Mythologie II

01. Ainulindalë - 02. HET VERLANGEN NAAR DE WEDERHELFT -

01. Ainulindalë (een scheppingsverhaal van Tolkien)

 

Silmarillion<br>

J.R.R. Tolkien
Silmarillion
J.R.R. Tolkien

 

De Muziek van de Ainur[1]

 

    

 

Er was Eru[2], de Ene, die in Arda[3] Ilúvatar[4] wordt genoemd. Hij schiep eerst de Ainur, de Heiligen, die de vrucht van zijn denken waren; en zij waren bij hem voor er iets anders werd geschapen. Hij sprak met hen en legde hun muziekthema's voor; en zij zongen voor hem en hij was verheugd. Maar lange tijd zongen zij slechts elk afzonderlijk, of met weinigen samen, terwijl de anderen toehoorden. Want elk begreep slechts dat deel van de geest van Ilúvatar waar hij van afkomstig was; in het verstaan van hun broeders vorderden zij slechts langzaam. Toch, telkens wanneer zij luisterden, geraakten zij tot dieper begrip en groeiden in eenheid en harmonie.

En het geviel dat Ilúvatar alle Ainur bijeenriep en hun een machtig thema voorhield, hun dingen openbarend die groter en wonderbaarlijker waren dan die hij tot dusverre had geopen­baard; en de heerlijkheid van het begin en de pracht van het slot verbaasden de Ainur, zodat zij voor Ilúvatar bogen en zwegen.

 

Toen zei Iluvatar tegen hen: 'Ik wil nu dat ge van het thema dat ik u heb geopenbaard, in harmonie, samen een Groots Muziek­stuk maakt. En aangezien ik de Onvergankelijke Vlam in u heb ontstoken, moet gij uw vermogens tonen door dit thema te verfraaien, ieder met zijn eigen gedachten en instrumenten zo hij wil. Maar ik zal zitten luisteren en mij verheugen dat door u grote schoonheid tot een lied is gewekt.'

 

Toen begonnen de stemmen van de Ainur, als harpen en luiten, en fluiten en trompetten, en vedels en orgels, en als ontelbare koren die woorden zongen, het thema van Ilúvatar tot een groots muziekstuk te vormen; en een geluid steeg op van eindeloos wisselende melodieën, geweven in een harmonie die aan het gehoor voorbijtrok naar de diepten en naar de hoogten; en de plaatsen waar Ilúvatar woonde, werden boordevol gevuld, en de muziek en de echo van de muziek vervlood naar de Leegte, en deze was niet langer ledig. Nooit hebben de Ainur sindsdien muziek gemaakt als deze muziek, hoewel gezegd is dat een nog groter muziekstuk voor Ilúvatar zal worden gemaakt door de koren van de Ainur en de Kinderen van Ilúvatar na het einde der dagen. Dan zullen de thema's van Ilúvatar juist worden gespeeld en Werkelijkheid worden op het ogenblik dat zij worden vertolkt, want allen zullen dan volledig zijn bedoeling met hun rol begrijpen, en elk zal de functie van elk ander kennen en Ilúvatar zal hun gedachten het geheime vuur schenken omdat hij verheugd is.

 

Maar nu zat Ilúvatar en luisterde, en lange tijd scheen het hem goed toe, want' de muziek had geen gebreken. Maar naarmate het thema voortschreed, kwam het in Melkor's[5] hart op om er zaken van zijn eigen verbeelding, die niet in overeenstemming waren met het thema van Ilúvatar, in te weven; want hij pro­beerde daarmee de macht en de glorie van de rol die hem was toebedeeld, te vergroten. Van alle Ainur waren Melkor de grootste gaven van macht en kennis geschonken, en hij had een aandeel in alle gaven van zijn broeders. Hij was vaak alleen naar de ledige plaatsen gegaan, op zoek naar de Onvergankelijke Vlam; want het verlangen brandde in hem om zelf dingen tot leven te wekken. Het scheen hem toe dat Ilúvatar zich niet om de Leegte had bekommerd, en hij kon haar ledigheid niet ver­dragen. Toch vond hij het Vuur niet, want dat berust bij Ilúvatar. Maar omdat hij alleen was, was hij begonnen zelf gedachten te vormen die afweken van die van zijn broeders.

 

Sommige van deze gedachten weefde hij nu in zijn muziek en meteen ontstond disharmonie rondom hem, en velen die dicht bij hem zongen, werden wanhopig en hun denken werd ver­stoord en hun muziek werd onzeker; maar anderen begonnen hun muziek meer aan de zijne aan te passen dan aan de gedachte die zij oorspronkelijk hadden. Toen verspreidde de disharmonie van Melkor zich nog verder en de melodieën die tevoren waren gehoord, gingen onder in een zee van turbulent geluid.

 

Maar Ilúvatar bleef zitten luisteren tot het scheen dat er rondom zijn troon een storm woedde als van duistere wateren die elkaar be­oorloogden in een eindeloze toorn die niet wilde bedaren. Toen stond Ilúvatar op en de Ainur zagen dat hij glimlachte; en hij hief de linkerhand op en een nieuw thema begon in de storm, gelijkend, maar toch ook niet gelijkend op het eerdere thema, en het nam toe in kracht én verkreeg een nieuwe schoonheid. Maar de disharmonie van Melkor verhief zich onstuimig en streed ermee, en opnieuw was er een oorlog van geluid, heviger dan eerst, tot velen van de Ainur ontsteld waren en niet langer zongen en Melkor de overhand had.

 

Toen verhief Ilúvatar zich opnieuw en de Ainur zagen dat zijn gezicht ernstig stond; en hij hief de linkerhand op en zie! een derde thema zwol aan te midden van de verwarring en dit was anders dan de andere. Want het scheen eerst zacht en liefelijk, louter een rimpeling van zoete geluiden in fijne melodieën; maar dit kon niet worden onder­drukt, en nam in kracht en diepte toe. En tenslotte leek het alsof er twee muziekstukken tegelijk klonken voor de zetel van Ilúvatar, en zij waren volkomen verschillend. Het ene was laag en ruimtelijk en mooi, maar langzaam en vermengd met een onmetelijk verdriet, waaraan het zijn schoonheid voornamelijk ontleende. Het andere had nu een eigen eenheid bereikt; maar het was luid en ijdel, met eindeloze herhalingen; het bezat weinig harmonie, maar eerder een luidruchtige samenklank als van vele trompetten die enkele noten schalden. En het trachtte de andere muziek met de heftigheid van zijn geluid te overstemmen, maar het scheen dat zijn triomfantelijkste noten door het andere wer­den overgenomen en in zijn eigen plechtige patroon werden ge­weven.

 

Te midden van deze strijd, waarbij de zalen van Ilúvatar schud­den en een trilling zich naar de tot dusver onbewogen stilten voortplantte, stond Ilúvatar voor de derde keer op en zijn ge­zicht was vreselijk om te zien. Toen hief hij beide handen op, en met één akkoord, dieper dan de Afgrond, hoger dan het Firmament, doordringend als het licht van het oog van Ilúvatar, hield de Muziek op.

 

Toen sprak Ilúvatar en hij zei: 'Machtig zijn de Ainur, en de machtigste onder hen is Melkor; maar opdat hij, en alle Ainur, zal weten dat ik Ilúvatar ben, zal ik de dingen die ge hebt ge­zongen, zichtbaar maken opdat ge ziet wat ge gedaan hebt. En gij, Melkor, zult zien dat geen thema gespeeld mag worden dat niet zijn uiterste oorsprong in mij heeft, en dat ook niemand die muziek mij ten spijt kan veranderen. Want hij die dat probeert, zal zich slechts mijn instrument betonen voor het verbeelden van wonderbaarlijker dingen, die in zijn eigen geest niet op­gekomen zijn.'

 

                                                      http://www.tednasmith.com/

 

Toen werden de Ainur bang en zij begrepen de woorden niet die tegen hen werden gesproken, en Melkor was vervuld van schaamte, waaruit geheime woede voortkwam. Maar Ilúvatar verhief zich in pracht en hij ging heen uit de schone regionen die hij voor de Ainur had gemaakt, en de Ainur volgden hem.

 

Maar toen zij in de Leegte waren gekomen, zei Ilúvatar tegen hen: 'Aanschouw uw Muziek!' En hij liet hun een visioen zien, hun gezicht schenkend waar tevoren slechts gehoor was geweest; en zij zagen een nieuwe Wereld die zichtbaar voor hen werd gemaakt, en deze werd tot een bol gevormd te midden van de Leegte en werd daarin geschraagd, maar maakte er geen deel van uit. En terwijl zij keken en zich verbaasden, begon deze Wereld zijn geschiedenis te ontvouwen, en het scheen hun toe dat zij leefde en groeide. En toen de Ainur een tijd lang hadden toegekeken en stil waren, zei Ilúvatar opnieuw: 'Aanschouw uw Muziek!' Dit is uw zangkunst en elk van u zal daarin te midden van het plan dat ik u heb voorgehouden, al die dingen vervat zien die hij naar het scheen zelf ontwierp of toevoegde. En gij, Melkor, zult alle geheime gedachten van de geest ontdekken, en zult beseffen dat zij slechts deel zijn van het geheel en bijdragen tot zijn luister.'

 

En Ilúvatar zei vervolgens nog vele andere dingen tegen de Ainur, en doordat zij zich zijn woorden herinnerden, en door de wetenschap die elk van de muziek heeft die hij zelf had ge­maakt, weten de Ainur veel van wat was, en is, en komen zal, en er zijn weinig dingen die zij niet zien. Toch zijn er enkele dingen die zij niet kunnen zien, noch alleen, noch wanneer zij zich samen beraden, want aan geen behalve zichzelf heeft Ilúvatar alles onthuld wat hij in petto had, en in ieder tijdvak komen dingen naar voren die nieuw en niet te voorspellen zijn, want zij komen niet uit het verleden voort.

 

En zo geviel het dat, toen hun dit visioen van de Wereld werd getoond, de Ainur zagen dat het dingen bevatte die zij niet had­den gedacht. En zij zagen met verbazing de komst van de Kinde­ren van Ilúvatar, en de woonstee die voor hen werd bereid; en zij zagen dat zijzelf bij het maken van hun muziek druk bezig waren geweest met deze woonstee voor te bereiden, maar toch niet wisten dat het enig doel had buiten zijn eigen schoonheid.

 

Want de Kinderen van Ilúvatar waren door hem alleen bedacht; en zij kwamen bij het derde thema, maar kwamen niet voor in het thema dat Ilúvatar aan het begin had voorgesteld, en geen van de Ainur had deel aan hun schepping. Daarom, toen zij ze zagen, hielden zij des te meer van hen, omdat het andere wezens waren dan zijzelf, vreemd en vrij, waarin zij de geest van Ilúvatar opnieuw weerspiegeld zagen, en zij kwamen nog iets meer over zijn wijsheid te weten, die anders zelfs voor de Ainur verborgen zou zijn gebleven.

 

De Kinderen van Ilúvatar nu zijn Elfen en Mensen, de Eerst­geborenen en de Volgelingen. En te midden van alle pracht en praal van de wereld, haar enorme zalen en ruimten en haar wentelende vuren, koos Ilúvatar een plaats voor hen om te wonen in de Diepten van de Tijd en te midden van de ontelbare sterren. En deze woonstede moge hun een bagatel toeschijnen die uitsluitend aan de majesteit van de Ainur denken en niet aan hun verschrikkelijke gestrengheid; zoals zij die het hele gebied van Arda zouden nemen om daarop een zuil op te richten en deze zo hoog te verheffen tot haar top scherper zou zijn dan de punt van een naald; of zij die alleen de onmetelijke uitgestrekt­heid van de Wereld in aanmerking nemen, die de Ainur nog aan het vormen zijn, en niet de minutieuze nauwkeurigheid waarmee zij alle dingen vorm geven die daarin zijn.

 

Maar toen de Ainur deze woonstee in een visioen hadden aanschouwd en de Kinderen van de Ilúvatar daarin hadden zien ontstaan, richtten velen van de machtigsten onder hen al hun gedachten en heel hun verlangen op die plaats. En van dezen was Melkor de leider, zoals hij in het begin de grootste van alle Ainur was die deel­namen aan de Muziek. En hij veinsde, aanvankelijk ook tegen­over zichzelf, dat hij daarheen wilde gaan en alle dingen ten goede voor de Kinderen van Ilúvatar ordenen, als gebieder van de hitte en de koude, die van hem uitgingen. Maar meer nog wilde hij Elfen en Mensen aan zijn wil onderwerpen, de gaven benijdend die Ilúvatar hun had beloofd te schenken; want hij wilde zelf onderdanen en dienaren hebben en Heer genoemd worden en meester zijn over de wil van anderen.

 

                                                      http://www.tednasmith.com/

 

Maar de andere Ainur aanschouwden deze woonstee - gevestigd binnen de enorme ruimten van de Wereld die de Elfen Arda, de Aarde, noemen - en hun harten verheugden zich in het licht - en hun ogen, die vele kleuren zagen, werden met blijheid ver­vuld; maar door het woeden van de zee voelden zij een grote onrust. En zij zagen de winden en de lucht en de stoffen waarvan Arda was gemaakt, ijzer en steen en zilver en goud en velerlei substanties; maar van dit alles prezen zij het water het meest. En de Eldar zagen dat in het water de echo van de muziek van de Ainur nog meer leeft dan in welke andere stof ook die deze Aarde bevat; en velen van de Kinderen van Ilúvatar krijgen nooit genoeg van het luisteren naar de stemmen van de Zee, en weten toch niet waarnaar zij luisteren.

 

Op het water nu had de Ainu, die de Elfen Ulmo[6] noemen, zijn gedachten gericht en hij werd door Ilúvatar het grondigst van allen in de muziek onderwezen. Maar over de luchtstromingen en winden had Manwë[7], die de nobelste van de Ainur is, het meest nagedacht. Over de samenstelling van de Aarde had Aulë[8] zich bezonnen, aan wie Ilúvatar nauwelijks minder bekwaamheid en kennis dan aan Melkor had geschonken; maar de verrukking en trots van Aulë ligt in de daad van het maken en in het gemaakte en niet in bezit of zijn eigen meesterschap; weshalve hij geeft en niet vergaart, en vrij is van zorg, altijd op een volgend werkstuk overgaand.

 

En Ilúvatar sprak tot Ulmo en zei: 'Ziet gij niet hoe hier in dit kleine rijk in de Diepten van de Tijd Melkor oorlog heeft ge­voerd tegen uw gebied? Hij heeft bittere, buitensporige koude bedacht, maar heeft toch niet de schoonheid van uw fonteinen noch van uw heldere plassen vernietigd. Aanschouw de sneeuw en het kunstige werk van de vorst! Melkor heeft zonder terug­houdendheid hitte en vuur bedacht, maar heeft uw verlangen niet opgedroogd en ook de muziek van de zee niet geheel en al tot zwijgen gebracht. Aanschouw liever de hoogte en de heerlijk­heid van de wolken en de steeds veranderende nevels; en luister naar het vallen van de regen op de Aarde! En in deze wolken wordt gij nader aangetrokken tot Manwë, uw vriend, die gij liefhebt.'

 

Toen antwoordde Ulmo: 'Waarlijk, water is nu mooier geworden dan mijn hart zich voorstelde, en ook had mijn geheimste ge­dachte de sneeuwvlok niet bedacht, en evenmin bevatte al mijn muziek het vallen van de regen. Ik zal Manwë zoeken, opdat hij en ik voor altijd melodieën mogen maken om u te verrukken!' En Manwë en Ulmo zijn van het begin af aan verbonden geweest, en hebben in alle zaken eerlijk het doel van Ilúvatar gediend.

 

Maar op het ogenblik dat Ulmo sprak, en terwijl de Ainur nog naar het visioen keken, werd het weggenomen en aan hun gezicht onttrokken; en het scheen hun toe dat zij op dat ogenblik iets nieuws aanschouwden, Duisternis, die zij niet eerder hadden ge­kend, behalve in hun gedachten. Maar zij werden bekoord door de schoonheid van het visioen en in beslag genomen door de ontplooiing van de Wereld die daar ontstond, en hun geesten waren ervan vervuld; want de geschiedenis was onvolledig en de kringlopen van de tijd niet voltooid toen het visioen werd weggenomen.

 

En sommigen hebben gezegd dat het visioen op­hield vóór de vervulling van de Heerschappij van de Mensen en de verdwijning van de Eerstgeborenen; weshalve, hoewel de muziek over allen komt, de Valar niet de Latere Era's of het einde van de Wereld uit aanschouwing hebben gekend.

 

Toen ontstond er onrust onder de Ainur; maar Ilúvatar riep tot hen en zei: 'Ik ken het verlangen in uw geest, dat wat ge hebt gezien, waarlijk zou moeten bestaan, niet alleen in uw gedachten, maar ook zoals ge zelf zijt, hoewel toch anders. Daarom zeg ik: "Eä[9]!" Laat deze dingen Zijn! En ik zal in de Leegte de Onver­gankelijke Vlam sturen en deze zal altijd in het hart van de Wereld zijn, en de Wereld zal Bestaan en degenen van u die dat willen, mogen ernaar afdalen.'

 

En plotseling zagen de Ainur in de verte een licht, alsof het een wolk was met een levend hart van vlammen; en zij wisten dat dit niet slechts een visioen was, maar dat Ilúvatar iets nieuws had geschapen: Eä, de Wereld die Be­staat.

 

Zo geviel het dat sommigen van de Ainur nog bij Ilúvatar buiten de grenzen van de Wereld woonden, maar anderen - waaronder velen van de grootsten en mooisten - afscheid van Ilúvatar namen en er naar afdaalden. Maar Ilúvatar stelde deze voor­waarde, of het is de behoefte van hun liefde, dat hun macht van dat ogenblik af in de Wereld vervat en begrensd moest zijn om daar voor eeuwig te blijven tot zij voltooid is, zodat zij haar leven zijn en zij het hunne is. En daarom worden zij de Valar genoemd, de Machten van de Wereld.

 

Maar toen de Valar Eä binnentraden, waren zij eerst verbaasd en hulpeloos, want het was alsof er nog niets gemaakt was van wat zij in het visioen hadden gezien, en alles slechts op het punt stond om te beginnen en nog ongevormd was; en het was donker. Want de Grote Muziek was slechts de groei en bloei van ge­dachten in de Tijdloze Zalen geweest en het Visioen slechts een voorafschaduwing; maar nu waren zij gekomen aan het begin van de Tijd en de Valar zagen dat de Wereld slechts was aan­gekondigd en vooraf bezongen, en zij haar tot stand moesten brengen. Zo begonnen hun grote inspanningen in onmetelijke en onverkende woestenijen, en in ongetelde en vergeten eeuwen, tot in de Diepten van de Tijd en te midden van de enorme zalen van Eä het uur en de plaats kwamen waar de woonstee van de Kinderen van Ilúvatar werd gemaakt.

 

En in dit werk hadden Manwë, Aulë en Ulmo het grootste aan­deel, maar Melkor was daar ook van meet af aan, en hij bemoeide zich met alles dat werd gedaan en bracht het als hij kon in over­eenstemming met zijn eigen verlangens en doeleinden; en hij ontstak grote vuren. Toen de Aarde derhalve nog jong was en vol vlammen, begeerde Melkor haar, en hij zei tegen de andere Valar: 'Dit zal mijn eigen koninkrijk zijn, en ik noem het ’t mijne!' Maar Manwë was naar de geest van Ilúvatar de broeder van Melkor, en hij was het belangrijkste instrument van het tweede thema dat Ilúvatar had aangeheven tegen de disharmonie van Melkor; en hij riep vele geesten, grote en kleine, tot zich en zij daalden af naar de velden van Arda en hielpen Manwë, opdat Melkor de vervulling van hun arbeid niet voor altijd zou be­lemmeren, en de Aarde zou verwelken nog voor zij had ge­bloeid.

 

En Manwë zei tegen Melkor: 'Dit koninkrijk moogt gij u niet onrechtmatig toe-eigenen, want vele anderen hebben hier niet minder gezwoegd dan gij.' En er was strijd tussen Melkor en de andere Valar; en Melkor trok zich terug en ging heen naar andere regionen en deed daar wat hij wilde; maar hij bande het verlangen naar het Koninkrijk van Arda niet uit zijn hart.

 

Nu namen de Valar zelf vorm en kleur aan; en omdat zij naar de Wereld werden getrokken uit liefde voor de Kinderen van Ilúvatar, voor wie zij hoop koesterden, namen zij vorm aan op de manier die zij in het Visioen van Ilúvatar hadden gezien, behalve alleen in majesteit en pracht. Bovendien stamt hun vorm veeleer van hun kennis van de zichtbare Wereld dan van de Wereld zelf; en zij hebben hem niet nodig, behalve alleen zoals wij kleding gebruiken, maar toch kunnen wij naakt zijn zonder daarmee ons wezen te verliezen.

 

Daarom kunnen de Valar, indien zij dat willen, ongekleed rondlopen en dan kunnen zelfs de Eldar[10] hen niet duidelijk zien, ook al zijn ze aanwezig. Maar wanneer zij zich wensen te kleden, nemen de Valar soms vorm aan, som­migen als man en sommigen als vrouw, want dat verschil van aard bezaten zij reeds vanaf hun begin, en het komt steeds tot uiting in ieders keuze zonder door deze keuze bepaald te zijn; zoals bij ons mannelijk en vrouwelijk worden aangeduid door de kleding, maar daar niet door worden bepaald. De gedaanten die de Groten echter aannemen, lijken niet altijd op de gedaanten van de koningen en koninginnen van de Kinderen van Ilúvatar; want soms kleden zij zich in hun eigen gedachte, zichtbaar ge­maakt in vormen van majesteit en vrees.

 

En de Valar trokken vele metgezellen tot zich aan, sommigen minder groot, anderen bijna even groot als zij zelf, en zij werkten samen bij de ordening van de Aarde en de beteugeling van haar roerselen. Toen zag Melkor wat er bereikt was en dat de Valar zich als zichtbare machten op Aarde bewogen, gekleed in het gewaad van de Wereld, en mooi en heerlijk waren om te zien, en gelukkig, en dat de Aarde gelijk een tuin voor hun verrukking werd, want haar roerselen waren overwonnen.

 

                                                       

 

Zijn afgunst werd toen nog groter en hij nam ook zichtbare vorm aan, maar door zijn aard en de boosaardigheid die in hem brandde, was die vorm donker en verschrikkelijk. En hij daalde op Arda neer met een macht en majesteit groter dan die van enige Valar, als een berg die in zee waadt en zijn hoofd boven de wolken heeft en gekleed gaat in ijs en gekroond is met rook en vuur; en het licht van de ogen van Melkor was als een vlam die een verzen­gende hitte en een alles doordringende koude uitstraalt.

 

Zo begon de eerste oorlog van de Valar tegen Melkor om de heerschappij van Arda; en van deze beroering weten de Elfen slechts weinig. 'Want wat hier is verklaard, is afkomstig van de Valar zelf, met wie de Eldalië[11] spraken in het land Valinor[12], en door wie zij waren onderwezen; maar de Valar wilden nooit veel vertellen over de oorlogen voor de komst van de Elfen.

 

Toch wordt onder de Eldar verhaald dat de Valar eens hebben getracht om ondanks Melkor de Aarde te regeren en haar voor te bereiden op de komst van de Eerstgeborenen; en zij vormden landen, maar Melkor verwoestte ze; dalen dolven zij en Melkor verhief ze; bergen hakten zij uit en Melkor slechtte ze; zeeën groeven zij en Melkor ledigde ze; en niets kon vrede hebben of tot blijvende groei komen, want zodra de Valar een werk be­gonnen, deed Melkor het onveranderlijk teniet of bedierf het.

 

Maar toch was hun arbeid niet helemaal vergeefs; want hoewel hun wil en opzet nergens en in geen enkel werk geheel vervuld werden en alle dingen een andere kleur en vorm kregen dan de Valar aanvankelijk hadden bedoeld, werd de Aarde niettemin langzaam gevormd en bestendigd. En aldus werd de woonstede van de Kinderen van Ilúvatar uiteindelijk gesticht in de Diepten van de Tijd en te midden van ontelbare sterren.

 

Bron: De Silmarillion – Tolkien

 

 



[1] De Heiligen (enkelvoud Ainu; de eerste wezens die door Ilúvatar werden geschapen; de orde van de Valar en de Maiar, gemaakt vóór Eä

[2] De Ene, Hij die alleen is; Ilúvatar

[3] Het Rijk, naam van de Aarde als het Koninkrijk van Marwë

[4] Vader van Allen

[5] De grote opstandigen Vala, het begin van het kwaad; van oorsprong de machtigste van de Ainur – ‘Hij die zich in Macht verheft’

[6] Een Vala, Heer van de Wateren en Koning van de Zee genoemd – de Schenker of de Regener

[7] Het hoofd van de Valar, de Oudste Koning, de Heerser van Arda genoemd

[8] Een Vala, de smid en meester van ambachten, echtgenoot van Yavanna

[9] De Wereld. Het stoffelijke Universum. Eä, hetgeen in de Elfentaal betekent: “Het is” of “Er zij”

[10] ‘Volk van de Sterren’ – naam van de elfen

[11] Het Elfenvolk

[12] Het land van de Valar

02. HET VERLANGEN NAAR DE WEDERHELFT (een toespraak uit 'Het Symposion)

 

Na de maaltijd hebben de gasten afgesproken met drinken niet te overdrijven en een gesprek te voeren. Op suggestie van Faedrus wordt als onderwerp de god Eros gekozen: de liefde. Aan het woord zijn al geweest Faedrus zelf, Pausanias en de arts Eryximachus. Hier volgt de toespraak van Aristofanes, de beroemde komedieschrijver, bij dit gesprek bijna dertig jaar oud.

 

'Ik geloof dat de mensen absoluut niet beseffen hoe groot de macht van de liefde wel is. Want als ze dat wel deden, zouden ze de grootste heiligdom­men voor de liefdesgod hebben opgericht en daar de prachtigste eredien­sten houden. Maar nu wordt dit helemaal niet voor hem gedaan, hoewel hij het juist meer dan anderen verdient. Hij is namelijk de meest menslie­vende god. Hij steunt de mensen en geneest hen van de kwalen die nu nog het grootste geluk van het mensdom in de weg staan.

Ik zal nu een poging doen jullie over die macht in te lichten, dan kunnen jullie verder zorgen voor de voorlichting van het grote publiek. Eerst moeten jullie iets leren over de menselijke natuur en wat daarmee is ge­beurd. Kijk, onze vroegere natuur was niet zoals nu. In de eerste plaats waren er bij de mensen drie seksen, niet twee zoals nu, de mannelijke en de vrouwelijke, er was ook nog een derde bij, een mengvorm van die twee, waarvan nu alleen de naam nog over is, zelf is hij verdwenen. Een manwijf was toen namelijk niet alleen in naam maar ook uiterlijk een eenheid, sa­mengesteld uit beide, het mannelijke en het vrouwelijke. Momenteel be­staat het alleen nog maar als een scheldwoord.

In de tweede plaats was van ieder mens de vorm helemaal rond, met rug en zijden in een cirkel. Vier armen had hij, en evenveel benen als armen, en op een cirkelvormige hals twee gezichten die in alle opzichten gelijk wa­ren, en op die twee van elkaar afstaande gezichten één schedel, en vier oren; twee schaamdelen en verder alles zoals je je op grond hiervan wel kunt voorstellen. Hij liep ook rechtop zoals nu, twee kanten op, precies zoals hij wilde, en wanneer hij ging rennen deed hij net als acrobaten die met hun benen recht omhoog ronddraaien bij hun salto's. Ze zetten zich dan af met die acht ledematen van toen en verplaatsten zich snel in cirkels.

Er waren daarom drie seksen met zo'n vorm, omdat de mannelijke sekse oorspronkelijk stamde van de zon, de vrouwelijke van de aarde, en de sekse die van beide iets had van de maan, omdat ook de maan iets van beide heeft. Ze waren dus zelf rond en hun manier van voortbewegen ook, doordat ze leken op hun ouders.

Nu waren die mensen enorm sterk en energiek, en bovendien hadden ze een groot zelfbewustzijn, en zo namen ze het op tegen de goden. Dat ver­haal van Homerus over de reuzen Efialtes en Otus heeft betrekking op die mensen - dat ze probeerden in de hemel te klimmen om de goden aan te vallen. Zeus pleegde toen overleg met de andere goden over wat er met die mensen gedaan moest worden, en ze kwamen er niet uit. Ze konden hen moeilijk doden en hun ras net als de Giganten met bliksem van de aardbo­dem wegvagen, want daarmee zouden tegelijk de eerbewijzen en plech­tigheden die de mensen organiseerden worden weggevaagd. Maar ze kon­den hen ook moeilijk hun gang laten gaan.

Met veel moeite heeft Zeus toen iets bedacht. 'Ik geloof,' zei hij, 'dat ik een methode heb om te zorgen dat de mensen blijven bestaan en tegelijk hun ongedisciplineerd gedrag staken: ze moeten zwakker worden. Kijk, voorlopig zal ik ze,' zei hij, 'doormidden snijden, allemaal. Niet alleen zijn ze dan zwakker, maar voor ons is dat ook nog voordeliger, want hun aantal is dan groter. Ze zullen zich rechtop gaan verplaatsen op twee be­nen. Als ze het dan nóg nodig vinden zich te buiten te gaan, en zich niet rustig willen houden, zal ik ze opnieuw doormidden snijden,' zei hij, 'zo­dat ze dan op één been lopen, al hinkend.'

Nadat hij dat had gezegd had, sneed hij de mensen doormidden, zoals je een kweepeer snijdt voor je hem inmaakt. Van ieder die hij doorsneed beval hij Apollo het gezicht om te draaien en de helft van de hals, naar de snee toe, zodat de mensen zich beheerster zouden gedragen doordat ze zagen hoe er in hen gesneden was. Hij beval hem de rest te genezen. Apol­lo draaide het gezicht om en trok de huid van alle kanten samen naar wat nu de buik heet en bond hem net als een oude geldbuidel op één plaats dicht in het midden van de buik, wat men dan de navel noemt. Verder streek hij alle rimpels glad en modelleerde de borstkas met zo'n instru­ment als een schoenmaker gebruikt om de rimpels van het leer glad te strijken rond zijn leest. Een paar rimpels liet hij over rond de buik en de navel, als herinnering aan wat er vroeger gebeurd is.

Toen het oorspronkelijke menselijke lichaam zo doormidden was gesne­den verlangde elke helft wanhopig terug naar de andere helft, en zij zoch­ten elkaar op. Dan sloegen ze de armen om elkaar heen en grepen elkaar beet in hun verlangen om tot een eenheid te groeien. En zo stierven ze van honger en totaal gebrek aan activiteit, omdat ze niets wilden doen apart van elkaar. Wanneer een van de helften stierf en de andere achterbleef, zocht die achtergebleven helft een andere helft en greep die beet, of hij nu van zo'n hele vrouw een helft tegenkwam - wat wij nu vrouw noemen - of van een man, en zo kwamen zij de een na de ander om.

Uit medelijden biedt Zeus dan een andere uitweg. Hij verplaatst hun schaamdelen naar de voorkant. Want tot dusver hadden zij die aan de bui­tenkant gehad en ze hadden hun zaad niet in elkaar uitgestort maar op de grond, net als cicaden. Nu verplaatste hij die schaamdelen dus op die ma­nier naar hun voorkant en liet de mensen daardoor het zaad in elkaar uit­storten, door het mannelijke in het vrouwelijke, en wel om de volgende reden. Als nu bij dat beetpakken een man een vrouw trof, zouden zij met hun seksueel contact nageslacht verwekken. En als een mannelijke helft een mannelijke tegenkwam, zou het samenzijn tenminste tot verzadiging leiden. Ze zouden rustig worden en aan het werk gaan en zorgen dat ze in leven bleven.

Zo lang geleden is dus in de mensen de liefde voor elkaar ontstaan. Die liefde brengt hen in hun oorspronkelijke gedaante bijeen en probeert van twee één te maken om zo de menselijke natuur te genezen. Ieder van ons is dus als het ware een ontbrekende helft, omdat de mens is doorgesneden als een schol. En ieder is dus altijd op zoek naar de helft die bij hem past.

Nu gaat de begeerte van alle mannen die een stuk zijn van die gemeen­schappelijke sekse die toen dus manwijf werd genoemd naar vrouwen uit. Overspel wordt vooral gepleegd door mannen van die sekse en omge­keerd geldt voor vrouwen hetzelfde. De vrouwen die een stuk zijn van een vrouw geven niet veel om mannen, ze zijn meer op vrouwen gericht; lesbiennes stammen van die sekse. Alle van de mannelijke sekse afgesne­den stukken maken jacht op mannelijke wezens. Zolang ze nog jongens zijn houden ze, als stukjes van het mannelijke, van mannen en vinden het heerlijk in een omstrengeling bij mannen te liggen. Dat zijn de beste jon­gens omdat ze van nature het mannelijkst zijn. Er zijn wel mensen die het onfatsoenlijk vinden wat zij doen, maar dat is ten onrechte. Het is geen gebrek aan fatsoen dat hen ertoe brengt, maar juist moed, wilskracht en mannelijkheid: ze worden aangetrokken door wat op hen lijkt. Het beste bewijs daarvoor is dat wanneer ze volwassen zijn alleen zulke personen in de politiek mánnen blijken. Wanneer ze mannen zijn geworden, worden ze ook weer op een jongen verliefd. Om een huwelijk en het verwekken van kinderen geven zij niet uit zichzelf, ze worden er door de gewoonte toe gedwongen. In feite hebben zij er genoeg aan met elkaar verder te leven zonder huwelijk.

Wanneer nu een van al die mensen precies die eigen helft tegenkomt, dan worden ze op een werkelijk onvoorstelbare manier overweldigd door ge­voelens van vriendschap, vertrouwdheid en liefde. Zij willen geen secon­de meer van elkaar 'scheiden' zoals wij dat noemen. Dat zijn de mensen die hun hele leven met elkaar doorbrengen en die niet eens zouden kun­nen zeggen wat ze eigenlijk van elkaar verwachten. Want het is ondenk­baar dat het daarbij om het seksuele contact zou gaan, alsof ze daarvoor ZO graag en met zo'n toewijding bij elkaar zouden zijn. Het is duidelijk dat zij allebei een andere, innerlijke behoefte hebben, die ze niet onder woorden kunnen brengen maar waarvan hun raadselachtige gevoelens een aanduiding zijn.

Als Hefaestis bij hen zou komen staan, met zijn gereedschap, daar waar zij bij elkaar liggen, en zou vragen: 'Mensen, wat is het toch dat jullie van elkaar verwachten?' En als ze daarop geen antwoord zouden weten en hij zou verder vragen: 'Verlangen jullie soms dit? Om zo dicht mogelijk bij elkaar te komen, zodat jullie dag en nacht niet van elkaar hoeven weg te gaan? Als jullie dat verlangen, ben ik bereid jullie samen te smelten en samen te smeden, zodat jullie met zijn tweeën één worden en zolang jullie leven als een eenheid beiden gemeenschappelijk leven, en wanneer jullie gestorven zijn daar in de Hades weer in plaats van twee één zijn, in een gemeenschappelijke dood. Denk maar eens na of jullie dat verlangen en of jullie bevredigd zouden zijn als jullie dat bereikten.'

Wij weten dat niemand dat dan zou weigeren of iets anders zou blijken te willen. Iedereen zou denken dat hij daar precies gehoord had wat hij ken­nelijk allang verlangde: samenkomen, samensmelten met zijn geliefde en in plaats van twee één worden. Dat komt omdat onze oorspronkelijke natuur zo was en wij eens héél waren. Dat verlangen nu, dat jagen naar het hele, wordt liefde genoemd.

Vroeger waren we zoals ik zeg één, maar nu zijn we vanwege onze slecht­heid door god verspreid gevestigd, zoals de Arcadiërs door de Spartanen. Het gevaar bestaat dus dat als we ons niet beheerst gedragen we opnieuw gekliefd worden en dan rondlopen met alleen maar een profiel, net als een muurreliëf, ter hoogte van onze neus gespleten en daardoor een soort ge­broken dobbelstenen geworden. Daarom moet iedereen iedereen aanspo­ren om de goddelijke geboden te respecteren zodat wij aan dat lot ontko­men en het geluk bereiken langs de weg die de liefde ons wijst. Niemand mag daarbij de liefde tegenwerken - en tegenwerken doet wie god aan­stoot geeft - want als god zich ons lot aantrekt en zich met ons verzoent, zullen wij de persoon die bij onszelf hoort ontdekken en ontmoeten, ­wat tegenwoordig maar weinig mensen overkomt.

En laat Eryximachus nu niet reageren met mijn verhaal in het belachelijke te trekken en zeggen dat ik op Pausanias en Agathon doel. Het is inder­daad best mogelijk dat zij ook tot die mensen behoren en allebei van oor­sprong mannelijk zijn, maar ik beweer dus over álle mensen, mannen en vrouwen, dat onze soort pas dan gelukkig kan worden als wij de liefde volmaakt maken en als ieder zijn eigen geliefde vindt en zo terugkeert tot zijn oorspronkelijke staat. En als dat het ideaal is, moet onder de huidige omstandigheden het beste zijn wat dat ideaal het meest benadert, en dat is om als geliefde iemand te vinden waar je hart naar uitgaat.

Terecht zingen wij de lof van de liefde, die ons daartoe in staat stelt. Niet alleen in onze huidige situatie betekent hij heel veel voor ons, doordat hij ons brengt naar wat bij ons hoort, maar hij geeft ons ook grote verwach­tingen voor de toekomst. Want als wij onze plicht tegenover de goden vervullen, zal hij ons in onze oorspronkelijke staat herstellen en genezen, zodat wij een gelukkig en gezegend bestaan hebben.'

Socrates – uit: Plato, Schrijver – Gerard Koolschijn

 

Meer Mythologische Scheppingsverhalen

Friesland Mythologisch

 

 

 

                             

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL