HEER BOMMEL

EN ZIJN VERBORGEN ZIJDE

 

OCCULTE ELEMENTEN IN HET BOMMELOEUVRE VAN MARTEN TOONDER

 

DOOR MARY HEIJBOER-BARBAS

 

 

 

 

 

In den beginne waren er een Heer en een Poes. Heer OLIVIER B. BOMMEL en TOM POES vormen samen een twee-eenheid, die aan alle Bommelstrips in de Nieuwe Rotterdamsche Courant (later NRC/Handelsblad) ten grondslag ligt, vanaf hun eerste verschijnen in 1947. Om hen heen groeperen zich «vaste" figuren als de huisknecht JOOST, de kunstschilder TERPENTIJN, kapitein WAL RUS, de markies de CANTECLER en de magistratuur van ROMMELDAM, en eenmalig optredende figuren als de FEUNIX, de GRAUWE RAZER en OOLE DE WAR. Allen te zamen vor­men zij een wereld apart, de wereld van Rommeldam, waar velen van zijn gaan houden en waarin we onszelf telkens weer glimlachend en vertederd herkennen. Zoals GODFRIED BOMANS al heeft opgemerkt, is Rommeldam de enige plaats in Nederland, die iedereen kent en waar nog niemand ooit geweest is[1]. Opmerkelijk is, dat er zelfs verwoede Bommellezers zijn die de bewoners van Rommeldam en omstreken in hun dromen ontmoeten en er op voet van mens-zijn mee omgaan, hoewel de meeste stripfiguren dieren zijn, zoals dat in fabelliteratuur hoort (zie bijv. Reinaert de Vos). Wel een teken, dat de dierfiguren als mensen overkomen, geheel in overeenstemming met Toonders streven "de mens in al zijn vormen" te schetsen[2].

 

Van origine behoren de Bommelverhalen tot de avonturenstrips en ze hebben een stereotiep ver­loop. Na enkele, vaak los van elkaar staande, in­troductie-scènes wordt de intrige van het ver­haal geleidelijk duidelijker. We weten dat elk avontuur goed afloopt, doorgaans met een een­voudige doch voedzame maaltijd. Nochtans vol­gen we geboeid de gebeurtenissen en savoureren we nadenkend de diepe gedachten over leven en maatschappij die Toonder zijn figuren ingeeft, of die hij zelf als verteller inlast tussen de gebeur­tenissen, die onafwendbaar naar het hoogtepunt van het verhaal voeren, waarna de spanning zich in de catharsis oplost. Het is zonder meer duide­lijk dat de literaire kwaliteiten van een schrijver meer aan het woord komen in een tekststrip, (meestal) drie plaatjes met de tekst kolomsge­wijs daaronder, dan in een balloonstrip, waar de tekst in ballonnen boven het hoofd van de spre­kers wordt samengeperst. Tekst en beeld vor­men een eenheid bij strips, maar ik geloof toch dat de grote populariteit van de Bommelstrips meer te danken is aan de tekst en het taalgebruik dan aan de tekeningen.

"Een beetje literair angehauchte Nederlander draagt een aantal van die specifieke Bommel­uitdrukkingen in zijn ransel mee", zegt RUDOLF GEEL[3]. "Hoe vreselijk is dit alles" en ''Als iemand begrijpt wat ik bedoel" zijn in menig gezin stan­daarduitdrukkingen geworden. Schrijvers als W.F. HERMANS en GERARD REVE maken in hun boeken toespelingen op de Bommelverhalen en nieuwe woorden als "denkraam" zijn in de grote Van Dale opgenomen. Onder intellectuelen en sommige politici wint het Bommelse jargon nog steeds veld.

Gezien de grote populariteit van de Bommel­strips en gezien het feit dat Toonder zich sinds het eind van de veertiger jaren tot een volwasse­ner publiek richt, is het merkwaardig dat er over het Bommeloeuvre weinig serieuze studies van lange adem verschenen zijn. Voortreffelijk bi­bliografisch werk is gedaan door HENK MON­DRIA, die alle verhalen in chronologische volgor­de nummerde, zodat men sindsdien van het Mondria Verzeichnis (MV) spreekt.

ROB GODTHELP schreef voor middelbare scholie­ren een inleiding op De Bovenbazen (MV 104), een opmerkelijk gebeuren, omdat nog in de ja­ren zestig vele leraren aanzienlijke weerstanden hadden tegen Toonders stripverhalen, zodat deze niet zonder meer geaccepteerd werden op de literatuurlijst voor het eindexamen. Hier zal een rondschrijven van hogerhand d.d. 25 okto­ber 1948 stellig debet aan geweest zijn:

"De minister van O.K. en W doet een beroep op de directeuren der rijksscholen, gemeentebesturen en schoolbesturen, om te bevorderen dat het versprei­den van zogenaamde beeldromans zowel op school als daarbuiten zoveel mogelijk wordt tegengegaan. Deze boekjes die een samenhangende reeks teke­ningen met een begeleidende tekst bevatten zijn over het algemeen van een sensationeel karakter zonder enige andere waarde”[4].

In dit ministeriële anathema werden alle beeld­verhalen over één kam geschoren - een zwarte dag voor het Nederlandse stripverhaal. En dan te bedenken, dat in het jaar onzes Heren 1980 de staatssecretaris van verkeer en waterstaat, mevr. NEELIE SMIT-KROES, gewapend met een diapresentatie van cartoonachtige plaatjes en pakken­de teksten, en niet te vergeten met een hupse splitrok, naar Hamburg toog om Duitse zaken­lieden voor het Nederlandse vervoer warm te ma­ken. Een vrouwelijke staatssecretaris voor trans­port die de draak stak met het onderwerp en voor een luchtige presentatie koos, baarde op­zien en scoorde punten. Zei Bredero al niet: het kan verkeren! Zeker, er zijn wel beeldverhalen geweest die de jeugd geteisterd hebben met bruut geweld, zoals er ook, kwalitatief gezien, gewoon slechte strips bestaan, maar daarnaast zijn er grappige stripverhalen met puntige tek­sten als Asterix en Lucky Luke, en natuurlijk Tom Poes. Ik ben ervan overtuigd dat bovenge­noemd ministerieel rondschrijven de reflectie over strips ernstig belemmerd heeft. Het is nog steeds zo dat het beeldverhaal weinig aandacht krijgt in de officiële literatuurwetenschap. Er kleeft blijkbaar een odium van lichtzinnigheid aan, of men acht het een medium voor mentaal zwak begaafden, dat een zelfde functie vervult als de biblia pauperum in de middeleeuwen (de weergave van de bijbel in beeld voor analfabe­ten). Dit is ook de mening van de markies de Cantecler. In een commentaar op de bundel Parbleu5[5] zegt hij dat het "voorliggend imprimé door prentjes verduidelijkt is ten behoeve van het ongeletterde janhagel". Hij adviseert het werk niet "aan jonge lieden in handen te geven zonder toezicht van huisonderwijzer of gouver­nante".

Een andere belemmerende factor in de reflectie over strips is dat stripfanaten zeer gekant zijn te­gen een wetenschappelijke benadering en kriti­sche doorlichting van hun geliefde medium, zoals Rudolf Geel tot zijn schrik ervoer op een jaarvergadering van Het Stripschap. "Strips, daar kwam de discussie op neer, dat was iets waarvan wetenschappers moesten afblijven, want strips dat waren strips (zoals God God is)"[6]. Desondanks is de herwaardering van het stripverhaal in de zeventiger jaren mede te dan­ken aan Stripschrift en andere fanzines die de fans informatie geven over strips en hun achter­gronden. Uit die kring zijn allerlei publicaties in boekvorm te voorschijn gekomen.[7]

Zoals ik al zei, zijn er weinig diep gravende stu­dies over de Bommelverhalen geschreven, hoe­wel Toonder al in 1954 tot lid van de Maat­schappij der Nederlandse Letterkunde be­noemd en daarmee als literator erkend werd. Bovendien verschenen de Bommelstrips door een lumineus idee van de toenmalige directeur van De Bezige Bij, GEERT LUBBERHUIZEN, vanaf 1967 in de reeks Literaire Reuzenpockets, waar­door ze bestsellers of liever echte "bomsellers" werden. Niet iedereen is even gelukkig met deze herziene uitgaven van de Bommelstrips, waarbij de tekeningen sterk verkleind en de teksten groot worden afgedrukt. DOMIEN TEN BERGE spreekt over "de zwaar gecastreerde Literaire Reuzen (heus waar!) pockets”[8]. Alleen al dit taalgebruik onthult de Bommelfanaat. Hij sug­gereert dat de familie Toonder Marten op slink­se wijze "de literaire wereld" binnen heeft willen loodsen. Alsof de erkenning als literator afval­ligheid van het stripwezen impliceert.

Een van de aardigste kritieken is van de hand van LEX BIJLSMA in het studentenweekblad Pro­pria Cures naar aanleiding van de 13e pocket Met mijn teer gestel: "Nu heeft De Bezige Bij ein­delijk een veelbelovend auteur, die het ene ver­haal na het andere produceert, die het mooiste Nederlands schrijft dat ik ooit gelezen heb, die zich bezig houdt met serieuze wereldproblemen als de Atoombom en het Generatieconflict en die daarenboven helemaal niets met PC te ma­ken heeft - en wat doen ze? Ze geven de een of andere beunhaas opdracht om bovenaan elke pagina drie minuscule tekeningetjes te zetten waarin beren, katten en andere oenige dieren de handelingen van het verhaal naspelen. Kijk Lub, op die manier wordt het nooit meer wat”[9].

Die neemt niet weg dat de LRP-reeks van de dagstrips volstrekt onmisbaar is voor Bommel­kundige NRC-lezers die de strip niet iedere dag uit de krant hebben geknipt en zorgvuldig verza­meld.

Het is geen ongewoon verschijnsel dat literaire recensenten de ogen sluiten voor de occulte inte­ressesfeer van schrijvers. Dit is indertijd gebeurd bij WILLIAM BLAKE en W.B. YEATS[10]. Zo is er bij mijn weten eveneens nog geen studie verschenen over de occulte elementen in het werk van Mar­ten Toonder. In dit artikel wil ik trachten aan te tonen:

1. dat Toonder goed op de hoogte is van de oc­culte literatuur en er veel inspiratie en ideeën voor zijn verhalen aan ontleent,

2. dat er achter zijn Bommelverhalen heel wat meer schuilgaat dan de geamuseerde, maar niet zo oplettende lezer vermoedt.

 

OCCULTISME

Hier dient zich de vraag aan: wat is occultisme? Op grond van een enquête die dr. FERDINAND MAACK in 1897 instelde onder 72 Duitstalige schrijvers over parapsychologie en occultisme, kunnen we de aldaar gegeven definities aldus sa­menvatten. Occultisme is de wetenschap, res­pectievelijk de bestudering van het bovenzinne­lijke, een kennis die niet met de gewone zintui­gen te verifiëren is. Magie is bovenzinnelijkheid bewerkt door menselijke tussenkomst[11]. "De ma­gische Kunst is de meest geheime en occulte weten­schap van alle bovenzinnelijke dingen in de we­reld", zegt PARACELSUS in zijn Archidoxis magi­ca[12]. Hij ziet de imaginatio als een kenvermogen dat gelijkwaardig is aan de ratio en de zintuiglij­ke waarneming. Dat de imaginatie als kenver­mogen al vele eeuwen lang gediskwalificeerd is in het Westen, hangt samen met het verdwijnen van de antropologische drie-eenheid - geest, ziel en lichaam. De Zielknijpers en Zwarte Zwad­dernelen onder ons zullen desgevraagd verkla­ren, dat de mens uit ziel en lichaam, of uit geest en lichaam bestaat. Sinds de mens in de filosofi­sche antropologie van een drie-eenheid tot een twee-eenheid is gereduceerd, wordt de imaginatie niet meer serieus genomen als een instrument om in de wereld van de psyche door te dringen. In het voetspoor van DESCARTES kent men alleen nog abstracte ideeën, concepties, en zintuiglijke waarneming. Sindsdien wordt de imaginale[13] wereld als irreëel en onwaar gezien. Occultisme houdt zich bezig met die tussenwereld, de imagi­nale wereld, en is daardoor in de ogen van we­tenschappers en van theologen sowieso ver­dacht, een speelterrein voor zonderlingen.

Te allen tijde is er een bepaalde mate van occulte kennis geweest, omdat er altijd wel mensen ge­weest zijn die in staat waren het bovenzinnelijke waar te nemen. Wat het westerse occultisme in­houdt is het beste te zien, wanneer het in de Re­naissance boven de grond komt. De lijnen van astrologie, magie, alchemie, Hermetica, neopla­tonisme en kabbala komen dan samen in wat toentertijd de "occulte filosofie" genoemd werd. Onder deze titel, De occulta Philosophia, publiceerde CORNELIUS AGRIPPA in 1533 in Keu­len zijn magnum opus, dat de grondslag heeft ge­legd voor het moderne occultisme.

In de loop van de 17e eeuw verdwijnt het occul­tisme onder de grond en gaat het een verborgen leven leiden in allerlei geheime genootschappen van rozenkruisers en vrijmetselaren. Dit komt enerzijds door de heksenjachten die rond 1600 een droevig hoogtepunt bereikten[14], anderzijds door de opkomst van de moderne wetenschap, die zich baseert op het experiment dat herhaal­baar is en met de normale zintuigen geverifieerd kan worden. Een pikante bijzonderheid in dit verband is, dat het woord "experiment" aanvan­kelijk vooral gebruikt werd voor magische evo­caties, seances waarbij men contact probeerde te maken met wezens uit de "andere wereld"[15].

Met de opkomst van de Romantiek in de 19de eeuw herleeft het occultisme, maar door over­drijving en romantische sfeermakerij vaak in een vertekende vorm. Een nuchter iemand als ANA­TOLE FRANCE constateerde in 1890, dat je de lite­ratuur (en schilderkunst) van die tijd alleen kon begrijpen als je enigermate geverseerd was in occultisme[16]. En in onze tijd, vanaf de jaren ze­ventig, zien we weer een herleving van het occul­tisme, die wel de "occulte explosie" wordt ge­noemd.

 

DIVINATIE

In De dropslaven (MV 87) heeft Hocus Pas, ma­gister in de zwarte kunsten, een dropwinkel ge­opend in het Donkere Bomen Bos. Wie van de door magister Pas gefabriceerde dubbeldrop eet, gaat aan een verslaving lijden die hem van zijn sterkste eigenschappen berooft. De bediende Joost, voorheen gekenmerkt door eerbied voor zijn meerderen en levensernst, gaat zich door overmatig dropgebruik nu te buiten aan onge­paste grappen en brutaliteit. Wanneer de drop­verslaving in Rommeldam hand over hand toe­neemt, met alle kwalijke gevolgen van dien, ver­voegen heer Bommel en Tom Poes zich bij pro­fessor Prlwytzkofsky om hem advies te vragen, hoe ze een eind aan de dropverslaving kunnen maken. Prof. Prlwytzkofsky, "een geleerde van grote faam", die "zijn gegevens op wetenschap­pelijke wijze door het hoofd laat spelen"[17], blijkt ook aan dropverslaving te lijden. Hij is aan lager wal geraakt en woont te midden van een onbe­schrijflijke rommel in een achterbuurt. Het staaltje drop dat Tom Poes heeft meegenomen om het te laten analyseren, werkt de prof gulzig naar binnen, waarna hij voor zijn bezoekers de kaart gaat leggen. "Der kaartlegging geeft mooie resultaten. Kijk, der schoppenboer valt op der ruitenheerschap; dat geeft zwarigheden voor der Boml. Maar klaveracht. . .". Tom Poes trekt heer Ollie mee naar buiten, die door het optre­den van de prof in verwarring is gebracht.

"Ik begrijp het niet. Kaartleggen is toch geen wetenschap? Zeg nu zelf, jonge vriend!"

Waarop Tom Poes antwoordt: "Nee, maar hij is ook verslaafd aan dubbeldrop. En net als bij Joost berooft het hem van zijn sterkste eigen­schappen, zoals wetenschappelijk denken en zo".

Is de prof als kaartlegger dan een flop? Welnee, in werkelijkheid valt het verloop van dit leerza­me verhaal al uit de kaarten af te lezen. Ruiten­heer werd oudtijds muntenheer genoemd en staat voor heer Bommel zelf, voor wie geld geen rol speelt, maar die er wel plenty van heeft. Schoppenboer betekent gewoon "de vijand”[18]. In de situatie van heer Bommel is er sprake van een driekoppige vijand. Als heer Ollie zich in hoogsteigen persoon opmaakt om de dropwin­kel van Pas "uit te roeien, tot in het merg!" en zodoende "de beschaving te redden", wordt hij door de schurken Super en Hieper ter plekke in een zak vastgebonden en op de grond neerge­legd. De schurken vinden niet het geld waarop ze gehoopt hadden en maken zich met de drop­ voorraad uit de voeten. Daarop komt de oude Pas thuis van zijn avondwandeling en is ont­stemd over de bende die de bandieten gemaakt hebben. Hij beschouwt heer Bommel als een spion en dreigt hem te liquideren door een totale verdropping "zwart en glimmend, van binnen en van buiten". De toestand lijkt hopeloos. Maar dan brengt klaverenacht uitkomst in de gedaan­te van de ambtenaar eerste klasse, de heer Dor­knoper. Klaverenacht is iemand die voor zijn baas met opeengeperste lippen en een aktetas onder de arm geklemd een vertrouwensopdracht uitvoert. Het resultaat is even boeiend als een spannende scène uit een film, zo luidt de inter­pretatie van deze kaart door RICO BULTHUIS[19]. De heer Dorknoper, die 's avonds laat door Tom Poes is opgetrommeld, stapt de werkplaats van magister Pas binnen en zegt het pand te komen sluiten, omdat Pas geen middenstandsdiploma heeft, open is na sluitingstijd en geen vestigings­vergunning bezit. Pas schreeuwt uitzinnig: "Jij bent de overheid. En door overheidsbemoeiing wordt ieder particulier initiatief vernietigd! Ge­dood! Gruwel op je pad!" Hij werpt het recep­tenboek en het drankje dat hij voor heer Bommel geprepareerd had, in het vlammende haardvuur en een vreselijke ontploffing volgt, die het win­keltje van de aarde wegvaagt.

 

Nu zal de lezer mij misschien voor de voeten werpen, dat Toonder bij toeval raak geschoten heeft met deze kaarten en dat hij in werkelijk­heid niets van divinatie afweet. Dit is nauwelijks aan te nemen, aangezien Hel booroog (MV 117) kennis verraadt van een ander orakelboek, de I Tjing. Heer Bommel erft van oud-tante Elizabet een oud en vervallen huis met een schilderij, dat door allerlei enge mechanismen tegen diefstal beveiligd is. Het doekje, een geacheveerd oog in het centrum van een doolhof, is door Terpen Tijn in zijn jonge jaren geschilderd. Als heer Bommel zich in het bezit wil stellen van zijn erf­goed, blijken er kapers op de kust te zijn. De heren Iet en Karnagel hebben met oosters geduld gewacht op de erfgenamen om die de gevaren van het huis te laten overwinnen en er daarna zelf met het schilderij vandoor te gaan. Dit plan lukt niet helemaal. Niet alleen de erfgenaam, heer Bommel, wordt met een ijzersterke veer de lucht in geschoten of verdwijnt via een openval­lend luik in de kelder, maar ook zijn belagers Iet en Karnagel gaan dezelfde weg. Uiteindelijk is Tom Poes iedereen te slim af. Hij verdwijnt met het schilderij tijdig naar buiten. Na nog een aan­tal vergeefse pogingen weten Iet en Karnagel het schilderij toch aan heer Bommel te ontrukken. Zij spoeden zich ermee naar het vliegveld Poel­bol, dat in vroegere jaren een druk luchtverkeer gekend heeft, maar nu alleen nog enkele jacht­vliegtuigen van verzamelaars herbergt, en ma­ken zich met een oud vliegtuigje uit de voeten.

In dit levendig geschreven verhaal spreekt Iet enkel Chinees. Toonders Chinees zal, net als het mijne, wel in een lucifersdoosje kunnen. Daar­om lag het voor de hand de I Tjing uit de kast te pakken, te meer waar de taal van Karnagel dui­delijk in die richting wees. Als Iet ten tweede male door de veer omhooggeschoten is en via het dakraam door de verrotte plafonds zakt, zegt Karnagel: "Versplintering! Niet bevorderlijk waar ook heen te gaan. Versplintering beduidt verval!"

Deze woorden zijn ontleend aan hexagram 23 ­- Po/De versplintering. Inderdaad blijkt de heer Iet de situaties te schetsen met de tekens van de I Tjing. Maar ook hier volkomen ter zake. Ik zou zelfs zo ver willen gaan met te stellen dat de por­tee van de kostelijke dialogen tussen let en Kar­nagel aan niet-I Tjing-kenners toch wel moet ontgaan! Eén voorbeeld. Wie naar het schilderij met het Oog van Boor kijkt, voelt zijn geweten spreken en ziet zijn motieven en daden in het "ware" licht. Dit overkomt ook Karnagel, zodat hij van het oorspronkelijke plan het Oog van Boor te stelen wil afzien en daartoe veel misbaar maakt in het vliegtuigje, zodat let er hinder van heeft bij het opstijgen. "Hij (Iet) wachtte even, totdat het toestelletje zich op voldoende hoogte bevond. Toen wendde hij zich om en greep het schilderij, dat achter hem op een zitplaats stond. "Ming I”, gromde hij. Door deze opmerking zal het de meer ontwikkelde lezertjes duidelijk zijn, dat hij begreep wat er aan de hand was. En ook, dat hij een einde aan de vreemde uitwerking van het schilderij wilde maken". Ming I is hexagram 36/De verduistering van het licht. Kortom, Iet draait het schilderij om.

Het verhaal Het booroog ontleent zijn charme mede aan de verschillende niveaus waarop het zich afspeelt. Als heer Bommel en Joost vreemd op het schilderij reageren, gaat Tom Poes aan de meesterschilder Terpen Tijn vragen wat ermee aan de hand is. "Een meesterwerk kan altijd kwaad", verklaart Terpen Tijn. "Een goed stuk­je slaat door de grofstoffelijke vleesmassa, mak­ker! Het is een trilling van het ego. Een bood­schap, zeggen de jongeren. Aan m'n zolen met die boodschap; het is de vibratie van het Oog van Boor, die ik op het linnen heb gegooid. En als het van die Bommel is, mag hij wel oppassen! Zijn zenuwknopen zijn zo vervet dat zijn graat wel eens kon beschadigen!"

Terpen Tijn ziet dus de werking van het Oog als "verlichting"; "een trilling van het ego" (een theosofische term) betekent in deze context, dat het geestelijk bewustzijn wordt gewekt. In de vrijmetselaarssymboliek wordt het Alziend Oog ook wel "het oog van het geweten" genoemd. Het is het oog dat het innerlijke geweten wekt en het houdt waarschijnlijk verband met het derde oog, dat in het voorhoofd van Shiva-beelden is aangebracht; dit oog wordt wel het oog van de verlichting genoemd[20].

Voor de schurken Iet en Karnagel, en later Super en Hieper, is het schilderij niets anders dan de plattegrond van een doolhof in de piramide van Boor, die ergens in het Zuiden in de warme woestijn staat. In het centrum daarvan bevindt zich het beeld van de god Boor, waarvan het der­de oog een bovenmaatse stralende diamant is. Alle schurken zijn er op uit om met de platte­grond in de hand die diamant te stelen, maar als ze het beeld van de god Boor gevonden hebben druipen ze onverrichter zake met de staart tus­sen de benen af door de boven reeds aangeduide werking van het innerlijke geweten. Zoals Ter­pen Tijn Iet en Karnagel al gewaarschuwd had, zou het begerig willen bezitten van het Oog der Verlichting “Jullie denkerwten" wel eens "tot grijze pudding kunnen klutsen".

 

RAGFIJN SPEL

MET OCCULTE GEGEVENS Het wemelt in Toonders verhalen van folkloris­tische, mythologische en occulte motieven. De auteur gebruikt ze echter op een geheel eigen, om niet te zeggen, eigenzinnige wijze. Laten we het thema "heks" eens nader bekijken.

In Het ontstoffen (MV 94) wordt de firma Holle en de War, die uit heksen bestaat, naar Bommel­stein ontboden. voor een grote schoonmaak. Het thema "heks" is hier geheel losgepeuterd uit de middeleeuwse context van heksensabbat, het kussen van het achterste van de bok, kinderen doden uit vampiermotieven, incubi en een ver­bond met de duivel sluiten. Alleen het motief van het door de lucht vliegen op een bezem wordt in dit verhaal gebruikt. De heksen van de firma Holle en de War zijn eigenlijk heel welwil­lend en niet speciaal geassocieerd met zwarte magie; de enige orgie waarvan hier sprake is, is de orgie van het "ontstoffen". Niets mag op zijn plaats blijven. Heer Bommel voelt zich volledig "vastgekoekt" in zijn huis en wil een nieuw leven beginnen. Met Tom Poes en de Oude Schicht boekt hij een reis met de Albatros naar de Stuif­eilanden bij de rederij van dezelfde firma Holle en de War. Het is haast overbodig te zeggen dat het Stuifeiland een heksenland is.

Het leven op het Stuifeiland draait om het "vast­schrevelen" en "ontstoffen". Door met een zwart krijtje een pentagram te trekken kun je iets vastzetten; vegen met een bezem maakt het weer los. De hangmatten die de heks voor heer Bom­mel en Tom Poes in een grot ophangt als slaap­plaats, worden vast geschreveld met een vijfpun­tige ster die op een rots wordt getekend. Uit de begeleidende tekening valt op te maken, dat het hier om een evocerend pentagram van het ele­ment aarde gaat, waarmee een aardkracht wordt opgeroepen en vastgehouden. Deze magische techniek is ons overgeleverd via The Hermetic Order of the Golden Dawn[21]. Een kracht die je op­geroepen hebt dien je ook weer los te maken of uit te bannen. In de magie gebeurt dit door het pentagram in tegengestelde richting te trekken. Het "vastschrevelen" en "ontstoffen" in dit ver­haal zijn analoog aan het "oproepen" en "uit­bannen" in de magie.

Er is door de aan BRES-lezers welbekende jon­gere broer van Marten Toonder, Jan Gerhard, naar voren gebracht, dat de figuren van de "vol­wassen" Bommelstrips rechtstreeks teruggaan op de figuren uit het jeugdepos dat de beide broers samen creëerden op grond van het sprookjesmateriaal dat hun door ouderen was aangereikt[22]. Ik wil dit niet bestrijden, maar toch wijzen op een belangrijke nieuwe factor die vor­mend op reeds lang bestaande figuren heeft in­gewerkt, nl. de grotere belezenheid van de au­teur in occulte literatuur. De tovenaar Hocus Pas uit bijvoorbeeld De betoverde spiegel (MV 15) is van een andere kwaliteit dan de Hocus Pas, magister in de zwarte kunsten, uit De astro­mann (MV 127) of De waarde-ring (MV 134). "Hocus Pas is verreweg de knapste figuur die Toonder heeft bedacht. De verhalen waarin hij de geheimzinnige hoofdrol vertolkt, ademen een volstrekt unieke sfeer", zegt Rudolf Geel[23].

De trullenhoedster (MV 116) is zo'n verhaal dat een volstrekt unieke sfeer ademt. Magister Ho­cus P. Pas koopt Ivy, het dochtertje van een heks in het woud, met goudstukken die hij als ervaren alchemist uit lood heeft vervaardigd. Als inge­wijde leraar in de zwarte kunsten geeft hij haar een eersteklas scholing en leert haar de krachten van "Seth en Zazel". Seth representeert in de Egyptische Osiris-mythe de macht van het kwaad. Zazel is volgens Agrippa de geest die over de sfeer (sphera) van Saturnus heerst. Het Saturnale temperament leidt tot innerlijke visies van de verborgenheden van de kosmos. Heeft de visionair niet de juiste instelling, dan leidt de Sa­turnale invloed tot hekserij, een uitleveren van jezelf en anderen aan destructieve krachten[24].

Magister Pas wil zich met vampierachtige of kannibaalse oogmerken meester maken van de mannelijke bevolking van Rommeldam. Hij richt daartoe een poortje op midden in de bloeiende heide en laat de heks Ivy door het poortje heengaan om daar "verblijf' te houden. Als de markies de Cantecler die haar door de deur heeft zien gaan, achter het poortje kijkt ziet hij niets, m.a.w. zij is een andere dimensie bin­nengegaan, in de wandeling het astraal gebied genoemd. Het poortje lijkt als twee druppels wa­ter op de tempelpoort die op 18deeeuwse vrij­metselaarstableaus is afgebeeld. Daar symboli­seert de poort het begin van de weg naar het Licht, hier naar de duisternis. Iedere man die door het poortje gaat en door de heks Ivy wordt aangekeken, verandert in een varkentje om ver­volgens met trulzwammen te worden vetgemest voor Pas' doeleinden. Dit is een klassiek motief. Circe veranderde de gezellen van Odysseus in zwijnen door ze een kruidendrank te laten drin­ken en toverde ze op verzoek van Odysseus terug in mensen door hen een kruid te laten eten.

In Apuleius' Gouden Ezel verandert Lucius in een ezel, als zijn minnares Photis het verkeerde potje zalf van haar meesteres heeft gestolen. Hij had een vogel willen worden om 's nachts vrij te kunnen vliegen, maar hij verandert in een ezel. Na vele droevige avonturen herkrijgt hij zijn menselijke gedaante door van een krans van ro­zen te eten die een Isis-priester tijdens een pro­cessie in de hand houdt.

Dr. MARIE-LOUISE VON FRANZ zegt in haar inte­ressante boek Apuleius' Golden Ass[25], dat de en­kel seksuele relatie zonder emotionele binding die Lucius met Photis aanging, haar onbewust wraak deed nemen voor dit tekort.

Na een zeer goed bezochte receptie die magister Pas en zijn "dochter" in restaurant De Gouden Karper houden voor de leden van de Kleine Club, komt er een flinke aanloop op gang naar het poortje op de hei. Niemand keert terug en de lijst van vermisten wordt steeds langer. Heer Bommel probeert aan de onhoudbare toestand een eind te maken door de poort met dynamiet op te blazen, maar als Ivy zegt nu geen onderko­men en bescherming meer te hebben, biedt hij slot Bommelstein aan om haar en de kudde te huisvesten. Het is Tom Poes die, vlak vóór Pas met zijn veewagen komt, de trollen hun mense­lijke (of dierlijke) gedaante hergeeft door ze droeselkruid te laten eten, dat hij van de moeder van Ivy heeft meegepikt. Hocus Pas en Ivy ver­anderen zichzelf in zwarte kraaien en zoeken een goed heenkomen.

Tom Poes kort zich de tijd vóór het eten met het doornemen van een boek uit heer Ollie's biblio­theek. "De kracht van een heks ligt vooral in de ogen", las Tom Poes. "Alleen personen van een onberispelijke levenswandel kunnen aan haar blik weerstand bieden". In welk boek las Tom Poes? Was het soms SOLDAN-HEPPE'S Geschichte der Hexenprozesse? Daarin staat het boven­staande te lezen. De auteurs voegen er nog aan toe, dat het Griekse woord baskainein en het Latijnse fascinare (ons fascineren) heel in het bij­zonder werden gebruikt om de werking van het boze oog aan te duiden[26].

Er zijn meer voorbeelden van te geven dat Toon­der occulte literatuur in zijn verhalen gebruikt. In het begin van De vuursalamander (MV 109) geeft heer Bommel aan Joost college over een niet met name genoemd boek van Papus. Dit moet wel zijn Traité élémentaire de magie prati­que (Parijs 1893). Hierin komt een plaat voor van een magische evocatie. Op het linker deel van de plaat zien we de magiër met staf en zwaard aan het werk in de magische cirkel. Het rechter deel van de plaat geeft het effect van de evocatie weer op het astraal gebied, waar in de wierookwolk een salamanderachtige gestalte langzaam vorm aanneemt. Het zou mij niet ver­bazen als de verstikkende rookwolken die uit heer Ollie's kwalijk riekende brouwsel opstijgen, ontleend zijn aan de hevig rokende wierookpot op de plaat van Papus.

De vuurelementaal die heer Bommel in dit kol­derieke verhaal over bezweringen wil oproepen, ziet Domien ten Berge aan voor het sprookjes­motief van de draak[27]. Deze miskleun verraadt een onbekendheid met elementalen, die Paracel­sus "de bloem der elementen" noemt[28]. Daarom zal het laatste hoofdstukje van dit artikel, na een prelude over de humor, over deze elementaire wezens gaan.

 

FAIRIES

Er valt heel wat af te lachen in de Bommelstrips. Maar behalve het amuseren van de lezer heeft de humor bij Toonder nog een andere functie. Hu­mor en ironie zijn prachtmiddelen om je de scep­tici van het lijf te houden. Humor impliceert het vermogen om een zekere distantie te bewaren, zowel ten opzichte van jezelf als ten opzichte van de wereld. Die distantie geeft anderen de indruk dat de schrijver de zaken niet helemaal serieus neemt, terwijl hij in werkelijkheid innerlijk over­tuigd is van de waarde van het onderwerp - zon­der dat geheim te hoeven prijsgeven.

Neem bijvoorbeeld het begin van De astromanen (MV 127). Magister Pas heeft zich in de Zwarte Bergen gevestigd. Op "para-abnormale" wijze heeft hij de aardgeesten (hier "krollen" ge­noemd) ertoe gebracht om voor hem goud en diamant te winnen, zodat alle grotten in de om­trek ermee gevuld worden. Door van "para-ab­normaal" in plaats van "paranormaal" te spreken ontkracht de auteur mogelijke defensieve en agressieve reacties van sceptici en maakt hij de weg vrij voor een welwillende glimlach. Maar dat wil niet zeggen dat hij zijn onderwerp niet serieus neemt. Dat gnomen schatten in de grond bewaken en met magische middelen geprest kunnen worden die prijs te geven, is een zeer oude overlevering. Ik denk dat één van de rede­nen van Toonders voorkeur om in Ierland te wo­nen, wel eens zou kunnen zijn, dat onder de plat­telandsbevolking aldaar de overlevering omtrent "fairies" nog levend is.

Een goede samenvatting van deze overleverin­gen is te vinden in Paracelsus' monografie De nymphis, sylphis, pygmeis et salamandris[29]. Paracelsus (1493-1541) stelt dat het de specifieke op­gave van ieder mens is om de mysteriën van de schepping te doorgronden, niet alleen van dat deel van de schepping datje met je normale zin­tuigen kunt waarnemen, maar ook van het bo­venzinnelijke deel van de schepping, dat je krachtens je "subtiel" (suprafysiek) lichaam kunt waarnemen. Voorwaarde is wel, niet je energie te besteden aan roddelen, gokken, zui­pen, hoereren, anderen vliegen afvangen, of rijk willen worden; het welzijn van je ziel is meer ge­diend met een poging je waarneming van gno­men in woorden te vatten dan met vechten en hoereren. Er wordt gezegd dat in het huis Gods vele woningen zijn, maar in wat voor woning je na de dood terecht komt, hangt grotendeels af van het inzicht, de ervaring en de kennis die je je van de zichtbare en onzichtbare schepping ver­worven hebt. Daarna komt Paracelsus te spre­ken over zijn eigenlijke onderwerp - de wezens die de elementen lucht, water, aarde en vuur "bewonen", respectievelijk de elfen (sylfen), nymfen (undines), gnomen (kobolden) en sala­manders (vuurelementalen). Nymfen zien eruit als mensen met menselijke kledij, gnomen zijn half zo groot als mensen en maken een grovere indruk. Kenmerkend voor alle elementalen is dat zij wel een zekere mate van verstand, maar geen ziel hebben. Zij lijken op mensen in het klein.

Verhelderend en nauw aansluitend bij wat Para­celsus zegt, is ook wat Marten Toonder zelf heeft losgelaten over de "fairies", de elfen en aard­mannetjes in zijn verhalen.

"Waarschijnlijk zijn fairies lelijke gedrochtjes, naar menselijke maatstaven. Maar ze zijn daar­naast heel machtig. Als je dus zegt: het zijn ge­drochtjes, dan zijn ze zo machtig dat ze zich wre­ken. . . Ze hebben voor ons geen enkele functie. Ze leven in een parallelwereld. Een wereld die ergens naast de onze is. Die door de onze heen­loopt, maar die totaal anders is. Met andere nor­men, een andere moraal. . . Ze zijn aards, dat wil zeggen: aard-gebonden. Als de aarde zou ver­gaan, vergaan zij ook. Een onsterfelijke ziel zit daar niet in. Ze zijn zelf wel onsterfelijk. Zolang de aarde bestaat, bestaan zij ook. Maar er zit een eind aan".

Het gevoel zit hun dwars "dat ze zo één met de natuur zijn, dat ze met de natuur vergaan. En daarom - er zijn nog allerlei dingen - zijn ze zo jaloers op de mens. .. Ze hebben een kracht. Een potentie, die sterker is dan de onze. Een vi­bratie, als ik het zo noemen mag. Dus je kan er ook door geïnspireerd worden".

Zijn conclusie luidt: "Je leert dat er andere wet­ten zijn. Andere dan de natuur. Dan praat je niet meer over wetenschap of over geloof, of zoiets”[30].

Tot slot van dit artikel wil ik de gnoom Knar ten tonele voeren. Hij treedt op in De wilde wagen (MV 103), een uiterst leerzaam verhaal over rei­zen en ervaringen opdoen. Magister Pas onder­vindt veel hinder van het toegenomen toerisme in zijn gebied, de Zwarte Bergen. Het gadeslaan van de drukte bij een kraampje aan de rand van het bos brengt hem op het idee een reisbureau te openen.

"De markt voor alruin wortels en pentagrammen is aan het verlopen, maar hier ligt een nieuw ter­rein braak. Reiservaringen!", lispelt hij bij zich­zelf. Hij gaat de gnoom Knar opzoeken om een reiswagen met een heel bijzonder wiel te bestel­len. Deze ontmoeting verhaalt Toonder aldus:

"Diep in het woud, daar waar de rode draaiden­nen staan, bevond zich de spelonk waar de gnoom Knar zijn eenvoudige werkplaats had in­gericht. Lang, lang geleden had hij het wiel uit­gevonden en sindsdien gold hij als de grootste deskundige voor alles wat draait. Meestal kon men hem temidden van vervallen werkstukken voor zijn grot aantreffen, waar hij, onder het ge­not van oude kanaster, nadacht over alles wat wentelt - en dat is veel.

Ook deze morgen toefde hij mijmerend voor zijn smederijtje, toen hij gestoord werd door de na­dering van een klant.

"Als dat magister Pas niet is!" riep hij opschrik­kend uit. Na de dag volgt de nacht en na de vrede volgt de magister. Alles draait!'''.

De gnoom Knar geeft hier in zijn mijmeringen uitdrukking aan twee van de zeven zg. Hermeti­sche principes. Deze werden toegeschreven aan de legendarische figuur Hermes Trismegistus, die oudtijds als de "vader van het occultisme" werd beschouwd. In The Kybalion[31] vinden we een samenvatting van de zeven principes die aan alle occulte kennis ten grondslag liggen. Het der­de Hermetische principe luidt: "Niets is in rust, alles is in beweging; alles vibreert", en het vierde principe: "Polariteit". Alles is tweeledig, alles bestaat uit tegenstellingen die voortdurend in el­kaar overgaan; positief - negatief, liefde - haat, zacht - hard. Dag en nacht volgen elkaar op en "na de vrede volgt de magister".

 

Over de occulte elementen in het Bommeloeuvre van Marten Toonder zou nog heel wat meer te zeggen zijn, maar ik wil het bij deze kleine selec­tie van onderwerpen laten. Zoals commissaris Bulle Bas al heeft opgemerkt: "Die Bommel is steeds bezig, zodat men aan de gang kan blijven" (MV 135).

 

 

­uit: Bres nr 90 – september/oktober 1981 

 

 



[1] Uitleiding door Godfried Bomans in Altijd dezelfde, Am­sterdam 1977

[2] Henk R. Mondria, Bommelbibliografie, Den Haag 1974; p. 29, 54. De nieuwste editie is van 1978

[3] Rudolf Geel en R.H. Fuchs, Schijnhelden en nepschurken (beschouwingen over het beeldverhaal), Amsterdam 1973; p.28

[4] Kees de Bree, Rob van Eyck, Martin Wassington, Strips, Haarlem 1978; p. 55

[5] Op de achterflap van Parbleu, Amsterdam 1980

[6] R. Geel, "De blinde zieners van het beeldverhaal" in Po­pulaire literatuur, Amsterdamse smaldelen I, Thespa 1974; p. 247

[7] Zie de literatuuropgave in Strips (noot 4) en de Bommelbi­bliografie (noot 2)

 

[8] Domien ten Berge, De stripkunst van Marten Toonder, Den Haag 1976; p. 36

[9] Strips (noot 4); p. 62

[10] Pas laat zijn er studies verschenen over het occultisme van deze auteurs. Denis Saurat, Blake and Modern Thought, Londen 1929. H.R. Bachchan, W.B. Yeats and occultism, New York 1974; etc.

 

[11] Voor de eerste definitie zie dr. Ferdinand Maack, Okkulti­smus, Zehlendorf b. Berlin 1898. De tweede definitie is van Johan Daisne, Wat is magisch realisme?, A'dam/Brussel 4e dr. 1973; p. 13

[12] Paracelsus, The Arehidoxes of Magic, 2e dr. New York 1975; p. 81

[13] De term is van Henry Corbin, die liever van imaginale dan van imaginaire wereld spreekt. Imaginair associëren wij met onecht, niet-reëel. Voor de reductie van de mens tot een twee-eenheid, zie Henry Corbin "Mysticism and Humour" in Spring, An Annual of Archetypal Psychology, New Vork 1973; p. 28

[14] Norman Coho, Europe's Inner Demons, Londen 1975; p. 225

 

[15] Keith Thomas, Religion and the Decline of Magic, Londen 1971; p. 230. Er zijn talloze "Books of Experiments" (ver­slagen van seances) in manuscript bewaard gebleven, die er op wijzen dat er door intellectuelen op grote schaal geëxperimenteerd is met magie

[16] Mircea Eliade, Occultism, Witchcraft and Cultural Fa­shions, Chicago 1976; p. 51

 

[17] Het eerste citaat is uit De Labberdaan (MV 110), het twee­de citaat uit Het monster Trotteldrom (MV 107)

[18] Cicely Kent, Kaarten vertellen ook Uw toekomst, Den Haag 2e dr. 1972; p. 52

[19] Rico Bulthuis, Open Kaart, Zwolle 1967; p. 56/57

[20] Jean-Pierre Bayard, Le Symbolisme Maçonnique Tradi­tionnel, Parijs z.j.; p. 76, 191 en 213

[21] Zie hiervoor Israel Regardie, The Golden Dawn, Llewellyn Publications 1971; vol. III, p. 9 e.v.

[22] Uitleiding door Jan Gerhard Toonder in Een heer moet alles alleen doen, A'dam 1980; p. 212/213

[23] Schijnhelden en nepschurken, zie noot 3; p. 30/31

[24] Frances A. Yates, The Occult Philosophy in the Elizab­ethan Age, Londen 1979; p. 53-55

 

[25] New York 2e dr. 1974; derde hoofdstuk

[26] Soldan-Heppe, Geschichte der Hexenprozesse, Band I, 1ste  dr. 1843, nieuwe uitgave door Max Bauer, Hanau/M, z.j.; p. 57. De auteurs baseren zich hierbij op dr. S. Seligmann, Der böse Blick und Verwandtes, Bd. I, Berlijn 1910

[27] De strip kunst van Marten Toonder (zie noot 8); p. 52

[28] E.M. Butler, Ritual Magie, Carnbridge 1979; p. 35

 

[29] Theophrastus Paracelsus Werke, Band 111, Peuckert-uitga­ve, Basel/Stuttgart 1967

[30] De stripkunst van Marten Toonder (noot 8); p. 44

[31] Anonymus, The Kybalion, Hermetic Philosophy, Yogi Pu­blication Society, Chicago 1936. Het Corpus Hermeticum, het geheel van aan Hermes Trismegistus toegeschreven geschriften, dateert uit de eerste eeuwen na Christus. Het is mogelijk dat er oudere overleveringen in verwerkt zijn.

 

Copyright © 2008, Stichting Het Toonder Auteursrecht (met toestemming geplaatst)

 

Teken mijn gastenboek

 


Stuur Fran een mailtje
 

Je kan om de twaalf uur een stem uitbrengen voor Spirituele Vrienden

 

Top 100 NL
 


Boeken koop ik bij bol.com

  Alle boeken over Religie & Esoterie vind je bij bol.com!

web hit counter