Een Heer van Stand - deel II

 

Terug naar deel I

Deel III Heer Bommel en de Grote Onthaler

Uitspraken van Marten Toonder.

 

 

  • Wat is geluk? Als je een balans hebt gevonden tussen het goede en het kwade. Elke geest heeft aanleg voor het zoeken naar evenwicht. Maar het evenwicht kan zo erg verstoord worden, dat je het geluk niet meer terug kunt vinden.

 

  • Wat is de zin van het leven? Je bent geboren om je ontwikkelen. Je moet je vormen tot een persoonlijkheid die zich goed verhoudt tot andere individuen. Je moet van anderen leren, zodat de kwaliteit van leven groeit.

 

  • Bijzonder moeilijk: Als mens heb je één ziel en één geest. Eén ego. En dat moet je leren kennen. Dat is bijzonder moeilijk, want mensen interesseren zich meer voor materie, voor wat mooi is en wat lelijk. Maar materie is zonder geest. Ik heb gemerkt dat alle godsdiensten hetzelfde zijn. Ze streven allemaal hetzelfde doel na: broederschap.

 

  • Weer verder: Je gaat, als je incarneert, weer verder waar je geëindigd bent. Ik zal terugkomen op de plaats die ik verdiend heb. Misschien heb ik wel niets verdiend, maar ik heb mijn best gedaan.

  • In een proces: God is dus niet persoonlijk. Hij is een allesomvattende Geest. Iedereen heeft een stukje van hem in zich. Mensen hebben een sterk gevoel van wat goed is en wat fout. Soms kan je geest ziek zijn. Ik denk dat je mag stellen dat gedeelten van God soms ziek zijn. God zit ook in een proces, misschien zelfs een evolutieproces.

 

  • Welvaart brengt niet altijd geluk en hoe hoger men komt, hoe zwaarder de last van de welvaart zich doet gevoelen Het ergst zijn degenen getroffen, die ervoor verantwoordelijk zijn: de grootondernemers."

 

  • "De jeugd is er om te leren. Hoewel: men kan geen oud hoofd op jonge schouders zetten. En dat is maar goed ook; het zou geen gezicht zijn. "

 

  • "Zelfs een held heeft wel eens een misverstand in zijn denkraam, dat men hem in de schoenen kan schuiven."

 

  • Het was een soort geloof dat Phiny en ik allebei hadden. Niet aan een God - want het was duidelijk dat die al lang de handen van ons had afgetrokken, of gewoon maar een weddenschap met Satan verloren had. Het was de overtuiging dat iedere daad zijn eigen gevolgen heeft. Wanneer je de tak waar je op zit, doorzaagt, val je naar beneden zonder dat God daar de hand in heeft.

      (Marten Toonder  Het geluid van bloemen, Autobiografie 1939-1940, blz. 260)

 

 

 

De beer is een soort tussenvorm tussen geest en materie.
Hij is een beetje onhandig,
omdat de overbrugging tussen die twee zo ontzettend moeilijk is.
Net zoals de mens probeert de beer het Hoge te bereiken,
maar dat wordt bemoeilijkt door zijn eigen plompheid.
Dat wist ik niet,
maar dat heb ik vanzelf ontdekt door de theorieën van Bommel.
(Marten Toonder, geciteerd in Hervormd Nederland, 28-03-1992)

 

 




 

Over Reïncarnatie – een interview

 

Als je in een bepaalde stemming bent, vooral een beetje een droefgeestige, en je gaat lopen, je ruikt de bomen, kun je er niet omheen. Nu in dit jaargetijde is het helemaal sterk, met al die kleuren. Phiny had daar een speciaal gevoel voor en dat heeft ze haar hele leven gehouden. Maar het Baarnse bos was wel het begin. Je had daar van die oude bomen, zeker honderden jaren oud, die zo vreemd en kronkelig waren, met gaten, waar je met open ogen en open mond naar stond te kijken. Je vermoedt dat daar iets in zit, dat daar iets in leeft. En dat geheimzinnige heb je hier in Ierland aan de lopende band, hier heet dat een volkje de Shee.'


'Ja...' Hij kijkt ineens wat somber, recht voor zich uit, en dan: 'Ik geloof echt in reïncarnatie. En als reïncarnatie bestaat, dan moet er een evolutie, een verbetering plaatsvinden. Als je iets hebt fout gedaan, dan moet dat goed worden gemaakt en als je iets goeds hebt gedaan, moet je worden beloond. Het is me wel duidelijk dat je dat nooit in één leven voor elkaar krijgt, dat ene leven is veel te kort. Er bestaan dingen die je pas heel langzaam ontwikkelt, ontwikkelen kúnt. Dat is karma. Volgens mij is dat niet zozeer geloof, maar gewoon logisch.'


Ik vraag wat hij denkt van karma als legitimatie van het lot van de slachtoffers van de holocaust. 'Dat is een moeilijke vraag, maar er is wel een antwoord op. Bij dit soort dingen kun je niet over groepen praten, over "joden". Je kunt wat karma betreft het alleen per individu nagaan. Uiteindelijk gaat het om het individu. En zelfs dan... Iemand kent alleen zichzelf. En karma zit in kleine dingen verstopt, in goed of kwaad wat ik soms helemaal niet ken. Er zijn dingen die iemand in het geheim heeft gedaan, of dingen waarvan hij zelf niet eens weet dat hij ze heeft aangericht. Het is al heel wat als je ontdekt: hé, daar zit het... Misschien kun je het zelfs verdedigen, en dat kan best redelijk klinken, maar het is niet afgewerkt en de gevolgen kunnen pas heel veel later zichtbaar worden. Daar is één leven te kort voor.


