MichaŽl - aartsengel en leidende geest van deze tijd.

Hans Memling - Het Laatste Oordeel

 

Onder de wezens, die tot de wereld der engelen behoren, neemt de gestalte van de aartsengel MichaŽl van oudsher - zijn naam wordt reeds in het Oude Testament (in het Boek DaniŽl) genoemd - een in het oog lopende plaats in. Wij willen onze opmerk­zaamheid nu in het bijzonder op zijn wezen en werken richten.

 

En dan moet al direct een bijzonderheid worden vermeld, die in de loop van onze uiteenzettingen begrijpelijk zal worden: MichaŽl is tegenwoordig in de rangorde der hiŽrarchieŽn niet werkzaam op de trap van de aartsengelen, maar op die van de oerkrachten, als de inspirerende geest van de huidige tijd, als de leidende genius van onze cultuur. Hij is uit de sfeer der aartsengelen opgestegen, om een tijdlang, als het ware van een hoger standpunt uit, en met uitgebreider volmachten toegerust, zijn kracht in te zetten ten behoeve van de ontwikkeling van de gehele mensheid en niet slechts van ťťn volk.

 

Dit tijdelijk opstijgen van een aartsengel tot het niveau van de oerkrachten is niets ongewoons. Dit vindt in de loop van de ontwikkeling steeds weer, in een regelmatige opeenvolging, plaats. De oerkrachten roepen als het ware de hulp in van de bijzondere 'gaven' van bepaalde aartsengelen, om deze gaven op die manier de mensheid als geheel ten goede te laten komen. Wij kunnen dat door een alledaagse vergelijking verduidelijken: het hoofd van een firma zal wel eens een medewerker, die over zeer specifieke bekwaamheden beschikt, tijdelijk met een leidende functie belasten, wan­neer hij deze bijzondere capaciteiten in een bepaalde situatie voor het geheel van het bedrijf nodig heeft. Zo trekken de oerkrachten van tijd tot tijd sommige aartsengelen voor bepaalde, op een hoger niveau liggende taken aan en laten hun bekwaamheden zo de gehele mensheid ten goede komen.

 

Dit feit was in de middeleeuwen volledig bekend (Agrippa von Nettesheim heeft het weergegeven) en Rudolf Steiner heeft dit bevestigd en in bijzonderheden beschreven.

 

Bekend was ook dat zeven aartsengelen op deze wijze werkzaam zijn, waarvan ons, althans wat hun namen betreft, MichaŽl, GabriŽl en RafaŽl nog vertrouwd zijn. De vier anderen heten ZachariŽl, AnaŽl, SamaŽl en OrifiŽl.

Deze zeven aartsengelen lossen elkaar achtereenvolgens af in het 'regentschap over de tijden', doordat zij hiertoe door de oerkrachten tot een hogere rangorde worden verheven. Van dat tijdstip afkrijgt hun werkzaamheid een element, waardoor het de gehele mensheid raakt. De samenwerking met de oerkrachten kan dan ongeveer zo worden opgevat, dat de oerkrachten als het ware de totale compositie van een geheel tijdperk bepalen en beheersen (bijvoorbeeld van de Egyptische cultuur, van de Grieks-Romeinse cultuur tot in de middeleeuwen, van het tijdperk na de middeleeuwen - steeds circa 2100 jaar), maar dat zij enkele 'solisten' in afzonderlijke delen - dat wil zeggen gedurende kortere perioden van circa 350 jaar - in deze totale compositie laten 'meespelen'.

 

Een dergelijk moment van een opstijgen tot het vervullen van grotere taken was het begin van het regentschap van MichaŽl in de tweede helft van de 19de eeuw. MichaŽl loste toen in het leiding geven aan de tijd GabriŽl af, die tot op dat moment gedurende circa vier eeuwen - sinds het begin van de nieuwe tijd - de ontwikkeling van de mensheid had geleid. MichaŽl zal zijnerzijds nu vier eeuwen - tot in de derde eeuw van het derde millennium - het regentschap over de tijd bekleden.

 

Wij zeiden dat de aartsengelen als regenten over de tijden hun specifieke gaven de mensheid laten binnenstromen. Zo ging van GabriŽl bij het begin van de nieuwe tijd een zeer bepaalde impuls op de ontwikkeling van de mensheid uit, de impuls om de mensheid volledig binnen te leiden in de aardse verhoudingen. GabriŽl is de aartsengel van de geboorte, van de incarnatie. Als zodanig verschijnt hij bij de verkondiging aan Maria (en aan Zacharias, de vader van Johannes de Doper, Lucas 1). Hij leidt de zielen binnen in het gebied van het aardse.

Wij zien hoe deze impuls, om de mensenzielen op de aarde te belichamen, met het begin van de nieuwe tijd voor de cultuur van de mensheid van beslissende betekenis wordt. Hij staat als drijvende kracht achter de geweldige omwenteling die zich aan het einde van de vijftiende eeuw van de mensheid meester maakt, en gaat van GabriŽl uit. Het is een door GabriŽl gegeven impuls die werkzaam was in de ontdekkingsreizen, in de ontplooiing van natuurwetenschap en techniek, in de ingrijpende veranderingen op geestelijk en cultureel gebied, in de economische en politieke omwentelingen van de laatste eeuwen. Stap voor stap verovert de mensheid de aarde en richt zij de aarde in overeenkomstig haar wensen en levensbehoeften. De zestiende, zeventiende, acht­tiende en negentiende eeuw vormen in de geschiedenis na de geboorte van Christus het tijdperk van GabriŽl; de mens, die eigenlijk 'burger van twee werelden' zou moeten zijn, wordt door GabriŽl uiteindelijk nog slechts burger van deze aarde.

 

Het tijdperk van GabriŽl met zijn impulsen en inspiraties werkt ook thans nog door ­zoals een kogel verder rolt, ook al wordt hem geen stoot meer gegeven. Maar duidelijk waarneembaar oefenen thans geheel andere impulsen invloed op de ontwikkeling van de mensheid uit. Het geloof in de vooruitgang, de onbegrensde materiŽle ontplooiing der mensheid op deze aarde zijn problematisch geworden; het gericht-zijn van de mensen op welvaart en op persoonlijk geluk, de burgerlijke denk- en zienswijze, grondeigenschap van het door GabriŽl geÔnspireerde tijdperk, is aan het wankelen gebracht en maakt plaats voor andere grondgedachten en grondstemmingen. Een nieuwe omwenteling is sedert het einde van de negentiende eeuw bezig zich te voltrekken, precies zo ingrijpend en alles omverwerpend als de ommekeer aan het begin van de moderne tijd.

 

Men begrijpt beter, wat zich in onze tijd als drijvende kracht doet gelden, wanneer men zich voor ogen stelt dat MichaŽl het regentschap over dit tijdperk heeft overgenomen. Van hem gaan thans de beslissende impulsen voor onze cultuur uit. Iedere ziel die tegenwoordig de aarde betreedt heeft in het voorgeboortelijk bestaan het aanbreken van het tijdperk van MichaŽl meebeleefd; zij heeft meebeleefd dat dit tijdperk als een geestelijke zonsopgang de aardse verhoudingen wil doorstralen, en zij heeft uit deze belevenissen beslissende impulsen naar de aarde meegebracht, die in velerlei stemmin­gen, onbewuste verlangens en van verzet vervulde tendensen in de tegenwoordige tijd meespelen. Veel hiervan kan worden teruggebracht op de veranderde geestelijke situatie van onze tijd, op een ommekeer in de geestelijke wereld - ook al treden de impulsen, opgenomen in het voorgeboortelijk bestaan, vaak slechts 'gebroken' of zelfs in het tegendeel 'verkeerd' uit de ziel weer te voorschijn zodra zij zich in de aardse verhoudingen moeten inleven: bijvoorbeeld als een radicale afwijzing van al datgene, wat zich, vanuit een door GabriŽl gegeven impuls, in de aardse verhoudingen een gevestigde positie heeft verworven.

 

Wat onderscheidt MichaŽl van GabriŽl? Welke doeleinden beoogt hij voor de toekomst der mensheid? Terwijl GabriŽl de engel van de geboorte en de incarnatie is, die de ziel binnenleidt in het aardse bestaan, staat MichaŽl aan de andere poort van het leven op aarde, aan de poort van de dood, als de gids die ons uit het aardse bestaan terugleidt naar de geestelijke wereld. Hij wordt dan ook vaak afgebeeld als de engel met de weegschaal, die na de dood voor de zielen tegen elkaar moet afwegen wat door hen aan goeds en slechts werd verricht.

 

MichaŽl heeft tegenwoordig inderdaad tot taak de mensen weer te ontrukken aan hun te sterke, te eenzijdige vereenzelviging met het aardse. Dit zich vereenzelvigen met het aardse was noodzakelijk - als stadium van een te doorlopen weg, niet als einddoel; thans is het tijd, dit stadium te verlaten om een hogere trap te bereiken. De wilskracht en het initiatief die de mens gedurende het tijdperk van GabriŽl aan het veroveren van de aarde ontwikkeld en geoefend heeft, moeten nu op het gebied van de geest worden gericht, zij het ook zonder de aarde ontrouw te worden. In het aardse moet de mens thans de kracht vinden om zich tot de geest te wenden. De mensheid moet nu leren de wereld van de geest te ontdekken en te veroveren zoals zij bij het begin van de moderne tijd de aarde ontdekt en veroverd heeft. Met alle macht streeft MichaŽl ernaar deze wending tot de wereld van de geest te verwezenlijken; hij stuit hierbij echter op een mensheid die zich een hechte plaats verworven heeft, zich 'genesteld' heeft in het aardse en die het materiŽle als de enige werkelijkheid ervaart. Uit deze innerlijke spanningen ontstaat de kritieke situatie van onze tijd. Zal MichaŽl erin slagen de mensheid los te rukken van de eenzijdige fascinatie door het aardse en haar nader te brengen tot de geestelijke wereld?

 

Wij zien dat het niet zonder geestelijke strijd en ingrijpende uiterlijke veranderingen mogelijk zal zijn de innerlijke en uiterlijke kluisters, waarmee de mensheid zich eenzijdig aan het aardse heeft geketend, te verbreken. Welke krachten ontplooit MichaŽl? Welke wegen tracht hij tegenwoordig met de mensheid te gaan? Hoe hangt zijn werkzaamheid samen met de apocalyptische situatie van onze tijd?

 

MichaŽl en de apocalyptische situatie van onze tijd

 

MichaŽl wijst de mensheid tegenwoordig nieuwe wegen. Daar, waar de 'grenzen van de groei' zich op het gebied van het aardse vertonen, wil hij de mensen weer opnieuw de toegang tot de onbegrensde gebieden van het geestelijke ontsluiten. Hij doet dit door op tweeŽrlei wijze werkzaam te zijn: door schokkende verstoringen en crises in de uiterlijke levensomstandigheden en door geestelijke impulsen, die hij in de individuele mensen laat binnenstromen.

 

Onze tijd wordt dikwijls 'apocalyptisch' genoemd. Men bedoelt met het woord 'apocalyps' meestal het catastrofale, vernietigende van de huidige tijdsomstandigheden. Twee wereldoorlogen, een dreigende atoomoorlog: 'apocalyptische' tekenen des tijds. Maar het woord zelf drukt geheel iets anders uit: het Griekse woord apo-kalupsis betekent 'onthulling', 'openbaring', iets, dat verborgen was, 'ont-dekken'. In deze betekenis wordt het direct bij het begin van de 'Openbaring van Johannes' aan het einde van het Nieuwe Testament gebruikt. Datgene, wat met 'Apocalyps' werd bedoeld, heeft de verschijning van de Christus, die door de Apocalyps openbaar wordt, tot inhoud.

 

Zo kunnen wij in een diepere zin ook over onze tijd als over een apocalyptische spreken. Want de 'apocalyptische' gebeurtenissen, de schokken die onze tijd beroeren, vinden plaats om de poorten open te breken die in het tijdperk van GabriŽl werden toe gegrendeld en die geen toegang meer verleenden tot de openbaring van de geestelijke wereld; zij grijpen plaats, om de kluisters te verbreken waarmee de mensheid zich aan het aardse laat ketenen.

 

MichaŽl strijdt in de eerste plaats tegen die machten, die gebruik maken van het gericht zijn van de mens op het aardse en ernaar streven hem onder hun invloed te brengen. Zij willen de vrijheid van de mens, die hem ook vrij van God heeft gemaakt, hermunten en omzetten in de vrijheid tot het boze. Doordat de mens aan deze verleiding ten offer begint te vallen dreigt hij zijn diepste innerlijk en zijn vrijheid aan de tegenmachten te verliezen. Hier moet MichaŽl ingrijpen. Hij kan de mens echter niet dwingen. Want de mens kan zich slechts uit vrije wil tot de geestelijke wereld wenden, anders zou het doel zelf van de ontwikkeling der aarde, de menselijke zelfstandigheid en vrijheid, weer op het spel staan. Welke middelen kan MichaŽl aanwenden om de mens weer opmerk­zaam te maken op de andere dimensie van het bestaan?

 

Een vergelijking met de voorvallen, die de individuele mens door het lot worden beschikt, kan hierbij het begrip de juiste weg wijzen. Wij ervaren vaak hoe juist de slagen van het lot, crises, aangrijpende, schokkende gebeurtenissen ons doen ontwa­ken. Zolang het ons goed gaat slapen wij maar al te gemakkelijk in en zijn wij niet meer waakzaam ten aanzien van onze eigenlijke taak op deze aarde; alle leed daarentegen kan iets hebben dat ons wakker maakt. Vele mensen moeten eerst zware beproevingen doormaken, voordat zij ook maar in staat zijn hun aandacht te richten op een levensopvatting, die de wereld van de geest erkent. Zo is het echter ook met de hevige schokken die onze tijd en de gehele mensheid beroeren.

 

In de Openbaring van Johannes, die de 'Apocalyps', de openbaar-wording van de Christus schildert, nemen de beelden van crisis en ondergang op aarde een grote plaats in. Er wordt daarin echter ook geschilderd hoe deze crises niet, zoals men misschien zou kunnen denken, teweeggebracht worden door de tegenstanders van het godde­lijke, maar door de met God verbonden engelen zelf. En dit niet om tegen de mensen, maar om tegen de machten, die de mensen trachten te verleiden, te strijden, en om de mensen tegelijkertijd wakker te schudden voor datgene, wat zich in deze apocalypti­sche gebeurtenissen wil openbaren. Apocalyps heeft dus tweeŽrlei betekenis. Ten eerste betekent het strijd tegen de tegenstanders van het goddelijke en tegen de omstandigheden waarvan deze tegenstanders gebruik maken om de mens te sterk aan het aardse te binden. Deze strijd moet uiteindelijk leiden tot de val van de weerstand biedende machten en tot vernietiging van de beschavingsvormen die het leven van de mens op aarde dreigen te verstikken.

 

Hij richt zich niet tegen de mens zelf; waar de mens zich echter zijnerzijds met de tegenkrachten verbindt, loop hij gevaar in hun val mee gesleurd te worden. Ten tweede betekent apocalyps ook dat in de beroeringen en schokkende gebeurtenissen de geestelijke wereld tegelijkertijd weer dichter bij de mensen komt; en het menselijke bewustzijn krijgt de kracht en beweeglijkheid dit naderbij komen van de wereld van de geest waar te nemen en te ervaren. In beide realiteiten is MichaŽl tegenwoordig werkzaam.

 

Rudolf Steiner heeft in 1923 in de spreuk 'Aan de vrienden te Berlijn' een aanduiding gegeven van komende hevige beroeringen en ondergang, waarin lang tevoren een beeld wordt geschetst van het lot dat Berlijn zal treffen, een lot dat tegelijkertijd als een teken kan worden gezien voor de gehele tegenwoordige tijd. Deze spreuk eindigt met de woorden:

"Ondergang van de uiterlijke wereld

Moet opgang worden

Van het diepste innerlijk der ziel."

Dit is uit de geest van MichaŽl gesproken. Want MichaŽl voert de mensen tot aan de grenzen van het zijn en het beleven, om voor hen de gebieden van het onbegrensde geestelijke zijn opnieuw te ontsluiten en daardoor de opgang van het diepste innerlijk der ziel te bewerkstelligen.

 

'Ondergang van de uiterlijke wereld' - 'Opgang van het diepste innerlijk der ziel': met deze woorden worden wij op de positieve impulsen gewezen die in onze tijd van MichaŽl uitgaan, want de schokken die ons bestaan beroeren zijn immers slechts het uiterste middel om de mens uit zijn te sterke gebondenheid aan de aarde te bevrijden en hem steeds weer voor vragen te plaatsen, die beslissend zijn voor zijn lot en waarop hij het antwoord slechts kan vinden uit een beleven van de geestelijke wereld. MichaŽls werkzaamheid is bovenal en in de allereerste plaats daarop gericht dat de kracht van het bewustzijn van de mens toeneemt, dat zich een 'opgang van het diepste innerlijk der ziel' kan voorbereiden en ontwikkelen.

 

Bron: De hemelse hiŽrarchieŽn Ė Hans-W. Schroeder - Uitgeverij Christofoor Zeist - 1986 - ISBN 90 6238 177 4

 

 

 

                             

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL