1. KosmogonieŽn:
mythen over de schepping van de wereld

2. Apocalyps:
mythe over het einde der tijden

 

   

MesopotamiŽ - Egypte - IsraŽl - Griekenland - China - India - de Edda - Tibet - Tolkien - Griekse Godenmythe -

 

 

MesopotamiŽ

Zo stelden, eerst in SumeriŽ en toen in AkkadiŽ, de mensen zich voor hoe de wereld geschapen werd.

 

In deze grote antieke beschaving, die ongetwijfeld de wieg was van onze beschaving en waarvan de cultuur, de manier van denken en de geloven nog steeds de achtergrond vormen voor veel van onze levensstijlen en gedach­tenprocessen, vielen KosmogonieŽn ­de mythen over de schepping van de wereld - bovenal op door afwezigheid. Het lijkt erop dat de mensen in het 'tweestromenland' (de letterlijke vertaling van MesopotamiŽ), zoals de Grieken het noemden, in het begin in SumeriŽ en later in AkkadiŽ, tijdens de regering van de grote onafhankelijke stadstaten, niet erg geÔnteresseerd waren om te weten hoe en wanneer de wereld werd ge­schapen. Pas met de komst van de BabylonieŽrs tijdens de tweede helft van het tweede millennium v. Chr. verscheen er een mythe over de schepping van de wereld in een nu beroemde tekst Ė de enuma elish, waarin wordt verteld hoe de eerste man en vrouw Tiamat en Apsu, het heelal schiepen.

 

SUMERISCHE LEGENDES OVER DE SCHEPPING VAN DE WERELD

In deze opbloeiende beschaving met zijn ontelbare goden, die opkwam rond het 5de millennium v. Chr., leefden de SumeriŽrs, wier oorsprong onduidelijk blijft en de Sumieten, de oorspronkelijke bevolking, naast elkaar, soms in harmonie en soms in oorlog.

 

In die tijd waren de mensen misschien teveel bezig met hun bestaande situatie en met zichzelf te organiseren in steeds groeiende, maar eenvoudige dorpen (die gestructureerd en autonoom werden), om zich voor te stellen hoe de wereld, hun wereld eruit zag voor de schepping. Het is ook zeer goed te begrijpen dat hoe meer de mensen de middelen kregen om de natuur te beheersen, hoe meer ze ook de noodzaak voelde n om hun daden te recht­vaardigen, alsof ze daardoor het gevoel hadden dat ze wanorde schiepen in een wereld die hen tot dan toe volkomen harmonieus en coherent had geleken. En dus werd de wereld, volgens de SumeriŽrs, geschapen door een breuk, een scheiding: An, de Hemel en Ki, de Aarde, waren oorspronkelijk samen, maar eerst werd de Hemel naar boven getrokken en toen werd de Aarde naar beneden getrokken.

 

Deze scheiding werd veroorzaakt door de verstorende en voortijdige tussenkomst van Enlil, de heer van de Wind of de Atmosfeer, die echter geboren werd uit de unie tussen An en Ki. Zo is volgens de SumeriŽrs, de wind of atmosfeer de voornaamste oorzaak van de wereldorde zoals we die tegenwoordig kennen: de Hemel boven, de Aarde beneden, met de wind of atmosfeer als scheidende factor tussen hen in geplaatst. Maar Enlil was niet alleen, hij had een handlanger die Enki heette, de heer van de Onderwereld en de meester van het Lot, die er voor zorgde dat er water op aarde was, hetgeen essentieel was voor het leven. 

 

Zo kwam het dat Enki, de oergod en belangrijkste god in SumeriŽ werd, omdat hij gezien werd als de organisator van de wereld, pragmatisch en gewoon, helemaal niet mystiek.

Het waren zijn gedachten, woorden en daden, die de basis vormden van de hele schepping en van zowel de mens als van zijn beschaving.

 

AKKADISCHE EN BABYLONISCHE LEGENDEN OVER DE SCHEPPING VAN DE WERELD

De meest expliciete vertelling over de geboorte van de wereld volgens de Akkadische Kosmogonie 'die de Sumerische kosmogonische ideeŽn verving' is te vinden in de beroemde tekst die Assyriologen het 'gedicht van de schepping' noemen, maar die eerst de titel had van zijn openingswoorden: 'enuma elish...' , dat wil zeggen 'toen hoog boven..'.

Het lijkt erop dat dit his­torische werk altijd in spijkerschrift op zeven kleitabletten werd beschreven, waarvan elk 150 verzen omvatte. Aan het begin van de 19de  eeuw werd een aantal verspreide fragmenten gevonden waaruit het gehele gedicht kon worden gereconstrueerd. Deze fragmenten zijn gedateerd tussen de negende en de tweede eeuw v. Chr., maar alles wijst erop dat de originele compositie van de enuma elish teruggaat tot het 2e millennium v. Chr. ter vervanging van de Sumerische versie van het begin der tijden die hierboven kort beschreven is.

Na een introductie die gaat over de schepping van de wereld, is dit gedicht vooral gebaseerd op de epische en titanische strijd tussen Marduk die, zonder twijfel de inspiratie was voor de Griekse Zeus en de Romeinse Jupiter.  

 

Gekozen tot de kampioen van alle goden, en zelf een god en redder van de wereld, vocht Marduk tegen de grote oergod Tiamat die omringd was door zijn cohort van monsters en demonen.

Als gevolg van deze spectaculaire en titanische strijd, ontstond een we­reldorde, gepersonifieerd door Marduk uit de oorspronkelijke chaos die werd voorgesteld door Tiamat.

 

Volgens de enuma elish slaagde Marduk erin Tiamat te overwinnen door hem te doden met een pijl door de maag. Hij kon toen diens lichaam - voorgesteld door een enorme vis die zowel de Hemel als de Aarde bedekte - in twee stukken snijden. De eerste helft werd het hemelgewelf en de met sterren bezaaide hemel en de tweede werd de aarde. Op deze manier rees door Marduk, de wereld op uit de oorspronkelijke chaos en vormde de onveranderlijke orde, de regels en de wetten.

 

Vervolgens gaf hij aan Anu, de eerste man, naar het voorbeeld van Enki, de heer van de Onderwereld en volgens de SumeriŽrs de meester van het Lot, de tafels van het Lot, de Anutu.

Volgens dit verhaal werd dus dankzij de interventie van een reddende god het begin van de tijd meegemaakt die de vestiging van een geordend universum en vervolgens de geboorte van de mens inhield, die uit de handen van Marduk, de oppergod, de sleutels van zijn lot ontving, waarover hij dus meester werd.

 

De eerste twaalf regels van de enuma elish:

Toen hoog boven

De hemel nog niet genoemd was

En hier beneden de aarde

Nog niet zo genoemd werd

Voegden alleen Apsu, de oppergod,

Degene die hem voortbracht,

En moeder Tiamat,

Die hen allen kreeg

De wateren samen:

Geen rietvelden

Werden hier gezien

Nog waren plantages te zien

 

(Jean Bottero en Samuel Noah Kramer,

Toen de Goden de Mensen maakten,

Mesopota­mische Mythologie,

Gallimard, 1989).

 

 

Egypte

Atum, Khnum, Khepri, Amon en Sobek waren enkele van de vele voorstellingen van dezelfde demiurg, die volgens de Egyptenaren, de wereld schiep.

 

 

Waarom hebben mensen behoefte om te geloven dat alles een begin heeft? Misschien omdat de mens gewoon als het erop aankomt niet de gave heeft om objectief tegen de dingen aan te kijken en omdat hij een subjectieve en bevooroordeelde kijk heeft op de wereld.

Omdat de mens op een bepaalde dag geboren is, lijkt het voor hem logisch dat de wereld ook op een bepaalde dag geschapen is. En omdat ieder mens een moeder heeft, lijkt het hem heel normaal om aan te nemen dat de wereld ook een moeder had uit wiens baarmoeder de wereld waarin hij leeft op een dag vanuit het niets, vanuit chaos, vanuit vergetelheid, werd geboren. Als er een moeder was om deze wereld te baren, moet er ook een vader zijn geweest, die hem verwekte. Maar los van het concept van een mythische moeder en vader, is de mens niet in staat om verder te speculeren. Want terwijl zijn strenge en zeer vindingrijke geest nooit ophoudt om ons te verbazen - en hem toestaat om de fenomenen en veelzijdigheid van de natuur te reproduceren of haar te imiteren, soms op een complexe manier, en op andere momenten veel simpeler ­is zijn conceptuele en doordringende denkvermogen beperkt. Het is een barriŤre die hij met zijn geestelijke vermogens, hoe ontwikkeld hij ook is, niet zal aankunnen.

 

En om niet echt krankzinnig te worden, kiest hij er paradoxaal genoeg voor om de wereld te zien als zijnde geregeld door een tamelijk constante orde en logica, door wetten en relatief onveranderlijke en coherente regels. Zodat hij geen slachtoffer wordt van een zenuwinstorting of zijn zelfbewustzijn verliest, waardoor zijn beoordelings­vermogen en analytische en synthetisch vaardigheden in gevaar zouden komen. Maar om zin te kunnen geven aan dit goed georganiseerde systeem, moet hij het zaad van een begin en een eind ergens in de tijd kunnen ontdekken.

 

DE DEMIURG, DIE DE WERELD SCHIEP VOLGENS HET GELOOF IN HET OUDE EGYPTE

In Egypte, werd dit grootse begin voorgesteld door een machtige demiurg, die wordt beschreven als autogeen, want het lijkt er op dat hij zichzelf voortbracht. En degenen die denken of zeggen dat het absurd is te geloven dat er een superieur wezen was dat zich­zelf uit het niets kon scheppen, om vervolgens het universum in al zijn rijkdom en complexiteit te scheppen, hebben het mis! Want het is niet alleen niet absurd, maar het is bovenal essentieel om goed na te denken over iets waar nog niemand diep op ingegaan is. Sinds wanneer bestaat het geloof in het waarschijnlijke bestaan van een demiurg? We weten dat niet. In elk geval was het voor de geboorte van de Egyptische beschaving en niemand twijfelt eraan, dat de gelovigen hun inspiratie vonden in nog oudere geloven. Het belangwekkende in dit concept van een oorspronkelijke demiurg - dat verscheen aan het begin van het vierde millennium v. Chr. ten tijde van de eerste faraonische dynastie - is dat het de inspiratie is geweest voor de enige, onzichtbare, maar alom tegenwoordige god. En alle monotheÔstische religies namen die als hun model- inclusief die van Jahweh die, dankzij Mozes, het belangrijkste voorbeeld werd. Nu was, zoals algemeen bekend is, Mozes net zoveel Hebreeuw als hij Egyptenaar was.

 

DE VERSCHILLENDE VOORSTELLINGEN VAN DE GROTE DEMIURG

Ook al is het begrip zelf een constante factor gebleven, met het verstrijken van de eeuwen verschilden de religies, de steden en de lange geschiedenis van deze beschaving die 3000 jaren duurde en de vorm waarin hij gezien werd door de Egyptenaren. Toch was het Ra, de oppergod, zoals voorgesteld door de zon, die uiteindelijk toch altijd de boventoon voerde, want vroeg of laat werden alle demiurgen met hem geÔdentificeerd.

 

Dit was van toepassing op Atum, de vader van Shu en Tefnut, waarvan de eerste de oeratmosfeer voorstelde, de lucht, de ruimte tussen hemel en aarde zonder welke de mens niet kon ademen of leven, en de tweede het vocht en het water personifieerde, zonder welke ook niemand op aarde kan leven. Maar het is bijzonder dat eeuwenlang voor de komst van meetinstrumenten waarmee wetenschappelijk kon worden bewezen dat er zonder lucht en water geen leven zou zijn ontstaan op aarde, onze grote en verre voorvaderen dit al met zekerheid wisten. Nu was het Shu, de atmosfeer, en Tefnut, het vocht, die als oerpaar, op hun beurt Nut, het hemelgewelf of dak van de wereld en Geb, het land, de vloer van de aarde voortbrachten. Maar volgens de legenden die opgang deden in Heliopolis, werden Shu en Tefnut geboren uit het zaad dat Atum-Ra door te onaneren produceerde, of uit zijn speeksel of zijn tranen, die niets anders waren dan de stralen van de zon.

 

Nog een demiurg was Khnum, de voortbrengende god, de reden van leven op aarde, die vaak werd voorgesteld als een man met een ramskop, die een kind met zijn handen heeft gevormd (de eerste mens), en die toen vervolgens alle mensen op zijn pottenbakkersschijf schiep.

Er was ook Khepri, of Kheperer, de heilige scarabee, die het leven gaf aan de wereld, aan het leven, aan de goden en aan de mensen, door zich te onderwerpen aan een permanente transformatie van zijn eigen lichaam, van zijn eigen bestaan (transformatie en bestaan zijn de dubbele betekenis van zijn Egyptische naam) en die eindigde door het symbool te worden van de wedergeboorte, van de metamorfose en de onsterfelijkheid.

 

Nog een voorbeeld was Amon, de grote Thebaanse god, de meest menselijke van de Egyptische demiurgen, want hij werd afgebeeld met een blauw lichaam dat het hemelgewelf voorstelde. Hij werd vergezeld door zijn vrouw Mut, de moedergod van Egypte, die werd vergeleken met de grote gierengodin, deze roofvogel met onmiskenbare moederlijke kwaliteiten en haar zoon Khonsu, de reiziger of zwerver, die wel werd vergeleken met de maan. Het is volgens deze mythe dat uit de verbintenis tussen Amon-Ra (de god van de zon) en Mut (de godin van de aarde), die het leven gaf aan de maan, een mannelijke godheid voortkwam.

 

En ten slotte was er Sobek, de krokodil­god, de godheid die de wereld schiep, maar die ook een ontzagwekkende, wrede en alles verslindende demiurg was, die haar nakomelingen kon voort­brengen, en ook verslinden, dus zowel leven kon geven als het ontnemen.

 

IsraŽl

In IsraŽl inspireerden twee kosmogonische vertellingen de samenstellers van de Bijbel, een ervan verschijnt aan het begin van het Oude Testament.

 

We kunnen de mythen over de schepping van de wereld zoals gezien in IsraŽl niet noemen zonder te verwijzen naar Genesis in de Bijbel. Niettemin is tegenwoordig, historisch gezien, duidelijk geworden dat er twee verhalen aan de basis van iets dat meer was dan een mythe - eerder een diepe religieuze overtuiging, die zich stevig vastgezet heeft in de geest van zowel

joden als christenen over de gehele wereld, die beiden verwijzen naar en zich baseren op het Oude Testament. Zo bevat de bijbel twee vertellingen van de Schepping. De oudste, de Jahwist, stamt waarschijnlijk uit de 8e eeuw v. Chr., terwijl de meest recente, de Elohist, die de Sacerdotale Code wordt genoemd, om het originele denken van het JudaÔsme weer te geven zoals het wordt onthuld in de teksten die het bevat, stamt waarschijnlijk uit de 6e eeuw v. Chr. De Jahwist tekst ontleend zijn naam aan Jahweh, de god van IsraŽl. De

Elohist tekst ontleend zijn naam Elohim, hetgeen God betekent, waarbij de joden Elohim 'de man boven' en Adam 'de man beneden' noemden.

 

EEN JOODSE LEGENDE VAN DE EERSTE DAG IN DE SCHEPPING VAN DE WERELD

Voordat we het universum van de Jahwist en de Elohist of Sacerdotale Code gaan bespreken, en de nadruk leggen op hun gelijkenissen en hun verschillen, vragen we aandacht voor de beginregels van een verhaal over de eerste dag van de schepping van de wereld. Dit werd verteld in een zeer oude joodse legen­de, misschien uit dezelfde tijd als de Jahwist en Elohist teksten, maar zeer waarschijnlijk veel eerder geschreven. "Op de eerste dag van de schepping, schiep God tien dingen: de hemel en de aarde, Tohu en Bohu, het licht en het donker, de wind en de zeeŽn, en de lengte van de dag en de nacht." ( Louis Ginzberg, Joodse legenden). De ' tien dingen' die God volgens dit verhaal schiep, zijn zeer interessant. Als je ze opnoemt, kan je zien dat de hemel en de aarde (d.w.z: het hemelgewelf en de grond eronder) op hetzelfde moment werden geschapen als licht en donker (helderheid en verborgenheid), de wind en de zeeŽn, en de duur van de dag en de nacht (dat is de tijd zelf). Met andere woorden, de hemel, de aarde, de vier elementen voorgesteld als Vuur, Aarde, Lucht en Water, samen met de tijd wer­den in dit geval volgens deze legende samen geschapen op dezelfde dag.

 

We hebben met opzet Tohu en Bohu er buiten gelaten. Dit zijn humoristische namen die zijn gegeven aan imaginaire eilanden door de Franse schrijver Francois Rabelais in zijn 'Quart Livre' dat hij had geschreven in het midden van de 16e eeuw. De twee namen zijn vervolgens een bekend Frans gezegde geworden om immense wanorde of totale verwarring aan te geven. Niettemin werden deze termen ook door de joden gebruikt om de oorspronkelijke chaos waaruit, vol­gens de Elohist of Sacerdotale Code in Genesis, de Schepping ontstond en die zo de openingsverzen van de Bijbel vormden, alhoewel we wel weten dat ze werden geschreven na de Jahwist tekst.

 

DE JAHWIST VERTELLING VAN DE SCHEPPING

We volgen hier niet de chronologische volgorde van de bijbel maar de volgorde waarin, historisch gezien, de twee teksten werden samengesteld. We beginnen met de Jahwist tekst. Als u die leest, is het direct duidelijk dat zijn introductie veel gemeen heeft met de openingsverzen van het Mesopotamische Enuma, Elish. Dit is niet verbazingwekkend als men bedenkt dat de cultuur van het volk van IsraŽl historisch gezien ondergedompeld was in die van de SumeriŽrs, AkkadiŽrs, BabylonieŽrs en ChaldeeŽn. "Toen Jahweh de hemel en de aarde geschapen had, was er nog geen begroeiing en ook groeide er nog geen gras, want Jahweh had nog niet gezorgd dat de regen op de aarde viel en er was nog geen mens om hem te cultiveren." Oean Bottero, 'De Schepping Van De Wereld Volgens IsraŽl', Seuil, 1959.)

Dus volgens deze introductie op de Jahwistische vertelling was, toen Jahweh de hemel en de aarde schiep, deze laatste nog steeds maagdelijk land of woestijn.

 

DE SACERDOTALE CODE OF ELOHISTISCHE VERTELLING VAN DE SCHEPPING

De openingspassage van de Elohistische vertelling die de beginzinnen van de bij­bel vormt, spreekt de vorige versie niet tegen maar voegt er nog bijkomende informatie toe: "In den beginne schiep Elohim de hemel en de aarde. Nu was de aarde leeg en een wildernis: alles was besloten in duisternis en de Geest van Elohim zweefde boven de wateren." Oean Bottero, 'De Schepping van de Wereld volgens IsraŽl', Seuil, 1959.)

Wat betreft de beroemde zin "In den beginne", die het onderwerp is geweest van veel discussie op allerlei niveaus, moeten we goed duidelijk maken dat volgens de interpretatie die eraan gegeven wordt door de kabbalis­ten, het Hebreeuwse woord dat op die manier vertaald werd, namelijk Bereshit, het eerste woord in de Bijbel, waarschijnlijk niet goed vertaald kan worden. Volgens de Kabbalisten omvat het begrip de hele traditie van de Torah, en het begrip kan worden gelezen als Brit Esh, hetgeen vertaald kan worden als 'verbond van vuur'. Het is dus een symbolische en tegelijk archetypische voorstelling van het leven, de bron en de oorsprong van al het leven. Natuurlijk verliest het als het vertaald wordt al zijn betekenis en kan het niet langer op die manier worden opgevat.

 

Niettemin is het interessant om op te merken dat de eerste vertelling in Genesis zijn inspiratie lijkt te hebben geput uit de meer poŽtische en uiterst legendarische mondelinge traditie, en de tweede (de eerste in de Bijbel) meer stamt uit een geschreven versie. Het werd misschien samengesteld op het moment dat de menselijke geschiedenis een belangrijk keerpunt stond, toen het gesproken woord de weg vrijmaakte voor het schrift en toe men het nodig vond om een ver­borgen of initiŽrende betekenis aan de woorden te geven, een methode en een traditie die de kabbalisten duizenden jaren hebben kunnen behouden. Men zal ook zien dat in het openingsvers van de Jahwistische vertelling van de schep­ping er een onmiddellijke verwijzing naar de mens is, ook al is het alleen maar om aan te geven dat die toen nog niet ten tonele verschenen was. In de Elohistische versie daarentegen verschijnt de mens, in de persoon van Adam, pas in het tiende vers. Er is geen sprake van dat hij eerder verschijnt.

 

 

 

Griekenland

 Voor de verschijning van de Olympus, de zetel van de goden en het huis van Zeus, was er Chaos, die aan de oorsprong stond van alle schepping. De Griekse versie van de geboorte van de wereld.

 

Sinds de Renaissance hebben het denken, de filosofie en de ideologische fundamenten van de Griekse beschaving een enorme invloed uitgeoefend op de wetenschap en politiek van de westerse wereld. Griekse literatuur, beeldhouwkunst en schilderkunst prikkelden de verbeelding van de Europeanen, ondanks verbanning door de kerk, die alles deed om de kennis zoals de Grieken die huldigden, te verbergen, te censureren, te verloochenen en te vergeten. De Romeinen werden geÔnspireerd door het Griekse voorbeeld en de Europese volkeren - zelfs de hele wereld - namen het Griekse systeem van democratie met parlementaire grondslag over.

Historici kijken echter ook al enige tijd naar de Griekse wereld met een minder lovende en meer kritische blik. Hun nieuwsgierigheid heeft geleid tot een grondiger onderzoek naar de wortels

van deze beschaving. Dit houdt meestal in dat men de verhalen en legenden van de Griekse mythologie, die een integraal onderdeel van onze westerse cultuur vormt, grondig bestudeert en analyseert. Als men teruggaat naar de bronnen van deze legenden kan men zien dat de Griekse denkers en kunstenaars hun inspiratie haalden uit de mythen en het geloof van de MesopotamiŽrs en de Egyptenaren, en misschien zelfs van primitieve Afrikaanse stammen.

 

DE OORSPRONG VAN DE GRIEKSE MYTHOLOGIE

De Griekse mythologie heeft zo'n grote invloed gehad op de Westerse geest, en vooral op het denken van Westerse filosofen, theologen, wetenschappers, ideologen en politici dat men gedurende lange tijd dacht dat het een mythologie op zich was, een autonoom verhaal dat losstond van menselijke kennis.

 

Nu weten we dat mythen en symbolen, en de legendes die ze vergezellen, een vast onderdeel zijn in de geschiedenis van de mens, dat ze overal worden gevonden, in elke tijd, in verschillende vormen. Ze vertellen altijd dezelfde verhalen, verbeelden steeds dezelfde gebeurtenissen, dezelfde wonderlijke voorvallen. Maar het succes van de Griekse mythologie door de eeuwen heen is zeker te danken aan het feit dat deze mythologie een duidelijk gedefinieerde geschiedenis van de goden en de mensen geeft, met een vaste hiŽrarchie van godheden en spectaculaire vertellingen die een diepe indruk op ons maken, maar die bovenal menselijke gewoontes, zwakheden en emoties laten zien. Eigenlijk staan de emoties en handelingen van de Olympische goden zo dicht bij de mensen, dat het moeilijk is om deze goden van de mens te onderscheiden. Freud en de psychoanalytici vergisten zich niet toen zij in de Griekse mythologie misschien niet het oorspronkelijke model van alle gedragsreflexen en intellectuele, morele en emotionele gewoontes van mannen en vrouwen zagen, maar dan tenminste de vorm waarin zij gegoten waren. Met andere woorden, de gebeurtenissen die al deze grote goden portretteerden, stellen een sublimatie respectievelijk overdrijving voor van gewone situaties of omstandigheden (maar niet minder dramatisch of amusant) waarin mensen zich bevinden. Om te begrijpen hoe de Grieken de schepping van de wereld, meer precies, hun wereld voorstelden, moet we ons realiseren dat zij bijna altijd in staat van oorlog waren, dat het Griekse volk over het algemeen racistisch, isolationistisch, elitair en barbaars was. Dit verklaart wellicht waarom hun kunst zo rijk, gecultiveerd en verfijnd was en altijd streefde naar perfectie. In feite zou dit diepgewortelde verlangen naar het mooie, het wonderbaarlijke, de esthetische zuiverheid en het idealisme dat doorschemert in al het Griekse denken, nooit de boventoon gevoerd hebben als de Griekse stadstaten niet zo'n bloedige en turbulente geschiedenis zouden hebben gehad.

 

THEOGONIE OF GRIEKSE KOSMOGONIE VOLGENS HESIODUS

In de eerste plaats kan men zien, wanneer men terugkijkt naar de Sumerische, Akkadische, Egyptische en joodse mythen dat de Griekse scheppingsmythe op deze verhalen moet zijn gebaseerd, want er zijn zoveel gelijkenissen. Zo was er in den beginne Chaos, een personificatie van de absolute en oorspronkelijke leegte. De Chaos bracht toen Erebus, dat wil zeggen de helse duisternis, en Nyx, de nacht voort. De demon-god Erebus en de godin Nyx, de kinderen van Chaos en dus broer en zus, hadden zelf twee kinderen Ether, de atmosfeer, en Hemera, de dag: een vrouwelijke godheid, want in het Grieks was het woord voor dag vrouwelijk.

 

Dit is de Hesiodische versie van de Griekse kosmogonie, opgetekend door Hesiodus, een Griekse dichter die leefde in de 8ste eeuw v. Chr. en die een theogonie schreef, dat wil zeggen een lang gedicht dat de schepping van de wereld bezong volgens zijn tijdgenoten (zie: Hesiodus, De werken en de dagen, voorafgegaan door de theogonie, vertaald uit het Grieks door Claude Terreaux en uitgegeven door Arlea in 1998).

 

Zoals we kunnen zien, waren in dit stadium van de schepping van de wereld de hemel en de aarde nog niet verschenen. Nyx, de nacht, baarde aan de andere kant (zonder de hulp van haar broer Erebus deze keer) allerlei vreemde wezens, die een belangrijke rol gingen spelen in de geschiedenis van de Olympische goden en later in het leven van de mensen. Dat waren onder andere, Eris (onenigheid), de Hesperiden (de nimfen van de avond of de zonsondergang), Hypnos (slaap), Keres (een soort geest of oorlogsdemon die helden in hun strijd vergezelde), Moires (de personificatie van het lot toegeschreven aan elk persoon). Momus (bespotting), Moira (lot), Nemesis (goddelijke wraak) en Philotes (tederheid), enzovoort.

 

Pas veel later verschenen Uranus, de hemel, en Gaia, de aarde. Deze produceerden talloze kinderen waarvan de meest beroemde en belangrijke zes mannelijke en zes vrouwelijke titanen waren, waaronder Chronos (tijd) en Rea. Rea werd door de Grieken beschouwd als de oudste godheid op aarde. Zij kreeg in de Griekse mythologie zowel de rol van moeder van de goden, als van vader en moeder van Zeus, die de belangrijkste god van alle Olympische godheden werd.

 

 

China

 

In China is er een overvloed aan mythen en KosmogonieŽn: over een moeder der schepping, een demiurg, chaos of een wezen met een goddelijke aard uit wiens lichaam de wereld ontstond.

 

De Chinese mythen die gaan over de schepping van de wereld en het begin van de tijd weerspiegelen andere mythen en legenden die we al hebben onderzocht. Als we er goed naar kijken, zien we dat er mythen bestaan over de oorspronkelijke Chaos, de schepping van hemel en aarde voordat de mens bestond, het vormen van de mens uit klei, het eerste paar, de zondvloed of de grote overstroming en de held die lijkt op Noach en de superwijze.  Hoewel ze in principe hetzelfde zijn, hebben deze Chinese mythen een eigenaardige en originele vorm en zijn ze anders dan de mondeling overgeleverde verhalen, of de mythen die in spijkerschrift werden opgete­kend werden. In de Oudheid en zelfs daarvoor, hadden de mensen in het Midden-Oosten en in het Verre Oosten ongeveer hetzelfde beeld van de schepping van de wereld en het begin van het leven op aarde. Daarom kunnen we aannemen dat, hoewel niet alle mensen op de wereld gemeen­schappelijke wortels hebben, ze wel hunkeren naar zo'n gemeenschap­pelijke oorsprong. Het is daarom zeer waarschijnlijk dat ze de gelegenheid hebben gehad elkaar te ontmoeten en hun geloven en visie op het leven en de wereld uit te wisselen, lang voordat de communicatietechnologie werd geperfectioneerd en men contact kon maken met iedereen op de planeet.

 

DE MOEDER-SCHEPPER VAN DE MENSHEID

Volgens een populaire Chinese legen­de, waarvan men schriftelijk bewijs heeft gevonden dat teruggaat tot de 2e eeuw v. Chr., maar die zonder twijfel veel ouder is, werden de Hemel en de Aarde gescha­pen in een tijd dat de mens nog niet bestond. De moeder van de schepping, Niukoua, bestond echter wel al. Hoe werd zij geboren? Waar kwam zij vandaan? De legende geeft ons geen duidelijke antwoorden op die vragen. Het lijkt erop dat we ons tevreden moeten stellen met informatie over wat zij deed, over de essentiŽle rol die zij speelde bij de schepping van de wereld, dat wil zeggen, door de mens te vormen uit de gele aarde, de bodem van China. Maar het verhaal maakt duidelijk dat het gebruik van aarde alleen niet het ideale noch het meest geschikte materiaal was om de mens uit te vormen. En dus schiep zij nadat ze een paar mensen van gele aarde gemaakt had vervolgens de rest van de mensheid van modder. Dit ver­klaart volgens de Chinezen waarom er 'nobele' mensen zijn (gemaakt van aarde) en 'slechte' (gemaakt van modder).

 

DE DEMIURG DIE VERREES UIT DE EIVORMIGE CHAOS

Nog een legende, die eerder voorkwam of gelijktijdig met de vorige, vertelt over het verschijnen van een nogal ongewoon bovennatuurlijk wezen, niet een echte god in westerse religieuze of mystieke zin, maar eerder een soort ongelofelijke en ongrijpbare demiurg. Dit wezen was echter in staat het gedrag en uiterlijk van een typische menselijke held aan te nemen, zodat hij tegelijkertijd een god, een demon en een mens was die begiftigd was met de vele krachten die in het China van die tijd bestonden. Dit fabelwezen werd P'an-kou genoemd en was volgens de legende voortgebracht door de chaos die leek op een ei. Zo was hij het eerste levende wezen die uit de chaos waarin hij 18.000 jaar geleefd had te voorschijn was gekomen. Zijn geboorte, beschreven in dit zeer oude Chinese verhaal, ver­toonde overeenkomsten met het goddelijke Egyptische driemanschap van Shu (Licht of Atmosfeer), en zijn twee zonen - Nut (de Hemel) en Geb (de Aarde).

 

In feite was het de verschijning van de Hemel, gemaakt van pure Yang­elementen, en de Aarde, het product van pure Ying-elementen, die Pían-kou heeft voortbracht. In het begin ging hij soms samen met de Yang-elementen van de Hemel en soms met de oorspronkelijk

Ying-elementen van de Aarde, maar hij bleef er altijd tussenin, zich voedend met beide, en veranderde voortdurend zodat hij uiteindelijk in zijn laatste vorm te voorschijn kwam. Met andere woorden, P'an-kou, het eerste levende wezen dat ontstond uit de chaos, werd geboren in dezelfde tijd als de Hemel en de Aarde. Naarmate hij zichzelf geleidelijk transformeerde in een herkenbaar en levend wezen rees de Hemel, beetje bij beetje, steeds hoger boven de aarde uit totdat beide voldoende gescheiden waren en er een situatie ontstond zoals we die tegenwoordig kennen - waarbij de Hemel, volgens de Chinese versie, oneindig hoog is, en de Aarde oneindig diep.

 

 

DE SCHEPPING VOLGENS TJOU I-TJING

De Tjou I-TJING is een verzameling van Chinese teksten, verhalen en legenden die werden geschreven in de 6e eeuw; De zeer oude verhalen werden door anonieme auteurs verzameld. Een van de teksten is een versie van de mythe van Pían-kou die volgt op de hierboven beschreven mythe, maar die aanvullen­de informatie geeft en doet denken aan het Bijbelboek Genesis.

Dit verhaal vertelt ons dat P'an-kou, de tegenhanger van Yahweh, er in het begin was. Pían-kou was in feite de grote voorouder van de 10.000 wezens die het heelal bevolkten. Niettemin moest P'an-kou, als hij inderdaad de schepper was van al het leven, zichzelf opofferen en sterven om de wereld voort te brengen. Want het was uit zijn dode lichaam dat de wereld geschapen werd. Zijn hoofd werd de Heilige Berg, zijn ogen de Zon en de Maan, zijn bloed de rivieren en de zeeŽn, en de haren van zijn lichaam en zijn hoofd werden de bomen en de planten van de Aarde. Zijn adem bracht de wind voort, zijn stem de donder en zijn ogen de bliksem...

 

Alles wijst erop dat deze legende al bestond lang voordat de Tjou I-TJING werd  samengesteld. Er was namelijk een tekst, van onduidelijke oorsprong, waarin wordt gesproken van Lao Tse, een Chinese filosoof en tijdgenoot van Confucius in de 6e eeuw v. Chr., die Pían-kou aanwijst als de auteur van de Tao-te king: "T'ai tjang Lao-kiun (de vergoddelijkte Lao Tse) schiep de hemel en de Aarde... Toen transformeerde Lao Tse zichzelf: zijn linkeroog werd de Zon en zijn rechteroog werd de Maan; zijn hoofd werd de berg Kouen-louen, zijn haren waren de sterren, zijn botten de draken, zijn vlees de viervoeters, zijn ingewanden de slangen, zijn buik de zeeŽn, zijn vingers de vijfheilige pieken, zijn lichaamshaar de planten en zijn hart de berg Houa-kai." (citaat uit Houa-hou King, het boek van de Bekering van de Barbaren, geciteerd door Max Kaltenmark in De Geboorte van de Wereld, Seuil, 1959).

 

 

India

 

De geschiedenis van India kent niet ťťn, maar vele versies van de schepping van de wereld.

De meest originele lijkt die over Brahman en Maya, die de wereld elk moment opnieuw scheppen.

 

 

De eerste teksten die te maken hebben met kennis en begrip in India - een gevarieerde verzameling van historische, mythische en religieuze verhalen zoals in de Bijbel - zijn natuurlijk de beroemde Veda's. Recent historisch wetenschappelijk onderzoek wijst uit dat deze teksten waarschijn­lijk geschreven zijn vanaf het midden van het 2e millennium v. Chr. Anders gezegd: de eerste Vedische teksten waren zonder twijfel tijdgenoten van, of werden op de voet gevolgd door de  wetten van Hammurabi in Babylon in de 18e eeuw v. Chr. Men neemt ook aan dat deze wetten de inspira­tiebron waren voor de tien geboden van Mozes die ten minste vijf eeuwen na de wetten van Hammurabi, die de zesde Amoritische koning was, werden samengesteld. Deze wetten van Hammurabi waren tegelijkertijd administratief, politiek en religieus, en in het centrum stond de enige god Marduk. Ze vormen de eerste tekenen van monotheÔsme. Als we deze parallel trekken, is dat omdat we, als we naar de kaart kijken, kunnen zien dat de afstand die Babylon scheidt van India verre van onoverkomelijk was, en omdat alle volken van de Oudheid zeker een culturele invloed op elkaar uitoefenden, vooral ook door de vele handelsbetrekkingen die er bestonden.

 

DE SCHEPPING VOLGENS DE RIG VEDA

In hun geheel genomen zijn de teksten die de Veda's vormden zes keer langer dan de Bijbel. Ze werden bij elkaar gevoegd in vier grote delen die men gewoon de vier Veda's noemde. In de meest recente van de vier, de Rig Veda of de Veda van de verzen, komt de volgende hymne voor:

 

"Noch onwezen noch wezen bestond toen.

Er was geen lucht in de ruimte,

noch enig firmament daarboven.

Wat was het dat zich daar machtig bewoog?

En waar? Onder wiens gezag?

Waren de wateren onpeilbaar diep?

 

In die tijd was er leven noch dood;

er was geen onderscheid tussen nacht en dag.

De dag ademde onder zijn eigen gewicht,

want er was geen wind.

Buiten dat, bestond er niets. "

 

(Speculative hymnes of the Rig Veda)

 

Bij het lezen van deze hymne is de verleiding wel bijzonder groot om een parallel te trekken met aan de ene kant de Mesopotamische Enuma Elish en aan de andere kant het in onze cultuur overbekende Jahwistische verhaal van de schepping. Op een ander, meer geschikt moment zullen we wat langer stilstaan bij deze toevalligheden. Bij het lezen van een andere hymne die in de Rig Veda staat en die eveneens verhaalt over de schepping van de wereld, zien we ook een overeenkomst met het scheppingsverhaal volgens de Chinese Tjou I-TJING en P'an-kou, de grote voor­vader van de tienduizend wezens die het heelal bevolken  :

 

"De mens heeft duizend hoofden;

Hij heeft duizend ogen, duizend voeten;

Als hij de hemel omspant van de ene

kant naar de andere is hij tien vingers

groter dan diens wijdte.

De mens is niets meer dan dit universum,

datgene dat verleden is

en dat wat nog gaat komen.

Hij is de meester van het onsterfelijke rijk

omdat hij in andere dingen gelooft

dan alleen voedsel. "

 

(Speculative hymnes of the Rig Veda).

 

Volgens deze hymne bestond er in India ook een grote voorvader die Purusha heette, de opperste oorspronkelijke en eeuwig kosmische mens, die volgens de Hindoes het begin en het einde van alles was, de absolute!

 

BRAHMAN EN MAYA, OF DE OPPERSTE WERKELIJKHEID EN DE ABSOLUTE ILLUSIE

In plaats van verward te raken in de veelheid van hymnen en verhalen in de vier Veda's die over de schepping van de wereld vertellen, geven we er hier de voorkeur aan om een sprong in de tijd te maken en onze aandacht te wijden aan twee mythen die zeer belangrijk waren in deze religieuze cultuur die werd bevolkt door vele goden. Deze mythen hebben betrekking op Brahman en Maya. De naam Brahman moeten we vooral niet verwarren met Brahma, dat is de scheppingsgod en de oppergod van de Trimurti of de HindoeÔstische drie-eenheid (die op een bepaalde manier ook te vergelijken is met de Christelijke drie-eenheid), die bestond uit Brahma, Vishnu (de In stand houder), en Shiva (de Gezegende). Brahman en Maya zijn volgens het HindoeÔstische concept van de schepping van de wereld de personificatie van zijn en niet-zijn. er bestaan geen equivalenten in de KosmogonieŽn, geloven of religies van andere volkeren en beschavingen van de Oudheid, behalve misschien in de latere ideeŽn van de mystieke Kabbala, die zeker ouder is dan men wel eens denkt.  In feite is Brahman, net zoals aleph, de eerste cijfer/letter van het Hebreeuwse alfabet dat de code van de Kabbala vormt, een concept dat niet geformuleerd of omschreven kan worden door gedachten, noch kan het op een af andere manier met woorden worden gedefinieerd. Hij stelt daarom een onvoorstelbaar concept voor, dat bestaat zonder te bestaan, maar dat niettemin moet worden verklaard. Zo wordt er van hem gezegd dat hij het begin en het eind van alles is, maar ook dat hij bestond voor het begin en dat hij geen einde heeft. Of dan staat er weer dat hij onveranderlijk, permanent en het absolute wezen is, het opperste bewustzijn, de totale realiteit waarbuiten niets werkelijks bestaat. Volgens de Hin­does is Maya uit hem ontstaan, de illusie van de wereld of de wereld van de illusies die voortkomt uit onze verbeelding, en die deze wereld lichaam, substantie en een veelheid van vormen geeft.

 

In feite is Maya de wereld van de illusies en de verschijningen. "Maya is de illusie die Brahman doet voorkomen als het universum of subjectief gezegd, de illusie die ons Brahman doet zien in de vorm van de wereld (...). De klassieke parallel is die van een stuk touw dat ergens in een veld ligt en dat een voorbijganger in het schemerlicht aanziet voor een slang" ( Jean Herbert, Hindu Spirituality)

 

Tot slot kan men zien dat de vergelijking die we hierboven citeerden ons doet denken aan een gelijkvormige episode van 'de stok die in een slang veranderd', een praktijk die veel gebruikt werd door zowel de Hebreeuwse als Egyptische tovenaars (Exodus, 7: 8 tot 13).

 

Op deze wijze worden Brahman en Maya voortdurend geschapen, met andere woorden: ze verkeren in een permanente toestand van schepping, waarbij de een (Brahman) de opperste realiteit van het niet-zijn is, van datgene wat niet bestaat, en de ander (Maya) de absolute illusie personifieert van het zijn, van alles dat wel bestaat.

De scheppingsmythe uit de Edda

 

In den beginne was er Ginnungagap, de Grote Leegte. De wereld was leeg, geruisloos en duister en bestond uit niets anders dan een afgrond. Aan de ene kant van de afgrond lag Niflheim (het Nevelrijk), een streek vol donkere, ijskoude mist; aan de andere kant lag Muspelheim, het Vuurrijk, een streek vol vuur en vlammen, dat bewaakt werd door de vuurreus Surt.


De elf rivieren van Niflheim bevroren en grote gletsjers drongen op in de richting van de afgrond. Tegelijkertijd flakkerde de reusachtige brand in Muspelheim steeds hoger op, en knetterend rolde de sproeiende vlammenzee in de richting van de ijswal aan de andere kant van de afgrond. Toen de gloeiende hitte van het zuiden met de bevroren woestenij van het noorden samenkwam, smolt het giftige ijs van Niflheim, en uit het in de afgrond neerdruppelende water ontstond het eerste levende wezen. Het was de oerreus Ymir, de voorvader van het hele kwaadaardige ras van reuzen.


Eens, toen hij sliep, dampten er wolkennevels uit zijn oksels en kruis en daaruit sprongen zijn kinderen tevoorschijn. Deze reuzen die lang niet zo groot werden als hun vader, noemden elkaar Thursen, de Geweldigen, of ook wel de Joten, de Veelvraten. Ymir kreeg voedsel van een schepsel dat eveneens uit het smeltende ijs was ontstaan, een koe die Audumbla heette. Uit de gespannen uiers van Audumbla stroomden vier melkrivieren de afgrond in. Zelf voedde de hemelkoe zich door de zoutachtige ijsblokken af te likken, die onder haar warme tong smolten. Toen ze de eerste dag likte, kwam er een bos haar uit het ijsblok tevoorschijn, de volgende dag een mannenhoofd en de derde dag een hele man: Buri, de eerstgeborene. Buri had maar een zoon, de god Bor (Boer, de bouw), die stamvader werd van het geslacht der Aesir (Asen, goden). Bor trouwde met de reuzin Bestla, een van Ymirs dochters, en hun kinderen waren de Asen Odin, Wile en We.

Deze drie kregen ruzie met de oude reus Ymir, waarna Odin hem met de speer van zijn vader doodde. Met zijn broers Wile en We droeg hij het lijk van Ymir naar het midden van Ginnungagap, waar ze uit zijn lichaam de wereld schiepen. Ymirs vlees werd de aarde, zijn beenderen de bergen, zijn bloed de zeeŽn en meren, zijn tenen en tanden werden rotsen en stenen, en zijn haren de plantenwereld. Uit Ymirs schedel werd het hemelgewelf gevormd. Vier dwergen, die aanvankelijk als maden in Ymirs lijk hadden gekrioeld, maar van de goden een menselijke vorm en intelligentie hadden gekregen, moesten het hemelgewelf aan de vier hoeken van de aarde vasthouden. Aan de namen van deze vier dwergen, Nordri, Austri, Sudri en Vestri, zijn de namen van de vier windstreken ontleend.


De wereld die de goden hadden geschapen bestond uit een platte schijf, omringd door een wereldzee. Aan de verre stranden aan de overkant van de wereldzee schonken de goden de reuzen een land om in te wonen: Jotenheim (Reuzenrijk) of Utgard (het Buitenrijk). In het midden van de wereldschijf verrees Midgard (het Middenhof), dat door de als muren opgeworpen wenkbrauwen van Ymir beschermd werd tegen de reuzen. Op een steile rots die uit het midden van Midgard opsteeg, bevond zich de hoog omwalde citadel Asgard, het verblijf van de Asen. De regenboogbrug BifrŲst zorgde voor de verbinding tussen Asgard en Midgard. Onder de wereld bevond zich tenslotte nog het dodenrijk Helheim.


Al deze rijken werden door de boom Yggdrasil, de Wereld-es, tezamen gehouden. De takken van Yggdrasil reikten tot in de hemel, en de wortels strekken zich tot in alle rijken uit. Aan de voet van de boom ligt de Bron van het lot, die door de drie Nornen of Schikgodinnen verzorgd wordt. Deze drie reuzenzusters spinnen het net van het lot over de wereld. Urd is de oudste, zij spint de draad van het verleden; Werdani spint het heden; Skuld is de jongste, die bezig is met de toekomst. Zwijgend spinnen de Nornen en van tijd tot tijd besproeien ze de wortels van Yggdrasil met het heilzame water uit de bron.


Aan de voet van de boom knaagt de draak NiddhŲgg (Nijdtand) vol afgunst aan de wortels. Vier mannetjes-herten Knabbelen op hoger niveau aan de bladeren en de bast. Hoog in de toppen van de Wereld-es huist de zonnearend, die vanaf de ruisende takken zijn lied tot de sterren zingt. Hij staat op voet van oorlog met NiddhŲgg, als gevolg van de intriges van het eekhoorntje Ratatosk (Twistzaaier), die onvermoeibaar de boom op en neer holt om beide tegen elkaar op te zetten.


Op een zekere dag daalden drie van de Asen, Odin, Hoenir en Loki, naar de aarde af om hun werk te bekijken. Hoewel zij voldoening hadden van het geschapene, kregen zij toch het gevoel dat er iets ontbrak. Aan de bosrand zagen zij twee jonge boompjes staan: Ask, de es, en Embla, de olm. Zij besloten hieruit mensen te maken. Odin gaf hun de bezielende adem, Hoenir gaf hun een geest, en Loki schonk hun het warme bloed en de levenslust. Zo ontstond het eerste mensenpaar: Ask, de man, en Embla, de vrouw.

 

 

Tibet

 

Volgens de Tibetanen was er in het begin der tijden een grote voorvader van de mens naar de aarde gezonden door de goden, een soort buitenaards wezen.

Waarom wijden wij dit laatste deel van onze reis door de wereld van de mythen en kosmogonische legen­den aan Tibet, in plaats van aan een Europees land waarvan de inwoners, zoals de Kelten bijvoorbeeld, ook een visie hadden over het begin der tijden en de schepping van de wereld?

Omdat Tibet, welks cultuur en tradities, zoals iedereen wel weet, op het moment worden vernietigd door de Chinese over­heersing, een natuurlijke grens is, een wereld apart, een 'dak van de wereld', opgericht tussen India en China op het kruispunt van twee beschavingen die zeer verschillend zijn in hun gebruiken, maar ook misschien - ten minste dat is wat de geschiedenis ons leert - tussen het Oosten, het Verre Oosten en Europa. In werkelijkheid heeft Tibet natuurlijk vele invloeden ondervonden die niet alleen uit China en India kwamen, maar ook vanuit Centraal AziŽ, uit Iran en onder andere uit Centraal Europa.

 

DE OORSPRONG VAN DE MYSTERIňN EN DE MAGIE VAN DE WERELD, VOLGENS HET GELOOF IN TIBET

Ondanks de invloeden van het Indiase en Chinese boeddhisme, zijn de Tibetanen in staat geweest om een zeer aparte vorm van boeddhisme te behouden en te inte­greren, waarin zoals wij weten het geloof in reÔncarnatie een belangrijke rol speelt. Men had in Tibet een bijzondere

kosmogonische visie. Zo zijn vol­gens hen het zichtbare en het onzichtbare verbonden en samen vormen ze drie niveaus boven op elkaar: In het midden staat de mens, maar naast hem leven bovennatuurlijke wezens gelijk aan het Oosterse concept van de djinns, en met een vrij grote gelijkenis met het Westerse idee van engelen: dit zijn de gnyan en btsan, wonderbaarlijke schepsels die in de bergen en tussen de rotsen leven. Erboven, dat wil zeggen in de hemel, leven de goden van het licht of witte goden, de Lha; en beneden, in de onder­wereld, leven de Klu, demonen die lijken op blauwzwarte slangen.

 

Zo was de originele structuur van de wereld zoals die gezien werd door de voorouders van de huidige Tibetanen. Dit was zelfs voordat het boeddhisme zijn opgang maakte in dit deel van de

wereld, in het midden van de 7e eeuw v. Chr. Toen volgde de Tibetaanse koning Srong - de btsan Sgam-Po, het advies van zijn twee vrouwen op, de Chinese prinses Wen-Tsjeng en de Nepalese prinses Tri-Tsun en bekeerde zich.

 

Tot dan toe waren de riten en geloven in Tibet, die wettige kracht hadden, sjamanistisch,dat wil zeggen gebaseerd op een verlangen naar een extatische een­wording met de grote krachten van de natuur, de elementen van de zichtbare en onzichtbare wereld.

Deze esoterische traditie die vooraf gaat aan het Tibetaanse boeddhisme, kan gevonden worden in de Bon-Po, het Heilige Boek van de Honderdduizend Serpenten waarvan de eerste versie waarschijnlijk dateert uit de 8e eeuw n. Chr., even nadat het boeddhisme zijn intrede deed in Tibet. Het lijkt erop alsof sommige mensen het nodig vonden om de geloven en tradities te behouden die op het punt van verdwijnen stonden, en die vervangen werden door die van het boeddhisme. De Bon-Po teksten zeggen: 'ten eerste werd de schepping niet geschapen. Dit was de schepping die 'bestaan' heette; Het werd zo genoemd en toch was er geen tussenkomende ruimte (tussen hemel en aarde). Er was niets tastbaars. Er was geen werkelijk­heid of manifestatie omdat (deze wereld) noch het karakter van bestaan noch het karakter van niet-bestaan had, werd het 'de wereld in feite' genoemd en alles wat bestaat, alles wat zichtbaar is, kwam er uit voort' (uit de Bon-Po, geciteerd door Ariane Macdonald in De schepping van de wereld in Tibet).

 

DE GROTE VOORVADER

Het gedeelte dat volgt op bovenstaand citaat introduceert dan een mythische persoon die duidelijk veel gemeen heeft met de Hebreeuwse Jahwe en ook met Pían-kou, de Chinese demiurg: 'een man, begiftigd met een fantastische capaciteit tot metamorfose werd geschapen (als eerste). Hij gaf zich ­zelf een naam. Hij nam de naam aan van 'Meester van de wereld' in feite opperste overwinnaar'. Toen had hij als meester van de wereld in feite de heerschappij over alles wat bestond en hij voelde grote vreugde (uit de Bon-Po, geciteerd door Ariane Macdonald in De schep­ping van de wereld in Tibet).

 

Deze mythische figuur van de grote voorvader overleefde na de verschijning van het boeddhisme in Tibet. Niettemin als volgens de Tibetaanse kosmogonie, de 'Meester van de wereld in feite, opperste overwinnaar' van de Bon-Po uit de chaos oprijst, vanuit onderaardse krachten, uit de onderwereld, verscheen vervolgens de grote voorvader op het toneel, de Zoon van de Hemel. Hij werd gekozen door de hemelse goden om af te dalen naar de mensen en om hun koning te worden, hetgeen hij deed door zich langs een magisch koord dat hemel en aarde verbond naar beneden te laten glijden, om te landen op de Berg van de Goden. Bij het kijken naar deze legende van de verschijning van de eerste mens op aarde volgens de Tibetanen, kan men beter begrijpen waarom bepaalde auteurs, vooral in de loop van de 20e eeuw, geloof­den dat zij er verhalen konden zien die te maken hadden met de komst van buitenaardse wezens, die in dat geval aan de oorsprong moeten hebben gestaan van de verschijning van de mens op aarde. In feite is er weinig verbeelding voor nodig om je voor te stellen dat de Grote Voorvader of de Zoon van de Hemel die naar beneden uit de hemel was gekomen door middel van het touw van de Dmu (= hemel) om te landen op de Berg van de Goden, een buitenaards wezen was. Maar wat dit betreft doen we er goed aan om te benadrukken dat het geloof in buitenaarde wezens een relatief recent fenomeen is dat is ontstaan omdat de mensheid de voorouderlijke mythes en nauwe banden, die onze voorouders hadden met de grote krachten van de natuur, afwijzen.

 

Met andere woorden; de moderne mens heeft het werkelijke en fysieke contact met het miraculeuze verloren en voelt niet langer die emoties waardoor ze op het niveau van de goden kwamen, om de aantrekkelijke momenten van het goddelijke, van het buitengewone en van de oergebeurtenis te ervaren, zoals hun voorouders. Daarom hebben de moderne mannen en vrouwen andere bovennatuurlijke ideeŽn ontwikkeld en als gevolg daarvan interpreteren ze de oude mythen, waarvan zij de beteke­nis niet meer begrijpen, in het licht van hun huidige overtuiging. De mythe van de buitenaardse wezens is daarom een moderne mythe.

 

 

 



Apocalyps: mythe over het einde der tijden?

Van de profeten van het Oude Testament tot de Apocalyps van Johannes

 

De Apocalyps is een openbaring, een persoonlijke ontdekking die gedaan kan worden door deze mythische, symbolische en dichterlijke tekst te lezen en te interpreteren.

 

 

Vreemd als het moge lijken, het  einde van de wereld is een relatief moderne mythe, en daarom vrij recent in de geschiedenis van de mensheid. De mensen die in de Oudheid leefden, vreesden de vaak bokkige en niet te voorziene nukken van de goden en onze directe Europese voorvaderen ­dat wil zeggen de Kelten of ten minste die rassen en stammen die de huidige historici onder deze naam verenigen - dachten dat de hemel op hun hoofd zou vallen. Desondanks kan niet gezegd worden dat de Apocalyps, zoals we die tegenwoordig opvatten (want de originele betekenis van het woord is compleet verwrongen en veranderd tot ons gekomen), een obsessie was in de Oudheid. Niettemin vonden er veel natuurlijke of door de mens voortgebrachte rampen plaats in het verleden, waarvan er nog steeds duidelijke sporen herkenbaar zijn in de aardkorst, in het landschap en in de annalen (denk maar aan aard­bevingen, vulkaanuitbarstingen, vloedgolven, epidemieŽn en de verwoesting en plundering van steden). Andere rampen, waarvan het meer twijfelachtig is dat ze werkelijk hebben plaatsgevonden, zijn het onderwerp geweest van allerlei soorten legenden en speculaties, zoals het verhaal van de Zondvloed in de bijbel, de verdwijning van het continent Mu of de vele verhalen die er bestaan over Atlantis.

 

DE ANGST VOOR HET EINDE VAN DE WERELD

We zullen daarom proberen te verklaren hoe en waarom het concept van het einde der tijden wortel schoot in de geest van onze voorvaderen en een obsessieve angst, een zekerheid werd, ongeacht de cultuur of geloofsovertuiging. Maar, de komst van ruimtemonsters of kleine groene mannetjes, en het onvermijdelijke vooruitzicht van een aards of kosmisch cataclysme dat de mensheid zal terug­brengen tot de staat van larven die rondkruipen op het oppervlak van de aarde, of de hele mensheid uit zal roeien, zijn eerder fantasieŽn dan mythen. Ze zijn ontsproten aan de geest van de moderne mens die zich afgesneden heeft van al het contact met de natuur, het goddelijke en het heilige, en die daardoor het gevoel voor wonderen verloren heeft. En daarmee ook de kans om te geloven in een lotsbestemming en een reden om te leven los van eigenbelang.

We overdrijven nauwelijks als we zeggen dat de moderne mens weinig geeft om de moeilijkheden en het lijden van anderen, zolang er geen kans is dat ze er zelf in wordt meegesleept. Toch veroorzaakten zulke zelfbeschermende of onverschillige houdingen weer nieuwe angsten, want de mensheid heeft een geheugen geŽrfd dat niet alleen genetisch is. Dat verklaart waarom men, hoe meer men zich tegen externe elementen tracht te beschermen, een des te grotere irrationele angst koestert voor het einde van de wereld.

 

VAN DE BIJBELSE PROFETEN TOT DE APOCALYPS VAN JOHANNES

Nu is er een tekst die, al bijna 2000 jaar, de basis vormt van alle fantasieŽn over het einde der tijden en waarop bij tijden, bepaalde charlatans, opportunisten en elk type valse profeet hun argumenten hebben gebaseerd.

Niettemin moet worden benadrukt dat deze dramatische waarschuwingen en kwade profetieŽn van deze predikers van een uiteindelijke en ultieme catastrofe een weerklank vinden in het collectieve bewustzijn van de maatschappij, en zoveel interesse en reactie opwekken, omdat ze een pijnpunt beroeren. Anders zouden ze zonder gevolg preken en ze allang zijn vergeten. Als ze nog steeds bestaan, is dat omdat wij er naar luisteren en omdat we voortdurend achtervolgd worden door de angst dat ons laatste uur nu werkelijk geslagen heeft.

 

De tekst verwijst naar wortels uit een eeuwenoude profetische traditie, waarvan het bewijs aan ons doorgegeven is door de schrijvers van de bijbel. Eigenlijk wemelt het werkelijk van de profeten en visionairen in de Bijbelse verslagen van het Oude Testament. Sommige daarvan worden tegenwoordig beschouwd als genieŽn, gidsen of verlichte religieuze, en politieke leiders (hoewel het Oude Testament steeds meer gezien wordt als een historische vertelling over het Midden- en nabije Oosten, vanuit het standpunt van officiŽle geschied­schrijvers, schrijvers, of eenvoudigweg joodse redacteuren), of gewoon als dichters of wijze mannen. Onder hen waren onder andere Abraham, Mozes, Elia, Amos, Hosea, Jesaja, Jeremia en EzechiŽl.

 

Er waren vele anderen, waarvan sommige naamloos blijven. Maar elke keer als een apocalyptische tekst verschijnt in het Oude Testament, zoals die van Jesaja Oesaja 24:27), kunnen we gemakkelijk een profetie van de 'verwoesting van de aarde' koppelen aan een historische gebeurtenis waarbij de HebreeŽn nauw betrokken waren. De versie van de Apocalyps toegeschreven aan de heilige Johannes - die de zoon was van Zebedeus (wiens Hebreeuwse naam, Yoh'anan, letterlijk 'God vergeeft' betekent) - werd zonder twijfel geschreven in de laatste vijf jaren van de eerste eeuw n. Chr., in een historische context die overeenkwam met de preoccupaties van die tijd. De waarschijnlijke auteur, Johannes van Patmos (een Grieks eiland in de EgeÔsche Zee) was zeker een trouwe volgeling van de heilige Johannes, en had er zeker geen idee van wat voor weerslag zijn geschrift zou hebben gedurende eeuwen en zelfs millennia na hem. Alles wijst er op dat het verhaal is samengesteld door er oude mythen en symbolen, uit onder andere Griekse, Egyptische en Mesopotamische bronnen in te verwerken, en dat het, of het nu goed of slecht is, om politieke redenen vaak geÔnterpreteerd is en zelfs nog wordt, zonder rekening te houden met de oorspronkelijke betekenis van deze symbolen en traditionele mythen.

 

Dit verhaal uit het Nieuwe Testament over het einde de tijden is niet meer dan een allegorische en poŽtische tekst gebaseerd op een individuele mystieke ervaring, geschreven in zorgvuldig gekozen bewoordingen in een stijl die paste in die tijd. Het is gericht tot allen die zijn betekenis willen ontdekken, zijn belang en zijn symbolische waarde.

Het woord ĎApocalyps', gekozen om deze tekst te beschrijven, komt van het Griekse woord apokaluptein hetgeen betekent 'ontdekken' of 'onthullen' .

 

 

In de Arabisch-Islamitische en vroegchristelijk traditie

 

Welke naam men Hem ook geeft en wie er ook in Hem geloven, God is overal dezelfde en Hij draagt overal dezelfde boodschap uit. Maar luisteren mensen echt naar Hem?

 

De etymologische en oorspronkelijke betekenis van het woord Apocalyps en zijn echte naam, was 'openbaring'. Dus kunnen we begrijpen hoe in voorbije tijden, mannen en vrouwen, die verlangden naar de ultieme kennis, het geluk en de hoorn des overvloeds informatie wilden hebben over deze openbaring. Ze waren bovendien altijd gemotiveerd door de ingeboren angst in de menselijke geest die bestaat uit de obsessie met de dood en vooral met hun eigen verscheiden. Maar op een bepaald moment in de evolutie van het menselijke denken ontstond er een fundamenteel misverstand.

 

VAN OPENBARINGEN TOT HET EINDE VAN DE WERELD

Wat traditioneel en symbolisch moet worden beschouwd als een individuele openbaring, of een plotseling persoonlijk bewustzijn, om een wat modernere uitdrukking te gebruiken, werd niet langer een verlangen, een zoektocht, een antwoord op de eeuwigheid, een overwinning op de dood. In plaats daarvan ontstond een gezamenlijk fatalisme, volledige en complete vernietiging, zelfs de uitroeiing van het menselijke ras. Met andere woorden, wat de opperste hoop voor de mensheid had kunnen zijn, dus de overwinning op de dood, werd de absolute wanhoop, een soort verwerping, een Utopistische droom. In plaats van als openbaring in het begin, werd de Apocalyps van nu af aan geÔnterpreteerd als het einde van de wereld. We zijn van droom tot nachtmerrie gekomen. Historisch gezien is het gemakkelijk te begrijpen dat, hoe meer we ernaar streven om controle over de natuur uit te oefenen, des te meer wij onszelf de middelen verschaffen om ons bestaan, overleven, geneugten des levens en zelfbescherming zeker te stellen. Dat brengt onvermijdelijk een stagnatie in het denken en een verval van de normen en waarden met zich en des te meer zijn we geneigd het ergste te verwachten.

 

Dit is de grote paradox van de moderne democratieŽn: door grote nadruk te leggen op de individuele vrijheid door de fundamentele veiligheid te garanderen, zelfs door het vooruitzicht op een langer leven te bieden, isoleren ze mensen en veroorzaken ze bezorgdheid in plaats van hen gelukkig, grootmoedig en optimistisch te maken.

 

TRADITIONELE PROFETIEňN VAN CHRISTENEN EN MOSLIMS BEVATTEN DEZELFDE WAARSCHUWING

Zoals we al hebben gezien volgden in de Oudheid enorme structuren elkaar op als de ene beschaving op de andere volgde. Deze werden achtereenvolgens vaker door strijdende legers vernietigd dan door natuurrampen. Maar alles bij elkaar was het niet het einde van de wereld. Aan de andere kant wordt, hoe dichter men bij het jaar 1000 n. Chr. komt, het idee van de totale vernietiging een steeds reŽlere obsessie in de geest van de mens, in het Westen, en ook in het Verre en het Midden-Oosten.

 

Zo is er een lange traditie van religieuze islamitische en moslim teksten waarvan de woorden en de verhalen ons doen denken aan de christelijke apocriefe geschriften en ook aan de EvangeliŽn en de Apocalyps van het Nieuwe Testament. Er is alle reden om te geloven dat deze Islamitische en Christelijke teksten uit dezelfde bronnen voortkwamen. Maar uiteindelijk week hun interpretatie af van die van een mystieke individuele ervaring, gebaseerd op grote persoonlijke zelfverloochening of opoffering, tot een dramatische en externe visie, niet over een waarschijnlijke maar over een zeker, fataal en onvermijdelijk einde van de wereld. Het is alsof iedereen zich beetje bij beetje ervan overtuigd had dat de mens het leven op aarde niet waard was.

 

Laat ons daarom twee apocriefe teksten selecteren, de een moslim en de ander christelijk, die we zullen vergelijken om te proberen te begrijpen hoe de hoop op de openbaring die de deur van de eeuwigheid zou openen voor de mens, veranderde in het vooruitzicht van het onvermijdelijke einde van de wereld.

 

Ten eerste een kort verslag dat verband houdt met het einde der tijden, uit een van de vele teksten die volgens de Islam de woorden van de profeet weergeven: 'de Profeet - moge Gods gratie en vrede met hem zijn - kwam uit zijn huis en sprak aldus: ach, jullie huisvrouwen! De

vlammen van het vuur zijn opgelaaid en de opschudding die gaat komen is zo donker als de zwartste nacht. Als jullie wisten wat ik weet, zouden jullie weinig reden tot lachen hebben en jullie zouden veel tijd huilende doorbrengen!' (Citaat uit: Tekens van het Einde der Tijden in de Islamitische Traditie, vertaald door Dominique Penot, 1992).

 

Laten we nu een andere tekst nemen, die zeker eerder geschreven werd dan het citaat hierboven, maar die duidelijk uit dezelfde bronnen put, omdat hij er zoveel gelijkenis mee heeft in zowel vorm als inhoud. Deze tekst is traditioneel christelijk hoewel hij beschouwd wordt als apocrief en niet canoniek. In feite is het een van de uitlatingen in het Evangelie van Thomas, waarvan de manuscripten werden ontdekt in Nag Hammadi  in Egypte aan het einde van de Tweede Wereldoorlog en die pas in 1959 uit het Oud-Koptisch vertaald en openbaar gemaakt werden. Waarschijnlijk werden deze teksten samengesteld rond het midden van de 2e eeuw n. Chr., terwijl de Hadiths, of traditionele moslim teksten natuurlijk veel later werden opgeschreven. Het Evangelie volgens Thomas was, al dan niet opzettelijk, gedurende vele eeuwen lang onvindbaar en de relaties tussen christenen en moslims waren wat ze waren tijdens de gehele Middeleeuwen. Het is dus goed mogelijk dat deze Hadiths een grote rol speelden in de opvattingen van de westelijke maatschappij in het jaar 1000. Dit werpt een nieuw licht op de mythe van de Antichrist uit de Apocalyps van Johannes.

 

Daarin staat het volgende: 'Een vrouw in de menigte zei tot hem: gezegend is de baarmoeder die u baarde en zijn de borsten die u voedden!' Hij antwoordde: 'Gezegend zijn diegenen die het woord van de Vader hebben gehoord en er waarlijk gevolg aan hebben gegeven! Want de dag zal komen dat u zult zeggen: 'Gezegend zij de baarmoeder die niet bevrucht is en de borsten die geen melk gegeven hebben!' (Logion 79, uit het Evangelie van Thomas, vertaald door Claudio Gianotto in Ecrits apocryphes chrťtiens, 1979.)

In de christelijke tekst die we zojuist hebben geciteerd, en in de moslimtekst die eraan vooraf ging, wordt dezelfde waarschuwing gegeven door zowel Jezus

als de profeet. Is dit symbolisch of werkelijk? Dat zullen andere ervaringen en getuigenissen ons onthullen.

 

 

van de Middeleeuwen tot de 21e eeuw

 

Ons wordt vaak verteld dat de wereld verandert. Geloof, angsten, zorgen en mythen van mensen kunnen wel nieuwe of originele vormen aannemen, maar ze veranderen niet fundamenteel.

 

ďMundus senescit!!" riep Hildegard von Bingen in de 12e eeuw: "De wereld is oud!" Maar hoe oud was de wereld dan in het midden van de Middeleeuwen, dat ze toen al zo oud leek in de verlichte ogen van deze heilige, profetes en visionair. Haar recepten voor leven, gezondheid en de keuken zijn weer helemaal in.

 

AARDSE MACHT TEGEN GODDELIJKE MACHT

Om deze materie te begrijpen, moeten we misschien in detail treden wat betreft het praktische en materiŽle leven - het dagelijks leven - van onze voorouders. Het is niet voldoende om hun gebruiken en opvattingen even aan te stippen, springend van datum tot datum en alleen kijkend naar wat we beschouwen als de belangrijke fasen van de geschiedenis. De perceptie van onze geschiedenis verandert, afhankelijk van de hoek van waaruit men haar bekijkt, observeert of bestudeerd. Iedereen die ten koste van alles de indruk wil hebben dat hij op een historisch moment leeft, of die zich ervan bewust is dat hij de ultieme geschiedenis schrijft, heeft in feite elk perspectief verloren waarmee hij zich de toekomst kan voorstellen of kan ontdekken. Want die toekomst moet voortkomen uit de daden in het hier en nu, dankzij het feit dat men hier en nu leeft en deel uitmaakt van het heden. Nu zien we dat elke keer wanneer mensen het geloof in zichzelf en het leven hebben verloren, ze zich beperken tot geloof en overtuigingen die veel lijken op de eenheid van gedachten en het eenpolige wereldbeeld die het einde van de 20e eeuwen van het 2e millennium kenmerken: ze hebben de poorten naar de toekomst voor zichzelf gesloten met grof geweld ontstaan en angst en collectieve, irrationele zorgen over het einde van de wereld. Als een ogenschijnlijk logische consequentie, een uiteindelijke en onvermijdelijk oplossing en enige mogelijke uitkomst voor een wanhopige mensheid. Zo'n uitkomst lijkt dan hun enige hoop te zijn. En hoe meer angst ze hebben, des te meer redenen hebben ze nodig om gewoon te durven leven en hun eigen handelen te rechtvaardigen.

 

Niettemin leken visionairen en profeten bij elke gelegenheid, gedurende de loop van de vele jaren van de Middeleeuwen, het einde van de wereld aan te kondigen, zoals beloofd door de heilige teksten. Het was hun doel om de aardse macht te bestrijden van diegene (inclusief enkele geestelijken) die hun positie, macht en morele, politieke of religieuze overwicht over andere, misbruikten. De visies en openbaringen die vooral in de 12e eeuw zoveel voorkwamen, waren vaker het werk waren van een vrouw of profetes, dan van mannen en profeten zoals in de grote Bijbelse traditie van het Oude Testament. Het blijken voorbeelden te zijn van een revolte die misschien voortkwam uit een typisch vrouwelijk instinct tot overleven en bescherming, wanneer ze geconfronteerd werden met de daden van mannen, die machts­wellustig waren, maar die last hadden van een soort besmettelijke hysterie die ze overal propageerden, namelijk de oorlog! (Hysterie mag dan een vrouwelijk complex zijn maar mannen geven zich er veel vaker aan over, vooral wanneer ze zich verzamelen om een gemeenschappelijke zaak te verdedigen). De aardse, tijdelijke, anarchistische en barbaarse macht die de mannen van de oorlog wilden opleggen was zo tegengesteld aan de goddelijke, hemelse macht van de profetessen, dat zij de enige leken te zijn die in staat waren een relatie met God te hebben.

 

DE RATIONELE GEEST TEGENOVER IRRATIONEEL GELOOF

De drama's en catastrofes die bijna elke dag plaatsvinden in alle vier windstreken van de aarde, en die de media met een soms morbide gelatenheid rapporteren, komen vaak op ons over als natuurlijke tegen balans voor de misdrijven die we zelf begaan, voor de zwakheden waar we onszelf schuldig over voelen, voor het egoÔsme dat getekend wordt door gewetenscrises die wij anderszins laten zien. Dit fenomeen en deze reactie zijn identiek aan die van het denken van de mensen van de Renaissance. Zij waren onderworpen aan de godsdienstoorlogen, de opeenvolgende pestepidemieŽn en de wreedheid die in die tijd ingeburgerd was in heel Europa, en ze maakten een wederopstanding mee van wereldvisies, verschijningen en apocalyptische ideeŽn. Desondanks werden in die periode de fundamenten gelegd van de moderne wetenschap. En hoe meer mensen er uiteindelijk voor kozen om de wereld op een rationele manier te interpreteren, coherent en voorspelbaar, des te meer gaven ze zichzelf middelen om de natuur naar hun eigen beeld te vormen. En des te sterker groeiden ook hun angsten om heiligschennis te plegen - die hielden namelijk gelijke tred met de toegenomen beheersing van de kennis, of wat ze als zodanig beschouwden.

 

Daarom werd in de 17 e eeuw het denken verdeeld in twee duidelijk te onder­scheiden helften. Aan de ene kant was er een rationele en wetenschappelijke geest die werd ondersteund door de wetten van de economie en de groei ­en versterkt door het ontstaan van koloniŽn en de ontdekking van nieuwe gebieden van exploratie en handel. Zij stelden zich krachtig te weer tegen het misbruik en de excessen die eerder werden begaan door de religieuze macht. Aan de andere kant bleven er irrationele geloven in de verbeelding en fantasie van de Europese volken bestaan. We moeten echter begrijpen dat de meerderheid van onze voorouders - die meer dan 3000 jaar onder het juk en de ideologische, politieke en religieuze invloed leefden van eerst de Romeinen, dan de kerk­geleidelijk hun eigen cultuur verloren.

 

Als een individu zijn identiteit verloor, of het verboden werd om zich openlijk te uiten, rebelleerde hij soms omdat hij de kracht en de moed had om dat te doen, maar men gaf zich vaker over aan de situatie, want de menselijke aard is veel passiever en makkelijker te beÔnvloeden dan wij vaak willen toegeven. Om dit te compenseren, cultiveerde hij fantasieŽn en angsten over drama's en catastrofes die niemand zouden sparen, maar die voor hem de enige hoop vormden om zijn vrijheid te herkrijgen. Hetzelfde gold voor hele gemeenschappen die hun identiteit, hun cultuur en hun ziel verloren hadden. Daardoor komt het dat in de geest van de moderne mens de mythen over het einde van de wereld nog steeds bestaan. Denk maar aan nucleaire vernietiging, een vijandige invasie van buitenaardse wezens of een verwoestend nieuw virus zoals AIDS. Volgens velen is zo'n cataclysme mogelijk. Door ons de materiŽle middelen te geven om het werkelijkheid te maken, willen we misschien aan onszelf bewijzen dat we de gelijken zijn van de goden van onze voorouders. Of misschien maken we onszelf bang in de hoop op die manier ongeluk en dood af te weren. Maar weten we wel waar de grens ligt?


 

 

                             

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL