Gnostische Gedichten en Citaten.

Marcel Messing - Tagore - Allerlei - Mia Leene - Citaten - Erik van Ruysbeek -

   


Ik stond op de brug tussen hoogte en diepte

en keek neer in de donkere wateren,

die het vuil mede sleurden,

die de arrogante leraren der wereld

daarin achtergelaten hadden;

 

en de stroom dreigde verlegd te worden

en de eens zo klare wateren

verborgen de grond van hun bedding

en de zon kon er zijn licht niet in weerkaatsen.

 

Toen beroerde Uw Adem mij als een tere bries

en vond ik de hemelen van Uw Belofte.

 

Mia Leene

 

In den beginne zweefde de geest over de wateren der chaos en ons bestaansveld werd geboren, de aarde en de hemel; zo behoort het ook te zijn in de mens: chaos zijnde, aarde zijnde, zal de geest hem waardig moeten keuren tot het bewonen van de ziel, waarna de geest deze wateren bezielt en er een levend schepsel geboren wordt dat werkelijk zichtbaar leeft uit Gods geest en de ether. Deze leefwijze moet herschapen worden, opdat de mens zich herstellen zal als een schepsel Gods.

Een schepsel dat Zijn wetten volgt, omdat deze lichtend opgetekend staan in zijn hart en hij hen nimmer verraadt.

Zo zal hij een vreemdeling worden in de sfeer der godloze materie, waar hij levend zal worden in de sfeer des geestes en hen ontmoeten die eveneens uit de geest zijn.

En vrede zal in hen wonen, omdat zij vrede zijn.

 

Henk Leene



Gedichten van Marcel Messing.

 

Nu dagen naar hun einde snellen


Nu dagen naar hun einde snellen,
licht herboren wordt uit schoot der duisternis,
nu leugens overal ontmaskerd worden
tussen coulissen van verward wereldtoneel,
nu mensen aarzelend balanceren
tussen vrees en hoop,
nu ijzeren schaal op barsten staat
en waarachtig leven zich vrijmaakt
uit vlies van vergane tijd,
raakt licht op ontelbare plaatsen
verduisterde aarde aan
die schoksgewijs haar grootse luister toont,
grondtoon van het eeuwig AUM weer klinken laat,
geest van licht en liefde waaien doet
naar geteisterde windstreken.

*
Al is er angst en lijden nog,
zacht worden witte vleugels
van genezing uitgeslagen
om gekwetst leven op te tillen
tot ongekende hoogtes.

*
Wees stil nu
en daal af in de grot van het eigen hart
waar goud van eeuwig leven schittert,
wierook van heelheid geurt,
mirre van wijsheid dood tot leven wekt,
en zie het kindeke,
dat duizenden keren
tot zwijgen werd gebracht
maar nu als nooit tevoren
glimlacht in het licht,
ons wakker kust
uit diepe slaap van vergetelheid.

*

Moge licht en liefde je pad verlichten,

Marcel en Marijke Messing


DAN ZAL DE STILTE

 Dan zal de stilte

alle woorden tot zich nemen

en keren de golven

terug naar de oceaan

van grondeloosheid.

 

En alles wat ooit gezegd is

over vrede en liefde

zal als een stralend licht

zichtbaar worden

voor de tot rust gekomen geest.

 

 

Een Eeuwigheid te laat

Onwetend schiep ik hemelen en hellen
in eigen geest.
Onwetend steeg en daalde ik
door alle lagen
van eigen bewustzijn
op zoek naar vastigheid,
op zoek naar dat wat niet vergaat.

Ik joeg de eeuwigheid na,
Maar juist dit 'ik'
deed haar verloren gaan.
in dit moment,
één en ondeelbaar,
waarin verleden en toekomst
nog niet bestaan,
waarin het worden
nog niet is.

Hoeveel hemelpoorten
moest ik openen,
hoeveel hellepoorten sluiten
voordat er weten was
dat alleen ik zelf de schepper ben
van vreugde en smart,
van geluk en ongeluk,
van ruimte en tijd?

God en de duivel,
hemel en aarde,
goed en kwaad,
licht en duister,
ze worden steeds opnieuw geschapen
door het zwaard van tweeheid
dat de schede van de geest verlaat
en leven maakt tot strijd.

Eeuwigheid zocht ik,
ik vond de ongebonden tijd.
God zocht ik,
ik vond het stromend leven.
Waarheid zocht ik,
ik vond de leugen
van het eigen ik.
Liefde zocht ik,
ik vond de grondeloze stilte
waarin het leven liefde ís.

Het zoeken kwam tot rust,
de rusteloze zoeker vond zichzelf.
Vuur van verlangen doofde
door het koele water van inzicht.
Hemelen en hellen
werden tot ijle wolkenslierten
zonder kleur of grens
in een lege hemel zonder grenzen.,
beginloos en zonder einde,
helder en zonder smet.

Het Al ontvouwde zich
in eigen geest.
De blaasbalg van het leven
kwam tot rust,
vond nergens nieuwe adem meer
en eeuwigheid stierf
haar eigen dood
zonder ooit nog op te staan.
Tijd stroomde van zichzelf weg,
ruimte loste op
in duistere leegte
waar alle dingen
Zich vervolledigen
Zonder mij.

Onder de golven van de tijd
bewoog zich zonder te bewegen,
zonder oorzaak of gevolg,
een dieper zijn
waarin geen worden is,
waar alle dingen werken
zonder hechten,
waarin geen bodem is,
maar niets zichzelf verliest,
waarin niets hetzelfde blijft
en toch werkelijk is.

En ik wist:
ik ben een eeuwigheid te laat
Als het ik niet nú vergaat.

Eens breekt de dag van sterven aan

Eens breekt de dag van sterven aan,
klopt het grote afscheid
aan de poort van de tijd,
plotseling of in stille verwachting.

Zullen we onze vingers tot vuisten maken?
Zal de ademhaling rusteloos zijn,
de spieren vol kramp van het grijpen,
de ogen angstig en wild?
Of zullen handen zich teder openen,
zal adem zacht in grote adem overgaan,
het lichaam zich ontspannen in overgave,
de ogen, zullen vol rust zijn, stil en sereen?

Een reiziger zijn wij
door de kringloop van het bestaan,
zoekend en tastend naar nieuwe vormen van leven,
onwetend van wat we zijn,
onwetend dat hemel en aarde rusten in de eigen geest.

Zoals de wolken drijven door de lucht,
zo drijven we steeds maar voort
van geboorte naar dood,
van dood naar geboorte.
Overdag de slaap van onwetendheid,
's nachts de slaap van vergetelheid
en in het sterven geen ontwaken,
noch helderheid bij nieuwe geboorte,
totdat we sterven vóór de dood.

Weet, o mensenkind:
jij bent het licht van alle lichten,
de grondeloosheid van alle grond,
jij bent het niets en het al,
wezenloos en toch het wezen van alle zijn,
leeg en tegelijkertijd vol van al wat is.

De bazuin van de grote omwenteling

De bazuin van de grote omwenteling heeft geschald
en zijn alles doordringende klanken
doorklinken gans de aarde.

De hengsels van de hemelpoorten werden open gerukt
en machtige stralingsvelden
dalen als duizenden lansen van licht
in de diepe duisternis van onwetendheid
terwijl het grauw gordijn van egoïsme, macht en
waan
flard na flard wordt uiteengescheurd.

De bazuin van de grote omwenteling heeft geschald
en alle sterren rondom de zon der zonnen
stralen hun verborgen krachten van licht.

Gans het aanschijn van de aarde gaat veranderen,
al het oude zal worden weggevaagd
en machtige golven van verandering
spoelen het wrakhout van verleden
op zilverwitte stranden
van liefde en wijsheid aan.

De duistere krachten van vasthouden,
van gekristalliseerde stof en angst
worden doorstraald door het heldere licht
dat eerst de dikke droesem van ik-zuchtig handelen
boven de wateren van het onbewuste tilt
en tot angstaanjagende vormen schept.

Nu is de tijd van ontmaskering.
Nu is de tijd van onttovering der illusies.
Nu is de tijd van waarheid aangebroken.
Nu is de tijd geboren
dat door de aarde een andere klank gaat klinken
die haar optilt uit haar lange lijden.

De bazuin van de grote omwenteling heeft geschald
en in de smeltkroes van nieuwe energieën
neemt een nieuwe wereld gestalte aan.

Goed en kwaad,
licht en duister
torenen hoog op het schaakbord van de wereld,
terwijl onwaarachtigheid en leugen
als valse koning en koningin
de pionnen van het leven zetten.

Continenten zullen verschuiven,
in en buiten de mens,
zon en maan zullen hun baan veranderen,
in en buiten de mens.
En een transparante aarde
zal zich openbaren gaan.

Maar dwars door chaos en verbijstering,
dwars door angst en wanhoop
klinken reeds de onhoorbare hamerslagen
van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde,
van nieuwe mogelijkheden,
van nieuwe kansen.

Gesels van zelfgeschapen stormen
Jagen eerst nog bladeren van gevolgen hoog op.
Wateren zullen het stof der wereld wassen
terwijl het leven zich tooien gaat
voor een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Dwars door het krakend wereldtoneel
van dood en verderf,
van vergaan verleden en nog ongevormde toekomst
vliegen reeds de eerste zwanen
van licht in licht
naar een volstrekt nieuw vergezicht.

Ja, God zal weer wandelen in de wereldtuin
van liefde en licht,
waarin de levensboom
van eenheid en vreugde is geplant.

Dwars door de wereld van verval
klinkt reeds de bazuin van vrede,
de bazuin van liefde,
de bazuin van licht,
en een nieuwe hemel en een nieuwe aarde
tonen nu het ware menselijk gezicht.

(Naar aanleiding van 11 september 2001)

 

Liefde is de bron.

 

En de meester sprak:
Liefde is de bron van al wat is,
het is de zoete nectar die stroomt
door wortels, takken en bladeren
van de gouden levensboom;
het is de bloesemgeur van al wat bloeit,
de golfslag van alle zeeën en oceanen,
de jeugdige lentebries in al wat leeft.

 

Liefde is de lach van het onschuldig kind,
het rimpelig gelaat vol vrede van de ouderling,
het dartele hert
dat zijn dorst lest in de bruisende bergstroom,
de kleurrijke vlinder
die zijn broze vleugels uitslaat
in het vroege voorjaar
dat de aarde bloeien doet.

 

Liefde is de stilte
die bronloos spreekt door zachte woorden,
teder, ingetogen en oprecht.
Het is de hand die steeds weer geeft
zonder ooit iets terug te nemen.
Het is de pracht van alle zonnen,
alle sterren en planeten,
de kringloop der seizoenen,
de goudgele korenschoof in de warme zomer,
de open zonnebloem, zwartrijp in het veld,
het ene in het vele.

 

En de leerling vroeg:
hoe kan ik de liefde ontmoeten,
welke taal moet ik spreken,
welke boeken moet ik lezen,
welke geleerden raadplegen?
En welk werk moet ik doen,
waar en wanneer?

 

En de meester sprak:
wat altijd is kun je niet ontmoeten,
wat woordloos is kan niet gezegd worden,
wat nooit beschreven is kan geen boek verbergen,
wat alles doet en zelf niet doet,
wat overal tijdloos aanwezig is,
hoe zou je Dat kunnen ontmoeten
wat je zelf steeds zelfloos bent,
wat in stilte van het spreken is,
in het ruisen van de beek,
het wuiven van het ranke riet?

De geleerden, zij kennen het niet,
zij die het leven uitsluitend bestuderen,
zij ervaren het niet,
zij die vol onrust naar het geheim
van het leven zoeken
met instrumenten van kennis,
zij weten het niet.

 

Overal is de liefde,
geen plek waar ze niet is,
geen taal die ze niet spreekt,
geen kennis die niet de hare is,
Geen tijd dat ze niet eeuwig is
en op ranke benen van jeugd
door alle levensvormen dartelt en speelt;
geen lippen waar ze ooit van wijkt,
geen ogen waar ze niet als licht door stroomt.

 

In dag en nacht,
in vreugde en pijn,
in licht en duister,
in geboorte en dood,
in het veld van alle tegenstellingen
is zij de oerklank van alle zijn,
zonder verdriet of pijn!

 

Wie boven de wolken van onwetendheid uitstijgt
ziet de eeuwige klaarte van liefde,
ruikt de geur van liefde in alle windrichtingen,
ziet in alle levende wezens het ene zien,
hoort in alle harten de ene hartslag,
wordt tot wat beginloos is:
de liefde van het zijn,
in een eeuwig nu vol pracht,
eeuwig fris, onaangeraakt.

Tijdloos schoon het leven
voor wie inkeert in de bronloze bron
van ongeschapen liefde.

 


 

Niemandsland

Ik zocht wat grond,
maar al wat ik vond
was een handvol korrels zand,
een oud, grijs niemandsland.

De korrels liet ik door mijn vingers glijden
om hechten te vermijden
spreidde ik mijn vingers verder uit
en voelde zanderig stromen langs mijn huid.

En ik wist:
ik heb mij niet vergist.
In iedere korrel zand stroomt verleden,
duizenden verlangens en gebeden.

In iedere korrel zand
ligt een wens verborgen,
miljoenen zorgen
in een handvol niemandsland.

Dit is mijn vader, moeder, broer en zus.
Heel het leven stroomde tussen mijn vingers door.
Een glimlach, pijn, smart, een liefdeskus,
een beweging zonder spoor.

Toen ik mijn handpalm sloot
en alles éven vast wilde houden,
voelde ik leven en dood,
alle zeeën, bergen en wouden.

In iedere druppel water
is vroeger en later,
in iedere korrel zand
is niemandsland.

Niemand kan het betreden,
niet vatbaar voor rede
is het tijdloos heden
in toekomst en verleden.

Wil je het zijn?
Stop jouw en mijn.
Nú is het daar.
Ben je klaar?
 

 

Als alle schuilhoeken
van het bewustzijn zijn verkend
alle vluchtwegen zijn doorlopen
alle wijsheidsboeken zijn gelezen
geen enkel boek meer bevredigen kan
als alle tempels zijn bezocht
alle riten en ceremonies zijn beleefd,
kan de laatste projectie
- God -
worden ingetrokken
en het bestaan
in alle naaktheid worden geschouwd
zoals het altijd is geweest.


De doden zullen opstaan in jezelf.
In jezelf zullen alle heilanden vervluchtigen
wordt het einde der tijden voltooid
alle begin weggevaagd
stervend in het eigen einde
en de lange verhalen tussen begin en einde
door traditie en geloof in stand gehouden
zullen verpulveren tot stof.

 

 

 

 Open dan je ogen, o mensenkind,
ontsluit dan je oren,

want blind ga je door het leven

en horende ben je doof.

Zie, de cirkel van eenheid

doorstraalt het Al.

Leg weg de kennis van geschriften,

laat spreken de wijsheid van het hart

die geduldig op je wacht.

 

Zie, o mensenkind,

hoe liefde alles verbindt,

alles omhelst in eeuwige extase.

Zie hoe het licht met alles speelt,

hoe het speels valt door het lover,

hoe het tintelt in een korenbloem,

hoe het lacht in heldere ogen.

Hoor hoe bladeren gedachten verwoorden

in een zachte voorjaarsbries,

hoe een roos in zeven bladeren bloeit

als was het je eigen hartebloem,

hoe een late nachtegaal zingt

als was het je eigen gejubel.

 

 

HET NIET TE WETEN WETEN

 

Ik weet

dat ik het weten

niet weet

dat weet.

 

Want zou ik

het weten weten

dat niet te weten is

ik zou onwetend zijn.

 

Zo weet ik

dat ik niet weet

het weten

dat niet te weten is.

 

Zo is mijn onwetendheid

het weten dat weet

in onwetendheid.

 

Zo weet ik

met hen die weten

van het niet te weten weten,

dat er niets te weten is.

 

En juist dit niet te weten weten

is het hoogste weten

dat van zichzelf onwetend is

en wetenloos geweten wordt

door hen

die weten

dat ze niets meer weten.

 

Marcel Messing – Er is geen dag, er is geen nacht

 

 

 

Rabindranath Tagore

De banden zijn weerspannig,

maar mijn hart doet pijn als ik hen tracht te breken.
Vrijheid is al wat ik begeer,

maar ik schaam mij naar haar uit te zien.
Ik weet zeker dat Gij onschatbare weelde hebt,

dat Gij mijn beste Vriend zijt, en toch heb ik het hart niet

de rommel weg te vagen die mijn kamer vult.
De wade die mij dekt is een wade van stof en dood;

ik haat haar en toch omklem ik haar tederlijk.
Mijn schulden zijn vele, mijn dwalingen groot,

mijn schande is heimelijk en zwaar;

en toch, als ik kom vragen om wat er goed aan mij is,

dan beef ik van vrees dat mijn bede zal worden verhoord.

 

uit de Gitanjali1: Rabindranath Tagore


Heer van mijn Leven.

 

Gij die de aller-innigste Geest van mijn wezen zijt,

zijt gij verheugd,

Heer van mijn Leven?

Want ik gaf u mijn kom

gevuld met alle pijn en elk genot.

die de geperste druiven van mijn hart hadden overge­geven,

ik weefde met het ritme van kleuren

en zangen de sprei voor uw bed,

en met het gesmolten goud van mijn verlangens

maakte ik speelgoed voor uw voorbijgaande uren.

 

Ik weet niet waarom gij mij als uw metgezel uitzocht,

Heer van mijn leven!

Hebt gij mijn dagen en nachten vergaard,

mijn daden en dromen voor de alchemie van uw kunst,

rijgend aan het snoer van uw muziek mijn zangen van

herfst en voorjaar,

en de bloemen geoogst van mijn rijpe ogenblikken

voor uw kroon?

 

Ik zie uw ogen schouwend in het duister van mijn hart,

Heer van mijn Leven,

ik vraag mij af of mijn falen en fouten zijn vergeven.

Want vele waren mijn dagen zonder dienstbetoon

en nachten van vergetelheid;

vergeefs waren de bloemen die verlepten

in de scha­duw die u niet werd aangeboden.

 

Vaak verslapten de vermoeide snaren van mijn luit

in de spanning van uw melodieën.

En vaak waren bij de ruïne van mijn verspilde uren

mijn troosteloze avonden gevuld met tranen.

 

Maar zijn mijn dagen tenslotte tot hun einde gekomen,

Heer van mijn leven

terwijl mijn armen u krachteloos omvatten,

en mijn kussen hun waarheid verliezen?

Breek dan de ontmoeting van deze lusteloze dag op.

Hernieuw het oude in mij in verse vormen van genot;

en laat de bruiloft weer opnieuw komen

tot een nieuwe ceremonie van leven.

 

Tagore

 

 

xxxv.

 

Waar de geest zonder vrees is en het hoofd wordt hoog gedragen,

Waar de kennis vrij is,

Waar de wereld niet in stukjes gebroken wordt door kleine huiselijke wanden,

Waar de woorden opwellen uit de diepten van waarheid,

Waar rusteloos streven de armen uitstrekt naar de volmaaktheid,

Waar de klare stroom der Rede nog niet verzand is in de dorre woestijn van doodse gewoonte,

Waar de geest door U wordt aangevoerd in aldoor verruimende gedachte en daad,

In dien hemel van vrijheid, 0 mijn Vader, doe Gij mijn volk ontwaken.

 

Uit: Tagore – Wij-zangen



 


Allerlei Dichters 

 

Een wereld is ieder mens, bevolkt

door blinde schepselen in duister oproer

tegen het ik, de koning die over hen heerst.

In elke ziel zijn duizend zielen gevangen,

in elke wereld houden duizend werelden zich schuil

en deze blinde, deze duistere werelden

zijn echt en levend, hoewel onvoldragen,

zo waar als ook ik werkelijk ben. En wij koningen

en vorsten van de duizend mogelijke in ons

zijn zelf onderdanen, zelf gevangen

in een groter schepsel, wiens ik en wezen

wij evenmin begrijpen als onze meerdere

zijn meerdere. Hun dood en liefde

slaan in ons gemoed een toon aan.

 

Als wanneer een enorme stoomboot voorbijvaart

in de verte, onder de horizon, die ligt te glanzen

in de avond. - En wij weten niet dat hij er is

niet voordat een boeggolf ons op het strand bereikt,

eerst een, dan nog een en nog veel meer,

ze slaan en bruisen totdat alles weer geworden is

zoals het was. - En toch is alles anders.

 

Zo grijpt een vreemde onrust ons, ons schaduwen

wanneer iets ons zegt dat schepselen hebben gereisd

dat enkele van de mogelijke zijn bevrijd.

 

GUNNAR EKELÖF

 

 

 

Als niets meer daar is
is alles daar
als alles leeg is
is niets meer leeg

ook jij mijn hart
moet sterven
om tijdloos te bestaan
ook jij mijn god verdwijnen
om nader ons te staan.


Erik Van Ruysbeek


 

***

Als het eind der tijden daar is en het huis is niet meer

en het systeem is niet meer

en een beschermende ruimte is niet meer

en de groep is niet meer

en gij en ik als eenling staan zonder licht,

op de plaats waar de nacht ons overvalt,

en gij en ik voor een mens staan,

spreek hem dan niet over het huis dat er was,

over het licht dat er kan zijn,

de ruimte die er was,

de stimu­lans en de bescherming van de groep die er was,

maar geef hem dan de gift der vreesloosheid,

geef hem dan om niet meer terug te krijgen.

 

Emiel de Keyser – Als gij en ik als eenling staan.

 

 

 

Alvorens de eerste gedachte verschijnt
Ben Ik reeds die Ik ben
Hoewel onbeweeglijk Mijzelf
Ben Ik in alle veranderlijke verschijnselen

Niets bestaat los van Mij
Niets voegt iets aan Mij toe
Niets is bij machte Mij te raken

Elk verschijnsel verwijst naar Mij
Elk verlangen keert terug tot Mij
Elk lijden lost op in Mij

Ik ben het Licht in elke waarneming
Ik ben de Bron van elke ervaring
Alleen door Mij nu en hier te Kennen
Raakt de mens bevrijd uit het illusoire

Al wat beweegt komt en gaat
Allen ik ben onveranderlijk Mijzelf

 

 Hans Laurentius

 

 

Het visioen van Henoch - De oudste openbaring.[1]

 

God spreekt tot de mens.

 

Ik spreek tot u.

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben.

 

Ik sprak tot u

Wanneer je geboren werd

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben.

 

Ik sprak tot u

door uw eerste blikken

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben.

 

Ik sprak tot u

door uw eerste woord

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben.

 

Ik sprak tot u

door uw eerste gedachte

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben.

 

Ik sprak tot u

door uw eerste liefde.

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben.

 

Ik sprak tot u

Door uw eerste lied

Wees stil

Weet dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door het gras van de weiden

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door de bomen uit de wouden

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door de dalen en de heuvels

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door de Heilige Bergen

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door de regen en de sneeuw

Wees stil

Weer

Dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door de golven van de zee

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door de morgendauw

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben.

 

Ik spreek tot u

In de vrede van de avond

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door de stralende zon

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door de schitterende sterren

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door de stormen en de wolken

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door de donder en de bliksem

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik spreek tot u

Door de raadselachtige regenboog

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik zal tot u spreken

Wanneer je alleen bent

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik zal tot u spreken

Door de Wijsheid van de Ouden

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik zal tot u spreken

Aan het einde der tijden

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik zal tot u spreken

Wanneer je mijn engelen hebt gezien

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

Ik zal tot u spreken

Door heel de Eeuwigheid

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben

 

 

Ik spreek tot u

Wees stil

Weet

Dat ik

God ben.

 

Bron: The Essene Gospel Of Peace

Book Two

THE UNKNOWN BOOKS
OF THE ESSENES

 



[1] THE VISION OF ENOCH - THE MOST ANCIENT REVELATION:  God Speaks to Man

 

 

Ik drong binnen waar ik niet wist

 

Ik drong binnen, waar ik niet wist,
en bevond me in een niet-weten,
alle weten overstijgend.

 

Ik wist niet waarlangs ik inging,

maar toen ik zag dat ik daar was,

zonder dat ik wist waar ergens,

kreeg ik zicht op grote dingen;

toch uit ik niet wat ik zag;

want ik bleef in een niet-weten,

alle weten overstijgend.

 

Vrede en vroomheid ging ze aan,

deze zeer volkomen kennis,

in de diepste eenzaamheid

zonder middel aangeworven;

en het was iets zo verborgens,

dat ik er slechts van kan staam'len,

alle weten overstijgend.

 

Zó zeer was ik opgetogen,

zo verdiept en zo van zinnen,

dat mijn zelfbesef ontledigd

achterbleef van alle ervaren

en de geest verrijkt werd met een

door-niet-te-verstaan begrijpen,

alle weten Overstijgend.

 

Wie daartoe geraakt - ja waarlijk –

houdt zichzelf niet meer in handen;

wat tot dan hij heeft geweten

komt hem voor als zeer onedel;

en zo machtig groeit zijn kennis,

dat hij blijft in een niet-weten,

alle weten Overstijgend.

 

Stijgt men hoger, des te minder

kan men er begrip van krijgen,

wat het is: die duist're wolkzuil

die de donk're nacht verheldert;

wie eens van dit weten weet had,

blijft dan ook in een niet-weten,

alle weten Overstijgend.

 

En dit niet-wetende weten

is van een zo hoog vermogen,

dat de wijzen met hun denkkracht

het nooit kunnen overtreffen;

nooit bereikt hun weten dit

door-niet-te-verstaan begrijpen,

alle weten Overstijgend.

 

Van zo hoge uitnemendheid ook

is dit allerhoogste weten,

dat er wetenschap noch geestkracht

is, die dit bewerken kan;

wie zichzelf ertoe kan brengen

door-niet-te-verstaan te weten,

zal steeds meer hierin doordringen.

 

En als 't u belieft te horen:

d'aard van deze hoge kennis

is een allerhoogst besef

van het Wezen van de Godheid;

't is het werk van haar erbarmen

als Zij alle weten in dit

niet-weten doet overstijgen.

 

Johannes van het kruis

 

 

Hymne op de levende ziel:

 "Ik stam van het Licht en van de Goden, 

en ben een dolende geworden, van U gescheiden.

De vijanden overvielen mij en voerden mij naar de doden.

Gezegend degene die mij en mijn ziel uit de nood verlost.

Ik ben een god, uit Goden geboren, 

een glanzend, fonkelend, geurend en schoon wezen.

Maar nu ben ik in ellende gevallen.

Talloze duivels grepen mij aan, afschuwelijke wezens,

 die mij onmachtig maakten en veel smart en dood ervoer ik door hen.

Maar van het Licht en van de Goden stam ik af".

 

 

"Bekommer u niet om

wat de toekomst

verborgen houdt,

ween niet om wat vergaat,

maar zorg ervoor

uzelf niet te verliezen

en ween slechts

als ge in de stroom van de tijd

wordt mee gesleurd

zonder het zicht op de hemel

te behouden."

 

Friedrich Schleiermacher.

KRISTAL EN FONTEIN

Het is zo weinig wat ik heb:
Dit éne leven, dit kristal
Waaruit ik straal en vormen schep
Van ’t wijd heelal.
Dit éne leven, maar het is
Een knooppunt in het wereldweb,
Van waaruit alles anders is
Dan ’t andren was of is of wezen zal.

Ik heb wel altijd dit kristal
Waarin de wereld spiegelt,
En in me is altijd vloed en val
Van golf die wendt en wiegelt;
Maar o, nog eenmaal de fontein
Die springt en straalt en stort te zijn!

Albert Verwey  Rondom mijn werk (1938)

 Hymne van de zeer grote Hermes, over de Albeheerser

 Wachter met het oog

van eeuwig brandend vuur,

die de omloop van de ether tot leven brengt,

die de hitte van de zon krachtig maakt,

die de wolken

door een hevige storm voortjaagt,

voor wie er geen naam is in de kosmos.

 

Ik ken U als het onvergankelijk eeuwige,

allesziende en vreeswekkende oog,

de Vader van het Al, die alleen God is,

die aan niemand zijn oorsprong ontleent.

 

Ik vereer na U één Zoon,

die als eeuwige uit U is voortgekomen,

die U met de onuitsprekelijke

en doordringende kracht

van uw geest en uw stem

terstond zonder afgunst en zonder hartstocht

als uw eigen en geschapen Logos hebt verwekt.

 

Die God is, naar zijn wezen uit uw wezen,

die van U, de Vader,

het onvergankelijke

en totaalgelijkende beeld draagt,

zodat hij in U is en U in hem bent,

een spiegel van uw schoonheid,

een gelaat dat wederzijds verheugt.

Gods Veerman

 

Heen en weer wil ik varen,
Vele malen,
Over de golven achter de dood,
En terug, naar de Aardse kusten,
Vanuit mijn Hemelse thuis.


Graag wil ik mijn boot weer laden,
Met alle wachtenden,
die dorstig zijn achtergebleven.
Ik wil hen dragen,
door de opaalkleurige Poel
de Poel van klaterende Vreugde,
want aldaar Schenkt mijn Vader
de lessende Vrede in Overvloed.


O, ik kom opnieuw en weer!
al moet ik duizenden klippen
van lijden trotseren!
Met bloedende voeten
zal ik steeds arriveren,
nog vele miljoenen
of nog meerdere keren,
Zolang als ik weet,
Dat één zwervende broeder
is achtergebleven…


Ik verlang naar U, O Heer,
en bid, dat ik U aan allen mag schenken.
ik verlang naar Bevrijding O Heer!
van mijn lichaam’lijke gevangenschap,
zodat ik aan anderen de sleutel kan geven.


Ik verlang slechts Uw extase
Om die met mijn broeders te delen;
Dat ik hen,
het Pad van Geluk mag tonen,
om voor eeuwig
weer in U te zijn.

Paramahansa Yogananda

 

 

"Als een wit zeil op de blauwe zee ben ik,
eenzaam voor hem die mij ziet,
van de kust der begrenzing."
 
Als je begint te begrijpen wat je bent,
zonder te proberen het te veranderen,
dan ondergaat wat je bent een transformatie.
 
The little book on Living, J. Krishnamurti
 

'morgen word ik wakker'

dat zeg ik tegen mezelf, al een hele tijd.
maar ik weet dat het nu gaat gebeuren.

morgen word ik wakker,

en alles zal anders zijn.

ik zal de wereld met andere ogen zien.

ik zal alle kleuren en klanken

van de wereld van morgen

zien en horen en onderscheiden.

 

ik zal een andere taal spreken­

de taal van de ziel en het hart.

alle verdriet en zorgen zullen verdwijnen,

want alles zal anders zijn

in de morgen

waarin ik wakker word.

wie de taal van de ziel spreekt,

kent verdriet noch smart.

 

de melodie van de komende dag

is al gecomponeerd;

dat weet ik heel goed.

haar pure toon begin ik te horen

­en straks stem ik erin mee.

 

dat zal een ontwaken zijn!

nooit val ik meer in slaap,

ik creëer geen nieuwe waanbeelden meer;

niet langer waar ik rond in een troebele en

ondoorzichtige wereld.

de transparante helderheid van mijn dag van morgen

is water uit een levende bron­

je kunt je dorst er niet genoeg mee lessen.

hoe kan men verzadigd raken

van iets wat heilig is?

 

ik weet dat ik morgen zal ontwaken.

ik zie een ster en een lichtstraal;

vaak zie ik een ster,

gebroken glinsterend in goud en zilver,

en toch bereikt haar licht mijn hart.

 

daar, daar is de poort die leidt

naar morgen;

een stralende ingang,

een wereld die wacht en anders is.

 

zie, ik doe een stap...

 

Bron: Pentagram nummer 2 – 2007




‘ de drie sleutels’

 

 

Ik ga.

mijn pad is lang. er is een begin, verborgen in het verleden;

en ook het eindpunt is mij niet bekend.

hoe weinig weet ik!

maar dit: het verleden belast mij niet langer.

 

het roept niet meer terug, tracht niet meer mij te grijpen

­en het houdt nu niet meer vast.

wij zijn vrienden geworden - mijn verleden en

ik, waarom ook niet?

 

het was een heldere dag, in een mij onbekende ruimte.

een zilveren glans trok mijn aandacht.

dat was toen mijn handen een sleutel vonden

naar mijn vriend. het was een heldere dag,

toen mijn oren de stem van het verleden hoorden:

«luister - trek verder! ga en kijk niet om.

ik geef je wijsheid, laat mij los,

zoek niet naar dingen die voorbij zijn. roep hen niet.

ik bén je vader niet, en ook je moeder niet, en jij bent

niet mijn kind. daarom mijn woord: ga voort.

wij zijn vrienden, en een vriend helpt zijn vriend.»

 

ik ga.

maar wat betekent deze morgen?

deze wolken, bomen en mensen?

waarom ben ik hier? is dit mijn wereld?

houd ik van haar? houdt zij van mij?

ik wil het heden begrijpen, ik wil leven!

 

ik loop door mijn huis en kom in een van de vergeten kamers;

er strijkt een ted' re gouden glans over vandaag,

de sleutel van mijn wereld­

en hoor eens, hoe het heden spreekt tot mij:

 

«waarom verwacht je iets van mijl

ik ben je vader niet en niet je moeder,

en jij bent niet mijn kind.

sta niet stil als je iets van mij wilt zien

beweeg - je zult mijn wezen anders nooit begrijpen.

ik bén beweging en ritme,

adem die in- en uitstroomt; hartenklop.

leer het van je hart, dat is de zin van het heden.

als het je lukt, zijn wij vrienden,

en een vriend helpt zijn vriend.

 

ik ga.

waar ga ik heen? de toekomst is grijs,

ik kan er geen contour in vinden.

maar vrees is er niet en ik heb geen zorg­

want vrienden van mij, mijn verleden en heden,

en ook mijn hart, zij helpen mij.

 

van mijn hart heb ik de ritmische werking van

het leven leren kennen.

het hart klopt - en ik ga voort.

zijn slag geeft duidelijk weer:

« leg niet al je hoop in toekomst,

die een illusie is, die niet bestaat.

wat je van de toekomst verwacht,

is allang geweest; álles was al eens.

 

en toch ga Je vooruit.

het pad is de essentie, de zin van alles.

dat is het punt, het ene, waar verleden,

heden en toekomst samenvloeien.

alleen zo' n geheel is actueel, een krachtige vriendschap,

zuiver als een diamant. dat is je sleutel.»

 

ik ga.

mijn voetsporen zijn veranderd.

ze worden minder diep,

ik kan hen bijna niet meer zien.

 

het pad loopt anders nu, het stijgt, met transparante treden;

ik zie ze niet.

het enige wat blijft is mijn hart.

ik luister intens, want zijn ritme verandert.

 

hoor, hoe zijn klop breder, dieper wordt;

en zijn warmte neemt toe.

het wordt een sterk vibrerende toon,

een regenboog, een oogverblindend licht!

 

heel de ruimte vult zich; sterk breekt het al het denken,

lost alle vormen op, maar in mijn handen

de kracht van de diamanten sleutel.

 

en dan... ervaar ik wat stilte is.

luider dan ieder geluid, vervult zij alles.

zij is in alles.

zij is alles.

 

 

Bron: Pentagram nummer 2 – 2007

 

 

KABIR

 

De maan schijnt in mijn lijf, maar mijn blinde ogen kunnen haar niet zien.

De maan is in mij en ook de zon is in mij.

De nooit geslagen trom der Eeuwigheid wordt in mij gevoerd, maar mijn dove oren kunnen het niet horen.

Zolang de mens schreeuwt om het ik en het mijn, zolang zijn zijn daden als niets.

Als alle liefde voor het ik en het mijn dood is, dan wordt het werk des Heren gedaan.

Want werk heeft geen ander doel dan het winnen van kennis. Als die er is, dan wordt het werk weggedaan.

De bloem bloeit voor de vrucht; als die er is, welkt de bloem.

 

Als het zaad is in de plant, als de schaduw is in de boom, als de leegte in de hemel is, als oneindige vormen in het ledig zijn - zo komt van voorbij het oneindige de Oneindige.

Binnen in dit aarden vat zijn priëlen en valleien en daarbinnen is de Schepper.

 

Binnen in dit vat zijn de zeven oceanen en de ongetelde sterren. De toetssteen en de schatter der juwelen is binnen in.

En binnen in dit vat, luidt de Eeuwige en de bron ontspringt.

Kabir zegt: "Luister naar mij, mijn vriend,

Mijn geliefde Heer is binnen in".

 

(Overgenomen uit "Kabir" door Frederik van Eeden, uitgegeven bij N. Kluwer.)

 



 "Hij zeide: zeg mij hun geheim, maar ik
die het reeds kende zoveel wondere jaren,
zocht naar een woord, een aarzelend ogenblik
en trachtte tevergeefs het te verklaren.

Toen zei ik: Liefde, maar ik wist opeens
dat het veel meer was, een mystieke waarde,
ongrijpbaar en toch ook van deze aarde,
zowel van allen als van mij alleen.

Het is muziek, een woord, een handgebaar,
een teken; en het schijnt in iemands ogen,
het is zijn hart en 't mijne, 't is het hoge
verbond om al wat schoon is, licht en waar.

Hij vroeg mij: wijs mij hun geheim, maar dit
kon ik niet duiden in talloze gesprekken.
Alleen hij zal het ooit kunnen ontdekken
die het geheim reeds in zichzelf bezit. "

Willem Brandt 

 


 

The Chambered Nautilus[1]

Oliver Wendell Holmes.

 

Jaar in jaar uit, sloeg ik de stille arbeid gade

die zijn flonkerende winding ontrolde.

Stil, naarmate de spiraal groeide,

verliet hij zijn verblijf van het vorige jaar voor het nieuwe.
Sloop met zachte tred door zijn glinsterende overwelfde gang.
Bouwde zijn blinde deur.

Strekte zich uit in zijn pas gevonden woning en kende de oude
niet meer.

 

Dank voor de hemelse boodschap, door u gebracht,

kind van de rusteloze zee.

Losgescheurd uit haar troosteloze schoot!

Van uw stomme lippen wordt een helderder toon geboren
dan Triton ooit uit zijn omkranste hoorn blies!

Terwijl die in mijn oren klinkt

hoor ik uit het diepste van mijn denken een stem, die zingt:

 

Bouw steeds grootsere verblijven, 0 mijn ziel!

Terwijl de jaren snel voorbijgaan!

Verlaat uw vroegere laaggewelfde stulp.

Laat iedere nieuwe tempel, verhevener dan de vorige,

u door een steeds grootsere koepel met de hemel verbinden,
totdat gij tenslotte vrij zijt

en uw uitgegroeide schelp in 's levens rusteloze zee achterlaat.

 



[1] Hij schrijft van een gestadige vooruit­gang in langzamerhand volmaakter wordende voertuigen met volkomen bevrijding als einddoel. De nautilus (soort zeeslak) bouwt zijn spiraalvor­mige schelp met verschillende kamertjes en verlaat steeds de kleinere, waar hij uitgegroeid is voor dat, wat hij het laatst gebouwd heeft.

 

Een andere versie/vertaling van dit mooie gedicht:

Jaar na jaar ging ongestoord

In stilte de opbouw der kronkels voort:

Steeds wijder werd der spiralen boog,

Terwijl hij van woning tot woning toog,

Zich zachtkens naar ‘t nieuwe voortbewoog,

De vergank'lijke deur weer gesloten had.

Van het laatste tehuis - en het oude vergat.

 

Gij bracht ons een hemelsche boodschap mee,

Heb dank daarvoor, kind van de woelige zee,

Hulp'loos gespoeld op 't strand, daar verloren,

Kondt ge stervend met schooner geluid ons bekoren,

Dan ooit Triton' s omkranste hoorn deed hooren.

 

En terwijl deze toon in mijn ziel weerklinkt,

Hoor ik diep in gedachten een stem die zingt:

"Bouw u, o mijn ziel, in den loop der tijden

Een waardiger woning, een schoone, wijde.

Verlaat uw bekrompen verleden, en leer

Elk volgend verblijf te verbeteren weer.

't Zij ruimer van welving dan dat van weleer.

Totdat gij, van uw omhulsel bevrijd,

't Laat liggen op 't strand der Oneindigheid."

 

 

Hetgeen de mens begeert, verkrijgt hij al in God,

Neemt hij het buiten hem, dan is de dood zijn lot.

 

God gaat, zoals men weet, wat meetbaar is te buiten,

En toch, een mensenhart kan hem geheel omsluiten.

 

Roep niet tot God, de bron welt in uzelf ten leven,

Zo gij die niet verstopt, blijft hij zijn water geven

 

Verlangt gij iets van God, dan weet ik dit gewis,

Hoe heilig gij ook zijt - dat hij uw afgod is.

 

Wij bidden: Vader, mij geschiede naar uw wil.

En zie: God heeft geen wil, voor eeuwig blijft hij stil.

 

Volmaakt ben ik als God: wie dit wil tegenspreken,

Zal van Zijn wijnstok eerst mij dienen af te breken.

 

Fel hekelt gij de dief en scheldt hem onverholen.

Zwijg, gij hebt God veel meer dan hij de mens ontstolen.

 

Het licht der heerlijkheid schijnt midden in de nacht.

Wie kan het zien? Een hart dat ogen heeft en wacht.

 

Verbergt zich God voor ons, zoals ik u hoor spreken?
Dan moet gij wel uzelf heel diep voor hem versteken.

 

De liefde, is zij nieuw, bruist op als jonge wijn,

Hoe ouder dat ze is, hoe stiller ze zal zijn.

 

Indien gij iets bemint, bemint gij niets voorwaar,

God is niet dit of dat, verzaak dit iets dus maar.

 

Hierboven leeft men goed: niemand heeft iets alleen;
wat daar de enkeling heeft, is daar allen gemeen.

 

Gods kus genieten en in Hem zichzelf vergeten
is meer dan - zonder liefde - menig ding te weten.

 

Geen druppel dauw wordt voor zichzelf geboren;
ook jij moet anderen - niet jezelf toebehoren.

 

De liefde mag bij God vrij binnengaan;
het verstand blijft als een knecht lang in de voorhof staan.

 

Je hoopt, dat je "nog wel eens ooit" Gods licht zult zien?
Jij dwaas, je ziet het nooit, als je het nú niet ziet.

 

De zondige mens ziet niets; hoe meer hij werkt en draaft,
door de eigen wil gejaagd, hoe meer hij zich verslaaft.

 

Men kan van werk of rust in Gods bestaan niet merken;
Zijn werken is Zijn rust; Zijn rusten is Zijn werken.

 

Zie, ieder ding is het jouwe, dus: ontbreekt je iets,
dan ken jij je eigen rijkdom nog niet.

 

't Geloof alleen is dood; je kunt niet eerder leven
voordat er aan een ziel de liefde wordt gegeven.

 

Zie wat je niet kunt zien, ga waar je niet kunt gaan,
hoor wat stemloos is, en je zult God "verstaan".

 

Je vindt naar de mate dat je zoekt, je krijgt naar de mate dat je vraagt;
dát zal uiteindelijk je deel worden, wat je hebt nagejaagd.

 

Gelatenheid is goed, maar zelfs God los te laten,
is een gelatenheid, die vele mensen haten.

 

Was Christus duizendmaal in Bethlehem geboren,
maar niet in jouw ziel, dan was je toch verloren.

 

En nu, vriend, houd ik op; wil je nog verder lezen,
och, word dan zelf Gods schrift én het wezen daarvan!

 

Angelus Silesius

Uit: Zwerver tussen Hemel en Aarde

Er schuilt een gedaante in mijn eigen 'ik'
die anders is en levender en vrijer
die in zichzelf geen muren kent en tralies
geen eigendunk heeft en geen geldingsdrang
die zich weet los te maken uit de windsels
van angst en gal en treurig zelfbeklag.
die open gaat en ademt in de ruimte
die luisteren wil, geduld heeft, troosten kan
en minnend inziet wat een ander mens bezielt
die geen bedenkingen, geen grenzen kent
en lachend geeft en deelt vanuit een
wijd besef dat allen op aarde één zijn
en dat geen lot ons breken kan
omdat wij gronden in echte liefde.

Soms in het donker
kijkt dat diepste 'ik' mij aan
en ik herken het als de levende icoon
van wat ons ooit is aangezegd:
de nieuwe mens is in mij en iedereen verborgen
zo ver, zo ver, maar onder ons bereik.

Catharina Visser

 

Als ik dan voor de poort zal staan, de brug voorbij,

de mens voorbij, mijzelf voorbij,

dan zult Gij mij vragen: is het land in u voorbij,

is de brug in u voorbij, is de mens in u voorbij,

zijt ge uzelf in u voorbij?

 

Zal ik dan zeggen: het is voorbij?

Liegen is onmogelijk omdat Gij Uzelf in mij zult zien;

en wat Gij van Uzelf in mij niet zult zien,

daar zal ik in mijzelf ervaren: het is niet voorbij.

 

Stuur mij dan terug, over de brug, in het land,

naar de mensen, naar mezelf,

om daar de rest op te lossen die niet voorbij was;

die Gij in Uzelf niet kende.

 

En als ik dan weer terug kom, over de brug,

uit het land van de mensen

met mezelf,

dan zal ik weten: er is niets meer dat overblijft

en zal verhinderen Uzelf in mij te zijn.

 

Emiel de Keyser – Als gij en ik als eenling staan.

Mia Leene

Uit: Overpeinzingen

Ik stond op de brug tussen hoogte en diepte

en keek neer in de donkere wateren,

die het vuil mede sleurden,

die de arrogante leraren der wereld

daarin achtergelaten hadden.

 

En de stroom dreigde verlegd te worden

en de eens zo klare wateren

verborgen de grond van hun bedding

en de zon kon er zijn licht niet in weerkaatsen.

 

Toen beroerde Uw Adem mij als een tere bries

en vond ik de hemelen van Uw Belofte.

 

 

Wellicht zullen de dagen gevuld zijn met bezigheden,

die sterven voordat zij vrucht zullen dragen;

vele gedachten zullen rondfladderen als angstige vogels,

die de weg naar hun thuisland vergeten zijn.

Sta dan stil in de kern van uw wezen

en herinner u uw Afkomst,

opdat u de einder van het Thuisland

weer zult waarnemen.

 

 

 

De stem van mijn ziel is als de roep van een eenzame vogel,
die vanaf grote hoogten over zijn vergezichten vertelt,

aan hen, die in het dal wonen en de verten niet kennen.

Mijn ziel zingt van de eeuwige verten, die gij, mijn hart,

tooien moet met de kleuren van uw liefde.

 


Blijf wakende
op de brug
tussen geest en natuur, mijn ziel,

en herhaal de Naam die ik had

in het Geboorteland der Goden,

opdat de herinnering niet vluchtte.

Leg u niet ter ruste
in de modderige stromen van het kleine geluk,

maar volg de grote Levensstroom,

die u naar de stranden van het onsterfelijke Geluk voert.

 


 

Aan het strand, waar het Meer der Heerlijkheid

zijn golven aan mijn voeten legt

en mijn geestesoog zich ongestoord kan wijden

aan haar goddelijke beeltenissen,

ontmoet ik mijn ziel, die op weg is tot U, Vader-Moeder.

De stilte van dankbaarheid en deemoed omhult mij.


 

 

De ontelbare zandkorrels dragen het stempel van Uw Wijsheid,

de sneeuwvlokken tekenen de bloem van Uw kosmische Wet,

en in de waterdroppel spiegelt zich Uw Levensgeheim.

Waarom herkent mijn hart Uw Bloem niet in mijn ziel?

Waarom misvormt mijn gedachte Uw Adeldom?



 

Mijn ziel luistert,

luistert hunkerend naar Uw muziek,

wensende deze te spelen op het instrument,

dat Gij haar gegeven hebt,

zodat Uw melodie haar kan begeleiden

op de Terugweg tot U.


 

 

De tijd is amechtig geworden van haar jacht naar geluk

en de mensen zijn als flakkerende kaarsen,

die ieder ogenblik kunnen worden uitgeblazen

door de onverwachte windvlaag der gebeurtenissen.

Leid mij binnen in de Tuin Uwer Stilte,

waar Uw Licht niet doven kan, Heer!

Mia Leene
 
 
 Erik van Ruysbeek
 

NIET IK MAAR GIJ

Laat mij zo diep in mezelf verdwijnen
dat ik uitmond in uw onzeggelijk verschijnen

laat mij zo diep in mij bestaan
dat mijn bestand in u verloren is gegaan

laat mij zo grondig met uw schoonheid verosmozen
dat ik alleen nog adem uit uw grondeloze rozen

laat mij zo naakt uw waarheid zijn
dat vuur ik vat en stijg boven de schijn

laat mij zo heel uw liefde binnendringen
dat één ik word om uit dit één te kringen

laat mij met have en goed in uw oneindig vlees vergaan
dat ik alleen nog u kan kennen en verstaan

want gij zijt van geboorte mijn ongeboren zon
mijn pulp mijn straling mijn uiterlijke en innerlijke horizon.

 

 

 

BRON

 

Hart mijn hart

maak dan uw knopen los

uw banden met de waan

de ongrond niet te zijn,

en laat de diepzee en de sterren

en wat hun bronnen zijn

regeren over uw oneindigheid.

 

De wegel is een weg

de liefde is een wereldbrand

het hart een ongeboren laaiend veld

een grensloos innerlijk heelal

dat het heelal der zinnen overrandt.

 

Bron vóór de bron,

uiterste

waaraan niets meer voorafgaat.

 

 

HET ONGEBORENE

 

Achter de murmelende bossen

achter de wijkende bergen

achter de doezelende kimmen

ben ik nog

 

vóór de bossen

vóór de bergen

vóór de kimmen

was ik reeds.

 

Mij bewoont een vonk

mij bezielt een vuur

mij vult een nietigheid

dat in mijn pit en buiten mij

de wereld is

dat alles is

en bron van alles

 

geen oog kan het zien

geen weten kan het kennen

geen dood kan het vernielen

 

want het is

onbereikbaar

zonder oorzaak

ongeboren.

 

 

ALS EEN ZANDLOPER

 

Geef mij uw duister

ik geef u mijn lichtend aangezicht

geef mij uw grotten

ik geef u mijn kruin vol vogels

geef mij uw zwarte wateren

ik geef u mijn adem vol vonken

geef mij uw grim

ik geef u mijn honing

geef mij uw gesloten poorten

ik geef u mijn zengend vuur

geef mij uw bittere kerker

ik geef u mijn laaiend zijn

geef mij uw onkenbare pit

ik geef u mijn alwetend weten

geef mij uw blinde nacht

ik geef u mijn dageraad

geef mij uw Niet

ik geef u mijn Alles.

 

Als een zandloper

uw trechter in mijn trechter gaand,

ik ben uw vertelling,

uw vertaling,

uw mythe,

ik ben uw beeld.

 

Ik, een schrijn

van uw ondoorgronde pulp.

Ik, transparante aarde

van uw onderaards gebeuren.

 

 

 

AFGROND

 

Durf in de afgrond springen,
verblind, verbijsterd en u ledigend.
Laat los uw aardse banden,
verlies uzelf en tuimel in het niets.
Wie grensloos stort is grensloos reeds
geworden
en middelpunt van al wat is
van 't draaiend rad
dat hem tot roerloosheid
en eenheid maakt.
Geen bodem maar het waar gelaat
dat 't zijne was
nog éér hij werd geboren.

 

 

ALS IK WERELD WORD

 

Onfeilbaar is uw stem feilbaar slechts mijn horen,

zuiver uw onstoffelijk geluid troebel nog

mijn weten.

 

Het water en de bomen spreken tot mijn vuur

de aarde en de luchten tot mijn licht

wat dieren weten richt zich op in mij

wat mensen diep verbergen

licht op hun gelaat.

 

Uit vele talen nadert uw éne taal

uit alle vormen doemt uw vormeloos gebaar

 zuiver van hart is wie uw boodschap proeft

zuiver van geest wie uw gebeuren leest.

 

De wereld en de werelden genaken mij.

Als ik uit mij verzwind en wereld word

een zuivere spiegel van uw myriadisch veld

dan gloeit uw stem in mij,

vanzelf en onweerstaanbaar.

 

 uit: In de spiegel van de nacht

 

 

PELGRIM

 

Ik ben een sprankel van het ongeschapen licht

dat door een vonk zichzelve zoekt.

Ik ben de zoektocht van de zoeker

en vind ik iets: hij is het die het vindt.

Zo is hij zoeker en gezochte

en ik een doortocht van het licht.

 

Toch zoek ik mede, bronloze verblinding,

een pelgrim eerst naar uwe heerlijkheid in mij,

en heb ik u in deze vonk gevonden

en is mijn stof herrezen tot haar geestelijk vlees,

een pelgrim dan naar uw oneindigheid

waarin met u ik opga

waarin mijn licht, opnieuw uw licht,

in witte trillingen verdwijnt

en gij alleen, verblindend, blijft.

 

 

 uit: In de spiegel van de nacht


 

 

De zonneklopper

 

Ik open de ogen maar kijk naar de wereld niet

de wereld kijkt naar mij

de oren laat ik open maar luister niet

de klanken bestaan

ik daal in mijn hart maar zonder dalen

mijn hart wordt heel mijn lichaam

mijn lichaam ademt zonder mij

en is in evenwicht

de beweging van mijn denken vindt geen plaats meer

in deze roerloosheid

wat ik voelde is vervluchtigd en opgelost

en heeft nooit bestaan

mijn voorstellingen hebben geen voedsel meer

zij vallen samen met de buitenwereld die ik ben

 

niets is meer te zeggen

niets is meer te doen

vrede

volkomenheid.

 

Erik van Ruysbeek

(Uit: Bronnen van het nu)

 

 

Lezend in Hadewijch

 

Pijn van vreugde

is in mijn vreugde nog

en vreugd van pijn

is in mijn pijn.

 

In welke kroes moet ik smelten,

in welke dood vernietigd zijn?

ik die zoveel doden stierf

nog ben ik niet

ten bodem van de dood.

 

Waar zinken stijgen is

en stijgen zinken

is nog de bodem niet.

 

Zal eens,

in mij en buiten mij,

buiten en binnen zich verenen?

 

Ik wacht, mijn ongrond,

dat gij voorgoed

mijn vader wordt.

 

Erik van Ruysbeek

(Uit: Het rijk van het midden)

 

Het pad

 

Als de nevelen optrekken

verschijnt de zon

als de schors weggenomen wordt

verschijnt het hout

als het denken verwijdert wordt

verschijnt het hart

als het hart zichzelf heeft opgelost

verschijnen de goden

als de goden vervluchtigen

verschijnt het goddelijke

als stof en geest verzwinden

verschijnt de ongrond.

 

Zuiver u

want zuiver zijt ge

laat los

want er is niets vast te houden.

Wees niets meer

want alles zijt ge al.

 

Erik van Ruysbeek

(Uit: Bronnen van het nu)

 

De verloste

 

Lucht zijn in de lucht

vlam zijn in het vuur

water zijn in de diepste stroom

adem zijn in het grote ademen

 

handelen vanuit het handelen

rusten vanuit de rust

goed zijn zonder het te weten

weten zonder het te beseffen

 

mens zijn zoals een boom een boom is

kind zoals een lam een lam

verlangloos zoals de ongeborene

vredig als de probleemloze

 

koraalkelk op het koraalrif

eenling een met myriaden

stem in het wereldkoor

stervend zonder het te merken

 

liefde zonder voorwerp

bewustheid zonder bewustzijn.

 

Erik van Ruysbeek

(Uit: Bronnen van het nu, 1988)

 

 

 

 
 
Citaten
 
Een
 
Uit Een komt alles voort, naar Een moet alles heen:
Niets wil toch veelheid zijn, gespleten wil geeneen.

In Een is alles Een: twee keert ook hier weer heen:
Het wezenlijke is daarmee, tesaam opnieuw een Een.
 
Angelus Silesius, mysticus - uit: 'De androgyne engel'

 

Maria, Nazareth, de bode Gabriël,
zij zijn: mijn ziel, mijn hart, Gods licht, -
Maar weet het wel,
mijn hart moet dan een dal vol pure bloemen zijn,
mijn ziel moet wezen als een maagd, verblindend rein,
en wonen in dit dal; tot hemels licht ontspruit
als God diep in haar geest zijn eeuwig Woord ontsluit.

 

Angelus Silesius 1624-1677


 
"Vol vertrouwen spreid ik mijn vleugels uit naar de ruimte.
Ik vrees geen grens van kristal of van glas,
Ik doorklief de hemel en zweef naar het oneindige.
En terwijl ik van mijn eigen wereld naar een andere reis
En steeds verder doordring in de eeuwige ruimte,
Laat ik dat wat anderen van veraf zagen,
Vér achter mij."
 
Giordano Bruno (1548-1600)
 

 

Waarvoor zou mijn hart nog bang zijn, nu u erin verblijft,
U, die de edele parel van de grote liefde bent?
Zelf kon ik nooit de ware Liefde geven; door u ga ik vermoeden wat die Liefde is.
Uw Liefde zal mijn voelen en denken temmen.
Ik wil leren zwijgen tot ik alleen nog zwijgen ben.
Door mijn volkomen zwijgen kunt u het sterrenlied weer horen.
Alles wat leeft, zal met u luisteren, en mijn daden getuigen van uw Liefde.
O, mijn kostbaar kleinood, uw vreugde
doet gouden bloesem in mijn hart ontluiken en verandert haar in Licht.


Wat Licht is, kan wederkeren tot het Licht!

Citaat uit Hermes: vermaning van de Ziel.

Crystalserie Rozekruispers Haarlem.


 

De vier rabbijnen

 

Op een nacht werden vier rabbijnen bezocht door een engel die hen wakker maakte en meevoerde naar het Zevende Gewelf van de Zevende Hemel. Daar aanschouwden ze het heilige wiel van Ezechiël.

 

Op zeker ogenblik tijdens de afdaling uit Pardes, het Paradijs, naar de aarde raakte een van de rabbijnen, na het zien van zoveel glorie, buiten zinnen en hij dwaalde tot het eind van zijn dagen schuimbekkend rond.

 

De tweede rabbijn was buitengewoon cynisch: '0, ik heb alleen maar over Ezechiëls wiel ge­droomd, meer niet. Er is niets echt gebeurd.'

 

De derde rabbijn ratelde maar door over wat hij gezien had, want hij was helemaal geobsedeerd. Hij preekte en hield er maar niet over op hoe het allemaal in elkaar zat en wat het allemaal betekende... en zo raakte hij op een dwaalspoor en liet hij zijn geloof in de steek.

 

De vierde rabbijn, die dichter was, nam een blad papier en een riethalm en ging bij het raam zitten en schreef het ene vers na het andere waarin hij de avond­duif, zijn dochtertje in haar wieg en alle sterren aan de hemel loofde. En hij leid­de een beter leven dan vroeger.

 

Citaat uit: De ontembare vrouw als archetype in mythen en verhalen – Clarissa Pinkola Estés

 

 
Ge zoekt, 0 ziel, vrienden en gelijkgestemden in de we­reld van wording en ondergang, maar ge weet toch dat het onmogelijk is ze daar te vinden? Wat ge zoekt is alleen te vinden in het rijk van de geest, daar dat rijk van nature eenvoudig, rein en onbesmet is. Indien ge dus daarnaar verlangt, keer u dan tot dat rijk, opdat ge zult verkrijgen wat ge nodig hebt, en zoek niet in de wereld van wording en ondergang wat daar niet te vin­den is. Haar bewoners zijn gevangenen en slaven, en hoe kan men vriendschap verwachten van een gevange­ne en trouw van een slaaf? Wees hiervan doordrongen en leef ernaar.
Vermaning van de ziel – Hermes Trismegistos
 
 
Ge weet, 0 ziel, dat ge, door te sterven een ander leven in een ander gebied beërft.
Daar zult ge wonen, niet in armoede, maar in weelde;
niet in nood, maar te­vreden; niet in vrees, maar in vrede;
niet zwoegend, maar in rust; niet in pijn, maar in vreugde;
niet in ziek­te, maar in gezondheid;
niet in duisternis, maar in het licht.
 
Treur daarom niet, 0 ziel, dat ge uw omhulsels van kwaad
en uw bedrieglijke verschijning moet afleggen,
om bekleed te worden met klederen die beter en eeu­wigdurend zijn.
Vermaning van de ziel – Hermes Trismegistos

 

Weet, 0 ziel, dat er vier toestanden dodelijk zijn voor de ziel en tot haar verderf leiden:
ten eerste onwetend­heid, ten tweede bezorgdheid, ten derde onbevredigd­heid, ten vierde vrees.

De ziel die door deze vier toestanden geteisterd wordt, is rampzalig.

Indien ge, 0 ziel, gelijkmoedig en standvastig de bitterheid van de dood kunt dragen,
dan zult ge niet alleen vrij zijn van angst maar ook van onbevredigdheid.

Wees dan gelijk­moedig zodat, door uw dwalingen in een vreemd land, aan onbevredigdheid en angst niet ook bezorgdheid toe­gevoegd wordt.

Glorievol is het, in standvastigheid te sterven; beschamend is het de dood als een overwonnene, terneergedrukt en moedeloos, te ondergaan.

Ster­ven, 0 ziel, is kortstondig en snel voorbij; maar smaad en vernedering, ondergaan in gevangenschap, is blij­vend.

Wees dus niet onwillig te sterven, als afscheid van de stoffelijke wereld, maar hoed u voor gevangenschap,
want dat sterven is leven, maar gevangenschap is de dood voor de ziel.

 

Aan bewoners van deze wereld wordt onrecht gedaan en zij doen elkaar onrecht aan.
Zij worden door elkaar op het verkeerde spoor geleid en zij leiden anderen op dwaalwegen.
Als bijvoorbeeld een ziel dit gebied van zorgen en verdriet betreedt, wordt zij met vreugde en blijdschap begroet,
en als zij deze wereld weer verlaat, begeleidt men haar uitvaart met geweeklaag en geschrei.
Hieraan is goed te zien hoe dwaas de mensen zijn en hoe tegengesteld ze zijn aan waarheid en gerechtigheid.

Vermaning van de ziel – Hermes Trismegistos



PARACELSUS zegt:
"Gij noemt de mens een microkosmos, de naam is juist, maar gij hebt nooit volkomen begrepen wat zij beduidt. Gij moet ons begrijpen als wij microkosmos als volgt uitleggen: Zoals de hemel met heel zijn firmament, zo is ook de mens een geweldige constellatie. Zo min als het firmament van de hemel door een schepsel wordt geregeerd, zomin wordt het firmament van de mens door andere schepsels beheerst, maar is het op zichzelf een geweldig vrij firmament, zonder een enkele binding."

 

HERMES zegt:
“Verander uw natuur en wat gij zoekt zult gij vinden. Maak het lichte zwaar en het zware licht, breng uit lucht aarde voort en uit aarde lucht, uit water vuur en uit vuur water, dan verstaat gij de kunst.

Uit één wordt twee en uit twee één, dan is uit den enigen God een zoon geboren.”


 
Zoals dromen onwerkelijk zijn in vergelijking met wat ge in het waakleven ziet, zo zijn ook de dingen van het waakleven van deze wereld onwerkelijk in vergelijking met de wereld van de geest, die alleen de ware werkelijk­heid is.
 
Denk dus niet dat uw geluk bestaat uit wat ge in de we­reld der zinnen ziet. Als ge daarin uw geluk plaatst, zult ge zijn als iemand die in slaap is gevallen en in zijn dro­men prettige en lieve dingen gezien heeft en daarin zijn vertrouwen stelt. Zo iemand is bedroefd en verslagen als hij ontwaakt, omdat hij gescheiden wordt van de dingen die hij in zijn droom zag. Zo is het ook met de ziel die, terwijl zij verblijft in de wereld van komen en gaan, ge­wend is de genoegens ervan, het plezier en de vreugden waar te nemen, omdat zij overweldigd wordt door het verlangen ernaar en haar geluk erin geplaatst heeft. Maar als de ziel, terwijl zij in deze wereld woont, ge­wend is de ellende, het verdriet en de smart die erin bestaan, waar te nemen, dan is het haar een vreugde deze wereld te verlaten en is zij gelukkig eruit te kun­nen vertrekken. Zoals een mens die in een droom lelij­ke en smartelijke dingen ziet en daarna uit zijn slaap ontwaakt, verheugd is en blij dat hij aan zijn droom ontkwam. Bovendien zal hij weigeren zich opnieuw aan de slaap over te geven, als gevolg van de smart en de angst die hij onderging door de afschuwelijke dingen die hij in zijn droom zag.
 uit: Vermaning van de ziel – Hermes Trismegistos
 
 
 
Alle verwarringen in de wereld hebben slechts één oorzaak, de mens kan niet het nodige van het onnodige onderscheiden, waardoor hij het nodige voorbijgaat en zich bezighoudt met het onnodige en daarin verward en verstrikt raakt.
Ik beweer dat door alle eeuwen heen de grondoorzaak is dat de mens het waardevolle van het waardeloze, dit is het nodi­ge van het onnodige, het nuttige van het nutteloze niet weet of niet poogt of hardnekkig weigert te onderscheiden. De mens gaat niet waarheen hij moet gaan, maar loopt als kud­dedier waarheen de gehele wereld gaat. En vervolgens laat hij ook niet af, het moge goed of kwaad zijn, van wat hem eenmaal bevalt.
Unum Necessarium – Comenius (1592-1670)
 
 
 
Elk ding, dat men volgens het licht van de natuur moet leren begrijpen, moet men naar zijn ontstaan beoordelen.
In elke oorspronkelijke toestand is dat, wat zich eruit ontwikkelt, in wezen en hoedanigheid reeds aanwezig, omdat het gelijke uit het gelijke voortkomt.
De eerste schepping bestaat uit de hemel en de aarde. Nadat deze waren gevormd en van hun natuurlijke krachten en eigenschappen waren voorzien, werd uit al deze dingen door de hand van God de mens naar zijn evenbeeld gevormd.
Wat wil ik daarmee zeggen? Niet meer, dan dat de mens een kleine wereld is, niet wat betreft zijn gestalte en lichame­lijke substantie, maar wat al zijn krachten en vaardigheden betreft. Daarom heeft de mens de edele naam microkosmos, dat betekent, dat alle sterrenbanen, de hele natuur van de aarde en van het water en van de lucht in hem besloten zijn. In hem bevindt zich de natuur van alle vruchten van de aarde, alle ertsen en wateren, naast alle constellaties en de vier winden van de wereld.
Wat is er op de aarde, waarvan de natuur en de kracht zich niet in de mens bevinden? God heeft de mens naar zijn evenbeeld gevormd, bereid uit de edelste menging, iets dergelijks is niet meer te vinden. Noch de hemel en zijn krachten, noch de aarde, noch enig element kan de microkosmos en zijn krachten in adel overtreffen. (1/263>264)
Paracelsus – De Causis morborum invisibilum
                                                                                                                               
'In de oorspronkelijke natuur was de geest van de mens een woonplaats van het Licht. Door zijn voor­liefde voor de materie, moet hij nu in onbewustheid en duisternis wandelen; maar als de goddelijke geest weer ingang kan vinden, als vuur en vlam en licht, kan in de mens een zuivere staat van bewust­zijn weer worden hersteld.'
 
'De oersubstantie noem ik dat vormeloze, oorspronkelijke wezen, dat de moge­lijkheid van al het Zijn en het niet-zijn in zich sluit, dat geen eigenschap noch dimensie bezit, omdat het groot noch klein,fijn noch grof noch waarneembaar is. Het heeft geen eigenheid of neiging, het is niet in beweging noch in rust, het heeft geen kleur en is met welke elementaire eigenschap ook toegerust. Toch is het vol van alle handelen, alle tijden en alle dingen, zodat het de Moeder van de wereld kan worden genoemd. '
Robert Fludd (1574-1637)
 
 
 
 

DUIZENDEN WONDEREN

 

Sinds ik de schoot van mijn moeder verlaten heb,

tot het uur waarin mijn zon zal ondergaan

omgeven Uw wonderen mij, 0 God.

En zelfs het kleinste van deze wonderen

is zo groot dat het menselijke verstand

het niet kan bevatten ­

onvermoed en onvoorstelbaar,

met geen penseel te schilderen,

met geen pen te beschrijven,

en er is geen tong die het vertellen kan.

Temidden van al deze wonderen

word ik - zelfvergeten - stil...

en zo peinzend komt het mij voor

dat ik zelf het grootste van alle wonderen ben.

 

Mikhaïl Naimy – Gesprek met de Ander

 

 

De gevangenissen (van ons denken) houden ons gescheiden, hetzij in gemeenschappelijke cellen, hetzij in onze eigen isoleercel en als we een ogenblik naar buiten komen om gelucht te worden, om adem te scheppen, dan kleeft onze eigen gevangenislucht aan ons en de geur verwijdert ons al van onze naasten.
Deze immense gevangenis die we wereld noemen, en waarbinnen de oorspronkelijk harmonische natuur zelfs wegkwijnt, proberen we nog steeds bewoonbaar te maken met kunst- en vliegwerk, met nieuwe ontdekkingen uit lichtloze denkbeelden, maar de vensters met uitzicht op de goddelijke hemel verdwijnen de ene na de andere. Daarom: durf muren af te breken, in jezelf, in anderen als zij daaraan behoefte hebben, want anders zullen we stikken in de bouwwerken die de hemel buitensluiten.
Is de moderne bouwstijl waaruit lucht en leven weggehouden worden, waar we de hemel kunnen zien achter ondoordringbaar glas en waar het natuurlijke ritme wordt overgenomen door kunstmatige middelen, niet een spiegelbeeld van de geestelijke toestand van de hoog gecultiveerde mens?
Henk Leene.

 
 
Schoonheid en vreugde passen zich aan bij de zintuiglijke waarneming van het individu
en deze is afhankelijk van zijn materiële dan wel spirituele instelling.
Hetgeen schoon is in de ogen van de ene mens is absoluut afzichtelijk in de ogen van de andere.
Geen twee mensen zijn gelijk en zo is hun waarneming altijd onderling verschillend.
                                                                                     Henk Leene 
 

 

DAKLOOS GEBORGEN

 

Wie met MIJ gaat, zal dakloos worden, zodat hij de sterren beleeft

Wie met MIJ gaat, zal pijn lijden, zodat IK hem genezen zal

Wie met MIJ gaat, zal hongeren, zodat IK hem het Levensbrood reik

Wie met MIJ gaat, zal dorsten, zodat IK hem zal laven met de Wijn

Wie met MIJ gaat, zal ontledigd worden, zodat IK in hem kan wonen.

 

Geborgenheid omvat méér, dan welk dak ook kan bieden

Geborgenheid is stiller dan woorden kunnen zeggen

Geborgenheid is inniger dan de mens kan bevroeden

Geborgenheid is het verlossende Antwoord op alle ont-wikkeling

Geborgenheid ontstijgt aan alle ontwrichting, pijn, nood en benardheid.

 

Wie in Gods Naam bereid is om te leven op de aarde

Wie in Gods Naam bereid is om te dragen op de aarde

Wie in Gods Naam bereid is om los te laten op de aarde,

 

die mens zal deel hebben aan het boventijdelijke ware Leven

die mens zal zich geborgen weten te allen Tijde

die mens zal bereid zijn tot mateloos volbrengen,

 

Ik zend u Vrede, ga in Mijn Naam.

Vrede zend Ik u, VREDE.

Amen.

 

R. Fentener.

 
 
 
 


Ellen de Brouwer
 

En als je mij zou vragen

Heb je nog iets nodig?

 

dan zou ik antwoorden:

 

Nee,

er is niets meer buiten mij,

dat mij van binnen vreemd is

er is niets meer buiten mij,

dat mij van binnen

nog meer zou kunnen vullen.

 

Ik ben vervuld.

 

En als je mij zou vragen Kan ik je raken?

 

dan zou ik antwoorden:

 

Ja,

in mijn Kracht

en slechts daar alleen ben ik aan te raken.

 

 


 

Liefde is de weg

 

Zij maakt mijn armen tot vleugels

en als een vogel in de lucht

voel ik de wind langs mijn lichaam strelen

 

ervaar ik de warmte van het vuur van de zon

 

hoor ik de geluiden van het water

onder me

en met de golven van de zee beweeg ik mee

 

en ik weet als vanzelf wélke weg

ik gaan zal

en ik land met mijn voeten op een berg op de aarde

en voel de kracht die haar stevigheid me biedt

 

en ik ben thuis

de Hemel is op Aarde.

 


 

En als je mij zou vragen
Wijs me de Weg

 

dan zou ik antwoorden:

 

Volg de stem van je Hart,

wandel over het pad van Liefde,
vol mededogen en zachtmoedigheid.

 

En wanneer je je Zelf dan vindt,
dan vind je de ander.

En wanneer je je Zelf dan voelt,
dan voel je de ander.

 

En wanneer je dan je Zelf Volledig ervaart,
dan ervaar je het Hart van God.

En wanneer je het Hart van God gewaar bent,
dan bén je je Goddelijke Vonk.

 

En wanneer jij jouw Goddelijke Vonk bent,
dan zullen we samen zijn,

dan zullen we één zijn!

 

 

De geheime weg tot wedergeboorte in de geest, waarvan in de bijbel wordt gesproken, is de verandering van het lichaam en niet van de geest.

Zoals de vorm is, zo uit zich de geest...

 

God alleen, de Algeest, verandert haar en vergeestelijkt de ledematen, indien het diepste innerlijk, de oermens, zijn gebed niet naar buiten zendt, maar lid voor lid zijn eigen vorm aanbidt, alsof in ieder onderdeel daarin verborgen de Godheid woont, als anders verschijnend beeld...

De tijd komt, dat de leer van deze alchemie voor velen weer zal worden opgebouwd.

Gustav Meyrink

 

             

 

               

 

Gastenboek van Spirituele Vrienden.

  

Top 100 NL