Hoe ik me reïncarnatie voor moet stellen, weet ik niet precies, en hoe je er uitziet als je dood bent, dat weet ik ook niet. Maar die voorstellingen kunnen alleen maar buitenstoffelijk zijn. Zo'n beeld van de hemel ergens daarboven, met harpspelende engeltjes, is natuurlijk onzin. Ik heb als steuntje het "collectieve onbewuste" van Jung, en dat is meer een toestand. Het onbewuste is niet een materieel terrein, zoals de hemel, nee, alles is doordrongen van het collectieve onbewuste. Daarom kun je, als iemand dood is, het gevoel hebben dat die persoon dichtbij je is. Ik kan me dat best voorstellen, niet als een engel of een geest of zo, maar wel als iets - ja, hoe moet je dat noemen? Het klinkt zo gauw new-agerig: als een vibratie, als iets fijntrillerigs. Het leven dat er in je eigen ego zit, is toch iets als een elektrische toestand, het is niet zichtbaar maar wel aanwezig.


De vraag is eigenlijk of het een entiteit is. Of is het een opgaan in de massa? Het "collectief" klinkt ook weer zo als een groep, als een massa. En dat geloof ik niet. Ik geloof dat het heel goed mogelijk is om een eigen individu te zijn, want anders zou je ook geen reïncarnatie hebben en geen karma, want dat is aan één individu gebonden. Ik kan me heel goed voorstellen dat dat een bepaalde trilling is.
Dat hele collectief, dat is de achterkant van de mensheid. En dat collectief zie ik eigenlijk als God zelf. Het is uiteraard oneindig, zoals het heelal dat is. En er zijn bepaalde, heel bepaalde plekken, heel bepaalde trillingen die bij elkaar willen, die elkaar aantrekken, gebieden die dan wat verdicht zijn, niet in elkaar opgaan maar elkaar aantrekken. Ik denk dat zoiets mogelijk is.'

 

Gelooft u in een leven na de dood of reïncarnatie?


'Ik geloof niet dat het na de dood allemaal afgelopen is. Want wat is leven? Een van de weinige dingen die de wetenschap nooit zal kunnen aantonen, is hoe het leven eigenlijk ontstaat. Als je dat gewoon biologisch bekijkt, twee cellen die samenkomen en dus de mens maken - de vrouwelijke cel en de mannelijke cel, twee cellen die één worden. Maar hoe kan dat? Want je hele lichaam verzet zich tegen alles wat vreemd is. Dus waarom verzet het vrouwelijke lichaam zich niet tegen de mannelijke cel?
Als we het over God hebben, denken we altijd meteen aan die man met een baard van Michelangelo, dat walgelijk patriarchale beeld. Jung vroeg zich al af: waar is nou de moeder? Je hebt de Vader, de Zoon, de Heilige Geest - wie is de Heilige Geest? Dat is een duif, die bevrucht die vrouw, dat is een hele onsmakelijke geschiedenis. Amoreel. Bestiaal. En waar blijft het vrouwelijke element dan in het goddelijke?


En dan heb je ook nog Hawking, die bewijst dat er helemaal geen materie bestaat. Dat alles fijn trilt. Op het ogenblik hebben ze het atoom al zo ver ontleed dat er helemaal niets meer overblijft. En dat, dat wat er niet is, dàt is het leven. Dat is de oorsprong van het leven. Dat is dus, ja wat, energie? En als die energie er is zal die onsterfelijk zijn. Energie die wolkt door het heelal, op dezelfde manier als alle andere dingen. Het is geloof ik Spinoza die een beeld heeft gemaakt van de ideeënleer van Plato. De aarde is omgeven door een soort sfeer, die maakt dat alles in beweging blijft. Geen passieve, maar een creatieve sfeer.


Om een gewone beeldspraak te gebruiken: het ziet eruit als een vuur, met uitlekkende vlammen. En dat kunnen fijne vlammetjes zijn, dat kan een vonkje zijn dat zich afsplitst - en dat ben jij, en je valt terug in het vuur. En dat is de eeuwigheid eigenlijk. Dat beeld spreekt mij erg aan. Of ik als individu terug zal komen weet ik niet. Dat is het punt natuurlijk.'

 

Uit 'Levensfilosofie', interview 'Trouw' 6 september 2003 door Marieke van Willigen

 



Marten Toonder: ‘Ik wacht op mijn tijd’ - een interview.

02-10-2004
Door Jeroen Vullings



Marten Toonder woont niet meer in Ierland, maar in het Rosa Spier Huis te Laren. De schrijver en tekenaar is eenzamer dan hij zou willen – ‘ik ben nu eenmaal een verhalenverteller’. Want het verleden is niet altijd prettig gezelschap. ‘Soms denk je, de doden zijn vage schaduwen geworden. Maar op een dag staan ze springlevend voor je. Onverwacht.’


‘Tweeënnegentig ben ik nu. Dat is te oud. Het karkas deugt niet meer. Een zwaar lot, hoor. Ik vind er niks aan. Ik zie ook het nut niet. Ik haat het.


De dood is voor iedereen. Ik zit erop te wachten. Dat vind ik helemaal niet onrustbarend, maar juist normaal. Ik heb tot mijn spijt nogal veel sterfgevallen meegemaakt. Mijn kinderen, er zijn er drie gestorven. En dan Phiny, dat was een hele erge. Na Phiny ben ik opnieuw getrouwd, met Tera – ook zij stierf. Ik nam die stap zonder na te denken. Achteraf kun je zeggen: een man van in de tachtig moet niet voor de tweede keer trouwen. Maar ik heb nog steeds de hersens van een twintigjarige. Die hersens maken dat ik mij híér, in Nederland, niet thuis voel. De vloek is: mijn hand wil niet meer. Niet meer tekenen, niet meer tikken. Ik heb van alles geprobeerd, zelfs een dictafoon – allemaal onbruikbaar. Na een uur ben ik doodmoe van een paar zinnen.


Ik draai heel veel muziek. Maar nu u vraagt van wie is dat, zie ik dat ik het slordig doe. Ik ben heel slecht in namen onthouden. Dat zijn van die vergeetachtigheden die het eerste optreden. En dat is afschuwelijk hoor. Afschuwelijk. Want soms weet ik niet eens de naam van mijn kleinkind meer. Dat kun je niet voor mogelijk houden.


Ik praatte zoveel. Ik was een enorme kletsjanus. Ik was altijd bezig met het vertellen van verhalen aan mijn broer. Toen Jan Gerhard zelf begon te schrijven en niks meer van mijn praatjes wilde hebben, ontstond een kleine verwijdering. Hij was mijn beste vriend hoor en als zodanig is hij ook gestorven. Hij zei: hoe kan ik jaloers zijn op een man die mij heeft leren lezen en die ik later heb leren schrijven? Als je mensen ontmoet en je slaagt erin met hen contact te krijgen, zodat je praten kan, is dat zeldzaam. Hier is dat een beetje armoede. Het gesprek is belangrijk. Je moet tegenwind krijgen en dat valt mij hier wel eens tegen. Meestal gaat het over het eten dat vandaag weer opgeschept is, over het weer dat niet zo best lijkt. En dat is na drie jaar in zo’n huis, op je eentje wonend, niet erg prettig.
Ik heb gelukkig nog wel een paar mensen in mijn omgeving met wie ik dat contact kan hebben. Als je in je eentje zit, word je daar helemaal knots van. Wrevelig.


Soms denk je: de doden zijn vage schaduwen geworden. Maar op een dag staan ze springlevend voor je. Onverwacht. Dan denk je dat je jezelf kent, maar dat is absoluut niet waar. De hersens doen rare dingen. Ze vertellen verhalen, ik ben nu eenmaal een verhalenverteller. En halverwege zetten die hersens een andere deur open en zie je een ander tafereel. Hetzelfde gebeurt met je herinneringen. Plompverloren staan opeens vervaagde figuren voor je neus.


Ik woonde in Ierland, alleen, en daar kreeg ik een dubbele longontsteking. Ik werd opgenomen en op een gegeven ogenblik schee ik ermee uit. Later werd ik wakker in een Amsterdams ziekenhuis. Ik had absoluut geen aanknopingspunt.


Ierland was hét punt. Altijd Ierland. Zo’n typisch land. Ik heb daar zevenenendertigeneenhalf jaar gewoond, en ik was eigenlijk een Ier. In Nederland kwam ik terecht in een land dat ik helemaal niet kende. Dit land is veranderd, als ik het zeggen mag. Het meest in de organisatie, in de ambtenarij, in de voorschriften. Al die dingen waren nieuw voor mij en daaraan gewend raken duurt lang.

Voor ik wegging, was Nederland een leuker land, ja, beslist. Dat ligt niet alleen aan de bureaucratie die is toegenomen, maar ook aan de instelling van de mensen. De mensen waren anders, losser, vriendelijker, aardiger. Het is allemaal strák geworden. Dat is een gevoel, hoor.

In Ierland kon de natuur sterker zijn dan de mens. Dat mis ik. In woorden is dat moeilijk te vatten. Je krijgt daar de overtuiging, de zekerheid, dat je bij de natuur hoort. Dat heb je hier niet. Niet meer.


Een tijdlang, vooral toen ik er net was, door die geweldige dalen en bomen, voelde ik mij een buitenstaander. Dan ben je een beetje op je hoede. Griezelig wil ik niet zeggen, maar je weet nooit wat er schuilt in die schaduwen.

Ik herinner mij het moment dat ik voelde dat ik erbij hoorde nog goed. Het stormde. Ik had in Nederland al veel stormen meegemaakt en ik vond het altijd wel mooi, romantisch. Ook door de zeemansverhalen van mijn vader over storm. Daar ging het over: vechten tegen de storm, op leven en dood.
Ik liep langs de kant van een diep dal, langs grote bomen. Er stak een wind op en die werd langzamerhand sterker. Uit de diepte van dat dal. Eerst herkende ik die wind niet als storm. Totdat hij onheilspellend werd en ik mij aan een boomtak moest vasthouden, om niet van de weg gewaaid te worden. Dan ben je plotseling één geheel met de rest. Je doet mee met de boom. Je voelt dat je eigenlijk maar heel klein bent.

Zo’n natuurkracht is niet tegen jou alleen gekant, maar tegen de hele wereld: alles wat je ziet, de wolken, de bomen, de bloemen, alles wat er groeit en gaat. Je voelt dat je erbij hoort en dat is ergens treffend. Het is een beetje griezelig, omdat je echt met al je kracht je probeert vast te houden. Maar het is vooral groots. Omdat het zo groot is wat er om je heen is. Dat is de natuur.


Het geheimzinnige was iets dat destijds grotendeels buiten mij stond, als een andere wereld, eigenlijk. In Ierland, toen ik erover kon praten, werd het helder voor mij. We hadden een huishoudster die daar alles van wist, maar er nooit over praatte. Ze was gewend dat mensen het maar raar vonden – die gekke Ieren met hun kabouters. Ik vroeg haar nadat ik iets had zien flitsen vanuit mijn rechterooghoek: heb je ook wel eens zoiets gezien? A little big man, zei ze, een shee. Meer uitleg heb ik niet gehad. Het hoorde erbij.


In Nederland is dat zintuig verdwenen. De mens is hier erg veranderd. Alles wat een beetje romantisch is, is weg. Ook bij de jeugd zie ik geen romantiek, ook niet bij mijn eigen kleinkinderen. De techniek is erg belangrijk voor ze. En al die verhaaltjes, dat vinden ze maar tijdverlies. Het is allemaal business geworden, koud en koel.

Een deel van mij ligt nog daar, in mijn herinneringen aan Ierland. Maar ik geloof niet dat het gezond is om te kijken naar wat er achter je ligt. Toch denk ik aan vroeger terug. Aan de hoogtepunten bijvoorbeeld, die zoals bij ieder mens eigenlijk, tussen je veertigste en zestigste liggen. Dan moet je het bereikt hebben.

 

Ik vind het léúk dat ik die Bommel-verhalen gemaakt heb. Maar trots is onnodig. Hoogstens het gevoel: hé, dat heb je aardig gezegd. Of: dat is snert, dat kan je beter.

Toen de Bommel-verhalen beëindigd waren, ging ik mijn eigen leven boekstaven.

Ik móést werken. Dat is een feit. En daar ben je gauw klaar mee, als je je eigen geschiedenis schrijft. Het zijn de meeste jaren, altijd maar door. En dat schenkt toch niet altijd voldoening, want ik heb veel overgeslagen. Het is misschien normaal om als je man bent niet teveel aan je gevoel toe te geven. Om alleen maar te laten zien hoe flink je was.

Mijn werk ging altijd heel planmatig. Je begint om half tien, je werkt door, hebt een uurtje lunch, werkt daarna tot een uur of zes, dan ga je weer verder van acht tot elf. Maar ik was een getrouwd man en ik had kinderen en die heb ik wel enige aandacht gegeven. Ik was dus gelukkig niet helemaal verkokerd.

Bij dat werk was ik niet in mijn eentje. Mijn voornaamste censor was mijn vrouw, ze las wat ik geschreven had. Alles wat ik deed, liet ik haar zien. Ze was mijn beste gids en dat niet door te zeggen: hier staat een komma verkeerd. Ik keek naar haar gezicht. Als het gezicht onbevangen bleef, dacht ik: dat is een saai stukje. Maar als een klein glimlachje verscheen, dacht ik: hé, ik heb iets leuks gezegd. Ze hoefde het dan niet meer te vertellen. Dat was ideaal. Al vanaf het begin.

De balans van mijn leven is een hoofdstuk apart. Ik vind dat wel heel belangrijk. Toen ik nog jong was, ging ik mij afvragen: waarom leven we eigenlijk en wat is de bedoeling van de schepping? Zodoende kwam ik in contact met de godsdienst. Er bestaat een kracht. Voor het gemak noem ik die: geest. Dat gaat vrij ver, zo ver dat als je een vreemd huis binnengaat je getroffen wordt door een bepaalde sfeer: leuk of juist onleuk. De geest van de mens is nu eenmaal altijd bij hem en dat is meer dan geloof.


Een voorbeeld van iets dat gebeurd is. De dood van mijn vrouw. Phiny was toen ze negentien was verpleegster in Rotterdam in het Coolsingel-ziekenhuis en ze werd daar ziek. Een verzwering van de hartspier. Dat was heel gevaarlijk.

We kenden elkaar al heel lang; vanaf ons zestiende jaar zijn we samen opgegroeid. Ik vond het dus heel verschrikkelijk. En toen het heel slecht ging met haar, zo tegen het laatste aan, zat ik naast haar. Ik zat totaal verweesd op dat stoeltje. Me voor te bereiden op haar dood. Dan ben je alleen. Ze lag bewusteloos in dat bed. Tot ze onverwacht overeind schoot en kreunde: wat jammer, wat jammer.

Daar was ik natuurlijk zeer ontsteld over, want ik verwachtte dat ze zou zeggen: wat heerlijk dat ik nog leef. Wat leuk dat jij er bent.

Maar ze vond het heel jammer dat ze was teruggetrokken uit de dood. En dan hoor je dat bekende verhaal: dat je opstijgt en dat je in een prachtige omgeving bent, met prachtige muziek en alles is mooi, geen zorgen. Niets meer, niets meer. En dan met geweld teruggetrokken worden. De artsen hebben haar toch weten terug te halen. Dat maakte veel indruk op mij, maar natuurlijk was ik nogal verontwaardigd. Ik zei: heb je dan helemaal niet aan mij gedacht? Daarop lachte zij luid en zei dat het een rare vergissing was, dat ze helemaal niet meer aan mij gedacht had. Aan niemand. Dat heb ik nooit vergeten.

Verder heeft ze nooit ergens last van gehad. De dokter zei alleen: je moet oppassen met je hart, ga niet zwemmen, ga niet dit, ga niet dat. Rustig aan. En ze was rustig van aard. Zo moeilijk was dat niet voor haar. Maar ze heeft heel normaal geleefd. Ze heeft geleefd tot… nou weet ik even niet precies hoe oud ze is geworden. Maar een behoorlijke leeftijd, ongeveer zeventig. En toen kreeg ze opnieuw dezelfde ziekte, en stierf daaraan.

Toen ze gestorven was kwam mijn broer langs, met een eigenaardige mededeling. Hij zei dat ik een ontzettende sukkel was. Want ik had niet geloofd. Op de datum dat ze op haar negentiende bijna overleed, stond Saturnus precies op een bepaald punt. Ik had moeten weten dat die constellatie terug zou keren, op de omloopsnelheid van Saturnus. Dat klopte tot op de seconde. Toen stierf ze werkelijk.


De eerste keer dat ze stierf, was het goed afgelopen, want ze was genezen. En ik werd weer happy. Daarna heb ik er nooit meer over nagedacht. Maar de laatste keer dat ze stierf was eigenlijk een doodklap voor mij. Ik heb daar ontzettend last van gehad, ja. De bedoeling van het leven, daar bleef ik maar over nadenken.

Dit wordt wel een erg godsdienstig gesprek. Het doel van het leven is het leven zelf. En het leven zelf zo goed te leven als mogelijk is.

Heimwee naar vroeger is een gevaarlijk iets, want het verleden is er niet meer, behalve in je geest. Dit karkas is stof, het vergaat. Stof.

Ik was kort geleden nog mens, ik kon nog dingen doen, ik was nog helemaal levend. Hier zit ik nu, in een omgeving met brave, lieve mensen, die mijn papje brengen en mijn kachel aanmaken. Wat doe ik hier? Dat vind ik een tegenwerkende kracht.


Ik heb natuurlijk, en ik wil eerlijk zijn, de aanvechting gehad er een eind aan te maken. Om verder te kunnen. Maar ik heb het niet gedaan. Dat heeft een lange strijd gekost met mezelf. Misschien maak je een fout, misschien doe je het goed.

Ik zit hier maar als een parasiet. Ik zit er voor niks. Voor gék. Ze hebben mij vergeten, in zeker opzicht. Maar ik wacht op mijn tijd omdat het de bedoeling is dat ik dat doe.

In dit huis, het Rosa Spier-huis, wonen allemaal bejaarde kunstenaars. Voor ons vak bestaat er geen pensioengerechtigde leeftijd. Je gaat door tot je je verstand verliest of tot je doodgaat. En nu kan ik alleen nog maar mijn handtekening zetten.

Ik was een verwende man, alles liep altijd mee, ik ben lang niet dankbaar genoeg geweest. Ik dacht dat zoiets normaal was, maar er kwam een tijd dat alles tegen ging zitten. Na Ierland moest ik voor het eerst alles uit handen geven.


Phiny en ik dachten samen over de dood en over het zijn na. Juist als je met zulke vragen bezig bent, is het afhakken van je wederhelft verschrikkelijk. Op den duur geloofden we eigenlijk meer in het leven met de geest dan in dat met het lichaam. We waren vervuld van het idee dat je iets in je leven verrichten moet. Dat de kwaliteit van wat je doet beter moet worden. Iets dat niet goed is, moet over – zonder einde eigenlijk.



Ons idee was: je leeft om te evolueren, om er beter van te worden. Elke gebeurtenis is een les en die moet je als zodanig gebruiken. Als je zelf een fout maakt, dan moet je die niet wegpoetsen, maar dan moet je daar rekening mee houden, erkennen dat je dat rot gedaan hebt. Verbeter die fout als dat kan, want als je slecht doet, laat je een zwarte plek achter. En dat is lelijk. Ik heb meer fouten gemaakt dan zij.

Alle godsdiensten lijken zo ontzettend veel op elkaar. Het treffendst zijn de oosterse dingen. Boeddhisme. De islam is zo’n merkwaardig iets. Aan de ene kant valt het mee, want de koran is zo’n kinderlijk boek, waar ik niet veel wijzer van word. Angst krijg ik er zeker niet van, want het is niet het boek van de wraak waar het voor gehouden wordt. De koran is een heel onschuldig boek. Dan is de bijbel een stuk bloeddorstiger.

Boeddhisme is juist zo aantrekkelijk omdat het het slechte, het zwarte, gelijkstelt aan het witte. Nergens wordt gezegd: nou moet je in de hel, want je hebt iets kwaads gedaan. Het hoort erbij. Het licht kan niet zonder de schaduw.

 

Het doel van het leven is de evolutie van de hele aarde. Ik ben erin geslaagd om mij te verzoenen met het uitroeien van de sauriërs. Op de een of andere manier is hij uitgeroeid. Misschien heeft hij dat zelf gedaan. Zo goed als de mens bezig is zichzelf uit te roeien. Hij weet dat er niks van terecht komt als hij zo doorgaat. Maar de materie heeft hem in zijn greep. Pas door te sterven overwint hij de materie.

We denken dat de mens na de sauriërs kwam. Maar hij bestond al een tijd náást hen, als een klein ratje. Daaruit is de mens ontstaan. We voelen ons nu een hele piet dat we zoveel weten, maar alles loopt anders en niets ligt vast. Het enige dat zeker is, is de geest. En die geest zorgt ervoor dat wat je doet een doel heeft. Blijvend zijn je eigen slechte en goede dingen. Daarom geloof ik ook in reïncarnatie. Je gaat niet weg, maar je gaat door.

Ik ben een oude man en ze moeten mij met rust laten. Maar ik heb niet het recht om met rust gelaten te worden. Dat is akelig hoor.’

 

Bron

 

Opmerkelijke uitspraken

 

 

Pee Pastinakel:
'Ipsen,' verbeterde Pastinakel omkijkend. 'De natuur gaat ipsen en ik ook. Dat is natuurlijk. Maar eerst moet ik de mir bergen. Die heb ik gezameld toen de zon hoog stond, en die is nodig voor de natuur. Als de zon weer terug komt.'

Professor Sickbock:
'Ei, hoe heb ik deze kleinigheid voorbij kunnen zien?
De berekeningen kloppen en de wortel uit min één is getrokken.
Geniaal werk.
Maar door een kleinigheid als een deurslot staat alles op losse schroeven.
Of heb ik niet ver genoeg gedacht en is de paradox me boven het hoofd gegroeid?'

Brigadier snuf:
'En eh... o ja; er is een vermissing aangegeven.
Meneer Bommel O.B. is verdwenen.
Weggelopen in overspannen toestand, zonder medeneming van kleding, levensbehoeften of chocolademelk.'

Psycholoog Drs. Zielknijper:
'Rustig maar; geen zorgen,' vermaande de zielkundige.
'Vergeetachtigheid zie ik zo dikwijls in mijn praktijk.
We zullen de verdrongen onlusten wel loswoelen.
Gaat u ontspannen zitten, en vertel uw eerste herinnering maar eens.'

Schilder Terpentijn:
'Zorg dat ik een goede werkplaats krijg, zonder frutsels en tierelantijnen.
Een kamer waar niks in staat, zodat jouw grofstoffelijke trillingen de enige zijn, die mijn vibratie storen.
Ik moet een inzicht op het doek gonzen, dat er niet is - en dat kost me het merg uit mijn eh... dinges, makker!'

Professor Prlwytzkofski:

 'Nah; wanneer het werkzaam is zal ik het kortheidswege der Prlwytzkofskidefensiepulvr noemen.

Nog een weinig houtskool wellicht, en der swefel niet vergeten...'

Hoofdredacteur O. Fanth Mzn. en journalist August Argus:

 'Is dat berichtgeving? Wat zijn de oorzaken? welke bende zit er achter?

Is er een geheime bom gaan lekken? Is er een proef uit de hand gelopen?

Wat? Kan je geen beter verslag leveren?'

 'O, jawel,' gaf de journalist toe.

Maar ik heb wel iets leukers te doen, hahaha.'

Ambtenaar eerste klasse Dorknoper:

'Kijk; u moet deze formulieren invullen in drievoud.

En na voldoening van de verschuldigde leges en zegelkosten kunnen we aan het werk gaan.

Wij, ambtenaren, zijn werkelijk de kwaadste niet.

Met het een en ander zal een korte tijd gemoeid zijn.

Een maandje of drie, schat ik.'

Bul Super en Hiep Hieper:

'Treurig,' zei Hieper. 'Een gebroken ruit!

Dat vraagt om een inbraak.

Hoe licht zouden een paar arme drommels niet in de verleiding kunnen komen om er in te klimmen? Zoiets moest verboden worden!'

'De lezing van dit werk kan ernstige gevolgen hebben!', aldus de zielkundige drs. Z. te R.
Ik zie dat zo dikwijls in mijn praktijk.

Want op doortastende wijze wordt hier bij enkele proefpersonen onder de drempel van het bewustzijn gewoeld, zodat alles wat daar onderdrukt beweegt, aan het daglicht gebracht wordt.

Een baaierd van verschrikkingen treedt ons tegemoet; begeleiding door een geschoold agoog is dan ook een dringende vereiste.

Magister Hocus Pas:

 'De krachten, die de Ouden op deze plek begraven hebben, die zullen een nieuwe Hocus Pas van mij, arme, oude man, maken.

De wereld zal aan mijn voeten liggen.

Hehehe! Schaduw en padden op het pad van de wereld.'

Markies De Canteclaer van Barneveldt:

 'Ik eis doortastende maatregelen,' sprak hij.

'Parbleu! Mijn rozenperk is ontsierd door de blikjes waaruit het janhagel zijn dégoutante bieren pleegt te consumeren.
'Fi donc,' prevelde hij, 'de aarde wordt steeds platter.
Een schijf, bewoond door rapalje en botteriken.
Het is affreus.'

Annemarie Doddel: 

'Arme Olie,' zei ze medelijdend.

 'Je hoort eigenlijk in je bed, want je ziet er vreselijk uit.

Maar dat is niks voor jou he? Met je geweldige wilskracht!

Zolang je nog kunt kruipen zal je niet gaan liggen.

Jij kunt eigenlijk alles wat je wilt!'

Joost:

'Dit geluid herken ik, wanneer men mij toestaat', prevelde hij.

 'Daar nadert heer Olivier uit de vreemde!

Ach, het was rustig zonder hem, maar toch ben ik blij, dat hij er weer is.

Nu krijgt het stof afnemen weer een diepere betekenis.'

Joris Goedbloed:
Deze  geur is stuitend... te meer omdat mijn gedachten uitgaan naar een Potage a la Creme!
Ik zal moeten omzien naar een gepaste bron van inkomsten want dit gaat niet langer... koolsoep valt bij mij altijd slecht.

Comestibleshandelaar Grootgrut:

 'Welja,' sprak de winkelier. 'Havermout en koffie.

Hoe denkt u die te betalen, meneer Bommel?

Houdt u mij ten goede, maar de middenstand moet ook leven!'

Kwetal de Breinbaas:

 'O, heel gewoon,' zei de oude achterloos.

 'Je doet gewoon een slangetje aan de gnom en dan steekt je het in de grond.

 Dan trekt de zapl vanzelf omhoog zodat het wiel gaat draaien.'

Burgermeester Dickerdack:

 'U bent een weinig.. eh... prematuur, heren,' zei de magistraat.

 'Ik zal het rapport in studie nemen, en het nauwlettend eh... reflecteren, zodat ik me op de inhoud kan bezinnen en de hangende kwesties afwegen, met het oog op een sluitende conclusie, die de zaken in het juiste daglicht stelt'

Kapitein Wal Rus:

'wie gaat er nu naar het buitenland voor zijn rust?

Welk buitenland?

Hoor eens, ik ben een eerlijk zeeman en ik ben blij, dat ik een dek onder de voeten heb en over een paar dagen het sop weer opga.'

Wammes Waggel:

'Tom Poes!' riep de musicus verrast, toen hij de ander gewaar werd.

Ga je ook die kant uit?

Dan kunnen we samen lopen; dat is gezellig voor je.'

 

PROTESTZANG

Voor ied're bêtise trekt 't Janhagel uit,
in menigtes of platte scharen,
met baldadig brallend stemgeluid,
dat ied're courtoisie heeft laten varen.

Zo stuwt het trekkebekkend door de lanen
en destrueert het beemdgras en de aster.
't Ontziet zich niet een weg door het gazon te banen,
zelfs al remitteert 't een sierpilaster.

Het woeden van het grauw kent geen limiet,
zonder zin is thans mijn rozenperk gemaltraiteerd.
Hier helpt geen klacht of stil verdriet!
Hier dient een harde les geleerd!

Niet langer nu gewacht.
De zweep erover als het moet!
Zo sprak het fiere voorgeslacht,
zo zingt nog steeds het blauwe bloed!


door Markies Querulijn Xaverius de Canteclaer van Barneveldt

Uit: Hanezang. Poëmen van Querulijn Xaverius, Markies de Canteclaer van Barneveldt,

bijeengelezen door Marten Toonder. Uitgeverij De Bezige Bij

Miskend talent? Een vergeten Poëet.

Er knirpt een knerp door 't kreupelhout,
De regen vezelt, de wind knoert koud.
En over de heuv'len door 't nat struweel
Sluipt sloom de Zwarte Zwadderneel.

 

Hanezang. Poëmen van Querulijn Xaverius, Markies de Canteclaer van Barneveldt, bijeengelezen door Marten Toonder. Uitgeverij De Bezige Bij

Verschenen in de Volkskrant van 4 december 1987

Frits van der Waa

 

Het is al geruime tijd geleden dat wij voor het laatst iets van een belangwekkende bijfiguur uit de Tom Poes-strip hebben vernomen. Ik heb het over de markies de Canteclaer van Barneveldt.
Meer dan dertig jaar hebben oplettende lezertjes zich gelaafd aan het avondblad waarin hij van tijd tot tijd zijn ochtendwandelingen placht te maken. Helaas, op 20 januari van het vorig jaar maakte het huwelijk van heer Olivier B. Bommel daar een eind aan. Weliswaar verschijnen er in het bewuste blad nog steeds afleveringen uit het Bommel-epos, maar dat zijn opnieuw gepubliceerde afleveringen van een generatie her.


"Reeds zijn de dagen aan 't lengen/ Een knop berstte gister in mijn gaard/ Laat ons thans een dronk uitbrengen/ Op hem die 't erf der vaad'ren trouw bewaart", waren de laatste woorden die Bommelbiograaf Marten Toonder uit de mond van de markies optekende.


Alleen al uit dit bescheiden poëem blijkt een grote begaafdheid als gelegenheidsdichter, alsmede een hoofs en edel karakter. Geen spoor van rancune ten aanzien van de heer van stand, wiens meedogenloos oprukkende lotgevallen telkenmale zijn inspiratie in de knop hebben gebroken, zodat het publiek zelden meer dan een aanzet van zijn fijnzinnige woordkunst heeft mogen proeven.
Ondanks de gelukkige afloop van het laatste avontuur hebben de aangrijpende gebeurtenissen de markies zozeer geknakt dat hij zich heeft teruggetrokken op zijn stamslot Troebeloo. Zo meldt het voorwoord van de poëziebundel Hanezang, waarin Marten Toonder een keus uit de nagelaten gedichten van de edelman heeft bijeengebracht.


Deze Hanezang is, voorwaar, een meesterwerk. De aantijgingen van ene H. Kwakkels, guit inde Nieuwe Rommeldamse Coerier, dat het hier zou gaan om een "oudmodisch Tachtigers- aftreksel" waaruit de "door eeuwenlange inteelt verzwakte geestvermogens van een decadent geslacht" zouden blijken, en voor de suggestie dat de heer Toonder als ghost-writer zou zijn opgetreden, wijs ik dan ook met kracht van de hand.


De diepzinnige natuursymboliek, de met een hermelijnen penseel geschilderde gemoedsaandoeningen, en bovenal de dikwijls schokkende beelden van de confrontatie met het grauw, dat kan alleen uit de ganzeveder van een De Canteclaer gevloeid zijn. De laatste strofe van het gedicht "Protestzang" biedt een treffend voorbeeld: "Niet langer nu gewacht. De zweep erover als het moet! Zo sprak het fiere voorgeslacht, zo zingt nog steeds het blauwe bloed!"


Uit de zestien in de bundel opgenomen gedichten doemt geleidelijk het beeld op van een zoeker naar waarheid, die, slechts geschraagd door het geloof in oude waarden en zijn eigen innerlijke beschaving, met vaste hand zijn observaties in het keurslijf der versvoeten giet.

Een stille hartstocht klinkt op uit verscheidene minnezangen, gewijd aan dames als Eléonore, Brégina, Eveline en Heloïse. Een kwatrijn als: "De valleien lokken, met een diep ravijn/ huiv'rend van verborgen leven. Daar beneden kan een lusthof zijn - Maar ik bestrijd het kwaad, al zou ik sneven", lijkt te duiden op een geheime passie die de dichter voor zijn nicht Heloïse koesterde.
Het pièce de résistance in de bundel is het klassieke "

 

De klop van Zwadderneel", één van de weinige gedichten die de markies in de Bommelstrip, op het nippertje weliswaar, tot het einde toe heeft kunnen voordragen. Dat was reeds in 1951, en het gedicht heeft inmiddels een ingrijpende bewerking ondergaan, maar de onsterfelijke openingsregels zijn gelukkig nagenoeg onverlet gebleven: "Er knirpt een knerp door 't kreupelhout. De regen fezelt, de wind knoert kou/ en over de heuv'len, door het nat struweel/ naart sloom, de Zwarte Zwadderneel." De verbintenis van natuurschildering en existentiële twijfel komt nog prangender naar voren in de ingetogen cyclus "Drie laatste liederen", waarmee de bundel besluit. Hier proeft men ook de rijpe, volgroeide stijl van de dichter, zijn superbe beheersing van ritme en rijmschema: "Het lover wervelt naar de dood. De twijg is naakt; haar tooi vergaan. Parbleu! Hoewel ik snel de ogen sloot/ kwam toch de hoest en moest ik gaan."


Hanezang is een werk voor fijnproevers, gerijpt en belegen als een fust oude port. Lof dan ook voor bezorger Toonder die nauwgezet heeft gewaakt over kleur, bouquet en afdronk van de bloemlezing. Zijn bibliografisch speurwerk verdient echter kritiek. De Verantwoording aan het slot van het boekje is verre van volledig. Zo is de samensteller er niet in geslaagd de oorsprong van gedichten als "De duif" en "De verten lonken" te traceren, doch wie zijn klassieken kent trekt zonder aarzeling "De Trullenhoedster" (opgenomen in het standaardwerk Een heer moet alles alleen doen) uit de kast. Het is natuurlijk ook mogelijk dat Toonder de markies de herinnering aan een uiterst pijnlijke episode uit zijn loopbaan heeft willen besparen, en in dat geval is hier slechts sprake van grote, zij het misplaatste discretie.


Toch resteert bij het terzijde leggen van de bundel enige spijt. Want waarschijnlijk zullen we nu nooit het vervolg kennen van zo vele andere Canteclaer-fragmenten. Wat is er geworden van een ingeving als deze: "Plat is het leven, dat tiert en raast/ Dat haast en jakkert naar een vormloos doel/ Dat boldert over 's dichters fijnbesnaard gevoel. Een ieder is zichzelf het naast..." Het is onvoorstelbaar dat dit thema, al in 1964 opgevat naar aanleiding van Heer Bommels ontmoeting met de Liefdadiger, niet verder door de dichter uitgewerkt zou zijn.

 

 

 

 

 

Weedom, kwijn, smartgedachten: Dichtbundel

Guus Middag


Een dichter voor het grote publiek was hij niet, maar erkenning als literator mag niet uitblijven. Markies De Canteclaer, 'vol van leegte'.

 



Querulijn Xaverius Markies de Canteclaer van Barneveldt: De verzamelde poëmen, waarin opgenomen Vleugeljaren en Hanezang, vermeerderd met herontdekt ongepubliceerd werk. Bezorgd door Marten Toonder. Met een nawoord van Martin van Amerongen. De Bezige Bij, 64 blz., 39,50 gulden.

 

IN GERRIT KOMRIJ'S bloemlezing uit de Nederlandse poëzie is hij niet opgenomen, in die van Warren en Brems evenmin: Querulijn Xaverius Markies de Canteclaer van Barneveldt, de eigenzinnige poëet uit Rommeldam. Men zou hem tot de vergetenen kunnen rekenen - een lot dat wel meer dichters treft die het liefst in stille afzondering werken aan hun oeuvre. En als hij al niet als vergetene de geschiedenis ingaat, dan vermoedelijk wel als typisch voorbeeld van een gefnuikt dichter, een zanger van onvoltooide verzen - gevolg van zijn rol in de Bommelsaga, waarin hem, door het optreden van met name Heer Bommel zelf, zelden de gelegenheid was gegund zijn invallen en inspiraties ten einde uit te zeggen.

 

Hoe onterecht dat beeld is, bewijzen zijn recent verschenen Verzamelde poëmen, waarin al zijn voldragen poëzie is gebundeld: vierendertig verzen in totaal, voor een deel eerder verschenen in Vleugeljaren en Hanezang, aangevuld met maar liefst zeven nog niet eerder gepubliceerde gedichten. Ze worden voorafgegaan en gevolgd door twee goed gelijkende, en trouwens ook bijna identieke portretten van de markies, die wel mogen worden opgevat als een korte samenvatting vooraf en een treffende kenschets achteraf van dit oeuvre. Op het ene portret heft hij met zijn linkerhand de ganzenveer, op het andere doet hij hetzelfde met zijn rechter: teken van zijn veelzijdigheid. Op beide portretten houdt de vrije hand met opgeheven pink het nog blanke vel in positie en valt reeds een forse inktdrup bladwaarts: beeld voor de vrije verbeelding die nog alle kanten op kan. Op het ene staart hij weemoedig peinzend in de verte, op het andere houdt hij ons vanuit een ooghoek scherp in het oog.

 

Het zijn symboliseringen van de twee tendenties die in zijn werk voortdurend manifest blijven: het eeuwig zoekende ('zoekend naar het Grenzeloze, maar vaak, helaas, eraan voorbijdwalend', zegt Marten Toonder in zijn voorwoord) en het altijd alerte, zoals dat bijvoorbeeld tot uitdrukking komt in zijn waakzame verhouding tot het crapuul. 'Het woeden van het grauw kent geen limiet;/ zonder zin is thans mijn rozenperk gemaltraiteerd', noteerde de markies in zijn 'Protestzang'.

 

De Canteclaers oeuvre valt in twee delen uiteen. In Vleugeljaren is de lichte, hier en daar zelfs licht onzinnige kant van de dichter ruim vertegenwoordigd. Het is de tijd van 'Barlemanje' met zijn onnavolgbare inzet (‘t Was grol en gloei/ en slomig broei/ in lure, slore stirren') en van het klassiek-experimentele 'Sommelvars': 'Sommelaar heeft kloene krachten/ opgesokkeld uit de aard!'

Op grond van dergelijk klank- en betekenisspel is De Canteclaer wel gerekend tot de Beweging van Veertig, algemeen gezien als de voorloper van de Beweging van Vijftig. Er zijn inderdaad enkele treffende overeenkomsten met bijvoorbeeld het werk van Lucebert. Diens 'heer horror' herinnert aan De Canteclaers 'Horror de Ademloze', en 'Overal zanikt bagger' (1982) lijkt wel een reprise van het inzicht dat de markies eind jaren veertig al noteerde: 'Er is veel smurrie op deze kluit'.

 

Men kan De Canteclaer ook beschouwen als een exponent van de zogeheten Rommeldamse School, maar dan toch wel bij uitstek als 'een atypische exponent' daarvan, zoals Martin van Amerongen voorstelt in zijn verhelderende nawoord bij deze editie. Als een eenling dus. 'Ik ga mijn eigen wegen,/ zo volg ik mijn gemoed' is in dit verband een voorspellende regel gebleken.

In Vleugeljaren valt mooi de curieuze ontwikkeling na te lezen die de dichter vervolgens doormaakte: van pre-Vijftiger tot post-Tachtiger, om het simpel te zeggen. Het gedicht 'Voor Lidewijde' kan wel worden opgevat als het scharniervers waarin de wending naar het rijpere werk zich voltrekt: 'Losgezongen door de schone Lidewijde/ ga 'k mij onder dichtervleugels scharen.' Vanaf dat moment treft een toegenomen impressionisme, dat soms tot uiting komt in al te gekunstelde nieuwvormingen ('trillerillend zwaait gebladert'), maar soms ook de fijne sensitiviteit van de jonge Gorter in herinnering roept: 'Breed en stillekil en blak/ en zwart als kolegit: die laan.'

 

Naarmate het oeuvre vordert, maakt de zangerigheid steeds meer plaats voor een bezonken mijmeren: 'Mijn zang walmt in de nevel/ als een vertreurde luit/ die grijs bedrukt geprevel/ in de stille dampen uit.' Weedom, kwijn, smartgedachten: dat zijn de woorden die in deze periode op de voorgrond treden, even zovele opmaten voor de slotcyclus 'Vier laatste liederen', waarin de markies met indrukwekkend ingehouden wee zijn oeuvre van een waardige afsluiting voorziet. 'De nacht gaat dicht', dicht hij in 'De nacht gaat dicht'. 'Ik zie het aan en voel mij hol/ en vol van leegte -'.

 

Querulijn Xaverius Markies de Canteclaer van Barneveldt is nooit een dichter voor het grote publiek geweest, maar met dit verzameld werk maakt hij aanspraak op zijn eigen, bescheiden plek in het pantheon der letteren. Zo'n uitgave heeft altijd iets van een grafzerk op het oeuvre, maar in dit geval roept zij haast vanzelf een vervolg op: na de bundeling van al deze voldragen gedichten mag een uitgave van De Canteclaers onvoltooid gebleven verzen niet lang meer op zich laten wachten.

 

Bron

 

Copyright © 2008, Stichting Het Toonder Auteursrecht (met toestemming geplaatst)

 

Terug naar deel I

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL

 

                 Website statistieken gratis, LetsStat X1