Frederik van Eeden - Studies

Veelzeggende citaten uit de vele Studies van Free.

Koningschap en dichterschap -

Koningschap en dichterschap (1910)

 

Er is een wonderbare onevenredigheid in ons wezen, een dishar­monie die wij soms met pijnlijke bevreemding gewaarworden. Wij weten en begrijpen veel te veel voor ons kleine leven. Wij leven maar enige jaren en onze handen reiken maar kort. Maar onze blik, door vernuftige werktuigen verscherpt, peilt mateloze ruimten en ons begrip weet van tijdperken zo ontzaglijk, dat wij onmachtig zijn er een flauwe voorstelling van te maken. In vergelijking met de ruimte die wij verstandelijk kennen, is die welke wij zelf innemen of lichamelijk kunnen omspannen, volstrekt nietig. In mathemati­sche zin is ze praktisch nul. Evenzo is de tijdruimte die wij licha­melijk kennen, feitelijk nul, niet bestaand, in betrekking tot de tijden die wij verstandelijk meten. Wij zijn, als individuen, groot­heden die, wiskundig gesproken, verwaarloosd mogen worden bij de beschouwing van de wereldruimte die wij bewonen, en van de geschiedenis van ons geslacht. En toch schijnt ons deze nulliteit bijzonder gewichtig en belangrijk. Wij leven in een huis dat ons door zijn oneindige afmetingen vernietigt en wij hebben een geschiedenis die al wat wij zelf belangrijk vinden tot nul reduceert.

En daarbij hebben wij het inzicht van deze tegenstrijdigheid. Ieder mens leeft met een onverwoestbaar gevoel van zijn eigen be­langrijkheid. Hij voelt zich, of hij wil of niet, een ikheid, een ego, een middelpunt van waaruit de ganse kosmos wordt beschouwd en gemeten. Hij leeft en arbeidt in de waan dat hij het centrum vormt van uitgebreidheid en eeuwigheid. Die waan is hem eigen en onontbeerlijk. En toch weet hij, bij enig nadenken, onmiddellijk dat het een waan is. Het oneindige heeft geen midden, en zijn ik­heid, als centrum der oneindigheid, moet een zelfbegoocheling zijn. Maar onmogelijk is het hem, zich uit deze begoocheling te bevrij­den, hoe hij ook peinst of waarneemt. Alles bestaat voor hem slechts door zijn individueel besef, al wat is, is er slechts voor hem, omdat hij het voelt, of denkt. Het wezen aller dingen schijnt hem op onverklaarbare wijze in zijn eigen ik gecentraliseerd. Van zijn medemensen voelt hij zich onderscheiden door zijn Únig ikheids­gevoel. Hij moet aannemen dat zij allen hetzelfde gevoel hebben ­maar hij voelt zich anders dan zij, omdat hij zichzelf is, en alle ze­kerheid omtrent hun bestaan berust op zijn eigen waarneming.

Hij weet dit een zelfbedrog en een leugen en hij kan er zich niet aan onttrekken. Hij acht, verstandelijk, zijn persoon volstrekt nie­tig - en toch is alles voor hem in deze nietigheid besloten. Op het geloof in deze non-entiteit, zijn Zelf, berust het geloof in alles, in alle waarheid en werkelijkheid.

Hier is een angstwekkend raadsel, de aanvang van een land van mysterie waarin wij nog niet de eerste voet hebben gezet. Juist om­dat het zo vanzelf spreekt dat men niets kent als wat men zelf, als persoon, voelt en denkt, daarom is het zo enorm verwonderlijk. Want het betekent dat er niets is als het Ik, en dat wat het aller­nietigste schijnt, toch eigenlijk identiek is met het allergrootste, het Al.

 

Hier treft ons allereerst de onmacht en de onbruikbaarheid van ons voornaamste middel tot denken en mededelen: onze taal. Niet al­leen zijn al onze woorden onvoldoende, zij zijn ook misleidend. Wat werkelijk is, is niet tegenstrijdig noch onharmonisch - het schijnt alleen zo wanneer we het in onze onbeholpen termen en beelden trachten weer te geven. Al het zo wonderspreukig en on­logisch klinkende heeft een eigenlijk wezen, dat volkomen helder en logisch is. Eerst wanneer we ons bevrijd hebben van de banden der logische formulering, wanneer we hebben leren denken buiten het taalverband om, wanneer we de gevaarlijke dialectische metho­de der zogenaamde vakfilosofen zijn ontgroeid, wanneer we ge­leerd hebben de taal der dichters, met al haar onlogischheden en grilligheden als juister te waarderen dan het jargon der metafysische systemen, dan komen we tot het inzicht van wat onze geestelijke ontwikkeling in de weg staat.

En toch moeten we spreken, en met woorden denken en mede­delen. Maar wetend hoe de taal misleiden en bedriegen kan, heb­ben wij te zorgen haar meester te blijven en aan ons werkelijk we­zen te onderwerpen, en niet ons door taalvormen te laten binden en misleiden. Wij moeten zorgen dat taal groeit in even snelle mate als ons eigen wezen. De taal moet steeds levend, beweeglijk en veranderlijk blijven, en het ogenschijnlijk onlogische, wonderspreu­kige mag ons niet verschrikken.

Reeds hebben de wiskundigen van onze tijd, in strenge waar­heidszucht, de oude ban verbroken. Zij noemen niets meer absurd omdat het in onze taaltermen absurd klinkt. Het oude tweemaal­twee-is-vier heeft afgedaan. En wordt dieper en uitvorsender ge­vraagd: Wat is 'twee'? Wat is 'maal'? Wat is 'is'? Wat gebeurt er als we die zo overbekende woorden verbinden? Welke werkelijkheid staat erachter? Wat doen wij eigenlijk als we deze woorden zeggen?

En zo vragen wij dichters: Wat is 'Ik'? Wat is 'Zelf? Wat is 'per­soon'? Wat is 'zijn'? En steeds weer onverschrokken beeldend wat er zich als werkelijkheid en waarheid in ons voordoet, ontdekken we harmonie en helderheid, waar het dialectisch denken en spre­ken verwarring en absurditeit aantoonde.

 

 

Dit is de eerste sleutel van het duizendpoortige mysterie - dat wij groeien en wel duizelingwekkend snel. De raadselen ontstaan door­dat de taal achterblijft bij de rasse veranderingen in ons wezen. 'Panta rei', alles stroomt, en snelst van al ook de ziel van het men­sengeslacht.


                 

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL