het vuur - der brandstapels.

En hoed u ook voor de aanvallen uwer liefde I Al te snel steekt de eenzame hem, die hij ontmoet, de hand toe.

Menigeen moogt gij niet de hand geven, doch slechts de klauw: en ik wil, dat uw klauwen ook nagels hebben.

Maar de ergste vijand, die gij kunt ontmoeten, zult gij altijd zèlf zijn; gij wacht u zelf op in holen en in wouden.

Eenzame, gij gaat de weg tot u zelf! En uw weg voert voorbij Uzelf en uw zeven duivelen!

Ketter zult gij uzelve zijn en heks en waarzegger en nar en twijfe­laar en onheilige en booswicht.

Wil tot verbranden in eigen vlam moet in u zijn: hoe wilt gij nieuw worden, wanneer gij niet eerst tot as geworden zijt? Eenzame, gij gaat de weg des scheppenden: een god wilt gij u scheppen uit uw zeven duivelen!

Eenzame, gij gaat de weg des minnenden: uzelf bemint gij en daarom veracht gij u zelf, zo als slechts minnenden verachten. Scheppen wil de minnende, omdat hij veracht! Wat weet hij van liefde, die niet juist verachten moest, wat hij beminde!

Ga met uw liefde en met uw scheppen in uw eenzaamheid, mijn broeder; en eerst laat zal de gerechtigheid u achterna hinken. Ga met mijn tranen in uw eenzaamheid, mijn broeder. Ik heb hem lief, die boven zichzelf uit scheppen wil en zo te gronde gaat.

 

Aldus sprak Zarathoestra.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL