AAN DE VOETEN VAN DE MEESTER


   

AAN DE VOETEN VAN DE MEESTER

DOOR ALCYONE

(J. Krishnamurti)

Theosofische uitgeverszaak Gnosis – Amsterdam – 1924 (eerste druk 1911)

 

VOORREDE

 

MIJ valt als oudere het voorrecht te beurt een inleidend woord te schrij­ven voor dit boekje, het eerste, dat geschreven werd door een jongeren Broeder, jong voorwaar van lichaam, maar niet van ziel. De leringen, die dit boekje inhoudt, werden hem door zijn Meester gegeven, toen Deze hem tot Inwijding voorbereidde, en werden door hem uit zijn geheugen langzaam en met veel moeite opgeschreven, want zijn Engels was verleden jaar veel minder vloeiend dan nu. Het grootste gedeelte is een wedergave van 's Meesters eigen woorden; datgene, wat niet een zoo woordelijke wedergave is, bevat de gedachte van den Meester, gekleed in de woor­den van Zijn leerling. Twee vergeten zinnen werden door den Meester aangevuld. In twee andere gevallen werd een vergeten woord toe­ gevoegd. Behalve dit, is het geheel Alcyone's eigen werk, zijn eerste gift aan de wereld. Moge het anderen helpen, zoals de gesproken leringen hem geholpen hebben - dat is de hoop, waarmee hij het geeft. Maar de leer kan slechts vruchten dragen, indien zij GELEEFD wordt, zoals hij haar geleefd heeft sedert zij van zijn 's Meesters lippen viel. Indien het voorbeeld zoo goed gevolgd wordt als het voorschrift, zal voor den lezer de grote Poort opengezwaaid worden, zoals dit voor den schrijver gedaan werd en zijne voeten zullen het Pad betreden.

 

1911  ANNIE BESANT

 

 

 

 

 

AAN HEN DIE AANKLOPPEN

 

Leid mij uit het onwerkelijke in het werkelijke.

Leid mij uit de duisternis tot het licht.

Leid mij uit den dood tot de onsterfelijkheid.


 

VOORWOORD

 

DIT zijn niet mijne woorden; het zijn de woorden van den Meester, die mij onderrichtte. Zonder Hem zou ik niets hebben kunnen doen, maar door Zijne hulp heb ik mijn voeten op het Pad gezet. Gij wenst ook hetzelfde Pad te be­treden, dus zullen de woorden, welke Hij tot mij sprak, ook u helpen, indien gij ze wilt opvolgen. liet is niet voldoende te zeggen, dat zij waar en schoon zijn; de mensch, die wenst te slagen, moet nauwgezet doen wat gezegd wordt. Voed­sel aan te zien en te zeggen dat het goed is, zal den van honger stervenden mensch niet ver­zadigen. Zoo ook is het niet genoeg 's Meesters woord te horen, gij moet doen wat Hij zegt, luisterend naar elk woord, elke wenk opvol­gend. Indien een wenk niet wordt aanvaard, indien een woord wordt gemist, is het voor eeuwig verloren; want Hij spreekt niet tweemaal.

 

 

 

 

 

 

 

VIER VEREISTEN ZIJN ER VOOR DIT PAD:

 

Onderscheidingsvermogen.

Begeerteloosheid.

Goed gedrag.

Liefde.

 

Wat de Meester mij omtrent elk van deze zeide,

zal ik trachten U te vertellen.

 

 

 

AAN DE VOETEN VAN DEN MEESTER

 

I.

DE eerste van deze Vereisten is Onderscheidingsvermogen; en dit wordt gewoonlijk opgevat als de onderscheiding tussen het werke­lijke en het onwerkelijke, die den mensch er toe brengt het Pad te betreden. Zij is dit, maar zij is ook veel meer, en moet niet slechts beoefend worden bij het begin van het Pad, maar bij elke voetstap en iedere dag, tot het einde toe. Gij betreedt het Pad, omdat gij geleerd hebt dat daar alleen die dingen te vinden zijn welke waard zijn gewonnen te worden. De mensen, die niet weten, werken om rijkdom en macht te winnen, maar deze duren op zijn hoogst slechts een leven, en zijn daarom onwerkelijk. Er zijn grotere dingen dan deze, dingen, die werkelijk zijn en duren; indien gij deze ooit gezien hebt, begeert gij die andere niet meer.

In de gehele wereld zijn er twee soorten van mensen: zij die weten en zij, die niet weten; en op deze wetenschap komt het inderdaad aan.

 

Welke godsdienst een mensch omhelst, of tot welk ras hij behoort - deze dingen zijn niet belangrijk; het werkelijk belangrijke is de kennis, de kennis van Gods plan voor de mensen. Want God heeft een plan en dit plan is evolutie. Als iemand dit eens gezien heeft en het waarlijk kent, kan hij niet nalaten er voor te werken en zich er mede te vereenzelvigen, omdat het zoo heerlijk en schoon is. Hij doet zulks omdat hij weet, dat hij zich aan Gods zijde bevindt, om het goede te verdedigen en het slechte te weer­staan, werkende voor de evolutie, en niet voor eigen belang. Indien hij zich aan de zijde van God bevindt, is hij een van de onzen, en komt het er in het geheel niet op aan of hij zich een Hindoe, een Boeddhist, een Christen of een Mohammedaan noemt, of hij een Indiër, een Engelsman, een Chinees of een Rus is. Zij, die zich aan Zijne zijde bevinden, weten waarom zij hier zijn en wat zij doen moeten, en zij trach­ten het te doen; al de anderen weten nog niet wat zij moeten doen, en zoo zijn hunne handel­wijzen dikwijls dwaas, en beproeven zij wegen voor zichzelf te vinden, waarvan zij menen, dat zij voor henzelf aangenaam zullen zijn, niet begrijpende dat allen één zijn en dat daarom alleen wat de Ene wil, ooit voor allen wérkelijk aangenaam zijn kan. Zij volgen het onwerkelijke in plaats van het werkelijke. Tot op het ogenblik, dat zij geleerd hebben onderscheid te maken tussen deze twee, hebben zij zichzelf niet aan Gods zijde geschaard, daarom is die onderscheiding de eerste stap.

 

Maar ook wanneer de keus gedaan is, moet gij nog bedenken, dat er vele verscheidenheden van het werkelijke en het onwerkelijke bestaan, en moeten nog het goede en het kwade, het belang­rijke en het onbelangrijke, het nuttige en het onnuttige, het ware en het onware, het zelf­zuchtige en het onzelfzuchtige onderscheiden worden.

 

Tussen het goede en het kwade moest het niet moeilijk zijn te kiezen, want zij, die den Meester wensen te volgen hebben reeds besloten, tot elke prijs het goede te doen. Maar het lichaam en de mensch zijn twee, en de wil des mensen is niet altijd dat, wat het lichaam wenst. Wanneer uw lichaam iets wenst, sta er dan bij stil en denk er over na of GIJ het werkelijk wenst. Want GIJ zijt God, en gij wilt slechts wat God wil; maar gij moet diep in Uzelf graven om den God in U te vinden, en naar zijn stem luisteren, welke UW stem is. Beschouw niet verkeerdelijk uwe lichamen als uzelf - noch het fysieke lichaam, noch het astrale, noch het mentale. Elk van drie zal beweren het Zelf te zijn, ten einde dat te verkrijgen wat het wil hebben. Maar gij moet ze alle kennen, en uzelf als hun meester.

 

Als er werk te verrichten is, verlangt het fysieke lichaam te rusten, uit wandelen te gaan, te eten en te drinken; en de mensch die niet weet, zegt tot zichzelf: "Ik wens deze dingen te doen en moet ze doen". Maar de mensch die weet, zegt: "Datgene wat wenst, is NIET ik, en het moet wat wachten". Dikwijls, wanneer een gelegenheid zich aanbiedt iemand te helpen, voelt het lichaam:

"Hoeveel moeite zal dat voor mij zijn; laat iemand anders het doen." Maar de mensch ant­woordt aan zijn lichaam: "Je zult mij niet verhin­deren in het verrichten van een goed werk". Het lichaam is uw dier - het paard waarop gij  rijdt. Daarom moet gij het goed behandelen en het goed verzorgen; gij moet het niet te veel werk geven, gij moet het voeden zoals het behoort, met niet anders dan reine spijs en drank, en het altijd uitermate zuiver houden, ook van het kleinste stofje. Want zonder een vol­maakt zuiver en gezond lichaam kunt gij het zware werk van voorbereiding niet volbrengen, kunt gij de voortdurende spanning er van niet verdragen. Maar gij moet altijd het lichaam beheersen en het lichaam moet niet u beheersen.

 

Het begeerte-lichaam heeft ZIJN begeerten bij dozijnen; het wil dat gij boos zijt, scherpe woor­den zegt, jaloerse gevoelens hebt, begerig zijt naar geld, anderen om hun goed benijdt, uzelf overgeeft aan gedrukte stemmingen. Al deze dingen wenst het en vele meer, niet omdat het u kwaad wil doen, maar omdat het van heftige trillingen houdt en deze gaarne voortdurend verandert. Maar GIJ hebt geen van deze dingen nodig en daarom moet gij onderscheiden, welke uwe behoeften zijn en welke die zijn van uwe lichamen.

 

­Uw verstandslichaam wenst zich trotsweg afgescheiden van anderen te denken, veel van zichzelf te denken en weinig van anderen. Zelfs wanneer gij het van aardse dingen hebt afge­keerd, tracht het nog naar zichzelf toe te rekenen en u aan uw eigen vorderingen in plaats van aan het werk van den Meester en aan het helpen van anderen te doen denken. Wanneer gij mediteert, zal het proberen u aan de vele verschillende dingen te doen denken welke HET wenst, in plaats van aan het ene ding dat GIJ wenst. Gij zijt niet dit denkvermogen, maar gij kunt er gebruik van maken; dus hier is ook weer onderscheiding nodig. Gij moet voort­durend op uwe hoede zijn, of gij zult falen.

 

Tussen goed en kwaad kent het Occultisme geen schikking. Wat het schijnbaar ook kosten moge, dat wat goed is moet gij doen, dat wat slecht is moet gij niet doen, onverschillig wat de onwetende moge zeggen of denken. Gij moet een diepe studie maken van de verborgen wetten der natuur, en wanneer gij ze kent, uw leven inrichten in overeenstemming er mede, altijd rede en gezond verstand gebruikende.

 

Gij moet het belangrijke van het onbelangrijke onderscheiden. Geef altijd, standvastig als een rots waar het goed en kwaad betreft, toe aan anderen in dingen die van geen belang zijn. Want gij moet steeds minzaam en vriendelijk, verstandig en inschikkelijk zijn, aan anderen dezelfde volle vrijheid latende waaraan gij voor uzelf behoefte hebt.

 

Tracht te zien, wat de moeite waard is te doen en bedenk dat gij niet moet oordelen naar de grootte van het ding. Het is veel beter een klein ding te doen dat direct nuttig is in het werk van den Meester dan een groot ding dat de wereld goed zou noemen. Gij moet niet slechts het nuttige van het onnutte onderscheiden, maar ook het meer nuttige van het minder nuttige. De armen te voeden is een goed en edel en nuttig werk; toch is het edeler en nuttiger hunne zielen te voeden dan hunne lichamen. Ieder rijk mensch kan het lichaam voeden, maar slechts zij die weten, kunnen de ziel voeden. Indien gij weet, is het uw plicht anderen te helpen om te weten.

 

Hoe wijs gij ook reeds mocht zijn, op dit Pad hebt gij veel te leren ; zóveel, dat ook hier onderscheiding nodig is, en gij zorgvuldig moet overdenken, wat de moeite waard is te leren. Alle kennis is nuttig, en eenmaal zult gij alle kennis bezitten; maar zie toe, zolang gij er slechts een deel van hebt, dat het het nuttigste deel is. God is zowel Wijsheid als Liefde, en hoe meer wijsheid gij bezit, hoe meer gij van Hem kunt openbaren. Studeer dus, maar be­studeer eerst, wat u het best zal helpen om anderen te helpen. Werk geduldig aan uwe studiën, niet opdat de mensen u wijs mogen vinden, zelfs niet opdat gij het geluk mocht heb­ben wijs te zijn, maar omdat alleen de wijze op wijze manier hulp kan geven. Hoezeer gij ook mocht wensen te helpen, zoudt gij indien gij onwetend zijt meer kwaad dan goed kunnen doen.

 

Gij moet onderscheid maken tussen waarheid en leugen; gij moet leren in alles waar te zijn; in gedachte, woord en daad. Ten eerste in uw denken, en dat is niet gemakkelijk, want er zijn in de wereld vele onware gedachten en dwaze vormen van bijgeloof, en niemand die door deze geknecht is, kan vorderingen maken. Daarom moet gij niet aan ene gedachte vasthouden alleen omdat vele andere mensen er aan vast­houden, noch omdat zij eeuwenlang geloofd werd, noch omdat zij geschreven staat in een of ander boek dat de mensen heilig achten; gij moet zelf de zaak overdenken en voor uzelf beoordelen of ze redelijk is. Bedenk dat, ook al zijn duizenden mensen het over een onder­werp eens, hunne mening indien zij niets van het onderwerp afweten, van geen waarde is.

 

Hij, die het Pad zou willen betreden, moet leren voor zichzelf te denken, want bijgeloof is een van de grootste euvels in de wereld, een van de boeien van welke gij uzelf geheel moet bevrijden. Uwe gedachten omtrent anderen moeten waar zijn; gij moet niet van hen denken wat gij niet weet. Veronderstel niet, dat zij altijd over u denken. Indien iemand iets doet wat gij denkt dat u kwaad zal doen, of iets zegt, wat gij denkt dat op u betrekking heeft, denk dan niet dadelijk: "Hij wilde mij beledigen". Waarschijnlijk dacht hij in het geheel niet aan u, want elke ziel heeft haar eigen moeilijkheden, en hare gedachten hebben voornamelijk betrekking op haarzelf. Indien iemand op boze wijze tot u spreekt, denk dan niet: "Hij haat mij, hij wenst mij te wonden." Waarschijnlijk heeft iemand of iets anders hem boos gemaakt, en omdat hij toevallig u ontmoet, stort hij zijn toorn over u uit.

 

Hij handelt dwazelijk, want elke boosheid is dwaas; maar daarom moet gij niet onjuist over hem denken. Wanneer gij een leerling van den Meester wordt, kunt gij altijd de waarheid van uw gedachten beproeven, door ze naast de Zijne te leggen. Want de leerling is één met zijn Meester en hij behoeft slechts zijne gedachte terug te brengen tot 's Meesters gedachte om dadelijk te zien of ze daarmede overeenstemt. Indien ze dat niet doet, is ze verkeerd en hij verandert ze terstond, want de gedachte van den Meester is volmaakt, omdat Hij alles weet. Zij, die nog niet door Hem zijn aange­nomen, kunnen dit niet geheel doen, maar zij kunnen zichzelf veel helpen door dikwijls te blijven stilstaan en te denken: "Wat zou de Meester hiervan denken? Wat zou de Meester zeggen of doen onder deze omstandigheden?"

 

Want gij moet nooit doen of zeggen of denken, hetgeen gij u niet kunt voorstellen dat de Meester doen, zeggen of denken zou.

 

Gij moet ook waar zijn in woorden - nauw­keurig en zonder overdrijving. Schrijf nooit aan een ander motieven toe: alleen zijn Meester kent zijne gedachten, en hij kan handelen om redenen die nooit in uwe gedachten kwamen. Indien gij iets tegen iemand hoort vertellen, herhaal het dan niet; het zou niet waar kunnen zijn en, ook al is het waar, is het vriendelijker niets te zeggen. Bedenk u wel alvorens te spreken, opdat gij niet in onnauwkeurigheid vervalt. Wees waar in handeling; neem niet den schijn aan anders te zijn dan gij zijt, want alle schijn is een hindernis voor het zuivere licht der waar­heid hetwelk door u moet schijnen als zonlicht schijnt door helder glas.

 

Gij moet het zelfzuchtige van het onzelfzuchtige onderscheiden, want zelfzucht heeft vele vormen, en wanneer gij denkt haar ten slotte in een ervan gedood te hebben, herleeft zij in een andere zo sterk als ooit. Maar langzamerhand zult gij zo vol gedachten voor het helpen van anderen worden, dat er geen plaats af tijd zal zijn voor enige gedachte omtrent uzelf. Nog op een andere wijze moet gij onderscheiden. Leer in elke mensch en elk ding den God onderkennen, onverschillig hoe slecht hij of het oppervlakkig ook moge schijnen. Gij kunt uwen broeder helpen, door datgene wat gij met hem gemeen hebt, en dat is het Goddelijk Leven; leer hoe dat in hem op te wekken; leer hoe u op dat in hem te beroepen; zo zult gij uwen broeder van het kwaad verlossen.

 

 

 


II

 

ER zijn velen voor wie de Begeerte­loosheid moeilijk is, daar zij voelen dat zij hun wensen ZIJN, dat, wanneer hun instinctieve begeerten, hun gevoelens van aantrekking en afstoting van hen weggenomen zijn, er geen zelf zal overblijven. Maar dat zijn slechts zij, die den Meester niet gezien hebben; in het licht van Zijn heilige Tegenwoordigheid sterft elke begeerte, behalve de begeerte om Hem gelijk te zijn. Doch alvorens het geluk te hebben Hem van aan­gezicht tot aangezicht te ontmoeten, kunt gij begeerteloosheid bereiken indien gij wilt.

 

Onderscheidingsvermogen heeft u reeds getoond dat de dingen, welke de meeste mensen begeren, zoals rijkdom en macht, het bezitten niet waard zijn; wanneer dit waarlijk gevoeld en niet slechts gezegd wordt, houdt alle begeerte naar deze op te bestaan.

 

Tot hiertoe is alles eenvoudig; het is slechts nodig dat gij het begrijpt. Maar er zijn mensen, die het trachten naar aardse doeleinden alleen staken om den hemel te winnen, of persoonlijke bevrijding van wedergeboorte te bereiken; in deze dwaling moet gij niet vervallen. Indien het zelf door u geheel vergeten wordt, kunt gij er niet aan denken wanneer dat zelf bevrijd zal worden, of wat voor een soort hemel het zal hebben. Bedenk, dat elke zelfzuchtige begeerte bindt, hoe hoog haar doel ook is, en dat gij niet geheel vrij zijt u aan het werk van den Meester te wijden voordat gij er van verlost zijt. Wanneer alle begeerten voor het zelf verdwenen zijn, kan er nog een begeerte bestaan; het gevolg van uw werk te zien. Indien gij iemand helpt, wenst gij te ZIEN hoeveel gij hem geholpen hebt; misschien wenst gij tevens dat hij het ook ziet en dankbaar is. Maar ook dit is begeerte en tevens gebrek aan ver­trouwen. Wanneer gij uwe krachten uitstort om te helpen, moet er een resultaat zijn, of gij het zien kunt of niet; indien gij de Wet kent, weet dat dit zoo zijn moet.

 

Dus moet gij goed doen uit liefde voor het goede, niet in de hoop op beloning, gij moet werken uit liefde voor het werk, niet in de hoop enig resultaat te zien; gij moet uzelf aan den dienst der wereld geven, daar gij ze lief hebt, en niet anders doen kunt dan uzelf er aan geven. Heb geen begeerte naar psychische vermogens, zij zullen komen wan­neer de Meester weet dat het goed voor u is ze te hebben. Als gij ze te vroeg forceert, kunt gij er vaak veel last van hebben; dikwijls wordt de bezitter van die krachten misleid door bedrieglijke natuurgeesten, of wordt verwaand en denkt, dat hij geen fout kan maken; en in elk geval kunnen de tijd en de kracht, die voor het verkrijgen er van nodig zijn, gebruikt worden, om voor anderen te werken. Zij zullen komen in het verloop van de ontwikkeling - zij MOETEN komen; en indien de Meester ziet, dat het nuttig voor u zou zijn ze vroeger te hebben, zal hij u zeggen hoe ze veilig te ontwikkelen. Tot op dat ogenblik is het beter dat gij ze niet hebt. Gij moet ook op uw hoede zijn tegen zekere kleine begeerten welke in het dagelijkse leven veel voorkomen. Wens nooit te schitteren of u bijzonder knap voor te doen; begeer niet te spreken. liet is goed weinig te spreken, beter nog. niets te zeggen, tenzij gij geheel zeker zijt

dat hetgeen gij wenst te zeggen waar, vrien­delijk en hulpgevend is. Bedenk alvorens te spreken, zorgvuldig of hetgeen ge gaat zeggen deze drie eigenschappen heeft; indien het ze niet heeft, zeg het dan niet. liet is goed zelfs nu reeds gewend te raken zorgvuldig te denken alvorens te spreken; want, indien gij de Inwijding bereikt, moet gij over elk woord waken, om niet te vertellen, wat niet verteld moest worden. Veel gewoon gepraat is onnodig en dwaas; als het kwaadspreken is, is het slecht. Gewen er u dus aan veeleer te luiste­ren dan te spreken, bied geen meningen aan indien er niet direct om wordt gevraagd. Eén opsomming van de vereisten geeft" ze aldus: weten, durven, willen en zwijgen; en de -laatste van de vier is de moeilijkste van alle.

 

Een ander veel voorkomende begeerte, welke gij gestreng moet onderdrukken, is de wens u te mengen in andermans zaken. Wat een ander mensch doet of zegt of gelooft, gaat u niet aan, en gij moet leren hem volkomen met rust te laten. Hij heeft volle recht op vrij denken, spreken en handelen, zoolang hij zich met niemand anders bemoeit. Gij zelf verlangt de vrijheid, te doen wat gij goed acht; gij moet dezelfde vrijheid aan hem veroorloven en, wan­neer hij er gebruik van maakt, hebt gij niet het recht er aanmerking op te maken.

 

Indien gij meent, dat hij verkeerd doet en gij een gelegenheid kunt vinden om hem afzonderlijk en zeer beleefd te zeggen waarom gij zulks meent, is het mogelijk, dat gij hem kunt over­tuigen; maar er zijn vele gevallen waarin zelfs dat een ongepaste inmenging zou zijn. In geen geval moet gij er met een derde kwaad van gaan spreken, want dat is een zeer slechte handeling. Indien gij een geval van wreedheid tegenover een kind of dier ziet, is het uw plicht tussenbeide te komen.

 

Indien gij iemand tegen de wet van het land ziet handelen, moet gij er de overheden mede in kennis stellen. Indien gij belast zijt met de zorg voor een ander teneinde hem te leren, kan het uw plicht zijn hem vriendelijk zijne fouten onder het oog te brengen. Behalve in deze gevallen, moet gij u slechts met uwe eigen zaken op­houden, en de deugd van zwijgen aanleren.

 

 

 

 

III

 

DE zes Gedragspunten welke voor­namelijk worden verlangd, worden door den Meester gegeven als:

1. Zelfbeheersing van het Denk­vermogen.

2. Zelfbeheersing in Handeling.

3. Verdraagzaamheid.

4. Opgeruimdheid.

5. Op­een-punt-gerichtheid.

6. Vertrouwen.

[Ik weet dat sommige hiervan anders vertaald worden, zoo ook de namen van de Vereisten, maar in alle gevallen gebruik ik de namen welke de Meester Zelf gebruikte, toen hij ze mij ver­klaarde.]

 

1. ZELFBEHEERSCHING VAN HET DENK­VERMOGEN.

De Vereiste van Begeerteloosheid toont dat het aandoeningslichaam beheerst moet wor­den; het toont hetzelfde omtrent het verstands­lichaam. Het beduidt beheersing van stem­ming, zodat gij geen boosheid of ongeduld voelt; van het denkvermogen zelf, zodat de gedachte altijd kalm en onverstoord zij; en (door het verstand) beheersing van de zenuwen, opdat zij zoo min mogelijk prikkelbaar mogen zijn. Dit laatste is moeilijk, want, wan­neer gij probeert u voor het Pad voor te bereiden, kunt gij niet nalaten uw lichaam gevoeliger te maken, zodat zijn zenuwen gemakkelijk verstoorbaar zijn door een geluid of een schok, en zij elke druk hevig gevoelen; maar gij moet uw best doen.

 

Het kalme verstand brengt ook moed mede, zodat ge zonder vrees de beproevingen en moeilijkheden van het Pad onder het oog ziet; het brengt ook standvastigheid mede, zodat gij u niet veel zorgen meer maakt omtrent de moeilijkheden, welke in ieder leven voorkomen, en het voortdurend tobben over kleinigheden kunt voorkomen, waarmede vele mensen hun meesten tijd doorbrengen. De Meester leert, dat het er helemaal niet op aan komt wat een mensch van buiten af overkomt; verdriet, moeilijkheden, ziekten, verlies - dit alles moet niets voor hem betekenen en moet geen invloed kunnen uitoefenen op de kalmte van zijn ver­stand. Zij zijn het gevolg van vroegere hande­lingen; wanneer zij komen moet gij ze met opgewektheid dragen, bedenkende, dat alle kwaad vergankelijk is, en dat het uw plicht is altijd vreugdevol en kalm te blijven. Zij behoren tot uw vorige levens, niet tot dit; gij kunt ze niet veranderen, en is het dus nutteloos, er u ver­drietig over te maken. Denk liever aan wat ge nu doet, hetgeen de gebeurtenissen in uw vol­gend leven zal scheppen, want dit KUNT gij veranderen.

 

Sta u zelf nooit toe u verdrietig of terneergedrukt te gevoelen. Gedruktheid is verkeerd, want anderen worden er door aangestoken en hunne levens worden er zwaarder door, en gij hebt niet het recht hiervan de oorzaak te zijn. Indien dat gevoel dus ooit over u komt, moet gij het ter­stond afschudden. Op nog een andere wijze moet gij uw denken beheersen; gij moet haar niet laten dwalen zoals ze wil. Wat gij ook doet, vestig uwe gedachte er op, opdat het vol­maakt gedaan worde; laat uw denkvermogen niet ledig zijn, maar houd altijd goede gedachten op den achtergrond er van, gereed om op te komen op het ogenblik dat het terrein vrij is. Gebruik uw gedachtekracht elke dag voor goede doeleinden; wees een kracht in de richting der evolutie. Denk elke dag aan iemand, van wien gij weet dat hij verdriet heeft of lijdt, of hulp nodig heeft, en stort liefdevolle gedachten over hem uit. Houd uw verstand terug van trots, want trots komt slechts uit onwetendheid voort. De mensch die niet weet, denkt dat hij groot is, dat hij een of ander groot ding gedaan heeft; de wijze weet, dat alleen God groot is, dat elk goed werk door God alleen gedaan wordt.

 

2. ZELFBEHEERSCHING IN HANDELING.

Indien uwe gedachte is wat zij behoort te zijn, zult ge met uwe handelingen niet veel moeite hebben. herinner u echter dat, om voor de mensheid van nut te zijn, de gedachte een handeling tot resultaat moet hebben. Er moet geen luiheid zijn, maar voortdurende werkzaam­heid in goed werk. Maar het moet uw EIGEN plicht zijn dien gij verricht - niet die van een ander, tenzij met zijn toestemming en om hem te helpen. Laat elk zijn eigen werk op zijn eigen wijze doen; wees altijd gereed hulp te bieden waar het nodig is, maar meng u NOOIT ongevraagd in zaken van anderen. Voor vele mensen is het moeilijkste wat zij in deze wereld te leren hebben, om zich te bepalen bij hun eigen zaken; maar dat is juist wat gij doen moet. Het feit dat gij tracht hoger werk op u te nemen, moet u uwe gewone plichten niet doen vergeten, want totdat deze zijn verricht, zijt gij niet vrij voor anderen dienst. Gij moet geen nieuwe wereldse plichten op u nemen, maar die welke gij reeds op u genomen hebt, moet gij op volmaakte wijze vervullen - alle duidelijke en redelijke plichten, welke gij zelf als zoodanig erkent, dus geen denkbeeldige plichten welke anderen u trachten op te dringen. Indien gij Hem wilt toebehoren, moet gij gewoon werk beter doen dan anderen, niet slechter; want gij moet dat ook om Zijnentwil doen.

 

3. VERDRAAGZAAMHEID.

Gij moet een volmaakte verdraagzaamheid tegenover allen gevoelen, en hartelijk belang stellen in het geloof van hen, die een anderen godsdienst belijden, juist even veel als in uw eigen geloof. Want hun godsdienst is een pad,  dat naar het hoogste voert, juist als de uwe. En om allen te helpen moet ge alles begrijpen. Maar om deze volmaakte verdraagzaamheid te ver­krijgen, moet gij zelf eerst vrij zijn van dweperij en bijgeloof. Gij moet leren dat geen ceremoniën nodig zijn, anders zult gij u zelf beter achten dan hen, die ze niet verrichten. Zoo ook moet gij anderen, die nog aan ceremoniën hechten, niet veroordelen. Laat hen doen wat zij willen; alleen moeten zij zich niet met uw zaken inlaten, daar gij de waarheid weet - zij moeten niet beproeven aan u op te dringen, dat­gene waaraan gij ontgroeid zijt. Houd rekening met alles; wees vriendelijk jegens alles.

Nu uwe ogen geopend zijn, mogen sommige van de dingen die gij vroeger geloofd hebt, van uwe vroegere ceremoniën, u belachelijk schijnen; misschien zijn zij het inderdaad ook. Eerbiedig ze echter, hoewel gij er niet langer deel aan kunt nemen, ter wille van die goede zielen, voor wie zij nog belangrijk zijn. Zij hebben hun plaats, zij hebben hun nut; zij zijn als die dubbele lijnen welke u als kind hielpen goed te schrijven, tot gij leerde veel beter en vrijer zonder deze te schrijven. Er bestond een tijd, dat gij ze nodig had, maar nu is die tijd voorbij. Een groot Leraar schreef eens: "Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, begreep ik als een kind, dacht ik als een kind; maar toen ik een man werd, deed ik kinderachtige dingen weg". Doch hij, die zijn kindsheid vergeten heeft en zijn sym­pathie voor de kinderen verloren heeft, is niet de mensch welke hen kan leren of helpen.

Zie dus allen vriendelijk, zacht en verdraagzaam aan, maar zie ze allen op dezelfde wijze aan, Boeddhist of Hindoe, Jaïnist of Jood, Christen of Mohammedaan.

 

4. OPGERUIMDHEID.

Gij moet uw karma met opgeruimdheid dragen, wat het ook moge zijn, het als een eer beschouwende dat lijden u gezonden wordt, want dat toont dat de Heren van Karma u waard oordelen geholpen te worden. Hoe hard het ook is, wees dankbaar dat het niet erger is. Herinner u dat gij slechts van weinig nut zijt voor den Meester, totdat uw slecht Karma is uitgewerkt en gij vrij zijt. U aan Hem aanbiedend, hebt gij  gevraagd dat uw karma verhaast moge worden, en zoo werkt gij nu in een of twee levens door, wat anders over honderd levens verspreid zou geweest zijn. Maar om er het beste van te maken, moet gij het opgeruimd en vreugdevol dragen. Nog een ander punt. Gij moet alle gevoel voor bezit opgeven. Karma kan de dingen van u wegnemen, waarvan gij het meest houdt, zelfs de mensen die gij het liefste hebt - zelfs dan moet gij opgeruimd zijn, gereed om van allen en alles te scheiden. Dikwijls moet de Meester Zijn kracht door Zijn dienaar op anderen uit­storten. Hij kan dit niet doen indien Zijn dienaar zich aan gedruktheid overgeeft; dus opgeruimd­heid moet regel zijn.

 

5. OP-EEN-PUNT-GERICHTHEID.

Het ene, dat gij steeds voor ogen moet houden, is 's Meesters werk te doen. Wat gij ook op uwen weg te doen mocht vinden, dit moet gij ten minste nooit vergeten. Er KAN echter niets anders op uw weg komen, want alle hulpvaar­dige, onzelfzuchtige arbeid is 's Meesters werk, en gij moet het om Zijnentwille doen. Ook moet gij al uw aandacht geven aan elk onderdeel van hetgeen gij doet, zodat het het beste is wat gij kunt doen. Diezelfde leraar schreef: "Wat gij ook doet, doe het met geheel uw HART alsof gij het voor God doet en niet voor de mensen." Denk hoe gij een werk zoudt verrichten indien gij wist dat de Meester het terstond zou komen zien; juist op diezelfde wijze moet gij al uw werk doen. Zij die het meeste weten, zullen het beste de gehele betekenis van dit vers kennen. :Er is een ander dat er op lijkt, en veel ouder is: "Wat ook uw hand vindt te doen, doe het met uw ganse kracht."

Op-een-punt-gerichtheid betekent ook dat niets u ooit - zij het ook maar voor een ogenblik - van het Pad, dat gij hebt ingeslagen, kan doen afwijken. Geen verleiding, geen wereldse vermaken, geen wereldse genegenheid moeten u daar ooit van doen af­wijken. Want gijzelf moet één worden met het Pad; het moet zoodanig een deel van uw natuur uitmaken, dat gij het volgt zonder dat gij er aan behoeft te denken of terzijde zoudt kunnen keren. Gij, de Monade, hebt het besloten; als gij er van afweekt, zoudt gij van uzelf afwijken.

 

6. VERTROUWEN.

- Gij moet uwen Meester vertrouwen; gij moet uzelf vertrouwen. Indien gij den Meester gezien hebt, zult gij Hem vertrouwen tot het uiterste, door menige kringloop van leven en dood. Indien gij Hem nog niet gezien hebt, moet gij toch trachten Hem te beseffen en Hem te ver­trouwen, want indien gij dat niet doet, kan zelfs Hij u niet helpen. Tenzij er een volmaakt ver­trouwen is, kan er geen volmaakte stroom van liefde en macht zijn. Gij moet uzelf vertrouwen. Meent ge uzelf goed te kennen? Indien gij zóó denkt, kent gij uzelf NIET. Gij kent slechts de zwakke buitenste schil, welke dikwijls in de modder gevallen is. Maar GIJ - het werkelijke in u - zijt een vonk van Gods eigen vuur en God, die Almachtig is, is in u, en daarom is er niets dat gij niet doen kunt indien gij wilt. Zeg tot uzelf: "Wat de mensch gedaan heeft, kan de mensch doen. Ik ben een mensch, maar ook God in den mensch; ik kan dit doen, en ik zal het doen." Want uw wil moet zijn als gehard staal, indien gij het Pad wilt betreden.

 

IV.

 

VAN al de Vereisten is Liefde de voornaamste, want, indien zij sterk genoeg is in een mensch, dwingt zij hem alle andere te verkrijgen en al die andere zonder Liefde zouden nooit voldoende zijn. Dikwijls uit zij zich in den vorm van een intense begeerte naar bevrijding van den kring­loop van geboorte en dood, en naar vereniging met God. Maar als gij het op deze wijze uit­drukt, klinkt het zelfzuchtig en geeft het slechts een gedeelte van de betekenis. Het is niet zoozeer begeerte als WIL, voornemen, besluit. Om het resultaat voort te brengen, moet dit voornemen uw gehele natuur vervullen, zodat er geen plaats voor een ander gevoelen over­blijft. liet is inderdaad de wil één met God te zijn, niet opdat gij aan verdriet en lijden mocht ontkomen, maar opdat gij door uw diepe liefde voor Hem mocht handelen in overeenstemming met Hem en zoals Hij doet. Omdat Hij Liefde is, moet gij, indien gij één met Hem wilt worden,    ook vervuld zijn met volmaakte onzelfzuchtig­heid en liefde.

 

In het dagelijks leven brengt dit twee dingen mede: ten eerste, dat gij er voor waakt geen levend ding te kwetsen, ten tweede dat gij steeds uitziet naar een gelegenheid om te helpen. Ten eerste niet te kwetsen. Er bestaan drie zonden, die meer kwaad doen dan al het andere in de wereld: kwaadspreken, wreedheid en bijgeloof, want het zijn zonden tegen de liefde. Tegen deze drie moet de mensch, die zijn hart met liefde voor God wil vervullen, onophoudelijk waken.

Zie, wat kwaadspreken uitwerkt. Het begint met slechte gedachten, en dat is op zichzelf een misdaad. Want in een ieder en in elk ding is iets goeds; in elkeen en in ieder ding is iets kwaads. Elk van deze kan men versterken door er aan te denken, en op deze wijze kunnen wij de evolutie helpen of hinderen; wij kunnen den wil van den Logos doen of wij kunnen Hem weer­staan. Indien gij denkt aan het kwaad in een ander, doet gij tegelijkertijd drie slechte dingen:

 

(1) Gij vervult uwe omgeving met slechte in plaats van met goede gedachten, en zoo ver­meerdert gij de smart van de wereld.

 

(2) Indien er in dien mensch het kwaad is het­welk gij denkt, versterkt gij het en voedt het en aldus maakt gij uwen broeder slechter in plaats van beter. Maar gewoonlijk is het kwaad niet aanwezig en hebt gij het u slechts verbeeld, en dan brengen uwe slechte gedachten uwen broeder in de verleiding onrecht te doen, want, indien hij nog niet volmaakt is, kunt gij hem misschien maken tot datgene wat gij van hem gedacht hebt.

 

(3) Gij vervult uw eigen verstand met slechte in plaats van goede gedachten, en aldus verhindert gij uw eigen groei, en maakt gij uzelf voor hen die zien kunnen, een afschuwelijk en pijnlijk voorwerp in plaats van schoon en beminnelijk.

 

Niet tevreden al dit kwaad zichzelf en zijn slachtoffer aangedaan te hebben, beproeft de kwaadspreker nog met alle macht andere mensen in zijn misdaad te doen deelnemen. Met ijver vertelt hij hun zijn boos verhaal, hopende dat zij het zullen geloven; en dan storten zij met hem te samen slechte gedachten uit op het hoofd van het arme slachtoffer. Dit gaat zoo voort dag aan dag, en dit wordt niet door één mensch gedaan maar door duizenden. Begint gij in te zien hoe laag en verschrikkelijk deze zonde is? Gij moet haar geheel vermijden. Spreek nooit slecht van iemand; weiger te luis­teren wanneer iemand slecht van een ander spreekt, maar zeg vriendelijk: "Misschien is dit niet waar, en ook als het waar is, is het beter er niet van te spreken".

 

Nu wat wreedheid betreft. Hiervan bestaan twee soorten, opzettelijke en onopzettelijke. Opzettelijke wreedheid is overdacht pijn geven aan een ander levend wezen, en dat is de groot­ste van alle zonden - eerder het werk van een duivel dan van een mensch. Gij zoudt zeggen, dat geen mensch zoo iets doen kan; maar de mensen hebben het dikwijls gedaan en doen het nog dagelijks. De inquisiteurs deden het, vele godsdienstige mensen deden het in naam van hun godsdienst. De beoefenaars der vivi­sectie doen het; vele leraars doen het uit gewoonte. Al deze mensen beproeven hunne onmenselijkheid te verontschuldigen door te zeggen, dat het gewoonte is; maar een misdaad houdt niet op een misdaad te zijn wanneer velen haar bedrijven. Karma houdt geen reke­ning met gewoonten, en het karma van wreedheid is het verschrikkelijkste van alle. In India ten minste is er geen verontschuldiging voor zulke gewoonten, want de plicht niets te deren is allen welbekend. Het lot van den wrede moet ook over allen komen die uitgaan met het plan Gods schepselen te doden en dat "sport" noemen.

 

Ik weet, dat gij zulke dingen niet zoudt doen; en ter wille van de liefde van God zult gij, wanneer de gelegenheid zich aanbiedt, er u beslist tegen kanten. Maar er bestaat zoowel een wreedheid in spreken als in handelen; en iemand die een woord zegt met het voornemen een ander te wonden, maakt zich aan deze misdaad schuldig. Ook dit zoudt gij niet doen: maar soms doet een achteloos woord evenveel kwaad als een kwaad­willig woord. Gij moet dus op uw hoede zijn tegen onopzettelijke wreedheid.

 

Het komt gewoonlijk door gedachteloosheid. De een is zoo vervuld van begerigheid en hebzucht, dat hij nooit denkt aan het lijden, hetwelk hij anderen veroorzaakt, door te weinig te betalen of door zijne vrouwen kinderen bijna van honger te doen omkomen. Een ander denkt slechts aan zijn eigen lusten en let er niet veel op hoeveel zielen en lichamen hij vernietigt door er aan te voldoen. Enkel om zichzelf een paar minuten moeite te besparen, betaalt een mensch zijn werkman niet op den bepaalden dag, en denkt niet aan de moeilijkheden in welke hij hem brengt. Heel veel lijden wordt veroorzaakt enkel door zorgeloosheid, door te vergeten welke gevolgen een handeling voor anderen zal hebben. Maar karma vergeet nooit, en het houdt geen rekening met het feit dat de mensen ver­geten. Indien gij het Pad wilt opgaan, moet gij aan de gevolgen denken van hetgeen gij doet, opdat gij u niet schuldig maakt aan gedachteloze wreedheid.

 

Bijgeloof is een ander groot kwaad en heeft vele verschrikkelijke wreedheden veroorzaakt. De mensch die er een slaaf van is, veracht anderen die wijzer zijn en tracht hen er toe te dwingen te doen als hij doet. Denk aan de afschuwelijke slachting veroorzaakt door het bijgeloof, dat dieren geofferd moeten worden en door het nog wredere bijgeloof, dat de mensch vlees voor voeding nodig heeft. Denk aan de behandeling die bijgeloof heeft doen ondergaan aan de laag­ste klassen van ons geliefde India en zie daarin hoe deze slechte eigenschap harteloze wreedheid kan teweegbrengen, zelfs onder hen die den plicht van broederschap kennen. Vele misdaden hebben de mensen in den naam van den God der liefde gepleegd, gedreven door dit schrikbeeld van bijgeloof; zorg er daarom zeer voor dat niet het geringste spoor er van in u overblijft.

 

Deze drie grote misdaden moet gij vermijden, want zij zijn noodlottig voor allen vooruitgang, daar zij tegen de liefde zondigen. Maar niet slechts moet gij u aldus onthouden van het kwaad, gij moet ten goede werkzaam zijn. Gij moet zoo zijn vervuld met het intense verlangen te dienen, dat gij voortdurend tracht dienst aan allen rondom u te betonen -- niet slechts aan de mensen, maar ook aan dieren en planten. Gij moet dit in kleine dingen elke dag vol­houden, opdat de gewoonte gevormd worde, opdat gij niet de zeldzame gelegenheid verzuimt wanneer iets groots gedaan kan worden. Want indien gij er naar smacht één met God te zijn, is het niet voor uzelf; het is opdat gij een kanaal mocht zijn, waardoor Zijn liefde kan vloeien om uw medemensen te bereiken.

Hij die op het Pad is, bestaat niet voor zichzelf, maar voor anderen; hij heeft zichzelf vergeten, opdat hij hen moge dienen. Hij is als een pen in de hand van God, door welke Zijne gedachte kan stromen en zich hier beneden kan uitdruk­ken, hetgeen zonder pen onmogelijk geweest zoude zijn. Doch tevens is hij ook een levende vlam van het vuur, dat op de wereld de God­delijke Liefde uitstraalt, welke zijn hart vervult.

 

De wijsheid die u in staat stelt te helpen, de wil die de wijsheid leidt, de liefde die de wil bezielt - dat zijn uwe eigenschappen. Wil, Wijsheid en Liefde zijn de drie aanzichten van den Logos en gij, die uzelf wenst te ontwikkelen om Hem te dienen, moet deze aanzichten aan de wereld tonen.


 

 

Wachtende op het woord van den Meester

Uitziende naar het Verborgen Licht,

Luisterende om Zijn bevelen op te vangen

In het dichtste van het gevecht;

 

Het kleinste door Hem gegeven teken ziende.

Over de hoofden van het gewoel,

Zijn zachtste fluisteren horende

Boven het luidste zingen der aarde.

 

 

                             

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL

Website statistieken gratis, LetsStat X1