Gnosis - Inzichten II

Inzichten deel I

De scheppingskracht van het denken - Ken uzelve: 12 aeonen - Gustav Meyrink - Zalig de armen -

DE SCHEPPINGSKRACHT VAN HET DENKEN

 

In het oude Lemurië, toen het Ego voor het eerst zijn voertuigen in bezit nam, bestonden er nog geen hersenen of strottenhoofd. De scheppingskracht stond volledig in dienst van de voortplanting. Om dit te verbeteren, werd de helft van de scheppingskracht naar boven geleid. Zij moest organen bouwen om het denken mogelijk te maken, en de inhoud ervan aan anderen mee te delen. Denken en spreken zijn dus scheppende krachten, want zij zijn afgeleid uit scheppende kracht. Daaruit kunnen wij besluiten dat het sparen van de scheppingskracht, leidt tot een scherper denkvermogen en tot hersenen die beter zijn uitgerust dan bij wie de scheppende kracht uitputten. Toch moeten wij haar gebruiken, hetzij voor lichamelijke, hetzij voor geestelijke arbeid of omzetten in dienst van de mensheid, anders kunnen ongevallen gebeuren, of ziekte, geestelijke, nerveuze of emotionele klachten optreden.

 

Het denken is een veelzijdig proces. Naast fysische hersenen zijn er ook etherische bij betrokken, en het begeertelichaam en het mentaal lichaam. Als Ego's werken wij direct in de vluchtige stof van de Abstracte Denksfeer die wij in onze aura hebben opgenomen. Van daaruit ervaren wij de buitenwereld, doorheen onze keten van voertuigen en onze zintuiglijke vermogens. Wij halen een besluit uit de beelden die wij opbouwen bij het bekijken van de dingen. Dit besluit is een idee. Door onze wilskracht projecteren wij die idee doorheen het denkvermogen, waarna zij een concrete gedachte wordt, en rondom zich stof aantrekt van de Concrete Denksfeer.

 

Deze denkvorm bekleedt zich vervolgens meestal met begeertestof uit het begeertelichaam, waardoor haar kracht wordt opgedreven. Zij kan dan inwerken op de etherische hersenen die op hun beurt de fysische hersenen in werking stellen en de zenuwen de nodige levenskracht laten aanvoeren om de willekeurige spieren in actie te brengen. Denken is dus de bron van elke menselijke daad. Angst en zorgen in ons denken, hinderen het begeertelichaam bij de ontwikkeling van de ziel. De zorgen belemmeren de stromen van de begeertecentra vrij te circuleren in lange gebogen lijnen, zoals dat normaal het geval is. Zij gaan dan vele kleine draaikolken bevatten, en in sommige ernstige gevallen is er niets anders.

 

Deze toestand is vaak niet meer te corrigeren. De betrokkene kan dan niet meer worden geholpen, en is gedoemd te blijven lopen in de staat van kommer en kwel waarin hij zich heeft gestort. Dit kan worden vergeleken met water dat bevriest. Angst, in de vorm van twijfel, cynisme of pessimisme, lijkt hierop, want het begeertelichaam van mensen die deze gedachten voeden is haast dood, en het is, voor wie dan ook, onmogelijk dit te verhelpen.

 

Telkens wij zo een gedachte vorm laten nemen, draagt zij bij tot het bevriezen van de begeertestof, en helpt bij de opbouw van een staalblauwe schelp, waarin degene die gewoonlijk de gedachten van angst en zorgen onderhoudt, zich op zeker ogenblik zal opgesloten weten, en zo ook uitgesloten van de liefde, de sympathie en de hulp van de hele wereld. Zelfs in de moeilijkste omstandigheden, is het dus erg belangrijk ons te blijven inspannen om blij en optimistisch te zijn, anders zullen wij onszelf, zowel hier beneden als daarboven, in een erg benarde situatie bevinden.

 

Het onderbewuste denkvermogen is een belangrijk gegeven in de ontwikkeling van de mens. Telkens wij inademen, voert de lucht die onze longen binnenkomt, een nauwkeurig beeld aan van alles wat ons omringt. Het kleinste gevoel, de geringste gedachte of aandoening wordt aan de longen doorgegeven, die het doorsturen naar het bloed. Het bloed is de hoogste verwezenlijking van het levenslichaam ; de beelden die het bevat, worden afgedrukt op de negatieve atomen van het levenslichaam ; zij beslissen over het menselijk lot, in de toestand die de dood onmiddellijk volgt.

 

Zodra iemand, opbouwend of afbrekend, een denkvorm aanmaakt, en die de wereld instuurt, zal deze naar zijn schepper terugkeren, nadat zijn opdracht is voltooid, of zijn energie vruchteloos uitgeput ; maar de sporen van de reis blijven onuitwisbaar aanwezig. Het slagen of het mislukken wordt vastgelegd op de negatieve atomen van de weerspiegelende ether, waar het deel van het levens- en handelsarchief wordt gevormd van de denker, waarover deze in de toekomst rekenschap zal moeten afleggen.

 

Het denken vernietigt het weefsel van het fysisch lichaam en de wetenschap kent maar al te goed de vernietigende werking van gedachten van angst, woede, sensualiteit. Zij breken de weerstand van het lichaam, en openen de poort voor ziekte. Mensen met een joviaal karakter, of religieuze overtuiging, geloof en vertrouwen in de Goddelijke voorzienigheid, scheppen niet zo vaak negatieve gedachten. Hun levenskracht is bijgevolg groter en hun gezondheid beter dan bij diegenen die zich kwellen. ONZE LIEFDE, GOEDHEID, EN VRIENDELIJKHEID, WEKT WIJ BIJ ANDEREN GELIJKAARDIGE GEVOELENS, EN WIJ OMRINGEN ONS MET MENSEN DIE DEZE KWALITEITEN BEZITTEN. Dit subtiele, krachtige denken, kan ook worden gebruikt voor het genezen van zieken. Bovendien verheft het abstracte denken de mens boven de materiële wereld, en brengt hem in contact met God.

 

Als wij enkel optimistisch, positief, vriendelijk en hulpvaardig denken, dan zal ook onze omgeving deze deugden weerspiegelen. En vermits onze lichamen worden opgebouwd door het denken, en de uitdrukking zijn van onze mentaliteit, zullen goede gedachten gunstig inwerken op ons fysisch lichaam en onze omgeving, en wij zullen genieten van een algemeen welzijn en een goede gezondheid. Dit toont ons de scheppingskracht aan van het denken. Het is nog een bewijs voor het woord van Christus : "ZOEK EERST HET KONINKRIJK EN ZIJN GERECHTIGHEID : DAN ZAL... ALLES U ERBIJ GEGEVEN WORDEN" (Mattheüs 6,33)

Bron

“Ken Uzelve”

 

Pistis Sophia - Schilderij Johfra

 

Hymne op de levende ziel:

 

"Ik stam van het Licht en van de Goden, 

en ben een dolende geworden, van U gescheiden.

De vijanden overvielen mij en voerden mij naar de doden.

Gezegend degene die mij en mijn ziel uit de nood verlost.

Ik ben een god, uit Goden geboren, 

een glanzend, fonkelend, geurend en schoon wezen.

Maar nu ben ik in ellende gevallen.

Talloze duivels grepen mij aan, afschuwelijke wezens,

 die mij onmachtig maakten en veel smart en dood ervoer ik door hen.

Maar van het Licht en van de Goden stam ik af".

 

 

'Ken uzelve' was de spreuk die boven het orakel van Delphi prijkte ten tijde van Socrates. De ons door Hermes voorgehouden gevleugelde uitspraak: ‘Zo boven, zo beneden en zo binnen, zo buiten’, moet ons ervan bewust maken dat zelfkennis noodzakelijkerwijze ook moet leiden tot Kennis (Gnosis) van het Al.


Eén van de gnostische geschriften, het Evangelie van de Pistis Sophia, is in symbolische taal, een duidelijke handleiding voor de in de materie gevallen ziel om tot zelfkennis te komen en op die manier, stap voor stap, de 12 hindernissen te overwinnen die de weg naar Huis blokkeren. Deze hindernissen of blokkades hebben zich in de loop van vele incarnaties vastgezet in de microkosmos van de mens (karma) en staan onder een magnetische wisselwerking met de invloeden die van de macrokosmos uitgaan. Vandaar het belang dat in oude tijden gehecht werd aan de kennis van de planeetinvloeden op de persoonlijkheid – niet voor toekomstvoorspellingen of hulp bij het leven in de stof, maar om bewust te worden van alles wat de ziel verhindert om terug te keren naar het ware Licht.

 

Ook in het Boeddhisme wordt veel waarde gehecht aan de astrowijsheid, gezien de uitspraak van Boeddha in "Les écrits primitifs du Bouddha": "Zolang mijn juiste kennis en mijn innerlijk inzicht, met hun drie verdelingen (decaden) en de twaalf afdelingen nog niet zijn gereinigd in deze edele vier waarheden, zolang, mijn monniken, heb ik nog niet de top van de volmaakte verlichting bereikt in deze wereld van goden, Mara, Brahma, met zijn scheppingen en asceten, de brahmanen, de goden en de mensen. Ik heb dit herkend."

 

In het Hindoeïsme en het Boeddhisme zijn de twaalf zodiakale constellaties gelijk aan de twaalf Nidana's, die de oorzaken zijn waardoor de mens wordt gebonden aan het wiel van geboorte en dood (de horoscooptekening), en deze Nidana's kunnen ook duivelen worden. In het Boeddhisme zijn deze twaalf Nidana's twaalf bewustzijnstreden, ook bij de Arabische filosoof Avicenna kom je die mening tegen. Zij zijn weer, evenals de zeven wielen, overeenkomstig met elkander, maar niet aan elkander gelijk. Hieruit volgt gelukkig, dat geen enkel zodiakaal type zich meer kan achten dan de andere, zij zijn overeenkomstig met elkander, maar wel verschillend. 

 

In de geschriften van Henk en Mia Leene vond ik – in duidelijke bewoordingen – uitleg over deze 12 hindernissen. Graag maak ik daar samenvattingen van, niet in de laatste plaats om tot ZELF-INZICHT te komen, maar ook om diegenen die hier lezen behulpzaam te zijn bij het ontdekken van de hindernissen op de weg terug naar het Eeuwige Koninkrijk.

Beste lezer, laat deze inzichten geen verleiding worden om anderen te beoordelen, maar laat ze enkel en alleen dienen tot een diep inzicht in jezelf, indachtig de Jezuswoorden: “zoek niet de splinter in het oog van uw broeder maar verwijder de balk in uw eigen oog.” (Luc 6:41-42)

 

De 12 aeonen.

 

Gevangene van het eerste aeon


Deze mens vinden wij op alle niveaus in de wereld. Wij treffen hem in de politiek, in de humanistische bewegingen, in de kunst en in de religie. Hij is de mens die opgaat in zijn eigen weten en stikt in zijn eigen zelfgenoegzaamheid. Hij is vastgelopen in zijn doelstellingen en waant zich - op zijn eigen gebied - gearriveerd. Deze zijnstoestand wordt een tragedie, daar deze mens niet meer te bereiken valt door het Licht der Lichten. Om zichzelf open te breken moet hij allereerst door een grote hoeveelheid ervaringen heen gejaagd worden, voordat hij tot enig besef van zijn toestand komt.


Zodra deze mens de benauwenis gaat ondergaan van zijn levenssituatie, doordat de aeonen hem tot aan zijn uiterste kunnen gebracht hebben, komt er beweging in hem. Verdrukking, harde ervaringen, tot het uiterste van zijn inspanningen voortgedreven worden, betekenen voor deze mens: een noodtoestand. Een situatie waarin hij zou kunnen gaan bidden. De top van de zelfvoldaanheid moet door deze mens dikwijls bereikt worden om te ontdekken dat al zijn vergaarde kennis, al zijn weten eigenlijk resulteerde in : "de som van alle weten is dat ik niets weet." Het opgeblazen ik zakt als een ledige ballon in elkaar en de kandidaat ontdekt zijn eigen onvolkomenheid. Ieder spoor van zelfgenoegzaamheid, iedere trots, iedere vorm van superieure ik-centraliteit is een binding aan de eerste aeon.


Zolang de kandidaat deze binding nog bezit kan hij niet verder gaan. Het vermeerderen van filosofische kennis kan hem niet bevrijden van deze binding, integendeel. Iedere vermeerdering van intellectuele kennis betekent een versterkte binding. Met deze kennis komen wij in het juk van "Avidya" en wij vergeten "Vidya", zoals de Oosterse leringen zeggen. Het zich concentreren van het hersenbewustzijn op spirituele dingen betekent niets, bezien in het proces der dertien boetezangen. Het bestuderen van filosofie wordt tijdverspilling, wanneer men waarlijk de verwerkelijking wil ingaan. Binnen het spel van de eerste aeon kent men vele schakeringen, vele verleidingen en bezigheden, die de schijn hebben van spiritualiteit, doch in werkelijkheid de serieuze kandidaat slechts willen afhouden van zijn doel.


Het mediteren over de universele leer, over de goddelijke liefde, het spreken en discussiëren over de waarheid en het afwegen van de voor- en nadelen van allerlei godsdiensten, is een amusant tijdverdrijf binnen het rijk van de eerste aeon. De geraffineerde waan spiegelt de mens allerlei imitaties der spiritualiteit voor, opdat deze zichzelf zal kunnen bedekken met een uiterlijk kleed van schijn-spiritualiteit, waarin hij zich wel zal voelen. Zo tracht de eerste aeon de zoekende mens in te kapselen in zijn methoden, voordat deze de werkelijkheid van zijn toestand doorziet.


Het overgrote deel der mensheid ligt geketend aan de waan van deze eerste aeon, die zich beweegt van het materiële tot op het spirituele vlak Heel die verzameling van religies, van kunsten en interessante wetenschappen, behoort tot dit eerste aeonenrijk.

 

 

De spiegel van de tweede aeon



Zodra de kandidaat ingezien heeft, dat in het rijk van de eerste aeon de hoogmoedswaanzin overwonnen moet worden, verruimt zijn inzicht en keert hij zich van het ego af om zich te wenden tot de mensheid. De overwinning van de eerste aeon betekent dan ook het "zingen van de mensheidszang". De machtige overheersende kracht van de wil wordt ondergeschikt gemaakt aan een andere aeonische macht, de mystificatie. Vermoeid en uitgeput door de strijd tegen de waan verlangt de kandidaat nu naar rust en vooral naar harmonie en geborgenheid. Methodisch grijpen de tweede aeon-trawanten de kandidaat in dit verlangen aan en zenden hem schone voorstellingen, verlicht door de bedrieglijke, demonische glans van Venus.


De mens krijgt inzicht in de modderpoel waarin hij leeft. Hij amuseert zich niet meer met zich rond te wentelen in de modder, maar hij wil zich verheffen tot schone verten, hij wil idealen zien, beloften horen, kortom, de mens gaat verlangen naar een hogere vibratie, maar zij, die deze tweede-aeon mens willen overheersen, behoeven slechts illustere beelden op te roepen voor zijn geestesoog om hem tot lucratieve werken te verleiden. Deze kandidaat heeft ontdekt, dat hij anders is dan de massa en door deze ontdekking schenkt hij zichzelf zekerheid en een schijn-aureool van uitverkorenheid. De grauwe sluiers zijn een ogenblik vaneen geweken en de kandidaat krijgt uitzicht op een nieuwe verte.

Vol moed, doorzetting en in een overwinningsroes snelt de pelgrim op de poorten van de tweede aeon toe en veronderstelt, dat hij beschermd wordt door een besloten ruimte van heerlijkheid en licht, waarbinnen slechts hij vermag te leven. In die fase ontmoet hij de tweede aeon-trawanten, die hem kennen als geen ander. Die zwakke plaatsen in zin pantsering onderscheiden en de innerlijke gemoedsgesteldheid van de kandidaat doorzien. Vol raffinement sluiten zij aan bij zijn hunkering en zijn vervoering en spiegelen hem schone voorstellingen voor, beelden die louter licht en heerlijkheid schijnen te zijn! Helaas, de beginnende pelgrim binnen de tweede aeon doorziet de misleiding nog niet.

Zijn verlichting was tijdelijk, het land aan de andere zijde van de Jordaan, werd slechts in een flits geschouwd, waarna de overwinningsroes en de emotionele vervoering hem binnen de poorten van de tweede aeon doen insluimeren. In deze sfeer zal hij moeten ontwaken, hoewel de trawanten dit zullen trachten te voorkomen. De wil is veranderd binnen deze tweede aeon, hij heeft zich verborgen in de emotie en zweept de hunkering en de begeerte naar het bereiken van de schone verten op. Er is slechts één gedachte in deze kandidaat: hij moet dat geschouwde land binnenkomen. Hij heeft het gezien; hij is zeker van zijn zaak en nu moet hij daar binnengaan!


Met alles wat in hem is belevendigt hij de herinnering aan het land der verten, hij wil die herinnering niet verliezen. Hij verankert het beeld in zijn denken, zijn gevoelen en zijn willen. Het wordt één met hem en het verandert niet. Terwille van dit beeld kan deze pelgrim alles offeren. Hij dwingt zichzelf tot arbeid, tot offering, tot alle werken, die hem juist lijken om het doel te verwerkelijken. Niemand kan hem de zekerheid omtrent het geschouwde land ontnemen. Hij neemt het licht en het land der verten gevangen in een vorm, waaraan hij houvast bezit. De zekerheid mag deze mens niet verlaten, hij wil de zekerheid niet opgeven. Hij staat niet toe dat iets of iemand hem het fundament, waarop hij meent te staan, ontsteelt. Deze situatie zal de pelgrim op het pad der verborgen wijsheid kunnen herkennen! Krampachtig klemt deze mens zich vast aan een bepaalde toestand, aan een lichtflits, die in de loop der tijden en door de ervaringen verworden is tot een uiterlijke vorm, opgebouwd en geïnspireerd door de emotie, de wil en de hunkering van deze kandidaat. Om de herinnering aan de beroering des lichts bouwt hij een vesting heen, waarmede hij leeft, waarin hij woont, waarbinnen hij zich zeker van zichzelf gevoelt.


De trawanten der eerste aeon schateren! Hij, die meende de waan te hebben overwonnen, vergooit zichzelf nu aan een schijnlicht, uit angst nogmaals in de onzekerheid en de leugen terecht te komen. Men gaat deze mens volkomen, maar op een geheel andere wijze, uitputten, dan binnen de eerste aeon! Hij zal bezeten worden van één idee, hem ingegeven door de tweede aeon-trawanten: "Mens, werk! Doe al het mogelijke om het licht dat je schouwt te verdienen. Offer veel, schenk bezittingen weg. Wees goed en streef naar het schone beeld, dan zul je eeuwig in deze heerlijke, droomverwekkende toestand vertoeven." Herkent u misschien in uw eigen leven deze situatie? Deze ervaring moet de mens bewustzijn schenken van wat hij zoekt, op wien hij vertrouwt en welk doel hij volgt.


De Taurus-trawanten binnen deze aeon willen de mens hecht en sterk in de aarde funderen, maar zijn denken moet vol zijn van schone beelden. Zo wordt hij een noeste werker, één die geen enkele arbeid schuwt om zijn doel te bereiken. Hij moet ervaren dat eerzucht en streven, noch noeste vlijt en hardnekkige volharding hem van het bezit des Lichts verzekeren. Hier moet hij leren, dat het geestelijke licht, de trilling van het absolute niet te verkrijgen zijn door aardse werken, noch door aanbidding. Het Licht is geen beloning voor noeste vlijt en de uit vrees geboren trouw. De kandidaat moet breken met de in de wereld normale opvatting dat op goede werken altijd de beloning zal volgen! Hij moet de moed opbrengen om de misleidende Venus-beelden uiteen te scheuren, en ontdekken dat hij zichzelf laat uitbuiten door een fata morgana, waardoor de vitaliteit uit hem wegvloeit.


De veronderstelde beloning na de volbrachte werken achtervolgt deze mens en zal hem opjagen en het uiterste van hem vergen, daar hij van binnenuit wordt gedreven door de emotionele bezitsdrift, geprojecteerd op het imitatiebeeld des lichts. Deze imitatie is voor hem tot een gouden kalf geworden en hij koestert zichzelf in de stralingen, één en al aanbidding voor zijn schepping . Doch naast hem gaan al die anderen, die lanterfanters, die niet merken en niet offeren, die menen dat het Licht om niet geschonken wordt! Zij zijn de verlorenen! Zo vleit hij zichzelf en herheft zich op zijn fundament van onaantastbare zekerheid.

 

 

Worstelende in de derde aeon


De zekerheid, die de pelgrimziel in de tweede aeon dacht te bezitten, is haar ontnomen en zij staat in al haar povere zielekracht tegenover haar nieuwe aanvallers.


Zij zoekt in angst en beven het oude vertrouwde contact met haar eigen zelfbewustzijn; daarnaast beseft zij nu, dat slechts het Licht der Lichten haar helpen kan en zo bemerkt men hoe de pelgrim hier voor een kruispunt komt te staan, aan het begin van een weg die zich in tweeën splitst. Daarom noemt men in de oosterse filosofie deze fase: de tijd. De kandidaat gaat werken met de tijd; hij zoekt uitstel, speelt met waarden, onderzoekt allerlei overwegingen. Hij is als een Mercurius die zich overal bij wil aanpassen en die zich toch niet laat grijpen, gelijk het Mercuriaanse element: kwikzilver. De pelgrim wil onderzoeken, maar niet in dit onderzoek verstarren, vandaar zijn dikwijls te oppervlakkige onderzoek.


Mercurius schenkt hem licht naar de mate hij zijn levenslessen heeft geleerd, zoals een Hermes de worstelende mens licht en inzicht schenkt in overeenstemming met het bewustzijn van zijn zielekracht. Bezit zulk een mens een bewustzijn of ervaring niet en ontbreekt hem nog de zielerijpheid, niettegenstaande zijn gang door de beide voorgaande aeonen, dan schenkt Mercurius deze mens slechts zijn vluchtigheid, zijn kwikzilverachtige beweeglijkheid en de oppervlakkige verlichting, die hem beletten een diepganger te worden. Vandaar de oosterse benaming: de tijd.


De kandidaat moet hier tijd hebben om tot een innerlijke rust te komen, tijd om zichzelf te leren doorgronden en zijn vertrouwen in het Licht der Lichten zozeer te versterken dat dit zijn wantrouwen, zijn angst en zijn vooroordeel wegneemt. Zou deze kandidaat niet volkomen vervuld zijn van het Licht der Lichten en een ogenblik vergeten hoezeer dit Licht hem heeft bijgestaan, dan komt hij terecht in de scherpte van zijn intellectuele gerichtheid. Hij gaat de aanvallers te lijf met de nuchterheid van zijn verstand en met de afweer van geheel zijn organisme. Hij wil beslist niet meer bedrogen worden, hij wil niet meer wegzinken in die weerloosheid van de schone schijn, hij zal nu op zijn hoede zijn en vooral: zijn keus maken, wanneer hij meent dat de tijd daarvoor is aangebroken. Het gevaar in deze derde aeon is echter dat de kandidaat de tijd daartoe niet gelaten wordt!

Doorlopend zal er worden getracht om deze mens te beïnvloeden door allerlei indrukken, hij wordt bezig gehouden, zodat hij niet tot rust kan komen en de positieve Mercurius-kracht in hem zou kunnen ontwaken om hem tot inzicht te brengen. In zijn bloed ondergaat deze mens een voortdurende vuurkracht, die hem tot allerlei onderzoekingen, maar ook tot nutteloze werken aanzet, die hem van zijn grote doel afhouden. In hem is dikwijls één voortdurende onrust te bespeuren, één verlangen naar harmonie, één hunkering naar het schone spirituele leven, dat hij nog steeds niet vermag te grijpen. Hij vindt slechts rust wanneer het Licht der Lichten hem omhult en hem insluit in de harmoniserende stralingskracht van de wisselwerking "zo boven zo beneden". In zulk een moment is hij in staat zuiver gericht te denken, zijn gedachten te ordenen en zich te bepalen bij de ziele-verlossing.


In deze mens is een doorlopende strijd aan de gang tussen zijn zelfbewustzijn en eigenliefde èn het goddelijke bewustzijn. Hij is zich terdege bewust van het pad en kent nauwkeurig de methode om dit pad te volgen, terwijl intuïtie en rede beiden precies weten waar zij hebben gefaald, en beseffen hoe zij tot overeenkomst kunnen komen. Binnen deze derde aeon worstelt geen onbekwame en onwetende mens! Het is dikwijls tragisch om te zien hoe deze waardevolle kandidaat zich laat beetnemen door het spel van deze aeon. Hij meent dat hij terzijde staat en observeert, zoals hij dit zo graag wil, maar in werkelijkheid is hij de speelbal van de aanvallen der trawanten. Hun listen en lagen zijn zo veelvuldig dat hij al zijn tijd verdoet met die valstrikken te onderzoeken en het achterhalen van de gedragingen der trawanten.


Zijn tijd gaat voorbij en hart en hoofd worden volkomen in beslag genomen door de krachten van de leeuwenkop. Terwijl hij niets anders doet dan de belemmeringen van hemzelf en anderen te onderzoeken, méént hij het pad te bewandelen. Hij zou zijn kracht en sterkte moeten vinden in de negatie van al deze beslommeringen, al deze moeilijkheden die hem in hun net verstrikken. De strijd moet luwen een innerlijk Niet-zijn moet hem vervullen, waarbinnen hij het Licht der Lichten kan aanroepen. Daarom zou de mens die deze derde aeon binnengaat eigenlijk een blij mens moeten zijn, iemand die zich verheugt over zijn ervaringsweten en die zich bewust is van zijn opdracht. Hij zou niet zo vluchtig over de geestelijke waarden des Lichts heen moeten lopen en niet zo snel aan de werkingen des Lichts voorbij moeten gaan!


Hij gunt zich geen tijd om zich te verdiepen in de glorie van het grootse Licht, want deze pelgrim is veelal met ándere dingen bezig. Het enige dat hem benauwt is het bewustzijn van het voorbijgaan van zijn tijd. Hij moet tijd hebben, want zonder tijd kan hij niets beginnen. De Oosterse wijsheid noemde deze fase niet voor niets: de tijd! In ieder mens is een groot verlangen naar tijd. Hij wil zo graag het pad gaan, de gnosis dienen, het licht zoeken, maar hij heeft geen tijd!


Alle trawanten van de leeuwenkop zullen hem omringen en hem zozeer bezig houden dat zijn tijd waarlijk voorbijgegaan is voordat hij het beseft. Want zij kennen het gevaar voor zichzelf: zou deze mens tot rust komen en inzicht krijgen, dan ontwaakt zijn klare rede en vaagt hij allen met één heldere niets ontziende lichtstraal weg, terwijl hij zich op zijn eigen ervaringsweten richt, dat omstraald wordt door een overweldigende herinnering aan de helpende ingreep van het Licht der Lichten. In zulk een moment jubelt hij zijn bewustzijn des Lichts uit: "Mogen allen die het Licht zoeken zich verheugen en blij zijn, en zij die Uw Mysterie najagen zeggen: Moge het Mysterie zich verheffen!"


Dat wil in deze derde aeon zeggen: Ik hunker naar de energie en de levenskracht en al dat licht, dat ik verspeeld heb met het najagen van de trawanten der leeuwenkop. En nu, o mijn God, aangekomen in die oase van rust, die Gij voor mij gespreid hebt, ben ik mij bewust geworden van mijn eigen verdeeldheid. Daarom, o Licht, red mij dan met spoed uit deze chaos! Wederom komt het Licht der Lichten deze kandidaat te hulp, maar hij brengt hem tot inzicht door de uitputting, de moedeloosheid en de totale ontreddering. "Ik ben ellendig en arm, o God, help mij!", zo schreeuwt de pelgrim. Hij wordt ter aarde geworpen als een nieteling, als een verslagene, die de kracht niet meer kan opbrengen om zijn tijd te verdoen met al die afleidingsmanoeuvres.


Hierin bewijst het Licht, de Schepper, Zijn Liefde voor deze mens: door de krachteloosheid. Hij wordt belemmerd om op te staan en de trawanten die hem omringen na te jagen. Hij moet zijn blik van hen wegnemen en deze naar binnen richten en hij moet uitschreeuwen: "Ik, o God, ben niets! Ik kan niets en ik heb mijn Licht verloren! Alles zou reddeloos zijn, o Heer, als Gij daar niet waart, Gij, mijn schild en mijn bevrijder!" Tenslotte, als een laatste trillende zucht, smeekt hij: "O Heer, vertoef niet!"


Dit is de diepste hartenkreet van de mens binnen deze derde aeon: "O Heer, vertoef niet!" Hij beseft hoeveel tijd er is heengegaan met zijn nutteloze onderzoekingen en nu, in die krachteloosheid, waardoor hij gedwongen wordt tot rust, ervaart hij de kracht van de hogere Mercurius en komt hij tot inzicht. Inzicht in het eigen falen, in de eigen staat-van-zijn, in al die problemen en in de methode der verlossing. Nu vindt hij de kracht om zich te verheffen uit zijn krachteloosheid, en zijn aanvallers tegemoet te treden en te trotseren door geen enkele binding met hen te maken, maar zich te hullen in het boetekleed dat hem wordt overgereikt.


Hij, die binnen deze derde aeon worstelt, is waarlijk op weg naar de verlossing. Moge hij zijn tijd niet vermorsen met andere dingen, want ook voor hem gelden de woorden: "Ik zal u oordelen naar de werken waarmede gij doende zijt in het ogenblik dat Ik kom!"

 

 

De misleidingen van de vierde aeon


Nadat de pelgrim de derde aeon achter zich heeft gelaten en de vierde aeon binnengaat, betreedt hij een geheel ander levensveld. Indien hij binnen de innerlijke stilte de jagende stormen van de derde aeon heeft kunnen overwinnen, schouwt hij binnen deze vierde aeon eindelijk de beelden uit een onstoffelijk gebied. Hij ervaart de aanrakingen uit een spiritueel levensveld en zijn gehele gevoelsbewustzijn wil daarop reageren. De Oosterse astrosofie noemt deze aeon dan ook "de aeon der weerspiegeling".


De mens die deze vierde aeon binnentreedt heeft veel geleden. Door dat lijden heeft hij zich een pantser aangemeten en hij is achterdochtig en voorzichtig geworden. Er is in hem echter een grote alles overheersende kracht, een vertrouwen dat de liefde tenslotte toch nog zal overwinnen, een hoop dat er achter dat "kwade" wellicht toch nog het "goede" schuil gaat. Dit is niet de allerhoogste liefde-uitdrukking, maar zij is wel veelomvattend. Deze liefde richt zich op alles en allen. Het is een hartstraling die gemotoriseerd wordt door de solar plexus, de zonnevlecht.


Deze kandidaat staat zeer open en is zeer kwetsbaar, hij is blootgelegd voor de kwade bedoelingen van de Cancer-trawanten en hun maankrachten. De solar plexus waarmede de emoties en de trillingen van de zenuwether worden geregistreerd, wordt in deze aeon sterk beroerd. Op deze wijze kan de kandidaat in aanraking worden gebracht met een hoger gebied, en zou hij zich los kunnen gaan maken van de harde materie.


Nu zal hem de etherische sfeer, de sfeer der ontstoffelijking worden geopenbaard en hij zal zich daar een weg doorheen moeten banen. Meedogenloos wordt in deze aeon de kandidaat voor de realiteit van het spiritisme en het occultisme geplaatst, hij zal een blik achter de schermen van het bedrog kunnen werpen. Mits hij bereid is te leren en inzicht te betonen. In deze aeon, zegt de Oosterse astrosofie, ziet de kandidaat het godsbeeld in alles. Hij is werkelijk in de sfeer der weerspiegeling aangekomen.


De pelgrim is zich ervan bewust dat de kwellingen zullen komen, maar zijn hunkering, die heel zijn wezen verwarmt, ontneemt hem de scherpe blik. Hij gevoelt zich door licht en schoonheid omgeven, maar hij weet intuïtief, gezien de ervaringen uit het verleden, dat hij voor een ontzaglijk bedrog moet staan. Hij weet dit, maar hij kan het niet zien. Hij is als de maan, die de stralingen var de zon ervaart, door zijn lichaam voelt stromen, maar hij kan er uit zichzelf niets mede doen, hij kan noch scheppen, noch bezielen, noch uit zichzelf stralen. Zulk een mens kan zich als een dood lichaam gevoelen, dat door de stralen van de zon wordt verwarmd, maar die hem steeds weer ontglippen op het moment dat hij hem grijpen wil.


Hij reageert altijd emotioneel, handelend op een gevoels-impressie, hij wéét dat er een zon is die hem verwarmt, maar hij weet nog niet hoe deze zelfstandig in lichtkracht om te zetten. Daarom zijn zij, die zich in deze aeon bevinden, geneigd alles te offeren, alles terzijde te schuiven, alles te doen om maar een glimp op te vangen van de heerlijkheid des Heren. Het geloof in het Licht is voor hem een noodzaak, een levensbrood geworden.


Dezulke zullen altijd een doel moeten hebben om hun hunkering en hun geloof op te vestigen. Op het horizontale vlak kan men bemerken hoe deze mensen zich vast gaan klampen aan medemensen, aan kinderen, aan dingen, aan humanistische idealen. Zij moeten de innerlijke drang tot liefde-uitstorting af reageren. Zij projecteren heel hun verlangen op de ander, zichzelf daarin reflecterende. Dit is een verkapte vorm van eigenliefde, waarin zulk een mens soms kan vervallen.


Zo kan het gebeuren dat in deze vierde aeon de pelgrim omringd wordt door de Cancer-trawanten, en dat deze zijn liefdepotentie absorberen, en hem volkomen leegzuigen. De kandidaat lijdt daar onder. Hij gevoelt zich als de blindelings tastende en hij weert zich intensief tegen elke vermeende aanval en tegen elke schaduw van tegenstand. Hij strijdt wederom, maar geheel anders dan voorheen. Hij strijdt een innerlijke strijd. Zijn wezen, ontledigd door de vierde aeon-trawanten, die zichzelf volvreten aan zijn licht, is één en al angst geworden, omdat hij zijn krachteloosheid onderkent. Omdat hij zijn verlies beseft.


Dan doet hij het enige dat hem schijnt over te blijven: hij grijpt terug naar wat is geweest. Hij vlucht in het verleden, in die toestanden van heerlijkheid en in de lichtervaringen, die hij ondergaan heeft. Deze vlucht beleeft hij in de geborgenheid van zijn hol. Hij sluit zich af voor het heden. Hij doet alsof hij de werkelijkheid niet ziet, want deze benauwt hem. Niettemin leeft de impuls in hem tot verder gaan op deze gang, dit heimwee naar het Licht aan het einde van de terugtocht, is niet meer te onderdrukken. Hij is reeds te ver gegaan op zijn weg door de aeonen om dit heimwee nog te kunnen uitroeien.

Zo kan het gebeuren dat in deze mens dit heimwee, dat hij uit angst wil onderdrukken, ontaardt in een ziekte: hij wordt innerlijk door dat heimwee aangetast, opgevreten, een woekering ontstaat, omdat hetgeen hij zozeer begeert, niet tot uitdrukking komt in zijn handeling. Hij zou zich moeten losrukken uit de emotionele angsten, hij zou zich moeten overgeven aan de onbevreesdheid, die zich fundeert in het vertrouwen op het Licht. Te dikwijls verbergt hij zich echter achter de schijn-spiritualiteit, omdat hij waar wil hebben hetgeen hij ziet, hij wil de emotionele beelden niet loslaten, omdat hij bang is ook deze grond onder zijn voeten te verliezen.


In de tweede aeon werd de kandidaat de zekerheid van de materie ontnomen, en niettegenstaande de tegenstand en de slagen kwam hij tot bezinning en waarheid. Nu wordt hem de eerste spirituele zekerheid ontnomen. Hij beseft, als een herinnering aan het verleden, dat de ontgoocheling en het neergeworpen worden in het niets, hem opnieuw zullen aangrijpen. Hij vreest deze ervaring en daarom laat hij niet los. Hij klemt zich vast aan de schijnbare mogelijkheden, aan het eventueel wonderbaarlijke, aan een schat, aan een situatie.


De kandidaat werd geforceerd om op te houden met imitatie en reflectie, terwijl hij in werkelijkheid het innerlijke godsbeeld nog niet kende. Het is zo verleidelijk om te pronken met andermans veren, om te spelen en te pralen met de etherische wezens uit de dodensfeer, om zichzelf te verheffen op een aangeboren sensitiviteit tegenover hen, die niets schouwen. Slechts de onwetende doet dit, hij, die nog niet heeft ingezien dat het schouwen van de beelden uit de dodensfeer niets betekent op een spiritueel pad.


Het is nog moeilijker om deze pose van schijn-gearriveerdheid op te geven! Nu zal deze mens zijn vermeende spirituele status moeten prijsgeven om te komen tot het stadium van spirituele bezitloosheid. Dit doet innerlijk pijn en kost overwinning. Maar ook hierbij zal de pelgrim bemerken dat "alles verliezen tegelijkertijd betekent alles winnen." Hij zal zich niet meer kunnen vastklemmen aan paranormale gaven om zich daarmede een status te geven tegenover zijn vrienden. Hij zal moeten worden tot een niets, een steen, die zijn lichtkracht heeft verloren, hij moet zich terdege bewust worden van dit niets zijn.


Iedereen die hem deze waarde, dit bezit wil ontnemen, tracht hij weg te houden door een angel vol bitterheid. Zijn emotionaliteit, zijn liefde, zijn spirituele beleven, zijn doortrokken van deze angst om het mogelijke verlies. De eerste stralen van het inzicht gaan gloren, het Licht der Lichten en de pijn der oerherinnering, de smart om het weten en het niet verstaan, en het verlangen en niet grijpen kunnen, volgen de pelgrim tot in zijn diepste schuilhoeken. Hiervoor kán hij zich niet verschuilen.


Dit is nu de zegen van de vierde aeon. De pelgrim kan niet meer terug. Hij kan niet meer aan het Licht ontkomen. Het is de typische levenshouding van de mens die ontdekt dat al zijn streven en zijn offeranden hun einde vonden in de sfeer van het zelfbedrog. Hoe zwaar valt het degenen niet die mediamiek beelden zien, deze tot goddelijkheid verheffen en adoreren, hun vermeende gaven te verlaten.


Om deze vierde aeon te doorschrijden, moet de mens de moed bezitten om in het "kokende water" van de harde realiteit af te dalen, zoals dit in de praktijk met kreeften geschied, die gekookt worden om verteerbaar te worden.


Deze kandidaat moet bewust een water-vuur proces ondergaan, waarin hij sterft om als een ander mens herboren te worden. De aanvang van dit proces zal zijn als een pijniging omdat hij steeds weer de oude beelden, de schijn wil vastgrijpen, daarvan kan hij bijna geen afstand doen. Daarom moet het water kokend, de realiteit ingrijpend zijn.


Zij, die zich sterk verbonden gevoelen met de krachten van deze vierde aeon zullen daarom rekening moeten houden met hun belemmeringen, die liggen in: de imitatie, de reflectie, zonder de lichtkracht van het goddelijke; het gevangen genomen worden in de bitterheid en het ontledigd worden door het verkeerd richten van de hunkering.

 

 

De waan van het zélf van de vijfde aeon.


Nadat de pelgrim vier aeonen in zichzelf heeft doorgereisd, komt hij terecht in de zeer merkwaardige fase van de vijfde aeon, hij gaat de imitatie levensgang en de imitatie-spiritualiteit beëindigen. Plotseling ziet hij dat hij breken moet met alles wat binnen de zevenvoudige overheersing ligt. Het zevenvoudige of het heiligende voorbereidende pad staat onder invloed van de Maan-werkingen en daardoor wordt iedere pelgrim, die zich vastklemt aan de adoratie van een heilige zevenheid eveneens onder de Maan-werkingen geplaatst. Iedere ziel, die zich gevangen geeft aan de aanbidding van een zevenheid, bewijst daarmede eer aan de Maan, de dienares van de Zon. Vandaar dat vele religieuze bewegingen, die deze zevenheid als de hoogste verwerkelijking zien door een vrouw worden gedomineerd, dan wel beheerst worden door een occultist, die de stralingen van zijn voorganger reflecteert op een afhankelijke, slaafse wijze.


Iemand, die zich aan zulk een Maan-gevangenschap overgeeft zal nooit de reis naar de vijfde aeon kunnen ondernemen, want de doorbraak van de vierde naar de vijfde aeon brengt met zich mede dat de pelgrim een individuele beslissing moet nemen. Hij moet handelen volgens de wet van de zelfautoriteit en horigheid aan een meester ligt dan achter hem. De vijfde aeon wordt geregeerd door de Zon, in horizontale betekenis door de aardse Zon, d.w.z. door de sterke persoonlijkheid, in spirituele zin door de Geestzon. De kandidaat gaat hier dus zijn geestelijke zelf bewust ontdekken en benutten. Allen, die de krachten van deze aeon tegemoet treden, moeten kunnen beschikken over voldoende geestelijk bewustzijn, zodat dit de leiding zal kunnen overnemen van het ego of de persoonlijkheid.

De strijd binnen deze aeon is kenmerkend voor hen, die de poort van Saturnus waarlijk trachten door te gaan, of de ring der zevenheid waarlijk willen doorbreken. Zij zijn prachtige kandidaten en bezitten alle kwaliteiten om te slagen en daarom kan deze aeon in de kandidaat een doorbraak en een zegen betekenen, zo niet, dan wordt deze fase een val in de diepste duisternis.


De aanvallen in de eerste vier aeonen waren hevig en benauwend:

de aeon van de waan bracht bedrog,

de aeon van de materiële zekerheid bracht angst

de aeon van de tijd bracht onrust

de aeon van de imitatie bracht schijn-spiritualiteit


Doch al deze aanvallen betekenen niets vergeleken bij hetgeen de kandidaat nu te wachten staat! Nooit heeft hij de duisternis zo zwart ervaren, doch nimmer was de overwinning van deze duisternis in een feller Licht gehuld. Nu laat de pelgrim alle aardse hulp, alle steun, alle zekerheid-in-de-rug achter zich. Hij is alleen. Hij gaat zich nu verheffen, hetzij op de autoriteit van zijn persoonlijkheid, hetzij op de autoriteit van de geest. Hij gaat het wagen met zijn innerlijke Licht, met dat beetje Licht dat hem nog is gebleven.

Door de trawanten van de vierde aeon werd hij tot aan de uiterste grens van zijn uithoudingsvermogen gebracht. Alles wat schoon en wonderbaar leek te zijn, bleek schijn en imitatie en daardoor moest de pelgrim de bitterheid overwinnen; hij moest leren zich niet te verharden. In de vierde aeon dreigde de innerlijke verharding, de verstening, het worden tot een zoutpilaar. Komt de kandidaat daar echter vrij van, dan straalt hem de Zon, het Aurora, de bevrijding tegemoet. Doch door dit Aurora worden opgenomen, betekent handelen op een basis van zelfautoriteit.


In deze vierde aeon staat hij voor een juichend nieuw begin, of voor de terugval in de verstening en de verharding in het zelfbewustzijn van de persoonlijkheid. Het ervaringsbewustzijn, de herinnering aan het doorleefde in de vier voorgaande aeonen moeten in de kandidaat der vijfde aeon zeer sterk spreken, wil hij begrijpen dat juist deze aeon hem de opstanding zal kunnen brengen.


Hij kan, na die ondergang in het kokende water van de vierde aeon, opstaan als een deemoedige, die de kracht des Lichts erkent, dan wel hij slaat zichzelf op de borst menende de grote overwinnaar te zijn, die niets meer kan overkomen. Het gevaar en de misleiding sluipen hier waarlijk als een roofdier, als een leeuw rond en bespringen de kandidaat van achteren.


In grote verlatenheid moet de kandidaat hier met zichzelf in het reine komen en bewijzen of de overwinning binnen de vierde aeon een werkelijkheid, dan wel een imitatie is geweest. De Oosterse gnosis noemt deze aeon: "de aeon van het beven van het lichaam". Het is het beven van de persoonlijkheid, de verbreking van de macht van het ego, de ondergraving van het fundament van het ik, die hier volbracht moeten worden. Door het uitbreken uit de begrenzing van de vierde aeon gevoelt de kandidaat een zekere vrijheid en deze zou hem kunnen misleiden en bedriegen, want die vrijheid blijkt in werkelijkheid niets anders te zijn, dan een verwisseling van autoriteit en het gevangen genomen worden in de zelfautoriteit.


De gevangenis der zevenheid wordt nu in de kandidaat verplaatst. Uiterlijk lijkt hij vrij, maar innerlijk moet hij de individuele gevangenschap nog verbreken. In een ontstellende eenzaamheid blijft de kandidaat niets anders over dan het lichtrestant in hem, óf de autoritaire macht van het ego dat eenzaamheid en zwakte weg bluft. Zo hij een imitatie-overwinnaar was, dan vlucht hij in de autoriteit van het "ik" en kleedt zich in een aureool van schijn-gearriveerdheid.


Dan lokt hij zijn naasten tot zich door te pochen, en te pronken met de schone veren, die slechts geleend zijn en waardoor hij niets draagt dan de zielloosheid van een arrogant ego Kortom, hij gaat zich verschuilen achter zichzelf, achter de zon van zijn persoonlijkheid, om de beslissende stap van de omwending te kunnen uitstellen. En zo is er voor deze mens in werkelijkheid niets veranderd, de gevangenis is gebleven, de ring van Saturnus bleef toegesloten, hij spéélt slechts de spirituele overwinnaar. Hij heeft zijn troon hoog boven zijn medemensen opgericht en bejegent hen welwillend vanuit die overvloedige bron van aangeleerde kennis, van schijn-zonneglans en van schijn-gearriveerdheid, maar in werkelijkheid is hij armer dan de kleinste onder de kleinen. Door schade en schande zal hij tot deze overtuiging moeten komen!


Hij heeft van nabij het Nieuwe Land geschouwd, hij heeft het water van de Jordaan om zijn voeten gevoeld, is mogelijk deze Jordaan in gesprongen in een ogenblik van grote benauwenis, maar hij keerde terug op zijn schreden, omdat hij niet verder durfde, zodra hij de grond onder zijn voeten verloor. Iemand, die nog niet kan zwemmen, werpt men niet in diep water. En iemand die, de zwemkunst niet machtig is, en in paniek dit water inspringt, onderkent de gevaren niet.


De mens uit de vijfde aeon meent echter te kunnen zwemmen, waardoor hij bij voorbaat alle hulp van de hand wijst. Hij is hardleers doordat zijn autoritaire eigenwaan een afgrond schept tussen hem en de andere reizigers naar het Nieuwe Land. In de spirituele reis door de aeonen ervaart de pelgrim daarom de diepte van de eenzaamheid, de noodzakelijkheid van een spirituele ziele-autoriteit.


Ziele-autoriteit uit zich echter nooit door hoogmoed, maar altijd door koninklijke adeldom, die dienen en niet overheersen wil. Niemand kan deze mens helpen om tot ziele-autoriteit te komen, want hij moet deze zelf verwerven.


Paracelsus zegt dat de natuurlijke alchemist pas aan zijn arbeid begint wanneer alle individuele, innerlijke planeten het moment geschapen hebben. Zo is het ook met deze kandidaat. Hij is innerlijk gerijpt voor de doortocht of hij is dit nog niet. Er is geen middenweg. Hij staat hier tegenover de machtige vijand van zijn eigen zelf. Hij moet zelf beslissen: óf hij de Jordaan oversteekt óf niet. Eenmaal in het Jordaanwater beland zal hij moeten bewijzen dat hij moedig genoeg is om de overzijde te willen en kunnen bereiken.

Juist in deze aeon zal de bescheidenheid het gewenste spirituele resultaat brengen, de waarachtige innerlijke bescheidenheid, niet het uiterlijke spel via een stralende bedrieglijke persoonlijkheid! Deze mens moet leren zijn zonnekracht, zijn levensenergie, zijn persoonlijke fluïdum niet aan te wenden tot een overheersing, noch van zijn ziel, noch van zijn naasten.


Er zal een verwisseling gaan plaatsvinden van krachtbronnen; niet de ego-zon zal hem lichtkracht schenken voor de doortocht, maar de geest-zon wordt zijn leider naar het Nieuwe Land. In de vijfde aeon laat God of het Licht der Lichten de kandidaat, geen moment alleen, alleen met het eigen innerlijke Lichtrestant. Zal de kandidaat het met dit zwakke Licht gaan wagen? Nu zal het bewijs geleverd moeten worden van de levensmogelijkheid van deze innerlijke lichtkracht. De moed van deze kandidaat wordt op de proef gesteld.


Waagt hij de doortocht op basis van deze minimale Lichtkracht óf wendt hij zich wederom tot de stralende kracht van de ego-zon? Dit wordt het criterium binnen deze fase. Vele zoekers, waarlijk op weg naar het Nieuwe Land, hunkerende naar het Aurora van de nieuwe Hemel-aarde, zullen dit stadium herkennen. Hun strijd is de strijd van velen. Hun belemmeringen zijn herkenbaar bij velen. Hun eenzaamheid is de eenzaamheid van velen.

De trotse hoogmoedige ego-koning moet echter van zijn papieren troon stappen en zijn ontoereikendheid erkennen. Dan breekt het goede moment aan om de eerste stap te zetten in het water van de Jordaan. Dit water wordt overgoten door de stralen van het geestelijke Aurora, zodat niemand de duisternis, de afwezigheid van de ego-zon behoeft te vrezen. Hij, die waagt met zijn "kleine lichtkracht" ervaart dit!

 

De eenzaamheid van de zesde aeon.

In de vijfde aeon moest de pelgrim een nieuwe Zon als gids nemen, wat tot consequentie had dat hij de sterke zon van de persoonlijkheid moest onttronen om diens plaats te laten innemen door de Geest-zon. Trots en eigenliefde moesten totaal worden uitgebannen en de deemoed en de ootmoed moesten hem tot aan de overwinning geleiden. Het innerlijke licht dat het hart vervult moest opklimmen tot in het hoofd, het verstand moest zich nederbuigen voor de "rede des harten". De eigenwaan van het verstand was in deze aeon het grote struikelblok voor de pelgrim en daarom moest hij zich ootmoedig nederbuigen voor het bewustzijn des harten. In de vijfde aeon is de grote tegenstander weggevallen. Het eigen ego, de onrechtmatige heerser, werd onttroond en de pelgrim blijft achter in een toestand van uitputting, maar tevens van overgave. 

 

De strijd is plotseling van hem weggenomen, de uitdaging ontbreekt, de tegenkrachten lijken te rusten. Allereerst meent hij dat hij gereed is gekomen, en dat er nu een periode van vrede en bezinning zal volgen, waarin hem de tijd wordt gelaten om zich te verenigen met de eigen Lichtkracht. Hij denkt dat die ellendige ervaringen in de aanvallen der aeonen-machten zijn voorbijgegaan en dat hij rechtvaardigheid zal wedervaren en zo met zijn innerlijke Licht de Diepe Vrede van Bethlehem zal binnentreden. De Oosterse Gnosis noemt deze zesde aeon: de aeon van de volkomen Rust. De aanvallers van de 6de Aeon trachten hem nu te ontmoedigen door hem te negeren, door hem af te sluiten van hun levensstromen, door hem op te sluiten in de eigen levenssfeer en elkeen die onwetend en onvoorbereid deze intelligente trawanten ontmoet, zal omkomen in de leegte van het eigen innerlijk. Niets vermag deze beslotenheid in de eigen levenssfeer, deze cellulaire opsluiting in de eigen aura, te overkoepelen en te verlichten, dan de innerlijke Lichtkracht van de pelgrim zelf. Bezit hij deze Lichtkracht niet, dan wordt zijn aanwezigheid in deze aeonische sfeer een foltering, hoewel de aanvallers hem met rust laten. De eigen leegte zal hem aangrijnzen en de afwezigheid van activiteit en klanken zal hem benauwen. 

 

Nooit tevoren zal hij zo nauw geconfronteerd geweest zijn met het eigen innerlijk, nooit tevoren heeft hij de trilling van het eigen ik zo sterk kunnen beluisteren en nooit heeft de innerlijke afgrond zich zo wijd voor hem geopend als nu. Men noemt deze aeon "de Aeon van de volmaakte Rust" omdat de pelgrim zich hier niet door de waarheid en de werkelijkheid mag laten verontrusten. Hij wordt alleen gelaten met zichzelf en in zichzelf en zelfs om hem heen is er geen afleiding meer. Hij moet nu inkeren of hij wil of niet! De bewuste pelgrim weet dat deze inkeer noodzakelijk is en weigert niet, integendeel: hij zoekt het Licht dat-in-hem is. Het binnengaan in deze aeon schijnt de pelgrim dan ook een heerlijkheid toe.  Eindelijk rust! Eindelijk vrede! Eindelijk rechtvaardigheid! 

 

Hij beseft echter nog niet dat de trawanten van deze 6de aeon hem tot zelfvernietiging kunnen pressen in de meest wrede vorm. Gelijk zij in de 3de aeon hebben getracht deze mens door onrust te ontledigen en uit te putten, zo zullen zij in deze tweede Mercuriussfeer hem trachten te vernietigen door middel van zijn hunkering naar perfectionisme en vervolmaking. Zo kan het geschieden dat hij door de ontdekking van de eigen innerlijke ledigheid zijn verbittering ontlaadt in cynisme, sarcasme en bijtende zelfspot. Hij vervalt in een niets ontziende kritiek, die gericht is op zichzelf zowel als op anderen. Hij wil alles kapot maken, omdat hij niet meer gelooft in de volmaking, in de overwinning, in de volkomenheid. Dit is de complete afgang van de schijnheilige 5de aeon-mens, die in de 6de aeon meedogenloos van zijn pronkerige koningsklederen wordt ontdaan en zo wordt aan hem het sprookje van de "kleren van de keizer" bewaarheid. 

 

De harde, rechtvaardige waarheid, die geen compromissen kent, is als een klievend zwaard dat de mens van deze aeon zowel op zichzelf als op anderen richt. De ontluistering vindt plaats door de confrontatie met het waarachtige Licht. Het binnentreden in het veld van deze aeon brengt het risico van de spiegel der waarheid met zich mede.

 

Niemand kan de intense geloofskracht en het vaste vertrouwen van deze kandidaat verstaan dan hij die in diezelfde binding staat en dit Licht eveneens kent. Allen die twijfelen, die voortdurend heen en weer geslingerd worden tussen hoop en vrees en uitgeput worden door de aanvallen der archonten, zij kennen nog lang niet die ononderbroken vervoering, die voortkomt uit de herontdekking van het eigen innerlijke Licht. Om zulk aan kandidaat uit zijn evenwicht te brengen, zo weten de aanvallers, de trawanten, moet men een geestelijke kracht tegen hem in het geweer brengen, want de greep op het ego herstellen is onmogelijk door de lichtende muur die deze mens omringt. Daarom concentreren de aeonen-trawanten hun verkrachte, magische, innerlijke licht, dat in werkelijkheid dieper is dan de diepste duisternis.

 

Uit de verkrachte lichtbron brachten zij duisternis voort, het bewuste kwaad, de doelgerichte zwarte magie, die zielen pijnigen kan. Met deze magie hopen zij het innerlijke Licht van deze pelgrim te kunnen afzwakken. dit Licht moet verontreinigd worden, zodat zijn fundament onder zijn voeten zal afbrokkelen. Tegenover de onontkoombare, rechtvaardige waarheid plaatsen de trawanten nu de schijnwaarheid, een gevallen waarheid, een occulte kracht, die men onder allerlei benamingen tegenkomt, soms Gnosis, soms licht, soms Christus, soms God, soms verlossing. Deze strijd wordt niet meer gevoerd met uiterlijke wapenen en zo zullen velen het gevecht niet onderkennen, want zij ligt ver boven het inzicht van het massabewustzijn. Dit gevecht is meedogenloos, zoals de waarheid en de gerechtigheid onbarmhartig kunnen zijn. 

 

Deze pelgrim moet van binnenuit stralen en zo dit niet geschiedt werkt hij zielloos, bekrompen, vechtend tegen de eigen ledigheid, zich verdedigende door hardheid en cynisme. De trawanten van de 6de aeon zullen zich concentreren op de zenuwether van de pelgrim, het veld waar de middelaar woont tussen geest en ziel, en ziel en lichaam. 

 

Het is een beproeving voor de onvoorbereide mens om deze rust van de 6de aeon te ondergaan en besloten te worden in het eigen aurische veld. Datgene wat de 3de aeon-pelgrims vrezen geschiedt in de 6de aeon: de mens wordt alléén gelaten met het eigen zelf.  De bewuste pelgrim ondergaat daardoor vreugde, omdat hij de Lichtbron in zichzelf ontdekt; de onbewuste pelgrim gevoelt bitterheid, omdat hij voor een innerlijke ontgoocheling staat.

 

De hardheid van de nu werkzame trawanten moet ontdooit worden door werkelijk liefde uit te dragen, een mededogendheid die meehelpt om het zwaard der gerechtigheid uit liefde en niet uit bitterheid te hanteren. Allen die lang een liefdeloze situatie en een onverzettelijke hardheid hebben moeten ondergaan snakken naar enige liefde, naar warmte en vergeten en vergeven. Zulk een verlangen kan ons achter medeslepen in een oppervlakkige, emotionele vervoering, waardoor wij maar al te dikwijls een prooi kunnen worden van mediamieke toestanden, warmte uitstralende persoonlijkheden. 

 

Wie het zwaard der waarheid durft opnemen zal moeten verwachten dat dit zich eveneens tot de hanteerder keert. De binnentredenden in de 6de aeon zullen de Zang van het Vertrouwen moeten gaan zingen, de zesde boetezang, en deze zang is een gebed van overgave, geloof, lichtkracht en hoop. Wanneer de mens zich overgeeft aan het oordeel Gods, aan Zijn gerechtigheid, ontdekt hij dat er vanuit deze Bron der Liefde vergeving nederdaalt en deze is voor de zo ervaringsrijke mens als een balsem die de harte-wonden heelt. Zich te hullen in een Lichtmantel, zich beschermd te weten door een muur van Licht, dat is een troost, een genade en een voorrecht. 

 

Zij die eerlijk, waarachtig en vertrouwend hun pad vervolgen, zij zullen bemerken dat er inderdaad zulk een Lichtmantel om hen heen geweven wordt en als zij dan de essentie van deze beproeving verstaan, dan zullen zij weten dat daar waar het Licht is, het uitgedeeld moet worden. Dan overwint de Maagd-pelgrim die subtiele ijverzucht op zijn eigen kostbare innerlijke schat en zal hij hem tonen aan allen, die hem verlangen te zien! Wat er ook van komen moge. Want waarlijk, hij die de binding met het Licht der Lichten bezit, vreest niet!

 

De beslissing in de zevende aeon.

 

Na de zes voorafgaande fasen is de pelgrim gekomen tot op de bodem van zijn harde ervaringen en neergedaald tot in het diepste diep van het eigen zelf; vanuit de bodem van dit zelf, dat nu bewijzen moet uit welke materia het gevormd is, zal hij opstijgen en als vanaf een nieuwe aarde opklimmen tot aan het licht. Een hoger aanzicht van Venus wordt nu voor deze pelgrim geplaatst, een Venus die niet meer de liefelijke verleidster is, de wedijverende Jezebel, die de goddelijke Liefde afstoot, maar Venus verschijnt nu als de Morgenster, hem wenkende tot een nieuw levensbeginsel, wanneer hij vanuit zijn Virgo-beslotenheid zijn eigen persoonlijke nacht, naar buiten treedt.  De zevende fase is daarom een oriënterende fase. De pelgrim probeert in evenwicht te komen (na zo'n lange beslotenheid) met de sfeer boven hem, het uitspansel waarnaar hij hunkert. Hij beseft nog niet dat binnen deze zevende aeon het "Lied der Beslissing" gezongen zal moeten worden, maar hij gaat intuïtief te werk en komt aarzelend uit zijn kerker, de blik gericht op dat grootse Licht en zijn woorden vormen een gebed: "Aan  U, O Licht, heb ik mijn kracht opgedragen". 

 

Nu wil hij zich totaal gaan verliezen in dat Licht, zodat de lagere, d.w.z. zuiver stoffelijke werkingen van Venus hem niet meer zullen treffen. Hij wil dit hernieuwde vertrouwen niet meer verliezen, zijn kostbare bezit - de Materia Mater - wil hij niet meer onder zijn voeten voelen wegzinken.  Ergens in hem is de angst dat dit alles opnieuw zou kunnen beginnen. Nu heb ik eindelijk de Materia Mater gevonden en in plaats van mij daarin geheel te kunnen verbergen en een rustige zekerheid te vinden, word ik naar buiten gedwongen en geforceerd om deze Materia Mater te verlaten! Het is voor deze mens een worsteling om verder te gaan. Hij verwacht niets meer, hij hoopt niets meer, er is hem niets meer gebleven dan dat Licht waarin hij gelooft en waarop hij vertrouwt. 

 

De Oosterse astrosofie zegt van deze fase: "De pelgrim wordt naar buiten gedragen en zijn wezen is als afwezig." Het buiten zichzelf gedragen worden door de inducties van het Licht. Het ego wordt volkomen genegeerd, het wordt als 't ware buiten het innerlijke leven van de pelgrim geplaatst. Dit ego is als afwezig. Dit is nu de grote strijd binnen de zevende aeon. De pelgrim wordt beproefd op zijn vertrouwen  Heeft hij tijdens de gang door de vorige aeonen waarlijk een nieuwe grond onder zijn voeten gebouwd? Daarom is de zevende aeon beslissend. Het gaat om de nieuwe aarde onder de voeten van de kandidaat. Buiten het ego van deze kandidaat om wordt zijn innerlijke lichtkracht gemeten en hijzelf beseft dit niet. Hij laat zich voortdrijven op de aanrakingen des lichts en hij wil niet op of om zien. Hij weigert absoluut - in een onbewuste zelfverdediging - de werkelijkheid te schouwen, hoewel die werkelijkheid schoon en heerlijk kan zijn. 

 

Zij, die deze fase binnengaan lijken onbereikbaar te worden voor de aanvallers, voor de afschrikwekkende horden. Doch dit is slechts schijn. De grove aanvallen der lagere aeonen stuiten af op zijn "afwezigheid" . Daarom is deze pelgrim ook niet meer te bereiken door aanvallen op zijn ego of op zijn aardse bezit, want daaruit heeft hij zich bewust teruggetrokken. Er kan deze pelgrim slechts één ramp overkomen: beschaamd te worden in zijn vertrouwen op het Licht der Lichten. Alles wat zich in de tweede aeon heeft afgespeeld gaat zich - zo deze mens niet op zijn hoede is - op een hoger niveau herhalen in de zevende aeon. Lukt het de aeonen-trawanten om deze pelgrim zijn vertrouwen te ontnemen en hem een rad voor de ogen te draaien, dan is zijn lot beslist. Dan wordt het een Lied van Beslissing in neergaande lijn. 

 

Het is een zegen dat de mens in deze aeon dit niet beseft, want zijn angst zou hem uit zijn evenwicht stoten en zo zou hij vergeten zijn Licht der Lichten te omklemmen en hij zou zijn geloof in de Materia Mater verliezen en zo zou er voor hem niets meer overblijven dan een leegte, het grote lege niets, geen God, geen Licht, slechts een niemandsland. Dit is de versterkte weergave van de tweede aeon. Daarin ontviel hem de materiële zekerheid, nu zou hem de spirituele zekerheid ontvallen. Er blijft dan niets anders over dan opnieuw te beginnen, zichzelf en zijn ervaringen vergeten en zich blindelings te storten in de chaos. Zonder het Licht der Lichten, zonder die goddelijke energie, dreigt alles terug te vallen in een dode lichtloosheid; zoals sterren terugvallen in een stervende materie wanneer hen de bezielende lichtkracht wordt onthouden. 

 

De zevende fase waarin de Pistis Sophia verkeert moet voor iedere spirituele pelgrim een waarschuwing zijn. Hij moet leren vertrouwen op zijn innerlijke licht, leren erkennen dat zijn "innerlijke kleine kracht" de mogelijke wreedheid van de werkelijkheid buiten hem overwinnen kan. Geen spiritueel mens kan innerlijke rijpheid verwerven door hun angsten, zorgen en twijfels te verdringen, maar hij zal de realiteit onder ogen moeten zien en deze dan met een nieuwe innerlijke gesteldheid moeten durven tegentreden. In de zevende fase wordt de pelgrim gewogen of hij voldoende geestelijke bewustzijn bezit om de achtste fase te mogen binnengaan. 

 

Het vertrouwen op het Licht der Lichten is geen passief bezit, maar het is een geestelijke gave waarmede de mens moet gaan arbeiden. Er zal niets anders opzitten dan de droom binnen het eigen denken te verlaten en gewapend met de heerlijkheid van die droom des Lichts de realiteit tegemoet te gaan. Want na de zevende fase verandert de gang der aeonen en wordt hij een innerlijke reis, een reis door de zielestadia, die slechts ondernomen kan worden door hen, die een zielebeginsel ontsloten hebben. In dit stadium heeft de pelgrim geen enkele lust om de harde werkelijkheid onder de ogen te zien en daarom moet hij daartoe op intensieve wijze worden aangezet. Hij houdt zich "afwezig", het zelf plaatst zich buiten de gebeurtenissen, niet uit een spirituele zelfverlorenheid, maar slechts omdat het bang is. De diep gewortelde angst des mensen moet nu radicaal worden overwonnen. Hij zweeft tussen twee gewaarwordingen: hij hoort de stem des Lichts en wil deze beantwoorden, omdat hij beseft dat deze zijn enige houvast is; maar hij weet tevens uit eigen innerlijke ervaring dat de trawanten van de leeuwenkracht op de loer liggen en dus wenst hij zich voor hen schuil te houden. Zodoende is hij hier noch de spiritueel bewuste noch de materieel strevende mens. Hij is eigenlijk geen deelnemer aan één der beide gebieden. Hij staat in de overweging en kan niet besluiten. 

 

Het grootste obstakel voor deze mens is zijn besluiteloosheid, zijn "afwezigheid" tegenover een beslissing en een positieve levensinstelling. De omstandigheden zullen deze mens dikwijls dwingen tot een besluit en dan valt het te betwijfelen of de uitkomst in overeenstemming is met de wil van de pelgrim, dan wel dat deze door de omstandigheden te voorschijn werd geroepen. Zodra de pelgrim zijn eigen willoosheid hier niet laat overschaduwen door de Wil Gods, die vanuit het Lied van Vertrouwen op hem kan toestromen, is hij verloren en wordt hij het willige slachtoffer van hen, die gebruik maken van zijn "afwezigheid van het zelf". In de stoffelijke wereld bemerkt men dan ook dikwijls dat degenen die sterk onder de Libra-invloed staan een levensgezellin kiezen die hun eigen "afwezigheid" opheft door een positieve wilskracht. Om dit stadium van "afwezigheid" te doorbreken zal de pelgrim iets moeten doen dat hij boven alles verafschuwt: hij moet zichzelf gaan zien zoals hij werkelijk is en erkennen dat zijn lafheid en willoosheid hem zullen slachtofferen. 

 

De scherpe zelfkritiek, die lijnrecht in tegenspraak is met de bedoelingen van Venus, zal hij kunnen praktiseren zodra hij de vorige aeonen bewust heeft doorleefd. Uit zulk een innerlijke praktijk kan hij dan komen tot een laatste en bewuste zelfovergave, die hem de overwinning verzekert. De pelgrim moet slechts zijn "zelf" zoeken om dit zodoende onder de loep te kunnen nemen. De angst voor het falen moet hij overdragen aan het Licht waarin hij zich zo angstvallig verbergt en door de ontmaskering in het Licht moet hij leren de laatste wortels van het oude zelf te vernietigen. Men kan deze episode zien als een retrospectie, zoals dit na de dood geschiedt. De pelgrim wordt herboren in de nieuwe aarde en gaat zichzelf nu funderen in deze Materia Mater en dan moet hij de moed bezitten om na te gaan of er niets meer is achtergebleven van die oude aarde. Het is het moment waarin de pelgrim overweegt of er in hem en om hem niets meer is waaraan de trawanten zich kunnen vastgrijpen.

 

Hier ligt het gevaar op de loer. De redding is nog geen vanzelfsprekendheid. Woorden van hunkering en vertrouwen bewijzen niets. De Libra-pelgrim gebruikt al zijn gaven om het Licht te vermurwen, heel die charme van Venus wendt hij aan, zoals hij dit gewend was te doen in het dagelijkse leven. Doch hier wordt deze kandidaat geacht zes stadia van de boetezangen doorlopen te hebben en daardoor inzicht te hebben verkregen in de eigen schijnmethoden. Hij zal een innerlijke schat moeten bezitten die hem over de drempels van zijn oude zijn heen moet helpen. De woorden van vertrouwen en hunkering moeten ontkiemen aan een vruchtbare en reine aarde: de innerlijke Materia Mater. Indien dit het geval is, komt er vanuit het oerlicht vertrouwen op deze mens toe. De verloren zoon wordt reeds een Tehuis bereid; de Vader heeft vernomen dat hij thuis wil komen! 

 

Dan behoeft er geen zorg meer te zijn om het eindresultaat en om de beloning, zoals de Libra-mens zo sterk uitdrukt. Die beloning bevindt zich dan reeds in deze pelgrim en zo zal de angst voor het eindresultaat logischerwijze wegvloeien en kan de aanwezigheid van het Licht gezien worden als een vaststaande werkelijkheid. De spirituele "afwezigheid" in deze Libra-aeon is als een Niet-zijn, waarop spot en hoon als op een pantser afstuiten. Hij gaat zijn weg, omdat de realiteit des Lichts aan hem bewezen is en het is van geen belang of de toeschouwers dit wel dan niet onderkennen. Zo is de pelgrim wederom eenzaam, een isolement dat slechts doorbroken wordt door het Licht, waarop hij van den beginne vertrouwd heeft.

 

De enkelen, die de zevende aeon voorbereid zijn binnengegaan en de absentie van het ego, de dienaarschap van het ik, tonen, zij zullen zich af moeten zetten op de nieuwe Aarde in zichzelf, dat getransformeerde ego, dat de ziel dienend begeleidt. Absentie van het ego wil niet zeggen dat men willoos, of futloos is, integendeel, zodra de egocentrische drift weggeëbd is, komt er een andere kracht voor in de plaats. Een kracht die ver boven iedere egocentrische handeling of egocentrische bevrediging verheven is en zich ook niet ophoudt met schijnheiligheid. De innerlijke waarheid toont de kandidaat in de zevende aeon wie hij is, en hij die waarlijk bewust het Pad van Verborgen Wijsheid bewandelt, trekt daaruit zijn conclusies: hij gaat op zijn schreden terug tot daar waar hij is blijven steken, dan wel hij neemt het risico en gaat verder met de "kleine kracht" als gids. Slechts zij die het valse vuur van het ego onderkent hebben en de moed gevonden hebben dit te doven, zij zullen de overzijde van de Jordaan, de symbolische stroom Gods, bereiken!

 

 

Alles of niets in de achtste aeon.

 

 

 

 

Tot nu toe heeft de pelgrim geworsteld met de uiterlijke aanzichten van zijn wezen, zijn ego, zijn persoonlijkheid. Hij werd steeds aangegrepen in die persoonlijkheid en in de zeven fasen was de binding tussen persoonlijkheid en ziel dermate sterk dat persoonlijke belangen het verlangen van de ziel konden verstikken. In de achtste aeon echter ontvangt de ziel door middel van een krachtiger binding met het Licht een hernieuwde daadkracht. Doch nu is er een innerlijk fundament in hem gelegd en nu wordt zijn energie benut tot een innerlijke opbouw. Deze bouw kan uitsluitend slagen wanneer het vuur van de achtste aeon juist wordt aangewend. 

 

De aeonen-macht van de Schorpioen kan zowel demonisch, als goddelijk worden. De kandidaat kan daarom zichzelf verdemoniseren of zichzelf heiligen. Het vurige Schorpioenengif kan zijn gehele fundament vernietigen, dan wel het heiligen, zodra de kandidaat hier inzicht krijgt over de aard van zijn vuurkracht. De worsteling ligt hier in het inzicht en de zelfkennis. Of de pelgrim, indien hij zich bewust wordt van zijn macht, zijn vuur Luciferisch aanwendt dan wel herscheppend en heiligend. Zichzelf als een machtig wezen ontdekkende, een ziel die, scheppende en bouwend, gaven bezit, zal hij moeten kiezen of hij, zoals in de archaïsche tijden een Lucifer gaat worden of een Christus, een Satanaël of een Godszoon. 

 

Hij wordt dus op zichzelf teruggeworpen; niemand kan hem helpen, hij gaat zijn eigen oordeel ondertekenen: de dood of de wederopstanding. Hij kan kiezen voor de giftige, lage schorpioen, die zich zelf liever dood vecht dan zich over te geven, of voor de koninklijke adelaar der hemelen die uit het schorpioenen lijf kan ontstijgen. Zodra de pelgrim, na de zevende aeon, innerlijk de beslissing tot verder gaan neemt, vertrouwende op het Licht dat van den beginne in hem is geweest, geschiedt er hetgeen in de achtste boetezang van de Pistis Sophia wordt beschreven: "Zij wordt door Christus, de middelaar, buiten het bevel des Vaders om, naar een ruimer oord in de chaos gevoerd." De inwonende middelaar van de pelgrim "Chrestos", de trilling uit de goddelijke Oorsprong, voert hem naar een "ruimer oord". D.w.z. voert hem een trillingsveld binnen waar zijn denken zich kan verruimen en hij weidser spirituele verten schouwt. 

 

Zijn innerlijke ziele-vibratie vindt contact met de hoge kosmische radiatie binnen het universum. De ziel trekt zichzelf op aan deze hogere trillingen doordat zij nu de gelegenheid ontvangen heeft om zich te kunnen bewegen in vrijheid. De uiterlijke mens verbergt zich in de stilte. Hij keert zich af van de belemmeringen van zijn persoonlijkheid en baseert zich uitsluitend op de "kleine overgebleven zielekracht" in hem. Het ogenblik is aangebroken waarop alle aeonen en archonten der Luciferische natuur hem gaan zien als een groot gevaar. Zij beseffen dat deze mens hen is ontsnapt en zij kunnen niets anders meer doen dan hem achtervolgen. 

 

Zo bundelen in deze mens zich al zijn natuurlijke krachten, gaven en machten in denken, gevoel en wil zich samen, om te proberen hem tot een val te brengen. Zijn tegenstander woont in hem en maakt zich op voor de strijd. De strijd tussen de giftige schorpioen en de adelaar des hemels, die zijn vleugels wil gaan uitbreiden. Zij wakkeren een vuurkracht aan, een intense passie, waarin zij deze pelgrim willen laten vallen, opdat hij daarin verbranden zal en de adelaar gedood zal worden. 

 

Dit is de diepste aanleiding waarom men het achtste huis, het huis van de Schorpioen, in de astrologie het "huis des doods" noemt. Men schouwt niet die machtige verrijzenis, die opstanding uit de as, die verbranding van de lage schorpioen machten, die zichzelf verbranden in een door henzelf opgeroepen vuur, zodat de adelaar vrij van hen komt. Wanneer schorpioenen vechten dan strijden zij tot het uiterste, en zien zij hun verlies, gevoelen zij hun onmacht, dan slaan zij de angel in zichzelf. Waarlijk een prachtige bevestiging van de gebeurtenissen in de Schorpioenenmens en in de achtste fase. 

 

Er is geen tussenmogelijkheid binnen de achtste fase: het is of de zelfmoord van het lagere zelf of de wederopstanding van de goddelijke ziel. Alle pelgrims, die zulk een worsteling kennen, en zich gevoelen alsof zij van tijd tot tijd stikken in hun strijd tegen vurige aanvallen van het Luciferische zelfbehoud, wordt daarom altijd aangeraden hun blik te verruimen, op allerlei wijzen hun denken, gevoelen en willen vrij te maken van die strijd, zodat er een adempauze, een rust komt, waarin zij wederom het Licht der Lichten helderder kunnen zien. 

 

Het is goed dat de ziel haar eigen macht niet herkent, want nu provoceert zij haar eigen ego niet, maar werpt alle eer en alle dankbaarheid op de middelaar in haar. Dat is het voordeel van de pelgrim binnen de achtste aeon: het ik, de mens, herkent de zielekracht niet als zijnde iets van zichzelf, als een ego-bezit, omdat hij met zijn ego de trilling der ziel niet kan ontwaren. In dit opzicht is de persoonlijkheid waarlijk dood. De deemoedigheid van de Pistis Sophia trekt echter steeds meer Licht aan, zij blijft het Licht loven, in plaats van zichzelf te verheerlijken. Het is de waarachtige deemoed uit de Zaligsprekingen. Zodra de pelgrim besluit: "Ik kies het Licht", gaat dit Licht met hem, zelfs zonder dat hij dit aanvankelijk bemerkt. 

 

Er wordt in deze achtste fase niets anders beoogd dan dat de pelgrim gevuld wordt met licht, zodat de persoonlijkheid rustig "sterven" kan. Het gaan vanuit de zevende aeon naar de achtste aeon kan slechts geschieden binnen de stilte. De stilte van het wantrouwen, de stilte van de ego-angst, de stilte waarin het vertrouwen en de overgave geboren kunnen worden. De natuurgebonden mens heeft de grootste moeite om deze stilte te kunnen bereiken. Boeken zijn volgeschreven over het komen en realiseren van deze stilte. Men vergeet echter altijd het kardinale punt: Deze stilte wordt niet naderbij geroepen door oefeningen, concentraties en ascese, deze stilte is het resultaat van een voorafgaande individuele weg. De stilte groeide terwijl de pelgrim binnen de fasen worstelde. Hij herkent deze stilte nog niet, omdat hij nog niet tot een innerlijke bewustwording is gekomen, maar dat moment komt eveneens. 

 

De moderne, gejaagde, rusteloos zoekende spirituele mens zegt altijd: "Ik ben te onrustig, ik vind het nergens." Neen, natuurlijk niet! Hij beweegt zich op verkeerde wijze. Fundamentloos zijnde is zijn zoeken rusteloosheid, wantrouwen, ego-angst, zelfbevrediging en geen opheffen tot het Licht der Lichten, waardoor het zielefundament vanzelf gespreid wordt! Slechts zij, die alles wat in hen is in vol vertrouwen kunnen overdragen aan de "kleine kracht", zij weten wat het betekent "het Huis des Doods" binnen te gaan en herschapen te worden door het Licht in één die waarachtig leeft!

 

Eén van de moeilijkste opdrachten voor vele mensen en vooral voor de Schorpioen-typen is de overgave, het zichzelf onvoorwaardelijk overgeven aan een doel. Vele zoekende pelgrims menen dat zij zeer actief moeten worden, allerlei handelingen moeten plegen, doorlopend zich moeten beijveren in gemoed en denken. De westerse mens is een mens vol dadendrang, de oosterse mens neigt meer naar de overgave. In deze achtste aeon ontmoeten daad en overgave elkander en dat is een moeilijke opgave en slechts weggelegd voor degenen die voldoende inzicht bezitten. De serieuze mens zal hier ieder egobelang terzijde stellen en zich in volle overgave bemoeien om de ontvankelijke ziel in binding te brengen met het vuur van de geest. Daarvoor zal hij alles over hebben, zelfs zijn eigen genoegens en desnoods zijn leven. Een onvolwaardige en oppervlakkig geestelijke zoeker zal nooit kennis maken met de "alles of niets" opgave binnen deze achtste aeon, want hij is nog niet voorbereid geworden.

 

Schorpioen-mensen bemerken maar al te vaak dat zij hun eigen graf aan het graven zijn door hun velerlei experimenten, hun ongedurig zoeken en hun blindelings doorgraven van onbekende materie. Zij ontnemen zichzelf het heiligste, dat kleinood der ziel, of die "kleine kracht", die hen beschermt en hen op de weg der zelfinwijding plaatst. De pelgrim, die de Scorpio-angel in zichzelf slaat of deze uit wraak en bitterheid tot zijn naasten opheft, is waarlijk een verschrikking geworden. Hij wordt zowel zichzelf als zijn naasten tot een vijand. Met cynisch genoegen zal hij gaan afbreken wat hij na jarenlange worsteling heeft opgebouwd, louter uit teleurstelling, uit chaotische emotionaliteit. Zowel het gemoed als het denken zullen in deze mens in verwarring geraken. Het gif van de angel maakt hem innerlijk ziek. Zo slachtoffert hij zichzelf, geestelijk en dikwijls ook lichamelijk. Het geestelijke Endura, de overwinning van de ziel op het ego, loopt uit op een geestelijke zelfmoord. Dat is het gevaar binnen de achtste aeon. En tevens de drempel waar overheen de Schorpioen-mensen moeten stappen.

 

Vanuit deze achtste aeon is er slechts het onvoorwaardelijke terugkeren op zijn schreden of het voorwaarts gaan dóór de poort van het Endura heen. Een andere keuze is er niet. Bij voorbereidende fasen kan men met raad en daad terzijde worden gestaan, maar in deze "alles of niets" fase komt het er waarlijk op aan. De oude vrienden zullen deze mens niet meer begrijpen indien zij dezelfde ervaring niet kennen.  Dat is nu de "omwending", waarover gesproken wordt in o.a. het Scheikundige Huwelijk van Christiaan Rozenkruis. Nadat hij zich omgewend had, werd hij een eenzame figuur, stond hij terzijde van de anderen. 

 

Er komt een verwisseling van levensveld, waarbij procesmatig andere beelden op deze pelgrim toe zullen komen en ook andere naasten. Het ene gaat heen met alle leed daaraan verbonden en het andere komt met alle vreugde die daarmede annex is. Geen enkele georganiseerde spiritualiteit kan deze fase reëel maken voor zijn leden. Geen enkel lid van een religieuze organisatie zou dit ook willen, omdat hier de veiligheid van het hiërarchieke lichaam wegvalt en dat betekent altijd onzekerheid. Het tegelijkertijd ervaren van een "stervensuur" en een "geboorte-uur" is een eenmalige ondervinding.

 

Zonder moeite komt niets tot stand. Noch kan men heengaan uit de oude levenssfeer, noch kan men binnengaan in een nieuwe levenssfeer, zonder de diepten en de hoogten van smart en vreugde te hebben doorleefd. In waarheid zijn smart en vreugde een en dezelfde.  Ook daarin krijgen de woorden uit het Thomas-evangelie een diepere betekenis: "zodra de mens de twee tot één kan maken" zal hij de overwinning smaken. De trawanten in de Scorpio-aeon beogen niets anders dan deze mens in zichzelf te splitsen, hem uitéén te scheuren op spirituele wijze, ego en ziel scherp tegenover elkander te plaatsen. "Ik gevoel me innerlijk verscheurd" zuchten dezulken. 

 

Inderdaad! Deze mens wordt met opzet innerlijk verscheurd, opdat de "kleine éénmakende kracht" in hem zal wegkwijnen. Sommigen kunnen als 't ware gevoelen hoe hun zielekracht uit hen weg vliedt en zo stervende zijn zij toch gedwongen door te leven. Dat leidt tot cynisme en bitterheid. Hoofdzaak is dat de zoeker en vooral de serieuze kandidaat nooit het geloof in het Licht der Lichten verliest. Dat hij altijd opnieuw het moment terugvindt om zijn blik omhoog te richten en het gebed van de Lichtzoon uit te spreken, dat altijd aanvangt met: "O Licht der Lichten in wie ik geloofd heb vanaf het begin......"Dat is het koord van Ariadne dat de pelgrim verlost uit de duistere spelonken waarin het ziele-vretende monster op de loer ligt.

 

 

 

Negende aeon – paard of mens?

 

 

Wanneer de waarachtige spirituele mens de innerlijke verandering in zichzelf ervaart en beseft dat de schorpioen moet sterven, zodat de adelaar zijn vleugels ten hemel kan verheffen, dan wordt hij pas werkelijk een tweevoudig wezen. Tot aan dit moment zocht hij zijn vervulling in aardse zaken en zijn geestelijke interesse richtte zich uitsluitend tot een morele levenshouding. Het was hem niet mogelijk zijn ziel onafgewend gericht te houden op de hemelse horizonten.

 

Moreel is deze pelgrim, gehoor gevende aan de innerlijke waarschuwingen, een edel mensdier geworden, die de lagere begeerten uitbant en zich nog slechts bezig houdt met hogere doelstellingen. Vanuit de spirituele kant bezien zou men deze mens, die de wandeling door de aeonen goed volbracht heeft, een opstijgende mens kunnen noemen, hij heeft reeds een direct contact met de hemelen. Vanuit zijn tweevoudigheid probeert hij zich omhoog te heffen tot de geest des lichts.

 

Zijn arrogantie is geveld, zijn persoonlijke gaven en zijn sterke wil mochten niet baten bij de spirituele verwerkelijking en dus zal deze pelgrim binnen deze boetezang een volkomen andere realiteit binnengaan, die hij voordien nog nooit ervaren heeft.

Hij wordt door de trawanten van de natuur-archont met rust gelaten, indien zijn pijl onafgebroken op de hemelen blijft gevestigd, doch zodra verflauwt zijn hemelse gerichtheid of zijn belagers storten zich op hem en trachten hem te vernietigen.

 

Door de aanwezigheid van het paardelichaam heeft hij nog steeds contact met de natuur, zijn zwakte ligt in de gehechtheid aan de moraliteit van deze wereld en juist in die moraal wordt hij aangegrepen. Dit dierenlichaam irriteert hem mateloos, het leidt hem af van zijn doel en daarom is hij in staat het op alle mogelijke manieren te vernietigen, indien dit in zijn vermogen ligt. Zo komt er over deze mens een typische eenzaamheid.

De innerlijke isolatie van het wezen dat zich nergens bij voelt behoren.

Het is geen eenzaamheid waartegen men vechten kan, noch een smartelijke ervaring als gevolg van een foutieve handelingswijze, maar deze onvermijdelijke eenzaamheid is als een afscheid nemen van een lang geliefd wezen, dat men eindelijk als een belemmering herkent Hoewel het dienstbaar is geweest, zijn uiterste medewerking heeft verleend en zo geworden is tot een edel dier, komt nu het ogenblik waarop men ook van dit edele dier afscheid moet nemen en dat kost moeite. In de negende boetezang van de Pistis Sophia komt deze onvergelijkbare eenzaamheid duidelijk tot uiting.

Zij spreekt nu uit twee wezens die beiden lijden.

 

Het aardse lichaam zendt zijn noodkreten omhoog, omdat het wordt afgeschud en het zielewezen zendt zijn noodkreten omhoog, omdat het hulp verlangt om zich van dit edele dier te kunnen bevrijden. Deze pelgrim vertoeft met zijn gedachten reeds in de hemelse sferen, zijn idealisme is op de geestelijke verten gericht, doch die logge materie waaraan de archonten zich vastklemmen houdt hem terug van zijn ideële vlucht. Steeds weer valt hij terug op de aarde en de harde realiteit van zijn stoffelijke begrenzingen. Altijd weer trapt deze mens in de val die de geraffineerde tra­wanten voor hem opstellen: zijn onhoudbaar idealisme betreffende de aardse situaties. Ontgoocheling is zijn deel.

 

Het streven naar morele adeldom zet hem aan tot ikloze handelingen doch deze schenken hem nog niet de vleugels die nodig zijn om de hemelen te bereiken. Zelfs de belangeloze handelingen vormen aanleiding om de trawanten op zijn hals te halen en dat brengt vertwijfeling en onrust. Iedere werkelijk naar de geest zoekende en verlangende mens, die de oplossing en de consequenties kent, zal deze situatie herkennen. Het is een bloedsweten en toch gelukt het niet om een hemels wezen te worden, dat niet meer struikelt over zijn eigen voetstappen of impulsief in de valstrikken van de trawanten trapt

 

Deze pelgrim kan de nabijheid van het Licht gevoelen, hij onderkent de kracht en de warmte en toch kan hij niets anders doen dan wachten omdat hij zich in een soort verdoving gevoelt. Er rest hem niets dan bidden. Bidden op een hartstochtelijke, volkomen overgegeven wijze, geïnspireerd door de innerlijke noodsituatie. Wel, dat is het ogenblik waarin de ziel zich bevrijdt van het mens­dierlichaam.

 

Er komt een ogenblik waarop de ziel zich naar die hemelen laat wegschieten door de vaste hand waarmede pijl en boog gericht worden. Er is slechts de opgave voor deze mens: Houdt pijl en boog vast gericht, verslap niet in deze gerichtheid en laat u niet verleiden om deze pijl op het paardelichaam te richten.     Die pijl is er om de ziel omhoog te schieten, als een vogel die bevrijd wordt; uit hoofd- en hartheiligdom zal deze ziel zich verheffen tot in de verste verten. In dit stadium is het loskomen van de emotionele en mentale werkingen der natuur slechts een kwestie van een enkel moment, het verbreken van zuiver natuurlijke bindingen. Het paardelichaam is zwaarder dan het menselijke lichaam, maar het moet lichtvoetig worden.

 

Natuurlijke adeldom maakt deze mens dikwijls tot een eenling tussen zijn vrienden, men lacht hem uit of profiteert van hem en daartegen vindt hij slechts een verdediging door zich te verbergen in zijn spirituele idealiteit. Zou zijn pijl op het paardelichaam gericht worden dan wordt hij een fanaticus, vechtend tegen windmolens, zichzelf trachtende edel te gedragen en aan de andere kant zijn edele inborst ver­nietigende door bijtend en onrechtvaardig fanatisme. Dat is de zelfvernietigingsmogelijkheid in deze fase.

Zodra het idealisme zich horizontaal uitwerkt, verlaat de spirituele inspiratie deze mens en kan hij een verbitterde worden, omdat niets hem lukt of een verdwaasde die zichzelf opsluit in de betrekkelijke adeldom van een dier.

 

De kracht en de zwakte van de Boogschuttermens liggen in zijn gave om iets niet te willen zien. Hij ontkent glashard hetgeen voor zijn naaste een realiteit is. In deze aeonengang wordt deze gave een sterke medestander, omdat hij zijn aanvallers ontglipt doordat hij hen niet wil zien, niet wil horen en zelfs hun aanwezigheid negeert.

In de oosterse astrosofie noemt men deze fase "de veroot­moediging van de wil". Hij heeft zijn wil gekoppeld aan zijn pijl die naar de hemelen is gericht. Hij verbergt zich in zijn ideële of spirituele denkbeelden. Zulk een mens is het beste in staat om een gebed omhoog te schieten, "de pijl gericht op Gods oor". Hij herkent opnieuw het Mysterie des Lichts, vandaar dat de Pistis Sophia zegt: "Zij hebben mij gedwongen het Mysterie des Lichts te ver­tellen, hetgeen ik niet kende" Dit mysterie te kennen, of te herkennen, is een genade. Daarvoor moet men iets van zichzelf prijsgeven, nl. het paardelichaam.

 

Dat is het grote mysterie: "Zij hebben mij gedwongen het Mysterie des Lichts te vertellen, hetgeen ik niet kende." Deze pelgrim geeft een Mysterie, een Kracht en een Wijsheid door die hij meende niet te kennen. Hij kende het pas na de totale overgave aan het Licht. Zodra de mens binding verkrijgt met de geest, zullen de trawanten der duisternis hun onmacht gevoelen, omdat niemand dan zij beter weten dat hij, die eenmaal binding met de geest gelegd heeft altijd tot die geest zal terugkeren. Deze mens uit de negende aeon onttrekt zich aan de aeonen door zijn visioenen, zijn ge­dachtenbeelden, die als pijlen wegschieten tot achter de horizon van het tijdelijke land.

 

Hij moet ervoor waken geen hypocriet en geen theoreticus te worden, zichzelf omkledende met de fantasieën zijner ge­dachtenbeelden. Daarin wenst hij zich eigenlijk terug te trekken, de harde realiteit zo verdoezelende, zichzelf verheffende op een imaginaire troon die door niemand ongestraft onder hen kan worden weggehaald.

 

Hij bezitten een verborgen leven, d.w.z. een toevluchtsoord waarin hij zichzelf kan terugtrekken en, als hij de beheersing over zichzelf verliest, deze fantasiewereld aanziet voor de realiteit Zo zal hij dikwijls anders reageren dan de medemens ver­wacht, omdat de impulsen uit zijn denkwereld hem kan aanzetten tot onverwachte en onverhoedse daden. Hij is dikwijls een onbegrepen mens. Er zijn slechts weinigen die zijn gedachtenlijnen zullen kunnen volgen en ook zullen er dikwijls weinigen zijn die bereid zijn z’n soms ongelooflijke theorieën aan te horen, die voor hem echter absolute feitelijkheden zijn. Men kent hem nooit zoals hij werkelijk is. Laat hij voorzichtig zijn met zijn woorden, goed onderscheidende tot wie hij zich wenden kan, juist beoordelende of de waarden die hij meent te zien wel voorgelegd kunnen worden aan anderen.

 

Overwint hij zijn tweeledigheid, en negeert hij zijn beletselen, dan hervindt deze mens een duurzame zekerheid die hij delen kan met zijn gelijken, die om hem heen zijn als hij zijn Jupiterische oog openen wil. Hij verafschuwt egocentriciteit, hij verwerpt ieder gemarchandeer met spirituele waarden en laat zich volkomen leiden door een idealisme dat, afhankelijk van zijn innerlijke groei, materieel dan wel spiritueel gericht is.

 

De negende kaart van de Tarot is de Wijze of de Heremiet. Degene die spiritueel autonoom geworden is. Op zijn bevel zal Saturnus de poort openen, omdat hij, door ervaring en de intuïtieve kennis uit het land des Lichts, het wachtwoord zal weten uit te spreken. Mits hij op het moment suprême Nemesis verslaat met het wapen des Lichts, dat vanaf den beginne in hem is. Dit is zijn kracht: dat hij doet hetgeen hij geleerd en vernomen heeft via zijn pijlen des Lichts.

 

 

tiende aeon - De sprong over de afgrond.

 

 

Nadat in de negende boetezang het gebed van de Pistis Sophia is verhoord, verandert er iets in haar. Zij slaagt erin haar "paardelichaam" los te maken van de om­klemmende greep van de materie en is dus in staat zich vrij te begeven naar het gebied van haar vurigste hartenwensen. Dit is het resultaat van het verhoren van haar gebed. De grens van zijn mogelijkheid is bereikt, de pijl wordt weg­geschoten, als een gebed tot de hoogten en rukt het paardelichaam los van de materiële ketenen.

 

In de tiende aeon staat de Steenbokmens voor zijn grens: de top van een berg: voor hem ligt de afgrond, achter hem ligt de lange barre tocht tot aan de top

Op de top van de berg kan hij de wereld der tegengestelden goed herkennen, en kan hij begrijpen waarom de barre beklimming vanuit het dal hem zoveel moeiten heeft gekost.

leder mens, die op de top van zulk een berg staat, schouwt een nieuw vergezicht, een ander facet van de waarheid en zo komt in hem een totaal nieuwe sensatie: de zekerheid dat hij de top gehaald heeft. Er is een strijd uitgestreden, het vertrouwen stijgt in alles overheersende golven in hem op, een melodie die af en aan ruist, maar nimmer verdwijnt. Niets kan hem nu meer van deze melodie der ziel verwijderen, want op de top van deze berg houdt hij contact met de geest en zo genezen de wonden der harde ervaringen: de zekerheid van de vaste bodem onder zijn voeten neemt nu alle onzekerheid en twijfel weg. Tussen de negende en de tiende aeon ligt de fase van de verbreking van de oude materiële zekerheid, en het hervinden van een totaal nieuwe zekerheid, geboren uit het Licht.

 

De schijnbare "rots" van de materie laat deze Steenbok-mens achter zich en springt over de afgrond heen naar de zekerheid van de spirituele "rots". Hij zal dus een nieuw houvast vinden in een land over de afgrond, het grensland wordt gepasseerd.

De mens moet waarlijk wanhopig zijn en geen enkele uitweg meer zien en geen alternatief meer kennen dan de geest zelf om zichzelf zó te kunnen overgeven dat hij in deze tiende fase het Licht werkelijk ondergaat. De pelgrim moet tot aan het uiterste van zijn kunnen en zijn uithoudingsvermogen zijn gegaan om de realiteit van het Licht te kunnen ervaren. De mens moet ervaren dat het Licht aanwezig is.

 

Met hoevelen is dat ooit het geval? Staat men niet al te dikwijls op de grens van een compromis tussen materie en geest? Proberen we niet vaak met zulk een compromis de realiteit van de afgrond buiten te sluiten of een brug te slaan tussen beide "rotsen" der zekerheid? In de tiende aeon kan de pelgrim zich losmaken van zijn aardsgerichte ego en zich vereenzelvigen met zijn Ziele-Individuum. Zou hij geen enkele lichtimpuls bezitten, dan zou deze pelgrim verstarren in het saturnale beleven. Men kan dat zien bij de doorsnee-typen van het zodiakale Capricornus-beeld. Als er een mens een innerlijke belemmering ondervindt dan is hij dat wel!

 

Hij is als de mens die de baan van poortwachter tegen zijn zin kreeg opgedrongen en zich nu zonder hoop schikt in een uitzichtloze positie. Vandaar zijn veel voorkomende zwaarmoedigheid. Hij ligt, in zijn gevoel, geketend aan de onverplaatsbare rots en hij meent zichzelf niet in staat tot bevrijding. De diepe wijsheid van Saturnus heeft zich nog niet aan hem geopenbaard, omdat dit slechts geschiedt door innerlijke verlichting en zichzelf wurgende door een minderwaardigheidsgevoel en een twijfel aan zichzelf, voegt hij zich altijd naar de overheersing van een autoritaire macht. Zoals de vergevorderde en bewust levende pelgrim van de tiende aeon het onbegrensde Licht als oppermachtig en als krachtbron aanvaardt, zo grijpt de onbewuste pelgrim zich in zijn machteloosheid vast aan een vermeende uiterlijke autoriteit. Hij gaat van autoriteit naar autoriteit, zo onbewust het zelfstandige besluit van de sprong over de afgrond vermijdende.

 

Deze mens kan waarlijk rondtobben met de gedachte dat hij springen moet, doch ontsteelt zichzelf langzamerhand dit "weten" door zich te verschuilen achter een autoriteit. Dit is de lichtloze instelling wanneer men zich in de greep van de oude Saturnus bevindt. De laatste heeft met zijn trawanten deze mens dusdanig ingekapseld, dat hij zijn "woning ver weg meent", zijn denken wordt opgesloten binnen een begrenzing. Slechts de spiritueel bewuste mens bezit een mogelijkheid tot bevrijding uit zulk een begrenzing, doordat zijn ziele-hunkering elke begrenzing overschrijdt. Slechts een explosie van Lichtkracht kan deze gebonden Saturnus-mens uit zijn remmingen losslaan, niet één woord kan hem helpen, noch een leer, maar voor hem is een abstracte directe Kracht noodzakelijk om die loden ring en dat loden pantser uiteen te doen spatten. 

 

De binnenkomst in deze tiende aeon is niet weggelegd voor onwetenden, want na de keuze binnen de achtste aeon zal er in deze tiende aeon niemand zijn, die niet de mogelijkheid bezit tot overwinnen. Zij, die zich vastklemmen aan de rots van de saturnale belemmeringen en nog niet tot een zelfstandig denken gekomen zijn, zullen nimmer in staat zijn de sprong over de afgrond van het "zijn" te wagen. De onmachtige Capricornus-mens moet allereerst tot het besef komen van zijn opsluiting, tot inzicht in zijn begrensde denken, dat hem niet in staat stelt te verwijlen in de onbegrensde verten. In geheel zijn wezen, in zijn denken, gevoelen en willen zoekt deze mens een fundament, een rots, terwijl hij juist deze laatste rots in de tiende aeon moet verlaten om van begrensdheid tot onbegrensdheid over te springen. Dit is de typerende en zware strijd van dit type mens. Zo hij waarachtig spiritueel is, dan wordt zijn hunkering naar de onbegrensde verten gestimuleerd, en versterkt zich tot een innerlijke schreeuw, hoewel hij zich nog vasthoudt aan een zekerheid.

 

Bij de pelgrim van de tiende aeon is de twijfel verdwenen, en angst is weggegleden, omdat hij zichzelf in de negende aeon reeds heeft losgebeden van de oude grond en met deze grond stierf ook de tegenstander in hem, hij, die angsten en twijfels, nutteloze redeneringen en uitvluchten kent. Door het gebed daalde het Licht in hem neder en daarmede ook de vermeende verloren gegane krachten en kennis. Staande op deze rots, het land van ervaringen en strijd overziende, weet hij dat hij de enige is die de “poort tot het andere land" zal kunnen openen.

Hij heeft wijsheid opgedaan uit zijn ervaringen. Hij is van een verbitterd, aan de materie vastgeklemde mens, een ervaringsrijpe wijze poortwachter geworden. In hem heeft zich een totale verandering voltrokken.

 

Hij geniet van zijn innerlijke zekerheid die is als een lang verbeide balsem voor al zijn wonden. Hij ervaart het sterven van al zijn stoffelijke begeerten; wat hij zich voorheen gedacht had als een luisterrijke apotheose blijkt niets anders te zijn dan een rustig en vredig heengaan van alle angsten, begeerten, twijfels en tegenstanden. De overwinning van de geest op de materie komt niet als een explosie van Licht, maar als een simpele eindfase na een reeks van voorbereidingen.

 

Daarom is hij niet als een triomfantelijke overwinnaar, maar na zulk een reeks van vergissingen, strijd, gebeden en beproevingen is hij de deemoedige, die slechts gelukkig is dat het Licht hem niet heeft verlaten.

Hij herkent zijn nederigheid, zijn niet-kennen en niet-weten en zijn niet-bezitten. Hij ziet zichzelf als de minste in dat nieuwe Rijk waar hij binnengaat. Dat is de zijnstoestand binnen de tiende aeon: een innerlijke bewustwording van de eigen kleinheid en van het dienaarschap des Lichts.

Hij herkent nu die belachelijke komedie van het ego, hij herkent de drijfveer achter zijn felle bewogenheid van weleer en beseft dat alles niets anders was dan een demonstratie van zijn onkunde en onwetendheid. Hoe zou hij, die zelf het Licht niet bezit, anderen van de zekerheid des Lichts kunnen overtuigen? Daarom wordt de tiende aeon de fase van waarachtigheid, en van de realiteit van het zijn of het niet-zijn.

 

De steenbok staat op zijn rots en overziet de twee gebieden: het land dat achter hem ligt en het land dat over de afgrond voor hem ligt. Eindelijk heeft hij een vrij uitzicht. Achter hem liggen de belemmeringen, de problematiek, de moeizame beklimmingen en voor hem ligt een totaal ander landschap. Zo staat het met de Steenbok-mens die zijn eigen leven en omstandigheden doorziet. Hij acht zichzelf nu capabel om de rots der oude zekerheid los te laten en onbevreesd het, voor hem, nieuwe land binnen te gaan. Voor zijn medemensen wordt hij zo tot een wijze, een ervarene, die uit een levenswijsheid kan putten en glimlacht om de kleine problematiek van alledag, omdat deze totaal onbelangrijk zijn geworden. Dit is een totaal andere Steenbok-mens geworden dan het doorsnee-type, dat zich juist hecht aan kleinigheden, aan uiterlijke zekerheden, aan vormen.  De wijsheid en de verstilling van een ervaren poortwachter komt over hem. Daarom noemt de oosterse astrosofie deze mens "hij, die de deur tot God wordt."

 

Hij begrijpt echter zeer goed dat deze innerlijke rust geen genade zal vinden in de ogen van de Aeon met de Leeuwenkop en dus moet de tegenstand, de grote beproeving voor hem nog komen. In het andere land over de Jordaan zal hij zijn als een beginneling, een doorlopend verraste pelgrim, die tastend zijn weg zoekt op de intuïtieve kennis, die hem vervult en juist aan de oever van dit land zal de kracht met de leeuwenkop hem zien te treffen als in een orkaanstoot, opdat hij van zijn nieuwe rots der zekerheid zal worden afgeworpen. In dit besef roept de Pistis Sophia uit: "De valstrikken van Authades en de netten van de onbarmhartigen zijn uitgezet...." Zij constateert een feit.

 

Hij, die deze tiende aeon op deze wijze ervaart is een benijdenswaardig mens en zal de aeonische trawanten uit hun evenwicht brengen. Met zijn innerlijke "kleine kracht" blijkt hij toch de sterkste. Nu hij over de afgrond is heen gesprongen, is hij geen bezit meer van de aeonen en hun zodiakale ketenen, hoewel hij moe en eenzaam kan zijn. In hem brandt echter een sterk Licht.

 

Zijn medemensen kunnen deze innerlijke kracht, die de zwakke zo sterk maakt, niet begrijpen. Het is echter de kracht Davids, de kracht van de "jongste zoon", waardoor zijn intuïtie en geweten geleid worden. Deze intuïtieve gewetenskracht staat zijn praktische ervaring terzijde. Hij is een mens van twee werelden geworden. De oude uit de verlaten wereld en de jonge, hoewel onbewust ervarene, uit de nieuwe wereld. De tijd gaat aan hem voorbij, dagen en uren zijn ineengesmolten als tijd en eeuwigheid, het begrensde raakt het onbegrensde. De mens herontdekt zichzelf, zijn waarlijke mens. Hij kan zijn oude karakteristiek voorbijzien, en kan zo op een geheel andere wijze de trawanten en hun aanvallers tegemoet gaan. Hoewel een sterk individu geworden, heeft hij tegelijkertijd de begrenzingen van het ego verloren. Zonder tegenwerpingen en uitvluchten kan hij zich overgeven aan die innerlijke "kleine kracht" en zich deemoedig en devoot vastklemmen aan die abstracte, door zijn medemensen zo dikwijle bespotte, geestelijke verlichting, die voor hem zijn laatste houvast betekent. Uit deze verlichting leeft hij.

 

Deze pelgrim kan nooit meer van zijn vertrouwen in het goddelijke Licht afgebracht worden, het is de rots waarop hij zijn tehuis heeft gebouwd, waar omheen zich zijn leven afspeelt. Hij ervaart die innerlijke verlichting niet meer als een vluchtige aanraking, maar deze is in hem als een rustig brandende vlam, een blijvend aanwezige kracht. Het "kleine altaar" waarover de oosterse wijzen spreken, heeft zijn eeuwig brandende vuur ontvangen. Overtuigd van deze innerlijke zekerheid kan hij stappen wagen, die een ander mens niet eens zou overwegen. Toch is hij geen overmoedige, maar slechts een pelgrim die van zekerheid naar zekerheid wandelt, wetende dat na iedere stap de vergezichten weidser en het landschap schoner zal worden. Voor hem is het land dat hij betreden heeft geen onbekend landschap, het is als een thuiskomst en allen die dit land het Land der Mysteriën noemen, weten nog niet dat de poort tot deze mysteriën zich in henzelf bevindt en dat iedereen daarvan de sleutel bezit.

 

 

 

elfde aeon – waarin niets verborgen blijft.

 

 

 

Het gebed van de Lichtzoon is verhoord: de sprong is gewaagd; nu volgt de oriëntatie in het nieuwe land met behulp van de eigen Lichtkracht. Vanuit het andere land over de afgrond schouwen echter de aeonen van Authades toe en zij bemerken hoe deze pelgrim wordt begeleid door een geweldige Lichtkracht en zij brullen van woede. Via de trillingen van het denkleven trachten zij deze vermoeide pelgrim te beïnvloeden en hun machtige magische kracht golft over de afgrond heen in een poging deze ontsnapte Lichtzoon terug te sleuren naar hun land, hem desnoods in de afgrond te werpen. Doch deze is veilig, slechts zijn denken snelt heen en weer over de afgrond, zich vermeiende in verleden, heden en toekomst.  

 

Saturnus, de poortwachter, de keiharde standvastige rots, die geen abstractie duldt, berooft de onbewuste kandidaat in de elfde aeon van zijn bovenaardse abstracte spiritualiteit. In werkelijkheid bestaat deze elfde aeon eigenlijk niet voor de onbewuste mens . Zowel de elfde als de twaalfde aeon zijn voor zulk een pelgrim als een herhaling binnen de ring van de demonische trawanten en het "tot hiertoe en niet verder" realiseert zich duidelijk. De waarachtige Lichtzonen, de door de geest bezielde pelgrims, herkennen echter de bezielende Uranus-trillingen en zo worden zij uitgetild boven hun lagere begeerten en begrensde denkleven. De eigenschappen van Uranus zijn typerend voor de werkingen binnen de elfde aeon. Uranus werkt nooit verheffend indien de pelgrim niet volkomen gezuiverd is van lagere driften.

 

Het contact tussen hem en deze mysterieplaneet kan niet tot stand komen wanneer er in de eerste geen zielekracht, een onaardse trilling aanwezig is.  Uranus is dan krachteloos geworden en zijn mythische zoon Saturnus neemt zijn plaats in, in het innerlijke leven van de pelgrim. Het staat duidelijk in de elfde boetezang: "Waarom heeft deze machtige kracht van het kwade zich verheven. Zijn denken ontneemt mij mijn licht doorlopend en zoals bij het ijzer dat men bewerkt, heeft hij mij een deugd ontnomen. Zij hebben mij door list willen overwinnen, opdat zij mij al mijn licht zouden kunnen ontnemen."

 

Daarom zal het Licht hem al zijn licht ontnemen en al zijn materie zal eveneens in moeilijkheden geraken en het licht zal hem ontnomen worden en hij zal niet wonen in de 13de  aeon. Hier voltrekt zich de scheiding tussen tijdelijkheid en eeuwigheid, materie en geest. Die scheiding zal de pelgrim in zichzelf bemerken, omdat hij nu geen compromissen meer kan sluiten en zichzelf overgeven aan de krachten van de twaalf aeonen.

 

Slechts de Uranus-pelgrim bemerkt dit echter, hij die de overwinning heeft behaald. Hier

scheiden zich de saturnaal zelfzuchtigen van de idealistisch spiritueel onbaatzuchtigen. Dit "alles of niets" principe is eveneens te herkennen in de gewone, door het teken Aquarius geregeerd mensentype. Zij zijn reine, spirituele idealisten, die zonder enig eigenbelang voor een geestelijk doel vechten, dan wel zij zijn verharde, intens verstarde zelfzuchtigen, zeer egocentrische mensen, die fantastisch goed weten te spreken over allerlei filosofische stellingen en die zich willen verdiepen in allerlei esoterische en occulte wetenschappen, maar die niettemin als een onwrikbare rots het eigenbelang dienen en nooit van de eigen profijten afzien.   

 

Saturnus staat hier op zijn hoogste top, in zijn meest intensieve machtsuitdrukking. Hij heeft zich vergaloppeerd in zijn functie van poortwachter en waande zichzelf de allerhoogste macht, de heerser over leven en dood. Als hij in deze zelfgenoegzame zelfoverschatting en verharde ik-vleierij is opgesloten, valt de Aquarius-mens moeilijk te bereiken voor zijn naasten, hij wil noch zijn eigen zelfgenoegzaamheid doorbreken, noch zijn macht verliezen. Hij vindt zichzelf de belangrijkste, de meest hoogstaande, de geweldige spirituele mens en daaruit is hij niet te wekken wanneer in hem Saturnus de macht van zijn vader Uranus heeft overgenomen. Dan is de ring gesloten.

 

De spirituele pelgrim is in deze fase echter over de afgrond heen, hij is overwinnaar en dat betekent dat zelfgenoegzaamheid hem onbekend geworden is en dat hij nog slechts onbaatzuchtige bezieling kent. In de falende Aquarius-mens is deze overwinning een karikatuur geworden, een leeg omhulsel waarmede hij pronkt. Dit is bij zovele mensen overal ter wereld te herkennen: de vermeende spiritualiteit, die hen niet meer te ontnemen is; de vermeende belangrijkheid, die hen uit de ogen straalt. Deze afgeremde pelgrim, teruggeworpen binnen de ban van Saturnus, heeft geen kans meer op verlossing in zijn momentele leven, hij is losgelaten door de Lichtkrachten, zij vonden geen contact in hem. Het krioelt op aarde van pelgrims, zoekers die teruggeworpen zijn in de herhaling en zich verheffen op hetgeen zij occult, astrologisch, esoterisch of wetenschappelijk hebben verzameld. Zij vervallen in herhalingen, zij hebben de aanraking met het Licht gemist en kunnen niet putten uit een vernieuwende of nieuwe kracht. Dikwijls is men tot aan de top van zijn materialistisch intellectuele of filosofische bereiken gegaan en dan komt de noodzaak van de sprong en het falen, het teruggeworpen worden. Dat is de overgang van Saturnus naar Uranus.

Het is een gebeuren dat zich ontelbare malen in de mensheids-historie en in het individuele mensenleven herhaalt. De grote sprong tussen het oude en het nieuwe land is tenslotte, toen het erop aankwam, niet gewaagd. Zo begint de verstarring, de herhaling.

 

"Daarom zal God totaal vernietigen", zo staat er te lezen in de elfde boetezang en, zoals reeds in het vorige hoofdstuk gezegd is, wordt de ongeschikte pelgrim vanuit deze aeon teruggeworpen binnen de ring "tot hiertoe en niet verder." Uit vertwijfeling om zijn mislukte pogingen, uit zelfbedrog en verstarde egodrift, grijpt hij terug naar het verleden

en omringt zichzelf met de schijnspirituele en schijn-wetenschappelijke waarden. De dood van de verstening is dan een feit geworden; op dezelfde wijze kan de omwending in de bewuste en geestelijke pelgrim een feit zijn. In de oosterse astrosofie wordt gezegd dat hier de kandidaat "de kennis van zijn eigen wezen verliest."

Dit heeft twee betekenissen. In de verstarring verliest hij alle zelfkennis en omgeeft zich met een schijnlicht; in de omwending vergeet hij zijn aardse wezen en legt dit af als een versleten kleed om zich te omhangen met een hemelse gestalte. Hierdoor kan deze pelgrim omstraald worden door een ondefinieerbare uitstraling, die de aandacht van zijn medemensen trekt. Bij het gewone Aquarius-type ziet men zoiets eveneens, alleen is er dan geen sprake van een bovenaardse vibratie, maar van een indruk van afzondering, mysterie, alsof zij buiten de rest van de mensheid staan. Deze indruk komt voort uit hun in zichzelf beslotenheid en hun zelfgenoegzame verstarring. Zij hebben zich bewust of onbewust afgesloten van de medemensen en benaderen deze slechts met neerbuigende vriendelijkheid, om de schijn van goedheid, verhevenheid en humaniteit te kunnen bewaren. Men kan dit vooral herkennen in de zeer materieel gerichte Aquarius-mens.

 

Het zichzelf op een voetstuk plaatsen om eigen falen te camoufleren, is de kenmerkende eigenschap van de uitgesproken Waterman-mens. Het individualisme die de Aquarius-era

uitstraalt, vindt in hem in het klein plaats. Hij heeft dan moeite met het zich wegschenken, het contact maken en het dienen. Voor hem bestaat er slechts een eigen wereld, waarbinnen zich zijn spirituele en stoffelijke leven afspeelt; hij kent slechts een verlangen om deze wereld aan anderen kenbaar te maken, zonder zijn eigen waardigheid te verliezen. Uranus heeft zich dan teruggetrokken en Saturnus wreekt zich door zich op te blazen in zijn nederige baan als poortwachter. Hij handhaaft zichzelf door machtswellust in deze beslissende positie.

 

Daarom lezen we in deze boetezang: "Zie, een mens die zich niet op God heeft verlaten, maar op zijn grote rijkdom vertrouwde en machtig was in zijn ijdelheid." Deze houding kan men eveneens waarnemen in allerlei groeperingen, die eens de universele waarheid bezaten, maar zich lieten misleiden door eigenbelang, materiële interesse en de geest -  God - niet tot Helper namen, maar hun eigen ijdelheid en eigenbelang tot uitgangspunt van hun doelstellingen maakten. In de boetezang kan niet duidelijker gezegd worden dat deze mensen of groeperingen lichtloos geworden zijn, dienaren van hun eigen vermeende rijkdom, mensen, die hun eigen ijdelheid strelen. Hetzelfde is waar te nemen in de Aquarius-era. De heerser Uranus vindt de mensen met waarlijk spirituele interesse en waarin de oerherinnering en de pure belangeloze dienstbaarheid leeft. Saturnus grijpt in een verstikkende greep allen die nog niet tot inzicht zijn gekomen en dat wordt waarlijk een wurgende greep! Zij worden gewurgd door de eigen zelfgenoegzaamheid en koesteren zich in het vermeende licht van de eigen belangrijkheid. In de elfde fase wordt de scheidingslijn tussen de waarachtige pelgrims en de spitum-lanficum-maker scherp getrokken. Over de ervaringen van een geestelijke overwinning kan men niet spreken, omdat deze zich verliezen in de geestelijke abstractie, in die ongrijpbare sfeer, waarvan de saturnale mens geen idee heeft, omdat hij die "afgrond" niet achter zich gelaten heeft. Omdat hij "de kennis van zijn eigen wezen niet verloren heeft." Hij is vol van de begrensde kennis, vol van de disharmonie van zijn saturnale natuur en hij kan zijn gedachten niet in vrijheid wegzenden, zoals de Boogschutter-pelgrim dat kon Hij kan de weidse verten niet meer zien, zoals de Steenbok-pelgrim vermocht. Maar hij is neergeworpen, verzonken in zichzelf, daaruit zijn eigen heerlijkheid puttende. Zo wordt hij een trawant van de valse lichtkracht, één die zijn eigen valse licht dient en daarmede pronkt. Hij is dan zelf de kracht met de leeuwenkop geworden! De val of de vergissing van de Pistis Sophia herhaalt zich in hem en aan hem, en van dag tot dag versterkt hij zijn gebondenheid. Dit is de tragedie van de aeonengang.

 

Een spirituele levensgang, die ieder mens volvoeren moet, maar waarmede hij aarzelt en hij blijft steken in het begin: het bekennen van de "zonde" of het berouw, dan wel hij keert binnen één van de fasen tot de eigenwijsheid terug. Al die levens, die een mens moet afwerken, dragen er slechts toe bij, dat hij deze 12-voudige aeonengang en de terugkeer binnen de paradijselijke toestand, de middelende levenssfeer, bewerkt.

 

De verregaande immoraliteit op geestelijk, natuurlijk en maatschappelijk terrein spreekt voor de sterke zwart-wit tegenstelling binnen de Aquarius-sfeer, een tegenstelling zoals ook de Aquarius-mens in zichzelf herkent. Een middenweg kent hij niet. Vandaar dat hij zich te buiten kan gaan aan fanatisme, zowel in het ene als in het andere. Compromis haat hij. Als iemand "ja" zegt moet hij hieruit de consequenties trekken en zijn mogelijke woordbreuk is onaanvaardbaar, niettegenstaande hij redelijke excuses kan aanvoeren. Zowel de geestelijke als de natuurlijke immoraliteit is het gevolg van een ontsporing, een afwijking. Er is een "grens overschreden" die eigenlijk niet gepasseerd mocht worden, omdat de betrokkene daartoe niet de bekwaamheden bezat. De gevolgen daarvan zijn dikwijls niet te overzien indien er niet krachtig wordt ingegrepen, hetzij door de betrokkene zelf, hetzij van buitenaf. Iedereen moet daar blijven waar hij qua zijn vibratie-sleutel thuishoort. Dat is een onverbrekelijke wet die zowel in deze zijde als in gene zijde van ons bestaan wordt gehanteerd.

 

De schijn-spiritualiteit die men bij het Waterman-type vrij veelvuldig tegenkomt, (ook de schijn-standing in maatschappelijk opzicht) wordt meedogenloos verbroken, wanneer het de realiteit tentoon moet spreiden onder de dwang van de ervaringen. De aeonengang van de Pistis Sophia bewijst dit duidelijk. Zij moet met die vlucht in de schijn afrekenen en onbevreesd durven erkennen: "Ik ben nedergedaald in de chaos, omdat ik dacht dat het Licht daar beneden uw Licht was, O Licht der Lichten..... hoe dom ben ik geweest!"

 

 

Twaalfde aeon – de waarachtige spirituele pelgrim.

 

 

 

Als alles op de juiste wijze verlopen is zou de kandidaat, die zich door de twaalf aeonen heen worstelt, in de elfde aeon "de sprong over de afgrond" hebben gewaagd, d.w.z. dat hij nu zou moeten deelnemen aan een totaal andere Wereld. In grote verbazing zal hij dan terugzien op zijn strijd en zijn verdriet in de achter hem liggende aeonen, maar hij zal ook de oorzaak daarvan kunnen herkennen, omdat het Licht der Lichten zich nu tastbaar in hem heeft gevestigd. Het enige wat hem zal verwonderen is: "Hoe heb ik ooit zo kortzichtig en zo dom kunnen zijn?" Dit terugblikken is echter noodzakelijk om de voltooide beelden zich in zijn bewustzijn en bloed te laten verankeren. Hij tekent de ervaringen op in zijn microkosmische bewustzijn.

 

Wanneer iemand iets begrijpen wil en dit als een onvernietigbare schat in zichzelf wil opslaan, moet hij alle beweegredenen en elke grond achter de ervaringen doorschouwen. Dit is slechts mogelijk indien de kandidaat direct in binding staat met zijn ziel. Hetgeen uit het ik of uit het ik-bewustzijn komt, ziet men horizontaal, men neemt slechts de projectie waar. Zodra de ziel hem terzijde staat, vormt zich echter die verticale lichtstraal, die alle horizontale kennis doorsnijdt en de mens innerlijk openbreekt, zodat zich er een totale vernieuwing voltrekt, die hem een lichtende horizon voortovert en de diepte van de wijsheid blootlegt.

 

In de twaalfde aeon  bestaat slechts de waarachtige spirituele pelgrim; de strevende, op eigen heiligheid beluste mens, bleef achter binnen de omheining van de zodiakale planetensfeer en ontvangt in de twaalfde aeon de invloed van de onheilige Jupiter in plaats van Neptunus. Zoals Uranus in de elfde aeon dan verandert in de hoogmoedige, versteende Saturnus, zo verandert dan Neptunus in de begerige, experimentele en zelfverzekerde Jupiter.

In zulk een falende kandidaat is niets dan hoogmoed, ontkenning, verwerpen van alle berouw en de tevredenheid met zichzelf.

In de spirituele pelgrim daarentegen zal kleinmoedigheid, berouw en de alles doorlichtende hoop zijn, dat hij nooit meer terug zal vallen in de klauwen van de aeon met de leeuwenkop. De enorme kracht van deze Authades van over de afgrond herkennende, kan hij slechts smeken om de genade van het inzicht, opdat hij nooit meer zoiets door zal moeten maken en opdat niemand meer in deze teisteringen zullen vallen.

 

Hij weet nu dat de ervaringen gruwelijk en bijna ondraaglijk zijn Daarom worden de boetezangen in deze laatste aeonen niet gekenmerkt door wraak op de niets ontziende Authades, maar een uiting van verlangen om anderen deze smartelijke ervaring te besparen. Daarom wil de Pistis Sophia zo gaarne dat Authades vernietigd zal worden! En dat is een typische reactie van Pisces-Neptunus invloeden. Deze pelgrim denkt niet slechts aan zichzelf, neen, hij ziet wat er na zijn eigen redding nog allemaal gebeuren kan. Hij ziet hoe deze Authades als een gigantisch monster, opgebouwd uit emoties van hoogmoed en ongoddelijke wilskracht, alle Lichtzonen tot zich zuigt en hij weet dat dan onherroepelijk die aeonengang hen wacht. De naar deze aloude vrijheid terugkerende Lichtzoon zal zich nooit meer "buiten het Licht" stellen, nooit meer "zondigen". Hij kent de gevolgen.

 

De twaalfde boetezang wordt gezongen voor de anderen, zijn gelijken, zijn naasten en zijn afschuw om het gebeurde tekent elk woord. Als een explosie ontspringt het inzicht in hem waardoor hij zelfs vergeet het Licht der Lichten te prijzen en zich geheel laat medeslepen door de hem van alle kanten omringende lichtstralen, die zo duidelijk de "onwetendheid" van hen, die in de aeonen gevangen liggen, openbaren. De pelgrim in de twaalfde aeon constateert dit alles en kan niets doen. Dan ervaart de pelgrim van de twaalfde aeon zulk een overweldigend mededogen, dat tegelijkertijd begrensd wordt door onmacht, dat hij er volkomen door wordt beheerst en op alle mogelijke manieren tracht zijn Lichtkameraden te waarschuwen.

 

Gevaar van de pisces-aeon:

Allerlei sekten, christengemeenschappen, "ketterse" gemeenschappen vonden hun hoogtepunt in de Pisces-era. Maar negatieve, d.w.z. onjuist gemotiveerde, eenzijdige gemeenschapszin ontaardt in dogmatisme, verwatering van de grootse idee, verdemocratisering van de geestelijke adeldom. Verkeerd gericht individualisme daarentegen ontaardt in hoogmoedige zelfgerichtheid. Als het ene faalt grijpt men naar het andere. Daar tussenin bevindt zich geen mogelijkheid.

De pelgrim van de twaalfde aeon, indien hij aan alle voorwaarden van de vorige elf aeonen heeft voldaan, is waarachtig altruïstisch, d.w.z. zichzelf vergetend, en hij kan het hoogste aanzicht van het: "Heb uw naasten lief gelijk als uzelve" verwerkelijken. Die naaste ziet hij dan als zijn rasgenoot uit de hemelen of van het Hof zijns Vaders, die net zo'n domheid heeft begaan als hijzelf. Vandaar dat deze mens zich gaat uitputten in hulpbetoon en hij zal allerlei ervaringen via zijn hulpvaardigheid opdoen. Zijn werken zullen worden gekenmerkt door een volkomen afwezigheid van eigenbelang. De zodiakale Pisces-mens weerspiegelt deze levensinstelling. Hij is altijd vol medelijden en mededogen met zijn naasten, doch hij mist veelal het onderscheidingsvermogen, waardoor hij zichzelf wentelt in modder en dreigt te stikken door het gemis aan inzicht en uitzicht. Zijn emotionele bewogenheid ontsteelt hem zijn innerlijke kracht, terwijl hij zijn adeldom als paarlen aan de zwijnen voert.

 

De onthechting die de sterke gave is van de mens in de 12de aeon, wordt de zodiakale mens dikwijls tot een pijniging, omdat hij de diepe betekenis ervan niet begrijpt en meent dat "loslaten" tegelijkertijd liefde en zaligheid betekent. Onthechting is echter een vrucht van een bewustzijnsgroei en wordt altijd gepraktiseerd door de geestelijke mens, die op een vaste geestelijke grond staat. Het "onthechten" is nl. niet slechts een begrip voor los zijn van luxe, comfort, materie, eerzucht e.d. Onthechting vindt ook een aanzicht in de totaal spirituele abstractie: het los zijn van zichzelf. Het zoeken naar zelfofferande, zelfkastijding en zelfvergetelheid, dat men zo dikwijls bij de zodiakale Pisces-mens tegenkomt, is maar al te vaak een uiting van schuldgevoelens, zelfbevrediging of ik-centraliteit.

 

Door zichzelf trachten te vergeten door middel van de problematiek van zijn naasten, maakt de doorsnee Pisces-mens een karikatuur van de geestelijke onthechting. Dan komen er conflictsituaties, omdat deze naasten hem gauw bemoeiziek, pervers nieuwsgierig naar de levensconflicten van anderen vinden. Leven uit de disharmonie van zijn medemensen is als zich besmeuren met modder en menigeen kan daaraan ten gronde gaan! Om deze "modder" weer af te wassen is een krachtige innerlijke bron van levend water nodig. De instinctieve drang tot helpen stimuleert deze mens tot het zich verdiepen in de - vaak onbenullige - problemen van anderen, terwijl hij vergeet zijn redelijke denken in te schakelen. Als dan de emotionele bewogenheid hem te machtig wordt, wordt hij het slachtoffer van zijn eigen onmacht en gevoelt hij zich opgesloten in situaties die hij niet beheersen kan of er geen oplossing voor weet. In tegenstelling tot de bewuste en geestelijke pelgrim uit de 12de aeon wordt deze mens een toonbeeld van innerlijke onrust.

 

Hij is teleurgesteld in zijn overgave en toch kan hij het niet laten zich "over te geven", waardoor hij zich wegschenkt aan onwaardige objecten. Zijn herstel is slechts te vinden in spirituele waardigheid, abstracte geestelijke waarden, en alle interesses die in geen enkel opzicht iets met de materie te maken hebben. Het zich reinigen is zijn eerste medicijn. Zijn Jupiter-geaardheid maakt dat hij overgevoelig is voor de gedachtestroom van zijn naasten en deze zet hem impulsief aan tot een handeling. Zijn mediamieke begaafdheid moet zich echter verheffen in de spiritualiteit en hij zou als "middelaar" des geestes een unieke opdracht kunnen hebben. Zelfbeheersing, zelfkritiek, intolerantie tegenover zichzelf zullen hem tot voordeel kunnen zijn en hem helpen bij een geestelijke ontplooiing en vooral innerlijke versterking en innerlijke weerstand.

 

Gelijk in de 12de aeon de bewuste pelgrim, onder in vloed van Neptunus – de mysterieplaneet van Pisces - het gif van Authades tracht door absorptie om te zetten in medicijn - via zijn smeekbede -, zo absorbeert de zodiakale Pisces-mens het gif van zijn naasten en als hij niet over sterk reinigende zielekwaliteiten beschikt, verontreinigt hij zichzelf en verliest hij zijn innerlijke kracht. Dan volgt de depressie. Vandaar dat de twaalfde boetezang opnieuw begint met een herinnering: "O Licht vergeet mijn lofgezang niet!"

 

Zijzelf is nu niet in staat tot lof, zij wordt totaal in beslag genomen door de verborgen listen van Authades, die zich verheft in het boze. Maar de herinnering aan haar lofgezangen beweegt zich in haar als een bemoedigende kracht. Deze herinnering omhult en beschermt haar en zo kan zij zich rustig laten drijven op haar gevoel van mededogen, die in deze aeon zo machtig aanwezig is, want het Licht is in haar als een stabiele vlam. Een bewuste pelgrim ondervindt hier die innerlijke zekerheid, die hem in staat stelt grote persoonlijke offers te brengen. De Pisces-era zette de mensheid aan tot dienstbaarheid en daardoor tot materiële onthechting, in ieder geval de geestelijk ontvankelijken onder hen. Want zolang in de Lichtzoon de ervaring van de volkomenheid niet als een zeker weten aanwezig is, kan zijn nieuwsgierigheid hem aanzetten tot een experiment met Authades.

 

Wanneer de kandidaat, u en ik, niet weten dat de ziel en de vrije wil het hoogste zijn dat wij bezitten, zullen wij altijd experimenten ondernemen met onverschillig welke dienaar van Authades. Alle vormen in de wereld van goed en kwaad waar het eigenbelang de aanzet tot existentie is, of dit nu filosofieën of materiële belangen zijn, zijn aspecten van Authades. Alles binnen de natuur heeft iets van Authades, omdat de eeuwigheid een compromis heeft moeten sluiten met de tijd. Dat kan niet anders. Authades begeleidt ons waar wij ook gaan. Het gaat er slechts om in hoeverre Authades ons beheerst. Zodra wij hem beheersen kan hij geen kwaad meer doen en wordt hij een dienaar en kan men zelfs mededogen ondervinden om het kwaad dat hij, en allen die in zijn macht zijn, zichzelf aandoet. Authades doen knielen, is de vrije wil hervinden in de overgave aan de wil van het Licht der Lichten, zodat er geen aanknopingspunt meer blijft waar de trawanten van Authades zich innerlijk bij ons kunnen vasthechten. Dan zijn wij "over de afgrond heen" en de trawanten uit het land van de aeon met de leeuwenkop kunnen slechts huilen van vrees en woede

 

 

 

 

Gustav Meyrink - een getuigenis.

Er zijn nogal wat mensen geweest die gezocht hebben naar ui­terlijke bewijzen van de talenten van de 'magiër' Gustav Meyrink

 

Wie zoekt naar platte bewijzen, vindt ze meestal ook. Een wer­kelijk doorgevoerde, echt doorstane ontwikkelingsweg, zoals Meyrink die schetst, bewijst zich zelve, en wel in tweeërlei op­zicht: in het innerlijk leven, dat steeds vrijer komt te staan van persoonlijke moeilijkheden, angsten en zorgen; waaruit 'een in­nerlijke vreugde vrij van verstand' spreekt, en een teruggetrok­ken, ingehouden overtuiging.

 

Aan het eind van zijn leven is het voor het eerst, dat Meyrink zich frank en vrij over Christus uitlaat; tegenover vrienden en fa­milie, of door middel van een dagboeknotitie. Het is geen vrome getuigenis, geen metafysische overpeinzing; het heeft wel veel weg van de kracht van de taal van Paulus na Damascus.

'Vandaag op 7 augustus 1930, 's morgens om 10 uur, na een lange smartelijke nacht, vielen mij plotseling de schellen van de ogen en ik weet nu, wat het doel van al het bestaan in waarheid is.

Niet moeten wij onszelf door yoga veranderen, maar wij moe­ten als het ware een God bouwen, of christelijk gesproken: 'wij moeten niet Christus navolgen, maar Hem van het kruis afnemen!' De oude man, die ik altijd in de verte zie, moet ik dus kronen en hem met purper bekleden en hem tot heerser over mijn leven ma­ken. Ik zie hem nu ook, gekroond en in purpermantel! Hoe vol­maakter hij wordt, des te eerder zal hij mij helpen. HIJ is dus de adept en ik zal alleen in zoverre daaraan deelnemen, in de mate dat hij zich eens met mij zal samensmelten, want in waarheid is hij immers mijn eigenste ik. 'Hij zal wassen, ik echter zal ondergaan.' (Dat is de zin van de woorden van de Doper!)

Tot nog toe was de waan en de oorzaak van al mijn lijden, dat ik dat alles niet duidelijk wist en geloofde: 'ik' zou mijzelf moeten vervolmaken, mijzelf en niet hem! De tantrik-oefeningen zijn dus, zoals alle ascese, waan, zij voeren in de afgrond en zijn welbe­schouwd zwarte magie. Nu weet ik ook, waarom de oude man al­tijd zo onbeweeglijk was als een beeld! Doodeenvoudig, omdat ik aan mezelf werkte en niet aan hem. (…)   De oude is dus de Christus en wij moeten hem losmaken en hem macht geven, dan pas kan hij wonderen doen! De wonderen komen dan pas over ons, zodra deze schizofrenie zal zijn opgeheven (...). Al deze kennis zou ik eigenlijk in romanvorm moeten behandelen. Dat zou naar mijn idee het interessantste thema zijn. Misschien veranderen onze verhoudingen spoedig, zo­dat ik eindelijk zo zal kunnen werken, als ik graag zou willen.

Ik kan in geen geval alles wat ik een leven lang door middel van yoga heb getracht en gedaan, als een vergissing aanduiden. Ik ge­loof echter, dat zulke inspanningen nodig zijn, om dat te herken­nen, wat mij vandaag, 7 augustus, duidelijk geworden is.'

 

 

Bron: Frans Smit – Gustav Meyrink, Het leven van een geestelijk zoeker en esoterisch denker. ©1986 Ankh-Hermes, Deventer. ISBN 90 202 4638 0

 

 

 

 

 

'Zalig de armen.'

M. den Hertog

 

Een van de uitspraken van Jezus, die nu zeker vragen kan opwerpen is uit Lucas 6: 'Zalig zijt gij armen, want uwer is het Koninkrijk Gods.' Zou men dit zinnetje in de krant gaan propageren: een geloei van woede zou op­steken.

 

Het merkwaardige is dat christenen stellig van Jezus geloven dat hij hun 'redding' is in plaats van hun leraar. Met allerlei van hem door de evangelisten overgebrachte woorden weet men - zeker in deze tijd ­geen raad. Is bijvoorbeeld het verhaal van de rijke jongeman die geestdriftig is over Jezus' optreden wel helemaal goed begre­pen?

Hij wil zich graag voegen bij de groep van de leraar. Dat is goed zegt Jezus. Maar dat is alleen mogelijk, als je alles wat je bezit wegdoet. Geef het aan de armen. Dan ben je het zinvol en gemakkelijk kwijt. (Dus: onthecht je, ruim allereerst alles op wat tussen jou en werkelijkheid kan staan en je verblinden...) Maar: 'Toen de jongeman dit hoorde ging hij bedroefd heen, want hij had grote bezittingen.'

 

Het ging er Jezus niet in de eerste plaats dringend om dat allerlei bezit in handen kwam van armen, al was dat goed, maar dat de jongeman die volgens Jezus' reactie dicht bij het Koninkrijk Gods geweest moet zijn, zich van dat bezit bevrijdde!

 

Vrijwel de gehele geschiedenis door hebben alle soorten godsdiensten, gewerkt, ge­zwoegd en geroofd om er 'beter' en mach­tiger van te worden. En wát men uitvoerde was niet zo belangrijk, als het maar flink veel geld opbracht - slavenhandel bijvoor­beeld. We jakkeren ons steeds maar af om méér en 'beter'. Ogen stralen als een ding in de woning plots veel waard blijkt te zijn. Het fraaie object, het schilderstuk dat nooit zo gewaardeerd werd, heeft ineens een aureool van heilige duurte gekregen. In onze mensenwereld kan je bijna niets verrukkelijker overkomen dan plotseling zo­maar geld of iets van waarde te verwerven. Of je het nu echt nodig hebt of niet.

 

Maar die 'arme armen'! Wat moeten we daar toch mee...? Maar wacht even! Wat moet er met die arme, beklagenswaardige bezitten­den, zij die behaaglijk ondergekoekt zitten met de 'goede gaven' van het materiële bestaan? Wie denkt ooit met erbarmen aan deze grote groep, terwijl we hun dubieuze situatie toch eigenlijk behoren te kennen. Of niet? In de krant van konden we lezen dat in de rijke landen jongeren zich veel vaker ongelukkig voelen dan in andere landen. Hoe zou het anders ook mogelijk zijn?

 

Jezus constateert als feit dat de rijke zeer weinig kans heeft om in het Koninkrijk Gods te komen = werkelijkheid te ervaren. Dit is niet een vorm van straf omdat de rijke zich heeft volgepakt met geld, luxe voorwerpen, beurs aandelen, verveling en­zovoort, maar: doordat hij zijn geest heeft volgepropt met dat alles, heeft hij zichzelf daarmee afgesloten van ervaring van werke­lijkheid. Hij heeft zich daarmee zélf aan de ketting gelegd. Vandaar dat Jezus mensen met matig bezit meer kansen geeft dan de rijke.

 

Trouwens, ook allen die weinig be­deeld zijn en die begerig en verontwaardigd streven naar het vele, varen in hetzelfde schuitje. Begeerte, zelfmedelijden vervullen hier de rol van ketting. Dát probeerde Jezus de mensen onder andere bij te brengen.

Iedereen is door zijn eigen instelling er zelf de oorzaak van of hij een innerlijk vrij mens is of niet... Het gaat eigenlijk alleen maar over het gemakkelijkste en tegelijkertijd het moeilijkste in de we­reld. Want het gaat over argeloos en onbe­vangen zijn als een kind, waardoor je vanzelf het Ko­ninkrijk Gods, werkelijkheid, ervaart.

 

En dat zou nu alles zijn? Zouden Jezus' woorden in wezen zo iets simpels, onnozels bijna, bedoeld kunnen hebben? Met verach­ting, woede misschien wel zullen velen deze mogelijkheid verwerpen. Maar vergis je niet! Probeer eens onbevangen en argeloos te zijn! Hoe harder je probeert, hoe minder het zal lukken...

 

Gnosis: innerlijk weten

Jezus wil dus niets minder dan een inner­lijke verandering in de mens wakker roe­pen, een nieuwe bewustwording. Is daar eigenlijk iets van terechtgekomen? Is er iets van overgebleven na zijn dood?

Er ontstond na zijn vertrek uit dit bestaan - hoe zou het anders kunnen - langzamer­hand flink gekrakeel over hetgeen hij had onderwezen. Merkwaardig genoeg ging de strijd niet zo zeer over het moeilijke Ko­ninkrijk Gods, waarop hij zoveel nadruk had gelegd, maar over onder andere de vraag of Jezus meer was dan mens (dus God) of niet en meer van dergelijke theologische vragen. Eigenlijk vond reeds toen al het­zelfde soort geharrewar tussen verschil­lende opvattingen plaats als nu. En dat verscheurt de wereld der mensen.

 

Als het nu eens werkelijk zo is, dat Jezus allereerst het Koninkrijk Gods hier en nu predikte, is daar dan na zijn dood nog iets van overgebleven?

Bijna de helft van de vroege christenen bestonden uit mensen met een geloof dat voor een groot deel uitging van de eigen innerlijke ervaring. Zij noemde zich gnos­tici: kenners.

In het Koninkrijk Gods aanwezig zijn...

Waarom, waardoor is dit innerlijke weten, deze geestelijke verlichting uit onze kerken verdwenen, of misschien wel: er nooit he­lemaal ingekomen?

 

Prof. Hoimar von Ditfurth zegt in zijn boek over de ontwikkelingen van het menselijke bewustzijn duidelijk dat wij mensen schep­sels zijn van wie het denkvermogen nog in ontwikkeling is. Als gevolg daarvan ontstaat heel wat van hetgeen we in ons bestaan ondernemen, door impulsen vanuit onze oeroude instincthersenen (de tussenherse­nen). Er zit in mensen nog altijd eenzelfde keiharde overlevingsdrift verborgen - drift naar suprematie - als in de gehele natuur. En juist in kwesties over geloofsverschillen blijkt de mens van aanleg uitermate into­lerant en vechtlustig te zijn.

 

De macht van de kerk: een ellendige vergissing

Mede door de handige politiek van de hei­dense alleenheerser, keizer Constantijn de Grote, werd begin 4e eeuw de groep chris­tenen die het geloof aan een goddelijke drie-eenheid verdedigde, de officiële kerk in zijn rijk. Het geloof, de leer van deze jonge kerk verschilde echter zeer veel met het Evangelie van Jezus.

 

In plaats van een groei naar een nieuw soort schepsel, met een ruimer bewustzijn, dat niets te maken had met karmozijnen gewaden, kathedralen, onfeilbaarheid enzovoort, werd het argeloze Ko­ninkrijk Gods van Jezus met keiharde hand terug gedwongen naar gezag en voorschrift. Ech­ter juist door het onder vaste regels brengen van het geloof, de vermaterialisering ervan, kon de kerk zich stevig in de samenleving nestelen: mensen wisten nu wat wàt was en hoefden niet langer in het onzekere te verkeren over zwevende uitspraken uit het verleden. Met de toenemende macht groeide in de kerk de overtuiging dat deze de overkoepelende heersende macht over alle landen moest worden. Iedereen die dit idee in de weg stond deugde niet en moest worden uitgeroeid.

 

Altijd opnieuw volgde de dood in het spoor van een mening die durfde afwijken van het gangbare geloof. Zo nodig ging een geheel volksdeel voor de bijl, zoals de katharen (12e, 13e eeuw, Z.O. Frankrijk) die de opvattingen van de r.-k. kerk niet wilden volgen. De paus liet een kruistocht tegen hen prediken (1208). Zij werden met gru­welijke wreedheid volledig uitgeroeid.

 

In onze tijd van noodgedwongen bewust­wording kunnen we de volgende klem­mende vragen niet langer ontwijken:

 

  • Wat heeft het instituut kerk (behalve een onbekend aantal enkelingen) door de eeuwen heen te maken gehad met barm­hartigheid en innerlijke ontferming?
  • Is het Ko­ninkrijk Gods van Jezus soms meteen al verdwaald geraakt in autoritaire breinen, die beter in staat waren te verordineren, te heersen en te doden, dan dat zij ook maar iets konden aanvoelen van het openen naar werkelijkheid, dat Jezus getracht had de mensheid te brengen: de nieuwe moeilijke stap naar groter innerlijk bewustzijn, het Koninkrijk Gods.
  • Blijkt deze 1600-jarige kerk met zijn nakomelingen niet een ellendige vergis­sing te zijn, die onze geestelijke groei geblokkeerd heeft en teruggebogen op het oeroude patroon van macht en bezit?

 

Is eigenlijk de 'kennisse des harten', het innerlijk aanvoelen van werkelijkheid, voor­goed verloren gegaan, nadat de kerk zich als (over )heerser diep had ingebed in de samenleving? Heeft de rechtzinnige, woor­denrijke uitleg van Jezus' evangelie het definitief gewonnen van de intuïtie - de gave om op woordloze wijze een glimp op te vangen van het Koninkrijk Gods?

 

De autoriteiten hebben de intuïtieve mens altijd kortgehouden. De eersten konden zelf uitsluitend door denkend gebruik te maken van woorden tot een min of meer logische conclusie komen. En omdat de autoritairen meestal mannen waren, de fysiek sterkeren dus, hadden zij het gelijk aan hun kant: 'Intuïtie is onzin.' Maar er zijn in de loop van de geschiedenis al zo veel vaste over­tuigingen gesneuveld. Het zijn wetenschap­pers zelf die nu rekening houden met in­tuïtie als niet te verklaren onderdeel van mensen.

 

Een vergelijking valt te maken met Jezus' mosterdzaadje, dat 'de geringste onder de zaden is', maar dat wel is geladen met de enorme potentie van het leven. De intuïtie, niet te vatten eigenschap van mensen, weg­geduwd als onzinnig, ongeoefend, ligt nog steeds gereed in een groot deel van de mensen. Klaar om te ontkiemen, zoals het minuscule zaadje, dat de aarde openbreekt op weg naar het licht. In de totale mensheid ligt nog altijd de mogelijkheid klaar naar meer geestelijke groei, tot ervaren van werkelijkheid. Maar of we als soort hiervan gebruik zullen maken is nog zeer de vraag.

 

Het logisch mathematische denken lijkt het eigenlijk al te hebben gewonnen: te zeer heeft de mens van iedere kleur en taal zich laten betoveren door z'n technisch kunnen en de materiële 'vooruitgang'. Zelfs staande op de rand van de afgrond geloven we nog stellig en geestdriftig aan verdere ontwik­keling van onze zo knappe prestatie... en aan geld. Natuurlijk, geld, geld... In vredes­naam dan maar. Als onze onnozele, aan de materie verslingerende generatie onze soort naar de afgang voert, zal het mis­schien zo moeten zijn, als logisch gevolg van de logica zelf.

 

Trouwens, bewustwording is een kwestie van enkelingen. Het aanvoelen van werke­lijkheid kan slechts door één bewustzijn tegelijk worden beleefd. Massabeweging is een primitieve erfenis, stammend uit het verre verleden van onze soort, waarin de mogelijkheid tot massahysterie schuilgaat... Maar bewustwording is een stil ontwaken in één mens tegelijk, tot een nieuw, verder reikend weten.

 

Bron: Prana nr 61 – september 1990 – Het geloof van een ongelovige door mevr. M. den Hertog

 

 

 

 

Inzichten deel I

                    

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL