Gedichten die me aanspreken II

 Wat het is - Geen zicht - God ervaren - Aquarium - De Nachtegaal - Het lied van de stilte - Een wereld zonder liefde - Tijd - Het niet weten - Rusten ga ik weldra - Noem me bij mijn ware namen In ons lage huis aan de haven verscheen een Vreemde - Zwerversliefde De Vagebond - Woningloze VOOR WIE DIT LEEST - De Liefde - Een beter land - Als de dagen lengen - HERMANN HESSE  gedichten  - Verdergaan - Woorden - Levenswens - Bericht - Pierrot - Legende - Huwelijk - De Vlinder - Mijn taal - Wie dan wel - De blaad’ren rijzen door de stugge nevel - Het goede land - Droom is 't leven - Bericht aan de reizigers  Ik draag jullie - Haar laatste briefEen vrouw beminnen...  - SEIZOENEN - Vriendschap - Leven - zielendans - vergeving - Maria Magdalena op paasmorgen - Niemands Huis - In den tuin - Zwanger - Het inzicht -

 

 

 

 

 

Wat het is

Het is onzin
zegt het verstand
Het is wat het is
zegt de liefde

Het is ongeluk
zegt de berekening
Het is alleen maar verdriet
zegt de angst
Het is uitzichtloos
zegt het inzicht
Het is wat het is
zegt de liefde

Het is belachelijk
zegt de trots
Het is lichtzinnigheid
zegt de voorzichtigheid
Het is onmogelijk
zegt de ervaring
Het is wat het is
zegt de liefde

Erich Fried (1921-1988)
Vertaling: Remco Campert

 

 

Geen zicht

Aan het einde van de avond
drijven wolken uiteen,
een grauwe mist bedekt de velden
en de stilte is sereen.

De nacht draagt alle drukte
van het dagelijks bestaan
verlicht door duizend sterren
en het schijnsel van de maan.

In de verte hoor ik kikkers kwaken
en ganzen op hun vlucht
naar onbekende streken
hoog boven in de lucht.

Het zijn momenten van bezinning
voordat het nachtelijk duister daalt
en alle drukte van de dag door
de stilte reeds is ingehaald.

Wat zal een nieuwe morgen brengen,
die langzaam wordt onthult
voordat de mist is opgetrokken en
hopelijk weer is verguld.

 

Uit de pas verschenen bundel: En de wereld draait door, van Henk Banis

Deze bundel kan besteld worden via de uitgeverij

 

 

Ik vernam zopas (18/09/2007) dat Henk in het ziekenhuis opgenomen is
hier brandt een kaarsje voor zijn herstel

 



20/02/2008: Na vele lange maanden is Henk eindelijk weer thuis.
Meteen mocht ik al twee gedichtjes van hem ontvangen. Hij schreef ze als een vorm van therapie tijdens zijn lange ziekteperiode, zo schreef hij mij.
Het doet me dan ook veel genoegen dat ik deze nieuwe gedichtjes hier mag plaatsen.
Het kaarsje laat ik branden, uit dankbaarheid.

Als de dagen lengen.

 

Als de dagen lengen, het levenspad wordt slecht verlicht,

Is er hoop op een nieuw schijnsel, samengevat in dit gedicht

Duister zijn nu de momenten, wachtend op wat zonneschijn,

nog genieten van het leven, is op zich al fijn.

Dankbaar voor de goede zorgen, met de blik gericht op morgen.

 

Geen zicht.

 

Aan het einde van de avond, drijven wolken uiteen.

Een grauwe mist bedekt de velden, en de stilte is sereen.

De nacht draagt alle drukte van ons dagelijks bestaan

verlicht door duizend sterren en het schijnsel van de maan.

In de verte hoor ik kikkers kwaken en ganzen op hun vlucht

naar onbekende streken. Hoog boven in de lucht.

Het zijn momenten van bezinning voordat het nachtelijk duister daalt

en alle drukte van de dag, door stilte reeds is ingehaald.

Wat zal een nieuwe morgen brengen, die langzaam wordt onthuld

totdat de mist is opgetrokken en hopelijk weer is verguld.

 

Woorden.

 

Woorden als balsem, bewust gekozen.

Woorden met edik overgoten.

Woorden tot lering en vermaak aaneen

geregen en tot zinnen opgenomen.

Woorden, samengevoegd, niet begrepen.

Woorden als kristal geslepen, opdat ze

schitteren.

Woorden, een kostbaar bezit.

Henk Banis

 

Levenswens.

 

Geef mij je hand, laat de warmte ervan mij doorstromen.

Gun mij een blik in je ogen vol van mededogen.

Leen mij je oor, opdat ik je kan zeggen wat ik denk en voel.

Laat de woorden tot je vloeien in de rivier van het leven,

Zodat wij stroomopwaarts zullen gaan naar de horizon,

waar de warme zon van je hart zal schijnen.

Geef mij je beide handen als een verankering in de bodem

van je ziel en laat je voeten de sporen volgen van waarheid,

verdraagzaamheid, vrede, en liefde tot elkaar.

Laat stenen tot broden worden en vissen zich vermenigvuldigen

En zwaarden tot ploegen worden omgesmeed in een wereld

die de onze is.

Geef mij je beide handen, gewoon opdat wij leven.

Henk Banis

 

 

 

 

  uit:  “God ervaren”

 

Ik zit op mijn prestatiepaard

en jaag door de tijd,

uur na uur, dag na dag.

Sneller, sneller, mijn paard.

Daar kun je tijd besparen.

Afkorting,

speciale aanbieding.

Loop, mijn paard,

ik wil het hebben,

het laat mij sparen,

minstens tien minuten per dag,

dat zijn zeventig minuten per week.

Hoe wonderlijk,

dan kunnen wij ons nog meer permitteren,

ik en jij,

mijn wonderlijk prestatiepaard.

 

Jaag verder!

Minuut na minuut,

uur na uur,

dag voor dag.

 

Ik zit vast in het zadel,

houd de teugels strak,

jaag verder

van afspraak naar afspraak,

van zitting naar zitting,

van gesprek naar gesprek,

van cursus naar cursus.

 

Spoed je, mijn paard,

dat wij iets groots volbrengen

in deze wereld.

 

Grauw is mijn paard,

grauw en snel

als een pijl.

Ik geef mijn grauwe de sporen,

drijf hem aan.

Doch op een dag klopt de rust

aan mijn snel kloppende hartwand.

Mijn paard gaat uit galop en staat stil.

Ik vlieg uit het zadel,

de teugels zijn me ontglipt,

mijn paard draaft weg,

ik lig in het zand.

 

'Wat wil je van mij?'

zo schreeuw ik vertwijfeld.

'Stop, vergeet niet,

de tijd, die is van mij.'

Ik snuif, ik bries,

net als mijn grauwe,

ik ben bang voor de rust,

die bij mijn hartwand loert.

 

Hoe kan ik tot rust komen

na al dit gehaast?

Ik voel van binnen de druk

als een oneindige last.

Als een roulettespel

jagen mijn gedachten,

mijn gevoelens en tegenspraken

in mijn ziel.

 

Is er dan ten slotte nog

een ruimte in mij die het zwijgen verdraagt

die zonder prestatie en druk

volkomen gaaf in mij leeft?

Toon mij de ruimte, zonder te oordelen,

zonder prestatie en dwang,

zonder tijdsdruk en drang,

waar geen ander tehuis is

dan ik alleen.

 

Ik voel het zand

tussen mijn vingers

en adem de

geurende lentelucht.

Voor de eerste keer,

zo schijnt me,

zie ik de hemel,

de kleuren van bomen

het gras,

het kabbelen van de beek,

die naast me stroomt.

Of is het in me?

Ik adem diep in

tot op de grond

en laat los,

eindelijk los.

 

Anselm Grün 

 

 

 

Aquarium.

 

In schem’rig groen stukje van de oceaan

Zweeft als een schim het zeedier, transparant:

Zich vergetend, ziet door glazen wand

De menschengeest ‘t ontzaglijk wonder aan,

 

Hoe ‘t zieltje, dat in elk trillend orgaan,

Teer van doorschijnendheid, onzichtbaar brandt,

‘t vreemd, glazen vogeltje, zijn fijn als kant

Geweven vleugeltjes doet slaan.

 

Zoo drijft mijn vers in mij, zelf deel van God

En iets, dat met verstand en weten spot,

Verbergt zich in kunst’ge doorschijnendheid;

 

En wie het leest, voelt, voor het ogenblik

Verplaatst, buiten de grenzen van zijn Ik,

Trillen ‘t mysterie van zijn eeuwigheid.

 

J. A. dér Mouw

 

 

 

De Nachtegaal.

 

De meinacht mint de nachtegaal,

O gulden lied, kristallen taal,

juweel der avondstonden.

Het is of d’uren blijven staan

als konden zij uiteen niet gaan

door peerlen vastgebonden.

 

De nachtziel zingt haar levensdank

doorheen uw hart; gij zijt de klank,

de fluit van haar refreinen

noch klokken, orgels of klaroen

heeft zij voor instrument vandoen

gij zijt haar bidfonteine.

 

O edel lied, o harmonij,

O, was het mij vergeven, vrij

en los van d’ aardse dingen,

God, puur gelijk een sterrenstraal,

doorheen mijn kleine, zwakke taal

te kunnen laten zingen!

 

Felix Timmermans - Twee muzen



HET LIED VAN DE STILTE

Er is een stilte, dieper dan de stilte
een verte, verder dan de verte
een diepte, dieper dan de diepte.

Er is een koninkrijk voorbij alle koninkrijken
een leegte voorbij alle leegte
een volheid voorbij alle volheid.

Als je oren hebt om te horen,
de klank van verleden in je is vergaan,
al het oude niet meer wordt gehoord,
luisteren tot volledig luisteren is geworden,
dan zal het ongehoorde klinken
door oren leeg van woorden.

Als je ogen hebt om te zien,
je geestelijke blindheid is genezen,
alle beelden van verleden zijn vergaan,
en licht in licht kan schijnen,
zal het ongeziene kijken
door ogen leeg van beelden.

En hoewel er niemand is die hoort
en er niemand is die ziet
is het horen een zuiver horen
het zien een zuiver zien
is beëindigd alle klank in het klankloze
is voltooid alle zien in het ongeziene.

Er zal een stilte zijn
die alle valleien vult
tot in de bodemloosheid van hun bodem
tot in het grondeloze van hun grond.
Alle tijden doven uit
alle ruimtes krimpen in
en het lied van de stilte
klinkt alom:

Kom, mijn kind, kom,
in steeds zachter fluisteren
in alleen maar luisteren
zal ik je verhalen over ontstaan en vergaan
over taal en teken
over bergen en beken
over kleur en klank
over denken en dank
over stilte en woord
over wat nimmer is gehoord.
Als je geest nog stiller wordt dan stil
er geen weten meer is van stilte
en verwondering in al je lichaamscellen danst
zal het lied van de stilte
je verhalen over stilte
dieper dan de stilte
verder dan de verte
leger dan de leegte.

Dan zal de stilte je tot stilte maken
is er alleen nog maar het lied.

Marcel Messing
(Pyreneeën, 1995, tijdens een verstilde najaarsmiddag in de bergen)



Een wereld zonder liefde

 

 

Als de liefde niet bestond
Zullen ze stilstaan de rivieren
En de vogels en de dieren
Als de liefde niet bestond

Als de liefde niet bestond
Zou het strand de zee verlaten
Ze hebben niets meer te bepraten
Als de liefde niet bestond

Als de liefde niet bestond
Zou de maan niet langer lichten
Geen dichter zou meer dichten
Als de liefde niet bestond

Nergens zouden bloemen staan
En de aarde zou verkleuren
Overal gesloten deuren
En de klok zou niet meer slaan

Als de liefde niet bestond
Dan was heel de vrijerij bedorven
De wereld was gauw uitgestorven
Als de liefde niet bestond

Als de liefde niet bestond
Zou de zon niet langer stralen
De wind zou niet meer ademhalen
Als de liefde niet bestond

Geen appel zou meer rijpen
Zoals eens ‘t paradijs
Als wij elkaar niet meer begrijpen
Dan wordt de wereld koud als ijs

Ik zou sterven van de kou
En mijn adem zou bevriezen
Als ik jouw liefde zou verliezen
Er is geen liefde zonder jou

 

 

Toon Hermans

 

 

Tijd

 

Tijd - het is vreemd, het is vreemd mooi ook

nooit te zullen weten wat het is

en toch, hoeveel van wat er in ons leeft is ouder

dan wij, hoeveel daarvan zal ons overleven

 

zoals een pasgeboren kind kijkt alsof het kijkt

naar iets in zichzelf, iets ziet daar

wat het meekreeg

 

zoals Rembrandt kijkt op de laatste portretten

van zichzelf alsof hij ziet waar hij heengaat

een verte voorbij onze ogen

 

het is vreemd maar ook vreemd mooi te bedenken

dat ooit niemand meer zal weten

dat we hebben geleefd

 

te bedenken hoe nu we leven, hoe hier

maar ook hoe niets ons leven zou zijn zonder

de echo's van de onbekende diepten in ons hoofd

 

niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik

buiten onze gedachten is geen tijd

 

we stonden deze zomer op de rand van een dal

om ons heen alleen wind

 

Rutger Kopland

 

 

Het niet weten

Hoe zou ik weten wat ik ben
ik die alles ben?
alles kent zichzelve niet
het is.

Hoe zou ik weten dat ik ben
ik die alles ben?
het ik is in het al verdwenen
voor kennis is geen plaats.

Hoe zou ik weten dat ik ben
ik die ben?
zijn is niet iets zijn
het is zichzelf genoeg.


Erik van Ruysbeek -
Zangen van Ongrond

 


Rusten ga ik weldra
 
Rusten ga ik weldra
in mijn eigen verruimde schoot
eindelijk rusten ga ik
in mijn velden zonder oorsprong.
 
Ontvang mij dan
groot lichaam zonder grenzen
ontvang mij dan
groot onuitblusbaar vuur.
 
Vader en moeder der eeuwige geboorte
laat mij verdwijnen in uw zee van licht
zelf licht geworden weer
en zachte trilling tijdeloos.

 

Erik van Ruysbeek Zangen van Ongrond


 

 

Noem Me Bij Mijn Ware Namen

 

Zeg niet dat ik morgen ga -
als zelfs vandaag nog komen moet.

Kijk naar me: elke seconde verschijn ik hier
om een knop aan een lentetak te zijn,
een vogel met nog tere vleugels
die in mijn nieuwe nest leert zingen,
om een rups te zijn in het hart van een bloem,
een juweel omgeven door gesteente.

 

Altijd nog kom ik hier om te lachen en te huilen,
te vrezen en te hopen.
Het ritme van mijn hart is het komen en gaan
van al wat leeft.

Ik ben de eendagsvlieg die van gedaante wisselt
op het water van de rivier.
En ik ben de vogel die een duikvlucht maakt
en verorber die vlieg.

 

Ik ben de kikker die vrolijk zwemt
in het heldere water van een vijver.
En ik ben de ringslang die stil nabijkomt
en voed me met de kikker.

Ik ben het kind in Oeganda, vel over knook,
mijn benen dunne stokjes.
En ik ben de wapenkoopman,
die dodelijk tuig aan Oeganda verkoopt.

 

Ik ben het meisje van twaalf,
een bootvluchtelinge die zich in zee stort
na door een zeerover te zijn verkracht.
En ik ben de zeerover,
wiens hart niet kan zien
en niet liefhebben kan.

Ik ben lid van het politbureau
met macht in zijn handen.
En ik ben de man die zijn bloedschuld
aan het volk moet betalen
en langzaam sterft in een werkkamp.

Mijn vreugde is als de lente, zo warm
dat de bloemen op de hele aarde ontluiken.
Mijn pijn is als een rivier van tranen,
zo onmetelijk dat zij alle oceanen vult.

 

Noem me daarom alsjeblieft bij mijn ware namen,
zodat ik al mijn huilen en lachen tezamen hoor,
zodat mijn vreugde en pijn één zijn.

Noem me alsjeblieft bij mijn ware namen,
zodat ik kan ontwaken
en de deur van mijn hart zal open staan,
de deur van mededogen.

 

thich nhat hanh

 

 

In ons lage huis aan de haven verscheen een Vreemde

 

In ons lage huis

Aan de haven

Verscheen een Vreemde,

Zette zich aan tafel, zegende ons brood.

Brak het en at met ons.

Met de ouders wisselde hij weinig woorden,

Gene met ons, de jongeren,

Mij en u, broeder.

Hij sliep in het voorhuis,

En in de vroegte

Was hij verdwenen.

 

Maar na zijn verblijf ­

Weet ge wel? ­

Konden we aan niets meer denken

Of we dachten aan hem.

We zagen bij 't werk

Zijn blik op ons rusten.

En als het zwaar was

Scheen het

Als stond hij neven ons,

Zodat het licht werd.

 

Onze ouders hielden

Voortaan - zo scheen het ­–

Een vriend’lijk geheim, of eerder

Een verstandhouding met elkander:

Zij glimlachten veel in zichzelf,

Zagen elkander aan

En glimlachten.

Toen zij stierven, eerst hij, dan zij,

Was 't of de Vreemde

Naast hun bed stond.

 

Of er ook and’ren

Zijn die hem zagen?

Wij vraagden het nooit,

Maar als wij omgaan

Onder de mensen

Kan ’t soms gebeuren

Dat, onder ons spreken,

Hun stem en de onze

Stil wordt.

 

We noemen hem niet,

We hand’len van niets ongewoons,

Maar het is als spraken we van hem.

 

Ja, soms is 't

Als luisterde hij mee,

Woog onze reed’nen,

Bewoog ons tot woorden.

Wat is het toch, broeder,

Dat onder ons

Zo aldoor omgaat?

Wij kennen het zeker

Aan twee schone deugden:

Vreugde en liefde.

 

Albert Verwey.

 

 

ZWERVERSLIEFDE

 

Laten wij maar zacht zijn voor elkander, kind -

want, o de maatloze verlatenheden,

die over onze moe gezworven leden

onder de sterren waaien in de oude wind.

 

O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet

het trotste hoge woord van liefde spreken,

want hoeveel harten moesten daarom breken

onder de wind in hulpeloos verdriet.

 

Wij zijn maar als de blaren in de wind

ristelend langs de zoom van oude wouden,

en alles is onzeker, en hoe zouden

wij weten wat alleen de wind weet, kind -

 

En laten wij omdat wij eenzaam zijn

nu onze hoofden bij elkander neigen,

en wijl wij samen in ’t oude waaien zwijgen

binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.

 

Veel liefde ging verloren in de wind,

en wat de wind wil zullen wij nooit weten;

en daarom - voor we elkander weer vergeten -

laten wij zacht zijn voor elkander, kind.

 

ADRIAAN ROLAND HOLST

 

 

De Vagebond

 

Zij wikken en zij wegen
hun geld en hun god,
en kanten zich tegen
mijn vluchtiger lot,

 

omdat ik, in mijn handen
en ogen leeg,
door hunne landen
omdroeg, en zweeg


in hun geschillen,
en ging als blind
om der eenzame wille

van sterren en wind

 

 

A. Roland Holst

 

 

WONINGLOZE

 

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,

Nooit vond ik ergens anders onderdak;

Voor de eigen haard gevoelde ik noot een zwak,

Een tent werd door de stormwind meegenomen.

 

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.

Zolang ik weet dat ik in wildernis,

In steppen, stad en woud dat onderkomen

Kan vinden, deert mij geen bekommernis.

 

Het zal lang duren, maar de tijd zal komen

Dat vóór de nacht mij de oude kracht ontbreekt

En tevergeefs om zachte woorden smeekt,

Waarmee ‘k weleer kon bouwen, en de aarde

Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de

Plek waar mijn graf in ’t donker openbreekt.

 

J.J. SLAUERHOFF

 

 

VOOR WIE DIT LEEST

 

Gedrukte letters laat ik U hier kijken,

maar met mijn warme mond kan ik niet spreken,

mijn hete hand uit dit papier niet steken;

wat kan ik doen? Ik kan U niet bereiken.

 

O, als ik troosten kon, dan kon ik wenen.

Kom, leg Uw hand op dit papier, mijn huid;

verzacht het vreemde door de druk verstenen

van het geschreven woord, of spreek het uit.

 

Menige verzen heb ik al geschreven,

ben menigeen een vreemdeling gebleven

en wien ik griefde weet ik niets te geven;

liefde is het enige.

 

Liefde is het meestal ook geweest

die mij het potlood in de hand bewoog

tot ik mij slapende voorover boog

over de woorden die Gij wakker leest.

 

Ik zou wel onder deze bladzij willen zijn

en door de letters heen van dit gedicht

kijken in Uw lezende gezicht

en hunkeren naar het smelten van Uw pijn.

 

Doe deze woorden niet vergeefs ontwaken,

zij kunnen zich hun naaktheid niet vergeven;

en laat Uw blik hun innigste niet raken

tenzij Gij door liefde zijt gedreven.

 

Lees dit dan als een lang verwachte brief,

en wees gerust, en vrees niet de gedachte

dat U door deze woorden werd gekust:

ik heb je zo lief.

 

LEO VROMAN


 

 

De Liefde

 

'VERTROUW op de liefde, zelfs als zij smart brengt.

Sluit uw hart niet af.'

'Ach neen, mijn vriend, uw woorden zijn duister;

ik kan ze niet verstaan.'

 

'Het hart is er alleen om te worden weggeschonken,

met een traan en een lied, mijn lief"

'Ach neen, mijn vriend, uw woorden zijn duister;

ik kan ze niet verstaan"

 

'De vreugde is vluchtig als een dauwdrop ;

zij sterft als ze lacht.

Maar smart is sterk en blijvend.

Laat smarte­lijke liefde wakend blijven in uw ogen.'

'Ach neen, mijn vriend, uw woorden zijn duister;

ik kan ze niet verstaan "

 

'De lotus bloeit open in het licht der zon,

en verliest alles wat zij heeft.

Zij zou niet in knop willen blijven in de eeuwige winternevel. '

'Ach neen, mijn vriend, uw woorden zijn duister;

ik kan ze niet verstaan "

 

Uw vragende ogen zijn droef.

Zij trachten mijn be­doeling te begrijpen,

zoals de maan de zon zou willen doorgronden.

 

Ik heb mijn leven van begin tot eind blootgelegd voor uw ogen,

en niets verborgen of teruggehouden.

Daarom kent ge mij niet.

 

Was het maar een juweel, dan kon ik het in honderd stukken breken,

en aan een draad rijgen rond uw hals.

Was het maar een bloem, rond en klein en lieflijk,

ik zou het van de steel plukken en in uw haar steken.

 

Maar het is een hart, mijn liefste!

Waar vindt ge zijn kusten? En waar is zijn bodem?

Ge kent de grenzen van dit koninkrijk niet,

en toch zijt gij er koningin!

 

Was het maar een moment van vreugde,

dan zou het bloeien in een lichte lach,

en ge zoudt het kunnen zien en in een oogwenk verstaan!

 

Was het maar een ogenblik van verdriet,

dat zou smelten in heldere tranen,

en haar innigst geheim zou weerspiegelen, zonder één woord.

 

Maar het is de liefde, mijn liefste!

Zij is u zo na als het leven,

en toch zult ge haar nooit geheel kennen.

 

Rabindranath Tagore - uit: the Gardener

 

 

Een beter land


 

Ze trekken over bergen
Doorkruisen de woestijn
Of zwerven over zeeën
Om vrij te zijn

 

Waar de oorlog teistert
Waar de honger woedt
Moeten ze uit huis vandaan
En zwerven dan voorgoed

 

Eeuwen door klinkt in de nacht
Steeds diezelfde bange klacht:
Waar is thuis?
Waar is thuis?

 

Iedereen blijft hopen
Dat hij nog een toekomst heeft
Rust voor zijn vermoeide hoofd
Een plek waar hij in vrede leeft

 

Als je maar dichtbij blijft
Gaan we hand in hand
En zullen we de grens passeren
Van een nieuw en beter land.

 

(Willem Wilmink)

 

HERMANN HESSE  gedichten

 

 

HET NACHTELIJK LIED....

 

Door boom en struik blonk in de nacht

het zwakke schijnsel van een ruit

en door het donker vloeiden zacht

de tedere tonen van een fluit.

 

Het was een lied zo eeuwenoud,

vertroostend gleed het door de nacht

en al wat vreemd was leek vertrouwd

en elke tocht leek reeds volbracht.

 

De wereld, haar verborgen zin,

kwam in dit lied tot openheid,

't ontroerde hart zong mee en in

het hier en nu versmolt de tijd.

 

 

Nu ik moe ben van de dag...

ken ik nog slechts één verlangen:

nacht en sterren met een lach

als een moe kind te ontvangen.

 

Want mijn ziel wil onbewaakt

op bevrijde wieken zweven,

door de tovernacht geraakt

diep en duizendvoudig leven.

 

fragmenten -slapenstijd- HERMANN HESSE

 VERWELKT BLAD

 

Elke bloesem wil tot vrucht,

Elke morgen wil avond worden,

Niets eeuwigs bestaat op aarde

dan de verandering, het verwaaien.

 

Ook de mooiste zomer wil

Ooit eens herfst en verwelking ervaren.

Houd jij, blad, je geduldig stil,

Wanneer de wind je wil ontvoeren.

 

Speel je spel en verzet je niet,

Laat het stil gebeuren.

Laat door de wind, die je breekt,

je naar huis toe waaien.

HERMANN HESSE

 

DE BLOESEMTAK

 

Steeds heen en weer

Streeft de bloesemtak in de wind,

Steeds op en neer

Streeft mijn hart als een kind

Tussen lichte, donkere dagen,

Tussen willen en laten varen.

 

Tot de bloesems zijn verwaaid

En de tak vruchten draagt,

Tot het hart, de kinderlijkheid zat,

Zijn rust vindt

En gewaar wordt: vol lust en niet tevergeefs

Was het onrustvolle spel van het leven.

HERMANN HESSE


 

 

BOOM IN DE HERFST

 

Nog worstelt vertwijfeld met de koude

Oktobernachten om zijn groene kleed

Mijn boom. Hij heeft het lief, hij treurt erom,

Hij droeg het vrolijke maanden lang,

Hij zou het graag behouden.

 

En weer een nacht, en weer

Een rauwe dag. De boom raakt afgemat

En vecht niet meer en geeft de ledematen

Losgelaten over aan de vreemde wil,

Tot die hem helemaal bedwongen heeft.

 

Nu echter lacht hij goudrood

En rust in het blauw diep gelukkig.

Omdat hij zich vermoeid aan het sterven bood,

heeft hem de herfst, de milde herfst

Tot nieuwe heerlijkheid getooid.

HERMANN HESSE

 

Ergens

 

Dolend door de zandzee van het leven,

Gloeiend, kreun ik vaak een jammerklacht.

Ergens echter, weet ik, haast vergeten,

Bloeien tuinen, schaduwrijke pracht.

 

Ergens echter in mijn verste dromen,

Weet ik dat een rustplaats op mij wacht,

Waar de ziel tenslotte thuis kan komen,

Waar ze wachten: sluimer, sterren, nacht.

HERMANN HESSE

  

 

In een lang vervlogen eeuw

 

Iets gunt mij mijn nachtrust niet:

Reislust komt mijn droom verstoren

En ik kan het fluisterlied

Van mijn bamboeriet al horen.

 

Anders dan in slaap te wiegen

Wil ik ‘t oude liedje kwijt,

Wil ik weggaan, wil ik vliegen,

Reizen in oneindigheid.

 

In een land, zo staat te lezen,

In een lang vervlogen eeuw

Zijn ooit krokussen verrezen

Uit een vogelgraf vol sneeuw.

 

Vleugels wil ik open spreiden,

Onbegrensd zijn, vogelvrij,

Naar die oorden, naar de tijden

Waarin goud nog glanst voor mij.

HERMANN HESSE

 

De Nacht

 

Met schemering en merelzang

Waait uit het dal de nacht ons toe.

De zwaluw rust, de dag was lang

En maakte elke zwaluw moe.

 

Wie mijn vioolspel hoort, geniet

Van mild gestreken klanken nu.

Begrijpt u, mooie nacht, dat lied-

Mijn oude zang, die zang voor u?

 

Een bries waait uit de wouden aan

Zodat mijn hart al trillend lacht.

En zacht, met lief geweld verslaan mij

Sluimering en droom en nacht.

HERMANN HESSE

 

 

Verdergaan

 

Verdergaan

is soms nee zeggen

 

nee

tegen mensen

die het goed bedoelen

 

nee

tegen mensen

die menen te weten

wat goed voor jou is

 

mensen die je voor

de voeten lopen

 

mensen die jou

hun verdriet opleggen

 

mensen die je verhinderen

je eigen weg te zoeken

 

verdergaan is soms

nee zeggen

het risico nemen

hen ook te verliezen

het vertrouwen ontwikkelen

dat jij je weg

verder mag gaan

 

Marinus van den Berg

 

Bericht

 

Toen ik mijn aards omhulsel achterliet,
een hoopje kleding,
een uitgewoond huis,
vloeide onmiddellijk hij over in mij,
gemeenschap, de enig ware.

 

Er waren geen woorden meer,
- 'Maria' zijn groet,
'Rabboni', mijn wederwoord -.

Woorden zijn overbodig,
zijn voor jullie sferen.

Het absolute kent zich.


Ik verwarde hem niet
met een tuinman van de Oude Stad.
Toch is hij de tuinman,
zoon van de wijngaardenier.

Hij is mij zeer nabij,
wij wonen in elkaar.


Dat kan bij jullie nog niemand verstaan,
je kunt het alleen maar beleven.
Blijf in hem, hij zal in jou blijven,
Je zult in hem overgaan.

 

Theresia Saers

 

 

PIERROT

 

‘k Ontmoette ’s nachts een vrouw bij een lantaren,

Geverfd, als heidenen hun doden verven -

Ik zei tot haar: “Vrouw ik ben moe van zwerven.”

Zij lachte om mijn wit pak en mijn gebaren.

 

En ik zei weer: “Laten wij samen sterven,

Vrouw, mijn naam is Pierrot” - Ik vroeg de hare.

Wij dansten samen of we dronken waren.

En mijn stuk hart rammelde van de scherven.

 

Dit was een dans op de uiterste rand

Der steilten van verbijstering. Als een brand

Joeg waanzin door mijn lijf heen, dat ging breken-

 

Als wie een moord deed, heb ik omgekeken

En zag me alleen staan in de vale straat,

En vluchtte weg en sloeg me voor ’t gelaat.

 

MARTINUS NIJHOFF

 

 

 

LEGENDE

 

Er ligt een schemering over de weiden,

Er loopt een man op de verlaten weg.

Geen sterveling zal hem zijn lot benijden.

Hij is alleen en hij weet heg noch steg.

 

Het wordt nog troostelozer, als ik zeg,

dat hij daar altijd liep, te allen tijde

vergeefs, vergeefs. Wie zal hem ooit bevrijden?

Het schemert eender op de lege weg.

 

Nog altijd denkt hij: als ik maar blijf lopen

Vind ik een herberg met een helder licht:

Dan ga ik naar binnen want de deur staat open.

 

Er is nog hoop op zijn vermoeid gezicht,

en daarom zal hij altijd blijven lopen,

maar waar hij aankomt, zijn de deuren dicht.

 

ANTHONIE  DONKER

 

 

 

 

HET HUWELIJK

 

Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd

in d’ ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,

haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven

toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

 

Hij vloekte en ging tekeer en trok zich bij de baard

en mat haar met de blik, maar kon niet meer begeren,

hij zag de grootste zonde in duivelsplicht verkeren

en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.

 

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond

het merg uit haar gebeente, dat haar toch bleef dragen.

Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen

en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.

 

Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.

Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen.

En rennen door het vuur en door het water plassen

tot bij een ander lief in enig ander land.

 

Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad

staan wetten in de weg en praktische bezwaren

en ook weemoedigheid die niemand kan verklaren,

en die des ’s avonds komt, wanneer men slapen gaat.

 

Zo gingen jaren heen. De kinderen werden groot

en zagen dat de man die zij hun vader heetten

bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezeten,

een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.

 

WILLEM ELSSCHOT

 

Der Schmetterling (de vlinder)
 

Het was de laatste, de allerlaatste
Hij was zo rijk, zo stralend, zo verblindend geel.
Het was net een traan van de zon
Die verzengt tegen een witte steen.

 

Zo'n schittering van geel,
Vloog onbelemmerd de hoogte in,
Weg, ik weet het zeker, omdat
Hij onze wereld vaarwel wilde kussen.

 

Zeven weken woon ik hier,
Opgesloten in dit ghetto;
Ik heb de paardenbloemen naar me zien reiken,
En de witte kastanjebloesems op de binnenplaats
Maar een andere vlinder heb ik nooit meer gezien.


Die vlinder was de laatste, want
Er leven geen vlinders hier in Terezin.

 

 

 

Door Pavel Friedmann geschreven in het concentratiekamp van Terezin of Theresienstadt -een klein stadje ten noorden van Praag- in 1942 toen hij daar opgesloten zat. Hij verbleef er van 1942 tot 1944. Hij overleed op 23-jarige leeftijd op 29 september 1944 in Auschwitz. Zinloos. Dit gedicht is in Tsjechië erg bekend en staat daar symbool voor het anti-oorlog / anti-geweld idee zoals bij ons bijvoorbeeld het boek van Anne Frank.  

 

 

Mijn taal
 

 

Mijn taal

is als de stok
waarmee de blinde
zich een weg baant
in een vreemde stad

Op de tast
leer ik de lengte
van de straten kennen
en het huis
waar mijn gedachten wonen

Mijn taal

zoekt het gezelschap
van een vlinder
die het vlak verdeelt
en invult
als een landkaart
met steden
en rivieren
waarvoor ik
de namen mag verzinnen

Mijn taal

zoekt altijd weer
een beeld
om naast te staan
om vast te houden
te omarmen
of met haar
van mening te verschillen

 

Uit: "JA !", een in het najaar van 2006 verschenen boek van zanger/liedjesschrijver Stef Bos.

 

 

 

Wie dan wel

 

Als wij niet meer geloven

dat het kan
Wie dan wel?
Als wij niet meer vertrouwen

op 'houden van'
Wie dan wel?
Als wij niet meer proberen
Om van fouten wat te leren
Als wij 't getij niet keren
Wie dan wel?

Als wij niet meer zeggen

hoe het moet
Wie dan wel?
Als wij niet meer weten

 wat er toe doet
Wie dan wel?
Als wij er niet in slagen
De ideeën aan te dragen
Voor een kans op betere dagen
Wie dan wel?

Als wij niet meer geloven dat het kan
Wie dan wel?
Als wij er niet mee komen, met een plan
Wie dan wel?


Als wij er niet voor zorgen
Dat de toekomst is geborgen
Voor de kinderen van morgen
Wie dan wel?


Als wij onszelf niet dwingen
Een gat in de lucht te zingen
Waar zij in kunnen springen
Wie dan wel?

 

  Nederlandse cabaretier/liedjesschrijver Paul van Vliet

 

 

De blaad’ren rijzen door de stugge nevel

 

 

De blaad’ren rijzen door de stugge nevel

er zijn geen klanken meer, er is geen lied

slechts in het dorre riet een vroom geprevel…

Nu komt de tijd dat men naar binnen ziet.

 

Want wij zijn arm, en knagen aan 't verleden,

en spelen met de kaarten van verdriet.

Het schoonste sprookje stelt ons niet tevreden,

en door de nevel lokt de toekomst niet.

 

Het leven vlood en d' as blijft in onz' handen

't verlangen stijgt om mede te vergaan

Doch in de weemoed blijft één lichtje branden,

 

het licht dat w' in de zomer overslaan,

waarvoor wij slechts, tot onze scha en schande,

rondom de wintertijd om olie gaan

 

Felix Timmermans

 

 

Het goede land

 

Lang voordat wij de steven moesten wenden

naar onze wereld en naar onze tijd,

was er een land zonder boosaardigheid,

dat voortleeft in verschillende legenden.

 

Toen wij als kind over de heuvels renden,

door geen herinneringen begeleid,

leek het erop of wij de weg nog kenden.

De grote mensen zijn de route kwijt.

 

Wel gaan we nog zo nu en dan op reis

met in ons achterhoofd dat paradijs,

maar weten heus wel dat we daar niet komen.

 

De dingen gaan zoals ze moeten gaan,

behalve daar waar kinderen bestaan

die 't goede land meteen al werd ontnomen.

 

WILLEM WILMINK

 

 

Droom is ’t leven

Droom is ’t leven, anders niet;
’t Glijdt voorbij gelijk een vliet,
Die langs steile oevers schiet,
Zonder ooit te keren.

De arme mens vergaapt zijn tijd
Aan het schoon der ijdelheid,
Maar een schaduw die hem vleit,
Droevig! Wie kan ’t weren?


De oude grijsaard wordt een kind,
altijd slaperig, altijd blind;
Dag en uur,
Waarde en duur
Verwaait maar in de wind.


Daarmee glijdt het leven heen
’t Huis van vel en vlees en been,
Slaat aan ’t kraken,
De ogen waken,
Met de dood in duisterhe'en.

Jan Luyken (1649-1712)

 

 

Bericht aan de reizigers

Bestijg de trein nooit zonder uw valies met dromen,
dan vindt ge in elke stad behoorlijk onderkomen.

Zit rustig en geduldig naast het open raam:
gij zijt een reiziger en niemand kent uw naam.

Zoek in 't verleden weer uw frisse kinderogen,
kijk nonchalant en scherp, dromerig en opgetogen.

Al wat ge groeien ziet op 't zwarte voorjaarsland,
wees overtuigd: het werd alleen voor u geplant.

Laat handelsreizigers over de filmcensuur
hun woordje zeggen: God glimlacht en kiest zijn uur.

Groet minzaam de stationschefs achter hun groen hekken,
want zonder hun signaal zou nooit één trein vertrekken.

En als de trein niet voort wil, zeer ten detrimente
van uwe lust en hoop en zuurbetaalde centen,

blijf kalm en open uw valies; put uit zijn voorraad
en ge ondervindt dat nooit een enkel uur teloor gaat

En arriveert de trein in een vreemdsoortig oord,
waarvan ge in uw bestaan de naam nooit hebt gehoord,

dan is het doel bereikt, dan leert gij eerst wat reizen
betekent voor de dolaards en de ware wijzen...

Wees vooral niet verbaasd dat, langs gewone bomen,
een doodgewone trein u voert naar 't hart van Rome.

Jan van Nijlen

 

 

‘Ik draag jullie weg uit donkere dalen
naar de vreemde glans van hoogten en licht,
uit zoekende nood en uit twijfel en kwalen:
verlossende onthechting tot daden verdicht.

 

Ik draag je naar bergen met tuinen vol rozen,
geglimlachd door God tot een wonderbaar kleed;
verwevend uit schroom, uit verlangende pose,
de wereld als nieuw uit vergankelijkheid.

 

Ik draag je naar vér-vreemde oevers en kaden,
naar ’t hart van de blauw-transformerende macht,
omspeerd door de zon en in wolken-cascaden
omhoog naar vermoeden, waar ’t ochtendlicht wacht.

 

Omhoog, naar de top, door het zeelicht omspeeld,
ontrukt aan het tijdeloos generzijds land.
Nooit sterft het rood op de top, dag-vergeeld,
nooit sterft het geloof: opwaarts, dromenderhand.

 

Voor dromen en klacht breng ik bloemen, verzonken,
die gloeien: een stroom bloeiend zachtvloeiend goud,
ten tijde dat geesten nog aarz’len te stormen
naar de hemelse gloed die hun hoogten behoudt.

 

Ik draag je naar hoger dan hogere hoogten,
verlicht door een trots onbegrijpelijk licht,
naar trotsere verten, door morgenbries open
en stil door een nameloos glanzen verlicht’

 

Max Prantl

 

 

Haar laatste brief

 

Verwijt mij niet dat ik lichtzinnig was
omdat ik liefgehad heb zonder trouw
en zonder tranen heenging. Want een vrouw
komt nooit, als zij bij voorbaat niet genas,
de wond te boven ener tederheid
die op toekomstig leven is gericht.

Ik moest mij wel hernemen voor een plicht
waartoe ik onbemerkt ben voorbereid.

 

Zeg zacht mijn naam, en ik ben in 't vertrek:
de bloemen staan weer in de vensterbank,
de borden in het witte keukenrek.

Want meer van mij bevindt zich in die klank
dan in de jeugd waarom je van mij houdt,
mijn bijna-jongensborst, mijn haar van goud.

 

Martinus Nijhoff

 

 

Een vrouw beminnen...

 

Een vrouw beminnen is de dood ontkomen,

weggerukt worden uit dit aards bestaan,

als bliksems in elkanders zielen slaan,

te zamen liggen, luisteren en dromen,

meewiegen met de nachtelijke bomen,

elkander kussen en elkander slaan,

elkaar een oogwenk naar het leven staan,

ondergaan en verwonderd bovenkomen.

 

'Slaap je al?' vraag ik, maar zij antwoordt niet;

woordeloos liggen we aan elkaar te denken:

twee zielen tot de rand toe vol verdriet.

 

Ver weg de wereld, die ons niet kan krenken,

vlak bij de sterren, die betoovrend wenken.

 't Is of ik dood ben en haar achterliet.

 

ED. HOORNIK

 

 

SEIZOENEN

 

En toen het nieuwe licht kwam

kwam het nieuwe licht in mij

en toen het nieuwe groen kwam

kwam het nieuwe groen in mij

en toen de nieuwe zon kwam en lachte

lachte de nieuwe zon in mij.

Zo heeft het moeten zijn

het donker, de pijn, het verdriet,

de eenzaamheid, het lag achter me

toen het nieuwe licht kwam.

Je kunt het niet oproepen

of aansteken

het komt wanneer het komt.

Laat het zo

laat het over je heen komen

alles komt uit Zijn hand.

 

 

Toon Hermans


 

 

Leven

 

Leven is geen zaak van jaren

van 'watje viert' of 'wat je lijdt'

ergens is het nog iets ànders

dan alleen een zaak van tijd

 

leven is geen zaak van jaren

leven heeft een diepere zin

je kunt het voelen 'aan het einde'

en ook een beetje 'bij 't begin'

 

TOON HERMANS

 

 

VRIENDSCHAP

 

Vriend,

als je lacht,

lacht mijn hart,

en de vreugde verheft haar toorts,

onze straat is een lachende dag!

0, dat wij voor elkaar JIJ zijn,

dat wij dit jij

in ons hart mogen dragen,

dat is het, wat ons verenigt.

 

Weliswaar bouwt zich soms een tempel van stilte

en hullen de bergen der eenzaamheid zich om ons heen

0,

diep in zichzelf is iedereen alleen.

Maar het lachen spant bogen van mij naar jou,

en de deuren staan ver open naar de tempel van de ziel. Heilig

is de mens!

Knielen moeten we beide voor het leed,

verheffen moet ons de vreugde,

wij schenken elkander het ik en het jij ­

eeuwig schijnt ons dat woord:

MENS.

 

Altijd

kunnen we gelukkig zijn.

 

Kurt Heynicke

 

Zielendans

O Ziel, dans Uw eeuwige dans
in eigen schemerglans
in eigen bloementuin,
dans de muren der tijdelijkheid tot puin,
dans u, met het lichaam
van tere ijdelheid,
tot een ijle dans tesaam
op het ritme der oneindigheid.

 

Ziel, dans U in het lichaam uit
op zacht vioolgeluid
op violette bloemenzee,
dans het lichaam naar den einder mee,
dans in het aardse leven
op muziek van het onhoorbaar zingend Heelal,
dans op het ritmeleven
van het Zielen-Al.

 Karel Dammerman

Vergeving

Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult u naaste beminnen en uw vijand haten.
Maar Ik zeg u: Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen (Matt. 5:43-44)

 

Mijn lief, ik neem je handen
In beide handen mijn,
Zo mogen z’ even banden
Symbool van liefde zijn.

Als banden die niet binden
Doch slechts verbindend zijn,
Waarlangs w’ elkander vinden
En opnieuw samen zijn.

‘k Wil jou, wil mij vergeven
En zelf vergeven zijn,
Aan bitterheid ontheven
Elkaar hergeven zijn.

Mijn lief, laat nu je ogen
Op mij gevestigd zijn,
Jouw liefde, jouw mededogen
Door mij beantwoord zijn.

Annette Haccou

Maria Magdalena op paasmorgen. 

 

Toen al de anderen waren weggegaan

Ik zag ze bij de tuinmuur in de verte

nog redetwisten en verwoed gebaren,

Petrus voorop de stofwolk die de weg wees,

scheen het stiller dan ooit.

 

En ik besefte opeens dat ik alleen was

en de angst om de geboorte van de bleke dag

te storen had de krekels zelfs bevangen

zo stil en weifelend rees het licht,

dat bomen grijparmen werden, bloemen valse ogen,

en ik moet zelf een smalle kaars geweest zijn,

daar in de dunne mist, bij het lege graf.

 

En de twee mannen die in witte kleden

plotseling  voor mij stonden schenen beelden

uit een oud geheimzinnig speelliedje

en maakten mij weer tot een kind. En juist

als in dat spel van vroeger hield ik bei

mijn handen tegen mijn gezicht gedrukt

en schreide, wat ik vroeger had gezongen:

Waar hebben ze mijn meester neergelegd?

 

Ik was een schreiend kind, ik moest maar weggaan

voordat ze zouden lachen om mijn dwaasheid;

ik moest maar weggaan, net als al de anderen,

weg uit de spooktuin, weg uit het valse licht,

als al de anderen. En ik keerde me om

en veegde met mijn mouw mijn tranen weg,

toen ik de tuinman zag.

 

Hij stond er zo gerust en groot.

En ’t was of al de bloemen

nu opeens bloemen werden en de bomen

hun groen herkregen, toen hij naar mij keek,

en of ik niet alleen meer was, en of

het graf achter mijn rug niet meer bestond,

niet meer als leegte, als holle angst, en of

een leeuwerik opschoot in zijn stem: Maria!

 

Ik heb het al zo vaak verteld Johannes,

maar steeds als jij mij met Pasen aanziet is het

alsof ik hem mijn naam weer hoor zeggen,

misschien omdat jij op hem lijkt misschien,

omdat het licht van deze dag jouw kleed zo wit

maakt als het zijne op die ochtend.

 

Maar nee, dat is het niet

het is omdat het brood dat jij nu in je handen hebt

 en mij te eten geeft zijn lichaam is.

Zijn leven, en daarom hoor ik hem vandaag

en meer en ik wil je zeggen dat vandaag

zijn liefde pas geopenbaard wordt,

want je weet Johannes dat hij die ochtend in de tuin zei:

 houdt me niet vast.

 

En zie nu komt hij zelf, nu komt hij zelf

om mij weer naar zich toe te trekken,

vast te houden, vast te houden. O, ik weet het wel,

ik kan niet zeggen wat ik zeggen wil vandaag,

maar ‘k ben een kaars die van zijn glorie brandt en

ik ben zo gelukkig want zijn leven is mijn leven.

En dit witte brood, o deze liefde is sterker dan de dood.

 

Michel van der Plas

 

 

Niemands huis

 

 

Niemands huis is het huis van een ander,

niemands warmte de mijne:

vergeef mij daarom deze kamer van mijn adem,

waarin ik mij herboren terugvind

als een kind van vloer en zoldering,

vergeef mij deze ongewisse klok voor ogen,

het langzame tweegevecht op ongelijke wapens.

 

vanavond zie ik de tijd

en zie ik niets meer dan de tijd,

als één van twee tegenstanders

met het voorhoofd koppig op dat van de ander.

 

altijd had ik deel aan die

hevige vriendschap die op vechten uitdraait:

steeds sloeg de hand nadrukkelijk toe

waar een goedig woord genoeg moest zijn,

kwam de voet vinnig op vaste bodem neer,

de noot om te eten verbrijzelend.

 

sneller dan maanden en jaren heb ik geprobeerd te leven,

mijn vingers heetten Graagte die men Te Gretig noemt,

maar al wat ik gekregen heb is een oudere blik in mijn ogen;

niemands warmte, omdat ik er zelf te veel van bezat,

niemands woning dan die van mijn eigen huid.

zo ben ik de meester der nederlagen geworden,

waarin wij allen meesters zijn, denk ik.

 

Jan G. Elburg (1919)

 

 

 

In den tuin

 

Gij roept mij tot Uw bruiloftsmaal:

de luchter brandt, de hooge zaal

is van Uw hofmuziek vervuld

en uit Uw oogen straalt geduld.

 

En gij zijt diep en stil van heil,

met aandrang klinkt Uw stem: 'Verwijl!'

­en als ik aarzel beeft zij niet,

en als ik vlucht versaagt zij niet.

 

Geen klank die zoo doordringend viel

tot in de gronden van mijn ziel,

geen glans die me in zijn streling nam

als de oogglans van het Offerlam.

 

Ver op den heuvel blinkt het licht

van mijn oorspronkelijk gezicht,

dat mij vervoert en mij verwart:

het oerbegin, het wereldhart.

 

Jan Engelman, Tuin van Eros, 1932

 

 

 

ZWANGER

 

Een zwart gat zeggen de moeders

van de doden, het kind stierf,

het liet een zwart gat in hen achter.

 

Waar hebben ze het over, nooit

was mijn harnas van huid zo taai,

een stevig vlies rond de zwellende

massa herinneringen die steeds weer

gedacht moeten worden.

 

Radeloos lopen ze rond, de moeders.

Ik niet; stil als steen bewaak ik

de felgele glimlach, de blauwe

kus, roze woorden uit haar mond.

 

De moeders heffen hun armen

Als winterbomen, de hemel

zichtbaar door hun gespleten stam.

 

Wat willen ze toch. Ik plooi me

roerloos om de kostbare

blokkentoren van gedachtenis

– hoe ze sliep in paars ochtendlicht

achter haar haren –; ik wacht

geduldig op de verlossing.

 

Anna Enquist

 

 

Het inzicht

Na een tijd zie je het subtiele
verschil tussen het vasthouden
van een hand en het aan de ketting
leggen van de ziel.

En je leert, dat liefde niet betekent,
leunen op iemand
en dat gezelschap niet betekent,
geborgenheid en je begint te
begrijpen dat kussen geen contracten
zijn en cadeaus geen beloften.

En je begint je nederlagen te
accepteren terwijl je je ogen open
en hoofd hoog houdt.
Met de waardigheid van een man of vrouw
en niet met het verdriet van een kind.

En je leert je wegen bouwen op vandaag
omdat de grond van morgen
te onstabiel is om te plannen
en toekomstdromen spatten halverwege vaak
als zeepbellen uit elkaar.

Na een tijdje leer je
dat zelfs het zonlicht brandt
als je teveel krijgt.

Dus plant je eigen tuin
en omkleed je eigen ziel
in plaats dat je wacht op iemand,
die je bloemen komt brengen

En je leert dat je alles kan doorstaan
dat je werkelijk sterk bent
dat je waardevol bent
en je leert en leert….
en je leert…..
telkens als je loslaat,
leer je.

Auteur onbekend

 

 

 

Terug naar Gedichten deel I

 

                             

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL