Mythes als dragers van Gnosis II


"Parcifal"

 

Parcifal, ridder uit een oud verhaal

Koning van de gouden graal

't Is al eeuwenlang geleden

Dat je kwam met de zon op je gezicht

Om te zoeken naar het grote licht

En de beker van de vrede

Zeven rozen in je haren

Zeven sterren in je hand

Zeven gouden kandelaren

Vuur dat altijd brandt

Zeven staven in de aarde

Zeven woorden in je mond

Zeven kelken, zeven zwaarden

Maak de cirkel weer rond

Maak de cirkel weer rond

 

Geef je paard de sporen

Laat de aarde horen

Dat je komt

Parcifal, prins Parcifal

 

Parcifal, je was dwaas toen je begon

En je einddoel was de zon

Je was kind en knecht en koning

Parcifal, rode ridder in de strijd

Door de ruimte, door de tijd

Met de waarheid als beloning

Met de rozen in je haren

En de sterren in je hand

Dacht je niet meer aan gevaren

Door het vuur dat brandt

Zeven staven hebben waarde

En de woorden in je mond

Blijken soms de beste zwaarden

Maak de cirkel weer rond

Maak de cirkel weer rond

 

Geef je paard de sporen

Laat de aarde horen

Dat je komt

Parcifal, prins Parcifal

 

Parcifal, ridder uit een oud verhaal

Koning van de gouden graal

't Is al veel te lang geleden

Dat je kwam met de zon op je gezicht

Als de drager van het grote licht

Laat ons delen in je vrede

Want de draak met zeven koppen

Heeft de mensen in zijn ban

En hij is niet meer te stoppen

Niemand die hem vangen kan

Pluk de rozen uit je haren

Gooi de sterren uit je hand

Neem je gouden kandelaren

't Vuur dat altijd brandt

Plant je staven in de aarde

Zet je beker aan je mond

Kom dan met je zeven zwaarden

Maak de cirkel weer rond

Maak de cirkel weer rond

 

Geef je paard de sporen

Laat de aarde horen

Dat je komt

Parcifal, prins Parcifal

Elly en Rikkert

                               Het labyrinth, de steen van Sisyphus en de kwelling van Tantalus.

 

 

 

De gehele wereld wordt met allerlei overbodigheden overstelpt, met bezwaren vermoeid en in haar bedoelingen teleurgesteld, zoals tal van voorbeelden aantonen.

 

De mens, naar het beeld Gods geschapen en tot heer over alles gesteld, houdt zich op drieërlei wijze met de dingen bezig. In de eerste plaats onderzoekt hij ze om hun wezen te verstaan. In de tweede plaats bewerkt hij ze om ze op een of andere wijze voor zijn gebruik geschikt te maken. In de derde plaats gebruikt en geniet hij ze tot zijn genoegen. Dit leert ook reeds de scheppingsgeschiedenis. God plantte een hof (Gen. 2:8) en plaatste daarin de mens om die te bewer­ken en te bewaren (Gen. 2: 15) en bracht tot hem allerlei dieren die Hij had geschapen om hun namen te geven (Gen. 2:19). Hieruit vloeit voort dat het geluk van de mens bestaat in het heldere licht van het verstand om het onderscheid tussen de dingen goed te begrijpen, het welslagen van zijn handelingen om een duurzaam werk tot stand te brengen en het onbezorgde genot van het goede des levens tot werkelijke bevrediging en tot rust van de geest.

 

Daartegenover staat drieërlei ongeluk. Ten eerste, het ver­standelijk kennen is niet vrij van begoocheling, dwaling en bedrog. Ten tweede, het handelen is dikwijls weifelend, ver­keerd en onvast. Ten derde, de genieting brengt teleurstellingen en een steeds nieuwe, ondragelijker honger en dorst naar nieuwe voorwerpen van onze begeerte. Deze drie - dwalingen in het denken, fouten in het handelen en zelfbedrog in het verlangen - vergezellen het gehele menselijke geslacht reeds vanaf de eerste mens, onze stamvader, op al zijn wegen. Hij maakte een schandelijk misbruik van zich zelf en het hem ten dienste staande.

 

Dat hebben ook de wijzen van Griekenland niet anders begrepen toen zij, even waar als scherpzinnig, hun filosofische grondstellingen in de vorm van fabels kleedden en hun tijd­genoten van het labyrint, de steen van Sisyphus[1] en de kwelling van Tantalus[2] verhaalden. Opdat deze geschiedenissen ons duidelijk worden en wij eigen lijden beter begrijpen en de geneesmiddelen daartegen des te bereidwilliger aangrijpen, willen wij een ogenblik bij de zinrijke verhalen van het labyrint, Sisyphus en Tantalus stilstaan.

 

De sage van het labyrint verhaalt ons dat de machtige koning van Kreta, Minos, een vrouw van gruwelijke zinnelijkheid, Pasiphaë, tot echtgenote had. Als gevolg van haar omgang met een stier bracht zij een wangedrocht ter wereld, half mens, half stier, de zo geheten Minotaurus, waarvoor de koning bijgestaan door de vindingrijke kunstenaar Daedalus het labyrint liet bouwen. Dit was een samengesteld bouwwerk met ontelbare ingewikkelde gangen, zalen, doorgangen en trappen die naar boven en beneden leidden, zodat een ieder die daar eenmaal binnengekomen was voortdurend moest dwalen en nim­mermeer de uitgang vond. Daarbinnen sloot Minos het wangedrocht, de vrucht van de zonde van zijn vrouw, en liet ook ter dood veroordeelde mis­dadigers daarin brengen opdat zij door het monster verslonden zouden worden of van honger omkomen. Alleen Theseus, de zoon van de koning van Athene, gelukte het te ontkomen omdat Ariadne, de dochter van koning Minos, medelijden met hem had. Zij raadde hem op advies van Daedalus aan een kluwen garen mee te nemen opdat hij niet zou verdwalen.

 

Deze oude sage werd door de mythologen uitgelegd als zou het menselijk leven daarmee bedoeld zijn. Dit is immers zo verward en vol onoverkomelijke moeilijkheden dat geen sterfe­lijk mens, tenzij God hem wijsheid geeft, de kracht bezit daaruit te geraken.

 

Nog duidelijker evenwel wordt de verborgen bedoeling van het verhaal indien wij onder Minos de heerser van het heelal, God, verstaan en onder Pasiphaë Zijn evenbeeld, de mens. Toen de helse stier, Satan, haar tot echtbreuk verleid had, baarde zij het ongure monster, de Minotaurus, de aardse wijs­heid, een voortbrengsel van goddelijk en duivels zaad. Uiterlijk is deze wijsheid schoon gevormd en hemels van aanblik en heeft overeenkomst met de godheid, innerlijk is zij aards en wanstal­tig en vertoont het eigenlijke beeld van Satan. Als God wilden wij zijn, maar in de gestalte van de duivel: aan God gelijk door het bezit van de alwetendheid, maar van de duivel door het verbreken van de gehoorzaamheid.

Om ons te straffen heeft de koning van het heelal het toneel van zijn wijsheid, deze om onzentwille geschapen wereld, voor ons in een labyrint veranderd. Hierin zijn wij allen opgesloten en dwalen er eindeloos rond. Niet alleen het getuigenis van Salomo en andere wijzen, maar ook onze eigen droeve ervarin­gen bewijzen dat dagelijks. Heel de wereld is één groot labyrint dat talloze kleinere omsluit, zodat er niemand is die niet in een of meerdere daarvan heeft gedwaald. Wanneer het ons gegeven was het innerlijk van de mensen te lezen, zouden wij de meest verwarde overdenkingen en fantasieën en de wonderlijkste kronkelwegen van de gedachtegang opmerken. De kennis van alle talen zou ons slechts een eindeloze chaos van de meest verwarde klanken en zegswijzen doen waarnemen. En als wij al de arbeid beschouwden waarmee de mens zich onder de hemel bezighoudt, zouden wij eveneens onbeschrijfelijke afdwalin­gen en doelloze afwijkingen ontdekken. Een warwinkel van bewegingen, nu eens in een kring, dan naar boven of beneden, nu naar rechts, dan weer naar links zich wendend.

 

Als zelfs de wijze en beroemde Salomo, die toch een schitterend heerser was, al zijn werken voor een labyrint hield - hij heeft het dikwijls beleden en er zich smartelijk over beklaagd en zijn nakomelingen hebben het overvloedig ervaren - welk koning, vorst of heer, om te zwijgen van hen die geen ambt bekleden, waagt het te hopen van deze eindeloze dwalingen en verdriete­lijkheden vrij te blijven?

 

En welke inhoud heeft de sage van Sisyphus? Men verhaalt dat Sisyphus wegens zekere vermetele handelingen door de goden veroordeeld werd in de onderwereld een reusachtige steen tegen een berg op te wentelen. Wanneer hij die tot de top had opgewerkt, viel de steen weer naar beneden en met ver­nieuwde kracht moest hij hem opnieuw naar boven wentelen. Wat betekent nu deze geschiedenis?

 

Als wij de namen veranderen is het verhaal op de mens zelf van toepassing. Met de zwaarste arbeid martelen de arme ster­velingen zich voortdurend af en bereiken bijna nimmer hun doel, want het einde van het ene werk is altijd het begin van een nieuwe arbeid. De zon gaat onder om weer op te gaan; het water van de rivieren stort zich voortdurend uit in de zee die schijn­baar het doel is, om daar weer de oorsprong te vinden. Dagelijks legt zich de mens ter ruste, om opstaande de arbeid te hervatten; jaar in, jaar uit, maait de landman de akker af, maar even vaak moet hij het zaad erin strooien. En zo gaat het met alles. Dikwijls meent men dat het werk met goed gevolg bekroond is, maar na een poosje ervaart men dat de vruchten ervan verloren zijn gegaan: hetzij dat een ander het opgebouwde werk heeft vernietigd, hetzij dat men het verbouwt of een geheel nieuw werk sticht omdat het oorspronkelijke niet meer bevalt, hetzij dat het werk vanzelf te gronde gaat, zodat het nodig is een nieuw te bouwen.

 

Hiervan geven de beroemdste werken ter wereld die onder luide bijval werden voltooid en niet lang daarna uiteenvielen een sprekend getuigenis. Waar zijn de vele door grote helden gestichte rijken die naar het scheen op vaste grond waren gebouwd gebleven? Zij zonken in het niet terug en men heeft nauwelijks de herinnering eraan bewaard. Zie, wij zijn allen sisyphusmensen. Al onze werken zijn sisyphusste­nen.

 

Van Tantalus wordt verteld dat hij wegens zijn zwelgerijen of volgens anderen zijn kwaadspreken werd veroordeeld tot eeuwige hongeren dorst, terwijl het smakelijkste ooft boven het hoofd hing en het helderste water hem bijna tot de lippen reikte. Toch kon hij geen van beide bereiken, want vruchten en water onttrokken zich aan zijn mond. Ovidius zegt van hem:

Water zoekt in het water, naar vruchten grijpt die ontvluchten Tantalus, vreselijk gestraft voor zijn toom loze mond.

Dit is een waar beeld van het lot van de mens. Wie het sterkst smacht naar rijkdom, eer, genoegens of andere begeerlijk­heden, lijdt de grootste honger en dorst omdat genietingen en begeerten geen verzadiging kennen. Men eet om te eten, drinkt om weer te drinken. Zoals de schurftlijder onophoudelijk moet krabben, zo kent de wellusteling nooit het einde van zijn wel­lust, zo kan de eergierige het streven naar eer, de rijke het samen schrapen van nieuwe rijkdommen niet nalaten. Want elke begeerte is onverzadigbaar en hongert naar zich zelf. De aarde, die nooit van water verzadigd wordt, en het vuur, dat nooit zegt: het is genoeg! merkt Salomo op in Spreuken 30: 16.

 

Zo gaat het ook de mens bij alles waar zijn verlangen naar uitgaat. Al die wellustelingen, eerzuchtigen en hebzuchtigen, zoveel als de aarde voedt, zijn tot eeuwige honger en dorst veroordeelde Tantalussen. En daar wij allen min of meer met die begeerten te strijden hebben en niemand in dit leven verzadigd wordt, zijn wij arme tantalusmensen.

 

De drie sagen laten zich ook nog op bijzondere wijze toepas­sen. De geschiedenis van het labyrint is als een spiegel van het tegenwoordig leven, de vertelling van de sisyphussteen als een beeld van de dood, de sage van de tantaluskwelling als een weerspiegeling van de toestand die de mens na de dood wacht. Want inderdaad heeft ieder van ons in dit leven zijn labyrint, zijn verschillende zwarigheden, die aanhoudend uit andere zwarigheden voortkomen.

 

Wanneer ik tot de moeilijkheden van dit leven terugkeer, beweer ik dat hij die belangstellend de mens in zijn verschil­lende leeftijden, zijn beide geslachten, standen en rangen be­schouwt, niets dan labyrinten, stenen en teleurgestelde verlan­gens zal ontdekken. Reeds de jongeling heeft immers evenals de grijsaard zijn labyrinten. Man noch vrouw blijft daarvan verschoond. Landbouwers, handwerkslieden, kooplieden en soldaten hebben hun moeilijkheden. Wie heeft ze het gehele leven door niet?

 

Filosofen en anderen die zich aan het zoeken van wijsheid en wetenschap wijden, speuren naar middelen tegen de dwalin­gen van de geest en de bezwaren van het leven. Hoe weinig gevolg echter hun pogingen hebben tonen zowel de klachten die zij voortdurend over zich zelf aanheffen als de eindeloze twisten die aan de gehele wereld bekend zijn. Voor sleuteldraagster van de filosofie, die het menselijk verstand op alle gebieden die het terstond doorkruisen wil voorgaat, wordt de dialectiek gehouden. Zij is zo ijverig beoe­fend en zo hoog geprezen dat men heeft geloofd zonder haar onmogelijk iets grondig te kunnen begrijpen. Alsof zij de Ariadnedraad is die alleen tot de uitgang van alle labyrinten van de dolende geest zou kunnen leiden. Maar wie goed heeft gezien in hoeveel ontelbare kleinigheden die dialectici verwik­keld raken en daarover twisten, moet betuigen dat ook hier slechts van een labyrint sprake is. Wie kan al de labyrinten tellen van de astronomen, de aardrijkskundigen, de geschied- en kroniekschrijvers, die van de geneeskunde, chemie en alchimie. Wie zich met een van deze wetenschappen inlaat begeeft zich terstond in een maalstroom van dwalingen waaruit onmogelijk de weg te vin­den is.

 

Bestaat er dan niets onder de zon, vrij van labyrinten, sisyphusstenen en tantalusontgoochelingen? Tot nu toe niets en op geen enkele plaats. Zo oud als de wereld zijn de drie ziekten die het menselijk geslacht doorlopend vergezellen: de voort­durende dwalingen van het kenvermogen, de eindeloze ver­moeienis van alle krachten en de schier onophoudelijke teleur­stellingen van de begeerten. Steeds tracht het menselijk onge­duld ze te doen ophouden. De menselijke vlijt moet onder Gods bijstand daarnaar streven tot het geneesmiddel wordt gevonden. Want niet vergeefs is de geest - niet alleen die van Salomo, maar van ons allen - de hunkering naar iets beters aangeboren en het voortdurende verlangen uit het labyrint te geraken, de steen te overmannen en ten slotte de vervulling van zijn wensen te zien, een streven, zo krachtig dat slechts de dood het kan laten sterven.

 

Wij moeten het ons aldus voorstellen: als iemand de ge­dachten van alle vrome, verstandige en wijze mensen die van het begin der wereld hebben geleefd opnieuw kon bedenken, hun reden horen, hun geschriften lezen en hun daden overwe­gen kon, zou hij zien dat het slechts pogingen zijn de uitgang te vinden, een taak gelukkig ten einde te brengen om ten slotte rustig te genieten van het gewonnen goed.

Dezelfde pogingen kan men ontdekken bij de grote massa die evenzeer deze drie tracht te verkrijgen. De meerderheid weet alleen niet waarom het bij haar handel en wandel gaat. Niemand wil door het verstand bedrogen of misleid worden, of vruchte­loos de krachten inspannen en in de hartenwensen worden teleur­gesteld. En toch doet men spoedig de ervaring op dat men met het verstand bedrogen is uitgekomen, de krachten vergeefs heeft ingespannen en de vervulling van de wensen niet heeft bereikt. Niettemin wensen allen steeds opnieuw dat hun ver­stand hen niet doet dwalen, dat zij rust na arbeid mogen vinden en hun wensen vervuld mogen worden.

 

Wanneer evenwel ons, sterfelijken, het verlangen naar iets beters is aangeboren en evenzeer het voortdurende streven het te bereiken, waarom zouden wij dan de hoop verliezen eens deze begeerte vervuld te zien? Wanneer God en de natuur niets vergeefs doen - daartoe zijn de filosofen door hun be­schouwingen gekomen en hebben dit als een onomstotelijk axioma vastgesteld - waarom zou het God dan behaagd heb­ben in het mensenhart dergelijke diep gewortelde begeerten te planten, als Hij niet wilde dat die eens vervuld zouden worden? Uit deze gedachte zou noodzakelijk voortvloeien dat God óf ons verlangen en het doel ervan niet zou verstaan óf dat het Hem aan de macht, wijsheid of wil ontbreekt ons tot dat doel te voeren. Doch dit is ondenkbaar als wij aan God niet zijn majesteit, almacht, alwetendheid en volkomen goedheid ontzeggen wil­len. Of willen wij de onsterfelijke God onthouden wat wij een sterfelijk mens toeschrijven?

 

Als Daedalus, de kundige bouwmeester, een middel wist en dat ook wilde en kon aangeven om niet in de doolhof te ver­dwalen en daarmee naar beide zijden een proef van zijn be­kwaamheid aflegde, hoe zou God dan niet een heerlijk voor­beeld van Zijn eeuwige wijsheid kunnen en willen geven door ons aan onze eindeloze dwalingen te ontrukken? Daedalus viel het licht Theseus zo'n eenvoudig middel, een draad, in de hand te geven. Hoe zou het dan God niet licht zijn de mens die Hij eenvoudig en oprecht geschapen heeft, maar die moedwillig in een labyrint van dwalingen hopeloos verward raakte, zowel een machtige drang te geven als de rechte weg te wijzen terug te keren tot de staat van rechtheid en eenvoud die hem bij de schepping gegeven waren? Een weg waarop, naar ik geloof, een ieder mens die hem goed kent en bewandelt even snel als Theseus aan de eeuwigdurende dwalingen kan ontkomen.

 

God heeft nimmer opgehouden het menselijk geslacht deze hoop door de plechtigste, in de loop der eeuwen zich steeds herhalende beloften in te prenten. Hoe meer wij geloven dat het einde der tijden en de vervulling van alle beloften nadert, des te meer past het ons het hoofd op te heffen en uit te zien naar de verlossing uit onze labyrinten door allerlei draden van Ariadne.

 

 

 Uit: Unum Necessarium – J.A.Comenius



[1] Korinthe, de grote handelsstad aan de smalle landengte tussen Midden-Griekenland en de Peloponnesos, werd gesticht door Sisy­phus, een zeer listig man. Als onverschrokken zeeman steeds op winst bedacht, wist hij door sluwheid en bedrog onmetelijke rijk­dommen te verwerven. Zijn hebzucht verleidde hem zelfs tot verraad jegens de goden. Toen zond Zeus de Dood, om hem naar de onder­wereld te brengen. Maar de sluwerd was niet licht te vangen. Hij bemerkte de nadering van de Dood, wist hem door slimheid in zijn macht te krijgen en bond hem met sterke banden. Een tijdlang stierf er toen niemand op aarde. Eindelijk verscheen echter de krijgsgod Ares, bevrijdde de Dood en leverde Sisyphus aan hem over. Maar vóór hij naar de onderwereld ging, droeg hij zijn vrouw op de gebruikelijke dodenoffers voor hem niet te brengen. Toen nu Hades zich erover beklaagde. dat hij de gewone geschenken niet ontving, wist hij verlof te krijgen om zijn vrouw op dat verzuim opmerkzaam te maken. Eenmaal boven. Toonde hij niet veel lust naar het schimmenrijk terug te keren. Hij bleef dus op aarde; tot Hermes verscheen en hem voorgoed naar de onderwereld overbracht. Daar werd hem als straf opgelegd een zwaar rotsblok tegen een berg op te wentelen. Telkens als hij bijna boven is, ontsnapt hem de steen en altijd weer opnieuw, in eindeloze afmatting, moet hij zijn vergeefse arbeid beginnen.

 

[2] Niemand stond zo hoog aangeschreven in de gunst der goden als Tantalus, die als koning van Phrygië. volgens anderen van Lydië, in Klein-Azië regeerde bij de berg Sipylos. Hij was een zoon van Zeus. Soms brachten de goden hem een bezoek in zijn prachtige koningsburcht en werden zij rijk onthaald aan zijn gastvrije tafel. Het gebeurde ook wel, dat Tantalus op de Olympus werd genodigd en daar deelnam aan de godenfeesten; bij die gelegenheid hoorde hij alles, wat de goden onder elkaar bespraken. Maar een zó groot geluk was Tantalus te machtig: hij werd over­moedig, en zijn overmoed verleidde hem tot slechte dingen. De gesprekken der goden, zelfs de geheimen, die zij hem hadden toever­trouwd, verried hij aan de mensen. Hij nam nectar en ambrozijn van de godentafel weg en gaf het de aardbewoners te proeven. En toen Zeus hem toestond een bewijs van zijn welwillendheid te vragen, sloeg de trotse vorst, die zijn lot gelijk achtte aan dat der goden, en die meende. dat er voor hem niets meer te wensen over was, dat aan­bod af.

Toen eens de goden weer bij hem te gast waren, besloot hij hun alwetendheid op de proef te stellen. Hij doodde zijn zoon Pelops en zette diens vlees aan de goden voor. Maar de onsterfelijken weigerden de afschuwelijke schotel: alleen Demeter was nog zó vervuld van de schaking van haar dochter Persephone door de god van de onder­wereld, dat zij, in gedachten, in de schouder van het knaapje beet. Het spreekt vanzelf, dat de jonge Pelops zijn oude gedaante van de goden terugkreeg; maar uit zijn schouder miste een stuk, dat met ivoor werd aangevuld. Alle nakomelingen van Pelops waren sindsdien kenbaar aan een witte plek op de ene schouder.

Tantalus werd voor zijn overmoed vreselijk gestraft: te midden van Homerus, overvloed zou hij eeuwigdurend gebrek lijden. Hij werd naar de onderwereld verbannen. Tot aan zijn kin toe staat hij daar in een meer en lijdt toch dorst, want hij kan met zijn mond het water, dat om zijn lippen speelt. niet bereiken. Zo dikwijls hij zich bukt om een teug te nemen, wijkt het terug en loopt weg tot op de grond. Bij die dorst komt nog een ondraaglijke honger. Wel buigen van de naaste oever af bomen hun met kostelijke vruchten beladen takken boven zijn hoofd neer; maar zodra de hongerlijder een hand uitstrekt om de vruchten te plukken, giert plotseling een stormvlaag door de takken en zweept ze hoog op in de lucht. Eindelijk foltert hem ook nog vreselijke angst: want boven zijn hoofd hangt een reusachtig rotsblok, dat elk ogenblik naar beneden kan storten en hem door zijn val ver­pletteren.

 

 

De Mythe van Er - over het leven na de dood

 

 

 

Sokrates spreekt, Glaukoon luistert en reageert.

 

 - Dat zijn dus de prijzen, beloningen en geschenken die een rechtvaardig mens bij zijn leven ontvangt van goden en mensen, naast de zegeningen die de rechtvaardigheid zelf hem brengt, zei ik.

- Ze zijn werkelijk prachtig en waardevol, zei hij.

- Maar toch stelt dit alles nog niets voor vergeleken bij wat de rechtvaardige en de onrechtvaardige mens na de dood te wachten staat, zei ik. Dat verhaal moet ge nog vernemen, want alleen dan zullen beiden het volle deel krijgen van wat wij hun in onze discussie nog verschuldigd zijn.

- Vertel maar, zei hij. Ik wil niets liever horen.

- Ik zal u geen uitvoerig verhaal vertellen zoals aan Alkinoos werd verteld, zei ik, maar het verhaal van een dapper man, Er genaamd, de zoon van Armenios en een Pamphyliër van geboorte. Hij was gesneuveld in een oorlog, en toen men de lijken, die reeds tot ontbinding waren overgegaan, na tien dagen wegdroeg, werd hij - nog ongeschonden - naar huis gebracht om te worden begraven. Op de twaalfde dag, toen hij reeds op de brandstapel lag, kwam hij weer tot leven, waarna hij vertelde wat hij in de onderwereld had gezien.

 

Toen hij de geest gegeven had, zo vertelde hij, ging hij met vele anderen op reis en kwam tenslotte in een wonderlijke landstreek terecht, waar naast elkaar twee spleten in de aarde te zien waren, en recht boven iedere spleet in de aarde een spleet in de hemel. Daar tussenin zaten rechters, die na het vellen van een vonnis de rechtvaardigen de rechterkant opstuurden, omhoog door de hemel heen. Dezen werden eerst nog van voren behangen met het teken van hun vonnis. De onrechtvaardigen stuurden ze naar links, naar beneden. Ook zij droegen een teken van alles wat ze gedaan hadden, maar nu aan de achterkant.

 

Toen hij zelf bij de rechters kwam, zeiden ze dat hij de mensheid moest gaan vertellen wat er aan gene zijde gebeurde. Ze spoorden hem aan zijn ogen en oren goed open te houden bij alles wat zich ter plaatse afspeelde. Hij zag daar door de spleten aan de ene kant mensen vertrekken naar de hemel of naar de aarde, volgens het oordeel dat was geveld. Aan de andere kant zag hij door de ene spleet mensen uit de aarde omhoog komen die waren overdekt door vuil en stof, en door de andere spleet erboven zag hij gelouterde mensen afdalen uit de hemel. Steeds kwamen er mensen aan, en het leek of ze een lange tocht achter de rug hadden. Ze betraden verheugd de weide om zich daar een plaats te zoeken, alsof er een feestelijke bijeenkomst was. Bekenden begroetten elkaar. Kwamen ze uit de aarde, dan informeerden ze bij anderen hoe het boven was, en als ze uit de hemel kwamen, wilden ze weten hoe het beneden toeging. Zij vertelden elkaar hun belevenissen, sommigen jammerend en huilend, omdat ze zich de vele verschrikkingen herinnerden, die ze hadden ondergaan en gezien op hun tocht onder de aarde, een tocht die duizend jaar had geduurd. De anderen, die uit de hemel kwamen, maakten gewag van gelukservaringen en visioenen van een schoonheid die iedere beschrijving te boven gaat.

 

Het zou te veel tijd kosten om alle verhalen te vertellen, Glaukoon, maar Er zei er het volgende van. Voor al het onrecht dat ze ooit anderen hadden aangedaan, kregen zij op hun beurt de straf tienvoudig uitgemeten. De maat hiervoor was een periode van honderd jaar voor ieder mens, wat beschouwd wordt als de duur van een mensenleven, zodat het boeten voor de misdaad tienmaal zo lang duurt. Wanneer iemand bijvoorbeeld betrokken is bij de dood van vele mensen, of zijn vaderland of leger verraadt waardoor zijn medeburgers en strijdmakkers tot slaaf werden gemaakt, of betrokken is bij ander onrecht, dan zal hij voor iedere misdaad een tienvoudig lijden terugkrijgen. Wanneer anderzijds iemand een weldoener is en als rechtvaardig en heilig mens leeft, dan zal hij een beloning ontvangen die daarmee in overeenstemming is. Over kinderen die vlak na hun geboorte sterven zei hij weer andere dingen die nu niet terzake doen. Ten aanzien van vroomheid sprak hij van nog grotere beloningen, en op gebrek aan eerbied voor goden en ouders en op eigenhandig gepleegde moord stonden volgens hem nog strengere straffen.

 

Eens vroeg iemand in het bijzijn van Er: waar is Ardiaios, de Grote? Deze Ardiaios was dictator geweest in een van de steden van Pamphylië, precies duizend jaar geleden, en hij had zowel zijn oude vader als zijn oudere broer vermoord, naar men zei, en nog vele andere gruwelen bedreven. Hij is nog niet teruggekeerd, was het antwoord van Er, en het is niet waarschijnlijk dat hij ooit terug zal komen. Zijn aanblik was werkelijk een van de verschrikkelijkste schouwspelen die we te zien hebben gekregen. Toen we dicht bij de mond van de spleet waren en op het punt stonden naar boven te gaan, na al deze kwellingen te hebben gezien, kregen we plotseling Ardiaios in het oog met een aantal anderen, van wie de meesten, denk ik, ook tirannen waren geweest. Maar er waren ook gewone burgers bij die zeer grote misdaden hadden gepleegd. Zij dachten dat ze eindelijk omhoog konden, maar de spleet nam hen niet op en stootte een gebrul uit, telkens wanneer een van de misdadigers of iemand die niet voldoende had geboet, naar boven probeerde te komen. Er stonden daar mannen, vertelde hij, woest en vurig om te zien, die op het horen van het gebrul de mensen vastgrepen en wegvoerden. Ardiaios en die anderen bonden ze de handen, de voeten en het hoofd vast. Ze smeten hen op de grond en ranselden hen af. Vervolgens sleepten ze hen door het struikgewas langs de kant van de weg, waar de doornen hen openreten. Daarbij vertelden ze aan ieder die voorbij kwam waarom deze mensen zo werden behandeld, en zeiden dat ze op weg waren om hen in de Tartaros te gooien. De mensen stonden daarginds duizend en één angsten uit, zei Er, maar de ergste angst voor iedereen was wel om het gebrul van de spleet te horen wanneer er iemand naar boven wilde gaan. En heel groot was de opluchting als het stil bleef zodat er iemand kon opstijgen.

 

Dat waren zo ongeveer de straffen en vergeldingen, en de beloningen zagen er precies tegengesteld uit. Nadat een groep mensen zeven dagen lang in de weide had vertoefd, moesten ze zich de achtste dag opmaken om verder te reizen. Na vier dagen kwamen ze op een plaats vanwaar ze een rechte baan licht zagen, als een zuil, die van boven af de hele hemel en aarde doorsneed. Het leek nog het meeste op een regenboog, maar was helderder en zuiverder. Na nog een dag reizen bereikten ze dat licht en middenin dat licht zagen ze de uiteinden van lichtkoorden die uit de hemel naar beneden waren gespannen. Dit licht is het verband van de hemel, want net zoals bij bepaalde schepen een gordel van touwen het verband geeft, zo houdt dit licht de hele kringloop van het universum bijeen. Tussen de uiteinden van de lichtkoorden is de spinspoel gespannen van Anangke, de godin van het onvermijdelijke, die alle kringlopen veroorzaakt. De stang en de haak voor het spinnen zijn gemaakt van staal, en de wervel van de spinspoel bestaat uit een legering van dit staal met andere metalen. De vorm van deze wervel lijkt op die van een wervel aan de spinspoel, maar uit de beschrijving van Er moeten we opmaken dat er in één grote holle en uitgediepte wervel nog net zo één besloten ligt die wat kleiner is en er precies in past, zoals schalen in elkaar passen.

 

Op dezelfde manier passen daarin weer een derde wervel en een vierde, en nog vier andere. Zo zijn er in totaal acht wervels, de één binnen de ander, en om de rand van iedere wervel is een ring bevestigd. Bij elkaar vormen ze de rug van één wervel, rondom een stang die dwars door het midden van de achtste wervel is gedreven. De eerste wervel, die het meest aan de buitenkant ligt, heeft de breedste ring. De zesde wervel heeft op één na de breedste ring. De ring van de vierde wervel is de derde in breedte, die van de achtste de vierde, die van de zevende de vijfde, die van de vijfde de zesde, die van de derde de zevende en die van de tweede de achtste. De ring van de grootste wervel is veelkleurig, die van de zevende is het helderst en die van de achtste krijgt zijn kleur van de zevende, die hem verlicht. De kleuren van de tweede en de vijfde lijken op elkaar, en ze zijn geler dan de eerstgenoemde twee. De derde is het witst van kleur, de vierde enigszins rood, en de zesde heeft na de derde de meest witte kleur. De draaiende spinspoel wentelt rond in een bepaalde richting, maar binnen het rondwentelende geheel draaien de zeven binnenste ringen langzaam in de tegenovergestelde richting. Van die zeven ringen draait die van de achtste wervel het snelst, daarop volgen die van de zevende, de zesde en vijfde wervel, die even snel gaan. De mensen kregen de indruk dat de ring van de vierde wervel heen en weer beweegt met de op twee na grootste snelheid, terwijl de ring van de derde wervel de op drie na grootste, en die van de tweede de op vier na grootste snelheid heeft. De spoel zelf draait rond op de schoot van Anangke. Boven op de rand van iedere ring zit een Sirene die meedraait en één klank op één toon laat klinken. Alle acht tonen samen klinken als één enkele toonladder. Rondom Anangke zitten nog drie andere godinnen op gelijke afstanden van elkaar, ieder op een eigen troon. Het zijn de Moiren of Schikgodinnen, dochters van Anangke. Ze zijn in het wit gekleed en dragen een hoofdband. Deze Schikgodinnen, Lachesis, Klotho en Atropos, zingen in harmonie met de Sirenen. Lachesis bezingt het verleden, Klotho het heden en Atropos de toekomst. Klotho helpt van tijd tot tijd de buitenste wervel van de spinspoel ronddraaien door met de linkerhand een duwtje te geven. Atropos helpt met haar linkerhand de binnenste wervels, en Lachesis helpt alle wervels, nu eens met haar rechterhand, dan weer met haar linker.

 

Toen Er en de andere mensen daar waren aangekomen, moesten ze onmiddellijk naar Lachesis gaan. Maar eerst stelde een heraut hen ordelijk op, nam uit de schoot van Lachesis loten en levenspatronen, besteeg een hoog spreekgestoelte en sprak: ‘Luister naar het woord van Lachesis, de maagdelijke dochter van Anangke. Onbestendige mensen, ge staat aan het begin van een nieuwe cirkelgang als sterveling, waar geboorte voert tot de dood. Geen godheid zal voor u het lot werpen, maar ge zult zelf uw eigen godheid kiezen. Laat degene aan wie het eerste lot toevalt, het eerste zijn leven kiezen. Hieraan zal hij dan onvermijdelijk zijn gebonden. Het goede is niet gebonden, en ieder zal er meer of minder deel aan hebben, naarmate hij het goede eert. De verantwoordelijkheid ligt bij degene die de keuze maakt. God Zelf staat erbuiten.’

 

Na deze woorden wierp de heraut de loten over allen uit en ieder raapte het lot op dat naast hem was neergevallen, behalve Er zelf, want hij mocht niet. Nu was het voor ieder die een lot had opgeraapt duidelijk welk nummer hij had. Daarna spreidde de heraut de levenspatronen voor hen uit op de grond, veel meer dan er mensen waren. Het waren levens van allerlei soort: van dieren en van mensen. Er waren levens bij van tirannen van wie sommigen tot het einde toe tiran bleven, maar ook van tirannen die tijdens hun leven ten val kwamen en eindigden in armoede en ballingschap, waarbij ze tot de bedelstaf geraakten. Er waren levens bij van mensen die beroemd waren om hun gestalte, hun schoonheid, hun lichaamskracht en hun succes bij wedstrijden, of om hun edele geboorte en de voortreffelijke eigenschappen van hun voorouders. Ook waren er levens bij van mensen met een slechte reputatie. Dit alles gold zowel voor vrouwen als voor mannen. De eigenschappen van de mens waren echter niet bij het levenspatroon inbegrepen, omdat de keuze van een ander leven noodzakelijkerwijs een ander soort mens met zich meebrengt. De overige omstandigheden waren wel vermengd met elkaar en hielden verband met rijkdom en armoede, met ziekte en gezondheid, waarbij ze soms het midden hielden tussen deze uitersten.

 

Daarin, mijn beste Glaukoon, schuilt blijkbaar het grootste gevaar voor de mens. En dat is de reden waarom ieder van ons alles op alles moet zetten, met verwaarlozing van andere vormen van wetenschap, om naar een bepaalde kennis op zoek te gaan en zich deze eigen te maken. De mens moet weten hoe hij iemand kan vinden en herkennen, die hem de bekwaamheid en ervaring kan bijbrengen om een nuttig leven van een nutteloos leven te onderscheiden, zodat hij altijd en overal uit alle mogelijkheden de juiste kiest. Hij zal zich bovendien bij alle omstandigheden die we tot nu toe hebben besproken, moeten afvragen wat voor invloed ze hebben op een vruchtbaar leven, zowel in combinatie als afzonderlijk. Zo kan hij weten of schoonheid vermengd met armoede of rijkdom bij een bepaalde karakterstructuur een goede of slechte uitwerking heeft. Dan kent hij ook de uitwerking van een edele of nederige afkomst, van het leven als gewoon burger of als ambtsdrager, van kracht of zwakheid, van een snel of traag bevattingsvermogen, en van alle andere aangeboren of verworven eigenschappen van de mens in hun onderlinge combinatie. Hierdoor zal hij, de aard van de mens indachtig, in staat zijn uit al deze mogelijkheden een redelijke keuze te maken en een beter van een slechter levenspatroon te onderscheiden. Slecht noemt hij dan een leven dat de mens onrechtvaardiger maakt, goed een leven dat de mens rechtvaardiger maakt. Andere criteria laat hij niet meetellen. We hebben immers gezien dat zo de beste keus wordt gemaakt, zowel tijdens het leven als daarna. Met deze rotsvaste overtuiging moet de mens naar het huis van Hades gaan, zodat hij zich ook daar niet van zijn stuk laat brengen door rijkdom en andere verleidingen, en zich niet tot de rol van een tiran of iets dergelijks laat verleiden, waardoor hij veel onherstelbaar leed aanricht en zelf nog meer leed ondergaat. Hij moet altijd het leven van het juiste midden kiezen en de uitersten naar beide kanten zoveel mogelijk vermijden, zowel in het leven dat hij nu leidt als in toekomstige levens. Want zo bereikt de mens het hoogste geluk!

 

Verder vertelde Er dat de heraut nog het volgende zei: ‘Zelfs voor degene die het laatst aan de beurt is, ligt, als hij met verstand kiest en zijn leven ernstig opvat, een goed en vreugdevol leven klaar. Wie het eerst kiest, moet zich hoeden voor lichtzinnigheid, en wie het laatst kiest, voor moedeloosheid.’ Er ging voort: ‘Nadat de heraut zo gesproken had, snelde degene die het eerst aan de beurt was, terstond op de levenspatronen toe om de ergste tirannie te grijpen. In zijn onbezonnenheid en hebzucht koos hij dat leven zonder het voldoende te hebben onderzocht, waardoor het hem ontging dat het lot aan dit leven het opeten van zijn eigen kinderen en nog andere gruwelen had verbonden. Maar toen hij het op zijn gemak bekeek, sloeg hij zich jammerend op de borst en betreurde zijn keuze waarmee hij de waarschuwingen van de heraut in de wind had geslagen. Toch gaf hij niet zichzelf de schuld van het onheil, maar het lot en de goden: hij zocht de schuld overal liever dan bij zichzelf. Hij was een van de mensen die uit de hemel waren gekomen. Hij had in zijn vorige bestaan in een goed geordende samenleving geleefd en was deugdzaam geweest uit gewoonte in plaats van uit liefde voor wijsheid.

 

Men kan dan ook zeggen dat het grootste deel van de mensen die uit de hemel waren gekomen zich op deze manier liet misleiden, omdat ze ongeoefend waren in de beproevingen van het leven. Maar de meeste mensen die van onder de aarde waren gekomen en zelf vele beproevingen hadden doorstaan en om zich heen hadden gezien, maakten hun keuze niet overhaast. Hierdoor vond er meestal een verwisseling van goede en slechte omstandigheden plaats, mede door de wisselende kansen van het lot. Maar toch, als een mens telkens wanneer hij terugkeert naar het leven hier op aarde, altijd oprecht de wijsheid liefheeft en het lot hem niet als een van de laatste kiezers aanwijst, dan is hij zeer waarschijnlijk - zoals we uit de berichten mogen opmaken - niet alleen hier op aarde gelukkig, maar gaat ook zijn reis van hier naar gindse wereld en weer terug niet over een ruw pad onder de aarde, maar over een effen pad door de hemel. Het is de moeite waard het schouwspel te zien hoe ieder mens zijn eigen leven kiest’, zei Er.

 

Het was deerniswekkend om te zien, maar ook lachwekkend en verbazend dat de keuze voor het merendeel werd bepaald door gewoonten uit vorige levens. Hij zag degene die eens Orpheus was het leven van een zwaan kiezen uit haat tegen het vrouwelijk geslacht, want aangezien hij door vrouwen de dood had gevonden, wilde hij niet in een vrouw verwekt en geboren worden. Thamyras zag hij het leven van een nachtegaal kiezen, en een zwaan koos het leven van een mens, net als andere dieren die dicht bij de Muzen staan. Degene die het twintigste lot trok, koos het leven van een leeuw. Het was Ajax, de zoon van Telamoon, en hij vermeed het om als mens te worden geboren, omdat hij zich de toewijzing van de wapenrusting van Achilles herinnerde. De daarop volgende, Agamemnon, verruilde zijn leven voor dat van een adelaar, eveneens uit afkeer van het menselijk geslacht dat hem zo had doen lijden. Atlante had een van de middelste loten getrokken. Toen ze de grote eerbewijzen voor zich zag die een atleet te beurt vallen, kon ze daaraan geen weerstand bieden en ze nam dat leven. Daarna zag Er hoe Epeios, zoon van Panopeus, de aard aannam van een vrouw die bedreven is in schone kunsten. Helemaal achteraan, als een der laatsten, zag hij Thersitas, de komediant, die de gedaante van een aap aannam. En het kwam zo uit dat Odysseus het laatst van allemaal aan de beurt was om te kiezen. Door de herinnering aan vroegere beproevingen had hij zijn eerzucht laten vallen en zocht lange tijd naar het leven van een gewoon ambteloos burger. Met moeite vond hij het ergens op de grond, versmaad door alle anderen. En toen hij het zag, zei hij dat hij hetzelfde zou hebben gekozen als hij het eerste lot getrokken had, en hij koos het met blijdschap. Niet alleen veranderden dieren in mensen, ze veranderden ook in elkaar. Onrechtvaardige mensen veranderden in wilde dieren, en rechtvaardige in tamme, in allerlei combinaties.

 

Toen nu iedereen het volgende leven had gekozen, gingen ze in de volgorde waarin ze hun lot hadden getrokken naar Lachesis. Deze gaf aan ieder de godheid mee die hij had getrokken als bewaker voor zijn leven en als vervuller van zijn keuze. De godheid bracht het levende wezen eerst naar Klotho, vlak onder de hand waarmee ze de draaiing van de spinspoel gaande hield, om zo het gekozen levenslot te bevestigen. Vervolgens bracht de godheid het levende wezen naar de spinnende Atropos, en ze zorgde er zo voor dat de gesponnen draden niet meer waren terug te winden. Vandaar ging het levende wezen zonder zich om te keren langs de troon van Anangke. Toen het daar voorbij was, en ook de anderen daarlangs waren gekomen, trokken ze gezamenlijk naar de vlakte van Lethe (vergetelheid) door een verzengende en verstikkende hitte, want er stonden nergens bomen en er groeide niets.

 

De zon ging al onder toen ze hun kamp opsloegen bij de rivier de Lethe, waarvan het water door geen enkel vat kon worden vastgehouden. Ze moesten allemaal een bepaalde hoeveelheid van het water drinken, maar sommigen die daarvoor niet door hun gezonde verstand werden behoed, dronken meer dan de toegemeten maat. En steeds als er iemand dronk, vergat hij alles. Toen ze in slaap waren gevallen en het middernacht was geworden, klonk er een donderslag en schokte de aarde. Plotseling werden ze vandaar in alle richtingen weggevoerd naar boven, hun geboorte tegemoet, net als verschietende sterren. Er zelf mocht niet van het water drinken. Langs welke weg en hoe hij in zijn lichaam terugkeerde, wist hij niet, maar plotseling opende hij de ogen en zag zichzelf bij het aanbreken van de dag op de brandstapel liggen.

 

En zo, Glaukoon, is dit verhaal bewaard gebleven. Het kan ons redden als we erin geloven. Dan zullen we de rivier de Lethe veilig oversteken en onszelf onbezoedeld bewaren.

 

Indien we vertrouwen hebben in wat ik zeg, beschouwen we de mens als onsterfelijk, en achten wij hem in staat alle goed en kwaad te verdragen. Wij zullen steeds de weg omhoog aanhouden en altijd en overal op intelligente wijze rechtvaardigheid betrachten. Zo zullen we bij onszelf en bij de goden bemind zijn, niet alleen hier op aarde, maar ook wanneer we onze beloning ontvangen, zoals de overwinnaars in een wedstrijd op hun ereronde geschenken in ontvangst nemen. Zo zal het ons hier en op de duizendjarige tocht, waarover we spraken, goed vergaan.

 

 

 

Uit: Platoon Verzameld Werk - deel 10 - Politeia
Gevonden bij http://www.arsfloreat.nl/ 

 

 

                             

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL

 

<