Griekse Mythen en Sagen 

01.Het ontstaan van de Wereld - 02 Koning Oidipous -



HET ONTSTAAN VAN DE WERELD

          

Aan het begin aller dingen was de grenzenloze wereldruimte, die de dichters der Oudheid de Chaos noemen. Deze was zonder maat, zonder aanvang en zonder einde; als een gapende leegte strekte hij zich uit in het onmetelijke. In oorsprong was hij tot in de diepte vol van een duistere nevel. Toch bevatte de Chaos reeds de grondbestanddelen van al wat bestaat: aarde, water, lucht en vuur.

Uit de vormeloze leegte ontstonden Gaia, de aarde, en de don­kere Tartaros, de afgrond onder de aarde; naast deze beiden ont­wikkelde zich Eroos, de liefde die werkzaam is in het eeuwig Heelal.

Gaia, de aarde, bracht zee en hemel voort, welke de ouden Pontos en Oeranos noemen. Ook de Titanen, de drie Cyclopen en de drie honderdarmige reuzen zijn kinderen van oermoeder Aarde, want Eroos, de albeheersende liefde, bewoog haar om zich met de zee en met de hemel te verbinden.

Oeranos, de hemel, verhief zichzelf echter weldra tot Heer. Hij was de vader der reusachtige eenogige Cyclopen, die de blik­semen wisten te bewerken, en der twaalf geweldige Titanen. Zes zonen en zes dochters waren het: Okeanos, Japetos, Kronos en Hyperioon zijn onder de mannelijke, Thetys, Themis, Rhea en Theia onder de dochters de meest beroemde.

Een oerkracht was er in de gestalte en het lichaamsvermogen van de Titanen, die de stamvaders en stammoeders der latere godengeslachten zouden worden: Okeanos is de grote wereld­stroom die aarde en zee in het rond omgeeft; alle wateren van de zee, van rivieren en bronnen ontspringen uit hem, ook verhef­fen zon, maan en sterren zich uit zijn golven en duiken in hem  weer onder. Zijn vrouw is Thetys, het opwellende, voedende vocht; vele stroomgoden kwamen uit dit Titanenhuwelijk voort. Themis verzorgt in de wereldorde sinds de oertijd de gerechtig­heid, de zede en de natuurwet, terwijl uit het huwelijk van Hy­perioon en Theia, de beide lichtgestalten, de zon, de maan en het morgenrood voortgekomen zijn.

Kronos, die de Romeinen Saturnus noemen, is de jongste der Titanen, en met Rhea zou hij Oeranos en Gaia in de wereld­heerschappij opvolgen.

Vreselijke dingen worden van die oertijden verhaald. Oeranos voelde zich in de wereldheerschappij bedreigd door zijn eigen zonen, de reusachtige Cyclopen, en verbande hen in de diepte van de duistere Tartaros. Tevergeefs trachtte Gaia haar kinderen tegen de haat van de vader te beschermen. Toen riep zij de Tita­nen op om hun broeders te redden. Alleen Kronos echter, de jongste, waagde het voor zijn broeders op te komen.

"Ik zal je een wapen geven" riep Gaia in haar toorn: zij liet in de schoot der aarde het ijzer ontslaan en dit werd een zeis. Het was een vreselijke strijd, waarin Kronos zich stortte; met zijn scherp wapen verminkte hij zijn eigen vader, ontrukte hem de heerschappij en maakte zichzelf tot koning.

Met deze ontzettende handeling kwam de misdadigheid in de wereld. Doch uit de bloeddruppels van de getroffene, die op de aarde neervielen, ontsproten de vreselijke wraakgodinnen, de Erinnyen, en het reuzengeslacht der Giganten. Gruwelijk was de wraak, die de woorden van de verminkte Oeranos al opriepen. "Eens zal ook één van jouw zonen je van de troon stoten, zoals jij het mij hebt aangedaan'" zo riep hij zijn zoon toe. Sindsdien moest Kronos in angst leven, en toen zijn gemalin Rhea hem spoedig kinderen schonk, verslond hij ze telkenmale dadelijk na de geboorte: zijn dochters Hera, Hestia en Demeter en zijn zonen Hades en Poseidoon.

Voor Rhea was het een onnoemelijk moederleed om haar kin­deren aan Kronos over te geven. Toen zij nu opnieuw aan een kind het leven zou schenken begaf zij zich naar haar ouders Oeranos en Gaia om hen om raad te vragen. "Ga naar het eiland Kreta." spraken deze. "daar zult ge voor de gewelddaden van uw man veilig zijn." Rhea volgde deze aanwijzing: weer bracht zij een knaapje ter wereld, en in de eenzame, donkere grot van het gebergte Ida, waarin zij het kind verborg, kon zij hem het leven redden.

De jonggeborene heette Zeus. Weliswaar ging de begeerte van Kronos ook naar deze zoon uit, maar Rhea misleidde hem listig door hem een in luiers gewikkelde steen toe te reiken. De wrede Titaan verzwolg deze gretig en had geen vermoeden dat zijn zoon ondertussen opgroeide, welbewaard bij de bergnimfen. Een god­delijke geit gaf hem uit haar uier te drinken, de bijen van de berghelling brachten hem honing, en wanneer hij zichzelf met zijn kindergeschrei in gevaar bracht, maakten de priesters van Rhea luid geraas, opdat Kronos de schuilplaats niet zou ont­dekken.

Toen Zeus tot een man was opgegroeid, trad hij voor zijn vader Kronos en dwong hem de onsterfelijke kinderen, die hij verslonden had, terug te geven. Vreselijk kwamen nu de wraak­woorden van de stervende Oeranos tot vervulling, want nu be­gon Zeus met zijn broeders en zusters, uitgaande van de Olym­pos in Thessalië, de strijd tegen Kronos en diens broeders, de Titanen. Aan de Cyclopen en de honderdarmige reuzen, die Kro­nos in de Tartaros gevangen hield, gaf Zeus de vrijheid en maak­te hen daardoor tot zijn helpers. Zelfs stonden enige van de Titanen, vooral Okeanos, Tethys en Themis, Zeus ter zijde. Ver­schrikkelijk was de strijd der oermachten om de wereldheerschap­pij; de weergalm drong door tot in de diepten van de Tartaros. Zeus' machtigste wapen waren de bliksemschichten, die de Cyclopen voor hem hadden gesmeed; zonder ophouden slingerde hij ze van zijn bergvesting, de Olympos, naar omlaag totdat de Titanen verslagen waren. Zo behaalde Zeus de overwinning en daarmee de heerschappij over de wereld.

Uit dankbaarheid voor de dappere hulp deelde Zeus nu de wereldheerschappij met zijn broeders. Terwijl Hades de onder­wereld kreeg, gaf hij Poseidoon de macht over de zee; zelf be­hield hij als zetel van zijn heerschappij de hemeltroon. De Tita­nen die trouw aan zijn zijde hadden gestaan, liet hij hun machts­gebied. terwijl hij de vijandelijke in de Tartaros gevangen hield.

Aan de zijde van Zeus leefde sinds die tijd als zijn gemalin de godin Hera, die als oudste dochter van Kronos ter wereld gekomen was. Uit het schuim van de zee steeg zijn dochter Aphro­dite op, de godin van de liefde en de schoonheid, die alle an­dere godinnen in bevalligheid en liefelijkheid overtrof. Twee kin­deren werden aan de opperste god geschonken door Leto, een dochter van de Titaan Koios: Phoibos Apolloon, de god van welvaren en ordening; hij was de beschermheer van de wet, van al wat goed en schoon is in de natuur en in de mensenwereld. Artemis, zijn zuster, was eveneens een beschermende en heilbren­gende godin, zij schonk het frisse bloeiende leven der natuur. Evenals haar broeder Apolloon was zij ongehuwd.

De lievelingsdochter van Zeus echter was Pallas Athene, die uit zijn hoofd, de zetel van  het verstand, werd geboren; daarom was zij de godin van de wijsheid, een machtige en wijze leidster en beschermvrouw van staten en steden in oorlog en vrede.

Nog andere godheden verschenen toentertijd in de kring der hemelingen, zoals Iris, de boodschapster der goden, die het ver­keer tussen hen en de mensen tot stand bracht. Uit het huwelijk van Zeus met Hera ontsproot Hephaistos, de kunstvaardige god van het smidsaanbeeld, die de macht van het vuur wist te tem­men.

Maar nog steeds was de nieuwe wereldorde niet veilig gesteld. Gaia namelijk, oermoeder aarde, zag toornig toe, hoe haar kin­deren in de onderwereld versmachtten; om hen te bevrijden zond zij de honderdkoppige, vuurspuwende Typhoon, en Zeus, de overwinnaar, had opnieuw een strijd te doorstaan die de aarde deed sidderen, totdat hij ook deze monsterlijke draak had over­wonnen.

Nog immer gaf Gaia het niet op; zij spoorde de verschrikke­lijke Giganten aan om de zetel der goden te bestormen. Een gru­welijke strijd had Zeus in de slag met dit reuzengeslacht te door­staan. Zij braken uit de onderwereld los, zodat de sterren van vrees verbleekten. "Trekt op en neemt wraak voor mij op de hemelgoden!" Met deze woorden zette Gaia hen aan. "Maakt van mijn eigen ledematen, de bergen, treden om de Olympos te be­machtigen."

De reusachtige monsters waren verschrikkelijk om aan te zien; in plaats van voeten hadden zij geschubde drakenstaarten. Zij juichten bij de woorden van hun moeder en genoten al van te­voren van de overwinningsvreugde. "Ik zal Aphrodite tot mijn vrouw maken!" praalde een van de reuzen. "Artemis zal mijn vrouw worden!" riep de ander, en een derde beroemde zich erop, dat hij de schone Athene zou vrijen. Zo trokken zij naar de bergen van Thessalië om van daar uit de zetel der goden te be­stormen.

Inmiddels vergaderden de in het nauw gedreven goden alle be­schikbare krachten om tegen de zware aanval der reuzen te kun­nen standhouden. Iris, hun boodschapster, riep de hemelingen bijeen; zelfs de geesten der gestorvenen riep zij te hulp. Allen gaven volgzaam gehoor aan deze oproep.

En waarlijk, de nood was op zijn hoogst. Alle elementen wa­ren in het hevigste oproer; van de hemel klonk de donderbazuin en het land antwoordde met een aanhoudende aardbeving.

Alle goden namen moedig deel aan de beslissende strijd tegen de woedende reuzen. Phoibos Apolloon zond zijn immer treffen­de pijlen. Hephaistos slingerde gloeiende kolen uit zijn smidse. Poseidoon stootte met zijn drietand; de Moiren, de godinnen van het noodlot, zwaaiden haar knotsen, en de bliksem van Zeus, die alles verteert, suisde omlaag. Ook Zeus' zoon Herakles, die hem op aarde geboren was, werd op zijn verzoek door Athene te hulp geroepen en nam vol onstuimigheid deel aan de strijd.

Mochten ook de reuzen in hun toorn de ene berg na de andere uit hun grondvesten losrukken en steeds nieuwe bergen, de Ossa, de Pelion en de Oeta, op elkander stapelen,Zeus toonde zich de sterkste. Hij bleef overwinnaar in de moordende strijd, en voortaan waagde niemand meer hem zijn heerschappij te betwisten.

Sindsdien troont Zeus hoog op de top van de Olympos als Opperste in de kring der goden. Daar valt sneeuw noch regen, geen zuchtje wind wordt er gevoeld. Nektar en ambrozijn is het voedsel der goden en schenkt aan alle hemelingen eeuwige jeugd en onsterfelijkheid.

 

Bron: Griekse Mythen en Sagen

Gustav Schwab

 

Uitg. Spectrum - Tweede druk

Vertaald door J. K. van den Brink

naar de door Dr. Richard Carstensen bewerkte uitgave

DIE SCHONSTEN SAGEN

DES KLASSISCHEN ALTERTUMS

Ensslin & Laiblin Verlag, Reutlingen 1955

 

 


KONING OIDIPOUS.

 

 

 

Korte inhoud van de Oidipous-mythe

"In de oude tijden regeerde over Thebe koning LAIOS, een nakomeling van KADMOS, de stich­ter der stad", zo begint de mythe.

Als Laios en zijn vrouw IOCASTE lang kinder­loos blijven raadplegen ze het orakel van Apollo te Delphi. Iocaste zal een kind baren, "maar gij moet weten dat het u beschoren is door de hand van uw eigen kind het leven te verliezen", zo luidt de uitspraak. Hiermee zou tevens een vloek in vervulling gaan, omdat Laios eens CHRYSIP­PUS, zoon van Pelops en Axioche, had ontvoerd.

Na de geboorte gaf Laios een herder opdracht zijn zoontje met vastgebonden voetjes en door­gesneden pezen op de berg Citaeron ten prooi aan de wilde dieren te geven. De herder gaf het kind echter uit medelijden aan een bevriende herder, die het op zijn beurt aan koning POLY­BOS van Korinthe en zijn echtgenote MEROPE gaf, bij wie hij in dienst was.

Zelf kinderloos voedden deze het kind op en noemden het OIDIPOUS, dat "die met zijn ge­zwollen (slangen)-voeten" ofwel "zwelvoet" be­tekent. Op zekere dag hoort Oidipous echter dat hij maar een vondeling is. Aangezien zijn "ou­ders" de waarheid verzwijgen, reist hij naar DELPHI, om het orakel te raadplegen.

Het antwoord is verschrikkelijk. Oidipous zal de moordenaar van zijn vader worden, zijn moeder huwen en kinderen bij haar krijgen. Ervan over­tuigd zijnde dat zijn ouders koning Polybos en Merope zijn, mijdt hij Korinthe en gaat naar THEBE. Aan de oever van de Pleistos, op een driesprong, krijgt hij ruzie met de begeleiders van een grijsaard in een koets. Als de grijsaard hem met zijn staf slaat wordt Oidipous woedend en doodt de grijsaard en twee van de drie begelei­ders. De derde ontsnapt. Onwetend doodde Oi­dipous zo zijn vader, die op weg was naar het orakel van Delphi. Beiden trachtten hun lot te ontlopen en brachten de eerste voorspelling in vervulling.

Te Thebe aangekomen ontmoet Oidipous een gevleugelde sfinx, half maagd, half leeuwen zus­ter van de hellehond, zittend op een rots voor de stadspoort, mensen met raadsels kwellend. Wie haar raadsels niet oploste, werd door haar ver­slonden.

Omdat inmiddels het nieuws over de dood van Laios Thebe had bereikt, bezette Iocaste samen met haar broer CREON zolang de troon. Ook de zoon van Creon werd door de Sfinx gedood. Daarom kondigde hij af dat degene die Thebe van de sfinx verloste, de koningskroon mocht dragen en Iocaste als gemalin kreeg. Ook Oidi­pous komt zo voor de sfinx te staan en krijgt een raadsel op:

'' 's Morgens gaat het op vier voeten, 's middags op twee, 's avonds op drie; maar juist wanneer het zich op de meeste voeten voortbeweegt, zijn z’n ledematen het minst krachtig en behendig". Oidipous kent de oplossing. Het betreft de mens die zich als kind op handen en voeten voortbe­weegt, als volwassene gaat hij op twee voeten en als hij ouder wordt gebruikt hij een stok als steun.

De sfinx is overwonnen en stort zich in de af­grond. Feestvreugde alom, Oidipous krijgt de kroon, huwt onwetend zijn moeder en krijgt vier kinderen.

Na een tijd van voorspoed in Thebe, breekt ech­ter de pest uit.  

 

 

Vele oude mythen dienen allegorisch opgevat te worden en bevatten het geheim van "De steen der wijzen". Het betreft de loutering van de lage­re begeerten (de "onedele metalen") en het om­smelten ervan tot het edele "goud", symbool van het "gouden bruiloftskleed", het mentale lichaam.

Diersymbolen staan dan in relatie tot dit proces, evenals bepaalde relaties tussen mythische ge­stalten hermetisch van aard zijn. Zo b.v. het "huwelijk" tussen Osiris en Isis, de "bloedschande" tussen Jupiter en Juno, tussen Oidipous en Iocaste. Al deze relaties, net als "overspel” of "vader- en moedermoord" in de mythe, hebben een hermetische betekenis. Wie echter de steen der wijzen wil vervaardigen zal eerst kennis van zichzelf moeten hebben. Ken u zelve! Hier doemt het ware raadsel van de sfinx op.

 

OIDIPOUS EN DE SFINX

Wie was nu Oidipous? Hij is de in de materie­gevangen god-mens, zoon van Zeus, van koninklijke afkomst. Maar omdat de koninklijke mens zich steeds meer van Zeus, het Licht, afwendde, werd de wet van karma en reïncarnatie in bewe­ging gebracht (de vloek). Daarom is al vóór de geboorte van Oidipous bekend, dat ook hij een moeilijke weg door de stof moet afleggen, voor­dat hij tot verlossing kan komen.

 

Het orakel van Delphi omvat de ingewijde kennis der hiërofan­ten. Zij weten dat Oidipous als individu zal her­halen wat de gehele mensheid heeft doorge­maakt: zijn "vader doden", zijn "moeder huwen" en "kinderen" bij haar krijgen. De te vondeling legging en opvoeding aan het hof in den vreemde is een in sprookjes veel voorkomend motief. De naam die Oidipous van Polybos en Merope krijgt duidt vooral op een zielkundige handicap. De mens gaat "kreupel” door het leven, is met zijn voeten aan de materie gebonden. Vandaar dat ieder mens een "zwel voet" een Oidipous is. Maar het lot van Oidipous, zijn karma, kan niet ontlopen worden.

 

Op het moment dat de mens nog de minste le­venservaring heeft, als hij komt aan de "drie­sprong" van zijn leven, is het moeilijk om te kie­zen. In de mythe is het de plaats waar de duistere godin HEKATE "spookt". In verwarring en jeug­dige drift "doodt" Oidipous zijn "vader", koning Laios (Laios = steen). Dit betekent dat in één handeling wordt gesymboliseerd hoe Oidipous zich losmaakt van de universele goddelijke geest van het leven, de Vader. Dat zijn daad als "onwe­tend" wordt beschreven heeft te maken met het feit, dat pas in een later ontwikkelingsstadium de consequenties doorschouwd kunnen worden.

 

Als hij dan te Thebe aankomt lost hij het raadsel van de sfinx op, waardoor hij de kroon krijgt en Iocaste mag huwen. Wie of wat is de sfinx? In alle oude culturen komen zg. mysteriedieren voor, (griffioen, vurige draak, sfinx, Phoenix, de Perzische Simorgh en de gevleugelde Singh der Hindoes). Het zijn symbolen van de mens als microkosmos in relatie tot de macrokosmos. In de sfinx openbaart zich de cyclus van de wereld en van de mens. Het werkelijke raadsel van de sfinx betreft de vierledige natuur van de mens. Immers de sfinx is doorgaans samengesteld uit een stier, leeuw, arend en mens. Deze gestalte nu symboliseert de gang van de menselijke ziel door de vier natuurrijken (vgl. de vier "dieren" in het visioen van Ezechiël I , I: 27 en de vier Kerubs bij de ark van Mozes in Exodus 25,16:22).

 

In Egyp­te werd de sfinx voornamelijk mannelijk uitge­beeld. Herodotus sprak over androsphinxi, d.i. "mansfinxen", terwijl de Griekse sfinx een maagd symboliseerde. Daarom noemde Euripi­des haar de "wijze maagd" en Sophocles "de ora­kelmaagd".

De naam Sfinx komt van het Egyp­tisch Shesep Ankh, dat levensbeeld betekent. Hiervan leidden de Grieken het woord dphirx af, dat verwant is met dphirro, dat worgen bete­kent (vandaar de fabels over de sfinx als een "worgdier").

 

Net als de Egyptische sfinx be­hoort de Griekse sfinx, als dochter van de "on­deraardse Echidna", tot de onderwereld. Op vaastekeningen zit ze dikwijls op een graf.

Daarom zien we ook dat de sfinx van Gizeh in Egypte "Harmachis-Chepra-Re-Tum" heette.

Hij symboliseert de zonnegod in zijn vier fasen: god van het dodenrijk, van de morgen, de dag en de avond, uitgebeeld als kind, volwassene en als grijsaard op een staf leunend.

Men vergelijke Dionysos-Apollo die op de langste dag "Ko­mos", de harige, werd genoemd; tot de winter "Calvus", de kaalkop; in de zomer "Akersiko­mos", de ongeschorene en in de winter "Polios", de grijsaard. De haren symboliseren hier de cy­clus van licht.

 

Wie dus het raadsel van de sfinx oplost, lost het raadsel omtrent oorsprong en toekomst van de mens op. De mens als zoon van het Licht, die in zijn viervoudige persoonlijkheid zijn "maagdelijke" ziel, de "maagd", in verbin­ding dient te brengen met de Vader, Zeus, het Licht.

Omdat Oidipous dit raadsel oplost, stort de sfinx zich in de "afgrond" van zijn bewustzijn. Hij maakte bewust wat onbewust aanwezig was. Maar omdat hij met deze diepe kennis niets doet, begint het ware drama van de "kreupele" mens pas goed.

 

"Onwetend" huwt hij zijn moe­der. "Onwetend" raakt hij steeds meer verbon­den met de materie, gesymboliseerd in Iocaste. En omdat hij deze materie misbruikt komen er aan de aarde gebonden kinderen uit voort. Smartekinderen. Pas als de pest uitbreekt, als de wet van oorzaak en gevolg zich openbaart is dit reden tot onderzoek.

 

Teiresias, de ingewijde "blinde ziener", die net als de "blinde" kluize­naar VASISHTA in de BHAGAVAD GITA, het derde oog heeft geopend, zal Oidipous, die "ziende blind" is, geleidelijk de ogen voor de waarheid openen. Dan valt de sluier van de waan weg. De "pest", symbool van tegennatuur, is door Oidipous zelf veroorzaakt. Hij doodde zijn vader.

 

Door zich los te maken van de univer­sele goddelijke Geest en te "huwen" met de ma­terie schept de mens aardse "smartekinderen" en veroorzaakt ziekte, lijden en dood. Oidipous bleek "ziende blind". Nu maakt hij zijn stoffelij­ke ogen blind, om zo door middel van katharsis tot geestelijk schouwen te komen. Hij doet dit op het cruciale moment dat Iocaste zich verhing. Pas als de mens definitief afscheid gaat nemen van de aardse stof, gesymboliseerd in de "verhanging" van Iocaste, kan hij van "ziende blind" een "blinde ziener" worden.

 

In Oidipous te Colonus wordt dit verder be­schreven. Naar stoffelijke maatstaven is de ko­ninklijke Oidipous een ontheemde geworden. Zwervend, bedelend om zijn brood, blind, de staf vooruitgestoken. Deze staf van Hermetische inwijding, symboliseert het krachtige "vuur", het Mercuriusbewustzijn, waardoor hij definitief door de poorten van de onderwereld, de Hades, kan gaan.

 

De wraakgodinnen, de wet van karma symboliserend, zijn Oidipous na zijn lange gang door de stof goedgezind. Zijn boetedoening loopt ten einde. Door zijn loutering kan hij op de gewijde plaats der verheven godinnen blijven. Het karma t.a.v. zijn kinderen moet zich nog vol­trekken. Dat is de "vloek" die nog op hen ligt.

 

De plaats waar Oidipous in de Hades wordt op­genomen, blijkt duidelijk een mysterieplaats te zijn. Alleen de ingewijde Theseus, die eens de Minotaurus "doodde" en weer binding kreeg met de Geest (de draad van Ariadne), mag getui­ge zijn van het transfiguratieproces van Oidi­pous. Oidipous, de "zwelvoet" , de aardgebonde­ne, heeft zich losgemaakt van de kluisters van de stof. Hij is de sfinx zelf geworden. Wie na hem nog om de macht strijden, zoals we in Oidipous te Colonus en Antigone zien, wacht het bittere lot om na overmoed en waan de ware toestand van zijn menselijke situatie te doorschouwen. Daar­om eindigt Antigone met de waarschuwende woorden dat men zich eerst dient te bezinnen al­vorens overmoedig te zijn. Immers de "blinde ziener" zei al: "De eigenwaan voorwaar heeft meest aan misdrijf schuld".

­

Marcel Messing in Bres n° 95 - 1982

 

 

 


 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL