Frederik van Eeden 

Citaten uit zijn boeken

Mijn Frederik van Eeden Boekenplank

Anderen over F.v E

Frederik van Eeden als Katholiek - Evert van Eeden 

Anderen over F.v E

Het paleis van Circe - de Amerikaanse reizen van F.v.E. - Wim J. Simons

Anderen over F.v E

Liber Amicorum

Anderen over F.v E

Mededelingen van het Frederik van Eedengenootschap

Anderen over F.v E

Ontmoetingen F. Van Eeden - Wim J. Simons

Anderen over F.v E

Onzeekerheid is leeven - Beschouwingen over Frederik van Eeden

Anderen over F.v E

Over Frederik van Eeden's van de koele meren des doods - H.C.Rümke

Anderen over F.v E

Psychologie van den Tachtiger - Dr. G. Kalff Jr.

Anderen over F.v E

Trots verbrijzeld - Biografie II - Jan Fontijn

Anderen over F.v E

Tweespalt - Biografie I  - Jan Fontijn

Anderen over F.v E

Van Eeden! Van Eeden! Daar komt hij aangetreden!

Brieven

Brieven aan Henri Borel

Brieven

Brieven van Frederik v. Eeden Fragmenten eener Briefwisseling uit de jaren 1889-1899

Brieven

De briefwisseling tussen F.v.E. en Lodewijk van Deyssel

Dagboeken

Dagboek deel I - 1878 - 1900

Dagboeken

Dagboek deel II - 1901 - 1910

Dagboeken

Dagboek deel III - 1911 - 1918

Dagboeken

Dagboek deel IV - 1919 - 1923

Dagboeken

Dromenboek

Mededelingen

december-00

Mededelingen

december-01

Mededelingen

december-02

Mededelingen

december-03

Mededelingen

december-04

Mededelingen

maart-06

Mededelingen

maart-07

Poëzie

Aan mijn Engelbewaarder en andere Gedichten

Poëzie

Ellen

Poëzie

Het lied van Schijn en Wezen I, II en III in één band, toegelicht door Dr. H.W. Van Tricht

Poëzie

Lioba

Poëzie

Van de Passieloze Lelie

Proza

De kleine Johannes I, II en III in één band

Proza

De nachtbruid

Proza

Het roode lampje - signifische gepeinzen I

Proza

Het roode lampje - signifische gepeinzen II

Proza

Jezus' leer en verborgen leven

Proza

Johannes Viator

Proza

Paul's ontwaken

Proza

Sirius en Siderius I - De ouders

Proza

Sirius en Siderius II - Het Kind

Proza

Sirius en Siderius III - Geroepen of Verkooren 

Proza

Uit Jezus' oopenbaar leeven

Proza

Van de koele meren des doods

Proza Filosofisch

De Blijde Wereld - Reden over mensch en maatschappij

Proza Filosofisch

De geestelijke verovering der wereld

Proza Filosofisch

Gedachten van Dr. FRED. VAN EEDEN

Proza Filosofisch

Het Godshuis in de Lichtstad

Proza Filosofisch

Langs den Weg - verspreide opstellen.

Proza Filosofisch

Redekunstige grondslag van verstandhouding.

Proza Filosofisch

Studies - derde deel

Proza Filosofisch

Studies - Een bloemlezing uit zijn studies

Proza Filosofisch

Studies - eerste deel

Proza Filosofisch

Studies - tweede deel

Proza Filosofisch

Studies - vierde deel

Tagore vertalingen

De Vluchtelinge

Tagore vertalingen

De Wassende Maan

Tagore vertalingen

Sadhana I

Tagore vertalingen

Sadhana II

Tagore vertalingen

Wij Zangen

Toneel

De broeders

Toneel

De heks van Haarlem

Toneel

De Paddestoel

Toneel

Don Torribo

Toneel

Het poortje of De duivel te Kruimelburg

Toneel

Minnestral

 

 

 

  Aan mijn Engelbewaarder en andere Gedichten 

 

OP DE PIJNBANK

 

Getrouwe harten, die in mij gelooft,

weest niet ontrust, de weemoed is een vriend

die tot geneezing en verheffing dient

en 't valsche licht van den Bedrieger dooft.

Dit weet Verstand, al blijft Gevoel weeklagen

en naar den noodzaak van den Gruuwel vragen.

 

Liefd'rijk te troosten heb ik lang getracht

de veelen, die de weemoeds-last bezwaart,

Ik ried hen stil te dulden, onvervaard,

de pijnen om hun reinigende kracht.

Toen stond mijn leeven nog in blijden luister,

nu kerm ik zelf, machtloos in ijzig duister.

 

Nu lig ik zelf op 't folterhout en ril

bij ‘t zien der heete tangen, rood van Gloed,

maar 'k schreeuw het uit: als pijn God looch' nen doet,

gelooft het niet - ' t gaat teegen eigen wil.

Een wijl mag mij het vagevuur verblinden

ik weet: mijn Redder leeft, en 'k zal Hem vinden.

 

Frederik van Eeden - October 1919

 

 

  LIOBA  

Hier sta ik in mijn bloemen, in mijn  bloemen, mijn bloemenvolk,  
als in een wolk oranje en witte sterren,  
een wolk van gulden bloemelicht. Ze doen  me  
schreien — maar smart is verre — smart is  verre.

Door mooi van 't licht, door lust van  groene mei,  
door zoelte, door die kleuren is 't, da'k  schrei...

In donker huis moest ik ook zóó lang  wachten,  
dat maakt ons week, en onzë oogen nat,  
bij weerzien van zoo lang verloren schat  
van bloemen-mooi en zomersche  gedachten....

Sneeuw-wit in blauw, als reuze-bruidsboeketten  
pronken de bloesemboomen in de zon.

Wat al veronica!—ik wou, ik kon  
mijn voet bezij hun diep-blauwe^oogjes  zetten,  
maar 't is te vol.   
         Wat veel, wat veel kamillen! 
't is of ze reike^en beter kijken willen 
uit lange gras.   
         Hoog-bloeiend, aan mijn  
handen  de hoofdjes van voorjaars-chrysanthen slaan,  
kijk, hoe ze fier met gloeiend geel te  branden  
op hun bleekgroene kandelabers staan!

Magnolia, op looverlooze rijs  
beurt wonderbare tulpen-klok rechtstandig,  
die wit-en-rose, vlams-gewijs  
blinkt tegen 't verre sparwoud donkerwandig.

Wat tintelt daar zoo gouden?—gele brem  
vonkt op de hitte-wemelende hei— 
't licht leit tot aan de violette kim  
te zieden in de zonnige vallei.

0 de seringen, bloeiende seringen! 
er komt een vloed van kruyig zoet aroom  
afvloeien van de heesters, die m' omringen  
als in een paradijs uit kinderdroom.  
Wat is toch geur, die onze ziel beroert  
op zulk een fijn-verhelderende wijze  
en haar op eens in tooversnelle reize  
door verste landen van herinn'ring voert?  
Wat breekt zoo schel door dichten tijdswolk heen,— 
zoo was het, ja zoo was het, lang geleên!

Daar gaat een leeuwrik!—kijk, wat lustig  ding!  
het kopje^omhoog, de vlerken wijd-bezijen,  
hoe kent zijn lust geen maat, noch zijn  gezing,— 
hij wil zich àl uitbundiger vermeien  
in licht, in wijdheid, in ontboezeming.

Geen wonder dat ik duizel, en mijn oogen 
door tranen 't wonder nauw te zien  
vermogen.

 

vervolg

Sirius en Siderius I - 1912

DE OUDERS - CITAAT UIT HOOFSTUK II

«Ik begin te gelooven,» fluisterde hij vóór zich, «dat ik op mijn stoel voor 't raam ben inge­slapen. Maar wanneer? - Sirius is gebooren, dat is zeeker, anders zou ik niet ingeslapen zijn. Maar de rest heb ik gedroomd, en nu droom ik nog.»

Hij voelde nu de vochtige kilte van den vloed, en hij rook den geur der drasse oevers. De weg ging recht op 't water toe, daar was een veer, waar hij een dag te vooren was overge­varen met Enna. Hij hoorde in den doodstillen nacht de zachte stem der rivier, babbelend en gorgelend langs boomwortels en schoeying. Hij hield stil en 't meisje ook.

 

- «Zeg eens, Elmosien, kijk me eens goed aan. Geloof je niet dat ik nu beezig ben te droomen?»

- «Dat kan wel!» zei het meisje, «waarom niet?»

- « Waarom niet? - maar dan droom jij natuurlijk ook.»

- «Best mogelijk!» zei het meisje.

- «Ja maar . . .. » zei Taede weifelend, «ja maar droom ik dan jou? - of droom jij mij?. .»

- «Wat doet dat er eigenlijk toe?» zei Elmosien.

- «Ja, dat is waar. Dat weet ik niet,” zei Taede, en hij ging zitten aan den kant van den hollen weg.

- «Kom! je bent moe,” zei nu het meisje vriendelijker en vertrouwelijker, «blijf nu daar maar zitten. Ze koomen hier langs.”

- «Wie?» vroeg Taede. «Wat gaat er ge­beuren? Wie koomen hier langs ?”

- «Mijn familie,” zei Elmosien. «ik hoor ze al»

 

Taede luisterde. Er klonk inderdaad een veelvoudig, zacht gerucht over 't water. Een gedempt babbelen, schuifelen en fluisteren als van veel kinderen, in opgewekte, maar ernstige stemming, bij een feestelijke plechtigheid.

Toen werd ook een lichtje zichtbaar, een ongestadig flakkerend licht. En daarachter schee­merig verlichte figuren en gestalten. Het geheel kwam zachtjes nader, als glijdend of zweevend.

- «Komen ze met de pont?” vroeg Taede.

- «Sst! luister!” zei het meisje.

Nu klonk een veel liefelijker, melodieuzer geluid alsof honderde stemmetjes zacht neurieënd te samen zongen. Maar dit koor was zoo samengesteld, zoo fijnverwonden in melodie, en zoo zuiver in veelvoudige harmonie, dat het meer geleek op een orkest van geheel onbekende leevende instrumenten, dan op een zangkoor. Het leek wel verschillend gestemd insecten­vleugel-gegons.

- «Wat is dat?» zei Taede. «Dat heb ik nooit gehoord.»

- «Vind je 't mooi of niet ?» vroeg Elmosien.

- «Ja, prachtig,» zei Taede, verbijsterd en verleegen. 

- «O, zoo!» zei Elmosien. Toen begon ze ook te neuriën en haar stem klonk harmonisch samen met het naderende gerucht.

- «Wat is het?» vroeg Taede. «Een lieder­tafel? - Of een begrafenis? - En wat hebben ze voor licht bij zich. Want die fakkel schijnt rood - en die menschen daarachter zijn groen­achtig-wit verlicht. Hoe kan dit? - En zijn ze op de pont? Waarom hoor ik dan de ketting niet?»

- «Wel, je zei immers dat je droomde,» zei het meisje.

- «'t Is een processie,» zei Taede, «of een maskerade. »

 

Daar begon het nu werkelijk veel op te gelijken. Voorop zag hij duidelijk een kleine knaap met een helrood, kort kleedje. Deeze was het die de toorts droeg. Als rossig goud glansde zijn blonde krullebol in het vlamlicht. Kloek en lustig ging hij vooráán, nu en dan omziend naar de anderen met blije, vast-beraden oogen en wenkend met de linkerhand, waarin hij een krans droeg van donker-roode roozen.

- «Dat lijkt Eros wel,» zei Taede.

- «'t Is ook Eros.» zei het meisje.

 

De fakkel weerspiegelde in 't water. Ze waren dus nog niet aan deezen oever. Vlak achter Eros stond een veel langere, donkere gedaante. Haar kleed leek wel zwart of donkergraauw, maar ze had een gouden haarband, en haar oogen glinsterden scherp en fel, als die van een roof­voogel, een uil of arend. Ook bewoog ze het hoofd soms met dezelfde korte, besliste bewee­gingen, als roofvoogels doen. Haar bloote armen, met gouden armbanden hield ze voor de borst gekruist, in een resoluute houding. Taede vond dit een zeer onaangenaam weezen.

 

- «Hu!» zei hij grimmig, «moet dit de Dood voorstellen?»

- «Och kom!» lachte Ellie. «De Dood? Die is er heelemaal niet bij. Die is geen familie van me.»

- «Wie is dan dat arrogante weezen?»

- «Eigenlijk heeft ze geen naam die je kent. Maar zeg maar Peitho, dan ben je er 't digtste bij.»

- «Peitho was zoo barsch en brutaal niet.»

- «Daarom is 't ook niet Peitho. Maar ze lijkt er 't meest op. 't Is wel de sterkste van mijn zusters. Zie eens wat een armen! Er komen er nog meer, sterken en harden. Die wilde je immers!»

Het was een digt gewoel van gestalten dat nu te zien kwam. Verschillend waren ze van grootte en allen vreemd en bont gekleed. Maar zoo onrustig, zoo druk en beweegelijk, dat het wel allen kinderen geleeken.

- «'t Is een kindermaskerade,» zei Taede nu, «zijn er geen volwassenen bij?»

- «Kijk eens daarachter,» zei Elmosien.

- «Groote God!» riep Taede verschrikt, «wat is dat?»

 

Wat hij zag maakte hem zoo beklemd, dat hij bijna geen adem kon halen en niet luider kon spreeken dan fluisterend. Hij had het eerst aangezien voor een boom, of een zeil, of een hooggeladen wagen op de pont. Een groot ge­vaarte scheen het, met grillig verlichtte plekken en pikzwarte schaduw-holten.

Maar zie! het bewoog, alsof de wind een zeil opwoei. Doch er was geen wind, en wat een zeil scheen, was een groot bleek menschengezicht, booven donkere kleeding. Men kon niet zeggen of het vrouw of man was, want het had geen baard of kneevel. Maar een mensch was het zeeker, en de trekken waren vast en strak, droevig bleek en met de uitdrukking van diep, bedwongen leed. Taede moest er gespannen op tuuren, en het scheen of de donkere oogen Taede aanzagen.

Een vale, groenachtige glans verlichtte het ge­laat, maar het scheen eigen licht, want een lamp was niet te zien. Ook wist Taede niet of het deernis, ontzetting of bewondering was, waardoor hij aldoor op dat gelaat moest staren. Wel vond hij het prachtig, en hij moest aan een reuzekop van Apollo denken, die hij vroeger liet nateekenen, door zijn leerlingen op school. Maar hier had alles leeven en de groote oog-appels staarden niet weezenloos, als in 't gips, maar met vuurigen en toch teederen gloed.

 

Hoe groot dit majestueuze weezen wel was, kon hij niet beoordeelen, want rondom was enkel duisternis, en niets ter vergelijking. Maar de kleine gestalten, die kinderen scheenen, kwamen niet hooger dan zijn knieën, en als hij soms zijn handen éven uitstrekte als om hen te behoeden of bij 't voortgaan te bestuuren, dan scheenen zij wel niet anders als duiven in de handen van een voogelaar, en elk zijner machtige vingers zoo zwaar als een van hun armen of beenen.

Onder die kleinen waren niet enkel lieftalligen en aanvalligen - maar ook wilden en dierlijken, vol onstuimige onrust en met fellen blik, - als jachthonden, telkens omziende naar hunnen mees­ter, en hunkerend om uit te schieten. Taede merkte op, dat de wildsten en leelijksten het digtst om den schoonen reus krioelden, en hij zag hoe deeze hen met wenk en blik en kort gebaar als met onzichtbare banden mende en be­dwong, zonder dat een bevelswoord werd gehoord.

De vreesselijkste der gestalten scheen zich vlak bij haars Heeren knieën te willen versteeken. Zij was brood-mager en in vale todden gehuld. Diep glommen een paar grimmig-schuwe oogen in holle kassen, daarbooven een beenderige scheedel met dun haar. Vlak naast deeze stond een dikke, korte, vleezige gestalte, men kon niet zeggen man of vrouw. Zij droeg veel gouden armbanden en hals­snoeren, en een zeer dun zwart gazen gewaad, waar de mollige, weeke dijen en boovenarmen roze doorheen scheemerden. Het gezicht was pafferig-bleek, met breeden mond en dikke lippen, en het korte krulhaar scheen van pomade te blinken. Dit alles deed aan een vrouwtje denken, maar toch was 't geen vrouw, en de lichtkleurige vlakke oogen stonden hard en koud, met een beestachtige expressie.

 

Toen Taede deze twee zag begon het in zijn hart te zieden en te barnen en hij schreeuwde het uit:

- «Wie zijn die twee? - Die ken ik! ­Wacht eens! als die aan wal koomen, zullen ze een kwade aan me hebben.»

- «Hola!» riep Elmosien. «Vergrijp je niet! Ken je geen ontzag voor wie daar bij hen is?»

- «Ooverdag misschien wel, als ik wakker ben,» zei Taede, «maar ik dank God dat het nu nacht is, en ik droom, en dat ik ze te lijf durf gaan. Ik heb een oude reekening met hen.»

- «Zoetjes, zoetjes!» zei de andere. «Je hebt ze misschien vroeger in 't wild ontmoet. Dan alleen zijn ze gevaarlijk. Bij onzen Vader zijn ze van goeden dienst.»

- «Om ’t eeven!” schreeuwde Taede. «Ik wil mij nu eens wreeken, hoor je! Wraak! Wraak!”

Toen lachte één uit de drom van kleine weezens en zag hem op eenmaal vertrouwelijk en aan­moedigend diep in de oogen. Het was een kleine, sterke kaerel, met een forsche kroeskop, ruuw bloozend gelaat, een dikke nek en zwaargespierde armen. Hij droeg een ruig beestenvel en een knots, die hij lustig zwaaide.

- «Riep je mij?» hoorde Taede hem zeggen. «Hier ben ik, present! - Wat wou je van me?»

- «Je knots,» zei Taede, en de woede maakte hem ligt en dronken, «je knots, voor die twee leelijkerts daar achter!»

- «Kan je denken!” zei Wraak. «Kan je denken! - Ik zou je daar tegen mijn eigen bloed opstooken - en nog wel waar Vader bij is. Dat zou wat moois zijn!”

 

Hij lachte hel op, en rondom joelden en lachten de anderen mee. En er werd weer zoo zacht en liefelijk gedeund, en het was een ijverig woelen, en fluisteren en bedisselen - tot Taede zijn woede vergat en gansch beduusd en verbouwereerd bleef toezien. De weerspiegeling der lichten doofde. Nu richtte de geweldige gestalte tusschen de kleinen zich op, en het was alsof een jonge boom zich ophief en bewoog midden in een veld vol bloemen.

- «Mijn lieve en genadige Heer!” zei Elmo­sien. «Het kindje is gebooren. Ik heb hem ge­doopt, met de tranen van onze moeder.”

- «Goed en wel!” zei Eros, die vooraan stond en met zijn fonkelende oogen naar Taede staarde, «maar niet genoeg! Ik zal hem met vuur doopen. Hier is Sidérische gloed.”

Hij drukte zich de roode roozen op 't hoofd en zwaaide met zijn fakkel, tot de vonken die er af­stroomden een dier wonderbare klankfiguuren vormden, zooals die een melodisch trillend deeltje lucht beschrijft.

- « Wat moet dat nu alles?” riep Taede weer, tot zichzelf koomend bij Eros woorden. «Gaat dat alles naar mijn zoon? Die eerste met zijn fakkel laat ik betijen. Maar die gansche wilde bende? En die twee misselijke fielten dáár ook? Dat nooit, hoor! - Ik ken jou niet, jou sombere Herder van zooveel disparate schapen! ­ Maar als je mij kent, zul je weeten dat ik niet goedschiks mijn eerstgeboorene aan jouw onge­temde horde ten prooi zal laten.”

- « Man! man!” klonk achter hem het hijgend-angstig fluisteren van zijn geleidster. «Hoe durf je zoo uitvaren! Weet je wel tot wie je 't hebt?”

- «Zou ik anders doen als ik ’t wist?” zei Taede. «Wie is er zoo hoog en geweldig dat Ik niet meer Ik zou zijn voor zijn oogen? - Laat hij zijn wie hij wil, hij is mij nooit groot genoeg. Ik wou dat Hij de Almachtigste was die ik ontmoeten kan, dan kon ik hem ook voor 't meest verantwoordelijk stellen.”

- « Hij is de Oppermachtigste, die je op aarde ontmoeten kunt,” fluisterde Elmosien.

- «Heeft Hij de wereld gemaakt?” vroeg Taede.

- « Hij heeft de wereld gemaakt, de zon, de maan, de aarde zooals wij die zien. Maar niet alleen.”

- «Heeft hij planten en dieren gemaakt?”

- «Niet alleen.”

- “Heeft hij dan de menschen gemaakt? Heeft hij mijn bloed en mijn hersenen gemaakt? Be­veelt hij mijn hart te kloppen, en mijn huid te zweeten?”

- «Ja, jou heeft hij heelemaal gemaakt!”

- «Dan is 't de Mensch, en dan is hij de schuldige en verantwoordelijke. Goddank! dat ik hem eindelijk vóór mij heb!”

 

En Taede richtte zich op, zoo lang hij was. Maar dat was niet heel lang! Ten minste zoo leek het hem, toen hij tegenover den geweldigen Mensch stond die hem voorzichtig tegemoet trad, als bevreesd om hem te vertreeden. De groote hand was waarschuuwend uitgestrekt en de donkere, ernstige oogen zagen met een uit­drukking van droeve, maar vriendelijke verwon­dering op Taede neer.

Taede kneep zijn vuisten in elkaar, om zijn ontzetting te beheerschen, en haalde diep adem. Hij voelde dat hij doodsbleek was en heel nietig, maar hij ging niet op zij.

- «Neen!” zei hij, heesch van ingespannen zelfbedwang. «Neen! ik ga niet op zij. Je kunt me verpletteren als je wilt, zooals je mij gemaakt hebt. Maar ik blijf ik, en daar kun je niets aan doen. Voor de mal houden laat ik me niet langer, en goedschiks gedoog ik dat tuig niet bij mijn kind. Moet dat wicht weer lijden zooals ik ge­leeden heb? Moet je hem weer door dat ruuwe volkje uit elkaar laten scheuren, zoodat hij radeloos wordt van tweestrijd en verwarring? Moet je hem weer laten doen wat hij niet wil, en nalaten wat hij voelt te willen doen? Moet hij weer getergd worden door 't verschiet van noodende prachten, die hij allen één voor één verjaagt als hij ze wil naderen? Moet hij met lieve zingende vogeltjes verblijd worden om ze door zijn eigen katten te zien opeeten? - zal hij beladen worden met glanzende en klare illuzies, die hij stuk voor stuk in diggelen moet slaan om overeind te blijven?»

 

Taede zweeg hijgend, en maakte zijn lippen vochtig. De groote gestalte tegenover hem stond nu onbeweegelijk, de waarschuwende hand nog uitgestrekt, de oogen peinzend, vragend, droef, ­als in weifeling.

«En dan! -» ging Taede door, met diepe stem, «en dan! als hij dood-gemarteld en uitgeput is, als hem alles is ontnoomen wat hem werd beloofd, als hij is gefolterd en bedroogen en ten einde raad - dan moet hij zeeker weer roepen: «ik slechtaard!” en wat er nog gaaf en gezond aan hem is, vergiftigen en kneuzen door schuld­gevoel en zelfverwijt. Als hij tot een ellendig wrak is afgetakeld - door jou en jouw zonderlinge bende, - dan - moet hij als arme, kindsche grijsaard, met kwijl-mond en sidder-handen, met schuddend hoofd en bange verschrikte oogen zitten mompelen: «Alles eigen schuld! alles eigen schuld! Genade! Heer! Genade!»

 

Het werd vreesselijk stil toen Taede deze woorden gesprooken had. Stil en donker. Eros en Peitho waren met den fakkel voorbijgegaan, de maan was weg, en de wolken begonnen weeder druilig te weenen. Het hoofd van den grooten Mensch werd dieper geboogen en zijn lichtend gelaat verduisterde. Achter hem school de drift der kleinen, met druk maar zacht ge­mompel en gefluister. Alleen de leelijkste trad met gluipenden tred, met tot grijpen gekromde handen, en grimmig gloeiende oogen naar vooren.

- «Ha, jou vervloekte kwelgeest!» zei Taede rillend. « Wat hebben wij arme menschen jouw Baas gedaan, dat hij ons zóó laat lijden. 't Is alles boete en straf, niet waar? Boete en straf! ­Waarvoor? Waarvoor? - Die ons schiep is de schuldige, Hij alleen. Eerst laat hij ons lijden door ons gebrekkig maaksel, waarvoor hij ver­antwoordelijk is. En omdat hij ons niet beeter kon maken, bedriegt Hij ons om zichzelf te vrijwaren. Behalve door Lust en Haat en Drift, laat hij ons nog bedotten door Vrees en Schuld-­besef en Zelf-verwijt en Berouw - om ons ter dood te kwellen en zelf vrij uit te gaan.»

 

Hier deed het gluipsche, grimmige spook een uitval. Maar Taede, schoon hijgend en sidderend en staroogend, vermande zich nog en week niet van zijn plaats.

- «Houdaar!” riep hij met groote inspanning. «Dacht je mij te verschrikken? Ik blijf ik, de machtigste. Heb ik 'k niet gezien hoe zij lijden moest om dat nieuwe wicht te baren? Kan ik dat vergeeten ? Wie formeert een zuivere, zachte engel als zij - om dat teere weezen dan weer te misvormen in bloed en vuil, het lieve gelaat door smart wanstaltig te maken en de eedele stem te laten krijschen van kramp en jammer? Zal ik dat vergeeten? Zal ik dat vergeeven? jou machtelooze Schepper van zulke jammervolle schepselen! Als de appel misvormd en ver­schrompeld is, komt dan de schande voor de vrucht, voor de boom, of voor den tuinman? ­Zijn de misbaksels een eer voor den bakker? ­Schuilt de zonde en de schuld bij de doode klei, bij de gebarsten pot - of bij de onhan­dige pottebakker die haar fatsoeneerde? -»

 

Weeder stilte. De Mensch maakt een trage, naderende beweeging en het was alsof de groote hand Taede op zij wilde schuiven. Maar Taede plantte zijn voeten vast op de aarde en met een brieschende dolheid pakte hij aan en stelde zich te weer, en kneep en wrong en sloeg en beet ­ tot hij niets zag als vuur, en niet meer wist of hij stond of lag, en tot zijn gezicht overstroomd was van zweet en tranen. En onderwijl bleef hij zijn verwenschingen uitstooten, schor en buiten adem.

- « Dáár! Dáár! jou vreesselijke! jou afschuuwe­lijke! dáár! dit is voor de pijn die Enna geleeden heeft! - en dit is voor al de arme, zieke kindertjes! - en dit is voor de krankzinnigen, die je naam moeten prijzen! - en dit is voor de zelfmoordenaars die je straf moeten vreezen! ­en dit is voor de boeven, en de moordenaars, en de ontaarden die je allemaal geschapen hebt om ze te laten verdoemen! - en dit is voor de tobbers, en de zwaarmoedigen die zichzelf be­schuldigen om 't kwaad dat jij gedaan hebt! ­en dit is voor de onnoozelen en ideooten die je nog aanbidden en danken voor het jammervolle leeven dat je hen geschonken hebt! - dáár! dáár! dáár! jou booswicht, jou bedrieger, jou zondaar! die al je schuld door onschuldigen laat dragen! - Wee jou! Wee jou! . . . . Wee! Wee! »

 

Toen gebeurde er iets vreemds. Want als Taede «wee!» wou zeggen, dan hoorde hij het woord wel, maar het kwam niet uit zijn eigen mond. Het kwam uit den mond van den gewel­digen Tegenstander, waarmee hij worstelde. Het klonk als zijn eigen stem, maar duizendvoud verzwaard en versterkt. Het was alsof hij orgel speelde en een onbekend register had uitge­trokken, zoo dat de eigen muziek nu in machtige donder-klanken uit verafgeleegen pijpen tot hem terugkwam.

- «Zondaar!» wilde hij roepen, en zijn eigen keel en mond bleef stom, - maar het woord rolde daaverend tot hem van den Groote tegen­over hem. Nog eens beproefde hij het en riep:

«Ik ben het, ik, de machtigste!» en zijn wil werd woord in den Ander.

 

Toen sloot Taede de oogen en wilde niet meer. Hij liet niet los, maar bewoog ook niet. En hij voelde alsof hij neerzonk en zijn lijf ver­smolt of verneevelde. Het werd donker en stil en rustig, in hem, en om hem. Hij was een wolkje dat neerzeeg in een peilloozen afgrond. Hij was een zoete, zoele rust en een vormlooze tevreedenheid. Een kleine zwarte nachtbloem, bloeiend en geurend in 't stikdonker.

 

Sirius en Siderius II - 1914

HET KIND  - CITAAT UIT HOOFSTUK XIV

- «Dus was je toch de ster? Dus weet je toch alles van de sterren?» zei Sirius.

- «Geduld, mijn jongen, je wilt alles wee­ten, maar weet dan allereerst dat je den tijd hebt. Er is geen haast. Ben je bang dood te gaan?»

- «Ik ben bang te sterven als Ida,» zei Sirius.

- «Goed, maar dat is niet wat het schijnt. Je wilt niet sterven en je zult niet sterven. Willen is leven. En er is de eeuwigheid voor je om alles te weeten.»

- «Wat mag ik dan nu weeten?» vroeg Sirius.

- «Dat ik je vriend en je helper ben. Dat ik gezonden ben om je te beveiligen en te wijzen. Ooverdag ben ik maar een gewoone man, en je moet mij nooit herinneren aan wat ik nu gezegd heb, want ik weet er dan toch niets van. Maar ik zal je altijd bijstaan als het noodig is, en het je moogelijk maken je werk te doen.»

- «Eén ding wou ik nog zoo graag weeten,» zei Sirius.

- «Vraag,» zei Sidérius.

- «Wie heeft je gezonden?» vroeg Sirius,

- «Dat is goed dat je dat wilt weeten. Dat moet je altijd willen weeten, altijd meer, altijd grager, altijd inniger.»

- «Maar krijg ik dan ook antwoord?»

- «Je krijgt wel een antwoord, maar geen dat je verlangen doet ophouden. Willen weeten is verlangen, en verlangen mag niet ophouden. Een woord, een naam leert je niets. Je zult leeren kennen wie mij gezonden heeft, aldoor beeter. En dan verlang je aldoor sterker.»

- «Hoe kom je zoo heet en zoo licht, Sidérius?»

 - «Zie maar om!» zei Sidérius.

Sirius zag om, maar niet lang. Want hij zag in een gloed die hij niet kon verdragen. Toen hield Sidérius hem een hand voor de oogen en door die hand heen kon hij zien.

- «Zie nu maar!» zei Sidérius. Het is de zon. We zijn uit de schaduuw der aarde, mijn hand geeft wel geen zoo diepe schaduuw als in 't lichaam, maar neemt de felheid weg van de stralen, zoodat je ze kunt verdragen.»

Ooveral rondom was de heemel een afgrond met stille sterrevonkjes, die niet fonkelden of tintelden. Achter Sirius straalde de zonneschijf, wel tienmaal grooter dan op aarde, met groote hitte en licht. Onder hem zag hij nu wat leek de halve maan, maar veel grooter, dat was de aarde, die met fellen, blijden zilverglans blonk in de zonnestralen. Zon en aarde scheenen nu bijkans eeven groot, en achter de donkere helft der aarde, die een zwarte kolk scheen in den vollen sterrenheemel, kwam nu bleek en schuchter het maantje te voorschijn, eerst een vonkje, toen een geelig sikkeltje dat zichtbaar groeide tot een kleine schijf, niet geheel rond.

- «Wij gaan snel,» zei Sirius.

- «Ja, wij hebben een langen weg en we moeten terug zijn eer de trein weer stopt,» zei Sidérius.

Toen zag Sirius voor zich uit weer een licht­sikkel, met verblindenden glans, en terwijl de aarde-sikkel onder hem al kleiner en kleiner werd en het maanschijfje niet meer zichtbaar - zwol het nieuwe licht vooruit tot ontzachlijke grootte en besloeg den halven heemel. Het was alsof ze nu een vloer van licht onder zich kreegen, schit­terend wit licht; scherp omlijnd aan den rechter horizont, maar links in fijne parelmoerige kleuren vervloeyend, waar de halve cirkel door een rechte, breede, vage lijn werd begrensd.

- «Dat is een planeet!» zei Sidérius. «Op aarde noemen ze hem soms avondster en soms morgenster. Soms Lucifer en soms Venus.»

Nu scheen het heelendal dag te worden, en zij zweefden beiden in een he]]e mist. De sterren verdweenen, en het zonlicht scheen toe te neemen in hitte.

Plotseling boorden zij door de witte damplaag heen en zagen onder zich een wijde, wijde vlakte, getint in bonte, maar zachte en teedere kleuren, bleek-violet en goudachtig bruin, zooals op aarde wel schelpen en koralen gekleurd zijn. Laag oover deeze vlakte hing een gelijkmatig wit-blinkend wolken-verdek. Het scheen Sirius toe als ware het wit-moesselien, door electrische lampjes on­gezien verlicht, zooals hij dat eenmaal gezien had in een groote winkel in Frisco. Maar hier was de gansche waereld zóó ooverdekt en het was een aanblik van onuitspreekelijke weelde en ver­trouwelijkheid. Het gaf een te-huis-gevoel in duizendvoudige kracht. Hier was het goed zijn, goed leeven, goed zweeven.

- «Zijn hier menschen?» vroeg Sirius.

- «Er zijn hier wel vrienden van ons. Maar als 't menschen waren zou je ze zien.»

- «Waarom zie ik ze dan niet?» vroeg Sirius.

- «Omdat je 't nooit geleerd hebt, je hebt er geen organen voor. Dat komt alles later.»

- «Wanneer?»

- «Als je werk gedaan is, daar op aarde.»

Maar al zag Sirius niets wat leefde, toch voelde hij zich omringd, beschouwd en vriendelijk be­jeegend door de Onzichtbaren. Het was of hij hoorde fluisteren, lachen en zingen en hij voelde zich belemmerd, als werd hij getrokken en vast­gehouden. Het was een zoo lieflijk en zalig gevoel, dat hij er zich graag aan had oovergegeeven.

Maar Sidérius greep hem vaster en zij ont­steegen de wijde, genoeglijke vlakte, met den kleurigen scheemer onder het lage, wit-lichtende zwerk. Toen schooten zij als met duizendvoud sneller vaart in den diepen heemel

 

 

Het Lied van Schijn en Wezen – deel II – Hoofdstuk V

 

 

Geschreven door Frederik van Eeden in den tijd tusschen maart 1895 en mei 1910

Al naar maat onzer wijsheid zijn wij vrij.

Vrijdom te nemen, verder dan de grenzen

onzes begrips, is helsche hoovaardij,

 

die kent noch deugd noch zonde en slaakt[1] de trenzen[2]

van alle Plicht of ondoorgrond Gebod,

totdat Gewoonte en 't onbegrepen wenschen

 

haar ment[3] in droever hechtenis ten slot.

Als eener pyramide arduinen treden[4]

ten troon van den alvrije' alwijzen God,

 

voert Wijsheid ons, en brengt in even reden[5]

Vrijheid rondom en wijkend vèrgezicht.

Naarmaat wij lager staan, schijnt ons de breede

 

opgang onduidlijk, is 't afdwalen licht[6],

terwijl voor 't streng prospect[7] der eeuw’ge wetten

't breidloos gemoed oproert en noode zwicht.

 

Doch waar wij voet na voet steeds stijgend zetten

op trap na trap, versmallend tot den top,

gaan wij op 't hoogste doel alleenlijk letten,

 

en doemt een sfeer van heldre vrijheid op,

voorheen miskend, waar onze teerste willing[8]

oneindige uitweg vindt, als teere drop

 

in oceaan, en elk begeer vindt stilling

nog éér 't ontstaat. Gansch vrij zijn kan alleen

hij van wiens hart elk  roere' en fijnste rilling

 

sluit met des Al's aëonen-tred aaneen,

wiens vrijdom steeg zoo heuchlijk met 't beseffen

van 's Eeuw'gen wet en werking, tot er geen

 

neiging meer bleef dan die met Gods wil effen

en gansch te saam gaat. - Maar wie minder wijd

nog schouwt, kan slechts tot vrijheid zich verheffen

 

door meest ootmoedige gehoorzaamheid,

door duldzaam knechtschap aan wat zich verkondde

in bloeiend volk van iedren stam en tijd,

 

als 's Heeren woord, bij der profeten monde.

De weg ligt open, elk kan haar begaan

ook d' allerzwakste en ter iedre stonde.

 

Elk kan de fijne fluister stem verstaan

die altoos roept en wijst, midden in geruchten

van 's wereld's nood, naar Vrijheid's één'ge baan.

 

Maar als de leeuw'rik, rijzend in de luchten,

het groene land, in breeder kring aan kring

aangroeien ziet, terwijl rumoeren vluchten,

 

tot er niets blijft dan licht en blij gezing

in ijle stilt' en ruimten gansch doorschijnend,

zoo vinden wij bij stage[9] nadering

 

tot 't hemellicht, in sferen al verreinend,

't aanzicht des wereld breeder voor ons oog,

’t gansche overschouwbaar, schoon elk deel

verkleinend,

 

en immer klaarder onzen weg omhoog.

Wat eerst beklom als een ontzetbaar ledig,

aller genuchte baar[10], daar 't ons onttoog[11]

 

aan warmt' en kleur en welluid, blijkt vol vredig,

vol onbeschrijflijk stil geluk, de essens

van al wat heet genieting, maar dan stedig[12],

 

niet wislend met second of uur, door grens

noch plaats bepaald. Daar is niet vóór, noch achter,

niet hier noch dáár, niet tegenzin noch wensch,

 

niet aanstonds noch zooeven, zacht en zachter

verstilt de tijdsvloed tot een zee van Nu,

en 't schoon van Al wat was en zijn zal lacht er.

 

En waar al tocht[13] verstilt en alle duw

van drang aflaat, daar kan niet zijn dan vrijheid,

der driften storm legt zich volkomen luw[14],

 

en al wat is, is matelooze blijheid.

Wat is, is één, kent waarom noch waartoe.

Naarmaat gij dit waarachtig Zijn nabij zijt,

 

zijt gij der zaligheid nabij en 't hoe

aller mysterie. Daar ligt de bedoeling

van onzes levens kommerzwaar gedoe,

 

daarheen streeft aller wil, zooals de woeling

duizender dropplen sticht één sterken stroom,

zij weten 't dan of niet. D' eerste gevoeling

 

van 't eeuwig Wezen breekt des harten schroom,

en doet ons dapperder naar 't hoog heil schrijden,

zoo als wij ons uit 't klemmen van een droom,

 

bij d' eerste schemering met kracht bevrijden,

merkend de zekerheid van blijder dag.

De waarheid gloort zoo weiflend en wij strijden

 

met vijand van zoo velerhande slag,

de schijn lijkt ons betrouwbaar meer dan 't Wezen,

dat oor nooit hoordë en dat oog nooit zag.

 

Wij blijven 't lijden traag en banglijk vreezen,

weigrend ons gansch te geven in de Hand

die alle wonde' in liefde kan genezen.

 

Maar zie, God lokt, aanziend ons klein verstand,

ons tred voor tred, - als een voorzichtig herder

't schaap met een loovertakje van den rand

 

eens afgronds weglokt, - met zijn liefde verder.

Nog lijkt Hij wreed, Zijn heil-belofte vaag,

Zijn recht onbillijk, en Zijn toorn verspert er

 

ons talmend tasten als gedoornde haag. ­

Maar naar wij groeien, leeren wij te dulden

Zijn machtig Zwijgen bij ons klein gevraag.

 

Naarmaat de dropplende seconden vulden

des levens tijdmaat, zien w' ons heil vervuld,

en 't dagend zonlicht des Begrips vergulden

 

diepten aan diepten, onverhoeds onthuld.

Wij leeren Hem steeds lievenswaard[15] erkennen

of onbegrijpbaar, lieven[16] met geduld.

 

 

****

Ach, menschen, waant ge u wezens met verstand,

tot doen door redelijken drang gedreven?

Wat zwoegt ge dan, tot u een handvol zand

 

de lippen sluit, voor 't ijdelst van uw leven?

Wat kwelt g' u nog, moedwillig dom en blind,

om dingen die ge weet dat u begeven?

 

 

 

 

 

 

 



[1] Slaken: ontbinden, losmaken

[2] Trens: vlecht

[3] Van mennen: besturen

[4] Als de arduinen treden van een piramide

[5] In evenredigheid

[6] gemakkelijk

[7] plan

[8] Willen, verlangen

[9] Van gestadig – standvastig

[10] Golf, eventueel zandbank

[11] Onttuigen: wegnemen

[12] Zie 9

[13] Hartstocht – begeerte

[14] Beveiligd tegen de wind/storm

[15] beminnenswaard

[16] beminnen

 

 

 

 De Kleine Johannes I  



 

'Windekind! Windekind!' riep Johannes. Doch in denzelfden tijd dat Johannes het wondere vaartuig naderde, zag hij naar den horizon. In het midden van de lichte ruimte, door de grove, vurige wolken omgeven, zag hij een kleine, zwarte gestalte. Zij werd grooter en grooter, langzaam naderde een mensch, rustig schrijdend over de woelende, vurige wateren.

 

De roodgloeiende golven rezen en daalden onder zijn voet, doch kalm en rustig kwam hij nader.

 

Het was een mensch, zijn gelaat was bleek en zijn oog diep en donker. Zoo diep als de oogen van Windekind, doch in hun blik was eindeloos zachte weemoed, zooals Johannes dien nimmer in andere oogen gezien had.

 

'Wie zijt gij?' vroeg Johannes. 'Zijt gij een mensch?'

 

'Ik ben meer!' zeide hij.

 

'Zijt gij Jezus, zijt gij God?' vroeg Johannes.

 

'Noem die namen niet,' zeide de gestalte, 'zij waren heilig en rein als priestergewaden en kostelijk als voedend koren, doch zij zijn tot draf geworden voor de zwijnen en tot narrekleederen voor de dwazen. Noem hen niet, want hun zin is tot dwaling, hun wijding tot spot geworden. Wie mij kennen wil, werpe die namen weg en luistere naar zichzelven.'

 

'Ik ken u! ik ken u!' zeide Johannes.

 

'Ik was het, die u deed weenen om de menschen, terwijl gij uwe tranen niet begrijpen kondet. Ik was het, die u deed liefhebben, waar gij uwe liefde niet verstondt. Ik ben bij u geweest, en gij hebt mij niet gezien, ik heb uwe ziel bewogen en gij hebt mij niet gekend.'

 

'Waarom zie ik u nu eerst?'

 

'Vele tranen moeten de oogen verhelderen, die mij zullen zien. En niet voor uzelven alleen, maar voor mij moet gij weenen, dan zal ik u verschijnen en gij zult mij herkennen als een ouden vriend.'

 

'Ik ken u. Ik herkende u. Ik wil bij u zijn.'

 

Johannes strekte de handen uit. Doch de mensch wees op het glinsterende vaartuig, dat langzaam voortdreef op den vurigen weg.

 

'Zie!' zeide hij, 'dat is de weg naar alles wat gij verlangd hebt. Een andere is er niet. Zonder die beiden zult ge het niet vinden. Doe nu uwe keuze. Daar is het Groote Licht, daar zult gij zelve zijn wat gij verlangt te kennen. Daar!' en hij wees naar het donkere Oosten, 'waar de menschheid is en haar weedom, daar is mijn weg. Niet het dwaallicht, dat gij gedoofd hebt, maar ik zal u begeleiden. Zie nu, gij weet het. Doe uwe keuze.'

 

Toen wendde Johannes langzaam het oog van Windekind's wenkende gestalte af en strekte de handen naar den ernstigen mensch. En met zijnen begeleider ging hij den killen nachtwind tegemoet, den zwaren weg naar de groote, duistere stad, waar de menschheid was en haar weedom.

 

 

 

  Johannes Viator  

 

De taal der menschen, die zij zoo spreken onder elkaar, is een slechte kaart van een groot, mooi land. Ik had deze kaart goed geleerd en ik deed of mij alles zeer bekend en vertrouwd was, bergen en rivieren en kusten. Maar ik was geheel en al onwetend waar ik was en ik begreep er niets van.

Want deze kaart is slecht. Zij maakt er maar wat van, elke rivier is maar zoowat een slangenlijntje, en voor groote, vreemd gevormde berglanden staat een enkel gevederd streepje. Ook zijn alle steden maar cirkeltjes, en hebben de landen nette roode of blauwe randen.

Hoe lang duurt het eer wij weten wat dit alles werkelijk verbeeldt en hoe weinig het gelijkt op de realiteit!

Heel wijs sprak ik mee over al de dingen uit het menschenleven, over liefde, en geluk, en zonde, en God, - maar stil wandelend in mijn eigen groot, geheimzinnig land dacht ik bij mijzelven: ‘wat meenen zij nu? waar ben ik dan? Hoe zal ik zóó den weg vinden?’

Want het is alles anders. De steden zijn geen cirkeltjes, de stroomen geen slangetjes, de bergen geen gevederde streepjes en de landen zien niet rood of blauw. Hoe oneindig veel meer is er, hoe veel mooier is het werkelijke, en hoeveel is er niet of gansch verkeerd geteekend. Een groot bedrog schijnt het alles, - ik heb wel alle geloof er aan opgegeven, en in bittere berusting den moeielijken weg alleen gezocht. En later, nu nog, dag aan dag - verbaas ik mij, ziende dat het niet alles valsch en bedriegelijk is.

 

O gij menschheid, gij barsch, verbijsterd, in kleine hardheid ontaard wezen, nijdige burgervrouw, - ik had u mooi gevonden, voor 't eerst schitterend en innig mooi, - en gij hebt hard neergeslagen den ranken groei van mijn teedere, kinderlijke blijheid, - gij hebt mijn trouwhartig geluk bespot en mijn eerste oprechte liefheid weggeworpen, want toen ik nu het allermooiste had gevonden, dankbaar denkend: ‘dit is de goede weg!’ toen heb ik uit uw spottend gezicht moeten begrijpen dat ik dwaas en erbarmelijk verdwaald was.

Toen ik mijne Liefde vond, heb ik gezegd: ‘dit is de liefde der menschen niet. Dit is niet de liefde waarvan menschen praten.’ Maar men heeft mij uitgelachen.

 

Toen ik mijnen God vond, heb ik gezegd: ‘dit is de God der menschen niet. Den God waarvan menschen praten vind ik niet, die is geen God, een schijnbeeld.’

En men heeft mij niet verstaan en mij boos bejegend.

Uit: Mededelingen

 

 

Frederik van Eeden mijmert over sterven en hiernamaals

 

In de Goede Weekdagen van 1925 houden Van Eeden's aanteke­ningen zich enkele dagen lang bezig met de vraag hoe de zin­tuigelijke waarneming in het hiernamaals zal funktioneren. Van Eeden schrijft over de eerste gewaarwording na het sterven:

 

                “Wij zullen zien, hooren, proeven, voelen als op aarde en volstrekt niet dadelijk weeten wat ons ooverkomt. Ik ken die gewaarwording uit den droom - maar dan zal ze rus­tiger zijn en natuurlijk zonder haast. Misschien zal ik schreyen, misschien roepen. Het zal een tijd duur en eer ik goed mijn toestand besef, eer ik oovertuigd ben in het hiernamaals te zijn.

Wat ik dan het meeste zal vreezen, dat zal zijn de een­zaamheid. En de twijfel of de persoonen, die zich zullen voordoen, ook werkelijk zijn, wat zij schijnen of zich voor­doen. De trouwe zintuigen hebben mij dan verlaten. De bui­tenwaereld is er dan ook, maar elk bericht daarvan kan be­drog zijn. Er worden ons steeds berichten toegezonden, maar hun samenhang is voor ons onverstaanbaar, we zullen moeten leeren, wat ze beteekenen, eevenals een pas-geboren kind.

We zullen - naar Mannoury's woord - de golflengte moeten zoeken van weezens, die met onze golflengte oovereenstem­men.” [10-4-25].

 

Daags daarop, "Zaterdag vóór Paschen", vervolgt hij deze be­schouwing:

 

                Als wij onze organen tot verstandhouding hebben verloo­ren, dan moeten wij andere zoeken, dat is zeeker. Daarbij moeten wij geholpen worden. Zonder hulp koomen wij er niet. Wij moeten vertrouwen op de dierbaren, die wij zoo lang hebben gemist. Dat zij ons zullen helpen. Daarin zal de kerk ook wel steunen. Maar wij zullen toch altijd moeite hebben die steun goed te begrijpen en te verstaan, aange­zien wij gewend zijn alles door zinnelijke organen - door kleur en geluid, door gevoel - te verstaan, nooit onmiddel­lijk. Dat moeten wij dus leeren. Wij moeten leeren Jezus zien te zien en te gevoelen. En wij zullen daartoe ons verheerlijkt lichaam noodig hebben en moeten gebruiken.

De libel die uit zijn cocon kruipt - dat zal het beste voorbeeld zijn, het meest duidelijke symbool. Het toover­diertje uit de Kl. Johannes. De huls die achterblijft is het lijk, het geraamte. De heilige olie, die de kerk ons geeft, is de stof die de oovergang gemakkelijker maakt.

[11-4-25] .

 

De aantekening op eerste Paasdag eindigt met een gedicht over het hiernamaals, waarin hij zijn onzekerheid, in de dagen te­voren al verwoord, poëtisch amplificeert[1]:

 

“Zal ik in een neevel waren

of in tastbre duisternis? ­

Zal ik in een leedig staren

angstig dat ik mij vergis? ­

Zal ik dom'len of ontwaken,

zal ik weeten waar ik ben?

Zal ik bange zuchten slaken

twijflend wie ik straks herken?

Zal ik voelen hitte en koude?

zal ik hooren? zal ik zien?

Wat zal er met mij geschien?

Ach mij arme!, ach mij oude!

Aanstonds valt het zwarte kleed,

Arme zondaar, wees gereed.”
[12-4-25]

 

Bron:  Mededelingen van het Frederik van Eedengenootschap XXV – 1977 



[1] Aanvullen - uitbreiden

 

 

Van de Koele Meeren des doods

 

En, als kind nog, zij zal negen jaar oud geweest zijn, begon reeds de beklemming van iets geweldigs en ontzettends, zwaar en droef, dat niet weg wou, en dat zij toch nooit stellig zag. Het was in allerlei plaatsen, bij allerlei bezigheden en hechtte zich als een kwade geur aan allerlei dingen. En zij bemerkte het niet als het er was, maar wat later, als zij de plaats, de bezigheid,

het ding herdacht, was het er achter als een zwart leelijk iets dat ze vergeten had op te merken.

Zoo had zij op een avond zeepbellen geblazen met haar vriendinnetje, op het geel-steenen plaatsje achter de keuken, en zij had de bonte, prachtig-gladde wonder-ballons laten dansen op haar mouw, en zachtkens laten huppelen over een wollen dweil, en haar broeder had ze gevuld met tabaksrook, tot zij barstten. En daarna ging zij naar bed. Het was negen uur op een Maandagavond, het was nog even licht, grauwe schemering vulde haar kleine, kale kamertje, er klepten twee klokjes op de torens buiten tegen elkaar in.

Toen was er iets als een grauwen en ontzetting in alles om haar en in het onmiddellijke in herinnering en zij voelde het toch niet, toen zij op den rand van haar bedje zat. Maar later, later, scheen het alsof zij toen al duldeloos moest geleden hebben, zulk een griezel van saaiheid en akeligheid kleefde aan al het gevoelde van toen. Aan den geur van zeepsop en steenen pijpjes, aan de gele steenen van het plaatsje, aan de stemmen van haar broeder, van haar vriendinnetje en van de meid, aan het grauwe licht door de kleine slaapkamerruiten, aan het oneindig naargeestig klokgeklep.

 

[ ...   

 

Het was Zondag, de Zondagsklokken luidden en de witte lange wegen lagen leeg en saai in den stillen zonneschijn. Hedwig vreesde den Zondag zeer en zocht dien te ontvluchten. Een uur gaans van den hof stroomde de groote rivier naar zee. Daar ging Hedwig heen, vroeg in den morgen, de dauw lag dik op 't gras. Zij dacht aan de basaltglooiing, waar bloemen groeien in de voegen der zwarte blokken, en aan de rietrijke poelen en het struikgewas tusschen dijk en stroom, 's winters onder water, 's zomers nog hier en daar grauw-beslibd. Daar bloeide het roode wilgenroosje nu, en vogels zwierven door 't struweel. Zij dacht daaraan en zocht die oorden, daar zou 't geen Zondag zijn.

Maar eerst moest zij den hoogen dijkweg volgen die naar de stad voert. De hoeven lagen aan weerszijden, beneden in de schaduw der vruchtboomen. En Hedwig overdacht hoe het kwam, dat men aan lucht en land kon zien dat het Zondag was. En waarom Zondag naargeestig was en het schoone buiten-gevoel bedierf.

 

Het was toch mooi en goed als menschen een dag rusten en aan God dachten. Maar het scheen wel of God hun rust en feest niet lijden mocht. Of de natuur land en lucht, plant en dier, niet stemde met hun wijding. Er was een schooner wijding in het eigen leven van bloem en vogel, en daartusschen misstond de mensch nog 't minst als hij maar gedachteloos bedrijvig was. Maar zijn rust en wijding was er stijf en naar en hinderlijk. Daarom zocht Hedwig nu de kleine wildernis van riet en struikgewas, waar de schuwe watervogels huisden, de hommels zoemden in de zon, de kerkklokken heel vèr.

 Dagboekfragmenten

 

29 maart 1876

't Is heerlijk, warm weer en ik zit nu (Woensdagmorgen) voor 't open raam te soezen. Ik heb allerhande grootsche ideeën van beroemd te worden en te schrijven, enz. Maar als ik bij de (altijd verlichte) menschen met mijn principes aankom, dan weten ze dat allang, of ze gelooven mij niet. Mijn idee is, dat de wereld nooit begonnen is, het heelal namelijk. Dat stof en kracht nooit begonnen is en nooit zal eindigen, dat de menschen een samenstel zijn van met leven begaafde stof, dat die stof na den dood uiteenvalt, maar de levenskracht behoudt en planten en dieren, of wat anders vormt. Dat het bewustzijn van den mensch, na den dood ge­heel ophoudt (dat is wel niet prettig, maar dat kan ik niet helpen) maar misschien is het moge­lijk, dat alle stof een soort leven leidt, dat de aarde leeft en alles leeft en dan leven wij ook na onzen dood. Voorstellingen van God, maak ik mij zelden, als iets God is, dan is alles God, dan is alle stof God en dan zijn wij kleine, zelfstandige uitspruit­sels van God. Maar altijd is het een stomme, oude God in ons na onzen dood weer opneemt en voort­durend nieuwe kinderen doet geboren worden. Dan bemoeit hij zich in alle geval volstrekt niet met ons gescharrel en geploeter, dan volgt hij zijn eigen weten en gaat zijn gang en laat ons maar loopen, zooals het loopen wil. Maar toch vrees ik, dat een ander bewustzijn, zooals het onze, niet bestaat. 't Gaat altijd overal zoo regelmatig en natuurlijk, ik heb nog nooit iets gezien, dat boven­natuurlijk was.

 

12 juli 1876

En mijn philosophie wordt droevig. Wat doen de menschen hier toch, ze ploeteren en knoeien rond tusschen dingen, waar ze niets van begrijpen en zijn juist verstandig genoeg om dat in te zien en dat is hun ongeluk. Een mensch hoort hier niet, zijn verstand gaat te ver voor zijn be­vattingsvermogen, zijn verstand past niet bij zijn wijsheid en daardoor verdraait en verknoeit hij zooveel! Wat ben ik wijs! Hoe verstandig en juist zijn mijn woorden en ik zelf? . . .. Er zijn zeilen, groote, stevige zeilen, maar er is geen roer en het schip is wrak. O mij ! Had ik woorden, had ik kracht, had ik talenten om dien stroom van gedachten, van gewaarwordingen, van wenschen, uit te kunnen drukken, die soms woelt en stormt door mijn hoofd. Wat wil ik, wat ben ik, ik, ongelukkig, arm mensch. Kon ik maar weten, kon ik begrijpen! Ik zie, ik ondervind en weet niet wat en begrijp het niet! Ik wou, dat ik er uit was, roep ik telkens en begrijp mijzelf niet. Opgewonden ben ik, ja opgewonden, maar waardoor! Waarover?' Ik hoor muziek en de tranen komen mij in de oogen, ik bal de vuisten, stampvoet en vraag: Wat is dat? Wat is dat? Ik zie omhoog, ik zie sterren, duizenden, onmetelijke bollen en weer zucht ik en vraag: Wat is dat toch? Soms zit ik met mijn hoofd op de handen en zoo. Mijn God! Is daarvoor een mensch hier? Alleen om zijn ongeluk te beseffen, alleen om te zien, dat hij niets kan, niets weet, dat hij in een besloten ruimte rondwandelt en geen uitweg kan vinden voor zijn voortstrevenden geest. Moet dat mijn on­geluk zijn, dat ik alleen hier moet staan en duizend malen vragen, wat is dat? Niemand kan het mij zeggen, niemand kan mij helpen, mij troosten. Kan ik mijn opgewonden geest niet beheerschen, mijn ellende niet verminderen en er niet in be­rusten?  Ach, ik probeer het en ik wend mij niet om, of daar komt het weer langzaam en akelig, het bewustzijn, de overtuiging, dat ik ongelukkig ben en de reden niet kan noemen. Kun je het waarachtig niet? - Helaas, helaas niet - Kees(1), je bent gek! - Juist mijnheer, finaal!

 

(1) Kees was het koosnaampje van Free, als kind en jongen.

 

 

 

dinsdag 10 september 1878
Mag ik eens een vertoog over liefde houden.

Liefde is geen godheid, geen op zich zelf staand iets, het is geen demon die buiten de menschen om deze beheerscht en deze laat handelen naar zijn goedvinden, het is een eigenschap, een uiting van den mensch.

Hartstocht is een demon, een echte; een vreesselijke, onweerstaanbare macht die den mensch, die de kracht niet heeft hem van zich af te houden, meesleurt zonder zijn wil. Die in hem werkt zonder dat hij zich het bewust is, die zijn geest benevelt en zijn zelfstandigheid vernietigt. Dat is geen liefde.

Liefde is geen verlangen, geen vurige begeerte naar iets dat zij niet bezit. Dat is hartstocht. Hartstocht verdwijnt als zij het voorwerp van haar verlangen heeft. Liefde wil niets als het geluk van dat voorwerp en heeft geen onbevredigde wenschen noodig om te kunnen blijven bestaan. ▫ Mogelijk zijn er voor hartstocht diepere drijfveeren. Hartstocht ontstaat misschien door de zucht naar onsterfelijkheid, naar roem/ naar geluk. Waarachtige liefde heeft geen drijfveeren, die ontstaat uit zich zelven. Waarachtige liefde denkt niet om haar eigen geluk, haar eigen verheerlijking. En toch maakt zij dengene die haar bezit gelukkiger dan hartstocht.

De mensch heeft een eigen, innerlijk ik in zijn diepste binnenste, iets dat al zijn doen en laten beheerscht en toch buiten die handelingen schijnt te staan. Die ikheid neemt alle mogelijke maskers aan, speelt alle rollen, maar komt helaas zoo zelden in zijn ware gedaante te voorschijn. Het is soms een lastig ding, dikwijls wil de mensch het wegcijferen, tot zwijgen brengen en dan blijft het toch soms zoo krachtig spreken.

De ziel kan ik het niet noemen, het geweten ... ja! dat is het eigenlijk wel. Het is dat wat bedoeld wordt als men zegt: Keer tot u zelven in.

Iedereen verbergt het, men tracht zich wijs te maken dat men zich voordoet zooals men werkelijk is - maar de ikheid weet wel beter. Men wil er niet naar luisteren, men bedriegt zichzelven met verbazend talent - maar ‘keer tot uzelven in’ en de waarheid die uw eigen ik u verkondigt, zal u soms doen ontroeren.

Die innerlijke mensch moet liefhebben, dat is ware liefde. Die ikheid moet gevoelen dat het geluk van een ander wezen hooger plaats bij haar inneemt dan haar eigen geluk. Die ikheid moet zich in staat gevoelen zich geheel, zonder eenige terughouding te openbaren aan een ander ik, en zij moet de kracht beseffen om alles voor dien ander te kunnen doen, te kunnen dragen. ▫ Die liefde die dan ontstaat beheerscht niet, ze wordt beheerscht. En de mensch die liefheeft, laat zich niet door zijn liefde leiden, maar leidt haar. ▫ Die liefde uit zich dikwijls niet in woorden, dikwijls blijft het een lijdelijke, zwijgende vereering en is volkomen tevreden in het bewustzijn dat haar voorwerp gelukkig is.

Dit is misschien goed en edel, maar edeler is het toch zich niet passief maar actief te toonen, naar wederliefde te streven en zoo te handelen dat men die liefde ook verdient. ▫ Dan verlangt de liefde wel naar iets, ook naar iets dat zij niet bezit, maar zou dan die liefde bij het bereiken van haar wensch te niet gaan? ▫ Ze zal nog oneindig krachtiger worden, in het bewustzijn dat een ander ik haar beantwoordt. ▫ Als dat heerlijke doel bereikt is, als twee wezens elkander kennen, wezenlijk door en door verstaan, voor elkander leven en zich verheugen, omdat ze liefhebben en bemind worden, dan behoeft de liefde niets te wenschen, want ze is zeker dat ze haar ander ik zal behouden - en toch blijft ze bestaan.

 

 

Over Boeddha en Jezus Christus:

Alles wel ooverdenkend - zooals mij steeds werd aangeraden - vind ik de leer, het optreeden, en de figuur van Boeddha toch zuiverder, imposanter, dieper dan van Jezus. In Boeddha is niets ‘mislukt’. En van Jezus wordt steeds gezegd dat hij zijn doel niet bereikte, dat zijn werk mislukt is. Het is misschien waar dat Jezus ons persoonlijk nader en dierbaarder is. Ik voel die liefde voor hem diep en sterk in me.

Maar als hij God was, dan moest hij ook wijs genoeg zijn om te volbrengen wat hij beraamt, en niet te onderneemen wat hij niet volbrengen kan. Zulke vreemde teegenstrijdigheeden zijn er in 't Boeddhisme niet. Ook de heemelsche Vader van Jezus, die hem zeegent en laat gaan, weetend dat het een mislukking zal worden, dat zelfs zeggend, is mij een raadsel, en geen troost.

Veel meer komt Boeddha's begrip van het Nirvana oovereen met mijn weeten en begrijpen. Als aan Truida gezegd werd dat ze dankbaar moest zijn, en zij dat zoo goedig erkende - toen dacht ik er bij: waarom dankbaar? verdient het dank op een vervloekte planeet te worden geplaatst zonder onzen wil? Ik erken wat gaarne dat ik momenten van geluk heb, maar waar erkend wordt dat wij hier onder een vloek leeven, door den wil van een Alwijs, almachtig vader, daar zie ik geen reeden tot dank, veel meer tot verwijt en vraag om licht. En het wijzen op onzen ‘vrijen wil’ deed mij denken: wat betekent een ‘vrije wil’ zonder wijsheid? Dat is als de vrije wil van een kind dat met vuur mag speelen. Als het geen onderscheid kent zal het zich natuurlijk branden. En dan verdient het kind geen verwijt, want het wist niet beeter. En ondanks onze verontschuldiging dat wij niet beeter wisten, dat wij niet wijzer waren - ondanks dat worden wij gestraft met een vloek, en in deeze verdoemde waereld geplaatst. Is dat billijk en begrijpelijk? ? Dit alles lost het Christendom niet op, het Boeddhisme wel. Het Boeddhisme weet niet van vloek en zonde - maar van onweetendheid en blindheid, noodig in de groote harmonie, die booven de tijd uitgaat. Van nacht lag ik bijna den ganschen nacht wakker, deeze dingen ooverdenkend. Truida had mijn eersten slaap gestoord omdat mijn snurken haar hinderde. Toen werd ik zeer bedroefd, maar niet boos. Ik vond het niet zelfverloochenend van haar, maar ik dacht toch: welk recht heb ik om daardoor boos te worden? Zij verlangt zelf te slapen en stoort nu liever mijn slaap, dan de hare. Is dat niet natuurlijk? En kan ik daarvan een verwijt maken? ? En daarin troostte de gedachte aan Jezus mij niet. Want hij verweet de menschen toch ook wat zij heelemaal niet helpen kunnen. Zij waren niet wijzer, en de driften en neigingen die zij volgen kreegen zij dan toch ook van den Vader.  In Jezus is een niet-goddelijke bitterheid, die in Boeddha ontbreekt.   Toch heb ik hem lief. Juist omdat hij voor ons zoo werkelijk, zoo menschelijk is. Maar de Indische wijsheid moet aanvullen wat in 't Christendom raadsel blijft.

 

 

 

 

                             

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL