Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL

 

   

   

Verhalen van Hendrik.

 

Deel 1
Long tall ships - Het monster - Het land Nimmermeer  - Aan de andere kant van de  spiegel -De tijd, de herinnering

Deel 2

Ruiter op de sterren -  De zee, de stilte en God - Ervaring bij een kloosterruïneDe Duivelskunstenaar - Gezicht op een zomeravond - Op weg naar het licht

 

Deel 3: artikelen

De moeizame relatie tussen astronomie en astrologie - De tweede Copernicaanse revolutie - Hekserij in Europa - Jeanne d'Arc - De visie van Freud op religie - De visie van Jung op religie -  De oerknal - een slag in de lucht? -


Deel 4

 


De moeizame relatie tussen astronomie en astrologie

 

Van oorsprong was de astronomie een wetenschap die door priesters werd beoefend. De reden daarvoor was simpel:  men beschouwde hemellichamen als manifestaties van de goden. Maar ook voor heel aardse zaken als landbouw en navigatie had men kennis van de sterrenhemel nodig. Aan de hand daarvan konden de Oude Egyptenaren bv. vaststellen in welke perioden van het jaar er gezaaid en geoogst moest worden.  Verder zocht men de oorsprong van de mens en zijn uiteindelijke bestemming, evenals het leven na de dood, in de kosmos. Zo dachten de Egyptenaren in de tijd van het Oude Rijk dat de zielen van de overleden farao's als 'Achoe' opstegen naar de circumpolaire sterren, d.w.z. de sterren die nooit ondergaan. Je kunt dat ook zien aan de positie van de schachten die vanuit de koningskamer van de grote piramide van Gizeh in de richting wijzen van de hemelpool. De belangrijkste schacht staat gericht op de ster Thuban, die ca. 2500 v. Chr. de poolster was.

 

Egypte, 4e dynastie, 2500 v. Chr. Vanuit de koningskamer van de grote piramide van Gizeh liep een schacht naar de ster Thuban, de helderste ster van het sterrenbeeld Draak. Dat was in die tijd de poolster.



De Oude Egyptenaren hebben later hun intuïtieve verbondenheid met het heelal grotendeels verloren. Dat zie je vooral in de latere fases van het Nieuwe Rijk. De dodenboeken uit die tijd zijn vnl. verzamelingen magische spreuken en formules. Men geloofde toen dat je het eeuwige leven zou bereiken als je allerlei toverspreuken foutloos kon opdreunen wanneer je voor het dodengericht zou worden geleid. In 1500 jaar is er een hoop kennis en kosmisch besef verloren gegaan.

Ook andere culturen maakten vanuit een godsdienstig besef studie van de kosmos, zoals bv. de Chaldeeën en de Babylonieërs. Omdat sterren, planeten en sterrenbeelden als verschijningsvormen van goddelijke machten werden gezien, legde men een relatie tussen de standen aan de sterrenhemel en de gebeurtenissen op aarde. In feite vormde dat de basis voor de astrologie.


Van dat 'heilige' besef is heden ten dage zowel bij astronomen als bij astrologen weinig meer overgebleven. De meeste sterrenkundigen verrichten tegenwoordig geen veldwerk meer en zijn zelden achter een telescoop te vinden. Je treft ze steevast aan achter hun pc. Hooguit bestuderen ze de sterrenhemel met peperdure CCD-camera's, die aangesloten zijn op telescopen met een digitale volginrichting, waardoor ze perfect in de pas lopen met de draaiing van de sterrenhemel. Sommige telescopen zoals bv. de Hubble en de Spitzer Space Telescope zweven zelfs in de ruimte. Dergelijke ruimtetelescopen komen er steeds meer. De band tussen de astronoom en de sterrenwereld is dan wel héél dun geworden - nauwelijks dikker dan een pc-kabel.

Astrologen beschikken meestal niet over noemenswaardige kennis van het heelal of van sterrenkundige principes, zoals me al verschillende keren is gebleken. Eigenlijk zijn ze daarin ook helemaal niet geïnteresseerd. Ze hebben een beetje verstand van hemelmechanica, en dan vooral van de beweging van de aarde om de zon, inclusief alle huppelpasjes die de aarde in de loop van 26.000 jaar kan maken. Verder komen ze meestal niet. Ook zij zitten vaak achter de computer. Het maken van een horoscoop is door al die techniek trouwens verbluffend eenvoudig geworden. Vroeger had men nog een beetje verstand van wiskunde en astronomie nodig om een goede horoscoop op te stellen. Tegenwoordig is het bezit van een pc al voldoende. De betekenissen van al die conjuncties, opposities, sextielen en driehoeken rollen er bij het opstellen van een horoscoop automatisch uit. Het komt er alleen nog maar op aan dat je hoofd- en bijzaken van elkaar kunt scheiden. Voor de rest kan een kind de was doen.


Ook in de astronomie gaan de ontwikkelingen tegenwoordig razendsnel. Er is geen enkele wetenschap te bedenken waarin fantasie en verbeeldingskracht zó'n enorme rol spelen als juist de sterrenkunde. In die zin kun je misschien wel van een zin of hang naar het religieuze spreken.


Ik heb wel eens het idee dat populariserende sterrenkundigen de nieuwe goeroes zijn geworden. Het volk hangt aan hun lippen als er weer een ontdekking van een planeet in een ander zonnestelsel bekend wordt gemaakt. Dat is spannend, dat is sensationeel. Ook de speurtocht naar leven in ons eigen zonnestelsel zorgt voor menige thrills. Zo is men enorme onderaardse oceanen op Mars en op de Jupitermaan Callisto op het spoor gekomen. Ook op de Saturnusmaan Titan zou een oceaan rondklotsen en zelfs maritiem leven mogelijk zijn. Zoiets prikkelt de verbeelding. Het succes van zenders als Discovery en National Geographic is voor een deel te verklaren door die niet-onderkende drang naar het kosmische en het goddelijke, naar onze oorsprong en uiteindelijke bestemming; het is alleen nogal ver weggestopt.



Ik denk dat we mensen wel kunnen prikkelen om die twee wetenschappen weer dichter bij elkaar te brengen. Maar dan zal er meer begrip voor elkaar moeten worden opgebracht. Nu is het nog vaak óf het één, óf het ander: óf men gelooft in allerlei spirituele openbaringen en kennis van de kosmos, waarbij wetenschappelijke inzichten worden verwaarloosd of zelfs geminacht, óf men is aanhanger van de wetenschappelijke richting, waarbij alles wat zweemt naar spiritualiteit wordt geminacht en als ridicule onzin wordt afgedaan.

Het besef van de gemeenschappelijke oorsprong van beide disciplines is op zichzelf niet voldoende om ze dichter bij elkaar te brengen. Daarvoor is ook een wat meer holistische kijk op de kosmos nodig. Men zal allereerst moeten beseffen dat de mikrokosmos en de makrokosmos elkaar weerspiegelen en dat de scheiding tussen binnen en buiten, tussen de menselijke geest en de werkelijkheid buiten hem in diepste zin slechts denkbeeldig is.

Het sterkste bewijs hiervoor is de ontdekking dat het heelal er op grote schaal uitziet als  het netwerk van zenuwcellen in de menselijke hersenen. Sterrenstelsels komen nl. in groepen voor, die op hun beurt weer nóg grotere groepen vormen, de zgn. clusters en superclusters. Nu is het eigenaardige, dat bijna al die sterrenstelsels zich lijken te bevinden op het oppervlak van gigantische bollen, die zelf vrijwel geen sterrenstelsels bevatten. Het heelal vertoont daardoor op héél grote schaal - d.w.z. op een schaal van honderden miljoenen lichtjaren - een soort honingraat- of spinnenwebstructuur, die lijkt op het netwerk van zenuwcellen in onze hersenpan. Is het niet vermakelijk om te bedenken dat al dat geloer naar de kosmos uiteindelijk een beeld oplevert dat verbluffende overeenkomsten vertoont met het brein dat zich suf piekert over zichzelf en zijn eigen plaats in het heelal?

 

 

Op een enorm grote schaal ziet het heelal er bijna net zo uit als de structuur van de menselijke hersenen. Hier zie je een netwerk van duizenden sterrenstelsels. Ze lijken verbluffend veel op het netwerk van de neuronen in onze hersenen.  Foto: NASA.

 

Hendrik Klaassens. 


 

 


De tweede Copernicaanse revolutie:

Buitenaardse beschavingen en ons wereldbeeld

 

 

Op 27 november 2001 maakte de NASA bekend dat men voor het eerst in de geschiedenis een atmosfeer had waargenomen rondom een planeet die tot een ander zonnestelsel behoort. Het gaat om een planeet die zich op een afstand van 150 lichtjaren bevindt en ruim 200 maal zo zwaar is als de aarde. Deze ontdekking werd gedaan met de Hubble Ruimte Telescoop en is zonder meer uniek. Tot op dat moment was men ongeveer 80 planeten op het spoor gekomen die cirkelen rondom andere sterren, maar nog nooit had men daarbij een atmosfeer waargenomen.

De rechtstreekse waarneming van een planeetatmosfeer in een ander zonnestelsel brengt de ontdekking van buitenaardse civilisaties een stapje dichterbij. Als men nl. nu al in staat is om de dampkring van ver verwijderde planeten waar te nemen, zal het over enkele decennia ook mogelijk zijn om met verbeterde waarneemtechnieken grootschalige structuren – wegen of gebouwencomplexen - te zien, die duiden op het bestaan van een buitenaardse beschaving.

Technisch is de mens nu al in staat om radiosignalen op te vangen van dergelijke civilisaties. Een wereldomspannend netwerk van radiotelescopen speurt de sterrenhemel stelselmatig af op zoek naar die  ene intelligente bliep te midden van de kosmische achtergrondruis. Maar over de consequenties die een dergelijke ontdekking zal hebben voor ons wereldbeeld heeft nog vrijwel niemand nagedacht. Zullen we daardoor anders gaan denken over onszelf? En vooral: is de mensheid rijp voor deze tweede “Copernicaanse revolutie”?

 

Voorbij de bewoonde wereld

Sinds het ontstaan van de mens als soort heeft hij nagedacht over zijn eigen plaats in de wereld waarin hij leeft. Deze voorstellingen over de kosmos en de rol van de mens daarin waren sterk religieus getint: de wereld was nog bezield, het luchtruim werd door goden en duivels bevolkt en achter elk natuurverschijnsel vermoedde men de hand van een goddelijke macht. Zo was de zon voor de Oude Egyptenaren de god Amon-Ra, die de scepter zwaaide over hemel en aarde. De maan werd door hen eveneens als een godheid voorgesteld. Sommige sterren beschouwden zij zelfs als de woonplaats van verheerlijkte zielen die na hun lichamelijke dood naar het hemelgewelf waren opgestegen. Deze voorbeelden kunnen met talloze andere worden aangevuld. Eén ding is echter duidelijk: de kosmos was voor de oude volkeren een voorwerp van verering en de belangrijkste bron van hun godsdienst. Nog belangrijker is de constatering dat de mens zich in de oude culturen direct verbonden voelde met de kosmos. Men beschouwde zichzelf als een deel daarvan. Er was ook niet zo’n scherp onderscheid tussen de menselijke samenleving en de natuurlijke wereldorde: over beide domeinen heersten goden, demonen en hun gevolg.

 

Over de regionen die zich buiten die bekende en vertrouwde wereld bevonden, maakte men zich eveneens voorstellingen. Om nog eens de Oud-Egyptische cultuur aan te halen: volgens hun opvattingen moest de zon elke nacht slag leveren met de wereldslang Apophis die over de oerwateren heerste. Het onbekende was dus nauw verbonden met duivelse machten die de veilige zekerheden van de bekende wereld bedreigden. Deze gedachte komt men bij zeer veel volkeren tegen: voorbij de bewoonde wereld begint het rijk van de chaos, van waaruit duistere krachten af en toe een poging ondernemen om die bestaande orde in het honderd te laten lopen.

 

Afgezien daarvan waren die “buitenste gebieden” ook vaak het voorwerp van allerlei fantasieën over een betere wereld, vrij van alle aardse zorgen en beslommeringen. Wie kent niet het “Eiland der Gelukzaligen”, dat voorbij de grens van de bekende wereld werd gesitueerd? De mythen over Thule, Hyperborea en de “Elyseese velden”  vinden hier eveneens hun oorsprong. In deze gebieden zouden reuzen wonen of zielen van overledenen die omgang hadden met de goden. Daarnaast deden allerlei mythen de ronde over verdwenen beschavingen die door hun hoogmoedige houding of door geknoei met natuurkrachten in een ver verleden ten onder waren gegaan. Atlantis is daarvan het bekendste voorbeeld.  Een andere overlevering verhaalt over een planeet die zich tussen Mars en Jupiter moet hebben bevonden, maar door gevaarlijke experimenten van haar bewoners is geëxplodeerd. De brokstukken daarvan cirkelen nog altijd als asteroïden - reusachtige rotsblokken met een doorsnee van enkele tientallen of honderden kilometers – om de zon, op de plaats waar zich vroeger de moederplaneet moet hebben bevonden. We zien in verhalen van dit type een combinatie van het demonische en het verhevene, dat in andere mythen nog afzonderlijk voorkomt, hetzij als fantasieën over een gebied vol gruwelijke monsters, hetzij als vage herinneringen aan een soort paradijs.

 

Het onbekende en het onderbewuste

Als we al deze verhalen, sagen en mythen onder één noemer proberen te brengen, dan vallen ons twee dingen op. In de eerste plaats waren de randgebieden van vroegere wereldbeelden fascinerend: ze werden door monsters of door hoogstaande wezens bewoond. De normale wetten die in de bewoonde wereld – de ‘terra cognita’ – golden, waren daar niet meer van toepassing. Hoe verder je je van het centrum van de bewoonde wereld verwijderde, des te vreemder en ongewoner begon het er uit te zien. Zelfs natuurkrachten heersten daar niet meer, in elk geval niet in de gebruikelijke zin van het woord. Ruimte en tijd begonnen er te vervagen: meestal werden deze gebieden als ‘eeuwig’  of ‘tijdloos’ voorgesteld. Ze behoorden dus tot een andere orde en werden volgens eigen wetten en regels geregeerd. Dit verklaart ook het tweeslachtige in de mythen over de regionen achter de horizon: dit ‘andere’ kon zowel negatief als positief uitvallen.

 

Daarmee hangt een tweede kenmerk samen dat deze mythen met elkaar gemeen hebben: ze vormden in feite het domein van het onderbewuste. Gedachten en gevoelens, angsten en utopieën over een betere wereld werden geprojecteerd op deze randgebieden. Alles was daar mogelijk: zevenkoppige draken en cyclopen huisden daar, maar ook beschavingen van een duizelingwekkend niveau. De tijd was er overwonnen en men behoefde er niet meer te eten en te drinken. Kortom, de mensen projecteerden hun eigen onderbewuste beelden, angsten en fantasieën op deze buitenste regionen. Ze zijn daarom verwant aan de wereld van de droom en de religie. Dat laatste betekent overigens niet dat men ze alleen maar als fraaie verdichtsels beschouwde: men geloofde heel concreet in het bestaan ervan. Het bekent evenmin dat deze fantasieën samenhingen met een gebrek aan realiteitszin en de aandacht afleidden van meer alledaagse zaken. Voor sommigen was dit misschien wel het geval. Maar voor mensen met meer verbeeldingskracht en een ruimere blik vormden zij juist de prikkel om dit onbekende te verkennen en in kaart te brengen.

 

Christoffel Columbus was zo’n man: de mythen over het ‘Eldorado’, het ‘Goudland’, vormden voor hem een belangrijke inspiratiebron voor zijn ontdekkingsreizen. Paradoxaal genoeg zorgde dus juist een ideaalbeeld van een betere wereld, die weinig meer met de realiteit te maken had, ervoor dat het gebied van de bekende wereld werd vergroot.

 

Jung over UFO’s

Zojuist is het al ter sprake gekomen: de randgebieden van ons wereldbeeld worden feitelijk niet door concrete wezens, maar door spoken en utopieën uit ons onderbewuste bevolkt. De psycholoog Carl Gustav Jung paste een soortgelijk beginsel toe op het verschijnsel van de ufo’s. Hij veronderstelde nl. dat de mens tegenwoordig zo’n sterk verlangen heeft naar verlossing en bevrijding van zijn staat van gespletenheid, dat hij zich beelden projecteert van buitenaardse bezoekers die als brengers van het heil worden beschouwd. De cirkelvorm van deze ufo’s symboliseert volgens Jung de eenheid waarnaar de mens in zichzelf op zoek is. Het ufo-fenomeen wordt door hem zelfs in verband gebracht met de terugkeer van Christus naar de aarde: het zou een eigentijdse uitdrukking zijn van het oerverlangen van de mens naar het overwinnen van alle aardse tegenstellingen. Over de vraag in hoeverre ufo’s ook werkelijk ruimteschepen zijn van andere civilisaties, laat hij zich echter vaag of ontkennend uit.

 

De komende cultuurschok

Ufo’s als voorboden van de verlossing... Misschien is deze visie wat al te optimistisch. Zeker is in elk geval dat wij evenals onze voorouders met hun primitief wereldbeeld nog steeds ambivalent aankijken tegen de randgebieden van de ons bekende wereld en hun bewoners. De films ‘Alien’ en ‘Close Encounters’ vormen wat dat betreft wel de beide uitersten. In de laatstgenoemde film worden vertegenwoordigers van een ander civilisatie als een soort verlossers voorgesteld, terwijl de monsters uit de film ‘Alien’ goed vergelijkbaar zijn met de duivelse slang Apophis en zijn trawanten, die in de Oud-Egyptische mythologie de bestaande wereldorde aanvallen. In de film ‘Independence Day’ wordt dit motief nog eens herhaald, uiteraard gelardeerd met de nieuwste Hollywood-effecten.

 

Het beeld dat wij van onszelf hebben is dus in vergaande mate bepalend voor de voorstelling die wij ons maken van het karakter van andere civilisaties. Aangezien er heel veel mensbeelden zijn, bestaan er ook talloze vermoedens over de aard en het niveau van deze intelligenties. Is er dan nog wel een zinnig woord te zeggen over de manier waarop wij op de ontdekking van een andere beschaving elders in het heelal zullen reageren? Me dunkt van wel.

 

Gedurende millennia heeft de mens geloofd dat alle hemellichamen om de aarde draaiden. Dit geocentrische wereldbeeld maakte steevast deel uit van de filosofie en de theologie. Deze opvatting is altijd zó sterk bepalend geweest voor onze manier van denken over onszelf en de ruimte om ons heen, dat ook na de ontmaskering van deze mythe het beeld is blijven hangen dat het menselijk ras uniek zou zijn, enig in zijn soort, en daarom verheven boven alle andere schepsels. In economisch opzicht leidde dit tot de uitputting van de natuurlijke grondstoffen en het uitroeien van talloze diersoorten. Alles moest immers door de mens worden onderworpen en geëxploiteerd: zijn ‘hoge roeping’ gaf hem daartoe het recht. Althans, zo heeft men dat vaak uitgelegd...

 

De gevolgen van deze heerszucht t.o.v. de rest van de schepping zijn bekend. Maar het is niet alleen in ecologische of maatschappelijke zin gevaarlijk: het zal er ook voor zorgen dat de ontdekking van buitenaards leven – zeker als het zich op een hoogontwikkeld niveau bevindt – een pijnlijke confrontatie zal betekenen voor de opgeblazen houding waarmee we naar onszelf, de aarde en de wereldruimte kijken. Als de mens eenmaal van zijn hoge troon af zal moeten komen – en die tijd lijkt niet ver meer – zal dat een omwenteling in ons denken betekenen waarbij vergeleken de ‘Copernicaanse revolutie’ nog maar kinderspel is. Uiteraard zijn de gevolgen van een dergelijke ontdekking altijd onvoorspelbaar. Toch zal het waarschijnlijk een grote ontnuchtering betekenen. Om redenen die te ver voeren om in kort bestek uit te leggen, is de kans dat een buitenaardse beschaving verder ontwikkeld is dan de onze zeer groot. Daarbij moeten we niet alleen denken aan technische ontwikkeling, maar ook aan vorderingen op geestelijk en mentaal gebied. Voor de theologie, en dan met name de conservatieve theologie, die aan blikveldvernauwing lijdt, zal deze klap heel hard aankomen.

 

De mythe van de menselijke superioriteit

De plaats die we ons vooral in psychologische zin in de loop van onze beschavingsgeschiedenis in het heelal hebben opgebouwd, zal grondig veranderen. Het sterrenkundige wereldbeeld zal er niet door worden aangetast : onze theorieën en hypotheses in deze tak van wetenschap laten een dergelijke mogelijkheid immers nu al toe. Maar het wereldbeeld, zoals dat tegenwoordig als nooit tevoren ons denken over onszelf beheerst, zullen we beslist los moeten laten.

 

Als het buitenaardse leven, dat we mogelijk zullen ontdekken, zich verder heeft ontwikkeld dan het onze, zal onze eerste reactie er waarschijnlijk een zijn van schaamte over onze onbenulligheid en primitief, opgeblazen egoïsme. Meer dan ooit zullen we dan gaan beseffen hoe slecht we tot nu toe in staat zijn geweest om, met alle technische hulpmiddelen die ons ten dienste staan, zelfs maar de meest elementaire mondiale problemen op te lossen. Maar uiteindelijk zullen we -  en ik ben daar optimistisch over – er toch ook veel mee kunnen winnen. Als we onze eigen plaats in het heelal én op aarde kunnen relativeren, zullen we het ook niet meer zo nodig vinden om onze eigen normen, waarden en denkbeelden aan anderen op te leggen. Van een ras, dat zich nu nog als drager en exponent van de ‘beschaving’ beschouwt, zullen we veranderen in een middelmatige intelligentie die nog een lange weg heeft te gaan voordat hij uiteindelijk volwassen wordt.

 

Het is dit vermogen tot relativeren dat we allereerst nodig zullen hebben om de komende cultuurschok op te vangen en er een positieve wending aan te geven. De ‘bevrijding’  die daarvan uit zal gaan komt dan weliswaar niet op dezelfde manier tot stand als Jung het zich destijds voorstelde, maar op een meer directe manier : door het loslaten van de mythe van onze superioriteit. Het zou me dan ook niet verbazen als een ontmoeting met andere civilisaties juist plaats zal vinden in het huidige tijdperk, waarin allerlei oude waarden en illusies plaats moeten maken voor een wat bescheidener en meer sympathieke houding tegenover onszelf en al het leven om ons heen. Uiteindelijk hebben we daar niets mee te verliezen, maar juist alles mee te winnen. Het zou nl. het herstel betekenen van onze oorspronkelijke verbinding met de kosmos en al het leven dat ons tot aan de verste uiteinden van het heelal omringt.

 

                                                                                                                   Hendrik Klaassens.

 

 


Hekserij in Europa: feiten en achtergronden

- Hendrik Klaassens -

 

Inleiding

Hekserij in Europa: wat moeten we ons daarbij voorstellen? Wie waren de mensen die van hekserij beschuldigd werden en wat hadden ze nu eigenlijk gedaan? Wie waren de aanklagers en waaruit bestonden dan die veronderstelde ‘magische praktijken’? 

Het is niet zo eenvoudig om op al deze vragen in kort bestek antwoord te geven. Toch bestaan er wel degelijk onderzoeken die laten zien wat de oorzaken en achtergronden waren van de Europese heksenprocessen. Vaak gaat het daarbij om ‘case studies’, waarbij één bepaald proces van alle kanten wordt belicht. Eén van deze onderzoeken heeft betrekking op de gebeurtenissen die aan het begin van de 18e eeuw plaatsvonden in een klein Zwitsers dorpje. Het is een studie van David Meili, getiteld “Hexen in Wasterkingen”. In dit artikel wordt deze scriptie samengevat en becommentarieerd. Het laat op een onthutsende manier zien hoe mensen ertoe konden komen om anderen te beschuldigen van hekserij en hoe de autoriteiten daarop reageerden. Een verhaal over sociale controle, roddel, achterklap, magie en... heksen!

 

Wat er gebeurde...

In de maand april van het jaar 1701 beschuldigen de inwoners van het op ca. dertig kilometer van Zürich gelegen dorp Wasterkingen elf van hun medeburgers van schadelijke, magische praktijken. De eerste onderzoeken, uitgevoerd door een predikant en de landvoogd, vallen bij de bevolking niet in goede aarde. Nadrukkelijk eisen de dorpelingen dat het kwaad van de hekserij met wortel en tak wordt uitgeroeid. Zoniet, dan zien zij zich genoodzaakt hun woonplaats te verlaten en met z’n allen naar Amerika te emigreren.

Dit heeft succes: enkele weken later worden de verdachten overgebracht naar Zürich, waar men hen in het kader van een inquisitieproces een volledige bekentenis over hun misdaden weet af te dwingen. In de zomer en de vroege herfst worden zij voor dit doel onderworpen aan uitgebreide procedures en martelingen. Als hun weerstand is gebroken en zij een volledige verklaring hebben afgelegd, worden acht heksen terechtgesteld. Met deze executies werd het grootste heksenproces uit de geschiedenis van het kanton Zürich afgesloten.

 

Van dit heksenproces zijn de volledige akten en protocollen van de ca. 150 verhoren bewaard gebleven. Ze leveren interessant materiaal op waarmee je wat meer inzicht kunt verkrijgen in de magische praktijken op het platteland, de achtergronden van de late heksenvervolgingen en het dorpsleven. Het zg. “Kopialbuch” van 160 bladzijden, dat de processen van 1701 verslaat, vormt, samen met andere bronnen zoals bv. gegevens over bevolkingsaantallen, huwelijken, geboorten, kadastrale documenten en genealogische materiaal, een goed uitgangspunt voor een dergelijke studie. Daarmee kan worden geprobeerd wat dieper door te dringen in de achtergronden van de vervolgingen. De rechtbankverslagen leveren immers voldoende materiaal op over ‘afwijkend gedrag’.

 

Het dorp Wasterkingen

In 1767 bestaan er grootse plannen om de landbouwmethoden te verbeteren. Daaraan gaat een onderzoek vooraf naar de efficiëntie van de al bestaande manieren om het land te bewerken. Het beeld dat daaruit naar voren komt tart elke beschrijving. Zo wordt in de winter het vee met stro gevoerd. Maar vaak is daarvan niet genoeg in voorraad. Als men daar doorheen is, wordt het vee - ondanks het risico van een hoge boete - de velden opgedreven. Daardoor worden de landerijen kaalgevreten, er ontstaan gaten in de bodem met brak water. Iets later in het seizoen, als er gezaaid is, wordt de jonge aanplant opgevreten. Van de oogst komt dan ook niet zo veel terecht...

Wie zijn vee niet kon laten overwinteren, kocht in het voorjaar tegen een zeer hoge prijs een koe; in het najaar werd deze weer tegen een veel lagere prijs verkocht. Het enige doel hiervan bestond eruit het vee de hele zomer buiten te houden, zodat niemand anders z'n vee dezelfde weide kon laten afgrazen.

Kortom: men probeerde alleen aan zijn behoeften op korte termijn te voldoen. Van enige planning was geen sprake. Alles werd te gelde gemaakt, omdat de belastingen (accijnzen) erg hoog waren en veel mensen gebukt gingen onder hoge schulden. De bevolking bleef bij dit alles gewoon onverschillig; de rijke boeren incasseerden woekerrenten omdat er veel geleend moest worden.

 

Er zijn geen aanwijzingen, dat de situatie in 1701, het jaar waarin de heksenprocessen plaats vonden, veel anders was. Van enige organisatie in de landbouw was geen sprake. Dat gold trouwens niet alleen voor de landbouw. Gedurende een groot deel van de 17e eeuw werd Wasterkingen geteisterd door branden, epidemieën en oorlogen (30-jarige oorlog). Vooral door dat laatste verloren veel jonge mannen hun leven. De bevolkingsopbouw was daardoor zeer onevenwichtig geworden. Zo was in 1701 maar liefst 37% van de volwassenen ongehuwd, in 22% van de huishoudens ontbrak één van de ouders of allebei; buitenechtelijke verhoudingen kwamen veel voor. In allerlei opzichten heerste er dus wanorde.

 

Kenmerkend is verder, dat Wasterkingen - evenals veel andere kleine plaatsjes op het platteland - een bevolking heeft, waarvan de afzonderlijke leden praktisch allemaal aan elkaar verwant zijn. Huwelijken met bewoners van naburige dorpen - afgezien van het nabije Huntwangen - kwamen zelden voor. "Iedereen kent iedereen" dus.

De meeste Wasterkingers leefden op de rand van het bestaansminimum: slechts door hulp vanuit het dorp zelf werden ze niet armlastig. Dat betekent ook, dat ze erg afhankelijk waren van goede contacten met anderen. Onverschillige verstandhoudingen zijn in een dergelijke situatie onmogelijk. Waar iedereen op elkaars lip zit wordt ook iedereen gedwongen een bepaalde houding in te nemen t.o.v. de anderen. Sympathie en antipathie zijn dan ook de belangrijkste factoren die de onderlinge verhoudingen bepalen en het beeld van de gemeenschap als geheel beheersen. Wie in een dergelijke samenleving iets gapt, wordt er zijn leven lang op aangekeken. Dat geldt trouwens ook voor de fouten, die je vader of moeder ooit hebben gemaakt. Zulke irritaties schieten wortel. Dat patroon komt ook tevoorschijn bij de heksenprocessen.

 

De heksen

Nadat in 1684 een klein heksenproces met de vrijspraak van de verdachten was geëindigd, omdat de aanklagers het onderling niet eens konden worden, werden in 1701 opnieuw een aantal dorpsbewoners in staat van beschuldiging gesteld. Om welke aanklachten ging het?

1. Het merendeel had betrekking op kleine ergernissen: zo kon men van melk geen room maken, van room geen boter, de os bleef als door de bliksem getroffen voor de ploeg staan, enz.

2. Ernstiger beschuldigingen hadden betrekking op plotseling optredende ziekten en pijnen bij mens en dier, evenals op de dood van vee. Voor de meeste families betekende dat een regelrechte ramp, omdat men voor het levensonderhoud van de veestapel afhankelijk was.

 

Opvallend is, dat de aangeklaagden grotendeels nauwe familieleden van elkaar waren. Zo werd een echtpaar beschuldigd, evenals twee van hun kinderen, twee zusters en een schoonzuster van de echtgenote, en verder een neef en een nicht van de aangeklaagde vrouwen. Daarnaast werden aanklachten ingediend tegen twee vrouwen, die geen familiebetrekkingen met de andere 'heksen' onderhielden.

Voor deze beschuldigingen zijn verschillende oorzaken aan te wijzen. Allereerst kwam er veel oud zeer weer bovendrijven.

De vader van één van de aangeklaagde vrouwen had bv. een tijdje de aalmoezen in het dorp moeten uitdelen, maar was daarbij oneerlijk te werk gegaan. Zo iets wordt niet gauw vergeten. Belangrijker aanwijzingen worden gevonden wanneer je kijkt naar de levenssituatie van de aanklagers zelf: ze hadden allemaal grote moeite om het hoofd boven water te houden. Voortdurend hadden ze gebrek aan zelfs de meest elementaire middelen voor hun bestaan, zoals bv. brandhout, stro, hooi en weidegronden. Daar komt nog bij, dat zij in hetzelfde gedeelte van het dorp woonden als de beschuldigden; ze zaten dus regelmatig in elkaars vaarwater.

 

Het meest karakteristieke voorbeeld is wellicht Jakob Rutschmann; al jarenlang was hij vaak beboet wegens het stelen van brandhout of het voortijdig laten grazen van zijn vee. Doordat hij praktisch aan de grond zat, was hij daartoe wel gedwongen.

Hij is echter niet alleen één van de dorpsbewoners, die het vaakst werden beboet, maar ook verbaal gezien de meest agressieve aanklager: de schuld voor zijn belabberde economische omstandigheden schoof hij af op zijn buren. Door hun hekserij hadden ze hem op het randje van de afgrond gebracht.

Driekwart van de aanklagers had trouwens iets op zijn kerfstok - allemaal economische delicten. Er waren in totaal 32 aanklagers, maar 75% van de aanklachten werden door maar 8 personen ingediend. De meeste beschuldigingen richtten zich daarbij tegen de directe buren. Ook bij hen zie je dus hetzelfde patroon: de levensomstandigheden van elke klager afzonderlijk vormden het belangrijkste motief om naar de rechter te stappen. Deze onvrede met de eigen situatie werd afgereageerd op de naaste buren, waar men toch al jarenlang slecht mee had kunnen opschieten.

 

Andere opvallende punten zijn:

1. De aangeklaagden en de klagers behoren tot verschillende leeftijdscategorieën. De eerste groep behoort ofwel tot de jongste generatie (jonger dan dertig jaar) of de oudste (ouder dan vijftig); de tweede tot de generatie tussen de dertig en de vijftig.

2. Veel van de beklaagden leefden geïsoleerd - ze hadden weinig geregelde contacten. Een groot deel ervan kwam uit gebroken gezinnen of stond alleen. Andere verdachten hadden een zeer slecht huwelijk.

 

Met de aanklachten stapte men eendrachtig naar de burgermeester en de raad van Zürich, nadat de eerste halfslachtige onderzoeken van de plaatselijke autoriteiten weinig hadden uitgehaald. Het boerengezelschap stelde de burgermeester voor de keus: als er niet snel en krachtdadig werd ingegrepen, zouden ze met zijn allen vertrekken naar Amerika. Na deze stappen komt de juridische machinerie langzaam, aarzelend eerst nog, in beweging.

 

Het proces

De rechtspraak van de inquisitie verschilde per streek. Duidelijke voorschriften hierover bestonden er betrekkelijk weinig: men wikkelde de inquisitieprocessen af volgens het locale gewoonterecht. Het kanton Zürich velde overigens niet meer oordelen wegens hekserij dan andere streken; in tweehonderd jaar tijd werden vierhonderd heksen terechtgesteld. Dat is goed vergelijkbaar met de executies in andere kantons.

Bij de heksenvervolgingen in het 17e-eeuwse Zwitserland baseerde men zich vooral op een studie van de Zwitserse theoloog Ludwig Lavater over het Bijbelboek Job. Daarin vergeleek hij Jobs situatie met die van zijn eigen tijd. Hij beschouwde in deze studie uit 1632 de wereld als een belegerde stad, die steeds door het boze wordt omgeven en bedreigd. Het heksengeloof paste natuurlijk uitstekend in zo'n opvatting. Zijn boek werd veel door het geletterde deel van de boerenbevolking gelezen en verkreeg zo grote invloed.

Ook moet de "Magiologia" uit 1682 van Anhorn worden genoemd. Het bevat o.a. een beschrijving van het "verbond tussen heks en duivel" en een rechtvaardiging van martelpraktijken, dat laatste vooral op grond van schriftuitspraken in het Oude Testament, waarin allerlei vormen van toverij en magie worden veroordeeld.

 

Deze en andere publicaties gaven voedsel aan het bestaande heksengeloof en plaatsten het in een theoretisch kader. Ze legitimeerden het geweld waarmee de overheid tegen 'heksen' optrad. Volgens deze ideologie - die ons nogal paradoxaal voorkomt - zijn de martelingen een nuttig hulpmiddel om de 'heks' bewust te maken

van de betekenis en draagwijdte van haar 'misdaden'. Men leert haar slechts om haar kwaadaardig gedrag in dat theoretische kader te plaatsen. 

Wanneer ze eenmaal een volledige bekentenis heeft afgelegd, mag ze hopen op verzoening en vergeving, maar dat is alleen mogelijk als ze eerst is verbrand...

 

De verslagen van de verhoren laten doorgaans een aaneenschakeling van vooroordelen, misverstanden en gebrek aan elke vorm van echte communicatie zien. In dit geval is dat wel heel duidelijk. Dat wordt door twee dingen veroorzaakt:

1. De schuld van de beklaagden stond doorgaans bij voorbaat vast;

2. De dorpsbevolking bediende zich van een ander type spreektaal dan de magistraten. De voorliefde voor metaforen, spreekwoorden en allerlei vergelijkingen werd door de rechters vaak verkeerd uitgelegd. Ook gebruikten de boeren vaak bijbelcitaten, zonder dat ze wisten wat ze betekenden: ook hierdoor laadden ze de verdenking op zich er allerlei afwijkende ideeën op na te houden.

 

 

Als eerste van de arrestanten wordt Anna Wiser verhoord: waarschijnlijk omdat ze naïef is en erg spraakzaam. Deze jonge boerin wordt aan het begin van het proces herhaaldelijk ondervraagd, net zo lang totdat het net zich om haar begint te sluiten. Wanneer ze zich gedwongen ziet eerdere uitspraken te herroepen of te corrigeren, wordt ook het proces tegen de anderen versneld. Men confronteert de getuigen met elkaar en probeert ze daardoor tegen elkaar uit te spelen. Onder het toeziend oog van de rechters vliegen de beledigingen over en weer.

Dat werpt zijn vruchten af: als de eerste beklaagde eenmaal heeft bekend dat ze zich met lichaam en ziel aan de Duivel heeft overgegeven en van de weeromstuit ook haar schoonmoeder beschuldigd van deze "verdammenswerte Lustbarkeiten mit dem Teufel”, komt het zaakje letterlijk en figuurlijk aan het rollen. Op 14 juli 1701 zijn de eerste vier 'heksen' terechtgesteld.

In het dorp breekt paniek uit. Eerder waren verschillende mensen trouwens al gevlucht: twee ervan worden later opgepakt en meteen ook beschuldigd van hekserij. Nauwelijks een maand later worden ook op hen de gebruikelijke stigmata geplakt. Onder de beproefde handen van de inquisitie zijn ze reddeloos verloren.

 

Gaandeweg komt er echter een kentering in het proces: begin september wordt onverwacht een verdachte vrijgelaten. Waarschijnlijk moet de oorzaak gezocht worden in het feit, dat de kosten zo langzamerhand de pan uitrezen. Bovendien werd de procesvoering tegen de laatst overgebleven verdachten bemoeilijkt doordat men slechts met de grootst mogelijke moeite concrete bewijzen kon vinden

voor hun schuld.

Op 15 september wordt de laatste heks, een jonge vrouw van 23, terechtgesteld. Haar beide kinderen, die men eerder al had gebruikt om tegen hun moeder te getuigen, worden eerst nog een paar maand lang onderworpen aan een verzwaarde vorm van catechisatie alvorens ze aan de plaatselijke armenzorg worden toegewezen. Op 17 november worden de procesacten gesloten. Daarmee kwam een einde aan het grootste heksenproces uit Zürich's geschiedenis.

 

De magie

Een originele opvatting over magie werd naar voren gebracht door Marcel Mauss: het is een maatschappelijk verschijnsel, dat vergeleken kan worden met religie en wetenschap. I.t.t. de religie heeft de magie echter géén abstract, maar een concreet doel, bv. het beschadigen van andermans eigendommen. I.t.t. de wetenschap gebruikt de magie geen rationele manier van denken. Met woorden en gebaren probeert ze dezelfde doelen na te streven als de techniek d.m.v. arbeid.

 

De voorstellingen die men zich maakt van magische praktijken, worden door alle leden van een gemeenschap gedeeld. Het magische ritueel is daarbij een sociaal gebeuren, omdat het individu dat er gebruik van maakt, zich daarmee probeert te verzetten tegen zijn omgeving, meestal uit machteloosheid om zich op een andere manier teweer te stellen. Seksuele frustraties spelen daarbij ook een rol.

Dit model laat zich ook goed toepassen op de plaatselijke situatie in Wasterkingen. Machteloosheid t.o.v. de eisen van de omgeving vormt vaak de reden om allerlei vormen van magie uit te proberen. Dat er verschillende magische rituelen in zwang waren lijdt overigens geen twijfel. Genoemd worden o.a. het 'Lachsnen' en het 'Bräucken'; in feite zijn dit vormen van witte magie die tegen de schadelijke effecten van zwarte magie worden ingezet.

Uit de verhoren blijkt, dat zwarte magie met name wordt gebruikt door gedesillusioneerde figuren, die lijden aan contactarmoede of gebukt gaan onder benarde economische omstandigheden; ook zijn zij vaak seksueel totaal gefrustreerd.

 

De gevoelswereld

I.t.t. wat in populaire werkjes vaak wordt beweerd, zijn de opvattingen over seksualiteit van het conservatieve Zwingliaanse protestantisme nauwelijks verantwoordelijk voor het feit, dat velen zich seksueel onbevredigd voelden. Integendeel: de plaatselijke dominees namen een erg pragmatische houding aan in dit soort kwesties. Buitenechtelijke verhoudingen werden getolereerd, mits ze maar niet te veel overlast veroorzaakten. De mensen leefden bovendien zó dicht op elkaar, dat ze af en toe wel 'es een oogje dicht moesten knijpen. Zo sliepen bv. meestal 3 of 4 mensen in één bed: de leefruimte was erg klein.

Uit de procesakten blijkt verder, dat seksuele contacten met de duivel op ongeveer dezelfde manier worden beschreven als seksuele contacten met dorpsgenoten. Verschillende verklaringen zijn daarvoor mogelijk. Ze hebben veel te maken met de woon- en leefsituatie van de bevolking.            

1. De bevolkingsopbouw is erg onevenwichtig; er waren veel alleenstaanden en één-ouder-gezinnen. De 'heksen' waren ook vaak alleenstaand of moesten leven met een zeer slecht huwelijk.

2. Verkrachting moet in die tijd in plaatsjes als Wasterkingen veel zijn voorgekomen. De aangeklaagde vrouwen beschrijven de duivel als iemand, die hen tegen hun zin onder handen neemt.

3.  Er zijn ook aanwijzingen, dat zelfbevrediging wel als seksuele omgang met de duivel werd gezien. Sommigen geloofden nl., dat de duivel bij deze praktijken zelf niet kon worden waargenomen...

4. Volgens locaal gebruik vierde men de Silvesternacht, de 31 december, in kleine kring in een schuur of huiskamer: op zo'n avond kwam altijd een in het bruin of zwart geklede man binnen, die zijn gezicht met roet had ingesmeerd. Nadat hij een dansje had gemaakt met de aanwezige vrouwen verdween hij weer even geheimzinnig als hij gekomen was.

De getuigenverklaringen doen vermoeden, dat men de viering van dit feest voor geheimzinnige bijeenkomsten met de duivel had aangezien. Dit feest was al vóór 1701 verboden.

5. Ook het dansen was verboden: men beschouwde het als een uitvinding van de duivel (!). Soms gebeurde het stiekem. Paranoïde omstanders of gluurders meenden dan een heksensabbat te hebben gezien.

 

De ideeënwereld

In 1934 publiceerde Hedwig Strehler een proefschrift over de cultuurgeschiedenis van het kanton Zürich. Uitgaande van de opvatting, dat denkpatronen en -beelden zich allereerst uiten in de spreektaal, heeft zij met succes geprobeerd wat meer inzicht te verkrijgen in de fantasieën en voorstellingen, die de dorpelingen er op na hielden. Volgens haar is de plattelandsbevolking uitstekend in staat haar ideeën te verwoorden; zelfs zeer abstracte gedachtegangen worden door hen trefzeker uitgedrukt. Aan de hand van deze veronderstelling kunnen ook de verslagen van de heksenprocessen onder de loep worden genomen.

 

De resultaten laten zich a.v. samenvatten:

1. Het eigen dorp wordt als centrum van de wereld ervaren: het valt samen met de wij-groep. Naarmate men er zich verder van verwijdert, begint men zich des te onbehaaglijker te voelen. Kortom: de wereld is begrensd. Als men zich ruimtelijk van

haar middelpunt verwijdert, verliest men aan geestelijk houvast.

2. Dit besef van begrensdheid hangt samen met een sterke gevoelsmatige binding aan het eigen dorp.

3. Men voelde zich ook zeer gehecht aan zijn eigen spullen (huisraad, persoonlijke bezittingen). Als hun het vuur na aan de schenen werd gelegd, verlangden de 'heksen' naar huis en bovenal naar hun eigen, vertrouwde spulletjes. Talrijke vergelijkingen en uitdrukkingen verwijzen dan ook naar deze voorwerpen.

4. Alles wat men niet begreep of buiten het normale verwachtingspatroon viel, vormde een potentiële bedreiging: het magische vulde de lacunes in de kennis op. Werkelijkheid en fantasie gingen naadloos in elkaar over. I.t.t. het rationalistische denkpatroon baseerde het "barokke" denken van de plattelanders zich op associaties, projectie, het aan elkaar vast breien van feiten en fantasie, alsook op tegenstellingen zoals bv. die tussen sympathie en antipathie.

 

Je kunt je afvragen welke plaats God en de door de kerk beleden religie in deze ervaringswereld nog konden innemen. Uit de antwoorden, die verdachten geven op geloofsvragen, blijkt dat ze hun geloof meestal gelijkstelden aan het kunnen opdreunen van bepaalde passages uit de "Fragstückli" - een combinatie van een catechismus en een stichtelijk boek - of uit de Psalmen. Het geloof is dus de religieuze kennis die men bezit; het religieuze bewustzijn daarentegen beperkt zich tot het besef van de eigen zondigheid.

Toch blijven veel verdachten steeds vertrouwen op de gerechtigheid van God, zelfs wanneer ze aan een lier worden opgetrokken om tot bloedens toe te worden gefolterd. Het aardse en het lichamelijke hebben in hun ogen maar geringe waarde; men leeft vanuit een sterk verlangen naar verlossing daarvan. Hun levensbeschouwing is gericht op een onbekende wereld over de drempel.

 

Het schandaal

In de maand februari van het jaar 1705 vindt de ontknoping plaats van één van de grootste tragikomedies uit de geschiedenis van Zürich. Nadat de ambtswoning van de hoogste geestelijke ter plekke jarenlang bezocht was door manifestaties van de duivel, ontpopte één van zijn huisgenoten zich als het "spook". Deze pesterijen dienden ertoe om de aandacht af te leiden van een stiekeme relatie, die deze huisgenoot - nog wel een dominee - met een nicht van de heer des huizes onderhield.

Het schandaal van 1705 wordt een keerpunt in de houding tegenover het geloof in hekserij: bij de dood van de door de duivel geplaagde geestelijke neemt ook zijn grootste vijand afscheid van deze wereld. De heksen, die sindsdien door de overheid worden opgepakt, zijn nu geen onderzoeksobjecten van de demonologen meer, maar van medici. Vanaf 1709 worden al diegenen, die zichzelf aanklagen wegens hekserij, bestempeld als "hysterisch". In Zürich wordt een onderkomen in gereedheid gebracht waar deze vrouwen aan de zorg van potige ziekenbroeders worden toevertrouwd. Deze instellingen nemen voortaan de functies van inquisitie en scherprechter over.

 

De illustraties in dit artikel zijn afkomstig uit het schilderijenarchief van Johfra Bosschart

Link naar Wasterkingen

Aanvullende lectuur:

Middeleeuwse witte en zwarte magie in het Nederlands taalgebied

Willy L. Braekman

 

 

Jeanne d'Arc - fanaticus, medium of instrument van God?
Hendrik Klaassens 

 

In 1999 gingen twee speelfilms in première over Jeanne d'Arc (1412-1431). Geen wonder, want ze is nog steeds een legende. Als 18-jarig meisje wist zij in één jaar tijd een groot deel van Frankrijk terug te veroveren op de Engelsen. Daarbij werd zij geïnspireerd door 'stemmen', waarvan ze beweerde dat deze afkomstig waren van Michael, St. Catharina en Maria. Mijn vraag is daarbij wat we vanuit de christelijke mystiek zouden kunnen zeggen over haar inspiratie en haar enorme bevlogenheid.



Hoe het begon: doorgevingen
Al op 12-jarige leeftijd hoorde zij voor het eerst een stem, die tegen haar sprak 'Jij moet Frankrijk bevrijden!' Zij nam deze 'stem' - we zouden tegenwoordig eerder zeggen 'doorgeving' - uiterst serieus. In de jaren die volgden herhaalden deze boodschappen en opdrachten zich steeds weer, totdat deze stemmen haar op 17-jarige leeftijd brachten bij de Franse troonopvolger, de 'dauphin'. Hoewel zij hem nog nooit eerder had ontmoet, wist zij hem feilloos te herkennen in een gezelschap van 300 mannen.

Haar carrière en val
Geïmponeerd door de enorme bezieling en overtuigingskracht die van haar uit gingen, gaven de Fransen haar de beschikking over een legermacht. Al gauw wist deze successen wist te behalen, met als eerste hoogtepunt de herovering van Orléans op de Engelsen. Daar bleef het niet bij, want onder haar leiding werden steeds meer steden in centraal Frankrijk heroverd, totdat zij in 1430 tijdens een vrij roekeloze actie gevangen werd genomen door de Bourgondiërs. Na twee processen werd zij uiteindelijk in 1431 op instigatie van de Engelsen veroordeeld tot de brandstapel en in Rouen geëxecuteerd. Twintig jaar later werd het proces tegen haar heropend, waarbij zij postuum werd vrijgesproken. In 1920 werd zij heilig verklaard.

Stemmen uit de hemel of Don Quichotte?
Wat kunnen we nu zeggen over die 'stemmen'? Was zij een medium, een profetes of iemand die er door God toe was voorbestemd om Frankrijk van de Engelse heerschappij te bevrijden? Eén ding is in elk geval zeker: zij geloofde daar zelf heilig in. De boodschappen en opdrachten gingen gepaard met een helder, stralend licht. Ze wilde er eigenlijk weinig over kwijt, maar uit het weinige dat ze erover losliet, blijkt dat ze op den duur ook de gestalten van Michaël, Sint Catharina en andere 'heiligen', met wie zij gesprekken voerde, duidelijk kon zien. Dat zij verschijningen zag en boodschappen ontving, is dus wel zeker. Ook staat het vast dat zij paranormaal begaafd was, omdat ze daar verschillende keren blijk van gaf. Daarnaast had zij een zeer krachtige, doortastende persoonlijkheid en een rotsvast geloof.
Naar onze huidige maatstaven zou ik haar niet een ‘medium’ willen noemen. Dat veronderstelt nl. dat zij het contact met personen uit de geestelijke wereld zelf kon controleren en zelf kon oproepen. Bij Jeanne d’Arc was dat niet het geval. Zij hoorde haar stemmen tijdens het gebed. Het was meer iets wat haar overkwam dan iets wat zij beheerste en naar eigen hand kon zetten. Niettemin wijdde zij zich vol vuur en overgave aan de taak waartoe zij door Michaël, Maria en Catharina werd opgeroepen.

Nu kun je je afvragen of het eigenlijk wel de bedoeling is van het christelijke geloof om met geweld in te grijpen in de wereld. Gaat daar niet iets radicaal fout? Vanuit een spirituele visie kun je echter tegenwerpen dat elk land of volk leiding ontvangt. Die leiding kan worden gegeven vanuit de geestelijke wereld, maar... zou ook niet een mens tijdelijk als zodanig kunnen fungeren?

Het karakter van haar doorgevingen
Sommigen beweren, dat Jeanne d'Arc misschien wel psychotisch was of een fanatiekeling, die luisterde naar de boodschappen die al te oorlogszuchtige geesten haar influisterden. Tegenover die critici zou ik graag een kanttekening willen maken, die voor mijn gevoel niet helemaal onbelangrijk is. Dat heeft nl. te maken met het feit hoe we de boodschappen, die zij ontving, gaan definiëren.

In de tijd van Jeanne d'Arc kon men alleen maar spreken over 'stemmen' als iemand een doorgeving ontving, die voor de persoon in kwestie ook hoorbaar was zoals men de stemmen van medemensen duidelijk met het gehoor kan vernemen. In latere tijd ging men ook spreken over boodschappen die zich kenbaar maakten d.m.v. de ‘innerlijke stem’. Die stem was dan afkomstig van Christus, van een engel of van een ander geestelijk wezen. Degene die dergelijke boodschappen met de ‘innerlijke stem’ ontving, wist met grote zekerheid dat het niet om een natuurlijk, maar om een geestelijk fenomeen ging dat alleen voor hem of haar hoorbaar was. 
Dat klinkt al heel anders en minder suspect, hoewel we in feite met hetzelfde verschijnsel te maken hebben, nl. met doorgevingen die d.m.v. het innerlijk gehoor worden ontvangen. Met het horen van 'stemmen' van psychotici heeft dit helemaal niets uit te staan. Enige voorzichtigheid is dus op zijn plaats! De term 'stemmen' is wat mij betreft daarom niet doorslaggevend. Laten we de stemmen van Jeanne d'Arc nu eens herdefiniëren tot boodschappen, die door mystici d.m.v. de innerlijke stem zijn ontvangen. Welk beeld krijgen we dan van haar en van de doorgevingen die zij ontving?  

De geestelijke leiding van volkeren
Ik ga ervan uit dat elk land en elk volk geestelijke leiding krijgt. In veel spirituele werken - o.a. de boeken van Jozef Rulof, Rudolf Steiner en Jakob Lorber - wordt van dit principe uitgegaan. Nu kan een volk pas een echte rol van betekenis vervullen als het ook over zijn eigen grondgebied kan beschikken. Anders kan het zich immers niet ontplooien. Bij een militaire bezetting door een andere mogendheid, zoals ook ten tijde van Jeanne d'Arc het geval was, lijkt het me dan ook niet meer dan logisch dat men probeert de soevereiniteit over het eigen grondgebied te herstellen. Als dat niet met diplomatieke middelen lukt, kan dat in het uiterste geval met militair geweld worden afgedwongen. De militaire bezetting van Nederland en België tijdens de Tweede Wereldoorlog werd ook met militaire middelen opgeheven, en er is niemand die daar moeite mee heeft, omdat die bezetting immers onrechtmatig was. Men bad in die tijd dan ook om van het Duitse juk te worden bevrijd.

Haar missie: herstel van de Franse soevereiniteit
De opheffing van de Engelse bezetting van Frankrijk lijkt me dan ook een logische stap, die nodig was om het Franse volk zijn eigen rol in de geschiedenis te laten vervullen. Naar mijn stellige overtuiging heeft Jeanne d'Arc in die periode een beslissende rol gespeeld in het herstel van de Franse soevereiniteit over het eigen grondgebied, waardoor Frankrijk een onafhankelijke positie kreeg in West-Europa. Dat daarbij ook vanuit de spirituele wereld op mensen wordt ingewerkt, lijkt me niet zo vreemd. Ook tijdens de Eerste Wereldoorlog werden door veel omstanders engelenlegers gezien. Deze 'engelenlegers' vochten mee aan de kant van de Engelsen en Fransen. Het heeft er dus alle schijn van dat de spirituele wereld af en toe wel degelijk inwerkt op de aardse, fysieke werkelijkheid om scheve machtsverhoudingen en buitensporigheden tussen volkeren weer ongedaan te maken.

Ik acht het dan ook niet uitgesloten dat Jeanne d'Arc als instrument is gebruikt om de Franse soevereiniteit - die noodzakelijk was i.v.m. de rol die Frankrijk in de geschiedenis moest vervullen - te herstellen en dat er daarom wel degelijke sprake kan zijn van authentieke doorgevingen. Wellicht heeft zij haar hand daarbij overspeeld en is ze te roekeloos geworden. Als je kijkt hoe ze is geëindigd, lijkt me dat heel aannemelijk.

Een legende die zichzelf overleefde
In principe wil ik haar dus niet elke authenticiteit ontzeggen. Wel heb ik er wat kanttekeningen bij. Ik denk nl. dat ze na een jaar had moeten stoppen met haar acties. Uit documenten die ons zijn overgeleverd blijkt dat ze ook inderdaad na één jaar overwoog om haar militaire operaties te beëindigen. Tegen beter weten in heeft ze zich echter laten overhalen om door te gaan, ook al was dat militair gezien heel onverstandig, getuige o.a. haar mislukte pogingen om Parijs in te nemen. 

Voor die laatste veronderstelling bestaan in haar biografieën verschillende aanwijzingen. Sommigen beweren zelfs dat ze na één jaar, toen de politieke landkaart al drastisch in het voordeel van de Franse troon was veranderd, werd gedwongen om te blijven doorvechten. Dat punt is echter omstreden. Het is waarschijnlijker dat ze zelf ook een ambivalente houding aannam. Daardoor kon het gebeuren dat haar eigen roekeloosheid haar noodlottig werd toen de rol, die haar was toebedeeld, in feite al was uitgespeeld. De Franse koning Karel VII, die dankzij de militaire successen van Jeanne d'Arc in Reims tot koning was gekroond, had al lang besloten dat doorvechten geen zin meer had. Liever wilde hij haar successen uitspelen in een mistig en slepend diplomatiek spel met de Engelsen en de Bourgondiërs, in de hoop de Bourgondiërs langzaam maar zeker uit de Engelse invloedssfeer los te kunnen weken.

Toen zij 19 jaar oud was, stierf zij op de brandstapel. Door de Bourgondiërs was zij voor baar geld uitgeleverd aan de Engelsen en door de laffe Karel VII was zij verraden. En zo werd zij, die haar missie op aansporing van bekende christelijke heiligen begon, uiteindelijk als heks op de markt verbrand.
Sommigen hebben haar wel eens de incarnatie van de ziel van Frankrijk genoemd. Persoonlijk hecht ik niet zo veel aan de reïncarnatiegedachte, maar dat haar ingrijpen op een cruciaal moment in de Franse geschiedenis van doorslaggevend belang is geweest, staat voor mij wel vast. Net als andere grote helden uit de geschiedenis is zij het nationale niveau allang ontstegen en stelt men haar – terecht – op één lijn met andere legendarische figuren die hun vaderland in een beslissend stadium hebben geholpen om te overleven door het besef van de eigen identiteit nieuw leven in te blazen. De doorgevingen die zij jarenlang ontving hebben daarbij een doorslaggevende rol gespeeld, hoe men daar verder ook over mag oordelen.

 


de visie van freud op religie

- Hendrik Klaassens -


 

INLEIDING
Lang geleden hoorde ik een psychiater tijdens een college godsdienstpsychologie zeggen dat hij de religieuze ervaringen van zijn patiënten steevast interpreteerde als uitingen van een psychiatrisch ziektebeeld. Dat religieuze ervaringen van patiënten soms een gunstige uitwerking op hen konden hebben sloot hij niet helemaal uit, maar in zijn praktijk had hij dat nog nooit meegemaakt. Je mocht daarom veilig aannemen dat dergelijke verhalen een uiting waren van gekte.

Onder de theologiestudenten klonk een afkeurend gemompel op. Hoe durfde die man dat te zeggen? Hielp het geloof die patiënten dan helemaal niet? Nam hij zijn patiënten nog wel serieus door er bij voorbaat van uit te gaan dat hun ervaringen producten waren van een zieke geest? Tijdens dat college-uur volgde een uitvoerige discussie over de betekenis van religieuze ervaringen. Wat de uitkomst daarvan was, ben ik al lang vergeten en doet er ook niet meer toe. Wat wél van belang is, is de vraag hoe het komt dat veel psychiaters en psychologen religie en religieuze uitingen met zoveel vanzelfsprekendheid als symptomen van geestesziekte of onvolwassenheid afdoen.

Om die vraag te kunnen beantwoorden moeten we allereerst teruggaan naar Sigmund Freud. In zijn praktijk als psychiater kwam hij met alle mogelijke psychische problemen in aanraking. Sommige patiënten, die bij hem op de canapé belandden, hadden angsten of fantasieën die met religie te maken hadden. Dat is niet zo vreemd als je bedenkt dat bij elke psychiater wel ‘es mensen op bezoek komen die denken dat ze God zijn of vrezen dat ze voor eeuwig zijn verdoemd vanwege een onnozelheid waar anderen hun schouders over ophalen. Zulke gevallen kreeg Freud ook in zijn spreekkamer. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat hij religie als een suspect verschijnsel beschouwde dat mensen gemakkelijk ziek kon maken. Dat klinkt logisch. Maar welke plaats gaf hij religie binnen zijn theorieën over de menselijke psyche?


 


FREUD OVER RELIGIE
Het belangrijkste concept van Freud is, dat er een tegenstelling bestaat tussen het bewuste en het onbewuste. Eigenlijk is dat een tegenstelling tussen het Ik, dat zich d.m.v. het realiteitsprincipe aan de werkelijkheid probeert aan te passen, en het Es, de driften en instincten, die door het lustprincipe of libido worden geleid. Om te voorkomen dat die driften uit het onbewuste tot het bewuste doordringen, waakt een censor over deze grens. De spanning tussen het bewuste en het onbewuste ontstaat door verdringing. De neurose is in feite deze spanning. Verdrongen inhouden uit het onbewuste uiten zich in de neurose. Volgens Freud neemt de mens een stuk infantiel, libidineus leven mee in het volwassen leven als men op volwassen leeftijd religieus is. Religie is dus in feite een neurotisch symptoom.

Freud schreef drie boeken over godsdienst, nl. "Totem und Tabu" (1913),”Die Zukunft einer Illusion" (1927), en "Der Mann Mozes und der Monotheïsmus" (1939).

In het eerst- en in het laatstgenoemde boek verklaart hij religieuze verschijnselen aan de hand van het totemisme. Dit totemisme zou aan de basis hebben gestaan van zowel de primitieve religies als van de Joodse godsdienst. Freud brengt dit in verband met het Oedipuscomplex: de zonen zouden hun vader uit afgunst hebben vermoord omdat hij alleen over de vrouwen van de oerhorde beschikte. Het totemdier, symbool van de vermoorde vader die men moest verzoenen, werd later uit schuldgevoel tot god verheven. Een soortgelijke moord op een vaderfiguur zou aan de basis hebben gestaan van het Christendom (n.a.v. de moord op Christus) en de Joodse godsdienst (n.a.v. de moord op Mozes).
In 'Die Zukunft einer Illusion' behandelt Freud het wezen en de toekomst van de religie. Daarin stelt hij dat de cultuur, om in stand te kunnen blijven, bepaalde illusies nodig heeft. Tot die illusies rekent hij ook de religie. Ze zou een irreële poging vormen om met het werkelijkheidsprobleem om te gaan en is daardoor een illusie, een collectieve dwangneurose.

 

Oedepus en Antigone

 

KRITIEK OP FREUD
Allereerst kan tegen deze visie worden ingebracht dat religie binnen het mensbeeld van Freud geen autonome plaats wordt toegekend. Godsdienstige verschijnselen komen volgens hem immers voort uit infantiele fantasieën die verdrongen moeten worden. Het mensbeeld is bij hem dus nogal gereduceerd.

Mijn grootste bezwaar is echter dat Freud er al bij voorbaat van uitgaat dat de waarheidsvraag m.b.t. godsdienstige uitspraken helemaal niet hoeft te worden gesteld. Geloofsuitspraken verwijzen volgens hem sowieso niet naar een werkelijkheid die onafhankelijk van de menselijke psyche bestaat. Dit standpunt, dat centraal staat in zijn houding tegenover religie, nam hij – let wel! – in, zonder zelf onderzoek te doen naar religieuze verschijnselen. We zouden die houding gerust onwetenschappelijk mogen noemen, zeker als je bedenkt dat in zijn gedachten over religie het grondpatroon in feite al klaar lag: de religie is een stuk verdrongen, infantiel leven.

In de derde plaats is het wel heel vreemd dat hij er voetstoots van uitging dat in de mens nog steeds dezelfde driften werken, die dominant zouden zijn geweest in de periode van de ‘oerhorde’. Ook de gedachte dat er in de man een ‘Oedipuscomplex’ (bij de vrouwen het ‘Electracomplex’) zou werken, lijkt me behoorlijk gedateerd, om het nog maar netjes uit te drukken. Zou elke zoon zijn vader willen doden omdat de laatste over alle vrouwen van de familieclan beschikt?

De rivaliteit tussen vader en zoon is een bekend thema in de mythologie, maar daarbij hoeft seksualiteit beslist geen rol te spelen; het heeft m.i. vooral te maken met het verzet van de zoon tegen de grenzen en de beperkingen die door de vader aan hem worden gesteld. In de ontwikkeling naar volwassenwording (Jung zou het hebben over ‘individuatie’) is dat verzet tot op zekere hoogte heel gezond.
Het totemisme, dat Freud gebruikt om religies te verklaren, is in werkelijkheid helemaal geen bruikbaar verklaringsmodel gebleken voor het ontstaan van religies. Dat is op zich ook niet zo vreemd als je bedenkt dat Freud zelf geen onderzoek heeft gedaan naar religies en religieuze verschijnselen.

Bovendien wordt Freuds uitgangspunt, dat religie een vlucht voor de werkelijkheid is, ook door mijn eigen ervaringen tegengesproken. Godsdienst vormt voor veel mensen de inspiratie om bv. actief te worden in allerlei soorten vrijwilligerswerk, ook in de hulpverlening. Dat is lijnrecht in tegenspraak met zijn opvatting dat religie een uiting is van vluchtgedrag.
Religie kán soms wel gebruikt worden om bepaalde problemen te ontlopen. Zo zijn er bv. mensen die allerlei religieuze dwanghandelingen moeten verrichten om gemoedsrust te vinden. Als je zulke problemen echter grondig analyseert, blijkt religie vaak alleen maar de uitingsvorm te zijn van dieperliggende problemen, die met de geschiedenis van de persoon en zijn omgeving te maken hebben. Het is dan niet de religie of geloofsinhoud zelf die voor de klachten verantwoordelijk is, maar de problematiek die religieuze symbolen gebruikt om zich te uiten.

Daarbij zijn we weer terug bij Freud. Het is begrijpelijk dat hij religie als een psychiatrisch verschijnsel opvatte omdat hij veel patiënten in zijn spreekkamer kreeg met problemen die met religie te maken hadden. Het is echter onbegrijpelijk en ook verwijtbaar dat hij op dat punt bleef staan en religie niet in zijn oorspronkelijke context heeft onderzocht. Misschien was zijn beoordeling van religie dan wel heel anders uitgevallen.

 


de visie van Carl Gustav JunG op religie

- Hendrik Klaassens -

 

In tegenstelling tot Freud heeft Jung zich altijd positief opgesteld t.o.v. religie. Daardoor heeft hij steeds aanhangers gehad onder theologen. Wel moet daarbij worden aangetekend dat godsdienst bij hem los staat van de waarheidsvraag. De vraag of geloofsuitspraken verwijzen naar een werkelijkheid die onafhankelijk van de menselijke psyche bestaat, is volgens Jung dus niet van belang. Voor hem staat religie in dienst van het proces van de menswording, de 'individuatie' - de spil van Jungs wetenschappelijke werk. Daaronder verstaat hij een proces waarbij alle aspecten van de menselijke psyche in een steeds grotere harmonie met elkaar gaan samenwerken, zodat de mens op den duur steeds rijker, voller en uitgebalanceerder raakt. In feite duurt dat proces het hele leven lang.

 

Jungs psychoanalytische basis is dezelfde als die van Freud, maar hij stelt daarnaast dat het 'Ik' zichzelf wil worden d.m.v. het individuatieproces. Belangrijke hulpmiddelen daarbij zijn dromen. Daarin onthult en verhult het onbewuste 'Ik' in symboolvorm een waarheid over de eigen ziel. Deze symbolen stammen zowel uit het individueel-onbewuste als uit het collectief-onbewuste. Dat laatste spreekt d.m.v. archetypen; dat zijn onbewuste patronen, beelden en daaraan verbonden emoties die kenmerkend zijn voor de hele menselijke soort. Zo hebben wij mensen volgens Jung allemaal een overgeërfde angst voor slangen, die terug te voeren is op oeroude ervaringen van de mensheid als collectief. Deze beelden en de daaraan gekoppelde emoties worden via onze genen overgedragen.


Dit collectief-onbewuste speelt bij Jung een grotere rol dan bij Freud. Ook het genezingsproces staat bij hem meer op de voorgrond. Bij Jung heeft het met de totale menswording te maken en is het een in wezen religieus proces.


Evenals bij Freud zijn er in het werk van Jung drie boeken die van belang zijn als we zijn visie op religie op het spoor willen komen, nl. "Psychologie und Religion" (1940), "Erinnerungen, Träume, Gedanken" (1962) en "Antwort auf Hiob" (1952).


Uit "Psychologie und Religion" blijkt dat Jung leeft vanuit een bepaald type religie: door je toe te vertrouwen aan de bevrijdende kracht van symbolen uit het onbewuste ontmoet je het archetype 'god' als bevrijdende kracht. Dat impliceert vlg. Jung directe ervaring van het goddelijke.

 

De godsdiensten beschermen de mens daartegen: ze vormen een soort surrogaat voor de authentieke religieuze ervaring, dat waardevol kan zijn voor de persoonlijke ontwikkeling, maar meer dan gesystematiseerde vormen van religieuze ervaring zijn ze niet. Via de godsdiensten kan de mens indirect daaraan deel hebben d.m.v. rituelen, instituties en overtuigingen, maar de enorme kracht van de eigen religieuze ervaring ontbreekt eraan.


In Jungs visie op religie is een centraal thema het streven naar de menswording Gods. In zijn autobiografie "Erinnerungen, Träume, Gedanken” drukt hij het a.v. uit: "Wij zijn een deel van het Godsleven dat uit het onbewuste naar bewustwording streeft". Dat thema is het meest consequent uitgewerkt in "Antwort auf Hiob", dat het probleem van het lijden behandelt. Jung stelt daarin dat Job een van buiten komende aanleiding is tot een worsteling binnen God zelf. Door Jobs consequente houding kan God Zijn onbewuste niet langer ontlopen door het op Job te projecteren: Hij wordt met Zijn eigen gespletenheid geconfronteerd. Als "antwoord op Job” wordt God mens in Christus.


Men heeft Jung wel verweten dat hij het christendom wil spannen voor het karretje van zijn eigen persoonlijke religie. Dat verwijt geldt ook zijn houding t.o.v. andere godsdiensten, omdat volgens Jung ook daarin de 'goddelijke gestalten' streven naar bewustwording.
Met die kritiek kan ik het niet eens zijn. Het grote voordeel van de door Jung gevolgde benadering ligt immers juist in die universele toepasbaarheid. Daardoor stijgt zijn visie ver uit boven de beperkingen van de afzonderlijke religies. In alle religies streven de archetypische voorstellingen, die erin zijn verwerkt, naar bewustwording. Uiteindelijk komen ze daardoor langs verschillende wegen bij hetzelfde doel uit. Dat lijkt me de grootste verdienste van Jung op het gebied van de godsdiensten.


Een punt dat voor mijn gevoel sterk in Jungs voordeel pleit, is de nauwe verwevenheid tussen zijn eigen, persoonlijke ontwikkeling en zijn werk: in feite zijn ze - zoals duidelijk uit zijn autobiografie blijkt - niet van elkaar te scheiden.

Jung heeft met religieuze vragen geworsteld en er bij perioden zelfs diep onder geleden. Dat hij volgens sommigen uiteindelijk tot een verkapt soort 'gnosis' zou zijn gekomen, is misschien wel terecht, maar vormt nog geen reden tot verwijten aan zijn adres. Hij heeft geprobeerd een bepaalde onderstroom in ons Westerse cultuurleven opnieuw zichtbaar en acceptabel te maken - dezelfde onderstroom, die telkens met geweld door de christelijke kerken is onderdrukt, nl. die van de gnosis en de daaraan verwante alchemie en astrologie. De gevestigde kerken hebben nooit goed raad geweten met de ideeën die door vertegenwoordigers van deze stroming werden gepropageerd. Daardoor heeft men de kans laten liggen om de waardevolle elementen ervan te integreren.


Daarmee wil ik niet beweren, dat Jung de stoot heeft gegeven tot herwaardering van dit gedachtegoed binnen de kerken; hij had immers een hekel aan veel traditionele en paternalistische elementen binnen de bestaande geloofsleren. De vraag in hoeverre geloofuitspraken verwijzen naar een werkelijkheid, die onafhankelijk van de menselijke psyche bestaat, heeft hij bewust ontlopen.


Wél beschouw ik zijn publicaties op het gebied van de religie als een waardevolle poging om in het Westen een bezinning op gang te brengen over de waarde van de ‘natuurlijke theologie', waarbij men kennis over God wil verzamelen via de natuur en de rede.


Dat valt samen met een herwaardering binnen de theologie van de vragen en problemen waarvoor de gnosis ons stelt. Een mooi voorbeeld daarvan is de publicatie "In der Welt - nicht von der Welt: der Weg der frühen Christen" van de theoloog Karlmann Beyschlag. Aan het slot van zijn beschouwing over het vroege christendom werpt hij de vraag op wat wij van de inzichten uit deze periode kunnen leren. Hij komt daarbij tot de conclusie dat een kerkvernieuwing pas kan worden doorgevoerd na een grondige en openhartige discussie over het probleem van de gnosis, dat ook ons eigentijds probleem is.


Het gaat daarbij om de vraag in hoeverre de christen zich als consequentie van zijn geloof mag rekenen tot een orde die 'niet van deze wereld' is. Dergelijke gedachten horen tot de kern van het christendom: een christen mag zich beschouwen als een burger van deze wereld en van een andere. De gnosis heeft hieruit radicale consequenties getrokken, de orthodoxie heeft dit probleem nooit volledig onderkend.


Ik denk dat het daarom goed is dat het christendom dit verdrongen deel van zijn traditie weer naar boven haalt en eindelijk verwerkt. Het probleem van de gnosis zou ook binnen de kerk opnieuw aan de orde moeten worden gesteld. Juist het niet durven doordenken daarvan betekent voor mijn gevoel een vlucht voor de realiteit.

 

 

 

ZIE OOK: JUNG en zijn WERK

 

 


 DE OERKNAL - EEN SLAG IN DE LUCHT?

- Hendrik Klaassens -

 


In zijn boek “Herinneringen aan de dood”, een wetenschappelijk onderzoek naar de realiteit van bijna-dood-ervaringen, doet de cardioloog Michael B. Sabom verslag van zijn discussie met dr. Blacher, een fanatiek bestrijder van het verschijnsel BDE. De kern van Blachers kritiek kwam erop neer dat mensen, die dergelijke ervaringen serieus nemen, zich schuldig maken aan het aanvaarden van religieus geloof als wetenschappelijke feiten. Sabom antwoordde daarop met de opmerking dat men ervoor moet waken om wetenschappelijk geloof aan te nemen als wetenschappelijke feiten.

Dat is een krasse uitspraak, maar ik denk dat er genoeg redenen zijn om aan te nemen dat niet alleen de medische, maar ook de natuurwetenschap soms van ideeën uitgaat die men op geen enkele manier hard kan maken, simpelweg omdat ze het karakter hebben van een geloof. Eén van die uitgangspunten is de gedachte van de ‘oerknal’ waarmee ons heelal zou zijn ontstaan. Atheïsten, die wars zijn van het geloof in God of in geestelijke wezens en ook niets moeten hebben van een hiernamaals, gaan er meestal van uit dat ons waarneembare heelal met een enorme explosie is ontstaan. Hoe redelijk is het om dat aan te nemen? Is dat echt een alternatief voor religieus geloof of – is dat idee misschien gebaseerd op drijfzand?      

Om te beginnen vind ik het vreemd dat mensen, die zich van het geloof hebben gedistantieerd en zich graag als vertegenwoordiger van het gezonde verstand opwerpen, kennelijk toch geen moeite  hebben met de gedachte dat er zomaar vanuit het niets een minuscuul klein bolletje te voorschijn kon ploppen. Dat bolletje zou even veel massa hebben bevat als ons tegenwoordige heelal en kort na zijn mysterieus ontstaan met een gigantische snelheid zijn gaan uitzetten. Geleidelijk zouden zich – zomaar, volgens natuurwetten die kennelijk ook spontaan waren gaan werken – uit die oermaterie sterrenstelsels hebben gevormd, waarin door plaatselijke verdichtingen sterren, planeten en manen ontstonden.
Dat er allerlei natuurwetten bestaan en de materie in het heelal zich in allerlei vaste patronen rangschikt en ontwikkelt, staat vast. Het geheel doet denken aan een intelligent ontwerp. De vraag is alleen hoe die intelligente blauwdruk is ontstaan. Gebeurde dat ook zomaar, spontaan, of was er misschien een schepper bij betrokken die de wetten en mogelijkheden van de materiële kosmos vaststelde en de materie vervolgens aan het spel van die natuurkrachten prijsgaf? 

Ik vind die laatste gedachte minder vreemd dan die van de oerknal. Het hele idee van een 'oerknal' is ontstaan als een concept waarmee men de waargenomen uitdijing van het heelal probeert te verklaren. Alles in het heelal vlucht nl. in alle richtingen van ons vandaan. Hoe verder een sterrenstelsel van ons af staat, hoe hoger de snelheid waarmee hij van ons wegvlucht. Zo is de snelheid waarmee een sterrenstelsel op een afstand van 5 miljoen lichtjaren zich van ons verwijdert twee maal zo hoog als die van een sterrenstelsel op een afstand van 2,5 miljoen lichtjaren. In principe gaat dat tot in het oneindige door. Zo moeten er sterrenstelsels zijn die met zo’n waanzinnige snelheid van ons wegvluchten, dat ze sneller zijn dan het licht, dat 300.000 km. per seconde aflegt. Daardoor kunnen we ze niet eens meer zien: ze blijven voor altijd ‘voortvluchtig’

Als men nu, uitgaande van de huidige expansiesnelheid, terugrekent in de tijd, komt men uit op een ontstaan van het heelal in de periode van tussen de 13 en de 18 miljard jaren geleden. Ergens in die periode zou er een bolletje zijn geweest - de 'oerknalsingulariteit' - dat een oneindig kleine ruimte innam. Je kunt het vergelijken met het denkbeeldige punt waar zich de exacte Noordpool bevindt: dat punt is in theorie ook oneindig klein. Een enkele singulariteit is echter in de praktijk niet mogelijk. Heeft iemand ooit gehoord van een Noordpool die bestond zonder een corresponderende zuidpool? Precies: dat is nu het hele probleem van die gedachte aan een oerknal. Iets wat oneindig klein is, kan nooit en te nimmer een gigantische massa bevatten. Om die reden zijn er ook steeds meer sterrenkundigen die dat idee hebben losgelaten. Men gelooft vaak niet letterlijk meer in een oerknal of in een piepklein bolletje dat met een enorme knal openbarstte – een soort kosmisch ei – maar gebruikt dat alleen als een rekenmodel waarmee men probeert te verklaren hoe de kosmos zich heeft ontwikkeld.
Het verbaast me dan ook dat mensen, die zich atheïstisch noemen en geloven dat het heelal zomaar uit het niets tevoorschijn is gekomen, gelovigen vaak beschouwen als een soort Neanderthalers die behoren tot een soort achtergebleven levensgolf. Hun eigen aannames zijn immers nog veel irrationeler.

Op medisch gebied bestaat er een paradigma dat even irrationeel is en met nog veel grotere hardnekkigheid wordt aangehangen, nl. het idee dat ons bewustzijn het product zou zijn van onze hersenfuncties. Vallen die hersenfuncties bij de lichamelijke dood weg, dan verdwijnt ook ons bewustzijn. D.w.z.: volgens het traditionele medische model. Maar inmiddels is door Pim van Lommel, Michael B. Sabom en anderen al lang aangetoond dat dit paradigma niet klopt. Ons bewustzijn verdwijnt nl. niet bij de dood, maar wordt juist veel helderder en veelomvattender.

Omdat die gedachte enorme consequenties heeft en veel bestaande belangen aantast – o.a. het idee dat je met psychofarmaca mensen zou kunnen genezen, waardoor jaarlijks voor tientallen miljarden kan worden omgezet -  levert de gevestigde medische stand een wanhopig achterhoedegevecht tegen wetenschappers zoals Van Lommel, die kunnen aantonen dat ons bewustzijn niet met de dood verdwijnt.
De medische wetenschap is één van de conservatiefste van allemaal. Daarom ben ik bang dat op deze geneesheren en pillendraaiers een uitspraak van Max Planck van toepassing is. Hij zei ooit: “Een nieuwe wetenschappelijke waarheid overwint niet door de tegenstanders te overtuigen en hen het licht te laten zien, maar omdat de tegenstanders tenslotte sterven en er een nieuwe generatie opgroeit die ermee vertrouwd is.”

Hopelijk sterft het paradigma van het bewustzijn een zachte dood voordat de huidige generatie medici de geest heeft gegeven. 

 

Lees ook: Kosmogonieën  - scheppingsmythen

Aurora: het blog van Hendrik

 

 

 


 

Lees ook: Gedichten van Hendrik

 

 

 


 

Hendrik